VRIJE UNIVERSITEIT Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
Ik ben, gekeeld sinds het wereldbegin
Een worsteling met het
slachtoffersyndroom
Wiel Eggen
Bewerkte tekst van een lezing gehouden op een gemeenschappelijke bijeenkomst van de studiekringen Girard en Levinas, Utrecht, Universiteit voor Humanistiek, 26 oktober 2007.
Gesmeek om tolerantie
Laat de titel geen te
hoge verwachtingen wekken. Ons thema van sacraal slachtoffer wil ik
verbinden met het debat tussen Ian Buruma en Pascal Bruckner over het
slachtoffersyndroom van rond de
Girard-conferentie (COV&R in juli 2007 over Vulnerability and Tolerance).
Zowel voor de Girard-kring als voor de Levinas-kring hoop ik zó een
onderzoekslijn uit te zetten. Daarbij laat ik me mede leiden door enkele boeken
die ik sindsdien ter bespreking kreeg. Een artikel over Simone Weils visie op
God als oorzaak en drager van het kwaad gaf mij de idee dat zij een brug kon
slaan tussen beider worsteling met een aporie in het westers patroon.[1]
Het herinnerde me aan de wending die de laatste 2 pausen sinds 30 jaar ingezet
hebben naar een Johanneïsche theologie rond het thema van het Lam Gods, dat ook
Girard zo dierbaar is. Maar ik verbind dit wel met het sociologische inzicht dat
elk religieus ideaal een bron van radicaal kwaad kan worden.[2]
Dit dringt zich vooral op bij de lezing van Kilanis Guerre
et violence, waar hij stelt dat juist de christelijke offertheologie tot een
verwesterde wereldorde met extreme geweldsvormen heeft gevoerd.[3]
In de titel van mijn
bijdrage staat de godsnaam Ik Ben, die
vaak is weggehoond vanwege de ontologische duiding. Toch benauwt mij meer het
gemak waarmee die naam verbonden wordt met het Lam Gods, geslachtofferd om onze
zonden, en vooral hoe sinds de Middeleeuwen de emotionele binding met die
lijdende Heer via de compassie met elk slachtoffer uitgelopen is op de compassie
met nummer één. Het Ik dat een genadige en vergevende God zocht, toonde steeds
meer de neiging om zich slachtoffer te achten van allerlei zaken. Die
victimisatie heeft in het Franse denken niet alleen Girard en Bruckner
getroffen. Zo heeft ook Paul Ricoeur geworsteld met Hegels notie van Anerkennung,
die niet alleen uitgelopen is op het zelfbeklag van een ik constant op
zoek is naar erkenning, maar zich daarom ook toont in het probleem van
multiculturalisme.[4]
Binnen een sociale structuur die de onkwetsbaarheid tot perfectie via zijn
politieke, medische en sociale regelingen heeft opgevoerd floreert er aldus een
groeiende claimcultus vol van slachtoffergejammer. Ik
ben gekeeld in het diepst van mijn wezen lijkt de keerzijde te worden van Ik
ben een god in het diepst van mijn gedachte. De Westerling - op wereldschaal
tot een superheerser geworden - roept om tolerantie en wil meer vrije tijd om
kostendeclaraties, subsidieverzoeken en schadeclaims te kunnen vullen. Wat is
dat Ik ben? Een zijn dat niet genoeg
kan krijgen van het zijn, anderen de schuld geeft van zijn gebrek eraan en zich
gekeeld voelt in principio? Hoe de oorsprong te verklaren van dat westers
(Hegeliaans) individu dat om erkenning mekkert en dit vertaalt in de roep om
tolerantie?
