Studiekring
René Girard >
Online
teksten
Waar ik met jullie aan wil beginnen is hoofdstuk 9 uit het Evangelie van Johannes op een manier van lezen. Deze manier van lezen behelst niet zomaar een commentaar, maar een poging om te experimenteren met het leesperspectief. Dat wil zeggen, we vragen ons steeds af ‘Wie is deze passage aan het lezen?’, ‘Met wie identificeren we ons?’ De reden om het zo aanpakken is om ons een duwtje te geven - een aanzet voor het opwerpen van fundamentele morele vraagstukken, hoe we daarover spreken, of hoe we ze op een min of meer samenhangende en overtuigende wijze doorleven. Omdat dit een experimentele benadering is, kan ik jullie geen grote conclusies beloven. Daarnaast wil ik zeggen dat het niet mijn bedoeling is schandaal te wekken, maar een discussie uit te lokken waaruit een vollere manier van Christelijk leven voort kan komen. Wat ik op deze manier uitprobeer is een poging tot een zoektocht naar een theologische werkwijze welke ik nog niet beheers en die, als deze verder ontwikkeld wordt, hopelijk voor ieder van ons iets van emancipatoire waarde zal blijken te hebben.
Laten we beginnen met het lezen van Johannes 9. Op het eerste gezicht hebben we het verhaal van een wonderbaarlijke genezing. Het is de geschiedenis van een man die vanaf zijn geboorte blind is geweest en van Jezus op een sabbat het gezichtsvermogen ontvangt, en van het effect van die genezing op de mensen die ooggetuigen waren of ervan gehoord hadden. Als het verhaal in een van de synoptische evangeliën zou hebben gestaan, zou het daarbij gebleven zijn – aan dergelijke verhalen geen gebrek. Ik twijfel er niet aan dat op de achtergrond van het verhaal sprake is van een historische gebeurtenis, een genezing voltrokken door Jezus op een sabbat. Maar, het element van de ‘miraculeuze genezing’ krijgt slechts weinig nadruk, net zo min als de sabbat, – of, eerder, de kwestie van de sabbat krijgt, zoals we straks zullen zien, wel een zeker gewicht, maar dan wel met een aantal zeer idiosyncratisch Johanneïsche accenten. Hoe dan ook, de strekking van dit hoofdstuk wordt bepaald door het debat over zonde, zien, blindheid en oordeel. Daarbinnen speelt het verhaal zich af: dit zijn de instrumenten van de edelsmid, waarmee betekenis wordt gegeven aan het juweel van de genezing.
Laten we kijken naar het begin van het verhaal. Jezus ziet een blindgeboren man, en zijn leerlingen vragen hem:
‘Rabbi, hoe komt het dat hij blind was toen hij geboren werd? Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’ (9:2)
Jezus antwoordt hen:
‘Hij niet en zijn ouders ook niet, maar Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’ (9:3)
Oftewel, de hele geschiedenis die nu gaat volgen vormt een illustratie van Jezus’ antwoord op deze vraag van zijn leerlingen. Ik neem aan dat we deze passage allemaal weleens eerder gehoord hebben, en waarschijnlijk zijn we bekend met het commentaar dat gewoonlijk op deze passage gegeven wordt. Daarin wordt dan gezegd dat, indertijd, mensen de gewoonte hadden morele oorzaken toe te schrijven aan fysieke kwalen (zoals ziekten) of aan natuurlijke rampen (zoals aardbevingen en stormen). Met deze tendens, eigen aan een primitief religieuze cultuur, maar nog heel sterk aanwezig in onze eigen maatschappij – zou Jezus dan breken en in plaats daarvan een goddelijk antwoord geven op het probleem. Deze interpretatie, hoewel gedeeltelijk correct, gaat niet tot de kern van de zaak, die me veel interessanter lijkt.
Laten we nu kijken naar het eind van het verhaal. De man die blind was ziet Jezus nu, hij gelooft in de Zoon des Mensen en aanbidt hem. Jezus zegt dan:
‘Ik ben in de wereld gekomen om het oordeel te vellen. Dan zullen zij die niet zien, zien en zij die zien, zullen blind worden.’ Een paar Farizeeën die bij hem stonden en dat hoorden, zeiden:’Wij zijn toch zeker niet blind!’ ‘Was u maar blind,’ zei Jezus, ‘dan zou u zonder zonde zijn. Maar u beweert dat u kunt zien, en dus blijft uw zonde.’ (9:39-41)
Het raamwerk van het hele verhaal is dus een discussie over zonde. Het spreken over blind zijn en zien raakt een veel diepere betekenislaag dan alleen maar de gezondheid van de ogen. Jezus’ slotcommentaar is eenvoudigweg raadselachtig als we niet mee zijn gegaan met wat er ondertussen gebeurd is. Laten we ons nu gaan bezighouden met wat er tussen de twee passages die we hier geciteerd hebben is gebeurd.
We hebben hier te maken met zoiets als twee met elkaar vervlochten verhalen, het verhaal van een opname en het verhaal van een bujitensluiting. Het verhaal van de opname is gemakkelijk te begrijpen. Er was een man met een gebrek: de schepping in hem was nog niet voltooid, want toen hij geboren was ontbrak aan hem het zicht. Hiermee was hij niet alleen uitgesloten van een specifiek menselijk goed, maar, door gebrekkig te zijn, was hij ook uitgesloten van een volle deelname aan Israel. Zijn lichamelijke gebrek was ook een cultische belemmering, omdat alleen mensen zonder gebrek mochten optreden als priesters in de eredienst van God (zoals voor offers smetteloze lammeren vereist waren). Een zoon van Aäron, bijvoorbeeld, lid van de priesterlijke kaste, mocht niet voorgaan in de eredienst als hij een lichamelijke handicap had. Bezien vanuit een sociaal standpunt, blijft een puur rituele uitsluiting niet alleen bij het louter lichamelijke. Aangezien rituelen te maken hebben met het behoud van de puurheid en deugdzaamheid van de groep, betekent dit dat als een lichamelijk gebrek een ritueel gebrek impliceerde, dit dan eveneens een moreel gebrek impliceerde. Zo herleidden de leerlingen, net als gewone mensen uit die tijd en omstandigheden, de lichamelijke staat van de blinde man tot een soort moreel probleem, vanwaar hun vraag: ‘Heeft hij zelf gezondigd of zijn ouders?’
Let op de wijze waarop de logica zich ontvouwt. Het gebrek sluit buiten; datgene op grond waarvan deze buitensluiting plaatsvindt, is tevens een uitsluiting uit de manier waarop de groep zichzelf als deugdzaam ervaart; van daaruit wordt afgeleid dat datgene wat buitensluit een serieuze morele oorzaak heeft. Op deze manier wordt het resultaat van het proces – het feit van de deugdzaamheid van de groep uitgesloten te worden – opgevat als een oorzaak, en wordt de oorzaak, let wel, tot schuld: ‘Wie heeft gezondigd?’ Dit zou je inderdaad een soort logica kunnen noemen. Het is een logica die algemeen voorkomt, en die we zonder problemen in verschillende vormen om ons heen kunnen zien: het heet het slachtoffer de schuld geven. Als iemand mishandeld wordt, dan moet ze iets gedaan hebben om dit uit te lokken; als zwarte mensen een lage sociaal-economische status hebben, dan moet dit komen doordat ze in werkelijkheid dommer en luier zijn dan anderen; als iemand AIDS heeft, dan moet dit een straf van God zijn voor een vorm van normoverschrijdend gedrag. En zo denken we allemaal in bepaalde situaties, met name als we kinderen zijn, en volledig afhankelijk van onze ouders: als er thuis iets vervelends gebeurt, of als onze ouders ruzie maken, teveel drinken, of gaan scheiden, dan is dat op een mysterieuze wijze onze schuld. Als we ons netjes gedragen, een gelofte doen aan God, de heilige Judas, of wie dan ook, dan zal alles netjes op zijn pootjes terecht komen. Psychologen noemen dit ‘magisch’ denken, en op een of andere manier moeten we daar allemaal overheen zien te groeien.
