VU Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
verschenen
in: André Lascaris en Hans Weigand (red.), Nabootsing.
In discussie over René Girard (Kampen: Kok Agora, 1992, ISBN 90 391 0042 X),
p. 21-32.
DE
METAFOOR VAN DE ZONDEBOK
Michael
Elias
1
Inleiding
Een
van de wijzen waarop taal de werkelijkheid gestalte geeft en hervormt, is door
metaforen. Wanneer de problematiek rond de metafoor vanuit het taalgebruik
wordt beschouwd, wordt de vraag interessant wat iemands (al dan niet bewuste)
keus voor een bepaalde metafoor zegt over de wijze waarop hij of zij de de
wereld observeert.
In
onderwijskringen is het lang gebruikelijk geweest om kinderen te beschouwen als plantjes, die voorzichtig opgekweekt moesten worden. Zo ook hun
onderwijzers: de instellingen waar zij het vak konden leren, waren kweekscholen,
stagiairs heetten kwekelingen. Aan het eind van de jaren tachtig is daar
verandering in gekomen door het toenemend gebruik van de metafoor 'de school als
onderneming'. Directeuren werden managers en leerlingen vragen wat een bepaald
vak hun oplevert. Maar het onderwijs
kent nog meer metaforen: een vuilnisvat
waar computers worden gedumpt; een machine
die ongelijkheid reproduceert; een fabriek
die produkten aflevert; een eenheidsworst
van de slager in Zoetermeer.
Metaforen
worden niet alleen gebruikt, ze worden ook - hetzij positief, hetzij negatief -
beoordeeld. Men kan er zich door laten overtuigen, waarbij de waarheid
ervan niet altijd in het geding is. Vandaar de vraag: hoe kan de eigenschap die
door de metafoor wordt opgeroepen, verbonden worden met iets dat als echt
wordt ervaren? De achtergrond van die vraag zal hieronder behandeld worden in
verband met het werk van René Girard: ze heeft betrekking op de referentie van
een uiting.
Meer
in het bijzonder zal worden ingegaan op het curieuze feit dat men een metafoor
kan accepteren, terwijl de erin uitgedrukte werkelijkheid wordt afgewezen. Zo is
het mogelijk dat iemand zich tegen de opmerking waarin het onderwijs werd
voorgesteld als een eenheidsworst binnen
die metafoor verzet: "Het onderwijs een eenheidsworst? Maar dan wel van een
hele goeie slager!". Wie van oordeel is dat de vergelijking
slagerij-onderwijs niet deugt, zal die weg echter niet altijd willen bewandelen.
Zo verzet Susan Sontag zich in haar boek Aids
and its metaphors tegen de militaire metaforen die voor aids gebruikt
worden; ze moeten blootgelegd worden, ontleed, aan de kaak gesteld en er mag
niets van over blijven: "... de beeldvorming in termen van oorlog in het
denken over ziekte en gezondheid is [...] een kwalijk element in het losmaken
van gevoelens, leidt tot ongeoorloofde overdrijving en vormt de drijfkracht tot
excommunicatie en stigmatisering van de zieken [...] We worden niet aangevallen.
Het lichaam is geen slagveld. De zieken zijn noch onvermijdelijke slachtoffers,
noch de vijand. Wij - de medische stand, de maatschappij - hebben het recht niet
om terug te vechten, onverschillig de middelen. En wat betreft de beeldspraak,
de oorlogsbeeldspraak, zou ik Lucretius willen parafraseren: terug ermee naar
hen die over oorlog beslissen." (1989: 110).
De
studie naar de implicaties van het gebruik in context p
van metafoor x in plaats van metafoor y
heeft de laatste jaren een enorme vlucht genomen. Zo is van de door Sontag met
betrekking tot ziekte afgewezen oorlogsmetafoor ook onderzocht, in hoeverre deze
betekenis geeft aan andere verschijnselen en handelingen in onze maatschappij:
discussiëren bijvoorbeeld. Jouw standpunt is niet te verdedigen,
hij viel een zwakke plek in zijn
betoog aan, die opmerking trof
doel, was een voltreffer. Lakoff en Johnson zeggen over de 'discussie is
oorlog'-metafoor: "Try to imagine a culture where arguments are not viewed
in terms of war, where no one wins or loses, (...) Imagine a culture where an
argument is viewed as a dance, the participants are seen as performers, and the
goal is to perform in a balanced and aesthetically pleased way." (1980:
5).
