VU Blaise Pascal
Instituut > Studiekring
René Girard >
Online
teksten
Lichaamscultus en rivaliteit
Hans Weigand
In
de jaren 60 werd het woord lichaamscultus gebruikt om een snel om zich
heengrijpend fenomeen te beschrijven van een grote, volgens sommigen te grote,
belangstelling voor het het naakte lichaam. Op dit moment zien we nieuwe vormen
van lichaamscultus, waarbij het niet alleen gaat om het erotische (hoe prominent
aanwezig ook in reclame, media en kunst), maar veeleer om gezondheid, slankheid,
het tegengaan van de gevolgen van ouderdom, en allerlei vormen van
lichaamskunst, zoals piercings. Wanneer
we nadenken over deze verschijnselen en proberen een
beoordeling te geven, kunnen we ons beperken tot het zoeken van de juiste
maat. Ja, zorg voor het lichaam is goed, en we mogen dankbaar gebruik maken van
middelen die de medische wetenschap nu heeft om leed te verminderen, zolang we
maar niet overdrijven. Zolang maar niet de zorg om het lichaamsgewicht een
obsessie wordt. Zolang we maar niet denken de ouderdom te kunnen tegenhouden.
Zolang de kosten die we eraan spenderen maar redelijk blijven.
Op zich is het zoeken
van de juiste maat altijd zinvol, maar in dit geval lijkt het toch iets te
simpel. Ik denk dat hiermee geen
recht wordt gedaan aan de culturele complexiteit van het verschijnsel en ook
niet van de intense problemen waar velen mee worstelen op dit gebied. In dit
hoofdstuk wil ik proberen iets dieper te komen door terug te gaan naar de
achtergrond van het woord cultus. In de offercultus gaat het volgens de
Franse denker René Girard om het bereiken van verzoening in een samenleving van
mensen die als rivalen tegen over elkaar staan. Wat betekent lichaamscultus in
de context van rivaliteit, en welke offers worden hier gebracht? Rivaliteit
beschrijf ik als een ideaaltype, wat misschien wat karikaturaal overkomt,
maar soms kan dat verhelderend zijn. Aan het eind zullen we ook kort stilstaan
bij een alternatief ideaaltype, de diakonia.
Rivaliteit
Mensen hebben de neiging
zich met de ander te vergelijken, maar in de ene cultuur of in de ene situatie
is de rivaliteit meer prominent, of wordt minder onderdrukt, dan in de andere.
De meest eenvoudige vorm van rivaliteit is als twee mensen, en we zien dat al
bij kleine kinderen, hetzelfde ding willen hebben en elkaar daarvoor in de haren
vliegen. De rivaal wordt beschouwd als een lastige indringer, want ik was het
eerst! Het was mijn idee, ik wil dat ding! En net als bij de twee vrouwen die
naar koning Salomo kwamen zegt de rivaal precies hetzelfde. De waarheid is
meestal dat er een zodanige onderlinge beïnvloeding plaatsvindt dat geen van
beiden de waarheid spreekt.
Nu gaat het bij
rivaliteit om meer dan een toevallig conflict over een ding, maar raakt het al
snel ons zelfbeeld. We kunnen slecht tegen verliezen. We vinden het moeilijk toe
te geven dat onze begeerte opgewekt of versterkt wordt door de aanwezigheid van
de rivaal, in plaats van spontaan en origineel te zijn. In de rivaliteit gaat
het ten diepste om het de eerste zijn (en niet een volger, of loser);
in de woorden van wijlen Roel Kaptein is het een zoeken naar Zijn. De
tragische waarheid is echter dat dit zoeken nooit bevredigd wordt zolang we
leven in de rivaliteit. Hoe mooi de koningin ook is, in de spiegel blijft ze
niet alleen zichzelf zien maar ook de jonge vrouw die duizendmaal schoner is
dan gij.
Dat deze rivaliteit ook
in onze samenleving enorm is, blijkt keer op keer, al wordt er maar weinig over
gesproken. Dat wil zeggen, we zien en herkennen wel de rivaliteit van anderen,
in de soap serie op TV, in de politiek, in de romans, maar minder bij onszelf.