Jezus’ houding is ver verwijderd van elk magisch denken; het is er niet alleen ver van verwijderd, maar hij geeft ons een les in het van binnenuit ondermijnen van deze denkwijze. Hij vervolgt met het volvoeren van een opname. Eerst spuugt hij op de grond, maakt van de klei wat modder en zalft daarmee de ogen van de blinde man. Hier hebben we verborgen achter de Griekse tekst een Hebreeuwse woordspeling. Klei is adamah, het is dat waarvan God in Genesis 2:7 oorspronkelijk ‘Adam’ maakte, de mens. Dus wat Jezus hier aan het doen is, is het voltooien van de schepping. De schepping was voelbaar onvoltooid gebleven in de blindgeborene, en Jezus voltooit het proces door de ontbrekende klei toe te voegen. De blinde man kan dan nog steeds niet zien, en Jezus zendt hem naar een bassin waarin rituele reinigingsbaden plaatsvonden. Wanneer de blinde man daar vandaan komt, begint hij te zien. De kwestie van het bassin Siloam is interessant omdat het normaliter geïnterpreteerd wordt als een verwijzing naar het doopwater, en, aangezien de doop het opnameritueel bij uitstek is (of zou moeten zijn), denk ik niet dat daar iets mis mee is. Maar wat hier van belang is, is niet de zinspeling op de rite, maar op het opnemen: door te baden in een Joods bassin, zo laat de tekst prachtig zien, wordt de blinde volledig opgenomen in het Joodse volk. Tot dan toe heeft de blinde nog niets gezegd. Hij had zelfs geen stem of naam: hij is steeds alleen maar een ‘hem’ of ‘diegene’, iemand die herkend wordt aan zijn blindheid en zijn positie als bedelaar. Zelfs wanneer hij begint te zien, blijven mensen het hebben over ‘hem’, tot op het moment waarop de man die blind was interrumpeert en zegt: ‘Ik ben het’.
Vanaf dat moment verwaardigen ze zich hun woorden te richten tot hem, en spreken hem aan als ‘jij’. Op dit punt weet hij nog weinig van Jezus af, immers – hij heeft hem nog niet eens gezien, want in feite was het pas bij het bassin dat hij zijn gezichtsvermogen gekregen had. In de rest van het verhaal zijn we getuige van het geleidelijke proces waarin hij zich bewust wordt van wie Jezus is. Als hij ondervraagd wordt zegt hij dat Jezus een profeet is: een volstrekt redelijke conclusie. Het is hetzelfde als iemand een heilige noemen, wanneer een van ons uit zijn handen een belangrijke genezing zou ontvangen. De gezagsdragers betwijfelen of hij oorspronkelijk blind was en gaan op zoek naar andere aanwijzingen om vast te stellen of hij al of niet eerder gezien had. Zij roepen zijn ouders erbij, die erop wijzen dat hun zoon een volwassen man is en zelf wel kan antwoorden. Opnieuw een moment van opname: nu is hij een volwassene, kan hij voor zichzelf spreken en voor zijn eigen handelingen verantwoordelijk zijn. Nu hij weet dat hij genezen is, wordt hij halsstarriger tegenover zijn ondervragers: zijn antwoorden worden langer, brutaler, en koppiger. Hij had gezegd dat Jezus een profeet was, en natuurlijk komen de Farizeeën te voorschijn met de voornaamste profeet waar zíj voor tekenen: Mozes.
‘Van Mozes weten we dat God met hem gesproken heeft, maar van deze man weten we niet waar hij vandaan komt.’ (9:29)
Met een formidabele luciditeit antwoordt de man die blind was dan:
‘Wat vreemd dat u niet begrijpt waar hij vandaan komt, terwijl hij mijn ogen geopend heeft. We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet. Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden – dat is sinds het begin van de tijd (ek tou aiõnos) nog niet vertoond! Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ (9:30-33)
Merk op dat hier een belangrijk grammaticaal spel wordt gespeeld. De Farizeeën gebruiken het woordje ‘wij’ om het ‘jij’ van de man die blind was buiten te sluiten:
‘Jij bent zelf een leerling van hem! Wij zijn leerlingen van Mozes.’ (9:28)
Oftewel hun ‘wij’ ontleent haar betekenis aan het contrast met ‘jij’. De man die blind was gaat daarentegen niet met het spel mee, maar spreekt in termen van een ‘ons’, zichzelf onder de Farizeeën rekenend:
‘We weten dat God niet naar zondaars luistert, maar wel naar iemand die vroom is en zijn wil doet’ (9:31)
Oftewel, hij gaat uit van wat hij, objectief gezien, met de Farizeeën deelt, het feit namelijk dat hij net als de Farizeeën een zoon van Mozes is, wat zijn positie bijzonder interessant maakt:
‘Dat de ogen van iemand die blind geboren is geopend worden – dat is sinds het begin van de tijd nog niet vertoond!’ (9:32)
Let op de woorden die Johannes gebruikt: sinds het begin van de tijd betekent: sinds de schepping van de wereld. Alleen de Schepper zou deze voltooiing van de schepping kunnen volbrengen, en als Jezus niet uit de Schepper was zou hij niet in staat geweest zijn tot deze daad van voltooiing van de schepping. De volle betekenis van de klei, de adamah, is doorgedrongen tot de man die blind was: in zijn persoon heeft God de schepping van Adam voltooid. Van een tweederangs persoon zonder stem of deelname, is hij nu een opgenomen volwassene, iemand die bovendien een goed uitlegger van de dingen Gods is. Kort daarna komt Jezus naar hem toe en vraagt hem of hij gelooft in de Zoon des Mensen. Aangezien de man die blind was Jezus nog nooit gezien heeft, herkent hij degene die hem genezen heeft niet. Jezus maakt zichzelf bekend, en de man die blind was werpt zichzelf voor hem in aanbidding ter aarde. Van een theoretische erkenning dat deze man uit God moest komen om in staat te zijn het werk van de schepping te voltooien, is hij gekomen tot een volledige erkenning van God in zijn leven. Nu is hij de voltooide mens, wat we noemen, een Christen: deze twee dingen gaan samen. De Christen is degene die erkent dat het door Jezus is, dat ze tot voltooiing van haar schepping is gekomen, en om deze reden steeds verder in het leven van God wordt binnengeleid, wat wil zeggen, opgenomen in een leven zonder einde.
Tot zover het verhaal van de opname. Maar we zijn pas halverwege. Ook is er, en de twee verhalen zijn met elkaar verweven, het verhaal van een buitensluiting. De blinde begint als buitengeslotene. Tot zover geen probleem. Voor de voorbijgangers is hij niet meer dan aanleiding tot nieuwsgierigheid, zij mogen zich verwonderen over de mysteriuze gronden van de morele oorzaken van lichamelijke handicaps. De gevestigde orde heeft geen probleem met het bestaan van buitengesloten mensen. Zoals we zullen zien, is ze daar eerder van afhankelijk. Naarmate onze blinde man opgenomen wordt roept hij eerst nieuwsgierigheid op en vervolgens afwijzing.