Was
de literatuur over metaforen al eeuwen lang zeer omvangrijk, momenteel lijkt er
vanuit twee invalshoeken hoeken sprake van een explosie van aandacht voor het
onderwerp: bedrijfskunde en psychotherapie. Metaforisten en metaforologen worden
uitgenodigd op congressen over organisatiecultuur; oefening in beeldspraak vormt
nascholing voor therapeuten. Doel van een en ander is het op gang van de
creativiteit, noodzakelijk om problemen "pro-actief (in plaats van
re-actief)" op te lossen. Gareth Morgan werkte in zijn veelgelezen Images of the organization de metaforen uit van de organisatie als
machine, als organisme, als hersens, als cultuur, als politiek systeem, als
psychische gevangenis, als vloed, als overheersingsinstrument. Vragen die verder
aan de orde zijn, luiden: hoe herken je een metafoor? hoe wordt hij begrepen?
wat zegt een metafoor over woordbetekenis? Met andere woorden: wat is er
allemaal aan de hand als wij de uitdrukking de slager in Zoetermeer correct verstaan?
In
dit essay wordt de problematiek rond de metafoor toegespitst op de hypothese
over het nabootsende karakter van ons begeren en het geweld waartoe dat leidt.
Een voorname rol in dit proces wordt gespeeld door de zondebok, slachtoffer in
rituelen en zingever van mythen. De vraag die centraal staat is in hoeverre deze
hypothese de verhouding tussen vorm, betekenis en verwijzing in een nieuw licht
heeft geplaatst.
2.
Metafoor en werkelijkheid
Misschien
is één van de redenen waarom men zich in het 'heersende denken' zo heftig
heeft verzet tegen Girards geschriften dat diens stelling over het mimetisch
begeren een waarheidspretentie in zich draagt waardoor gangbare verklaringen tot
begrip van de werkelijkheid als klaarblijkelijke metaforen beschouwd worden.
Girard brengt naar eigen zeggen weinig nieuws - behalve in zijn consequente
reconstructie van het gezichtspunt van het slachtoffer als zondebok. Van teksten
uit de psychoanalyse, de structurele antropologie of de literatuurwetenschap
laat hij op die wijze de blinde vlekken zien. Hij gaat zelfs zo ver om in zijn
hoofdwerk, Des choses cachées depuis la
fondation du monde, te stellen dat het probleem van het
slachtoffer een nieuwe theorie van het teken en van betekenisgeving vereist.
Sinds
De Saussure is het gebruikelijk om met betrekking tot het taalteken (signe)
te onderscheiden tussen de signifiant
(betekenaar), en de signifié
(betekenis). Met de signifiant wordt
de gekende vorm van het teken bedoeld. Zo is er bijvoorbeeld de klankenreeks
a-pp-e-l als spraakgeluid; voor wie het Nederlands niet beheerst heeft die
klankenreeks geen betekenis. Van dat laatste is pas sprake wanneer iemand hoort
dat die reeks is opgebouwd uit verschillende elementen en vervolgens in staat is
om die elementen, de a, de p,
de e en de l als
betekenisonderscheidend te onderkennen. Met andere woorden, als hij of
zij de klankenreeks naar de vorm kent. Pas dan is de volgende stap mogelijk, die
naar de signifié. Op dat niveau wordt
appel niet slechts naar de vorm, maar
ook naar de betekenis gekend. Voor een deel is die 'gekende betekenis'
taalonafhankelijk: de verschillende vormen appel
en pomme drukken min of meer één gekende betekenis 'appel' uit.
Tussen de gekende betekenis en 'een werkelijke appel' bestaat een relatie die
wordt uitgedrukt door de term signification,
die ongeveer kan worden gelijkgesteld met het Duitse Bedeutung en het Engelse reference.
In het Nederlands wordt in dit verband wel gesproken van betekenis en
verwijzing.
Girard
nu beschouwt het slachtoffer als de signifiant
transcendental; de signifié is
voor hem "de hele actuele en potentiële zin die de gemeenschap aan dit
slachtoffer, en door diens bemiddeling, aan alle dingen toekent" (1978: 112).[i]
Hij verzet zich heftig tegen "de ongeremde wijze waarop onze literaire
critici afstand hebben gedaan van wat zij de 'referent' noemen" (ZB, p.