Als we er ons al van bewust zijn, dan proberen we het weg te drukken:
Als je ergens bent en je ziet iemand die slank is en aantrekkelijk, dan
denk ik: waarom kan ik er niet zo uitzien? Ik heb de neiging om me te
vergelijken met meer aantrekkelijke mensen, dus ik voel me niet prettig als ik
me met anderen vergelijk
Ik houd er niet van om mezelf met andere mensen
te vergelijken, uiteindelijk heb je er alleen
jezelf mee of de ander (McCabe,
2006)
We leven in een
consumptiemaatschappij, maar een obsessie met consumptie-objecten betekent nog
niet dat rivaliteit geen rol speelt. De Amerikaanse econoom Veblen analyseerde
in de vorige eeuw al wat hij noemde conspicious consumption: in onze
consumptiepatronen, bijvoorbeeld van kleding of autos, kijken we heel goed
naar wat anderen in een hogere sociale klasse doen, en zo zie je modes en trends
van boven naar beneden door de maatschappij neersijpelen. Omdat de rivaliteit
het zoeken naar Zijn nooit helemaal bevredigt, zoekt ze steeds weer nieuwe
vormen. Als het door de massa-productie en welvaart mogelijk is vrijwel elk
voorwerp dat de ander heeft zelf ook te verkrijgen, wordt de rivaliteit
verschoven naar andere terreinen dan bezit. Bezit speelt nog wel een rol, maar
dan vooral de kunst om het eerder te hebben dan de ander denk aan de
gadget-markt. Voor ons onderwerp is van belang dat de rivaliteit zich ook kan
verschuiven naar het uiterlijk en naar het lichaam.
Girard (1996) beschrijft een korte geschiedenis van het moderne
slankheidsideaal. Deze begint bij de vrouw van keizer Franz Joseph
van Oostenrijk, bekend als Sissi. Zij presenteerde zichzelf
als een nieuwe vrouw. Niet gelukkig met haar rol als vrouw en
moeder zocht ze een eigen identiteit, los van ceremoniële
verplichtingen. Ze besteedde veel tijd en aandacht aan haar uiterlijk, onder
anderen door extreme diëten en oefeningen; haar japonnen waren zo krap dat
tegenwoordig bijna niemand ze nog kan dragen.
Er was sprake van een zekere rivaliteit met de vrouw van Napoleon III,
keizerin Eugenie van Frankrijk, een andere beroemde schoonheid. Het verhaal gaat
dat bij een ontmoeting van de twee keizers de beide dames zich terugtrokken in
een achterkamer om hun tailles te vergelijken. Het was in deze tijd (1860, 1870)
dat de eerste medische artikelen verschenen over anorexia. Het slankheidsideaal
bereikte na de Eerste Wereldoorlog de middenklasse, en na de Tweede Wereldoorlog
alle lagen van de bevolking.
Bij het rivaliseren
spelen publieke media een dubbele rol. Aan de ene kant gebruiken we de
modellen die de media (televisie, tijdschriften, reclame) ons voorhouden. De
waarde van die modellen is evident, en door die modellen te imiteren of je met
die modellen te identificeren, straalt iets van die waarde op jou af. Daarmee
kun je op voorsprong komen in je rivaliteit met de anderen om je heen.
Vervelende bijkomstigheid is dat je rivalen natuurlijk ook diezelfde modellen
zien en nabootsen. Daarom heb je steeds weer andere modellen nodig, iets waarin
de culturele sector gelukkig rijkelijk voorziet.
Maar de al of niet gephotoshopte
modellen in de media kunnen ook op je overkomen als nieuwe rivalen,
als idealen waar je niet aan kunt, maar in je hart wel zou willen tippen. Ook
zonder de vaak geëxploiteerde erotische lading zijn deze modellen daarom
fascinerend. De kwalijke rol
van de media in het produceren van onbereikbare slankheids- en
schoonheidsidealen, met name voor vrouwen, is een veelbesproken onderwerp (Markula,
2001), en terecht, maar als deze modellen alleen kwalijk en niet ook fascinerend
zouden zijn, waarom zouden vrouwen
dan tijdschriften met dergelijke modellen kopen? Voor de idolen zelf kan de
jaloezie en fascinatie die ze oproepen heel tragische gevolgen hebben, denk
bijvoorbeeld aan het einde van Marilyn Monroe of Princess Diana.