Weil, Levinas en de
mystiek
Bij zijn opname in L'Academie
Française, werd René Girard geprezen door Michel Serres die zijn werk
loofde en indirect de Franse miskenning ervan hekelde.[5]
Daarbij verwees deze naar de mystiek die hen beiden gevormd had: wij
ontloken beiden bij de lectuur van Simone Weil en haar genie tijdens de
oorlogsverschrikkingen. Inderdaad begint Girard de conclusie van zijn boek
over Satans val met een verwijzing naar Weils stelling dat het evangelie eerst
een leer over de mens is alvorens over God te spreken.[6]
Dat doet hij na getoond te hebben hoe de christelijke zorg om het slachtoffer in
het nazisme in zijn tegendeel omgeslagen is, mede door toedoen van Nietzsche die
de Joods-Christelijke bron ervan wel gezien maar verguisd had, en ingeruild voor
het dionysische neo-heidendom. Zorg om de ander vond hij een bedenkelijke
levenszwakte, onwaardig voor de hoeder van het zijn, zoals Heidegger de mens
ging noemen. Als ik hier Weil opvoer, lijkt dat een directe aanval op Levinas
die haar zowel een anti-joodse houding verweten heeft, maar ook de
antropologische wending in het denken over God, zoals bij het idealisme en de
romantiek, als kern van het westerse probleem zag. Het egocentrische daarin had
zelfs de fenomenologie van Husserl en Heidegger meegesleurd, waartegenover hij
definitief een andere route gekozen had Serres en Girard prijzen in Weil een
mystiek die geen genade vindt bij Levinas, maar wellicht toch een nadere
beschouwing verdient.
Zonder te pretenderen
het achterliggende filosofische kluwen te kunnen ontwarren laat ik me uitdagen
door Weils frappante uitspraak: daarom zegt Johannes dat het Lam gekeeld is
sinds de vestiging van de wereld.[7]
Het verband tussen haar mystiek en Girard dringt zich op, niet alleen omdat hij
haar hoogacht, maar omdat Weil zo geboeid is door de figuur van het Lam Gods en
de katholiek-eucharistische duiding ervan. De hostie noemt ze echt Gods Lam dat
de zonden wegneemt[8],
zoals de misliturgie dit op drie plaatsen herhaalt en zoals het drievoudig Agnus Dei bezingt, vaak in de mooiste kerkmuziek. Met een
Girardiaanse frase avant la lettre verwoordt
ze haar sotereologisch inzicht in de sacramentele status van het Lam door te
stellen dat het de ware zondebok is[9].
Wat kan dit betekenen?
Nu Girard het
christendom zelf tot een zondebok ziet verworden, luidt de vraag hoe deze
heilsleer kon leiden tot het Ik ben
gemekker van de onkwetsbare die zich zo bloederig op het wereldtoneel toont.
Vanuit ongeëvenaarde macht en veiligheid houdt de westerling een discours dat
zich altijd wel slachtoffer van iets vindt[10]
en de vermoorde onschuld speelt via een roep om tolerante naastenliefde, die
Nietzsche doorgeprikt heeft. Maar diens alternatief is prompt in omgekeerde zin
misbruikt door Hitler, wiens apocalyptische leugen voor Weil tot levenskwelling
werd (zoals dat ook geldt voor onze twee auteurs). Waarom besloot Levinas haar
dan toch postuum na jaren af te vallen en van
anti-judaisme te betichten?[11]
Zeker vond hij haar te christelijk taalgebruik een verraad aan de Joodse zaak,
maar er is veel meer. Als zij de tijd definieert als Gods wachten dat om liefde
smeekt, poneert hij de kern van het verschil in een korte repliek. Gods demande is een commande.
God vraagt niet, maar beveelt. Dit markeert het verschil filosofisch scherp,
maar kan het afdoende Nietzsches kritiek op het slachtoffermodel ondervangen?
Levinas repliek is begrijpelijk. Niet de mystieke eenwording is onze roeping,
maar de ethische verantwoording. Want moeten we niet zeggen dat de identificatie
met de lijdende Christus als Lam Gods westerse christenen feitelijk blind heeft
gemaakt voor hun machtstructuren? Historisch vond dit zijn scharnierpunt in de
16de-eeuwse strijd rond de sacramentele presentie van het Lam als
bemiddelaar wiens leed ik betreur, maar tevens bejubel omdat het mijn (veel
wezenlijker) onheil afweert. De roep om een genadige God bleek een camouflage te
zijn voor een spel van zelfbevestiging en een schaamteloze rivaliteit op
wereldschaal. De amechtige vereniging met het Lam baarde een machtsbestel waarin
men elkaar imiteerde in het opeisen van rechten voor het gekeelde ik.[12]
Dit stelt een aporie die ons thema van sacraal slachtofferschap een toespitsing
geeft die ik verderop wil verbinden met de voor Girard zo dierbare pauselijke
oproepen, waarin ik een beweging zie van agologie naar agnologie, van de
sturende rol naar een leiderschap als imago
Dei in eenheid met het Lam.
