Inleiding Studium Generale
Universiteit Twente, 12 februari 2002
Anton van Harskamp
1. Met veel dank voor de
eervolle uitnodiging om hier een inleiding te mogen houden, moet ik beginnen met
een waarschuwinkje. En die komt hier op neer: wanneer u een gewoon college over
een gewoon onderwerp volgt, dan kunt u in veel gevallen achteraf zeggen dat u
iets méér te weten bent gekomen. Dan is een deeltje van de wereld iets
doorzichtiger voor u geworden, door de verlichtende kennis die u van een
deskundige op een bepaald gebied meegekregen heb. Nu ga ik zo over het kwaad
spreken. En dan hoop ik om te beginnen dat u na afloop in mij juist geen
deskundige in het kwaad ziet, geen, zeg maar, kakoloog, van het Griekse
kakos, kwaad, slecht, ondeugdelijk. Maar ik hoop óók - een beetje - dat
u na afloop het gevoel heeft, dat de wereld, juist ook de gewone, alledaagse
wereld, minder doorzichtig is geworden, eerder meer raadselachtig, of beter
mysterieus. En de reden voor deze, ik geef toe, zeer eigenaardige hoop voor
iemand die een inleiding aan een universiteit gaat geven, heeft te maken met de
gedachte die ik vanavond wil verdedigen. Die gedachte, ik verklap em al vast,
bestaat uit twee delen.
1.1. Het belangrijkste deel
is dat het op de keper beschouwd aan de ene kant een heel begrijpelijke, ja
zelfs dwingend logische neiging is om te denken dat het kwaad als min of meer
zelfstandige kracht of als een zekere, zeg maar als vanzelf verziekende
atmosfeer niet bestaat, maar dat het aan de andere kant toch heel onverstandig
is om de mogelijkheid van de werking van het kwaad niet verder te onderzoeken.
Ik zal dus eigenlijk zeggen: het kwaad als zeg maar iets grijpbaars, iets met
een materiële substantie of ideële wel omschreven inhoud, bestaat simpelweg
niet, maar het werkt wel. En dat noemen we simpelweg een mysterie, wanneer iets
niet bestaat en toch werkt dus. Het minder belangrijke deel van de gedachte van
vanavond is, dat de omstandigheid dat het kwaad een mysterie is, niet betekent,
dat we het kwaad als een geheimzinnige, boven- of ondernatuurlijke kracht moeten
zien, die we dus niet hoeven te bestuderen. Nee, het punt is volgens mij, dat we
met erkenning van het mysterie-karakter van het kwaad, juist met het gezonde en
het wetenschappelijke verstand steeds verder moeten zoeken naar heldere
verklaringen voor de werking van het kwaad, wel wetend dat verklaringen op dit
gebied zelden geheel gesloten en af zijn.
Feitelijk heb ik nu alles al
gezegd waar het mij om draait. Wat volgt is niet meer dan toelichting. De
indeling van het hele betoog is dan in drieën. Eerst zal ik u iets vertellen
over de traditionele pogingen om het kwaad begripsmatig te vatten, waarna ik
vervolgens uitgebreid stil zal staan bij de bezwaren die er bestaan tegen het
gebruik van het begrip kwaad. Om dan tenslotte te besluiten met enkele
argumenten om toch met het kwaad rekening te houden.
2.1. Dus ik begin met wat volgens traditionele
theologische en filosofische theorieën kwaad eigenlijk is. De grote kerkvader
Augustinus zijn naam zal nog vaker vallen zei dat het kwaad niet
theoretisch te vatten is. En toen ik theologie studeerde zei de toen bekende
theoloog Cornelis Berkouwer ons studenten zelfs vaak: Jongens de twee
meisjes in de collegebanken zag hij niet houd je niet bezig met de studie
van het kwaad, want dat zul je zien dat het kwaad je meeneemt en je begrippen
door elkaar zal halen. Niettemin schreven en spraken zowel Augustinus als
Berkouwer vaak over het kwaad. En om me maar tot de eerste te beperken, de
eerste heeft de kortste en scherpste definitie van kwaad gegeven die er tot op
de dag van vandaag van bestaat. Kwaad, vond hij, is dat wat schaadt. Vele
hedendaagse benaderingen bouwen op dat inzicht voort. Kwaad geschiedt, drukt
zich uit, laat zich zien de termen blijven wat vaag , lezen we
bijvoorbeeld bij sociale wetenschappers als de Amerikaan Fred Katz en de Duitser
Axel Honneth zie de literatuurlijst - in gedrag dat mensen berooft van hun
menselijkheid, dus van hun integriteit, waardigheid en eer (slachtoffers, en
uiteindelijk ook daders zelf). Zij focussen dus op het sociale gedrag van
mensen.
2.2. In de traditionele
theologie en filosofie vervolgt men dan met de gedachte dat je bij het denken
over het kwaad een onderscheid kan maken tussen de meer actieve kant van het
kwaad, zeg maar, de dader-kant, en de meer passieve kant, zeg maar de
slachtoffer-kant, dus tussen begaan én ondergaan kwaad.
2.2.1. Nu maken de
traditionele theoretici bij die eerste categorie, dus bij de dader-kant weer een
onderscheid, en wel tussen het kwaad dat als activiteit als het ware voorgegeven
is, en twee soorten kwaad in de meer strikte zin van het woord, namelijk kwaad
jegens medemensen, en kwaad jegens God. We hebben hier te maken met een
traditionele indeling van soorten van kwaad in drieën: namelijk ten eerste
natuurlijk kwaad (malum physicum), waarbij we moeten denken aan verschijnselen
als aardbevingen, stormen, overstromingen, epidemieën, maar ook ongelukken en
slopende ziekten die ons, zonder dat wij zelf of andere mensen daar oorzaak van
zijn, kúnnen overkomen - en deels ook onvermijdelijk zúllen overkomen. Dat
kwaad zouden we moeten onderscheiden van het morele kwaad, het malum morale, dat
is het kwaad dat mensen uit vrije wil anderen aandoen (en dat we dus via deze
theorie moeten onderscheiden van kwaad dat mensen elkaar aandoen bijvoorbeeld
uit onwetendheid, domheid of uit een dwangsituatie; het punt is: er zou slechts
sprake zijn van moreel kwaad, wanneer de wil verondersteld mag worden in
beginsel vrij te zijn). Daarnaast onderscheiden theologen dan ook nog het
religieuze kwaad, zeg maar de zonde, de opstand tegen God. Hét leidmotief voor
de zonde zou ten diepste altijd zijn de weigering van de mens om het eindige en
beperkte leven te leven, daaronder zou het motief zitten om uit angst voor de
eindigheid en beperktheid van het menselijk bestaan
als God te willen zijn. Religieus kwaad/zonde is dus, ten diepste
paradoxaal, niet een eindig en beperkt, dus onvermijdelijk naar de dood op
weg-zijnde mens te willen zijn, maar in deze wereld en tegenover de medemensen
als een God te willen zijn. Volgens mij is dit een diep inzicht in het kwaad,
ook wanneer je niet in God gelooft. [Maar laat ik verder gaan met het
onderscheiden en met te zeggen dat sommige filosofen, vooral Engelse en
Amerikaanse, tegenwoordig naast deze drie gestalten van het actieve kwaad, dus
naast het natuurlijke, het morele en het religieuze kwaad, ook nog eens het
extreme of radicale kwaad onderscheiden. Dat zit zo. Spreken over natuurlijk,
moreel of religieus kwaad vooronderstelt als het ware nog een
levensbeschouwelijk, in dit geval een oorspronkelijk christelijk kader van
waaruit zowel daders als slachtoffers in afkeurende, morele termen over kwaad
kunnen spreken. Spreken over kwaad staat dan als het ware altijd a priori in een
moreel kader. Het punt van dit soort denkers is nu, dat de twintigste eeuw een
soort kwaad heeft laten zien Auschwitz, Goelag, Rwanda en andere genocides
die op een schaal plaatsvonden die zich aan gewone morele kaders onttrekt.
