VU
Blaise
Pascal Instituut > Portal
Studiekring René Girard > >
Online
teksten
WAAROM GOD MAAR ÉÉN BEEN
HEEFT
English
Naar een post-structuralistische antropologie van de religie (1)
REDE
van
bijzonder hoogleraar in Sociaal-economische verandering en vormen van
institutionele zingeving
aan
de Rijksuniversiteit te Utrecht,
op
donderdag 14 november 1991
door
Jan-Mathijs
Schoffeleers
Dames
en Heren,
I
Volgens
de Pedi, een volk in Zuid-Afrika, heeft God maar één been (Mönnig 1967:45).
Zijn die Pedi misschien gek? Het is niet te hopen, want dan zou de halve wereld
gek moeten zijn, gezien het feit dat soortgelijke voorstellingen van de
bovennatuur te vinden zijn in talloze culturen, zowel in als buiten Afrika (2).
We treffen zelfs godheden aan, die niet alleen een been moeten missen maar een
hele lichaamshelft. De Lugbara uit Uganda kennen zulk een wezen, Adro genaamd,
dat ze omschrijven als 'lang, wit van kleur en met slechts één lichaamshelft,
dus met maar één been, één arm, een half gezicht en een half hoofd' (Middleton
1973:374). Adro kan ondanks zijn ene been goed vooruit en maakt jacht op mensen
die zich 's avonds of 's nachts in
de vrije natuur ophouden, want dat heeft hij klaarblijkelijk niet graag.
Gelukkig gedragen zich niet alle unilaterale godheden zo angstaanjagend. Er zijn
er ook heel wat die vriendelijk van aard zijn (3).
II
De
eenbenige of unilaterale godheid heeft betrekkelijk weinig aandacht gekregen van
de kant van antropologen en godsdienstwetenschappers. In deel twaalf van de
grote Encyclopaedia of Religion and Ethics van Hastings uit (1908-1926)
komt hij nog niet voor als apart onderwerp en het is pas sinds de jaren veertig
en vijftig dat men zich begint te interesseren voor de mogelijke betekenis
ervan. De leidende autoriteit vandaag de dag is Rodney Needham uit Oxford. Aan
hem danken we een handzaam overzicht van de belangrijkste theorieën over
halfwezens (Needham 1980:17-40; 1989). We zullen deze zo dadelijk de revue laten
passeren. Daarnaast heeft ook Luc de Heusch van de Brusselse Vrije Universiteit
van zijn interesse doen blijken. In zijn geval is het vooralsnog gebleven bij
een kort commentaar, maar hij heeft een meer uitgebreide studie in het
vooruitzicht gesteld. Hoe kort zijn commentaar overigens ook moge zijn, toch
maakt hij daarin al de belangrijke opmerking dat de symboliek van de eenbenige
of unilaterale godheid niet voldoende begrepen kan worden als we er
tegelijkertijd niet de symboliek van de tweeling bij betrekken (de Heusch
1982:254-5). We zullen in de loop van ons betoog nog uitgebreid op die
tweelingen terugkomen, maar voor het moment is het nodig ons te bepalen tot de
halfwezens en de theorieën die daaromtrent naar voren zijn gebracht.
De
zojuist genoemde Needham bespreekt in het geheel vijf auteurs, te weten Szabó
(1941), Hatt (1949), Jensen (1950), Deonna (1959, 1965) en Zahan (1975). Wat de
verklarende waarde van hun theorieën betreft is hij van mening dat geen ervan
algemene geldigheid heeft en hij acht het ook niet waarschijnlijk dat er ooit
een algemene theorie zal komen. Daarvoor is volgens hem het fenomeen te grillig
van vorm. Het enige dat we naar zijn mening kunnen doen is concluderen dat de
unilaterale figuur een archetype is, en die constatering alleen al acht hij een
belangrijk winstpunt.
We
hoeven Needham's pessimisme echter niet zonder meer te delen. In de eerste
plaats is het mogelijk dat vanuit een andere optiek de verschillen minder
talrijk en minder belangrijk zijn. In de tweede plaats kan het zijn nut hebben
verklarende theorieën niet alleen op zichzelf maar ook in hun samenhang te
beoordelen. Zelfs als geen van genoemde theorieën algemene geldigheid heeft,
dan nog is het mogelijk dat ze tezamen genomen wel algemene - of quasi-algemene
- geldigheid bezitten. Het verkennen van die mogelijkheid zal dan ook onze
eerste taak zijn.
We
beginnen met vast te stellen dat een van de vijf door Needham besproken auteurs,
namelijk Hatt, voor onze probleemstelling niet direct relevant is. Hatt poneert
namelijk dat het idee van halfwezens op zoveel verschillende plaatsen en in
zoveel verschillende culturele conteksten wordt aangetroffen, dat het wel op
uiteenlopende plaatsen onafhankelijk van elkaar moet zijn ontstaan. De conclusie
die we daaraan kunnen verbinden is dezelfde als die van Needham, namelijk dat we
hier te maken hebben met een archetype, een algemeen menselijk symbool, en niet
met een symbool, dat cultuurgebonden is. Over betekenis en aard van die
symboliek wordt door Hatt niets gezegd zodat hij voor ons doel verder niet
relevant is.
Onze
volgende vaststelling is dat er van de vier resterende auteurs twee zich bezig
houden met bovennatuurlijke en twee met aardse halfwezens. Het blijkt namelijk
dat in mythen en volksverhalen niet alleen goden maar ook mensen afgeschilderd
worden als unilateralen. Welnu, de theorieën die zich bezig houden met
menselijke halfwezens stammen van Szabó en Zahan, terwijl de theorieën die
zich bezig houden met bovennatuurlijke halfwezens uit de pen van Jensen en
Deonna komen.
Jensen
is de meest radicale. Voor hem is het ontstaan van de unilaterale godheid
onderdeel van het proces van menswording. Zijn redenering is dat de mens zich
god pas kon voorstellen als unilateraal toen hij zich tijdens zijn ontwikkeling
van dier tot cultureel wezen bewust werd van zijn lichamelijke symmetrie. Want,
al is de mens niet symmetrischer van vorm is dan andere zoogdieren, toch is zijn
symmetrie opvallender omdat hij rechtop loopt. Gaat de mens nu op zoek naar een
symbool voor de bovennatuur als menselijk en tegelijkertijd niet-menselijk, dan
is de unilaterale antropomorfe figuur een voor de hand liggende mogelijkheid.
Zulk
een figuur wekt namelijk de indruk van menselijkheid omdat wij er ondanks de
halvering een menselijk lichaam in herkennen. Anderzijds wekt die figuur ook
weer de indruk niet-menselijk te zijn omdat zij iets voorstelt dat helemaal niet
kan. Er bestaan geen mensen die van top tot teen gehalveerd zijn en dan ook nog
kunnen functioneren. Het beeld van de unilaterale godheid is dus een paradox -
iets dat vanuit de ene optiek niet en vanuit een andere optiek wel kan - en in
dat paradoxale ligt voor een groot deel ook de zeggingskracht ervan.
Dat
paradoxale karakter wordt verder uitgewerkt door Deonna, onze tweede auteur, die
er de aandacht op vestigt dat bovennatuurlijke wezens, ondanks het feit dat ze
slechts één been of één oog hebben, toch geacht worden zich sneller te
kunnen voortbewegen en meer te kunnen waarnemen dan een mens met twee benen en
twee ogen (4). Het missen van een lichaamsdeel accentueert bij de goden juist de
kracht van dat lichaamsdeel. Vergeleken met de mens kunnen ze dus meer met
minder.
Echter,
wat voor de goden geldt als teken van een superieure bestaanswijze is voor de
mens eerst en vooral een handicap. Een mens met slechts één been is verre van
te benijden. Vandaar dat unilateraliteit als symbool een dubbele en
tegengestelde lading heeft. Dit voert ons naar Szabó en Zahan, de twee auteurs
die unilateraliteit bezien vanuit het perspectief van de mens.
Voor
Szabó bevat de unilaterale figuur een verwijzing naar de man/vrouw relatie. Zij
herinnert aan het biologische gegeven dat het individu op zich, zonder een
partner van het andere geslacht, maar een halve mens is. Adam mag dan al in het
bezit zijn van een volledig lichaam, zonder Eva kan hij geen nieuw leven
verwekken. Szabó introduceert hiermee een thema dat, zoals we nog zullen zien,
met grote regelmaat terugkeert in verhalen over halfwezens.
Zahan,
onze vierde en laatste autoriteit, breidt dit thema verder uit door te stellen
dat het unilaterale symbool niet alleen verwijst naar de man/vrouw
complementariteit, maar ook naar de noodzaak van complementariteit en evenwicht
op alle gebieden van het menselijk leven. Meer populair uitgedrukt, de halve zou
herinneren aan de noodzaak van het yin-yang principe.