Eenmaal genezen wordt de man die blind was naar de Farizeeën gebracht. Deze personages hebben bij Johannes onmiddellijk een criterium op basis waarvan beoordeeld kan worden of de genezing van God kwam of niet. De genezing was voltrokken op een sabbat, dus het kan niet van God komen. Dit bezwaar nu is van groter belang dan het lijkt. Van God wordt in Genesis gezegd dat hij, na het scheppen van alles, rustte op de sabbat. Dus het gebod dat mensen verplicht op de sabbat te rusten is een strikte aansporing om God na te volgen. En degene die niet rust op de sabbat is een zondaar, omdat hij noch gehoorzaam is aan God, noch Hem navolgt (wat op hetzelfde neerkomt). Ook hier zien we een element van Johannes’ denkwereld. In Johannes 5 geneest Jezus op de sabbat een kreupele, en de gezagsdragers berispen hem daarvoor. Jezus verklaart tegenover hen:
‘Mijn Vader werkt aan één stuk door, en daarom doe ik dat ook.’ (Johannes 5:17)
Het antwoord is compacter dan het lijkt. Het bestaat uit een formele ontkenning dat God rust op de sabbat, alsmede een bevestiging dat de schepping nog voltooid moet worden, en het is hierom dat Jezus het werk van het brengen van de schepping tot voltooiing voortzet. Terug in Johannes 9 merken we op dat, wanneer de leerlingen Jezus aan het begin van het verhaal vragen wie er gezondigd heeft, zo dat de man blind is geboren, zij ten antwoord krijgen dat noch hij noch zijn ouders hadden gezondigd, maar dat:
‘Gods werk moet door hem zichtbaar worden.’ (9:3)
Dat wil zeggen, voor Johannes gaan de kwesties van de sabbat, de genezing, en het voortzetten van de schepping absoluut samen. Het doel van de genezing op een sabbat is het zichtbaar maken van Gods voortdurende scheppingskracht bemiddeld door Jezus. De reactie van de Farizeeën is om dezelfde reden een teken van diepe onenigheid met Jezus over wie God is en hoe God handelt. Ofwel de sabbat dient om een scheiding aan te brengen tussen degenen die haar naleven, en derhalve goed zijn, en degenen die dat niet doen en dus niet goed zijn. God wordt hiermee omlijnd door (wat ook betekent beperkt tot) de Wet. Ofwel, daartegenover, is de sabbat een symbool van de nog onvoltooide schepping, en biedt het God de gelegenheid om zijn goedertierendheid aan mensen te openbaren, en wordt God begrepen in de uitbundigheid van zijn scheppende kracht.
De Farizeeën beseffen dat dit het geschilpunt is waar de onderlinge onenigheid vandaan komt. Voor sommigen geldt:
‘Zo iemand komt niet van God, want hij houdt zich niet aan de sabbat.’ (9:16)
Voor anderen:
‘Hoe zou een zondig mens zulke wondertekenen kunnen doen?’ (9:16)
Datgene waar de Farizeeën allerminst op zitten te wachten, is begonnen zich te voltrekken: een onderlinge verdeeldheid die hen belet gezamenlijk op te treden, want binnen hun groep bestaan er twee diametraal tegenovergestelde posities. Wat is de snelste manier om een dergelijke verdeeldheid te overwinnen? Zolang ze te maken hebben met een man die ontegenzeggelijk genezen is, zullen de twee interpretaties van deze genezing - dat het van God afkomstig is, of dat het niet van God afkomstig is (maar in plaats daarvan de vrucht van een of andere duivelse misleiding) - blijven bestaan. Het probleem kan niet opgelost worden in termen van een redelijke discussie. Dus moet het probleem van de genezing snel afgehandeld worden door te ontkennen dat het ooit gebeurd is. Indien de man vanaf zijn geboorte niet werkelijk blind was geweest, dan kan hij ook niet genezen zijn, en is er dus geen probleem. Dus stellen ze voor dat er geen genezing heeft plaatsgevonden, en worden de ouders van de man die blind was erbij geroepen om uit hun mond ‘de waarheid’ over hun zoon te vernemen – dat wil zeggen, dat hij niet blind was en nooit blind is geweest.
Stel je de reactie van de ouders voor. Ze weten heel goed dat hun zoon blind was, en dat hij dat nu niet meer is. Maar het laatste wat ze willen, zoals iedereen die een dosis gezond verstand bezit, is verzeild raken in een groep verontwaardigde mensen die tekenen vertonen er behoefte aan te hebben lucht te geven aan hun rechtschapenheid. Dus de ouders beperken hun antwoord tot een minimum: dat hun zoon inderdaad blind was geboren, en dat ze geen idee hebben hoe het kan zijn dat hij nu ziet. Wat ze willen is zo snel mogelijk ontkomen aan deze potentieel gewelddadige kring, en ze laten hun zoon in het midden daarvan achter, maar in een nieuwe gedaante: als een volwassene die zelf in staat zal moeten zijn uit te leggen wat er met hem gebeurd is. Ze slagen er dus in te ontkomen aan de dreiging door de groep ‘rechtschapenen’ uitgekozen te worden tot slachtoffer, door hun zoon daarvoor in de plaats te stellen.
De eerste poging van de groep Farizeeën om aan het probleem te ontkomen door de werkelijkheid te ontkennen, door net te doen alsof het probleem er niet is, liep op niets uit. Nu moeten ze bij de ontvanger van de genezing terecht om van hun probleem af te komen. Ze hergroeperen zich voor deze nieuwe uitweg, en roepen de man die blind was bij hen. Op dit punt slaan ze een plechtige, juridische toon aan, zoals het ernstige heren betaamt, die met hun kennis van rechtskundige aangelegenheden zware kwesties te bespreken hebben. Ze beginnen met het presenteren van hun uitgangspunt aan de man die blind was: er bestaat geen twijfel over dat die man (dat wil zeggen Jezus) een zondaar is. Dus begoochelen ze de man die blind was met de geëigende wettelijke frase, ‘Prijs de Heer’, wat betekent: neem dit feit plechtig aan.[2] Merk op hoe ze verder gaan. Zij waren niet in staat om hun eenheid op de gemakkelijkste wijze te herstellen, door het te laten voorkomen dat de genezing nooit zou hebben plaatsgevonden. Ze moeten erkennen dat er in ieder geval íets gebeurd is. Nu komt het er voor hen op aan om tot een unanieme en plechtige eenstemmigheid te komen betreffende de interpretatie van wat er in feite gebeurd is. Het is alsof ze zouden willen zeggen: ‘Houd jij je genezing bij je, want dat je genezen bent, daar komen we niet omheen, maar, alsjeblieft, geef toe dat de genezing uit een kwade bron komt. Ofwel, het doet er niet wat er precies gebeurd is zolang je het met ons eens bent over de interpretatie. Op deze manier zullen we erin slagen onze eenheid te bewaren, en kun jij ook deel gaan uitmaken van de groep, en bij ons gaan horen.’
De man die blind was antwoordt met een van geweldigste regels uit onze hele religieuze traditie, een regel die we wellicht veel serieuzer zouden moeten nemen:
‘Of hij een zondaar is weet ik niet, maar één ding weet ik wel: ik was blind en nu kan ik zien.’ (9:25)
Dat wil zeggen, de man die blind was toont een gezond gebrek aan belangstelling voor de morele dimensie van de hele kwestie, ofwel een gezonde vorm van agnosticisme. In plaats daarvan blijft hij bij wat ontegenzeggelijk goed is: een evidente verandering in zijn leven. Tegelijkertijd, in het tonen van zijn agnosticisme, weigert hij samen te spannen tegenover degene die hem genezen heeft. Dit betekent dat hij weigert zijn ouders na te volgen. Zij hadden hem in het centrum van de kring achtergelaten, als een mogelijk doelwit van de rechtschapenen. Hij zou hetzelfde gedaan kunnen hebben door over Jezus te zeggen ‘Ja inderdaad, hij is een zondaar.’ Op die manier zou hij er zowel in geslaagd zijn zijn zicht te behouden als te ontkomen aan de plaats in het centrum van de kring, Jezus op die plaats achterlatend als de enige die de gramschap van de groep over zich af zou roepen, terwijl hijzelf lid van de club zou worden. Om dit te bereiken zou hij onder ede een valse getuigenis af moeten leggen - hij had immers een plechtig gelofte afgelegd - maar aan mensen die bereid zijn om een valse getuigenis af te leggen als de situatie er om vraagt heeft het nooit ontbroken.