De oerscene in drie
lezingen
Volgens Levinas blijft
Weil steken bij een verbinding tussen zijn en het Absolute, als zij via Plato
het utilitarisme tracht te bestrijden, waartegen ook alle fenomenologen zich
verzetten. Zelf confronteert hij dit met het Shema Israel, de stem van de ander
die gehoor eist. Alleen dit zou Nietzsche's aanval kunnen pareren. Maar hoe
begrijpelijk zijn anti-mystiek protest ook is, de vraag naar de aard van die
ontmoeting met de ander blijft. Derrida heeft onderstreept dat -zoals
alle spreken - ons antwoord, ons gehoor-geven, het uitsluiten onmogelijk kan
vermijden. En dit brengt ons bij Girards inzicht dat alle mensenhandelen
confronterend en victimiserend is, Waar het Absolute bij Levinas verschijnt als
de oproep tot een respectvol antwoord, daar ziet Girard het trauma van een
ontspoorde nabootsing. Of zoals Weil ooit zei: zonder zondige gebrokenheid is
Adam ondenkbaar. Alle riten rond het geboortedrama kleuren het Absolute met
conflict: God is niet zozeer wie mij in de ander tot antwoord roept en zo mijn
potentieel activeert, maar het slachtoffer van mijn rivaliserend verlangen dat
ik nooit kan afschudden.
Die twee visies op God
sluiten elkaar slechts ogenschijnlijk uit. Hoekig samengevat is God bij Levinas
degene die respect oplegt en ook het recht heeft dat te doen, terwijl hij voor
Girard de camouflage is van leugen over onze onterechte (moorddadige)
rivaliteit, die als slachtoffer ons hierover aanspreekt. Weil legt hier een
derde visie naast die het geboortetrauma zelf oproept en niet afgedaan kan
worden als achterhaalde mystiek.Voor haar is God niet het onschuldig
slachtoffer, maar de schuldige die dit bewust wil en draagt.
Levinas tracht de
slachtoffercultuur te blokkeren door, tegenover de mystiek, de relatie tot het
oneindige louter ethisch te verstaan. Dit spoort wel met Girards visie, maar de
ethische oproep is bij deze meer dan een geworpenheid waarbinnen dat absolute
bevel klinkt: dood mij niet, respecteer mijn Ik ben. Die stem geeft hij
een nog meer dramatische en agonistische lading dood de mimesis die steeds ziet
als te overwinnen rivaliteit. Ook hij verstaat ethiek niet als de Eerste Oorzaak
liefhebben in zijn schepselen, of boven die relatie tot zijnden uit tot hoeder
van het zijn worden. Maar ook de visie dat het gelaat van de ander mijn diepste
zelf tot zijn brengt kan hij
moeilijk plaatsen. Immers die roep hoor ik wel, maar het is steeds de roep van
de vijand die een hel is en mij de thuisweg over de Yabbok verspert. Ik kan niet
anders dan de ander de schuld geven van mijn eindigheid, de onschuldige
schuldige die mij aankijkt in de ander, die ik haat, wurg en keel, maar die me
blijft aanspreken. De God van Girard is de gekeelde uitgestotene die me
tegenstaat maar niet weg wil, de broer die ik dood maar die me blijft vragen
waar is je broer?. Stem die ik haat, en toch niet wil missen. Waar Levinas
de roep om recht wil laten primeren boven een mystiek-romantische bindiing met
kosmische of psychische transcendenties, geeft Girard dit de lading van de
oermoord aan het begin. Maar dat dwingt ons ook het woord van Weil opnieuw
beluisteren: Gekeeld-vanaf-het-wereldbegin. Kan het zijn dat zij iets zag wat
zowel Girard als Levinas onbenoemd lieten?