16), datgene dus waarover een tekst zich uiteindelijk uit wil spreken. Door
dwarsverbindingen te leggen tussen vormen van religie, literaire teksten en
wetenschapsvertogen poneert hij een nieuwe benadering van het
referentieprobleem. Centraal staat daarbij zijn afwijzing van de
(structuralistische) these dat de mythe een autonoom betekenend systeem is. Als
de mythe begrepen wordt in termen van de mimetische begeerte en het
zondebokmechanisme, zou men de metaforen kunnen onderkennen waarin zij gesteld
is.
De
problemen die een dergelijke beschouwingswijze schept, wil ik trachten te
verhelderen met behulp van een gedachtengang die Paul Ricoeur heeft ontwikkeld
in zijn studies over de metafoor, La métaphore
vive. Hij doet daarin een poging om de metafoor niet alleen te beschouwen
vanuit de semantiek van woord of zin, maar ook als een wijze om in het discours[ii]
naar de werkelijkheid te verwijzen. Zijn belangrijkste thema is de stelling dat
de metafoor een strategie is waarmee het discours de scheppende krachten van de
taal vrij kan maken om door bepaalde ficties de werkelijkheid te herschrijven.
In
"Métaphore et référence" (de zevende étude
van dit werk), wordt dit thema toegespitst op de vraag "Wat zegt een
metaforische uiting over de werkelijkheid?". Ricoeur start met de
beantwoording ervan bij Freges, onder taalfilosofen veel geciteerde, artikel
"Über Sinn und Bedeutung".[iii] Kort samengevat is een
van de lijnen daarin dat de betekenis van een woord (de Sinn)
niet hetzelfde hoeft te zijn als datgene waar dat woord naar verwijst (de Bedeutung).
Zowel de morgenster als de avondster verwijzen naar de planeet Venus; toch is de
betekenis (Sinn) van die woorden
verschillend. De overwegingen die Frege te berde brengt, hebben betrekking op
een semantiek van het woord. Ricoeur
wil die analyse, zoals gezegd, uitbreiden naar het discours, naar teksten; hij
beschouwt die als produkten en het resultaat van werk. Niet alleen compositie is
daarbij in het geding, maar ook het 'behoren tot een genre' en de effecten van
een bepaalde stijl. De structuur van het werk ziet hij feitelijk als de Sinn
en de wereld van het werk als de Bedeutung.
Het
zoeken naar een verwijzing bij literaire
teksten behoeft een rechtvaardiging - want literatuur wordt vaak als een vertoog
zonder verwijzing beschouwd: het zou alleen uit connotaties bestaan, uit
begripsinhouden die geen verbinding met de werkelijkheid hebben en waarbij dus
van referentie geen sprake is. Verhalen over elfen, bosgeesten en kabouters zijn
daar een voorbeeld van; de naam Odysseus is voor Frege zonder verwijzing.
"Das Streben nach Wahrheit also ist es, was uns überall vom Sinn zur
Bedeutung vorzudringen treibt" (1892: 33). Ricoeur huldigt de opvatting dat
het zoeken naar Bedeutung niet alleen
bij wetenschappelijke, maar ook bij literaire
teksten noodzakelijk is. Hij spreekt in het laatste geval van een
"opgeschort verband" tussen betekenis en verwijzing, van een
verwijzing in tweede instantie - waarmee hij de beperking van het begrip tot
wetenschappelijke teksten opheft. Tegenover het veelal onmogelijke opsporen van
de "verborgen intentie" achter het werk of de oorspronkelijke
bedoeling, stelt hij een zoektocht die zich richt tot de wereld die zich
ontvouwt vóór het werk, op de plaats van de uitlegger. In die zin leest ook
Girard literaire teksten - en mythen.
De
gedachte van de opgeschorte referentie kan een aanzet vormen voor het begrijpen
van teksten die in eerste instantie 'nergens op slaan', die uit tekens lijken te
bestaan die alleen maar naar andere tekens verwijzen. Dergelijke verwijzingen
zijn in verband te brengen met de wijze waarop bij het interpreteren van
gedichten te werk gegaan is. Er is wel gezegd dat een gedicht niet waar of
onwaar is, maar hypothetisch. Die poëtische hypothese is niet wiskundig, maar
de propositie van een wereld aangaande het denkbeeldige. Die wereld is
buitentalig en heeft betrekking op wat in de Angelsaksische literatuur mood
heet. Ricoeur vertaalt de term met état d'âme:
"Un état d'âme c'est une manière de se trouver au milieu de la réalité"
(p. 288). In de
taal van Heidegger: Befindlichkeit.