Het heeft iets absurds, soms pedants, volgens deze denkers om dit soort kwaad te
beoordelen met morele woorden als onverantwoord, onfatsoenlijk, schuld e.d. Dit
soort termen springen als het ware kapot op wat er gebeurd is. Ook de daders
zelf blijken vaak dit soort kwaad geheel buiten hun voor de rest gewone, dat is
hun privé-leven morele kader te zetten. Het kwaad waar ze in verwikkeld zijn
geraakt, is zo extreem dat het als het ware anders is dan kwaad dat in gewone
menselijke termen te vatten is, zo anders dat de mede-uitvoerders ervan soms in
het leven daarbuiten gewone, zelfs fatsoenlijke mensen kunnen zijn. Weer
anders, de daad, vooral het ieder overweldigende en massale karakter ervan zijn
zo extreem, dat noch daders, en zelfs soms slachtoffers, het erkennen als
kwaad.] Ik ga hier verder niet op in, ben geneigd ook zelf deze vierde categorie
niet zo maar als een vierde naast natuurlijk, moreel en religieus kwaad te
stellen, maar ga over naar de slachtoffer-kant.
2.2.2. Aan die kant, dus aan
het ondergane kwaad, schrijven theologen en filosofen vaak verschillende
kenmerken toe. Ik noem er vier.
Ten eerste zegt de traditie,
is het kwaad slechts aan te duiden als een aantasting of beroving van het goede
leven. Áls het kwaad er als mysterie is, dan is het dus slechts in negatieve
termen te omschrijven: het licht slechts op doordat we weten van het goede
leven, het is, zo heet dat in klassieke termen, een privatio boni (letterlijk:
bevrijding of losmaking van het goede). Even terzijde: op dit punt zijn er in
het wijsgerig denken over de ethiek tot op de dag van vandaag discussies over de
grondbegrippen van het ethisch denken, met name over de vraag hoe we aan onze
begrippen over goed en kwaad komen. In de christelijke traditie, en opvallend
genoeg ook bij sommige postmoderne filosofen (als Alain Badiou), zegt men, dat
weliswaar het kwaad fascineert, ons meevoert en feitelijk ook van de
mensen, dus van ons de meeste aandacht krijgt denk simpelweg aan de
kranten die vooral gelezen worden omdat ze verslagen van geschiedend kwaad zijn
maar dat we alleen een besef hebben van het kwaad, doordat het letterlijk
niets is: juist doordat we een beeld of een besef van het goede leven
hebben, zouden we weten dat er als het ware iets afgedaan wordt, iets van
beroofd wordt, en dat zouden we dan het niets kunnen noemen. De traditie zegt
dus dat we het kwaad alleen als niets kunnen kennen, en dat we daarom ook
kunnen zeggen dat kwaad geen substantie heeft, ook feitelijk niets is.
Hiertegenover staan nogal wat denkers over moraal en ethiek die feitelijk
aangeven dat het goede leven ons slechts duidelijk wordt, wanneer men een
ervaring van kwaad ondergaat. Kwaad zeggen ze, wordt ondergaan als een
zelf-evidentie. Pas door die zelf-evidentie te analyseren, ontwikkelen we een
beeld van wat goed leven is als een leven met afwezigheid van kwaad. Deze
ingewikkelde kip-ei-discussie laat ik nu liggen. Laten we onthouden dat in onze,
vooral door het christelijke en Griekse denken getekende cultuur, het
gebruikelijk is om kwaad als een aantasting, beroving van het goede, en daarin
als een uiting van het niets te zien.
Dat
betekent, tweede kenmerk, dat het kwaad zich dus alleen kan manifesteren als een
eigenschap of predicaat, het rust niet in zichzelf, zegt men. Duur gezegd, het
heeft geen ontologische status.
Zodat,
derde kenmerk, het kwaad dus ook alleen als werking, als effect zich
manifesteert (waarbij het dus voor het ondergaan ervan daar hebben we hier
over niet toe doet of het uit vrije wil of onbedoeld, zeg maar uit
onwetendheid of domheid aangedaan is).
Het
vierde kenmerk dat de theologische en filosofische traditie vaak noemt, is een
kenmerk dat, hoe traditioneel ook, juist ook vandaag de dag nog steeds herkend
wordt. Dat is dat het kwaad, hoewel de precieze oorzaak zelden precies te
achterhalen valt, ondergaan wordt als een ons of anderen overkomende macht.
De paradox van de ervaring van het kwaad is, dat zelfs als men als dader de
veroorzaker is, toch maar al te vaak ervaart dat het kwaad de dader als het ware
meeneemt. Hoe complex hier de dingen worden, blijkt bijvoorbeeld uit een boekje
dat twee jaar geleden door Colet van der Ven is gepubliceerd: Het kwaad:
Visies en Verhalen (De Geus 1999), oorspronkelijk interviews uit Trouw.
Met name uit de verhalen van daders blijkt dat ze feitelijk het kwaad dat ze
zelf deden en waarvoor een enkeling ook verantwoordelijkheid nam toch
ondergingen als een hen overrompelende macht: Het werkte als een
vliegwiel, zegt bijvoorbeeld een toenmalige agressieve delinquent, hoe
vaker ik het deed anderen in
elkaar slaan hoe kwader ik werd (en hoe meer kwaad mensen van mij
ondergingen). Complex is dit niet in de laatste plaats, omdat de gedachte van
een macht die je overkomt, na afloop door de dader ook als verontschuldiging
gebruikt kan worden. Wie wel eens verslagen van zogenaamde
schrijftafelmoordenaars t.t.v. het Derde Rijk gelezen heeft, bijvoorbeeld het
dagboek van Rudolf Höss, kampcommandant van Auschwitz, of een boek van Gitta
Serenyi over Franz Stangl, commandant van Treblinka, of de verdediging van Adolf
Eichmann, merkt direct dat die gedachte van de macht bij hen een
verontschuldigende rol gaat spelen: alle drie erkennen een heel enkele keer dat
ze in een ongehoord, nooit vertoond kwaad opgenomen zijn, zelfs Beihilfe
gepflegt hebben, zoals Eichmann gezegd heeft, maar één van de grondtrekken
van hun verweer is soms dat ze als het ware meegenomen werden, dat hun
vrije wil uitgeschakeld werd door een hen overkomende macht, zodat ze niet in
strikte zin schuldig en dus verantwoordelijk zouden zijn. Maar dit was een
terzijde.