Als Levinas haar
anti-judaisme verwijt suggereert hij natuurlijk geen nazi-sympathieën, al kan
haar voorkeur voor Grieks-Platoonse boven Joodse (en Romeinse) wortels sommigen
aan Heidegger doen denken . Als activiste had zij niets zweverigs. Haar pleidooi
voor een nieuw type menserechtenleer in LEnracinement
haalt fel uit naar de nazi-leugens[13].
Maar er blijft de vraag hoe haar strijd tegen de technocratische ontworteling
zich verhoudt tot de mystieke uitspraken over het Lam Gods, die Girard kenners
met diens bekendste boeken zullen verbinden en dus ook met diens, in de Thora
gewortelde, boodschap.
Girard en Weil spreken
beiden over de katabolès, de
worp (vestiging, werping) van het wereldbestel. In dat begin is er het
gekeelde Lam, zegt Weil, met die dramatische Franse term
égorger, waar de Griekse term
aan Heideggers geworpenheid herinnert. Zonder erover uit te weiden dat
Weil naar Johannes en Girard naar Mattheus verwijst, maar de sleuteltekst hier
uit de eerste Petrus brief stamt, willen we kijken naar de filosofische
implicaties van hun visie op God en het kwaad.[14]
Die term wereldbegin raakt een grondthema, ook voor Girard en Levinas. Bij
hen betreft het een sociaal-cultureel begin, waar Weil over de scheppingsleer
spreekt. Girard herkent er de antropologisch oerscene met zijn lynchpartij,
zoals Freud die uit ethnologisch materiaal had gepuurd. Per saldo ziet hij daar
de godsidee ontstaan uit het offer, doordat de geofferde o wonder - vrede
brengt en dus eer verdient. De mensengeschiedenis zal die basisleugen steeds
weer ontmaskeren en opnieuw coderen. Voor Girard is God de onschuldig geofferde.
Dat zegt hij niet als theoloog, maar als literatuurwetenschapper; en hij bevindt
zich daarmee tussen de bevelende God van Levinas en de visie van .Weils mystiek
bij wie hij het evangelische motief herkent. Zowel Levinas als Girard dreigt
vast te lopen als aan de ene kant het ik ben optreedt als het
onvoorwaardelijke appèl van de ander op mij, en aan de andere kant dit appèl
tot mimetische rivaliteit verword, waarin het ik ben verschijnt als de
onschuldige zondebok wiens vermeende schuld mij levensnoodzakelijk lijkt. Beiden
zoeken een weg uit dit dilemma. Maar dreigt die niet ook weer in een
identiteitsdenken te verzanden?[15]
De scheppingspijn
overstijgen
Weils invalshoek blijkt
uit haar kritiek op de nazi -poging om het volk nieuwe wortels te geven. In LEnracinement
(blz.160) noemt ze dit een leugen die te herleiden is tot de funeste invloed van
Aristoteles, wiens meester-slaaf model - vermengt met zowel Joods als Romeins
wettisch denken - via St. Thomas tot een technocratische visie heeft geleid van
een wereld die uit interne wetmatigheid zou evolueren.[16]
Dat elk zijnde met een essentie behept is en op de aanvaarding van die
geworpenheid afgerekend wordt heeft tot een slaafse gehoorzaamheid geleid
die pas doorbroken kan worden door een ander verstaan van de gerechtigheid
dan er meeklinkt in schuld en boete. Met dat oogmerk neemt Weil in Attente
de Dieu het goddelijk verlangen als sleutel van het scheppingsmysterie:
God erkent schuld aan
onze pijn van scheiding en geworpenheid, en neemt die als zondebok op zich, maar
op basis van een liefdesverlangen. God is schuldige aan het scheppingsdrama,
verstaan als een geboortetrauma. Hij is Schepper in de mate dat Hij een
oereenheid verbreekt en scheiding bewerkt, opdat liefde kan bestaan, als
mimetisch verlangen. Hij wil niet anders dan die schuld dragen. De
slavenmentaliteit die Nietzsche de Christelijke traditie verwijt komt niet van
de mens, maar van God, de onschuldige schuldige die zondebok wil zijn en zijn
zoon in die rol wenst, omdat zijn schuld een liefdesschuld is. Jezus is beeld
Gods omdat hij die oerschuld op zich neemt. Hij deelt in de beschuldiging die
God treft. Hij draagt de last van die godverlaten geworpenheid. En accepteert
dat de schepping een gewelddadige écriture
is die in pijn geboren is en die enkel kan overwinnen door de tegenpartij te
integreren via een liefde die onbereikbare afstand en nabijheid combineert.