De man die blind was weigert zich te hullen in de interpretatie waar de groep naar dingt, zodat de groep een andere uitweg uit het probleem moet zien te vinden. Aangezien hij vanwege zijn vroegere status als blinde bedelaar onwetend is, is er wellicht een klein detail in de concrete wijze waarop de genezing zich voltrokken heeft op grond waarvan de Farizeeën tot de gewenste interpretatie zouden kunnen komen. Dus vragen ze hem opnieuw wat het was dat Jezus had gedaan. Mogelijk zou er in de beschrijving van de handeling iets ontdekt kunnen worden wat op formele gronden zondig is, iets wat hen in de gelegenheid zou stellen om de handeling als een zonde voor te stellen – nu ze niet meer kunnen rekenen op de steun van de solidariteit van de man die blind was. De details hadden ze al gehoord, maar misschien is het mogelijk door nog een keer over alle aanwijzingen heen te gaan elementen van hekserij aan het licht te brengen, of wat dan ook dat hen zou kunnen doen zeggen: ‘Zie je wel! Hij deed iets slechts waar iets goeds uit voorkwam, dus de genezing kan niet van God afkomstig zijn.’
Dit is het moment waarop de man die blind was de groep belachelijk begint te maken om hun steeds gedetailleerdere pogingen een juridische interpretatie voort te brengen op grond waarvan ze hun eenstemmigheid kunnen handhaven. Hij vraagt hen of ze zelf geen leerlingen van Jezus willen worden. Immers, een nauwgezet onderzoek naar de manier waarop een wonder verricht is, kan gemotiveerd worden door een vleiende begeerte te imiteren met als doel hetzelfde tot stand te brengen, maar ook, zoals in dit geval, door de afgunstige begeerte om zich van het object van de jaloezie te ontdoen. Het is deze opmerking die het spervuur aan beledigingen veroorzaakt. Merk op dat ze hem tot op dit punt nog niet beledigd hebben, en, als we iemand uit de groep ter zijde zouden nemen en hem zouden vragen waar ze mee bezig zijn, zou hij waarschijnlijk hebben uitgelegd dat hij begaan was met de man die blind was. Want, de arme man had helemaal niets verkeerd gedaan: hij was het slachtoffer van het kwaad van iemand anders (in dit geval Jezus), en hij heeft geen benul van het gevaar waarin hij verkeert. De kern van het vraagstuk is deze: indien hij alleen maar overtuigd zou kunnen worden om wat hem overkomen is te interpreteren met de zekerheid die ze hem aanbieden, dan zal hij veilig zijn, horend bij de groep van de good guys. Geen probleem. De ondervraging wordt uitgevoerd voor zijn eigen bestwil en ze willen hem, tot op het laatste moment, redden. Pas als ze zich gewaar beginnen te worden dat de man die blind was de oprechtheid van hun pogingen hem op het juiste pad te brengen niet respecteert, beginnen ze hem te maltraiteren. Dit vangt aan wanneer zij merken dat, hoewel hij formeel niet een van Jezus’ volgelingen is - hij kende hem immers niet eens - hij zich onafhankelijk van de groep rechtschapenen en hun meningen opstelt. En het is hierom dat hij tot mikpunt van spot wordt: ‘We hebben redelijk met hem proberen te praten; we hebben naar iedere mogelijkheid gezocht om hem de juiste weg te tonen, maar hij volhardde in zijn dwalen.’ Van zoetgevooisde woorden komen zij tot beledigingen.
De eerste stap in dit proces is de militante bevestiging van de deugdzaamheid van de groep en de veiligheid in hun overtuigingen: dit is wat hen in staat stelt een eenheid te vormen. De man die blind was is er in geslaagd het probleem van hun geschillen op te lossen door het hen mogelijk te maken zich in hun beledigingen jegens hem te verenigen. Daarvóór waren ze niet in staat op een overtuigende manier ‘wij’ te zeggen omdat er onder hen interpretatieverschillen waren. Nu zijn ze samen en produceren ze een glanzend ‘wij’, contrasterend met een welomlijnd ‘zij’:
‘Je bent zelf een leerling van hem. Wij zijn leerlingen van Mozes. Van Mozes weten we dat…’ (9:28)
Terwijl ze in de eenheid die ze aan het opbouwen zijn steeds razender worden, wordt degene in hun midden die elk moment het slachtoffer kan worden op wie zij hun woede zullen koelen – steeds helderder, en komt te voorschijn met belangwekkende theologische argumenten die beter passen bij een geleerde dan bij een bedelaar. Het oog van de orkaan is een centrum van vrede en openbaring, terwijl de op uitbanning gerichte razernij ten top stijgt: de man die blind was legt heel duidelijk uit dat de bron van zijn genezing zonder problemen aangewezen kan worden. God zou niet door Jezus hebben gehandeld als Jezus een zondaar zou zijn, en het is nog nooit gehoord dat iemand in staat was ‘ex nihilo’ een scheppingsdaad te verrichten behalve van God alleen, waaruit afgeleid kan worden dat:
‘Als die man niet van God kwam, zou hij dit toch niet hebben kunnen doen?’ (9:33)
De logica is onberispelijk, maar we zijn het stadium waarin logica er toe doet voorbij. De meest expliciete openbaring voltrekt zich in de tornado van de uitbanning. De ‘rechtvaardigen’ zijn niet langer geïnteresseerd in argumenten: ze hebben nu wat ze wilden hebben, hun eenheid als groep, en van losse beledigingen komen ze tot een recht toe recht aan beschrijven van de man die blind was als iemand die absoluut met zonde samenvalt. Hierom is hij een besmettelijk element, en verdrijven zij hem.
Let op hoe het werkt. Het is niet zo dat zij, op onafhankelijke wijze tot de conclusie komen dat de man in zonde gedompeld is, en derhalve, na lang en rijp beraad besluiten hem buiten te gooien. Eerder, het mechanisme op basis waarvan ze hun eenheid opbouwen gaat gelijk op met de beschrijving van de man als zonde en met zijn verbanning. Hij had nooit uitgebannen kunnen worden als hij geen zonde was, en hij zou geen zonde zijn als het niet nodig was geweest hem uit te bannen. We zijn terug in het magische denken: als iemand buitengesloten wordt, bijvoorbeeld omdat hij blind is, dan moet er ergens van zonde sprake zijn. We zijn geen stap vooruitgekomen.
Tot zover het verhaal van de uitbanning. Jullie zullen hebben opgemerkt dat het verhaal van de opname en het verhaal van de buitensluiting niet los van elkaar staan maar met elkaar verweven zijn, en dat het verhaal van de opname zich voltrekt in het hart van het verhaal van de buitensluiting, en het zelfs daartoe aanzet. Op dezelfde manier zorgt het verhaal van de buitensluiting dat het verhaal van de opname zich voltrekt. Het is in het hart van het uitbanningsmechanisme, op het moment dat hij het aan het ondergaan is, dat de man die blind was werkelijke tot inzicht komt in wat er heeft plaatsgevonden, en wie Jezus is.