Samenvattend
kunnen we dus zeggen dat de unilaterale figuur ons voorhoudt dat het eigene van
de bovennatuur bestaat in de omkering en overstijging van menselijke
wetmatigheden. Is het menselijk lichaam opvallend symmetrisch, de antropomorfe
godheid is nadrukkelijk asymmetrisch (Jensen). Is het samengaan van man en
vrouw noodzakelijk voor de voltooiing van de menselijke persoon en het voortbestaan
van de mensheid (Szabó), de goden zijn zichzelf genoeg en bestaan oneindig
voort zonder tussenkomst van het paringsmechanisme. Zijn individuele mensen
sterfelijk, goden zijn dat niet. Is bij mensen sprake van contrasterende
krachten en waarden, die in evenwicht dienen te blijven (Zahan), goden hebben
geen behoefte aan dergelijke contrasten. Tenslotte, is het missen van een orgaan
bij de mens een teken van gebrek, bij de goden geldt het als een teken van
volheid (Deonna).
Onze
bevinding is dus dat de vier genoemde interpretaties van unilateraliteit op
elkaar betrokken kunnen worden met behulp van het concept 'paradox', en dat dit
concept toepasbaar is op het geheel van unilaterale voorstellingen, want alle
gaan ze uit van iets dat menselijkerwijze gesproken niet kan. Needham heeft
misschien gelijk, waar hij poneert dat geen van de door hem besproken theorieën
algemene geldigheid heeft, maar in combinatie blijken ze die algemene geldigheid
wel te bezitten.
Hiermee
is de discussie echter nog niet ten einde, want naast verhalen over
bovennatuurlijke halfwezens bestaan er, zoals gezegd, ook nog verhalen over
menselijke halven. Dit doet de vraag rijzen hoe aardse wezens als unilateralen
kunnen worden afgeschilderd, wanneer unilateraliteit zoals tot nu toe is beweerd
kenmerkend is voor de bovennatuur. Verder ligt er nog de opmerking van de Heusch
over het verband tussen unilateralen en tweelingen. Waarin bestaat dat verband?
Voor een antwoord op beide vragen wenden we ons tot twee oorsprongsmythen van de
Luba uit Zaire.
III
Volgens
een van die Luba mythen waren er bij de schepping van de mens twee godheden
betrokken. De hoogste van de twee had zich voorgenomen uitsluitend éénzijdige
mensen te laten maken, maar de lagere godheid die dat plan moest uitvoeren hield
zich daar niet aan en maakte de mensen op eigen initiatief tweezijdig. Zijn
opdrachtgever bleef hiervan onkundig tot zich op zekere dag een kreupele jongen
bij hem aandiende. Deze kwam zich beklagen dat hij voortdurend bespot werd door
zijn broers die wel recht van lijf en leden waren. Pas toen werd het de schepper
duidelijk dat hij door zijn medegod bedrogen was en hij maakte de laatste
daarover bittere verwijten. 'Begrijp je dan niet waarom ik alleen maar
halfmensen wilde?', riep hij uit. 'Dat was omdat ik geen onderscheid wilde
tussen gave en mismaakte mensen. Met een half lichaam waren ze allemaal mismaakt
geweest en kon zich niemand laten voorstaan op een ander. Nu is de een knap en
de ander niet om aan te zien!'. Maar hij genas de jongen toch en droeg hem op
overal te verkondigen dat niemand meer met kreupele mensen mocht spotten, en dat
uiteindelijk iedereen moest sterven (Janssens 1926:560).
Uit
dit verhaal wordt nogmaals duidelijk dat lichamelijke asymmetrie een volkomen
tegengestelde betekenis heeft naar gelang het betrekking heeft op de
bovennatuur of de menselijke samenleving. De kreupele jongen mag dan wel iets
weg hebben van een eenbenige godheid, maar bij degenen die met een gaaf lijf
door het leven mogen gaan wekt hij alleen maar spotlust op. Zijn enige troost is
dat iedereen een keer dood moet en dat de dood allen weer gelijk maakt.
Nu
is het opmerkelijk dat de Luba nog een tweede oorsprongsmythe hebben, waarin
verteld wordt dat de oerwereld niet bevolkt zou zijn geweest door halfmensen
maar door tweelingen. Volgens deze mythe waren de eerste bewoners van de aarde
een man en een vrouw, die zich eerst niet bewust waren van elkaars bestaan en
langs elkaar heen leefden. Maar op zekere dag hoorde de man vreemde geluiden
in het bos. Toen hij, nieuwsgierig geworden, voorzichtig ging kijken trof hij
de vrouw aan, die hout aan het kappen was, en hij besloot bij haar in te
trekken. Ze wisten bij het begin van hun samenwoning nog niets af van geslachtelijk
verkeer, maar toen ze bij toeval twee jakhalzen zagen paren, kwamen ook zij
op een idee. Het resultaat bleef niet uit en ze bleken uitermate vruchtbaar.
Hun eerste kinderen waren namelijk een tweeling, die ze naar de volgorde van hun
geboorte Kyungu ('de eerste`) en Kabange ('de volgende`) noemden. De kinderen
die daarna kwamen waren ook tweelingen en die brachten op hun beurt ook weer
tweelingen voort zodat tenslotte het hele land bevolkt raakte met
tweelingen, die ook nog allemaal dezelfde twee namen droegen. Ofschoon
iedereen familie was van iedereen, of misschien juist omdat iedereen familie van
iedereen was, bevochten ze elkaar op leven en dood. De ene groep moordde de
andere uit en alleen de sterksten bleven over om verder te gaan met tweelingen
te maken en de cyclus van geweld in stand te houden (Theuws 1962:202).
Een
mens heeft niet veel fantasie nodig om te zien dat die oerwereld van de Luba
een hel moet zijn geweest. Het was een wereld van louter inteelt, waarin vrijwel
alle onderscheid ontbrak. Iedereen was bloed- en aanverwant van
iedereen. Ze hadden maar de beschikking over twee namen, waar de hele bevolking,
mannen en vrouwen, het mee moest doen. Het resultaat was, zoals we weten,
moord en doodslag. Het zal dan ook geen toeval zijn geweest dat het jakhalzen
waren, die het eerste mensenpaar voordeden hoe men zich kon voortplanten.
IV
Wanneer
we de twee oorsprongsverhalen van de Luba met elkaar vergelijken, zien we een
aantal opvallende contrasten. In het eerste verhaal is er sprake van een
halvering van het menselijk lichaam, want de oppergod wil alleen maar halfmensen.
In het tweede verhaal daarentegen gaat het om een verdubbeling, want de wereld
bestaat uit louter tweelingen. Met de getalswaarde stijgt ook de agressiviteit:
de halve mens kent geen agressie; de hele mens kent die wel want hij blijkt zich
agressief te gedragen tegenover de halve; en bij de tweelingen is agressiviteit
zo algemeen dat je kunt spreken van een oorlog van allen tegen allen. Een derde
belangrijke verschil is dat bij het ontstaan van de halve mens er sprake is van
goddelijk ingrijpen, terwijl bij het ontstaan van de tweelingen er sprake is van
dierlijke beinvloeding.
Deze
tegenstellingen doen ons al vermoeden dat de twee verhalen bij elkaar horen en
deel uitmaken van een en dezelfde discussie. Dit vermoeden wordt bevestigd door
een soortgelijk verhaal in Plato's Symposium, waarin verteld wordt dat de
oerbewoners van de aarde bestonden uit een soort Siamese tweelingen, die zo
sterk en agressief waren dat ze zelfs de goden naar het leven stonden. De
laatsten besloten daarom uit voorzorg ze doormidden te snijden en er éénlingen
van te maken. Dan waren ze minder sterk en, zo redeneerde Zeus, als er meer
mensen waren konden de goden ook rekenen op meer offergaven. Toen ze tenslotte
allemaal tot éénlingen gemaakt waren, dreigde Zeus dat hij ze nog eens
doormidden zou klieven als ze zouden hervallen in hun agressiviteit. Ze zouden
dan door het leven moeten als halven, hinkend op hun ene been. De moraal die
Plato hecht aan zijn verhaal is dat we elkaar dienen te helpen de geboden van de
goden te onderhouden om aan dat afschrikwekkend lot te ontkomen (Plato
1990:30-5).
De
overeenkomsten tussen de Luba mythen en Plato's verhaal zijn te groot om
toevallig te zijn. In beide gevallen is er sprake van vechtlustige tweelingen,
van agressieloze halfmensen, en van normale individuen die de neiging hebben
telkens weer in agressie te vervallen en daarom van hogerhand gewaarschuwd
moeten worden. Deze overeenkomsten kunnen alleen verklaard worden als we
aannemen dat tweelingen, net als halfmensen, een archetype zijn met een scala
aan betekenissen dat wereldwijd grote overeenkomsten vertoont.
In
kleine, pre-moderne gemeenschappen waar men veel meer van zijn verwanten
afhankelijk is en waar verwantschapsplichten veel zwaarder wegen dan bij ons,
wordt de geboorte van een tweeling meestal gezien als een slecht voorteken. Er
gaat een dreiging van geweld van hen uit en alles wat ze aanraken of wat met hen
in aanraking komt deelt erin. Men zegt bijvoorbeeld dat ze meer dier zijn dan
mens. Ze zouden geen verstandelijke vermogens hebben, maar desondanks
buitengewoon sluw zijn. Het verschijnen van een tweeling kan het begin
betekenen van een epidemie. Het kan twist en tweedracht veroorzaken tussen
vrienden en buren. Het kan belangrijke rituelen doen mislukken of aanleiding
geven tot massale overtreding van verboden. Het gevolg is dan ook dat ze in
sommige gevallen gedood of samen met hun ouders uitgestoten worden (5).