2.3. De kwestie is nu, dat
hoe duidelijk op het eerste gehoor de onderscheidingen en kenmerken ook lijken,
deze in de praktijk slechts in zeer beperkte mate behulpzaam zijn, meestal zelfs
niet. Die onderscheidingen gingen ook vroeger al snel vervagen. Voor wat betreft
de traditionele indeling aan de zogenaamde dader-kant bijvoorbeeld, hoeven we
ons maar de vraag te stellen, onder welke categorie die natuurlijke rampen
vallen, die meer of minder direct door toedoen van menselijk handelen
ontstonden: hoe zit het met de aardverschuiving door menselijk toedoen, door
ontbossing bijvoorbeeld, hoe zit het met de overstroming door menselijke
aantasting van het milieu, met de longkanker van de zware roker die jaren lang
gerookt heeft? Waar ligt nu precies de verantwoordelijkheid? En wanneer we dan
verder dat basale, zo scherp lijkende onderscheid tussen kwaad als gedane
handeling en kwaad als ondergane handeling nog eens beter bekijken, dan blijkt
in de ervaring van nogal wat mensen dat onderscheid door elkaar te lopen. De
Franse filosoof Paul Ricoeur wijst er bijvoorbeeld op, dat het in de praktijk
nogal eens voorkomt, dat daders zich vóór de daad, vaker nog ná de daad,
zichzelf óók als slachtoffer kunnen ervaren, denk aan de misdadigers die hun
daden steeds meer als een dwang, een lot ervaren of aan de mensen die hun
schuldgevoel en/of hun straf voor een begane daad ook als een slachtoffer
ondergaan. En omgekeerd komt het voor, u weet het ongetwijfeld, dat mensen die
lijden, bovenmatig lijden, zichzelf, zo vreselijk, kunnen gaan beschuldigen als
uitlokkers en het ondoorgrondelijke besef krijgen dat het ondergane lijden
verdiend hebben of zelfs verborgen mededaders zijn van het kwaad, henzelf
aangedaan.
Vandaar
dat diezelfde theologen en filosofen die eerst zulke heldere onderscheidingen
maakten, ook kunnen spreken van kwaad als het mysterie van iniquiteit, mysterium
iniquitatis. Dat is een term uit de middeleeuwse scholastiek, die letterlijk
betekent: mysterie der onbillijkheid. De term duidt op, zeg maar, een weeffout
in alle werkelijkheid, een weeffout die maakt dat wat vroeger zonde werd
genoemd, en nu overtreding of moreel verkeerde handeling, ten diepste verbonden
is met het ondergaan van lijden. Ergens, zo zeggen deze klassieke theologen en
filosofen maar ook hedendaagse, niet gelovige filosofen zeggen het hen soms
na, is er in de op zich goede wereld een iets, een entiteit aanwezig, die maakt
dat actief en passief kwaad, boze daad en ondergaan lijden, schuld en straf bij
elkaar komen.
3. Logisch toch!?
Maar, zegt nu het gezonde
verstand van vandaag: áls achter het gebruik van het woord kwaad
feitelijk zon verwarring van op zich heldere begrippen zit, en áls, zegt de
wetenschap, met name de sociale en historische wetenschap, het dus duidelijk is,
dat het gebruik van het begrip zoals ik dat net aangeduid heb, heel vaak nog een
religieuze erfenis verraadt die van het christendom dus, dat was uit het tot
nu gezegde wel duidelijk geworden -, dan zouden we toch het gebruik van dat
begrip moeten tegengaan? Het heeft er alle schijn van, dat wanneer we redelijk
willen denken en de wereld wetenschappelijk, dat is ordenend, toetsend willen
onderzoeken, we niets aan dat begrip hebben. Laat ik eerst nu de punten noemen
die tegen het gebruik van het begrip kwaad pleiten.
3.1. Het eerste bezwaar
tegen de gedachte dat het kwaad een mysterie is, dus niet bestaat en toch werkt,
is ten diepste dat men toch veronderstelt dat hét kwaad als een
zelfstandige macht of sfeer werkt (en dat de oorzaak een niet met menselijk
verstand te vatten oorzaak is). Dat nu is volgens het gezonde verstand onzin. En
daar heeft het sterke argumenten voor.
3.1.1. Denken we
bijvoorbeeld even aan de truc die de taal met ons uithaalt wanneer het over goed
en kwaad gaat. We weten aan de ene kant, dat de begrippen goed en
kwaad in onze taal natuurlijk vaak gebruikt worden, en terecht. Maar aan
de andere kant, als we nuchter en redelijk blijven denken, weten we ook dat die
begrippen alleen als adjectief, bijvoeglijk naamwoord, of als adverbium,
bijwoord, gebruikt kunnen worden, kort gezegd: dus altijd als een woord, dat wíj
aan een constatering of beschrijving toevoegen: wíj, individuele
mensen doen dat dus. Wanneer we bijvoorbeeld zeggen, dat een gebeurtenis die ons
overkwam slecht of kwaad was, of wanneer we van een mens zeggen dat hij een ín
en ín slecht=kwaad mens is, Pol Pot bijvoorbeeld, of Karadzic, of Bin Laden, of
die ene, elke nacht keiharde rockmuziek-draaiende buurman in onze flat, dan
kunnen we van taalanalytici leren, dat we meestal één van deze drie dingen
doen: 1) Óf we drukken ónze emotie uit, we geven uitdrukking aan óns gevoel
van verontwaardiging. De theorie daarover wordt in de analytische filosofie
emotivisme genoemd: waardeoordelen zijn uitdrukking van onze emoties. 2) Óf we
verrichten een zogenaamde taalhandeling, dat wil zeggen, we roepen feitelijk via
óns spreken op tot het stellen van een daad, ja we verrichten soms zelfs de
daad, bijvoorbeeld door te melden dat we de hardrockende buurman eens zullen
aanpakken, even de waarheid zeggen bijvoorbeeld, of aangeven bij de politie, of
typisch alledaags kwaad terugpakken, het liefst met klassieke muziek (Mahler!).