Welnu, de laatste zinnen van Jezus over blind zijn en zien, blijken exact een commentaar te zijn op dit dubbele verhaal van opname en buitensluiting. Op de eerste plaats zegt Jezus dat hij in de wereld is gekomen om een rechtszaak, een oordeel, of een onderscheidingsvermogen te openen. Elk van deze woorden volstaan. Deze rechtszaak, dit oordeel, iets dat pas met zijn dood verwerkelijkt zal worden, bestaat uit het van binnenuit ondermijnen van wat de wereld verstaat onder zonde, goedheid , rechtvaardigheid.[3] Zo, beginnend met zijn dood, zullen deze gebeurtenissen begrepen worden vanuit het standpunt van degene die is buitengesloten, en niet van degenen die buitensluiten. Het is het onschuldige slachtoffer dat tot rechter wordt aangesteld, juist als slachtoffer. Degenen die onder het oordeel staan zijn diegenen die meenden dat zij het waren die oordeelden. Het verhaal van de blindgeboren man heeft dus betekenis als een profetisch commentaar op wat Jezus staat te gebeuren, en hoe hetgeen Jezus overkomt zal gaan functioneren. Het zal functioneren als iets dat het voor de rechtvaardigen, de goeden, degenen die menen te zien, onmogelijk zal maken hun goedheid nog langer te handhaven door het uitsluiten van mensen die zij als kwaad, zondig of blind zien. We hebben het over hetzelfde mechanisme dat het voor Argentijnse of Chileense juntaleden onmogelijk heeft gemaakt een rustig geweten te houden over wat ze tijdens hun dictaturen gedaan hebben, hoeveel amnestie en dispensatie ze ook ontvangen hebben. Want nu, sinds een vaag gerucht over de dood en verrijzenis van Jezus zich verspreid heeft, wat tevens een herdefinitie is van wie, vanuit het slachtoffer gedacht, rechtvaardig is, van God is, kunnen ze hun bevroeden niet meer verdoezelen dat hun eigen slachtoffers, die ze vanuit vliegtuigen in zee hebben geworpen, onschuldig waren. Uiteindelijk legt de ideologie van de nationale veiligheid, samen met alle argumenten over de intrinsieke perversiteit van communisten, het af tegen het ooit militante geloof dat zíj de goeden waren, en de slachtoffers de slechteriken.[4]
Dit alles houdt in dat, voor Jezus, het dubbele verhaal van buitensluiting en opname niet zomaar iets interessants is, maar paradigmatisch voor het proces van de ondermijning van de zonde van binnenuit. Laten we er nog eens naar kijken. Degene die blind was kwam er toe te begrijpen wie God is, hoe hij werkt, hoe zijn scheppende levendheid voortdurend het goede verlangt, de groei en het leven van de mens. En de blinde man is daar zonder meer ontvankelijk voor: hij doet niets om zijn gezichtsvermogen te winnen of te verdienen. Het groeit juist in het midden van het uitbanningsmechanisme, vasthoudend aan een basisgevoel van rechtvaardigheid: je noemt iemand niet kwaad die iets goed heeft gedaan, evenmin verklaar je je solidair met degenen die hem kwaad willen noemen. Dat is alles. Degenen die uitbannen groeien op hun beurt net zo goed, alleen, ze groeien in het vinden van hun veiligheid en in de overtuiging van hun gerechtigheid, goedheid en eenheid, tot in die mate dat het uitbanningsmechanisme door hen heen tot werking komt. De uitkomst is de zonde op zijn kop. Zonde houdt op een bepaald gebrek te zijn, iets dat iemand kennelijk buiten de groep der rechtschapenen sluit, en wordt tot deelname in het uitsluitingsmechanisme.
God herkent iemand die op een bepaalde manier onvolkomen is en heeft geen enkel probleem om hem tot de volheid van de schepping te brengen. Het probleem zit bij hen die denken dat zij zelf volkomen zijn, en dat de schepping, in ieder geval in hun geval, voltooid is. Om dezelfde reden denken zij dat die goedheid bestaat in het onderhouden van de gevestigde orde met de middelen zoals we hebben gezien: deugdzaamheid bestaat bij de eenheid van de groep, ten koste van, en in contrast met, de buitengesloten boze. De rechtschapen leden van de groep, denkend dat ze zien, worden blind precies door vast te houden aan de orde die ze menen te moeten verdedigen. Waarmee we een vluchtige indruk krijgen van de diepere betekenis van de sabbat in Johannes. De sabbat is het symbool van de nog onvolmaakte schepping. Ofwel we grijpen ernaar, maken het tot een criterium voor het onderscheid tussen goed en kwaad, in welk geval we weerstand bieden aan God die alleen in staat is, zonder ooit te rusten, zelfs de dingen die niet zijn tot zijn te brengen. Ofwel we ontvangen de scheppende goedheid van God welke ons tot volheid draagt. Zonde is weerstand, in de naam van God, tot het scheppende werk van God dat ons allen zoekt op te nemen.
Welnu, deze ondermijning van de zonde lijkt me veel belangrijker dan gewoonlijk verondersteld wordt. Sta me toe om haar uitgekristalliseerde definitie te herhalen. Zonde houdt op een gebrek te zijn dat uitsluit, en wordt tot deelname in het uitsluitingsmechanisme. Als ik er zo lang over gedaan heb hier te komen, is dat omdat ik wilde dat het duidelijk zou zijn dat het hier niet gaat om een voorbeeld van grootmoedigheid, of vrijgevigheid, of een gebrek aan gestrengheid van de kant van Jezus, maar om iets veel krachtigers. We hebben het over een diepe, theologische oefening welke, juist áls een theologische oefening, het woord van God is. Dit betekent dat we iets heel fundamenteels aangereikt krijgen: geen wet, of morele vermaning, maar een opnieuw gemunte betekenis van zonde. Voor mensen is zonde het ene, voor God is het iets anders, niet iets dat simpelweg afwijkt van de menselijke versie, maar iets dat haar volledig en van binnenuit ondermijnt.
Wat ons aangereikt wordt, laat het me nog een keer opmerken, is noch een wet, noch een vastgesteld criterium, noch een verklarende theorie, maar een dynamisch verhaal, het verhaal van een opname en een uitsluiting. En het is het dynamische verhaal waarin de richtlijn voor het beoordelen van morele handelingen, dat wil zeggen, de handelingen van mensen, verkondigd wordt. Het is verder niet iets dat we kunnen begrijpen, of van buiten leren, want het gaat om het expliciet maken van een mechanisme van betrokkenheid. Dit is wat belangrijk is: het verhaal zelf werkt als een subversief element. Als dit verhaal het woord van God is, dan werkt het woord van God in ons midden als een element dat voortdurend onze noties van orde, goedheid, helder moreel inzicht, et cetera ondermijnt. En moreel leven, blijkt iets veel subtielers te zijn dan een zich ingraven om deze of gene positie van onweersprekelijke goedheid te verdedigen. Laten we deze subtiliteit nog wat verder onderzoeken.
Wanneer je kijkt naar het verhaal van de blindgeborene, als je het oppervlakkig leest, dan is het van het begin af aan duidelijk dat er een goederik en een paar slechteriken zijn. Om Jezus even ter zijde te houden, is er een blinde man, de goederik, en zijn er de Farizeeën, de slechteriken. Normaliter ligt al onze sympathie bij de man die blind was, en geldt onze gerechtvaardigde minachting de Farizeeën. Dat we onszelf aan de zijde van het slachtoffer scharen, is een soort culturele verplichting. En deze culturele verplichting kan uiterst belangrijk zijn. In feite, voor degenen die zich door de heersende sociale en morele orde buitengesloten voelen, of behandeld voelen als iemand aan wie iets schort, is het van onmetelijk belang te ontdekken dat dit gevoel van buitengesloten zijn of iets te kort komen niets te maken heeft met God. Het is puur een sociaal mechanisme, en God wil ons liever opnemen en tot volheid van leven dragen, iets wat waarschijnlijk een schandaal zal veroorzaken bij de aanhangers van de heersende orde. Inderdaad, het lijkt me dat deze culturele verplichting uitermate belangrijk is, en ik ken niemand die niet op een of andere manier in staat is zich ergens in haar leven met slachtoffers te identificeren. Het probleem is dan dat dit ‘zich identificeren met het slachtoffer’ als een wapen gebruikt kan worden om anderen mee te slaan. De slachtoffers worden de groep der ‘rechtschapenen’ om de arme Farizeeën buiten te sluiten – en aan Farizeeën als doelwit van spot ontbreekt het nooit.