De
vraag is nu hoe die tweelingenfobie te verklaren. Kijken we naar mythen en
volksverhalen, dan zien we dat tweelingkinderen, maar vooral tweelingbroers,
daar bij voorkeur afgeschilderd worden als rivalen die elkaar naar het leven
staan. Denk slechts aan het bekende verhaal van Romulus en Remus en aan het nog
bekender verhaal van Jakob en Esau, die al begonnen te rivaliseren in de
moederschoot. De reden daarvoor is niet ver te zoeken. Ze strijden immers om een
schaars goed, of dat nu de moedermelk is die ze samen moeten delen, of de
erfopvolging waarvoor slechts een van de twee in aanmerking kan komen, aangezien
er maar een plaats te vergeven is. Men is dus op zijn hoede voor tweelingen
omdat ze een teken van rivaliteit zijn en een teken kan altijd de werkelijkheid
oproepen.
Na
deze korte kennismaking met de symboliek van de tweeling kunnen we weer
terugkeren naar Plato. Diens verhaal is voor ons niet alleen belangrijk omdat
het zulke treffende overeenkomsten heeft met de Luba mythen maar ook omdat het
ons het idee aan de hand doet dat de wereld van de tweelingen voorafging aan die
van halve of hele mensen, iets dat uit de Luba mythen niet direct viel op te
maken. Ontdaan van hun symboliek wordt in al die verhalen dus verteld dat de
mensheid na een eerste fase van ongebreideld geweld een tweede fase is ingegaan
waarin door ingrijpen van de goden het geweld beheersbaar werd. Wat we nog niet
weten is waar die goden vandaan kwamen. Degene die ons daarop een antwoord meent
te kunnen geven is de cultuurfilosoof René Girard.
V
Girard
is ook in het Nederlands taalgebied geen onbekende. Een aantal van zijn werken
zijn in vertaling verkrijgbaar en verder zijn hier te lande ook al verschillende
studies over zijn theorie verschenen (6). We hoeven ons dus niet bezig te houden
met een uitvoerige uiteenzetting ervan en kunnen volstaan met een korte
samenvatting.
Girard
begint met de constatering dat wij mensen een instinctieve neiging hebben steeds
weer dezelfde dingen te willen als een ander. Wat de ander begeerlijk vindt kan
daardoor ook voor ons de moeite waard worden. Hij noemt dat mimetische
(nabootsende) begeerte. Als een aantal mensen hetzelfde begeren kan dat
schaarste en conflicten veroorzaken, en de kans zit erin dat men tenslotte
geweld gaat gebruiken tegen elkaar. Dat geweld kan vervolgens zodanig oplopen
dat het een bedreiging gaat vormen voor de samenleving als geheel.
Tijdens
een dergelijke proces gaan mensen steeds meer op elkaar lijken. Ze hanteren
allemaal dezelfde argumenten, die er overigens niet zoveel toe doen, want ze
luisteren toch niet meer naar elkaar. Tenslotte vergeet men zelfs waar het
allemaal om begonnen is. De betrokkenen worden op die manier als het ware
dubbelgangers of tweelingen van elkaar. Het wegvallen van onderlinge verschillen
waardoor die menigte dubbelgangers ontstaat voltrekt zich als een om zich
heengrijpende besmetting: de een steekt de ander aan. Wanneer mimetisch geweld
niet op een of andere manier in toom wordt gehouden kan het zich dan ook tot
steeds bredere lagen van de samenleving uitbreiden.
Welnu,
een mogelijkheid om een dergelijke crisis op te lossen is het aanwijzen van een
zondebok, die vervolgens wordt gelyncht of uitgedreven. Dat slachtoffer kan een
willekeurig iemand zijn, maar vaak is het een randfiguur die makkelijk aan te
pakken is. Is de doding of uitdrijving geschied en is tot opluchting van
eenieder de vrede hersteld, dan realiseert men zich echter dat de zondebok niet
alleen de oorzaak van de tweespalt was, maar ook de oorzaak van de herwonnen
eenheid. Daardoor krijgt hij de trekken van een sacraal wezen, wiens heilzame
werking men telkens weer kan oproepen door het imiteren van het oorspronkelijke
gebeuren in geritualiseerde vorm met als centraal element het offer. De mens,
het dier of het voorwerp dat geofferd wordt neemt dan de plaats in van de
zondebok. Girard nu is van mening dat dit zondebokmechanisme ten grondslag ligt
aan het verschijnsel 'religie'. In zijn visie is religie dus een middel of
strategie om onbeperkt en naakt geweld te beteugelen met behulp van beperkt en
geritualiseerd geweld.
Nu
kunnen er omtrent de theorie of hypothese van Girard talloze vragen gesteld
worden. Is het wel altijd waar dat zondebokken die bovennatuurlijke status
krijgen? Zijn alle offers herhalingen van het zondebok proces en zijn er ook
geen andersoortige offers? Is geweld altijd negatief? Enzovoorts. We laten die
vragen voor wat ze zijn. Niet dat ze niet gesteld mogen worden: integendeel, ze
zijn stuk voor stuk van wezenlijk belang. Maar ze zijn voor ons momenteel niet
aan de orde. Ook doet het even niet ter zake of Girard historisch gezien nu wel
gelijk heeft en of religie wel op die manier ontstaan is of niet. Het enige dat
we op dit moment nodig hebben is het scenario van de zondebok en wat we willen
weten is of dat scenario ons meer helderheid kan verschaffen over Plato's
verhaal en de Luba mythen.
Een
van de vragen die je naar aanleiding daarvan zou kunnen stellen is hoe de goden
zo onverstandig konden zijn tweelingen te scheppen als eerste bewoners van de
aarde. Daarmee schiepen ze immers een wereld vol haat en nijd en, afgaande op
Plato's eigen getuigenis, brachten ze daarmee ook nog hun eigen voortbestaan in
gevaar. Het antwoord moet echter luiden, dat uit niets blijkt dat de goden de
scheppers zouden zijn van de tweelingenwereld. Dat blijkt niet uit Plato's
verhaal, en het blijkt al helemaal niet uit het Luba verhaal, waar immers van
geen goden gerept wordt. Als er al iemand verantwoordelijk gesteld wordt
bij de Luba, dan zijn dat de twee jakhalzen, want het is naar hun beeld en
gelijkenis dat de tweelingen ter wereld zijn gekomen. En iets dergelijks
mogen we misschien ook veronderstellen voor Plato's tweelingen (7).
Een
even belangrijke vraag is echter waar de goden zelf vandaan komen. Daarop
krijgen we noch van Plato noch van de Luba antwoord, maar wel van Girard. Passen
we diens hypothese bijvoorbeeld toe op Plato's verhaal, dan moeten we beginnen
met vast te stellen dat Zeus en de andere goden gewezen zondebokken zijn. Op die
manier is volgens Girard religie immers begonnen. Onze tweede vaststelling zal
vervolgens moeten zijn dat de tweelingen degenen waren, die hen uitdreven,
want er waren geen andere mensen op aarde. Kortom het zijn dan niet de goden die
de tweelingen hebben geschapen, maar de tweelingen, die de goden hebben
geschapen. De goden zijn de verdrevenen uit de tweelingenwereld. Zij zijn het
die verantwoordelijk werden gesteld voor het daar heersende geweld. Maar zij
zijn tegelijkertijd ook de bewerkers van de miraculeuze vrede, die daarop
volgde.
Het
gebeuren van de oeruitdrijving werd vervolgens telkens weer herhaald in de
vorm van offers. Het mes van Zeus dat tweelingen tot beheersbare wezens
maakt blijkt niets anders te zijn dan het offermes. Haal het offermes weg en
Zeus is machteloos. Zijn dreigement dat de mensen bij voortgaand wangedrag tot
halfmensen zullen worden gedegradeerd is dan ook pure snoeverij. Zou hij dat
namelijk doen, dan was er geen onmin meer en waar geen onmin is daar zijn geen
zondebokken meer nodig. Waar geen zondebokken meer gemaakt worden daar worden
ook geen goden meer gemaakt, en waar geen goden meer zijn, daar hoeven ook geen
offers meer gebracht. Exit Zeus.
Hetzelfde
zou gebeuren als het geweld opnieuw om zich heen zou grijpen en de wereld weer
bevolkt zou worden door tweelingen. Tweelingen erkennen namelijk geen goden en
Zeus had het gelijk helemaal aan zijn kant toen hij zich door hen in zijn
bestaan bedreigd voelde.
Concluderend
mogen we dus zeggen dat Girard ons een flink eind op weg heeft geholpen met
betrekking tot de tweelingen symboliek en het ontstaan van godheden. Wat de
tweelingen betreft heeft hij ons er niet alleen aan herinnerd dat ze in mythen
en volksverhalen gelden als aartsrivalen, maar omgekeerd ook dat mensen die met
elkaar rivaliseren in figuurlijke zin tweelingen worden doordat ze steeds meer
hun identiteit aan hun tegenstander ontlenen.