Ook
de verwijzing van een metaforische uiting komt tot stand door de onmogelijkheid
van een zogenaamde letterlijke[iv]
interpretatie. Toch is die in principe niet uit het zicht verdwenen: men zou
kunnen zeggen dat op de ruïnes ervan de betekenisvernieuwing tot stand komt die
de métaphore vive kenmerkt. Ricoeur
spreekt in dit verband over de inspanning, die nodig is aan de betekenis om de
metaforische waarheid van een tekst te kunnen vatten. Zijn gedachtengang wordt
interessant voor ons onderwerp waar hij dieper ingaat op gewoonlijk als fictie
gelabelde metaforische teksten en als non-fictie geduide wetenschapsteksten. Wat
een metafoor is voor poëtische taal, zegt hij, is een model voor de wetenschap. Het model heeft eigenschappen die eraan
zijn toegekend door taalgewoonte; in het geding is 'het spreken op een bepaalde
manier'. Een model kan de wetenschappelijke verbeeldingskracht op gang brengen -
die in Ricoeurs visie niet los hoeft te staan van de rede. Immers, het model
verwerpen als liggend buiten de onderzoekslogica zou uiteindelijk betekenen dat
de logica van het onderzoek zelf gereduceerd zou worden tot een deductieve
procedure. Dat lijkt niet de bedoeling; het domein van wat een verklaring
behoeft dient als het ware metaforisch herschreven te worden, waarmee men de
dingen 'op een bepaalde wijze' gaat zien. Niet alleen ons begrip van
rationaliteit, maar ook dat van realiteit staat zo ter discussie: rationaliteit
bestaat in de voortdurende aanpassing van onze taal aan een wereld in
voortdurende expansie. De metafoor is een der voornaamste middelen waardoor deze
wisselwerking mogelijk wordt.
Het
is van belang hierbij twee zaken in het oog te houden. De eerste is dat sommige
metaforen een lange geschiedenis kennen. Ze kunnen worden beschouwd als root
metaphors, wortel- of archetypische metaforen: zowel in de Hebreeuwse bijbel
als bij Homerus wordt het woord leeuw
al voor 'sterke man' gebruikt. In de tweede plaats zou men kunnen zeggen dat
metaforen in een netwerk zitten. Door de staat als een schip te beschouwen, legt men de verbinding naar een stuurman,
woelige wateren, etc. Zo wordt ook de verwijzende functie van de metafoor niet
slechts gedragen door één uiting, maar door haar netwerk en geschiedenis -
waarbij de mogelijkheid gegeven is om bij het gebruik de metaforische verwijzing
te veranderen.
Archetypische
metaforen hebben dezelfde status als modellen: zij geven een "minder
bekende" menselijke realiteit weer in termen van "beter bekende"
fictie. De mythos (tegenwoordig wel
als 'plot' vertaald) staat daarbij in dienst van de mimesis. Daarom moet dit
laatste, Aristotelische begrip ook niet opgevat worden als kopie,[v]
maar als herschrijving. De mimesis is de naam voor de metaforische referentie.
Vandaar de paradoxale woorden van Aristoteles dat de poëzie "filosofischer
en serieuzer is dan de geschiedschrijving, want de poëzie heeft veeleer het
algemene tot onderwerp, de geschiedschrijving het bijzondere." (Poetica,
1451B6).
In
een paragraaf, getiteld "Vers le concept de <Vérité métaphorique>",
de laatste van genoemd hoofdstuk, merkt Ricoeur op dat men het mag riskeren over
metaforische waarheid te spreken om daarmee de realistische
bedoeling aan te geven die vastzit aan de kracht van herschrijving. Het is
echter niet zo dat model en metafoor hetzelfde zijn; één van de verworvenheden
van bijvoorbeeld Descartes en Newton was dat zij in staat waren aan te tonen dat
de modellen waartegen zij zich verzetten metaforen waren. Het waar en niet waar
zijn van een metafoor sluit aan bij de gebruiksmogelijkheden van het werkwoord zijn
in Indo-Europese talen. Het woord is
in Achilles is een leeuw beduidt tegelijk 'is niet' en 'is als'. Het
geeft het spanningsveld van het woord waarheid aan, een spanning tussen
identiteit en differentie.