Het komt me voor dat Johannes 9 ons verder brengt dan deze omkering van rollen die het kennelijk voortbrengt. We vinden het, om culturele redenen die, God zij dank, onstuitbaar zijn, gemakkelijk ons met de buitengeslotene te identificeren, en moeilijk om ons met de ‘rechtschapenen’ te identificeren. Juist hierom lijkt het me dat dit hoofdstuk een extra inspanning van ons vergt (die ik nog nauwelijks heb gemaakt) om het verhaal met iets als sympathie voor de Farizeeën te lezen. Zouden we het hierbij laten, dan zouden we niets van de kracht van het verhaal in ons opnemen totdat we ons gerealiseerd hebben hoe het onze bestaande noties van goed en kwaad door elkaar schudt. In een wereld waarin niemand het standpunt van het slachtoffer begrijpt, zou het juist zijn aan de kant van het slachtoffer te staan. Maar we leven in een wereld waarin hoegenaamd niemand ‘uit de kast komt’ als Farizeeër of hypocriet, en ik denk dat de weg naar morele vorming in deze richting wijst.
Ik heb onderstreept hoe het verhaal functioneert als een ondermijning van de notie van zonde van binnenuit. Dit staat vast, en deze intuïtie moeten we nooit loslaten. Maar: het ondermijningsproces strekt nog veel verder. Dit is omdat het buitengesloten slachtoffer, dank zij deze ondermijning, toegang krijgt tot de mogelijkheid te spreken - om over zichzelf te praten en over God. Echter, precies op dat moment, moet hij leren zijn eigen spreektrant te ‘ont-farizeeën’. Zodra hij toegang krijgt tot het woord, houdt hij op de buitengeslotene te zijn, en moet hij leren hoe niet een uitbanner te worden. Dit is het mooie van het ontlenen van een moraal aan een vertelling, in plaats van aan wetten of deugden. Het verhaal kent twee posities: die van het slachtoffer en die van de uitbanners, net zoals er in het verhaal van de verloren zoon de ‘kwade’ broer is aan wie vergeving geschonken wordt, en de ‘goede’ broer die nooit heeft gezworven, en zijn behoefte aan vergeving niet kent. We vatten de kracht van het verhaal niet, noch haar eis als goddelijke ondermijning van het menselijke, als we ons niet met de twee posities tegelijkertijd identificeren.
Ik denk niet dat er iemand is die niet gedeeltelijk buitengesloten wordt en gedeeltelijk een buitensluiter is, in wie de twee polen van dit verhaal niet samengaan. Want, zodra we toegang hebben tot het morele woord (iets wat op zijn minst voor ons allen, die iets van theologisch onderricht genieten, tot op zekere hoogte het geval is) zijn we niet in staat onze ‘goedheid’ op te vatten als buitengeslotenen. In plaats daarvan moeten we beginnen onszelf te bevragen over de medeplichtigheid van ons woordgebruik – bovenal van ons godsdienstige en theologische woordgebruik – aan de schepping van een buitensluitende goedheid.
Daarom denk ik dat het belangrijkste voorschrift van het Nieuwe Testament met betrekking tot het morele debat, en het gaat om een tweevoudig heilig voorschrift, te vinden is op een van de verrassend weinige plaatsen waar Jezus de Hebreeuwse geschriften met absolute instemming citeert – en hij citeert het twee keer. De kernregel voor degenen die proberen gebruik te maken van het godsdienstige woord in een morele betekenis - en er bestaat geen moraaltheologie waarin daar geen sprake van is - is:
‘Overdenk eens goed wat dit wil zeggen: barmhartigheid wil ik, en geen offers.’ (Mat 9:13)[5]
Merk op dat dit nu geen voorschrift meer is voor de Farizeeën alleen, maar dat het, zo te zeggen, een programmagids is voor iedereen die tracht moraaltheologie te bedrijven. Goed zijn kan nooit volstaan zonder de inspanning om, stap voor stap, en in de werkelijke omstandigheden van het leven, te leren het religieuze en morele woord te scheiden van een uitbanningsmechanisme, iets wat menselijke slachtoffers vraagt - dit om er woorden van barmhartigheid van te maken, woorden die vrijspreken, bevrijden, die het mogelijk maken de schepping tot voltooiing te brengen. En dit betekent dat er geen toegang tot goedheid is die niet door de ontdekking van onze medeplichtigheid aan hypocrisie heengaat. Want alleen als we ons met de ‘rechtschapenen’ uit het verhaal identificeren realiseren we ons hoe ‘goed’ hun procedure was, hoe zorgvuldig, scrupuleus, en hoe vasthoudend aan de wet ze waren, en dus ook, hoe catastrofaal onze goedheid kan zijn, als we niet, stap voor stap, leren hoe te ontkomen aan de vereenzelviging met het constructiemechanisme van de eenheid van de groep door het buitensluiten van wie dan ook als kwaad wordt gezien.
Ik wil afsluiten met een geschiedenis die me verbijstert, een geschiedenis uit het recente verleden en uit een andere cultuur. Desalniettemin is het een verhaal waaruit we allemaal wat nectar kunnen opzuigen. Het verhaal waar ik naar wil gaan kijken is wat zich een paar jaar geleden rondom de Kardinaal Aartsbisschop van Wenen heeft afgespeeld. De afstand van het verhaal tot onze levens maakt dat we het zonder al te heftige emoties kunnen beschouwen. Om te beginnen moet ik zeggen dat ik niemand die bij het verhaal betrokken is persoonlijk ken, en dat ik niet meer informatie heb over de waarheid in deze zaak dan dat wat aangereikt wordt door de massamedia, waarin niet altijd het hele verhaal verteld of de echte kern wordt weergegeven. Dat wil zeggen, ik ben niets anders dan de ontvanger van een stukje kerkelijke roddel, onderdeel van – zoals ik me voorstel dat we allemaal zijn – die massa flapperende, roodwordende oren. Hierdoor kan niets van wat ik zeg begrepen worden als een poging de ware toedracht te achterhalen, maar moet in plaats daarvan begrepen worden als een poging iets sacrificieels, de roddel, te transformeren naar iets barmhartigs, het Evangelie. Laten we zien of we het voor elkaar krijgen; en natuurlijk is dit alleen maar een oefening, en daarom vatbaar voor elke verbetering of ontwikkeling die u zou willen suggereren.
De details van het verhaal zijn, naar het schijnt, de volgende: rond Pasen 1995 beweerde een zevenendertig jarige man in het openbaar dat hij twintig jaar eerder herhaaldelijk seksueel contact had gehad met de man die later de Kardinaal Aartsbisschop van Wenen zou worden. Twintig jaar eerder was de aanklager zeventien jaar oud, een minderjarige, in ieder geval in wettelijk opzicht – hoewel het oordeelsvermogen van zeventienjarigen in seksuele kwesties in sommige gevallen groter is dan de wet ons doet geloven. Twintig jaar geleden bezat de Kardinaal niet een dergelijk verheven positie maar was, als ik me niet vergis, een Benedictijnse overste. Welnu, ofwel de beschuldigingen zijn vals, ofwel ze zijn terecht. Als de beschuldiging vals is, dan is het morele vraagstuk vrij duidelijk: de Kardinaal is een slachtoffer van smaad. En de smaad is bijzonder verwoestend, omdat dergelijke ontmaskeringen van een stukje kerkelijke hypocrisie in al onze genootschappen met een zeker wellustig genoegen ontvangen worden. Een genoegen dat, moet gezegd worden, niet vreemd is aan de Evangelie-passages zoals we die zojuist bestudeerd hebben. Het is een genoegen waarvan men zich niet zomaar af kan doen door het kwaad te noemen. Dat wil zeggen, ik stel me voor dat de eerste reactie van een groot aantal mensen, zoals die van mij en tegen de regels van de burgerlijke wetgeving in, was om de schuld van de beklaagde aan te nemen. En dit omdat het geen geheim is dat de monoseksuele clericale wereld, net zoals de monoseksuele militaire wereld of de wereld van de politie, als zoiets nog bestaat, ertoe neigt om een uitgebreide en gestructureerde homoseksuele schaduwwereld voort te brengen. Het gevolg van een beschuldiging als deze, is hierom bijzonder wreed, omdat het in aarde valt waarin mensen sterk geneigd zijn het te geloven. Dat wil zeggen, modder van dit type, zal, eens gegooid, of het nu terecht is of niet, altijd blijven kleven.