VI
Naast
tweelingen en echte unilateralen moet voor een goed begrip van de laterale
symboliek tenslotte ook nog aandacht geschonken worden aan figuurlijke halven,
personages, die weliswaar twee lichaamshelften hebben maar die eenzijdig
gedeformeerd zijn geraakt door hun contact met het goddelijke. De aartsvader
Jakob, die voor zijn leven kreupel werd door zijn gevecht met de engel (Genesis
32, 23-33) is hiervan een bekend voorbeeld. Maar soortgelijke verhalen kan men
zelfs te horen krijgen van Afrikaanse stadsbedelaars. Een voorbeeld hiervan is
Nazikhale (letterlijk: 'Blijf jij maar daar!'), een man uit zuid-Malawi, die
beweerde dat hij ooit dood was geweest, maar van God weer onder die naam naar de
aarde terug moest. Hij moest van toen af aan wel in de openlucht slapen zodat
God hem gemakkelijk kon vinden, als zijn tijd werkelijk gekomen was. Ook mocht
hij alleen maar voedsel eten dat al een paar dagen oud en op de rand van bederf
was. Tenslotte kortte God ook nog een van zijn benen in zodat hij kreupel werd
en niet ver zou kunnen lopen, mocht hij ooit in de verleiding komen er vandoor
te gaan. Nazikhale woonde in het stadje Limbe, waar hij in zijn onderhoud
voorzag met het verzamelen van blik en oud roest, dat hij voor een paar centen
van de hand deed. Hij was geliefd om zijn verhalen over God en de hemel, maar
zijn faam dankte hij toch voornamelijk aan het feit dat hij in de toekomst kon
kijken (8).
Wat
in dit en soortgelijke verhalen opvalt is de nadruk die er gelegd wordt op het
vermogen in het verborgene te kunnen zien. Nazikhale beweerde God gezien te
hebben; hij kon in zijn slaap zien wat om hem heen gebeurde, en hij kon in de
toekomst zien. De aartsvader Jakob refereerde ook aan dat speciale 'zien' door
de plek waar het gevecht met de engel plaats vond Pniël te noemen, 'want - zo
zei hij - ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en ik ben toch in
leven gebleven' (Genesis 32, 31). Daarna ging ook hij, net als de bedelaar uit
Malawi, het leven in met een nieuwe naam als teken van een nieuwe identiteit.
Jakob was voortaan Israël: 'God vecht' (Fokkelman 1981:110).
Nu
doet het er wat onze argumentatie betreft niet toe of men werkelijk denkt ooit
dood te zijn geweest of dat men dat verhaal uit zijn duim zuigt. We zijn in de
eerste plaats geinteresseerd in de symboliek die men hanteert om
dood-en-terugkeer ervaringen te beschrijven en niet zozeer in de 'echtheid' van
die ervaringen. Welnu, wat die symboliek betreft leren ons de zojuist
aangehaalde voorbeelden, dat wie in nauw contact komt met de bovennatuur kans
loopt asymmetrisch te worden. Contact met de bovennatuur kan onder andere plaats
vinden wanneer mensen geroepen worden om hun samenleving uit een
rivaliteitscrisis te halen. Door het nadrukkelijk ongelijk maken van de twee
lichaamshelften wordt hun lichaam voor ieder zichtbaar ont-tweelingd, zodat
asymmetrici een wandelend symbool van verzoening worden.
Bij
een uitgebreid onderzoek naar volksverhalen in Malawi was een van mijn meest
verrassende bevindingen dat eenzijdige verminking een centrale functie vervult
in vrijersverhalen van het type 'jongen zoekt meisje' (9).
Hier volgt in verkorte vorm een voorbeeld, het verhaal van de arme
Luizebos:
De
enige dochter van het stamhoofd is een schoonheid rond wie zich talloze
aanbidders verdringen. Ze wordt echter ernstig ziek en deskundigen weten mee te
delen dat het medicijn tegen deze aandoening alleen in een ver land te vinden
is, maar de reis daarheen is uiterst gevaarlijk. De vader van de zieke doet een
beroep op de aanbidders, maar die laten het een voor een afweten. Uiteindelijk
dient zich de verschoppeling van het dorp aan, die bekend staat als Luizebos.
Bij gebrek aan beter wordt zijn aanbod aangenomen en hij vertrekt. Tijdens zijn
reis wordt hij aangevallen door wilde dieren, die hem achtereenvolgens ontdoen
van een arm, been, oog, oor enzovoorts, zodat tenslotte een helft van zijn
lichaam zwaar gehavend is. Hij slaagt er desondanks in het medicijn te
bemachtigen. De terugreis is godzijdank makkelijker. Hij wordt namelijk door de
magiër, die hem het medicijn leverde, voorzien van een platte mand, die werkt
als een vliegende schotel. Hij landt net op tijd om de zieke van een wisse dood
te redden. Als het meisje genezen is, worden alle aanbidders opgeroepen op audiëntie
te komen zodat ze in alle rust haar keuze kan maken. Luizebos sluit zich als
laatste bij de rij aan, maar wordt onder hoongelach verdreven. Toch is hij het
die uiteindelijk word uitgekozen als de echtgenoot van de prinses.
Het
verhaal van Luizebos kan eveneens geanalyseerd worden aan de hand van het
zondebok scenario. Het begint al met die menigte aanbidders, die allemaal
elkaars rivalen zijn. We hebben intussen geleerd dat rivalen steeds meer op
elkaar gaan lijken. Dat gebeurt ook hier en het gevolg is dat de prinses
tenslotte geen enkele keuze meer heeft, want de keuze voor één is
tegelijkertijd een keuze voor allen. Ze kan hen echter ook niet allemaal
trouwen, gesteld dat de plaatselijke gebruiken dit al zouden toelaten, want ze
willen haar niet met elkaar delen. Het gevolg is dat het meisje wegkwijnt.
Als
we aannemen dat haar aanbidders de plaatselijke gemeenschap vertegenwoordigen,
dan symboliseert haar ziekte de crisis waarin die gemeenschap zich bevindt.
Ofschoon in principe huwbaar, is ze vanwege die ziekte in feite niet huwbaar. De
oplossing wordt uiteindelijk aangereikt door een marginale figuur, die niet tot
de groep rivaliserende aanbidders behoort. Dit houdt in, zoals in veel van
dergelijke verhalen, dat hij een lange en uiterst gevaarvolle reis moet
ondernemen. Terwijl hij daarmee doende is wordt hij figuurlijk unilateraal. Hij
vindt echter de verre magiër, waarin wij de oppergod herkennen uit het verhaal
van de kreupele Luba jongen, en deze geeft hem het medicijn. Tenslotte is hij
het die de prinses mag trouwen omdat hij de enige is die bewezen heeft dat hij
iets voor haar over heeft. Door haar te trouwen wordt hij dan tot haar
wederhelft (letterlijk: 'tegengestelde helft').
Het
thema van de twee helften komt in dit verhaal dus in twee vormen voor. Eerst
verschijnt het in de persoon van de prinses, die geen wederhelft kan vinden
omdat alle gegadigden dubbelgangers van elkaar zijn. Daarna verschijnt het in de
persoon van Luizebos, wiens ene lichaamshelft zwaar gehavend wordt tijdens het
zoeken naar een oplossing voor het probleem van de prinses. Er blijkt een
verband tussen beide varianten van het thema te bestaan, want de prinses krijgt
uiteindelijk haar wederhelft alleen doordat Luizebos toelaat dat een helft van
zijn lichaam verminkt wordt. Ik kan niet nalaten te herinneren aan Genesis 2,
21-22, waar JHWH een rib van Adam wegneemt om daaruit Eva te vormen.
Klaarblijkelijk is ook daar het asymmetrisch worden van de man een voorwaarde om
een wederhelft te kunnen krijgen en hebben we hier te maken met een meer
algemeen thema.
Luizebos
lijkt in veel opzichten op de klassieke zondebok, maar er zijn ook wezenlijke
verschillen. Opvallend is bijvoorbeeld dat de verschoppeling niet zomaar door de
menigte wordt uitgedreven, maar zich vrijwillig aanbiedt om iets te ondergaan
wat weliswaar op een uitdrijving lijkt, maar in strikte zin geen uitdrijving is,
omdat hij het zelf in de hand heeft. Verder wordt hij ook niet automatisch van
vloek tot zegening zoals dat bij de zondebok het geval is. Hij blijft gewoon een
verschoppeling, ook na het volbrengen van zijn heroische reis, want als ook hij
zijn opwachting wil gaan maken bij de intussen herstelde prinses, wordt hij nog
steeds weggehoond door de andere aanbidders.
Bij
de klassieke zondebok vindt er een transformatie plaats in de manier waarop de
gemeenschap naar hem kijkt: van voorwerp van verachting wordt hij voorwerp van
verering. Bij dit tweede type zondebok vindt er een transformatie plaats in zijn
eigen persoon. Hij wordt van gewoon mens een door de goden getekende, welke
transformatie gesymboliseerd wordt door zijn eenzijdige mutilatie. Het
uiteindelijke effect in dat geval is niet dat hem spontaan verering wordt
toegekend door de menigte, maar eerder dat hij verhoogd wordt tegen de zin van
de menigte in.
De
essentie van het verhaal is dat de held zich op eigen initiatief onderwerpt aan
een proces waardoor zijn lichaam asymmetrisch gemaakt wordt en een zich
voortdurend uitbreidend mimetisch conflict wordt opgelost. Daardoor wordt een
huwelijk mogelijk, hetgeen een symbolische manier is om te zeggen dat de
samenleving weer kan functioneren. De vrij-er wordt aldus be-vrij-der.