3.
De metaforische waarheid van de zondebok
Ricoeurs
opvatting dat we arbeid moeten verrichten aan de betekenis om de bouwstenen te
vinden waarmee een werkelijkheid gestalte kan krijgen, geeft zicht op de
praktijk van Girards lezing van mythen, literaire teksten en
wetenschapsvertogen. Van wezenlijk belang daarbij is de vraag of zijn
perspectief ons inzicht kan verschaffen in het metaforencomplex waarin ons
huidige denken gevangen zit. "Si
le mythe, en somme, est la vision rétrospective des persécuteurs sur leur
propre persécution, nous ne pouvons pas traiter comme insignifiant un
changement de perspective qui consiste à se ranger au coté de la victime, à
proclamer son innocence à elle et la culpabilité de ses meurtriers." (Des
choses cachées,
p. 171). Het spreken vanuit de zondebok zou in die zin het present stellen van
een metaforische waarheid zijn.
Dat
het adjectief metaforisch ondanks de verklaringskracht, uitgaande van de
perspectiefwisseling, noodzakelijk is, blijkt alleen al uit het gebruik van het
woord 'zondebok': in onze samenleving een metafoor. Veel taalgebruikers zijn
zich heden ten dage niet bewust dat de metafoor leidt naar het verhaal uit
Leviticus; bij het gebruik van de computer- of oorlogsmetafoor zal de afleiding
gemakkelijker te traceren zijn. In principe echter zou men bij een metafoor
altijd de weg moeten kunnen vinden waar zij naar leidt, door de studie van
etymologie, antropologie, etc.
Er
is vaker opgemerkt dat het probleem er niet eenvoudiger op wordt als men de
vraag veralgemeniseert: is er buiten metaforen überhaupt communicatie mogelijk?
Stutterheim schreef al (1941: 3): "Het woord "metaphoor" is zelf
een metaphoor en wordt in metaphoren beschreven. Zelf kan het ook weer "metaphorisch"
gebruikt worden. Anders gezegd: verschillende begripsphasen staan tot elkaar in
een verhouding, die "metaphorisch" kan worden genoemd." De
huidige hausse in theorie en toepassing van metaforen houdt zich vrijwel
nauwelijks bezig met de waarheidspretenties waar Ricoeur en Girard mee
worstelen. Lakoff
en Johnson over hun Metaphors we live by:
"It also meant supplying an alternative account in which human experience
and understanding, rather than objective truth, played the central role." (1980:
Preface, X). Girard behandelt de onmogelijkheid om buiten metaforen om de
werkelijkheid gestalte te geven op verschillende plaatsen, het meest uitgesproken bij zijn
bespreking van de joodse en
christelijke geschriften, waarop zijn centrale hypothese steunt. Ik wil dat
laten zien aan de hand van twee fragmenten die expliciet over metaforen gaan.[vi]
Ze
komen beide uit hoofdstuk XIV van De
Zondebok, "Satan tegen zichzelf verdeeld".
De analyse sluit hier aan bij het verhaal over de demonen van Gerasa, dat
daarvoor behandeld is en waarin werd gedemonstreerd in welk opzicht de genezing
van de bezetene verschilt van uitdrijvingen die in het sjamanisme gebruikelijk
zijn: het systeem dat door het mechanisme van de nabootsende begeerte
slachtoffers produceert wordt te Gerasa in zijn hoedanigheid aangetast en niet
vervangen door een ander systeem met een nieuw slachtoffer. Dat komt doordat er geen
sprake is geweest van een uitdrijving in de gebruikelijke zin van het woord: de
bestaande orde is omgekeerd doordat de massa moordenaars zich als zwijnen in zee
heeft gestort. De taal van de uitdrijving en van de demonologie wordt echter wel
gebruikt.