Sociale identiteit en stigmatisering
De identificatie met een model waarover we spraken heeft ook een sociale kant. Je identificeren met een idool is tegelijk je identificeren met de fangroep van deze idool, en omgekeerd. Je hoort ergens bij. Meer in het algemeen kun je je waarde verhogen door je te associëren met een bepaalde groep die bij haar leden en daarbuiten een hoge status geniet, vergeleken met andere groepen. Wat we hier zien is dat rivaliteit namelijk niet alleen op individueel niveau bestaat, maar ook tussen groepen; in de wereld van de rivaliteit ontstaan groepen op deze manier. Zo kun je door af te slanken horen bij de groep gemiddeld gewicht die zichzelf hoger acht dan de groep overgewicht. Een ander belangrijk element van rivaliteit dat hier naar voren komt is simpel gezegd dat je kunt winnen door de ander te laten verliezen. Dat wil zeggen, door je te distantiëren van en af te geven op een groep met lage status, zoals in onze maatschappij de groep van hen die kampen met overgewicht. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat deze laatste de meest negatief gestigmatiseerde sociale groep is (Klaczynski, 2004).
Omgaan met een tekort
Leven in een wereld van
rivaliteit betekent voortdurend geconfronteerd worden met je eigen tekort, omdat
er maar weinigen kunnen winnen. Sommigen winnen een slag, maar nooit de oorlog.
Men blijft met zijn rivalen verbonden. In de high society
is de onderlinge achterdocht en jaloezie vaak het grootst. Hoe gaan we
met dit tekort om? We kunnen onderscheid maken tussen een naar buiten en een
naar binnen gerichte manier. Naar buiten betekent: de rivaliteit aangaan, en
proberen het tekort weg te werken. Naar binnen betekent: het tekort ontkennen,
het bewustzijn ervan onderdrukken. Meestal gebruiken we beide manieren
tegelijkertijd. Ontkennen van het tekort vereist meestal een zondebok: ik schiet
niet tekort, maar de plastische chirurgie, of de media, of mijn ouders.
Soms kan het eigen
lichaam tot zondebok worden. Daarvoor moet de mens dan wel de eenheid van ziel
en lichaam die hij is, verbreken. Zijn lichaam wordt dan iets tegenover,
een broeder ezel. Dan ben ik het niet meer die tekortschiet, maar mijn
lichaam. Je zegt niet meer: ik ben ongelukkig (voor de moderne mens een
doodzonde!) maar ik ben ongelukkig met mijn lichaam. In extreme vorm kan
dit leiden tot het disciplineren en kastijden van het lichaam. Naar mijn mening
is er wat dat betreft wel degelijk een parallel met de religieuze ascese zoals
we die kennen uit het verleden (zoals in het gnostieke christendom en de
middeleeuwen) en andere culturen (zoals het hindoeïsme), al zijn er ook
belangrijke verschillen. Grootste verschil is dat het Zijn daar niet in de
eerste plaats gezocht wordt in de rivaliteit, maar in de verhouding tot God. Het
toewijden van het lichaam aan God is een positieve motivatie. Maar ook in deze
context is de vraag hoe men omgaat met het bewustzijn van tekort. Ook daar kan
dit opgelost worden door het tekort op conto van het lichaam te schrijven.
Volgens gnositici als Valentinus en Basilides (tweede eeuw) was de mens een
geest die in de materiële wereld is terechtgekomen toen God de hemelen reinigde
na een zonde onder de engelen. Daarom verlangt de menselijke geest ernaar van de
materie, van het lichaam, bevrijd te worden. Volgens sommige gnostici is de
materie de bron van alle kwaad, en
kan zij niet door God zijn geschapen. Gnostische asceten gingen soms zover dat
ze hun lichamen niet meer wilden wassen.