Dat
hij zich asymmetrisch laat maken kan in het kader van het klassieke
zondebokscenario niet anders worden uitgelegd dan dat hij verzaakt aan al
datgene wat aanleiding geeft tot symmetrisch conflict. Hij wordt daarmee tot
voorbeeld en model voor menselijke relaties. Dat hij zich aanbiedt of toelaat
deze tortuur aan zijn lichaam te voltrekken impliceert verder dat hij de werking
van het mimetisch proces en het zondebok mechanisme doorziet. Een van de
kenmerken van asymmetrici is immers, zoals eerder opgemerkt, dat ze kunnen zien
wat voor gewone mensen verborgen blijft.
Ik
constateer daarmee dat er in mythen en volksverhalen er zondebokken blijken te
bestaan van twee soorten: degenen die het mechanisme niet doorzien en degenen
die het wel doorzien en dat inzicht willen doorgeven aan hun medemensen. Dat
laatste kan echter alleen als zij de vervolgers hun gang laten gaan en zich
laten doden, maar daarna weer van de dood terugkeren als bewijs dat geweld niet
het laatste woord heeft. Met deze gedachten op de achtergrond gaan we nu onze
aandacht wijden aan een episode uit het evangelie volgens Johannes.
VII
De
lanswonde van Christus (Joh. 19, 31-37)
31
Aangezien het voorbereidingsdag was en de Joden niet wilden dat de lichamen op
sabbat aan het kruis bleven - het was bovendien een grote sabbat - vroegen zij
aan Pilatus verlof de benen van de gekruisigden te breken en hen weg te nemen.
32 Daarom kwamen de soldaten en sloegen zowel bij de ene als bij de andere die
met Hem was gekruisigd, de benen stuk. 33 Toen zij echter bij Jezus kwamen en
zagen dat Hij reeds dood was, sloegen zij Hem de benen niet stuk 34 maar een van
de soldaten doorstak zijn zijde met een lans; terstond kwam er bloed en water
uit. 35 Die het gezien heeft getuigt hiervan; zijn getuigenis is waar en hij
weet, dat hij de waarheid zegt, opdat ook gij zoudt geloven. 36 Dit is gebeurd
opdat de Schrift zou vervuld worden: "Van zijn gebeente zal niets worden
verbrijzeld". 37 Terwijl nog een ander schriftwoord zegt: "Zij zullen
opzien naar Hem die zij hebben doorstoken".
In
de exegese van deze passage wordt veel nadruk gelegd op de symboliek van het
lam. Zo is het niet-breken van Jezus' benen waarschijnlijk een verwijzing naar
Exodus 12, 46, waar gezegd wordt dat de beenderen van het paaslam niet mogen
worden gebroken. Verder sterft Jezus in het evangelie volgens Johannes op het
ogenblik dat men in de tempel de paaslammeren begint te slachten (De la Potterie
1983:229-238). En tenslotte is 'Lam Gods' de eerste titel die in het vierde
evangelie aan Jezus wordt toegekend (Joh. 1, 29, 36). De gekruisigde is aldus
het ware paaslam, dat de zonde van de wereld wegneemt.
Een
tweede thema dat altijd veel aandacht heeft gekregen in de exegese van de
lanswonde is de onverwachte uitstorting van water en het samengaan van water en
bloed, dat men placht te verbinden met belangrijke theologische tweevouden als
doopsel en eucharistie, en de complimentariteit van mensheid en godheid in
Christus. Het bloed zou dan het element 'mensheid' symboliseren terwijl het
water zou verwijzen naar het element 'godheid'.
Tenslotte
is ook het in vers 37 aangehaalde schriftwoord - "Zij zullen opzien naar
Hem die ze hebben doorstoken" - van belang. In zijn volledigheid luidt dit:
"Maar over het huis van David en de bevolking van Jeruzalem zal Ik een
geest van mededogen uitstorten, die hen tot bidden brengt. Dan zullen ze opzien
naar hem, die ze doorstoken hebben en over hem een rouwklacht houden, zoals men
die houdt over de enige zoon; zij zullen om hem klagen, zoals men klaagt om de
eerstgeborene" (Zacharia 12, 10). Het water dat vloeit uit Jezus' zijde
wordt aldus in de gedachtengang van Johannes ook verbonden met de geest van
mededogen, die volgens de profeet in de messiaanse tijd uitgestort zal worden
over het volk (cf. Joh. 7, 38). Het lam, toonbeeld van zachtmoedigheid, wreekt
zich niet op zijn vervolgers, maar deelt hen mee van zijn eigen mededogen.
Het
heeft er alle schijn van dat het toebrengen van de lanswonde het hoogtepunt
vormt van het johanneische lijdensverhaal. Dit wordt niet alleen gesuggereerd
door de uniciteit ervan en de uitzonderlijke theologische lading die deze
episode al had ten tijde van het ontstaan van dit evangelie, het blijkt eveneens
uit de structuur van het verhaal, waarin de tegenstelling tussen symmetrie en
asymmetrie een opvallende rol speelt. Om dit te zien dient men te letten op twee
aspecten, die in de exegese doorgaans onderbelicht blijven, namelijk de
aanwezigheid van twee andere gekruisigden - die overigens ook in de
lijdensverhalen van de synoptici figureren - en het feit dat Jezus door de
lanswonde eenzijdig verminkt wordt. Op het eerste gezicht lijken deze zaken niet
van bijzondere betekenis. Het aantal misdadigers dat met Jezus terecht gesteld
wordt kan opgevat worden als een puur toevallig gegeven. Verder lijkt ook de
eenzijdigheid van de verminking exegetisch niet belangrijk. Jezus' zijde was
immers de voor de hand liggende plek om die wonde toe te brengen. Beide zaken
krijgen echter een andere dimensie, als we ze bezien in het licht van tweelingen
en asymmetrici.
Zoals
gezegd, het lijdensverhaal van Johannes spreekt net als de synoptici van twee
mensen, die met Jezus gekruisigd worden, een aan zijn linker- en een aan zijn
rechterzijde. Hun namen worden niet vermeld, noch enig ander gegeven waardoor ze
van elkaar zijn te onderscheiden (10). Ze kunnen daarom opgevat worden als
representanten van het tweelingen motief met zijn associaties van mimetisch
geweld en naamloosheid. Door hun symmetrische opstelling ter weerszijden van
Jezus ('aan elke kant een en Jezus in het midden`; Joh. 19, 18) breiden ze de
symmetrie van diens lichaam uit en roepen aldus het idee van gelijkheid op: wie
tussen hen in hangt verschilt niet van henzelf. Van beiden worden tenslotte de
benen gebroken, waardoor de symmetrie nog eens benadrukt wordt.
Het
keerpunt komt met de eenzijdige verwonding van Jezus, die in de tekst van
Johannes nadrukkelijk wordt gecontrasteerd met het breken van de benen bij zijn
medegekruisigden. Hier wordt de toenemende symmetrie ten langen leste
doorbroken. De twee zijden van zijn lichaam zijn nu asymmetrisch en Jezus voegt
zich daarmee bij het gezelschap van de dappere Luizebos, de Afrikaanse bedelaars
en de talloze anderen, die door hun ervaringen van lijden en dood in het bezit
kwamen van twee ongelijke lichaamshelften (11). Het is nu voorgoed duidelijk dat
hij behoort tot de orde van de asymmetrici, van hen die God gezien hebben en
zich bevrijd hebben van de rivaliseringsdrang.
Het
Johannesevangelie geeft deze episode nog een opmerkelijk vervolg, wanneer de
apostel Thomas weigert te geloven in Jezus' opstanding tenzij hij diens wonden
kan zien en aanraken. Nu is het misschien louter toevallig dat de naam Thomas
'tweeling' betekent en dat er in het Johannesevangelie tot driemaal toe vermeld
wordt dat hij als tweede naam 'Didymus' heeft, een naam die ook de betekenis
heeft van 'tweeling' en een vertaling is van de eerste. Maar drie keer is wel
erg veel om van toevalligheid te spreken. Er wordt bij Johannes niet gezegd met
wie hij een tweeling vormde, maar in de eerste eeuwen van het christendom
bestond er een wijdverbreide, uit Syrie afkomstige, traditie dat Jezus een
tweelingbroer was van Thomas (12). Nu hoeft men daarbij niet direct te denken
aan een lijfelijke tweeling. Er kunnen ook andere redenen zijn, bijvoorbeeld
uiterlijke gelijkenis of geestelijke verwantschap, waarom men twee mensen
aanduidt als 'tweeling'. Verder kan het gewoon een bijnaam zijn geweest. Wat
hier ook van zij, past men wat in het voorgaande over tweelingen gezegd is toe
op het Thomasverhaal, dan zou die episode betekenen dat de tweeling Jezus/Thomas
door de kruisiging op zo overtuigende manier van elkaar gedifferentiëerd werd
dat de laatste bij het zien van de wondetekenen er geen moeite meer mee had om
de ander als zijn meerdere, zijn 'Heer en zijn God' (Joh. 20, 28), te erkennen.