"Het
wezenlijke van de gelijkenissen zoals ze in de Evangeliën voorkomen wordt
gevormd door de vrijwillige opsluiting van Jezus in de vervolgingsvoorstelling
ten bate van mensen die niets anders kunnen begrijpen omdat ze er zelf in
opgesloten zitten. Jezus gebruikt de mogelijkheden van het systeem op een
zodanige wijze, dat hij de mensen inlicht over wat hun te wachten staat in de enige taal die ze begrijpen en zodoende openbaart hij tegelijk
het aanstaande einde van dit systeem en de incoherenties, de innerlijke
tegenstrijdigheden van hun manier van spreken. Zo hoopt hij tevens dit systeem
in de geest van de toehoorder aan het wankelen te brengen, hen ertoe te bewegen
aan zijn woorden een tweede betekenis toe te kennen die meer waarheid bevat,
maar die ook moeilijker is, omdat zij vreemd is aan het vervolgingsgeweld, de
betekenis namelijk die dit geweld, en de opsluitende werking op ieder van ons
onthult." (ZB, p. 220). "Jezus aanvaardt het over zijn daad te
debatteren in termen van uitdrijving en geweld, omdat dat de enige termen zijn
die zijn ondervragers kunnen begrijpen. Maar hij doet dat om hun een gebeurtenis
mee te delen die met die taal niets te maken heeft." (p.224).[vii]
De verwijzende functie van de tekst kan dus pas in tweede instantie plaatsvinden
en niet zonder perspectiefwisseling; op het eerste gezicht lijkt er slechts een
verhaal te zijn zonder referentie en doet zich een overeenkomst voor tussen de
toverkunst die de kameraden van Odysseus verandert in zwijnen en de demonen uit
het evangelie. Dat verandert als men het principe verlaat dat culturele
gegevenheden (en talen) zijn samengesteld uit tekens die elkaar onderling
bepalen en niets meer betekenen als men ze zou isoleren. Of uit tekens die
systemen zouden vormen met een interne coherentie die aan iedere cultuur en aan
iedere institutie zijn eigen individualiteit verleent.
Het
tweede fragment scherpt de hier geschetste gedachtenontwikkeling aan: "Open
uw Griekse woordenboek bij paraballo.
De eerste betekenis van het woord laat duidelijk zien wat er aan de hand is,
want die voert ons terug naar de collectieve moord. Paraballo
betekent: iets als prooi naar de menigte gooien om haar zucht naar geweld te
bevredigen, bij voorkeur een slachtoffer, een ter dood veroordeelde; zo onttrekt
men zichzelf klaarblijkelijk aan een penibele situatie. Om te verhinderen dat de
massa zich tegen de spreker richt neemt hij zijn toevlucht tot de parabool, dat
wil zeggen tot de metafoor. Er bestaat geen manier van spreken die in laatste
instantie niet parabolisch is; in feite moet de hele menselijke taal [le langage
humain], evenals de andere culturele instellingen, worden afgeleid van de
collectieve moord. (...)" (ZB, Franse tekst p. 270; vertaling p.227).
4.
Discussie
Zinspeelt
deze laatste uitspraak niet op het feit dat de metaforen van strijd en oorlog
niet 'weg te branden' zijn uit ons taalgebruik? De analyse van Girard heeft in
ieder geval licht geworpen op de omstandigheid dat men soms gedwongen is te
spreken in een metafoor waarin men zich eigenlijk niet kan vinden op grond van
de erin uitgedrukte 'eerste verwijzing' naar de werkelijkheid. Binnen zo'n
metafoor blijkt de beoogde referentie echter wel te construeren. Zo kan beter
worden begrepen waarom er gesproken wordt in termen van een 'strategie' bij het
willen bereiken van vrede. Een op het eerste gezicht tegenstrijdig spreken,
waarvan ook sprake is als Girard de paradox signaleert bij het neerschrijven van
een zin waarin metafoor en
werkelijkheid zich etymologisch verbinden: "(...) l'efficacité du croix est d'une importance absolument... cruciale" (cursivering ME).
Een
sterk punt in de hypothesen van Girard is het verband dat hij aanbrengt tussen
mythen en vervolgingsteksten. Vooral na de sjoa krijgt het perspectief dat hij
daardoor aanbrengt, een ethische dimensie, waarvan de resonantie welhaast
onontkoombaar lijkt. Wie zou het immers nog wagen om op vervolgingsteksten waar
Joden op mythologische wijze beschuldigd worden in de zin van Lévi-Strauss een
topologische lezing toe te passen? De kwestie van de referentie heeft daardoor
een nieuwe dimensie gekregen. Anderzijds lijkt het wellicht een wat tè sterke
claim om de menselijke langage als een afgeleide van een collectieve moord in den beginne
te beschouwen. Wordt er vóór de eerste moord niet verhaald van de tuin van
Eden en van de schepping die daar in
principe (net als in het Hebreeuwse beresjiet
geeft het Latijnse woord etymologisch een lichaamsmetafoor) aan voorafging? In
de bundel Violence et vérité heeft
Domenach opgemerkt: "Girard est visiblement mal à l'aise dans le jardin
d'Eden, même si Adam, Eve et le serpent lui offrent une jolie triangulation mimétique"
(1985: 236).