Over de liefde schrijft
zij - in een tekst die Amin Malouf als leidraad nam in het script voor Kaija
Saariahos oratorium
Zouden deze drie auteurs
samen een perspectief kunnen bieden voor ons probleem? Girard en Levinas
gebruiken agonistische modellen. Girard weigert de ander te zien als
rechthebbende, omdat dit de rivaliteit slechts verhevigt met slachtoffergekerm
tot gevolg. De ander die eist en traumatiseert staat als een god tegenover me,
als een Satan die mij aanklaagt en in moordende geworpenheid aan het kruis
nagelt. Evenals Levinas in zijn latere werk erkent dat de eis van de ander
slechts een deel van het verhaal is en dat de agonistische fenomenologie een
interne gerichtheid op de ander veronderstelt, zo laat ook Girard aan de
rivaliserende mimesis een basisgerichtheid op elkaar voorafgaan. Maar als beide
hun doorwrochte analyse van een op empathie gerichte dimensie naar God toedenken
ontstaat de vrees dat het identiteitsdenken toch weer opdoemt. Hoe kan God nog
de ethische eis zijn en het geofferde model dat leven geeft? Hoe sta ik in het
krijt bij het niet-ik? Hoe mijn schuld aan de scheiding nog erkennen, en dat tot
een creatieve kracht te maken? Kan ik het kwaad dragen zonder Sloterdijks Zorn
tot basis van zijn te maken? Weils oproep tot ontschepping opent hier een
perspectief dat verre wortels in de traditie heeft.[17]
Als God bij Levinas de
recht-hebbende eiser is en bij Girard de onschuldig geofferde die toch steeds
terugkeert, dan blijft dit tot dilemmas leiden, tenzij er een wending
gevonden kan worden waarin de schuld aan het separate bestaan verwerkt wordt[18].
Ouders zijn schuldig aan het verwekken van de vrucht en de moeder aan het
uitstoten (uitwerpen) ervan. Het huilen om hulp van het kind is een absolute
oproep die een beschuldigende klank heeft: een eis die niet ingeperkt wordt door
het bestaan van anderen. De eis heeft steeds een absoluut gehalte, zoals ook
elke god recht op totale toewijding heeft. Weils visie op de Christus als beeld
Gods lijkt dit dilemma op te lossen. Christus draagt de zondelast als Zoon Gods,
dat wil zeggen als beeld van de eeuwig schuldige die de schuld van de scheiding
aanvaardt om aldus de ontschepping mogelijk te maken. De grens van het
liefdesantwoord ligt dan niet, zoals Levinas stelt, in de derden die ook hun
eisen stellen (en dus in de politeia).
Ze ligt in de relatie zelf, namelijk in het wekken van de ontscheppende liefde
en inzet tot eenheid bij de ander: in de omkering van de schepping, waartoe ik
de ander mag in staat stellen.[19]
Ter afsluiting
De oorlogsjaren
42-43, waarin naast Weil zoveel groten vielen[20],
waren zowel voor Girard als Levinas erg bepalend. Maar hier wil ik ook wijzen op
twee andere mensen die toen een omslag in hun bestaan beleefden en die later aan
de implicaties van Weils Johanneïsche visie uiting hebben gegeven. In 1942
besloot Karol Wojtyla zijn artistiek verzetswerk te verruilen voor het
priesterschap dat hij later als paus ging definiëren volgens de Lam Gods
theologie in lijn met mensen als Urs von Balthasar en Ratzinger.[21]
Theologisch inzicht en kunst mengen was wat Olivier Messiaen toen tot
Johannes Openbaring leidde, die hij in een Duits kamp uitdiepte en vertaalde
als de tijdseinder van eenheid met het Lam Gods, en later uitgewerkte in een
Franciscaans-ethische esthetiek van gerichtheid op de ander.[22]
Hier zal ik me beperken tot enkele woorden over die pauselijke optie in het
licht van Girards inzet. Het aggiornamento
in de na-oorlogse kerk werd beheerst door een bevrijdingsdenken met sterk
existentialistisch ik-gerichte trekken en met als kern de mensenrechten en met
het maakbaarheidsdenken der derde industriële revolutie als richtsnoer.