Merk op dat we hier getuige zijn van de meest intensieve symbolisering van ons
thema: een tweeling die onderling asymmetrisch wordt nadat eerst het lichaam van
een van hen asymmetrisch is gemaakt (13).
VIII
Voor
de volledigheid wil ik nog een ogenblik ingaan op de vraag waarom de
verlossersfiguren die hier opgevoerd worden allemaal mannen zijn. Het antwoord
is dat die verhalen gegoten zijn in de vorm van een queeste, een zoektocht naar
een ontbrekende helft. Die ontbrekende helft kan een tweelingbroer, maar het kan
ook een huwelijkspartner zijn. Dat de protagonisten in het eerste geval
tweelingbroers zijn en geen tweelingzusters volgt uit het gegeven dat broers
vanwege de dominantie van erfrecht en erfopvolging in de mannelijke lijn nu
eenmaal als de archetypische rivalen beschouwd worden. Dat degenen die op zoek
zijn naar een huwelijkspartner ook weer mannen zijn volgt uit het wereldwijde
gebruik dat de jongen het aanzoek doet en niet het meisje. Tenslotte, dat de
huwelijkssymboliek zo'n grote rol speelt in verhalen over asymmetrici volgt weer
uit het feit dat de verbintenis tussen man en vrouw het meest voor de hand
liggende symbool is om het idee van een creatief geheel bestaande uit twee
asymmetrische helften gestalte te geven (Turner 1977:50).
Overigens
blijkt ook het verhaal van de lanswonde niet helemaal buiten deze symboliek te
vallen. Het openen van Jezus' zijde is door theologen namelijk al vroeg in
verband gebracht met het openen van Adams zijde. Zoals uit Adams zijde Eva
geboren werd, zo werd uit de zijde van Christus, de nieuwe Adam, de kerk geboren
als nieuwe Eva en nieuwe gemeenschap. Het is natuurlijk mogelijk dat hier sprake
is van een theologisering achteraf, die vreemd was aan de schrijver van de
tekst. Maar in het licht van wat hier gezegd is over het verband tussen het
thema van lichamelijke asymmetrie en het verwerven van een echtgenote is het
aannemelijk dat ook in het Johannesverhaal de huwelijkssymboliek van het begin
af op zijn minst geïmpliceerd is geweest.
Het
unieke van het Johannesverhaal ten aanzien van de andere in dit artikel
aangehaalde verhalen is dan dat het de twee thematieken van het 'asymmetrisch
denken' combineert, namelijk de thematiek van de tweelingbroers en de thematiek
van bruidegom en bruid. Luizebos maakte geen deel uit van een tweeling. Hij was
op zoek naar een bruid en hoefde niet ook nog een relatie met een broer te
herstellen. Jakob en Esau daarentegen waren al voorzien van een
huwelijkspartner, maar moesten zich wel nog met elkaar verzoenen. Jezus van zijn
kant deed beide: hij verwierf zich een bruid en maakte het ook nog mogelijk voor
zijn tweelingbroer om weer in hem te geloven.
IX
De
tijd is nu gekomen om na te gaan welke stappen we hebben gezet. We zijn begonnen
met de constatering dat in schriftloze religies bovennatuurlijke wezens nogal
eens voorgesteld worden als menselijke wezens met slechts een half lichaam. Het
mag ons een vreemde symboliek lijken, maar het blijkt wel een bondige
samenvatting van het goddelijke als paradox: zich niet voortplanten en toch
blijven voortbestaan, onmachtig lijken en toch de meest onmogelijke dingen
kunnen volbrengen, ondermenselijk lijken en bovenmenselijk zijn.
Een
volgende stap bracht ons bij de oorsprongsverhalen van het Luba volk; een
verhaal waarin de goden eerst halve mensen wilden scheppen; een ander waarin de
oerbewoners van de aarde woeste tweelingen bleken te zijn. Vergelijking met een
tekst van Plato deed ons het idee aan de hand dat de twee verhalen als één
geheel konden worden gelezen: een wereld van tweelingen, die na verloop van tijd
gevolgd werd door een wereld van enkelgeboortigen. Met behulp van het zondebok
scenario kon de reconstructie gecompleteerd worden. Het waren de agressieve
tweelingen die godheden in het leven riepen en het waren de godheden die op
hun beurt mensen in het leven riepen met mogelijkheden tot geweldsbeheersing.
Onze
derde stap betrof figuurlijke halfmensen, mensen die weliswaar tweezijdig waren,
maar die asymmetrisch waren gemaakt door hun contact met de bovennatuur. We
zagen dat het menselijk lichaam soms als een tweeling opgevat wordt en dat
figuren, die een vredebrengende rol moeten vervullen soms asymmetrisch gemaakt
worden zodat hun mogelijke associatie met tweelingschap en agressiviteit wordt
teniet gedaan. We meenden een en ander op indrukwekkende wijze samengevat te
zien in het kruisigings- en verrijzenisverhaal van de evangelist Johannes.
X
Wanneer
ik desondanks toch met dit onderzoek ben doorgegaan is dat geweest deels vanwege
de uitdaging iets op te lossen waar men al een halve eeuw aan sleutelt, deels
vanwege het vermoeden dat hier toch meer aan de hand is dan een bizar soort
symboliek. Ook daarin ben ik niet teleurgesteld geworden. Vrijersverhalen uit
Malawi, waaronder dat van Luizebos, bleken opeens van een onvermoede diepte, en
het deed me iets Luizebos te zien oplopen met de man van Nazaret. Ook was het
verrassend Plato en de Luba van Zaire als het ware leentjebuur te zien
spelen bij elkaar met hun verhalen over tweelingen en halflingen.
Op
een meer theoretisch niveau heb ik met dit onderzoek willen bijdragen tot een
post-structuralistische antropologie van de religie. Wanneer ik hier over
structuralisme spreek, dan denk ik daarbij vooral aan Luc de Heusch, die mag
gelden als de meest gezaghebbende autoriteit op het gebied van Afrikaanse
mythologie. Zijn verdiensten op dat terrein zijn onbetwistbaar. Waar anderen
uit de rijke mythologie van de Luba en omringende volken niet meer wisten te
persen dan een twijfelachtig stukje historie, was de Heusch in staat er de
indrukwekkende cosmologische dimensie van te onthullen. Toch geeft ook zijn werk
aanleiding tot fundamentele critiek. Bij een eerdere gelegenheid heb ik al
betoogd dat hij in zijn behandeling van het mythologisch materiaal te weinig
oog heeft voor de historische en politieke dimensies ervan (Schoffeleers
1985). Daaraan wil ik nu toegevoegen dat hij ook onvoldoende recht doet aan de
religieuze dimensie van zijn materiaal. Het zou me te ver voeren dit in detail
uit te leggen, maar het komt onder andere tot uiting in het feit dat hij
eenbenige en unilaterale godheden alleen maar kan zien als angstaanjagende
monsters (de Heusch 1982:252, 254). Zijn leermeester Lévi-Strauss is wat dat
betreft iets breder van blik, al weet ook hij klaarblijkelijk niet goed raad met
dit fenomeen. Wat beiden lijkt te ontgaan is het feit dat mensen de bovennatuur
niet alleen beschouwen als een uitvergroting van de natuur, maar ook als paradox,
als omkering en overstijging van de natuurlijke orde (14). Het gevolg van de
structuralistische visie is dat religie ontdaan wordt van zijn vermogen tot
verlossing en bevrijding en daarmee van een van zijn belangrijkste functies.
De kreupele bedelaar uit Malawi was gelukkig ondanks zijn kreupelheid en
zelfs dank zij zijn kreupelheid. Voor hem was dat het zichtbare bewijs dat hij
God gezien had en weer naar God terug zou keren. De aartsvader Jakob zou hem
daarin van harte bijvallen. Structuralisten hebben geen oog voor dat geluk en
daarom zijn ze er nog steeds niet achter hoe dat met die eenzijdigheid zit.
XI
Ik
dank U, voorzitter en bestuur van het Utrechts Universiteitsfonds voor het in
mij gestelde vertrouwen. Ik hoop dat U in Uw verwachtingen niet zult worden
teleurgesteld.
Ook
dank ik bestuur en leden van de vakgroep Culturele Antropologie, waar ik als
bijzonder hoogleraar gedetacheerd ben, voor het feit dat ze me in hun midden
hebben willen opnemen. Gaarne wil ik daarbij de namen noemen van de hoogleraren
de Ruyter, Hoetink, Thoden van Velzen en, daaraan toegevoegd ofschoon tot de
Faculteit van Theologie behorend, de hoogleraar Tieleman. Zij allen hebben mij
het gevoel gegeven welkom te zijn. Ik hoop dat onze samenwerking een vruchtbare
moge zijn.
Leden
van de WARU, de Werkgroep Afrika aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, reeds
menig jaar hebben wij samen mogen optrekken. Onze samenkomsten zijn altijd een
inspirerende ervaring voor me geweest. Ik ben U daar dankbaar voor en spreek de
hoop uit dat onze Werkgroep die functie zal blijven behouden.
Dames
en Heren, ik dank U voor Uw welwillende aandacht.