Een andere overeenkomst
tussen moderne lichaamsascese en religieuze ascese is dat de ascese zelf een
onderwerp van rivaliteit kan worden. In de Evangeliën lezen we dat Jezus
waarschuwt tegen het ontoonbaar maken van het gelaat omwille van de
mensen. Het gaat er dan niet meer om een heilige te zijn, maar om als een
heilige beschouwd te worden. Evenzo kan ook de moderne lichaamscultus een
onderwerp van rivaliteit worden. Dan gaat het niet meer alleen om het bereiken
van een bepaald ideaal, zoals slankheid, maar ook het om superieure
zelfdiscipline, in de vorm van diëten, fitness enzovoort. Zelfdiscipline is in
de context van de rivaliteit sowieso een hoge deugd. want de persoon laat zien
niet beïnvloed te worden door en dus onafhankelijk te zijn van anderen. Mensen
die zelfdiscipline uitstralen worden daarom veel bewonderd en benijd.
Het is te meer
verleidelijk om het tekort dat we ervaren toe te schrijven aan ons lichaam
doordat ook de medische wetenschap zich typisch daarop richt., volgens de
analyse van Michel Foucault. Ziekte is een probleem van het lichaam, en afgaande
op lichamelijke symptomen wordt gezocht naar lichamelijke oorzaken. De sociale
en maatschappelijke context van de ziekte blijft daarmee helaas buiten beeld.
Diakonia als alternatief
Binnen de context van
rivaliteit kan men op verschillende manieren en meer of minder gezond met zijn
eigen lichaam omgaan. Men kan moraliserend afgeven op hoe anderen daarmee
omgaan, maar men blijft dan nog steeds binnen deze context. Is er een
alternatief? In de christelijke traditie wordt tegenover het ideaaltype
rivaliteit een ander ideaaltype aangereikt in de vorm van de diakonia,
oftewel het dienende lichaam. Dit ideaaltype wordt zichtbaar in Jezus Christus
die volgens deze traditie in een lichaam gekomen is en dit lichaam ten dienste
stelde van de ander. Dit is mijn lichaam voor u. Het aannemen van deze
dienst leidt niet tot een bewustzijn van tekort, maar juist tot een
bewustzijn van overvloed, dat zich op een natuurlijke wijze uit in het
doorgeven, in het ter beschikking stellen van het eigen lichaam aan de
ander (Rom.12:1,2). Meer in het algemeen gezegd betekent het leven in de
diakonia een ontvankelijk leven, bewust van eigen afhankelijkheid, en tegelijk
een gevend leven, bewust van de ander zijn of haar afhankelijkheid. We herkennen
deze diakonia ook in de moeder die haar leven inzet voor haar kinderen, de
echtgenoot die zichzelf geeft aan zijn geliefde en tal van maatschappelijke
praktijken, zoals de ziekenzorg.
Leven in de diakonia kan
helpen om ons te bevrijden uit de context van de rivaliteit. Maar ze kan
daardoor ook geïnfecteerd worden. Men kan rivaliseren in het dienen: wie is de
beste moeder, de grootste gever? Dan verliest het diakonia-type veel van zijn
bevrijdende kracht.
Besluit
Dit artikel heeft
getracht inzicht te geven in de
complexiteit van de moderne lichaamscultus door deze in de context te plaatsen
van rivaliteit enerzijds en diakonia anderzijds. Het is goed ons van deze twee
ideaaltypen bewust te zijn, want velen van ons worstelen grotendeels onbewust
tussen deze twee contexten.
Literatuur
Girard, R. Eating Disorders and Mimetic Desire. Contagion 3, 1996, pp.1-20.
Klaczynski, P., K.W. Goold, J.J. Mudry. Culture, Obesity Stereotypes, Self-Esteem, and the Thin Ideal: a Social Identity Perspective, Journal of Youth and Adolescence, 33(4), 2004, pp.307-317.
Markula, P. Beyond the perfect body Womens Body Image Distortion in Fitness Magazine Discourse. Journal of Sport & Social Issues 25(2), 2001, pp.158-179.
McCabe, M. .P., L. Ricciardelli, D. Ridge Who Thinks I Need a Perfect Body? Perceptions and Internal Dialogue among Adolescents about Their Bodies. Sex Roles A Journal of Research, Springer, 2006.
Verschenen in: Cahier Lijf, Christelijk Studiecentrum ICS, December 2007.
E- mail adres H.Weigand@uvt.nl