Agologie en management waren paswoorden in dat vooruitgangsdenken dat veel
tegenstrijdigs veronachtzaamde. Immers, terwijl het volk de baas heette, werd
het individu steeds verder in een onmachtig slachtoffersyndroom gedrongen dat de
economische wederopbouw bevorderde.[23]
Vanaf zijn eerste kerstpreek in 1978 onderstreepte Wojtyla Jezus mensheid, niet in termen van mensenrecht, maar als model ter imitatie als Lam Gods. Zelf wil ik dit een verschuiving van agologie naar agnologie noemen, waarin niet de maakbaarheid maar de lijdbaarheid de sleutel is. Tegenover het eisende ik dat narratief zijn consumentenbeklag doet stelt Levinas overtuigend de prioriteit om te antwoorden op het roepend ik ben dat me aanziet; maar als Girard erop wijst dat dit alleen kan als de ik-gij relatie ontdaan wordt van de slachtofferende rivaliteiten, ontstaat er een leemte en Weil zal dan aangeven dat dit slechts kan door het Lam Gods te volgen in de ontscheppende inzet die de ander niet zozeer zn rechten geeft maar helpt au-delà de lessence (Levinas), d.w.z. tot het punt waar men de zorg om het ik en eis op Anerkennung (Hegel) overstijgt in zelfgave, niet uit edelmoedigheid maar uit schuldbesef..
[1]
Lissa McCullouch: The Void: Simone Weils Naming of Evil. In
Hendrik M. Vroom (ed.), Wresling with God and with Evil, Philosophical reflections,
Amsterdam 2007, Rodopi blz.
25-41.
[2]
Zelf heb ik de analyse van dit verschijnsel ooit schismanalyse
genoemd, aansluitend bij wat de meesters van de achterdocht aanduidden
met hun visie dat alle religie sociale en pedagogische idealen misvormt.
Immers, wees Webers stelling dat Calvijns binnenwereldse ascese en de groei
van het kapitalisme samenhingen enkel op een onbedoeld bijverschijnsel of is
de godsidee gedoemd schijnheilig te worden en de historie te doen druipen
van bloed? N.B. Ik wil er hier op wijzen dat de tijdslimiet bij de
presentatie van deze tekst mij verplicht heeft een deel van de argumentatie
in de voetnoten te verwerken. Die bevatten dus meer dan enkel
literatuurverwijzingen.
[3]
Mondher Kilani, Gueree et sacrifice, La
violence extreme. Parijs 2006,
PUF
[4]
Zie Paul Ricoeur, Parcours de la reconnaissance. Trois Études. Parijs
2004, Ed. Stock. Zie ook: Marianne Moyaert: De strijd om erkenning en de
gratuïteit van de gift. In: Bijdragen, International Journal in Philosophy and Theology 68(2007)3,
p.318-349. Hegel toont dus de individualiseringstendens die, mede door het
christelijke geloof, geleid heeft tot een ik dat om erkenning zucht
juist vanwege die dreigend-oordelende God.
[5]
Beide teksten zijn samen uitgegeven bij Editions le Pommier onder de titel Le
Tragique et
[6]
René Girard, Je vois Satan tomber
comme léclair. Paris 1999, Grasset
[7]
Simone Weil, Attente de Dieu, Parijs 1960, Ed.
[8]
Id. blz. 146
[9]
Id. blz. 145
[10]
Welke beleving schuilt erachter als lijders aan COPD hun ziekte in een
TV-program voorstellen als weinig sexy, een ziekte die geen interesse (en
fondsen) losmaakt zoals andere? Een ziekte van losers.