NOTEN
(1)
De eerste versie van deze tekst werd op 26 januari 1990 besproken in de
Girard-kring aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Een bewerking hiervan
verscheen in het tijdschrift Etnofoor, jaargang III, no.2, van het
Antropologisch - Sociologisch Centrum van de Universiteit van Amsterdam (Schoffeleers
1990). Een Engelse versie werd in April 1991 gepresenteerd op het zevende
Satterthwaite Colloquium over Afrikaanse religies (Schoffeleers 1991). Ik dank
de leden van de Girard-kring, de redactie van Etnofoor , de deelnemers
aan het Satterthwaite Colloquium alsmede Michael Elias, Roel Kaptein, Wyatt
MacGaffey, Rodney Needham, Jo van Osch, Ria Reis, Hugo Saeys, Anja Stoevenbeld
en Sjef van Tilborg voor hun waardevolle opmerkingen en bemoedigende reacties.
(2)
Hier volgt een voorlopige lijst van volken en landen uit zuidelijk, oostelijk en
midden-Afrika waar voorstellingen van eenbenige of unilaterale wezens
gerapporteerd zijn: Basuto/Lesotho (Werner 1968:176); Lovedu/Transvaal (Krige
1954:67); Lozi/Zambia (Prins 1980:157); Lugbara/Uganda (Middleton 1973:374);
Masai/Kenya (Jensen 1950:24); Nguni/ Mozambique & Zuid-Afrika (Fourie
1921:67; Junod 1897:197; zie ook noot 3 omtrent een eenbenig beeldje
toegeschreven aan de Nguni-Tsonga); Mang'anja/Malawi (Scott 1892:97; Werner
1968:198); Nyoro/Uganda (Needham 1973:330); Pedi/Zuid-Africa (Mönnig 1967:45);
Swazi/Swaziland (Kuper 1947:191); Tabwa/Zambia (Roberts 1986; Willis 1989);
Venda/Zuid-Afrika (Stayt 1931:238-9). Verdere voorbeelden komen aan de orde in
het vervolg van onze tekst. Deze lijst dient slechts om een indruk te geven van
de grote verbreiding van het fenomeen. Wat betreft niet-Afrikaanse voorbeelden
zie Needham 1980; Hays 1971; Hooykaas 1948; Holden 1982, 1989.
(3)
Voorstellingen van unilaterale wezens in oostelijk en zuidelijk Afrika zijn voor
zover ik kan nagaan onder te verdelen in vier categorieën: (a) pathogene
geesten die vaak in groepen optreden; (b) geesten van het luchtruim, die
optreden als beschermers van kinderen en vrouwen; (c) de zg. Luwe geesten
die jagers bijstaan maar ook iets van tricksters hebben; (d) goden die als
scheppers van mensen optreden. Voor uitgebreider informatie hierover, zie
Schoffeleers 1991. In deze rede wordt terwille van de bondigheid slechts
ingegaan op de laatste categorie.
(4)
Deonna ziet het ene been van de godheid vooral als een fallisch symbool. De
antropoloog Wyatt MacGaffey is het daar mee eens, waarbij hij ter illustratie
verwijst naar een aantal Afrikaanse vruchtbaarheidsrituelen met een onmiskenbaar
sexuele inslag, waarin de deelnemers op één been rondspringen (persoonlijke
mededeling). Het is echter mogelijk dat we onderscheid dienen te maken tussen
symmetrische en asymmetrische eenbenigheid. In het geval van symmetrische
eenbenigheid is er sprake van een normaal lichaam dat naar beneden toe taps
toeloopt in een been. Bij asymmetrische eenbenigheid bevindt het ene been zich
niet in het midden, maar opzij. Beelden van symmetrische eenbenigen zijn te zien
in het Rijksmuseum voor Volkenkunde te Leiden en Breda. Het beeld in Leiden
betreft een ongeverfd houten sculptuur, bijna zestig cm. hoog, die een mannelijk
persoon voorstelt. Volgens de beschrijving op de in het museum verkrijgbare
ansichtkaart is de sculptuur afkomstig van de 'Nguni-Tsonga, Zambia'. Het beeld
in Breda betreft een soortgelijke, zwart geverfde houten sculptuur van een
vrouwelijke figuur, naar schatting dertig cm. hoog en afkomstig uit Bali. Het
behoort ook tot de Leidse collectie en heeft daar het nummer B 160/15. Een
muurschildering van een slangenbezweerder in Tanzania vertoont ook een
symmetrisch eenbenig wezen (Cory 1953:29). Tenslotte is op het omslag van
Needham 1980 een tekening gereproduceerd van een unilaterale Chukchee geest,
waarvan niet uit te maken is of het symmetrische of asymmetrische eenbenige is.
(5)
O.a. Hartland 1921; Krige 1936:75v; Lagercrantz 1942; Evans-Pritchard 1962;
Theuws 1962:27-33; Skinner 1967:355-6; Berglund 1975:34; Douglas 1975:35;
Ngubane 1977:75-6; Turner 1977:44-93; Fogelquist 1986:50-2; Tcherkézoff
1987:118-22 en passim. Lagercrantz biedt een overzicht tot c.1940 van
geloofsvoorstellingen en gebruiken t.a.v. tweelingen in Afrika ten zuiden van de
Sahara.
(6)
Zie o.a. Girard 1986a, 1986b en 1990; Kaptein en Tijmes 1986; Lascaris 1987; van
Beek red. 1988; Achterhuis 1988; Simonse 1990.
(7)
De commentatoren zijn niet in staat veel informatie te verschaffen omtrent de
bron van Plato's tweelingenverhaal. Sommigen houden het erop dat het ontsproten
is aan zijn eigen fantasie; anderen menen dat het gebaseerd is op een
oorsprongsverhaal van de pre-socratische wijsgeer-dichter Empedocles volgens
wie de eerste mensen wezens waren met een dubbele romp, ontelbare handen en
voeten, en een gezicht dat veel weg had van een rund (Robin 1976:lxi). Plato zou
dat verhaal naar eigen inzicht aangepast hebben. Met name zou het doorsnijden
van de dubbelwezens van Plato stammen. De Luba mythe doet ons echter vermoeden
dat Plato gebruik heeft gemaakt van een volksverhaal uit zijn tijd.
(8)
Ik dank deze informatie aan M. Makwinja, student theologie aan het seminarie
Kachebere in Malawi (januari 1971).
(9)
Dit in tegenstelling tot verhalen van het type 'meisje zoekt jongen' waar in
plaats van laterale (links/rechts) symboliek gebruik gemaakt wordt van
hierarchische (onder/boven) symboliek (Schoffeleers en Roscoe 1985:135-60).
(10)
Bij de synoptici worden de twee nadrukkelijk als criminelen aangemerkt. Alleen
bij Lucas komt een van de twee tot inkeer (Luc. 23:40-3).
(11)
De differentiëringsgedachte is ook terug te vinden in het breken van het
hostiebrood - waarin Christus geacht wordt aanwezig te zijn - tijdens de
katholieke misliturgie. Het Missale Romanum schreef tot voor kort daaromtrent
voor dat het doormidden gebroken moet worden. Daarna diende de priester van de
helft in zijn linkerhand nog een stukje af te breken, waardoor twee
asymmetrische helften ontstonden, die na weer samengevoegd te zijn aan de
gemeente getoond werden met de woorden, 'Zie het Lam Gods'. Ook hier dus
blijkbaar weer een expliciete associatie van asymmetrie met zachtmoedigheid.
Commentaren op dit ceremonieel zijn voornamelijk geïnteresseerd in de symboliek
van de vermenging van brood en wijn en wijden geen aandacht aan de hier
gesignaleerde asymmetrie (zie o.a. Jungmann 1966, deel II:241-8).
(12)
Harris 1913:xvi; Kuntzmann 1982. Dit laatste werk geeft ruime aandacht aan de
tweelingen symboliek in de tradities omtrent de Apostel Thomas.
(13)
Dit vormt een fundamenteel verschil met het apocryfe Evangelie van Thomas
(c. 130 - 150 na Chr.) en vooral met de Handelingen van Thomas (c. 200-250 na
Chr.), waar de symboliek van het tweelingschap in de tegengestelde richting
wordt ontwikkeld: in plaats van de twee van elkaar te differentiëren zoals dat
gebeurt in het Johannes-evangelie, worden ze meer en meer aan elkaar gelijk
gemaakt zodat ze tenslotte onderling verwisselbaar worden. De biografie van
Thomas wordt aldus een copie van die van Jezus. Voor de theologische implicaties
hiervan zie Kuntzmann 1982: 232-306.
(14)
Zie bijvoorbeeld het volgende citaat: "Blinden en manken, eenogigen en
eenarmigen zijn in de hele wereld veel voorkomende mythologische figuren, die
ons in de war brengen doordat wij hen als gebrekkig zien. Maar zoals een systeem
dat men beperkt heeft door er bepaalde elementen aan te onttrekken
logischerwijze veel efficienter kan gaan functioneren hoewel het kwantitatief
toch kleiner geworden is, zo kennen mythen gebrekkigen en zieken vaak een
positieve waarde toe: zij belichamen mogelijkheden tot bemiddeling. Invaliditeit
en ziekte plegen wij te beschouwen als zaken die het zijn beperken, dus als een
kwaad. Maar wanneer de dood even reëel is als het leven en bijgevolg slechts
het zijn bestaat, dan zijn alle gesteldheden, zelfs pathologische, op hun manier
positief" (Lévi-Strauss 1964:61). Deze passage wordt ook geciteerd door
Girard en de hier gebezigde vertaling ontleen ik aan de Nederlandse uitgave van
het betreffende werk (Girard 1990:143).