Voorts
kan men zich afvragen of in alle gevallen de parallel mythen-vervolgingsteksten
gerechtvaardigd is. In dezelfde bundel VV merkt Kearney op (p. 35 e.v.) dat
Girard de neiging heeft van de mythe zelf een nieuw soort zondebok te maken. De
opvatting dat een mythe naar meer verwijst dan alleen maar zichzelf impliceert
niet dat de referentie van mythen altijd noodzakelijk reële voorgaande
gebeurtenissen betreft. Mythen hebben niet alleen een verwijzing naar het
verleden, maar kunnen ook iets aangeven 'van wat komen gaat'. Ze kunnen de
horizon van de betekenis verbreden. Het gaat bij hun interpretatie dus niet
alleen om "des choses cachées depuis la fondation du monde", maar ook
om dingen die verborgen zullen zijn tot het einde. Alleen met een
eschatologische hermeneutiek zou een dergelijke verwijzing te onderzoeken zijn.
Kearney's
argument steunt op een gesprek dat hij voerde met Paul Ricoeur. Deze noemde de referent van de mythe "le monde du
possible". Zoals
een gedicht de propositie kan zijn van een wereld aangaande het denkbeeldige
(zie de uiteenzetting in de tweede paragraaf), kan ook de mythe een dergelijke
functie hebben. Ricoeur spreekt van een mythisch-poëtisch niveau dat gericht is
op de openbaring van het mogelijke. De hermeneutiek die hij voorstaat wil
teksten ontsluiten om daar een wereld in te ontdekken. Zo'n hermeneutiek beperkt
zich niet tot teksten of tot de auteurs daarvan, maar interesseert zich van het
begin af aan voor het ontdekken van betekeniswerelden. Door de interpretatie van
die mogelijke werelden kan de mythe ertoe bijdragen dat we onszelf beter
begrijpen.
Het
is ten slotte opvallend dat René Girard, die zich in vele opzichten afzet tegen
het werk van Sigmund Freud,[viii]
wat de 'archeologische status' van zijn hypothese betreft op één lijn zit met
de psychoanalyse. In een van zijn studies over Freud, De l'interprétation voert Ricoeur een pleidooi voor het standpunt
dat een archeologie van het subject pas echt te doordenken valt als archè
verbonden wordt met de tegenpool telos.
Bij Freud zou er sprake zijn van een niet gethematiseerde teleologie; Ricoeur
kritiseert hem aan door in de lijn van Hegel te stellen dat iedere gedaante zijn
betekenis ontvangt van degene die erop volgt:
de waarheid van het ene moment zit in het volgende moment. Zo schrijdt de 'zin'
voort van einde naar begin, en krijgt het ware een retrograde beweging. Wellicht
is de hypothese van het mimetisch begeren in dit proces een cruciaal
moment.
LITTERATUUR
BAKKER,
Dirk Miente
"Kritische
notities bij Ferdinand de Saussure's Cours", in De
macht van het woord (Amsterdam: VU Uitgeverij, 1988).
DUMOUCHEL
(ed.)
Violence et vérité,
autour de René Girard (Paris: Grasset, 1985).
FREGE,
Gottlob
"Über Sinn und Bedeutung", in: Zeitschrift für Philosophie und philosophische Kritik 100 (1892), 25-50. Herdrukt in G. Frege, Funktion, Begriff, Bedeutung (Göttingen: VandenHoeck & Ruprecht, 1980).
GIRARD, René
Des
choses cachées depuis la fondation du monde. Recherches avec Jean-Michel
Oughourlian et Guy Lefort (Paris: Grasset,
1978). Engelse vertaling Things Hidden
since the Foundation of the World (Stanford CA: Stanford
University Press 1987). Nederlandse vertaling (door J. Kleisen, B.
Hoffschulte en J. Gunning) Wat vanaf het begin der tijden verborgen was (Kampen: Kok Agora;
Kapellen: Pelckmans, 1990).
LAKOFF,
George, en Mark JOHNSON
Metaphors we live by
(Chicago: University of Chicago Press, 1980).