In het geval van een valse beschuldiging is de morele kwestie, zoals ik zei, vrij duidelijk. De Kardinaal is een slachtoffer, en de aanklager een steniger. We zouden ons kunnen afvragen waarom de aanklager de stenen heeft gegooid, uit boosaardigheid of geestelijke gestoordheid. Hoe dan ook, het zou zaak zijn de aanklager op een barmhartige manier te behandelen, zonder mee te gaan doen in zijn spel. Als alles aan het licht is gebracht, zou het kunnen resulteren in de zuivering van de Kardinaal en de veroordeling van de aanklager.
Laten we ons nu het tegenovergestelde voorstellen, zonder enige poging te weten of het waar of niet waar zou zijn. Laten we ons voorstellen dat de beschuldiging waar is. Een 37-jaar-oude man zegt dat hij een reeks seksuele contacten heeft gehad met een man die vele jaren ouder was, en die, twintig jaar geleden in een zekere positie van moreel gezag stond. Wanneer hij zijn uitspraak doet, gaat de aanklager, zo ver ik weet, niet speciaal in op het eventuele trauma dat hij in zijn tedere jeugd door deze ervaring opgelopen zou zijn, hoe verreikend de emotionele gevolgen ook geweest mogen zijn. Zijn motief was, naar het schijnt (en dit weten we allemaal dank zij de professionele roddels van de pers), dat de Kardinaal in zijn huidige positie homoseksuelen vanuit zijn kansel naar de hel zond, op de aloude manier middels een pastorale brief. Tegenover dit kerkelijk geweld, reageerde de 37-jarige door de hypocrisie van het schrijven te onthullen. Naar het schijnt sloten vier of vijf mannen van dezelfde leeftijd zich bij de beschuldiging aan, bewerend dat hen hetzelfde was overkomen door toedoen van dezelfde Kardinaal, in dezelfde periode vele jaren geleden. Dus, er is dan meer dan één getuige, en het geloof van het publiek neigt sterk naar de waarschijnlijkheid dat de beschuldigingen waar zijn. Laten we ons hierbij in herinnering houden dat indien de beschuldigingen vals zijn, het samenscholen met anderen om een valse getuigenis af te geven ten einde iemand moreel te lynchen een van de meest gruwelijke misdaden is, waarvoor de Hebreeuwse Geschriften, wanneer het om halszaken gaat, de doodstraf door steniging voorhoudt. Dus, als de beschuldigingen vals zouden blijken, zouden we bij onszelf na moeten gaan hoe we ons barmhartig en niet-sacrificieel tegenover deze proto-lynchers zouden kunnen gedragen. Met een beetje geluk zou de Kardinaal ons de weg wijzen, hen vergeven omdat zij niet wisten wat zij deden.
Laten we ons daarentegen indenken, zoals op zijn minst een deel van het publiek heeft gedaan, dat deze mensen in hun tevoorschijn treden er niet op uit waren de Kardinaal zomaar ten onder te brengen. Of dat het om een gekrakeel tussen vroegere minnaars zou gaan, een van die nare ruzies die iedereen kunnen overkomen, en die, uit hun aard, absoluut onbeslisbaar zijn, en waarbij in het uitvechten ervan iedereen gebaat bij zo weinig mogelijk publiciteit. Laten we ons indenken dat het in het oogpunt van de beschuldigers allemaal niet hierom gaat, maar eerder om de wens dat de Kardinaal, en kerkelijke autoriteiten in het algemeen, ophoudt stenen te gooien naar homoseksuelen.
Nu verandert het beeld een beetje. Opeens is de Kardinaal niet meer het slachtoffer. En dat geldt ook voor de mannen die, toen ze jonger waren, zijn gunsten ontvingen (en die zichzelf, zo ver ik weet, niet als ‘slachtoffers’ hebben gepresenteerd, dit in schril contrast met sommige gevallen van seksueel misbruik in de Verenigde Staten waar de betrokken kinderen veel jonger waren). Plotseling wordt de Kardinaal ontmaskerd als een hypocriete farizeeër: dat wil zeggen, als iemand die het ene zei en het andere deed. En inderdaad, hier komen al onze halfbakken, ‘anonieme’ Christelijke instincten triomfantelijk bovendrijven: we begrijpen deze rol heel goed; de rol van de Kardinaal is dezelfde als die van de slechteriken in de verhalen over Jezus. Er is een soort leedvermaak in de hele affaire. Dit leedvermaak groeit nog als we vernemen dat de Kardinaal, een zeer conservatieve prelaat, door Rome is aangesteld als onderdeel van een restauratiepolitiek voor de ‘harde lijn’ in midden Europa en de bestrijding van een zeker liberalisme dat toegeschreven werd aan zijn illustere voorganger in het Aartsbisdom, Kardinaal König. De hele affaire is volmaakt karakteristiek voor al die kerkelijke pogingen – die er door de frequentie waarmee ze voorkomen niet minder belachelijk om worden – de situatie te ‘redden’ door een hard-liner in te zetten, iemand die veel meer verdeeldheid blijkt te zaaien, en op de lange duur het morele krediet verder verminderd.
Welnu, hier moeten we ons verhaal onderbreken voor een paar feitelijke details, opnieuw ontleend aan de pers en waarvan ik de betrouwbaarheid niet kan inschatten. De Kardinaal hulde zich een aantal weken in stilte, en weigerde elk commentaar op de zaak. Een paar dagen later werd hij met een klein verschil herkozen als Voorzitter van de Oostenrijkse Congregatie van Bisschoppen (en laten we in gedachten houden dat, onder dergelijke omstandigheden, het er niet in slagen herkozen te worden, gelezen zou worden als een expliciete stem van wantrouwen uit monde van zijn collega’s in het bisdom). Het publieke protest was zo groot dat de Kardinaal, een paar dagen later, een notitie publiceerde waarin hij de beschuldigingen formeel en categorisch afwees, en terugtrad als Voorzitter van de Congregatie van Bisschoppen. Een aantal dagen later kwam er een schrijven van de Oostenrijkse regering waarin aangegeven werd dat de Kardinaal zijn ambt als Aartsbisschop van Wenen niet meer zou uitvoeren, maar vervangen was door een van zijn helpers, die benoemd werd tot coadjutor met opvolgingsrecht, en die uiteindelijk zelf Kardinaal Aartsbisschop werd.