[11]
Zie zijn Difficile liberté
blz. 178-188. (Voor het eerst gepubliceerd in Évidences 1952,
no.24). Velen hebben er vergeefs een
verklaring voor gezocht. Levinas geeft wellicht de sleutel voor zijn harde
uitval tegen Weils offermystiek door dit artikel in Difficile Liberté) te
laten voorafgaan door zijn polemiek met Paul Claudel wiens pogingen om de
Thora te begrijpen hij wel waardeert, maar de Christelijke wending daaraan
verwerpt, vooral waar de Shoah-miljoenen in het licht geplaatst worden van
opname in het schuldeloze slachtofferschap van Jezus (zie p.175)
[12]
J.S. Bachs magistrale Passionen combineren de vertwijfelde angst van de
zondaar (Erbarme dich) en
het medelijden met de Heer op een ingrijpende wijze; maar de vraag rijst
waar de bekommernis met het echte lijden is gebleven op dat hoogtepunt van
de Westerse slavenhandel? Dit is
de tijd dat Kant werkt aan de filosofische basis van de individuele
vrijheid, die Hegel zal drijven naar het zoeken van Anerkennung. Die gerichtheid op de eigen redding gaat
bizarre vormen aannemen als de advocatuur er groot geld in gaat zien.
Wie dacht er bij het
pedofilieproces tegen het RK-bisdom in Boston aan de miljoenen dollars die
het onttrok aan diocesane programs voor hulp aan Afrika? Immers, mijn (echt
of vermeend ) leed is oneindig veel meer dan andermans leed, al zal ik dat
niet zelf zo zeggen, doch daar riant verdienende juristen voor inhuren.
[13]
Ook dit boek (uitgegeven in 1949) is elektronisch beschikbaar op het
internet. De ondertitel
is: Prélude à une déclaration des
devoirs envers lêtre humain. Een
samenvatting van de leidende gedachten is te vinden in
[14]
Weils verwijzing naar Johannes is niet onterecht, maar de verbinding tussen
lam en de term katabolès (die Girard in zijn boek aan Mt. 13:35
ontleend) vinden we in 1 Petrus 1:19-20 Petrus verwijzing naar het begin
heeft veel discussie over de predestinatie uitgelokt aangaande de
soteriologische kwestie. Was het Gods wil al vóór
de zondeval dat Jezus zou sterven, was de Adams zonde enkel een felix culpa die deze act mogelijk maakte en was Judas verraad
dus een instrument om het eeuwig godsplan te realiseren (zoals het
herontdekte Judas-evangelie impliceert). Veel inkt is hierover gevloeid. De
keuze van de twee laatste pausen voor de Johanneïsche theologie is door
enkelen in die richting gelezen. Maar zij onderschrijven duidelijk de
afwijzing van die visie door Hans Urs von Balthasar
zie Theodramatik, Vierter
Band: Das Endspiel, Einsideln 1983 p.227)
[15]
In zijn latere werk (zoals in Autrement
que lêtre ou au-delà de lessence) werkt Levinas uit dat het
antwoord op de ander pas mogelijk is omdat er in mij zon gerichtheid
bestaat. De ethische transcendentie van het appèl veronderstelt een
immanentie en Levinas spreekt dan over transdescendentie
. Zie hierover Roger Burggraeve, De immanentie van Gods transcendentie.
De uitdaging van Levinas ethisch denken naar-God-toe. In Tijdschrift voor Theologie 47(2007)3
blz. 260-280. Maar verschuift daarmee de aandacht toch niet weer naar het
zelf? Voor Girard geldt dat hij de evangelische weg om victimisatie van de
ander en dus het slachtoffersyndroom te overwinnen moet baseren op een
verlangen naar eenheid die de mimesis tekent voordat ze in vijandschap
verkeert. Maar dit is bij hem nauwelijks filosofisch verwoord.
[16]
Zoals Weil deze stromingen gekoppeld stelt tegenover de Platoonse lijn is
voor kritiek vatbaar. Wat haar in de Joodse bijbel tegenstaat is de
identificatie van God met de Joodse zaak die geen ruimte laat voor zorg om
het lot van de vijanden, iets wat Weil wel bespeurt bij Homeros, Plato en
Sophocles. Die tendens om God in het lot van de eigen groep in te kapselen
verbindt ze met het essentiethema en met het identiteitsdenken die ook
Levinas bezighouden. Via zijn Talmud-studies ziet deze echter meer ruimte in
de Joodse teksten, maar het verwijt blijft iets dat elk monotheïsme met
uitverkiezingsdenekn zal moeten beantwoorden. Denkers als Peter Sloterdijk
zien het woede-potentieel dat heel de monotheïstische traditie kleurt zich
meer dan ooit manifesteren. Dit wijst zeker op een band tussen uitverkiezing
en heil enerzijds en slachtofferdenken anderzijds.