MORGAN,
Gareth
Images of the organization
(Beverley Hills: Sage, 1986).
NUCHELMANS,
Gabriël
Taalfilosofie,
een inleiding (Muiderberg:
Coutinho, 1978).
RICOEUR,
Paul
De l'interprétation. Essai sur Freud
(Paris: Seuil, 1965).
La métaphore vive
(Paris: Seuil, 1975).
SAUSSURE,
Ferdinand de
Cours de linguistique générale
(1916). Edition Tullio de Mauro (Paris: Payot, 1972).
SONTAG,
Susan
Aids and its metaphors
(Farrar, Straus & Giroux, 1989). Nederlandse
vertaling Aids en zijn beeldspraken (Baarn:
Anthos, 1989).
STEINER,
George
Real Presences. Is there anything IN what we say?
(London/Boston: Faber & Faber, 1989).
STUTTERHEIM,
C.F.P.
Het
begrip metaphoor. Een taalkundig en wijsgerig onderzoek
(Amsterdam, H.J. Paris, 1941).
NOTEN
0
Dit stuk is een bewerking van "Mimesis als metaforische referentie",
verschenen in: Jan Noordegraaf en Roel Zemel (red.), Accidentia.
Taal- en letteroefeningen voor Jan Knol (Amsterdam: Stichting Neerlandistiek
VU, 1991). Ik dank degenen die commentaar leverden op een voorversie.
[i]. Er is bij mijn weten nog nooit uitgezocht wat de filosofische
implicaties zijn van het gebruik van deze Saussuriaanse termen door Girard.
Een dergelijke studie zou een aantal dichotomieën in de Cours, zoals
diachronisch-synchronisch, syntagmatisch-paradigmatisch opnieuw kunnen
begrijpen. Wellicht kan dan ook op fundamenteel vlak helderheid komen in de
vraag hoe het etnologisch structuralisme taalkundige noties in zich heeft
opgenomen. Zoals bekend, is de term structuralisme niet van De
Saussure zelf; hij raakte in zwang na het Haagse linguïstencongres van
1928. Een geschikt vertrekpunt voor een studie op dit terrein lijkt mij
Bakker (1988).
[ii]. Het woord discours wordt onvertaald gelaten. Het drukt ongeveer
het Griekse lexis uit; in het Nederlands is het vertaald met 'stijl',
'spreken' en 'vertoog'.
[iii]. Ricoeur beoogt in dit hoofdstuk een integratie van nogal veel, soms
uiteenlopende opvattingen. Met het oog op de lengte van dit stuk is Ricoeurs
gedachtengang, op een enkele uitzondering na, doorlopend weergegeven, zonder
verwijzingen naar de schrijvers die hij citeert. Zie daarvoor de tekst van La
métaphore vive. Voor taalfilosofische achtergronden is (onder andere)
Nuchelmans (1978) te raadplegen.
[iv]. Op de problemen die het gebruik van het woord letterlijk in dit
verband oproept, hoop ik elders in te kunnen gaan.
[v]. Het is mij niet geheel duidelijk in hoeverre Girard een dergelijke
opvatting huldigt: vergelijk zijn beschouwing op p. 16 van
Des choses
cachées, waar hij het
Aristotelische begrip mimesis als uitgangspunt neemt voor de "mimésis
d'appropriation". In het Nederlands is mimesis niet alleen weer te
geven als 'nabootsing', maar ook als 'uitbeelding' (zie bijvoorbeeld de
vertaling van de Poetica van N. van der Ben en J.M. Bremer J.M. Bremer, Aristoteles
Poetica, Amsterdam: Polak en Van Gennep, 1986). Deze laatste betekenis
lijkt bij Girards interpretatie verdwenen te zijn. Zie voor een beschouwing
over creatio, mimesis en rivaliteit verder Steiner (1989: 200 e.v.).
[vi]. Op het onderscheid tussen metafoor en parabool zal hier
niet worden ingegaan.
[vii]. Girard stelt niet de vraag of de schrijver van het evangelie met de
gebruikte metaforen zelf al een interpretatie geeft.
[viii]. Zie voor Girards interpretatie van het Oedipouscomplex het derde deel van Des choses cachées, "Psychologie interdividuelle"; voor beschouwingen over de zondebokken Job en Oedipous De aloude weg der boosdoeners [samenvatting].
E-mail adres auteur