Is dit nu waar de hele zaak bij blijft? Natuurlijk kunnen we ons het verhaal voorstellen binnen de parameters van een typische omkering van het type: ’Degene die de slechterik leek te zijn blijkt de goede, en de handhaver van goedheid en publieke orde is ontmaskerd als een hypocriet en een charlatan, dus het verhaal liep goed af.’ Zeker is het mogelijk het verhaal op deze manier te interpreteren, en om je ondertussen heel Christelijk te voelen, waarbij onze gevoelens fors geruggesteund worden door verhalen als die in Johannes 9. Maar laten we even stilstaan… Plotseling staat de Kardinaal, en wie weet terecht of onterecht, in de positie van de buitengesloten zondaar. Plotseling is hij de schande en mikpunt van spot voor de hele gemeenschap. Wie helpt hem? Wie staat aan zijn zijde? Natuurlijk, als hij onschuldig is hebben we met een gruwelijke onrechtvaardigheid te maken, maar heeft hij in ieder geval nog de troost van een goed geweten. Maar laten we ons met het publiek en de pers indenken dat hij niet onschuldig is. Dit maakt zijn situatie niet minder gruwelijk, maar nog veel gruwelijker. Plotseling staat hij aan de zijlijn van de kerkelijke machinerie die hij meende te dienen. Mogelijkerwijs begrijpt hij in zijn binnenste niet waarom deze dingen hem zijn overkomen, want achteraf bezien mag hij deze zwakheden dan begaan hebben, maar hij is te biecht gegaan en heeft absolutie gekregen. Waarom zouden deze dingen nu boven komen drijven en hem veroordelen? Laten we ons ook indenken dat, zoals dat waarschijnlijk bij een conservatieve geestelijke het geval zal zijn, hij een nogal individualistische opvatting van zonde heeft: als hij deze dingen gedaan heeft, dan is het simpelweg zijn fout, punt. Laten we ons verder indenken dat hij niet in staat is enige theologische afstand van de voorvallen te nemen door middel van een beetje sociologie, en dat hij geen vat heeft op de mate waarin zijn daad gestimuleerd werd door de monoseksuele clericale kaste, waar onderdrukte homoseksualiteit aan de orde van de dag is. Het is een wereld waarin veel mensen deel nemen aan een aantal zeer gecompliceerde spelletjes om de schijn hoog te houden, waarbij ze zover gaan een behoorlijke hoeveelheid geweld te gebruiken tegen zichzelf en anderen, juist omdat ze niet in staat zijn op een natuurlijke en eerlijke manier over het vraagstuk te praten. En dit ‘niet in staat zijn op een natuurlijke en eerlijke manier over het vraagstuk te praten’ blijkt de ‘correcte’ lijn te zijn, hooggehouden door de hoogste kerkelijke regionen. Waarom zouden de momenten van zwakheid van de Kardinaal zo zwaar gestraft moeten worden, terwijl die van zoveel anderen onopgemerkt voorbijgaan?
Degenen die de Kardinaal gemarginaliseerd hebben, inclusief enkele van zijn kerkelijke collega’s, hebben geparticipeerd in een Christelijk lijkende ‘omkering’ van de zaak: de farizeeër is getransformeerd tot een slechterik. Maar hebben ze geparticipeerd in een authentiek Christelijke ondermijning van het verhaal? Ondermijning gaat veel verder dan omkering, omdat in de ondermijning het mechanisme in stand wordt gehouden ook al veranderen de rollen. Deze keer is de Kardinaal de slechterik, het slachtoffer in het midden van de cirkel der ‘rechtschapenen’. Volgens sommigen verdient hij dit. Maar stellen we ons hiermee tevreden? Kan het zo zijn dat onze roddels alleen vertaald kunnen worden naar het Evangelie in termen van ‘hij krijgt zijn verdiende loon?’ Spreken we op deze manier, dan stelt onze rechtvaardigheid, vrees ik, in werkelijkheid niet veel meer voor dan die van de schriftgeleerden en Farizeeën (Matteüs, 5:20). Wie van ons heeft iemand geholpen in een dergelijk afgrijselijke situatie als die van Kardinaal Groër, voormalig Aartsbisschop van Wenen? Wie van ons heeft geprobeerd zich met de hypocriet te identificeren, proberen de mechanismen waardoor we in hypocrisie opgesloten blijven te begrijpen, met als doel ons er samen aan te ontworstelen? Wie van ons heeft zich publiekelijk, maar zonder haat, uitgesproken tegen het geweld van de ‘kerkelijke closet’, dat een mechanisme aanwakkert van verbergen en uitbannen, en uitbannen om te verbergen, zo zeer dat het niet eenvoudigweg een kwestie is van enkele verdorven individuen, maar van een structuur die zich in het bijzonder voor deze verdorvenheid leent? En deze structuur betekent dat de zaak niet in termen van deze of gene zondaar besproken kan worden, die, zodra zij ontdekt worden, uitgebannen of gemarginaliseerd kunnen worden. Eerder betekent het dat er hoognodig een moraaltheologie moet komen die een einde maakt aan, en onderzoek doet naar het systeem dat juist dít verdorven gedrag voortbrengt, iets waaraan veel te veel van haar leden ten prooi vallen, zowel in de rol van uitgebannenen als in die van uitbanners.
Is er iemand in dat O-zo-Katholieke Oostenrijk die, in plaats van de heersende termen van ‘goedheid’ en ‘slechtheid’ te accepteren, en zich te verheugen in de transformatie van de ‘goederik’ in de ‘slechterik’, de ondankbare taak op zich genomen heeft te proberen het hele hypocriete systeem dat ons tot verbergen en uitbannen brengt te ontmantelen? Herkennen we, hier en nu, onze medeplichtigheid in vergelijkbare mechanismen, ook al zijn ze niet hetzelfde, en gaan we op zoek naar de gewelddadige structuur van onze hypocrisie om wegen te vinden waarmee we onze mede-hypocrieten uit de problemen kunnen helpen?
Dit is slechts een eerste poging om Johannes 9 op zó manier te lezen dat het ons in staat stelt een moraaltheologie te schetsen die enigszins verwijderd is van het morele debat zoals we dat kennen. Ik besef heel goed dat we nog maar nauwelijks begonnen zijn. Desalniettemin zou ik graag het volgende willen onderstrepen: wat het Christelijke geloof ons biedt op het gebied van moraal is niet een vorm van recht, noch een manier om de orde of de structuur van de veronderstelde goedheid van deze wereld te schragen, laat staan de eis in een kruistocht voor dergelijke dingen ten strijde trekken. Het biedt ons iets veel subtielers. Het biedt ons de dynamiek van de ondermijning van binnenuit van alle menselijke goedheid, inclusief die van onszelf. Dit is hetzelfde als zeggen dat Christelijk moreel leven begint met een met vallen en opstaan tot bewustzijn komen van onze medeplichtigheid in hypocrisie, een bewustzijn van hoe bepaald gewelddadig die hypocrisie is. Met dit vertrekpunt kunnen we onze handen beginnen uit te strekken naar onze broeders en zusters, die niet meer of minder hypocriet zijn dan wijzelf, die onderweg zijn uit de ‘synagoge’ uitgebannen te worden door een schijnbaar verenigde orde, welke beschikt over een excessieve en militante zekerheid met betrekking tot het kwaad van de ander. Laat ons dan gaan en leren wat dit betekent: ‘barmhartigheid wil ik, en geen offers.’
Vertaling van the man blind from birth and the
Creator's subversion of sin uit:
James Alison, faith beyond resentment: fragments catholic and gay.
London: Darton, Longman and Todd, 2001.
Vertaler: Berry Vorstenbosch
Website: http://www.jamesalison.co.uk/
Email: cgfragments @ btinternet.com
[1] De twee kernbegrippen inclusion en exclusion worden in de regel vertaald met ‘opname’ en ‘buitensluiting’ (vert.)
[2] De ironie van Johannes in de manier waarop hij deze wettelijke standaardterm gebruikt is voortreffelijk, want het is precies in het weigeren Jezus een zondaar te noemen, en voor die moeite uitgeworpen te worden dat de man die blind was werkelijk ‘de Heer prijst’.
[3] Cf. Johannes 16:8-11
[4] Of dat zij het ‘koren’ en hun slachtoffers het ‘kaf waren, zoals in de wonderlijk satanische interpretatie van de parabel destijds door een Argentijnse militaire predikant uitgesproken tot een van de officieren.
[5] Zie ook Matteüs 12:7, beiden zijn citaten van Hosea 6:6