De theorie hierachter heet taalact-theorie: sterke waardeoordelen roepen
feitelijk op tot of zijn in zichzelf al een handeling (zoals de voorzitter met
de woorden ik open). 3) Óf de derde mogelijkheid wij geven met de
uitspraak over het kwade aan, dat een ding, een gebeurtenis, een mens, niet
voldoet aan een bepaald bedoeling. De theorie heet hier prescriptivisme. Maar in
alle gevallen zijn wíj het die de woorden goed en kwaad als
subjectief oordeel toevoegen aan een mens, een ding, een gebeuren. Anders
gezegd, spreken over goed en kwaad geeft altijd een oordeel van onszelf aan over
iets anders.
Maar
... dan, wanneer we het over hét kwaad hebben, doen we dat niet
meer, dan suggereren we dat kwaad iets zelfstandigs is met eigen werking
of sfeer. In plaats van een bijvoegsel dat wíj, zonder dat we dat beseffen,
toevoegen, hebben we het over een zelfstandig naamwoord ...?! Dát nu is onzin,
een truc van de taal, een letterlijk meta-fysische truc, een verleiding om
achter de werkelijkheid, in plaats van sléchts ónze subjectief gekleurd
gevoel, oproep of voorschrift te zien, een zelfstandige werking of een bepaalde
sfeer te zien. Daaraan
zouden, zo vervolgt deze
redenering, redelijke, nuchter denkende mensen niet aan mee moeten doen.
3.1.2. Er zijn nog meer
aanwijzingen dat de verzelfstandiging van het bijvoeglijk naamwoord of bijwoord
kwaad niet zinnig is. Eén van de denkers die de trucs doorzag die de taal
met ons uithaalt, was Friedrich Nietzsche. Hij noemde het spreken over het
kwaad één van de versteende grondfouten versteinerte Grundirrthümer
van het menselijk spreken en het denken. En hij dacht dóór, en vroeg zich dus
ook af wat eigenlijk de diepste oorzaak was van die menselijke neiging om de
wereld te zien als een strijdperk van het goede en het kwade. De
essentie van zijn antwoord herkennen we en horen we tot op de dag van vandaag.
Kort door de bocht gezegd gaf hij aan, dat mensen de begrippen goed en
kwaad gebruiken om macht over elkaar uit te oefenen. Macht dus:
goed en kwaad zijn om zo te zeggen talige instrumenten, waarmee de
ene groep mensen de andere groepen wil beheersen. Dat begon met de priesters, de
bisschoppen en predikanten die de massa regels wilden voorschrijven hoe te
leven, wat te doen en wat na te laten, en dat zette zich voort tot op de dag van
vandaag tot vrijwel alle wereldlijke machthebbers, bureaucraten, wetgevers en
opvoeders, volgens Nietzsche dus. Goed staat dan voor leven dat geregeld,
geordend is, kwaad voor chaos en regelloos leven. De moraal, dus zeg maar
het handelen en denken in termen van goed en kwaad, is vanuit dat
perspectief niets anders dan een middel van machthebbers om anderen te
disciplineren en er onder te houden. [En waarom, Nietzsche vraagt nog verder,
passen zo ontzaglijk veel mensen zich telkens weer aan dat tamelijk gemakkelijke
moralistische bedrog van geestelijke en wereldlijke machthebbers? Ook daarover
heeft hij vele gedachten, die, sterk simplificerend, hierop neerkomen: bijna
ieder van ons past zich aan, gehoorzaamt meestal aan de moraal, omdat we,
verleid door ons taalgebruik en door een traditie van eeuwenlang christendom,
ten diepste angstige wezens zijn. We zijn bang, bang om alleen te staan en
eenzaam te zijn, niet bij een groep te horen, want, zo geeft Nietzsche
onovertroffen scherpzinnig aan: de moraal, juist ook waar die neerkomt op het
indelen van de werkelijkheid ingoed en kwaad, worden door de
geestelijke en wereldlijke machthebbers vooral gebruikt om het gedrag en het
denken van de eigen groep goed te vinden en de andere, kwade groep
uit te sluiten. En omdat we als enkelingen bang zijn, beangst om echt alleen te
staan, om buiten een groep te vallen, accepteren we de moraal.]
Even terzijde: de essentie
van dit inzicht de maatschappij of uiteindelijk wij als zelf als collectief
of individu scheppen het kwaad dat dus geen zelfstandige kracht is - duikt
regelmatig op, in overigens telkens weer nieuwe gestalten. Het was vooral
populair in de jaren 60 en 70 en ook nog wel in de jaren 80. Ik
herinner me een boek, dat in die tijd tientallen drukken had en op sociale
academies en universiteiten vaak en enthousiast gelezen en besproken werd: Die
Gesellschaft und das Böse: Eine Kritik der herrschenden Moral (Frankfurt/M)
van een zekere Arno Plack, pedagoog. De grondgedachte in dat boek is dat alleen
de samenleving, de maatschappij, verantwoordelijk is voor het scheppen van
het kwaad: moraal is hét middel bij uitstek voor Herrschaft. Vooral de
dwang tot concurrentie in ons beroepsleven en de consumptiezucht in ons privé-leven
zijn door de maatschappij als het ware in ons ingekankerde
regelmechanismen. Die mechanismen zorgen voor verlies van creativiteit, voor
verdringing van vrije sexualiteit en voor in wreedheid omgeslagen angst voor de
dood (want wreedheid, zo zag Plack wel scherp in, heeft te maken met de
verdringing van de dood, míjn dood die ik wil wegdrukken door de baas over
anderen te spelen, desnoods met geweld). Uiteraard zou volgens Plack en het
toenmalige zestiger- en zeventigerjaren-denken de echte mens, dat is de
werkelijk gezonde, niet door de maatschappij gereguleerde mens, niet
kwaad kúnnen zijn.
3.2. Met dat noemen van het
boek van Plack ben ik eigenlijk al bij de wetenschap uitgekomen. In de sociale
wetenschappen, maar ook in de historische en psychologische wetenschappen om
me daar maar even toe te beperken is het begrip kwaad zo goed als
afwezig. Waarom is dat het geval?
3.2.1. Om minstens twee
onmiddellijk samenhangende redenen. Het begrip speelt in de sociale,
psychologische en historische wetenschappen nauwelijks een rol, omdat de
beoefenaren van die vakken de neiging hebben, het te associëren met de
christelijke traditie en het christelijk geloof! Waarbij we dan direct moeten
bedenken, dat deze wetenschappen tot bloei gekomen zijn als onderdeel van de
secularisatie van de voorstellingen omtrent maatschappelijke verbanden en
psychische processen. Deze wetenschappen zijn juist opgekomen ín en zelfs voor
een deel dóór het afscheid van religieus bepaalde of geïnspireerde visies,
inclusief het afscheid van het religieus geachte begrip kwaad. [Nog in een
recent en gezaghebbend geschrift over huidige veranderingen in de
gammawetenschappen, het Gulbenkian-rapport, wordt er terecht van
uitgegaan dat het algemene doel daarvan is de ontwikkeling van systematische, seculiere
kennis van de sociale werkelijkheid (die op een of andere manier empirisch
getoetst en bekrachtigd moet worden). Seculier dus, uitdrukkelijk niet
religieus. Zon aanstootgevend begrip als kwaad, dat lijkt duidelijk, past
niet in het bereiken van dat doel.]