[17]
Haar spreken herinnert sterk aan het ideaal van Cusanus: coïncidentia
oppositorum, en diens methode van conjectura
die naast epistemologische kanten ook praktische doelstellingen had.
[18]
Bij Girard blijkt dit dilemma het scherpst als hij de indifferentiatie als
summum van de gewelddadige chaos ziet, maar tegelijk de differentiatie (met
het zondebok-offer) onderkent als het gekanaliseerde geweld dat tot heil
strekt. Is de scheiding hier een goed of een kwaad? Ricoeur noteert dat de
fenomenologie van Husserl (egologie) op dit punt door Levinas eerst
diametraal aangevallen werd maar pas in Autrement
quêtre ou au-delà de lessence een echt
antwoord heeft gekregen. (Zie O.c. 2004, p.236). Maar mij dunkt dat
Levinas vastloopt als hij de derde persoon invoert om aan de zorg die de
ander van mij vraagt een limiet te stellen. Ricoeur, van zijn kant blijft
daarom bij de narratieve zelfpositionering van het ik als basisgegeven. Maar
Weil wil duidelik een heel andere richting uit.
[19]
Girard zal hier naar de mimesis tergkeren van vóór de rivaliserende
wending, die we echter niet met Ricoeurs verstaan van mimesis als
herinnering mogen verwarren. Cusanus, visioen van oneindige differentie die
zoekt naar eenheid, lijkt mij
hier een betere vergelijking..
[20]
Denken we aan vrouwen als, Anne Frank, Etty Hillesum en vooral Edith Stein,
die aan de twee noties van de empathie en de radicale gelijkwaardigheid van
man en vrouw de ontberende filosofische basis gaf, maar die in het Westers
denkpatroon in de na-oorlogse existentialisme sterk ontkracht is.
[21]
Bij de honderste geboortedag van Urs von Bathasar in 2005 haalde Benedictus
XIV dit hoofdthema van diens theologie naar voren:: Der
Theologe von Basel zeigt wie der Finger Johannes des Täufers auf das
Lamm Gottes als Abbild, in dem der Mensch seine wahre Identität finden kann
und folglich sein Heil.
[22]
Het curieus oeuvre van Messiaen met vernieuwende compositorische technieken,
natuurmystiek en trans-culturele inspiratie vond een onmiskenbare culminatie
in de opera over Franciscus, waarin de eenwording met de zichzelf gevende
Christus de sleutel vormt. Hoewel Messiaen aangaf zijn kunst nooit te willen
opgeven voor een monastiek leven, zou een leven als van Moeder Teresa hem
wel daartoe kunnen brengen. Zie
Sander van Maas, Doorbraak en Idolatrie. Olivier Messiaen en geloof in muziek, Delft
2003, Eburon blz. 19. Van Maas vergelijkt Messiaens zoeken naar verbeelding
van het transcendente met de theologische esthetiek van Urs von Balthasar en
de fenomenologische objecties van Jean-Luc Marion die nauw aansluiten bij
Levinas. Maar uit franciscaans standpunt komt daarbij enkel de natuurmystiek
in het vizier, en niet het sociale. In relatie tot het eucharistische beeld
van Christus rol als Lam Gods is het echter boeiend te zien dat Messiaens
in Livre du Saint Sacrement zijn
langste meditatie (voorafgaand aan het kernmysterie van de
transsubstantiatie) wijdt aan de paasontmoeting van Jezus met Magdalena, de
vrouw die in de traditie geldt als degene wiens liefdesdaad van voetwassing
Jezus centraal stelt ter memorie en
mimesis.
[23]
De vraag of dit ook het model is dat momenteel de opkomende economieën
drijft is van groot belang.