BIBLIOGRAFIE
Achterhuis,
Hans
1988
Het rijk van de schaarste. Baarn: Ambo.
Beek,
W. van, red.
1988
Mimese en geweld. Beschouwingen over het werk van René Girard;
Kampen: Kok Agora (1988).
Berglund,
A.I.
1975
Zulu Thought-Patterns and Symbolism. Uppsala.
Bijbel
(Willibrord vertaling).
1981
Boxtel: Katholieke Bijbelstichting.
Cory,
H.
1953
Wall-Paintings by Snake-Charmers in Tanganyika. London: 1953.
Deonna,
W.
1959
Un divertissement de table 'A Cloche-pied'. Collection Latomus,
vol. 40, Brussel.
1965
Le symbolisme de l'oeil. Ecole francaise d'Athènes, Travaux en
emoires des anciens members étrangers de l'école et de divers savants, fasc. 15. Parijs: de Boccard.
Douglas,
M.
1975
Implicit Meanings: Essays in Anthropology. London: Routledge &
Kegan Paul.
Evans-Pritchard,
E.E.
1962
Nuer Religion. Oxford: Clarendon Press.
Fogelquist
Anders
1986
The Red-Dressed Zionists. Symbols of Power in a Swazi Independent
Church. Uppsala: Uppsala Research Reports in Cultural Anthropology.
Fokkelman,
J.
1981
Oog in oog met Jakob. Assen: Van Gorcum.
Forde,
D. (ed.)
1954
African Worlds. Londen: Oxford University Press for International
African Institute.
Fourie,
H.C.
1921
Amandebele van Fene Mahlangu en hun Religieus-Sociaal leven. Zwolle: La Rivière.
Frazer,
J.G.
1922
The Golden Bough. A Study in Magic and Religion (abridged edition).
London: Macmillan & Co.
Girard,
R.
1986
De romantische leugen en de romaneske waarheid. Kampen/Kapellen:
Kok Agora/Uitgeverij Pelckmans (1986).
1986
De zondebok. Kampen/Kapellen: Kok Agora/Uitgeverij Pelckmans
(1986).
1990
Wat vanaf het begin der tijden verborgen was. Kampen/Kapellen: Kok
Agora/Uitgeverij Pelckmans.
Harris,
J.R.
1913
Boanerges. Cambridge: University Press.
Hartland,
E. Sidney
1921
"Twins". In: J.Hastings (red.), Encyclopaedia of Religion
and Ethics , vol.12 (1921), pp.491-500.
Hatt,
Gudmund
1949
Asiatic Influences in American Folklore. Kgl. Danske
Videnskabernes Selskab, Historisk-Filologiske Medelelser 31, no.6, Kopenhagen.
Hays,
Peter
1971
The Limping Hero; Grotesques in Literature. New York.
Heusch,
Luc de
1972
Le roi ivre ou l'origine de l'état. Parijs: Gallimard.
1982
Rois nés d'un coeur de vache. Parijs: Gallimard.
Holden,
Lynn
1982
Lame Gods (Unpubl. B.A.Diss.). Stirling University.
1989
A Motif-Index of Abnormalities, Deformities and Disabilities of the
Human Form in Traditional Narrative. University of Edinburgh, Ph.D. (1989).
Hooykaas,
C.
1948
Balische Verhalen van den Halve. De Haag: W. van Hoeve.
Janssens,
P.A.
1926
'Het ontstaan der dingen in de folklore der Bantu's'. Anthropos, vol.XXI, pp.546-65.
Jensen,
Ad.
1950
'Das Mythologem vom Halben Menschen'. Paideuma 5: 23-43.
Jungmann,
J.A.
1966
Missarum Sollemnia; Kasterlee: Uitgeverij de Vroente; 2 delen.
Junod,
H.A.
1897
Les chants et les contes des Ba-Ronga. Lausanne: Bridel.
Kaptein,
Roel en Pieter Thijmes
1986
De ander als model en obstakel. Een inleiding in het werk van René
Girard. Kampen:
Kok Agora.
Krige,
E.J.
1936
The Social System of the Zulus. Pietermaritzburg.
Krige,
J.D, en E.J.
1954
'The Lovedu of Transvaal'. In D.Forde (ed.) 1954, pp.55-82.
Kuntzmann,
R.
1982
Le mythologème des jumeaux au Proche-Orient ancien. Thèse présentée
devant l'Université de Strasbourg II, le 13 juin 1979. Lille: Atelier national
de reproduction des thèses, Université de Lille III.
Kuper,
A.
1987
'Cannibals, Beasts and Twins'. In A.Kuper, South Africa and the
Anthropologist. Londen: Routledge & Kegan Paul.
Kuper,
H.
1947
An African Aristocracy: Rank among the Swazi. London, New York,
Toronto (1947).
Lagercrantz,
S.
1942
Ueber willkommene und unwillkommene Zwillinge in Afrika. Göteborg: Elanders Boktryckeri Aktiebolag.
1987
Advokaat van de zondebok. Het werk van René Girard en het evangelie
van Jezus. Hilversum:
Gooi en Sticht.
Middleton,
J.
1973
"Some Categories of Dual Classification among the Lugbara of Uganda".
In: R.Needham ed., Right and Left, pp.369-90.
Mönnig,
H.O.
1967
The Pedi. Pretoria.
Needham,
R.
1973
"Right and Left in Nyoro Symbolic Classification". In:
R.Needham, ed., Right and Left; Essays on Dual Symbolic Classification;
Chicago and London: Chicago University Press.
1980
Reconnaissances. Toronto: Toronto University Press.
1989
'Halbwesen'. In Enzyklopädie des Märchens, deel 6, kolom 401-5. Berlin/New
York: Walter de Gruyter.
Ngubane,
H.
1977
Body and Mind in Zulu Medicine: An Ethnography of Health and Disease
in Nyuswa-Zulu Thought and Practice. London, New York, San Francisco (1977).
Plato
1990
Symposium. Vertaling Gerard Koolschijn. Amsterdam: Polak & Van Gennep.
Potterie,
I. de la
1983
Het passieverhaal volgens Johannes. Tekst en geest. Brugge:
Uitgeverij Tabor (1983).
Prins,
G.
1980
The Hidden Hippopotamus. Cambridge: Cambridge University Press.
Roberts,
F.
1986
"Duality in Tabwa Art". African
Arts,
pp.26-35; 86-7.
Robin,
Léon
1976
Platon. Le banquet. Platon, oeuvres complètes. Tome IV - 2e
partie. Parijs:
Société 'Les belles lettres'.
Schoffeleers,
J.M.
1985
'Oral History and the Retrieval of the Distant Past'. In: W. van
Binsbergen & M.Schoffeleers (eds.), Theoretical Explorations in African
Religion. Londen: Routledge & Kegan Paul.
1990
'Symmetrie en asymmetrie in religieuze symboliek: de lanswonde van
Christus'. Etnofoor, III, 2, pp.115-33.
1991
'Twins and Unilateral Figures in Central and Southern Africa: Symmetry
and Asymmetry in the Symbolization of the Sacred'. Journal of Religion in
Africa, XXI, 4.
Schoffeleers,
J.M. en A.A.Roscoe
1985
Land of Fire: Oral Literature from Malawi. Limbe/Lilongwe: Popular
Publications/Likuni Press and Publishing House.
Scott,
Alexander
1892
Cyclopaedic Dictionary of the Mang'anja Language. Edinburgh:
Foreign Mission Committee of the Church of Scotland.
Simonse,
S.
1990
Kings of Disaster. Dualism, Centralism and the Scapegoat King in the
Southeastern Sudan. Academisch proefschrift Vrije Universiteit, Amsterdam.
Skinner,
Elliott P.
1967
"Christianity and Islam among the Mossi". In: J. Middleton (red.),
Gods and Rituals, pp.353-76.
Stayt,
H.A.
1931
The Bavenda. Londen: Oxford University Press.
Szabó,
Arpad
1941
'Der halbe Mensch und der biblische Sündenfall'. Paideuma 2: 95-100.
Tcherkézoff,
S.
1987
Dual Classification Reconsidered; Nyamwezi Kingship and Other Examples.
New
York/Parijs; Cambridge University Press & Editions de la Maison des Sciences
de l'Homme.
Theuws,
J.
1962
De Luba mens. Tervuren: Koninklijk Museum voor Midden-Afrika.
Turner,
V.W.
1977
The Ritual Process. Ithaca N.Y.: Cornell Paperbacks.
Werner,
Alice
1968
Myths and Legends of the Bantu. Londen: Frank Cass & Co.
Ltd. (orig. 1933).
Willis,
R.
1989
'Complementarity and the "Half-Man" in African Cosmology'.
Paper presented at the Fifth Satterthwaite Colloqium on African Religion and
Ritual, 18-21 April 1989.
Zahan,
D.
1975
'Couleurs et peintures corporelles en Afrique noire. Le problème du
"Half-Man" '. Diogène,
90, pp.115-35.
E-mail-adressen auteurs