[3.2.1.1. Hier passen twee
terzijdes. Het eerste terzijde is dat de omstandigheid dat de sociale,
psychologische en historische wetenschappen groot geworden zijn ín en deels
zelfs dóór de secularisering van het wereldbeeld, niet inhoudt dat sociale
wetenschappers dus altijd niet-gelovigen zijn. Nee, onder hen tref je ook
mensen aan, die juist uit eerbied voor het negatieve mysterie dat het
kwaad zou zijn, zich er bewust níet mee in hun wetenschap bezig willen zijn.
3.2.1.2. Het tweede terzijde
is, dat de afkeer van het begrip kwaad juist niet betekent dat men zich in
deze wetenschappen níet bezig houdt met zaken die wij als gewone mensen kwaad
noemen. Integendeel zelfs. Het is zelfs goed te verdedigen, dat bijvoorbeeld de
sociale wetenschappen geboren zijn uit de noodzaak om kennis te verkrijgen van
maatschappelijke problemen die een vorm van kwaad zijn: klassenstrijd en
uitbuiting (Marx), stijgende zelfmoordcijfers en anomie (Durkheim),
bureaucratisering en homogenisering van het moderne leven (Weber), om alleen
maar enkele problemen van de vaders van de sociale wetenschappen te noemen. En
de lijst zou voor de sociale wetenschappers van vandaag de dag eindeloos lang te
maken zijn. We mogen aannemen, dat aan bijna elk maatschappelijk gebeuren en
elke maatschappelijke problematiek die in de sociale wetenschappen bestudeerd
worden, aspecten zitten die in de samenleving als kwaad betiteld worden:
corruptie, of de groei van werkloosheid, of de opkomst van fundamentalisme, om
maar enkele dingen te noemen. En verder is het evident dat psychologie en
pedagogiek zich intensief bezig houden met o.a. onderzoek, beschrijving en
verklaring van bijvoorbeeld agressie, autoritair gedrag, vervreemding,
uitsluiting, kortom van verschijnselen die men ook uitingen of aspecten van het
kwade zou kunnen noemen, net zoals sommige historici zich met oorlogen,
genocides en andere gruwelijke zaken bezig houden.]
3.3. Het punt is echter, dat
in de wetenschappen de neiging bestaat om het kwaad op een zodanige manier aan
de orde te stellen, dat het zo niet weg-verklaard, dan toch van zijn
aanstootgevende mysterie-karakter wordt ontdaan. Meestal gebeurt dat door het
als een min of meer nuttige of begrijpelijke functie in het samen-leven te
beschouwen. Ook wel doordat men het probleem van het kwaad marginaliseert, door
het bijvoorbeeld in de sociale wetenschappen toe te bedelen aan de relatief
kleine groep van culturele antropologen die zich gespecialiseerd heeft in
zaken als hekserij, orakels, magie bij, het liefst, bij verre volkeren, in de
geschiedwetenschap aan hen die zich bijvoorbeeld bezig houden met de vraag naar
de wortels van de Shoah. De functionalisering van het kwaad is ondertussen
vermoedelijk de belangrijkste reden waarom dit onmogelijke, want niet echt
denkbare grote woord, in het vertoog van de wetenschap zo goed als afwezig
is.
3.3.1. Nog een paar
opmerkingen daarover. Aanwijzingen voor de in-ordening, functionalisering en dus
voor het onschuldig maken van het kwaad in het sociaal-wetenschappelijk vertoog
zijn er volop. Die vinden we al in het zogenaamde predisciplinaire stadium van
de sociale wetenschappen, het stadium dus waarin de sociale wetenschappen nog
geen discipline aan de universiteiten vormden, er nog geen gespecialiseerde
tijdschriften, bibliotheken en groepen onderzoekers bestonden, maar waarin wel
al individuen bezig waren met het vergaren van systematische kennis over de
samenleving. Via Bernard Mandeville (1670-1733) bijvoorbeeld, schijnt in het
Engels taalgebied de gedachte binnengekomen te zijn, dat juist de ondeugd van de
hebzucht en andere kwade passies de basis vormen voor een gelukkige en goede
samenleving: private vices, public benefits! Dat idee nog mooier
verwoord in de gedachte van de dichter Swinburne (1837-1909): the foundations
of paradise are laid in hell heeft tot op de dag van vandaag een
blijvende aantrekkingskracht op de sociale wetenschappen.
Dat
idee drukt zich, psychologisch gezien, vermoedelijk uit in de zo vaak herkenbare
voorkeur van sociale wetenschappers voor debunking, voor de meestal
terechte neiging om al te verheven uitingen van idealisme en utopisme tot
aardse, en dus ook tot kwade belangen te herleiden. Maar dat is misschien
een al te speculatieve gedachte. Beter is de vaststelling dat de sporen van de
treffende observatie van Mandeville te vinden zijn bij bijvoorbeeld Adam Smith,
ook bij Karl Marx en zeker bij al die andere negentiende-eeuwse denkers die
vinden dat strijd in het gewone leven ervaren als kwaad een voorwaarde
voor of instrument van vooruitgang is. Sporen ervan vinden we vandaag de dag, om
nog maar een paar willekeurige namen te noemen, bij de econoom Friedrich Hayek,
en bij ethologen als Konrad Lorenz en onze eigen Frans de Waal. Die
laatste twee bestuderen weliswaar diergedrag, maar geven wel degelijk ook
fundamentele suggesties voor onze interpretatie van menselijk gedrag. Lorenz
bijvoorbeeld sprak over das sogenannte Böse, waarmee hij bedoelde
dat agressie, en het kwaad dat agressie zogenaamd kan voortbrengen, bij
dier en mens een aangeboren drift is die
de instandhouding van de soort dient, en dus vanuit die functie noodzakelijk en
zinvol is. Met dat woord sogenannt gaf hij scherp aan, dat hij als
wetenschapper het kwaad doorziet en het daarmee als begrip verwerpt: want het is
geen mysterie, geen kracht die eigenlijk niet kan bestaan en toch werkt, maar
een nuttig kenmerk van samen-leven. En Frans de Waal laat in zijn schitterende
studie Van nature goed onder meer zien, dat agressief, kwaad gedrag
binnen een groep primaten paradoxaal genoeg juist het begin kan zijn van
medeleven, wederkerigheid en verdraagzaamheid, van gedragingen dus die mensen
gewoonlijk als morele deugden beschouwen. Waarmee we dus bij een heel complexe
weg-verklaring van het mysterie van het kwaad terecht zijn gekomen:
alledaags kwaad gedrag als afstraffing en uitsluiting, in het algemeen het
hardhandig handhaven van een hiërarchie waarbij slachtoffers kunnen vallen, is
zó functioneel, dat het tot sociale moraal binnen een bepaalde groep kan
leiden!
[3.3.2. Naast deze
namen is er nog te denken aan de vele varianten van frustratie- en
leertheorieën binnen de sociale wetenschappen (waartoe ik hier gemakshalve ook
de psychologische en pedagogische wetenschappen reken). Bij alle grote
verschillen lijkt men in die theorieën op dit punt een zelfde basisperspectief
in te nemen, namelijk dat kwaad een product is van maatschappelijke processen,
ontstaan bijvoorbeeld uit het opwekken van agressieve energieën door sociale
achterstelling, onderdrukking, of simpelweg gemankeerde opvoeding of door
slechte voorbeelden uit de samenleving die aangeleerd worden. Maar altijd
wordt het kwaad in het wetenschappelijk vertoog ontdaan van zijn schokkende,
verwarrende, niet-denkbare karakter, dus van zijn associatie met dat duistere
mechanisme dat niet bestaat, en dat toch op een of andere manier werkt. Men
streeft er, zogezegd naar om de werking van het kwaad weg te verklaren, men
meent ook al te vaak dat kwaad geen rol speelt.]
3.3.3. Die wegverklaring is
zelfs aanwezig onder de historici en zogenaamde psycho-historici, ook
cultuurhistorici, die zich met de bestudering van het geval Hitler bezig
houden of met de vraag wanneer precies in het Derde Rijk de beslissing genomen
werd de Endlösung. Nog niet zo lang geleden heeft de Amerikaan Ron
Rosenbaum over dat type wetenschappers een boeiend boek geschreven (Explaining
Hitler: The Search for the Origins of His Evil, New York: Random House 1998;
ook in het Nederlands vertaald: Waarom Hitler? Een zoektocht naar de wortels
van het kwaad? Amsterdam: Prometheus 1999). Eén van de bijzondere trekken
van dat boek is dat hij aan de ene kant, juist door analyse van het werk van
Hitler en Shoah-onderzoekers en van de soms uitgebreide reacties in de media
voor hun werk, denk maar aan Daniel Goldhagen (over het speciale soort
kwaadaardig antisemitisme dat in de toenmalige Duitse cultuur zou zitten) of
Christopher Browning die beschreven heeft hoe heel gewone mannen, arbeiders,
chauffeurs, onderwijzers, eenmaal opgenomen in de machinerie van de vernietiging
binnen korte tijd monsters konden worden - aangeeft dat Hitler zo ongeveer het
icoon is van de manifestatie van het kwaad in een mens. Als Hitler niet een
aspect van het kwaad is of als men niet kan zeggen dat in hem of door hem het
kwaad werkt, wie dan wel? Toch stelt Rosenbaum telkens vast dat goede
wetenschappers weliswaar uiteraard niet willen rekenen met een boven- of
ondernatuurlijk kwaad dat Hitler in zijn macht zou hebben, maar opvallender, de
meesten willen ook het begrip kwaad niet gebruiken als benaming voor een aspect
van zijn aard en karakter, noch voor zijn bewuste daden. Rosenbaum gaat dan
feitelijk op zoek naar de redenen waarom wetenschappers over Hitler en de Shoah
zo opvallend terughoudend zijn in het leggen van een verband met het begrip
kwaad. Waarom ze voortdurend op zoek zijn naar oorzaken en redenen van
met name Hitlers denkbeelden en gedrag, waarbij die variëren van heel suspecte
theorieën over verzwegen schandalen bij zijn grootouders en overgrootouders,
tot syfilis die hij via en joodse prostituee zou hebben opgelopen (Wiesenthal),
tot reducties van zijn gedrag tot genitale en sexuele afwijking, tot
wegverklaring van zijn jodenhaat door opvoeding en milieu, in combinatie met
toevallige militair-historische omstandigheden. Het is zelfs zo sterk dat op een
enkeling na, geen van de onderzoekers wil toegeven dat Hitler bewust kwaad
wilde, zeg maar kwaad omwille van het kwaad (en even terzijde: dezelfde
Augustinus die ik al vaker genoemd heb en op wie ik zo direct weer zal
terugkomen, heeft ook al vastgesteld dat wanneer we kwaad met de menselijke
natuur in verband brengen, men kan zeggen dat er in een mens alleen kwaad
heerst, wanneer iemand omwille van de boze handeling zelf, dus nog niet eens
omwille van het doel, maar uit genoegen in die handeling zelf, dat we alleen dan
in strikte zin van kwaad kunnen spreken, ik kom daar nog op terug). Maar vrijwel
alle wetenschappers ontkennen dus dat Hitler in die zin een kwaad wezen was.
Rosenbaum
vindt voor dat opvallende gegeven twee samenhangende redenen; en let op, het
gaat hier dus om de relatie van de mens als enkeling met het kwaad. De eerste
reden is de neiging onder veel westerse mensen om feitelijk te argumenteren dat
geen enkel mens willens en wetens kwaad doet, maar slechts uit onwetendheid of
domheid kwade handelingen verricht, of, wanneer we rekening houden met de
omstandigheden door misleiding of dwang. Dat is een doorgaand motief in de
westerse filosofie al vanaf Plato, die dat dwingend in zijn Protagoras beweerde
(345e-346a).[1] Er ligt om zo te zeggen
vermoedelijk een redelijk positieve mensbeschouwing ten grondslag aan
veel wetenschappelijk streven om verklaringen en oorzaken te vinden voor slechte
handelingen. De tweede reden hangt er mee samen en is op het eerste gehoor iets
platvoerser. Rosenbaum stelde de wetenschappers vaak persoonlijk de vraag
naar het kwaad als aspect, of impuls of kenmerk van Hitler, en hij signaleert
dan dat in hun antwoorden nogal eens behoorlijk wat emotie schuil gaat. En hij
suggereert dat men vaak niet wíl geloven dat een mens, Hitler, Eichmann,
Höss, de gewone Duitse reservepolitieagenten van Browning of wie dan ook, zo
maar in staat zijn tot zon excessief kwaad. Daar móeten volgens de
onderzoekers buiten die daders oorzaken voor aangewezen kunnen worden. Alleen
dan kunnen de onderzoekers nog, getroost door die redenen in het leven staan.
Rosenbaum suggereert daarmee dat de afkeer van het begrip kwaad bij
wetenschappers te maken heeft met de troostende werking die van redelijke
verklaringen uit kan gaan.
Overigens,
even terzijde, Rosenbaums boek is ook om een andere reden ongewoon boeiend. Dat
is omdat hij in zijn bespreking van een flink aantal wetenschappers die het
begrip kwaad feitelijk weg willen verklaren, ook enkelen behandelt die dat
juist niet willen en die omgekeerd opkomen voor de niet te verklaren, niet te
begrijpen en niet in welke functie in te ordenen werking van het kwaad in de
figuur van, in dit geval, Hitler en in de Shoah. Dat zijn vooral de filosoof
Emil Fackenheim van wie ik hier niets meld, omdat ik dat elders al gedaan heb,
maar ook de filmer en essayist Claude Lanzmann, bekend en beroemd vanwege zijn
negen uur durende, ook in Nederland gedraaide documentaire Shoah. Lanzmann is
het meest radicaal in zijn verzet tegen de gedachte dat we achteraf het kwaad
van Auschwitz zouden kunnen verklaren, want verklaren, dat is het kwaad van zijn
mysterie ontdoen en daarmee wegverklaren, onschuldig maken, om zo je zelf te
troosten met wat oppervlakkige kennis van zogenaamde achtergronden en contexten.
Voor hem was het kwaad van Auschwitz zo evident altijd durend aanwezig dat het
om zo te zeggen alleen in het heden getoond kan worden. U herinnert u zich
misschien dat Lanzmann in zijn documentaire geen enkel beeld van vroeger
gebruikt, geen fotos of filmmateriaal, ook dat hij geen enkele historische
verklaring of aanduiding geeft. Hij laat alleen de overlevenden praten, in de
camera kijken. Het punt is dat hier een radicale visie op de aanwezigheid en de
realiteit van de werking van het kwaad achter zit. Om dat toe te lichten het
volgende. Rosenbaum stelt hem op een zeker moment de vraag of , als er nu een
film uit de tijd van de Shoah opdook waarin haarfijn getoond werd hoe de Shoah
beraamd werd en hoe de massavernietiging in zijn werk ging, zou hij dan nú die
film vertonen? Het antwoord van Lanzmann was dat hij direct die film zou
vernietigen!! Waarom? Uiteindelijk omdat die film een historisch document is,
wat volgens hem het gevaar oplevert, dat we achteraf, met tussen toen en nu niet
alleen de camera, maar ook de tijd, als het ware geneigd zouden zijn om toch een
zekere achtergrond, en een zekere verklaring van het gebeurde te geven. En
verklaring, vooral wanneer die achteraf gegeven wordt, is altijd volgens hem
weg-verklaring, de last en de druk van het gebeurde weghalen. Daarom vond
Lanzmann dat het enige wat te doen was, is om slachtoffers van toen nú in de
ogen te kijken, in hun lijden nu het kwaad zien.
Nog even verder met dit
terzijde: via de problematiek die ik hier aangeef, kan ik nu al het punt
aangeven waar het mij vanavond om te doen is. Globaal is mijn gevoel dit:
wanneer er discussie is over de vraag naar de werking van het kwaad tussen
wetenschappers, vooral filosofen en theologen, dan heb je aan beide kanten van
het spectrum van antwoorden twee posities. Aan de ene kant de positie van hen
die met minachting op het vage en oorspronkelijk religieus geïnspireerde begrip
kwaad neerkijken, het niet willen gebruiken, maar ervan uitgaan dat voor datgene
wat in het alledaagse leven kwaad genoemd wordt, vroeger of later toch
begrijpelijke oorzaken en omstandigheden genoemd kunnen worden. Deze mensen
denken vaak ook goed historisch, hebben een zintuig voor ontwikkelingen in de
tijd. Aan de andere kant staan radikalinskis als Lanzmann. Deze mensen zien
kwaad als zo zelfevident, zo massief ook, dat ze het als onbegrijpelijke
realiteit als het ware uit de tijd en uit de geschiedenis willen trekken, en er
zo ook geen enkele verklarende ontwikkeling op willen loslaten. Mijn
onderliggende punt in mijn betoog is dat beide posities fout zijn: we zouden
kwaad niet a priori weg moeten verklaren, maar de mogelijkheid van de werking
van het kwaad moeten denken om dat denken juist te benutten om steeds naar
betere, naar verder reikende en meer verfijnde verklaringen te zoeken. In mijn
ogen is het kwaad in die zin een zogenaamd sensitizing concept: je hebt er
vrijwel niets aan als je een handeling of een karakter van een mens wilt
begrijpen, maar rekening houdend met de mogelijkheid van de werking ervan, kan
het toch helpen om nog beter naar de oorzaken van die handeling of naar het
karakter van die mens te zoeken.
3.4. Ik ben afgedwaald van
de hoofdlijn van mijn betoog, of beter ik heb die hoofdlijn weer aangeduid, en
al te kort door bocht.
Mijn
conclusie uit het voorgaande is vooralsnog deze: het is begrijpelijk dat het
begrip kwaad niet of nauwelijks van betekenis is voor het gezonde
verstand. Ook kunnen we een beetje begrijpen dat de wetenschappen, in het
bijzonder de sociale, de psychologische en de historische wetenschappen, het
begrip kwaad eigenlijk niet willen opnemen in hun vertoog, zeker niet als
verklaring van een gebeuren of een menselijk karakter. Want daar zijn
achtereenvolgens:
a)
het gebrek aan precisie in het begrip kwaad;
b)
het misbruik dat betrekkelijk gemakkelijk met het gebruik van het woord
kwaad mee kan komen;
c)
de seculiere wording en vormgeving van de wetenschappen die hen zeer
huiverig doet staan tegenover oorspronkelijk religieus geïnspireerde begrippen;
d)
de functionalistische werkwijze van de wetenschappen, én
e)
vermoedelijk zo moet ik hier uitdrukkelijk zeggen, een meestal verborgen
levensbeschouwelijke - of beter mensbeschouwelijke vooronderstelling die
ook in de wetenschappen werkt, en die maakt dat men zich eigenlijk niet kan
voorstellen dat het kwaad überhaupt een keuze is die mensen kunnen maken;
f)
het vermoeden dat men de realiteit van het kwaad niet wil waar hebben,
omdat kennis van oorzaken, omstandigheden en verklaringen troostend werkt.
4.
Maar niet altijd verstandig!
Hoe
logisch het ook is om niet met het begrip kwaad te werken, het is
soms toch niet verstandig om het begrip kwaad uit het oog te verliezen.
Daarvoor geef ik in het derde en laatste deel van deze inleiding een aantal
aanwijzingen. Aanwijzingen dus, beter misschien nog suggestieve overwegingen,
geen logisch dwingende redenen dus.
4.1. Een eerste, en eerlijk
gezegd, minst dringende overweging is, dat de traditie, zeg maar het christelijk
verleden, ons eigenlijk ons op onze hoede zou moeten brengen wanneer we geneigd
zouden zijn de werking van het kwaad te negeren. Want het punt is dat een
belangrijk inzicht uit die traditie is, dat de werking van het kwaad er in
bestaat, dat het niet wíl dat men in het kwaad gelooft! Zó rationeel en zó
zeker als we zijn in onze hautaine overtuiging, dát 'hét' kwaad niet
bestaat, zouden wij want het gaat over ons toch moeten bedenken, dat
juist de christelijke traditie er op wijst, dat het kwaad altijd zo nabij is,
een zo verlokkend en verleidend deel van het concrete, goede bestaan, dat we het
niet opmerken. Vandaar dat de hoogste overwinning van het kwaad de gedachte is,
dat er geen enkel spoor en geen enkele werking van te bespeuren is. Op dit punt
zijn zeer verschillende mensen het toch met elkaar eens. Zo kunnen we zowel bij
de atheïstische filosoof Ernst Bloch lezen, als bij de dichter Baudelaire, als
bij paus Johannes Paulus II, dat de ultieme victorie van het kwaad er in bestaat
om de werking ervan niet te laten zien, maar die juist verborgen te houden onder
een onschuldige, schitterende mantel ; zodat, om nog maar één auteur aan te
halen - de Amerikaanse historicus William Frady - het kwaad vandaag de dag in
zachte en gevoelige modulaties spreekt, met een kleenex laagje van beschaving,
het kan gekleed gaan in double-breasted pakken, met attaché-koffertjes, en kan
gezien worden door wie daar oog voor heeft, in grafieken, beleidsvoornemens,
prognoses, bureaucratieën, ondernemingen en universiteiten, het is, kortom,
bij voorkeur juist dáár, waar men het minst geneigd schijnt te zijn nog van
kwaad te spreken, maar dit laatste was een terzijde.
Het
punt dat hierbij komt is, dat we als moderne mensen niet simpelweg tegen
bijvoorbeeld traditionele gelovigen kunnen zeggen: vroeger geloofden de mensen
wel in het bestaan van het kwaad, maar wij niet, wij modernen weten wel beter.
Dat is hoe dan ook te simpel gesteld. Want, zo heb ik, hoop ik al voldoende
aangegeven, ook in de christelijke traditie geldt dat het kwaad niet
bestaat, dat wil zeggen, het diepzinnige in de christelijke traditie dat kwaad
dus niet bestaat zoals alle andere dingen, mensen en gebeurtenissen bestaan: het
heeft geen kern, geen substantie, je kunt het ook niet omschrijven, maar
het werkt wel. Als we als modernen wat tegen de traditie in te brengen
zouden willen hebben, dan moeten we dus niet op het niet-bestaan focussen, maar
op de kwestie van het wel of niet werken van het kwaad.
4.2. Een tweede overweging,
ook niet zo dwingend overigens, heeft te maken met de, zo lijkt wel, toenemende
fascinatie in onze cultuur met het kwaad. Te denken is bijvoorbeeld aan het
enorme aantal films waarin het kwaad op één of andere manier in meer of minder
duivelse vormen voorgesteld wordt, vanaf Rosemarys Baby tot aan de X-files en
alle andere science-fiction en horrorfilms waarin het kwaad vastgelegd wordt in
vaak aan de traditionele duivel herinnerende gestalte. Bijna altijd, als een
aparte gestalte, daarbuiten buiten de held of heldin met wie we ons
identificeren, dus indirect buiten onszelf.
Het
punt dat ik hier wil maken is ingewikkeld. De kwestie is namelijk, dat juist
omdat de voorstellingen van duivels, heksen, magiërs en andere duistere
anti-figuren van oude en nieuwe makelij telkens opnieuw opkomen en verbeeld
worden, ze kennelijk dus aan een diepe behoefte appelleren, we mogen vermoeden
dat we hierdoor de werking van het kwaad ver van ons, van ons denken en voelen
willen houden. De meest aannemelijke, pyscho-analytisch georiënteerde
interpretatie van de verbeelding van duivels, heksen, magiërs en andere
duistere oude en nieuwe anti-figuren, is dat het een relatief gemakkelijke
manier was om het probleem van de werking van het kwaad van je af te houden!!
Door zich immers het kwaad als anti-figuur voor te stellen, wordt het kwaad
letterlijk mentaal voor-zich-gesteld. Je stelt het bijna letterlijk voor je, dus
buiten je, en zo wordt het ten dele zichtbaar en begrijpbaar, zodat een deel van
dat mysterie uit de weg is geruimd! Het beeld van de duivel was altijd al, en is
het volgens de duivel-biograaf Peter Stanford zie lijst nog steeds, een
manier, zij het een zelden bevredigende manier, om mentaal enige greep op het
kwaad te krijgen. De ingewikkelde, psycho-analytische, en dus behoorlijk
speculatieve redenering die ik hier hanteer is, dat de verbeeldingen van film en
fictie van au fond lachwekkende uitbeeldingen van het kwaad, een soort
overdekking zijn door het tegendeel, en daarin misschien een onderhuidse angst
voor het kwaad verraden! Nog weer eens anders gezegd: vanaf het middeleeuwse
verleden tot het heden wordt het kwaad zelden opgevat als een gif in de
werkelijkheid, zeker niet in de eigen werkelijkheid, maar letterlijk
voor-gesteld, bij de ander,
vroeger in meer serieuze vorm bij de figuur met de bokkepoot, nu meer speels in
veel moderne film- en horrorkunst, tot aan Harry Potter toe, bij duivelse
figuren. En als we in meer seculiere termen denken zien we hetzelfde psychische
mechanisme in alle tijden, van koning Saul tot aan George Bush is het
gebruikelijk om het kwaad vooral bij de anderen te zien. Welnu, mijn vraag hier
is deze, uiterst speculatief. Zou juist die altijd doorgaande manier om
feitelijk het kwaad daarbuiten, bij die ander voor te stellen, niet juist een
projectie zijn, een manier om de werkelijkheid van het kwaad buiten ons en onze
werkelijkheid te houden?
4.3. Een derde aanwijzing
is, dat we als gezond-verstandmensen en wetenschappers wel de gedachte van het
kwaad en de werking ervan kunnen schrappen, maar dan moeten we ons wel
realiseren dat we dan de alledaagse taal en ervaring geweld aandoen. Aldus
tamelijk recent bijvoorbeeld de schrijver Willem Jan Otten. Die meent dat we een
begrip als kwaad eenvoudigweg niet kunnen verwijderen, juist niet omdat we meer
en meer zouden beseffen dat we vaak wel redenen en oorzaken voor het evidente
kwaad kunnen noemen, maar dat die dat kwaad ten diepste nooit weg-verklaren. Ook
verschillende begrippen die de werking van het kwaad aangeven, schuld en
schaamte bijvoorbeeld, kunnen we niet verwijderen. Lange tijd werden die woorden
weliswaar gezien als zinloos en als niet getuigend van een gezonde ontwikkeling
van de persoonlijkheid, maar er lijkt zich vandaag de dag een zeker
eerherstel van dat soort woorden af te tekenen, en van de ervaringen waar
ze voor staan. Een wat mij betreft indringend vertoog daarover geeft de
sociaal-psycholoog en criminoloog Hans Boutellier in de al genoemde bundel van
Colet van der Ven. Het betreft het onderzoek naar criminaliteit en de
behandeling van jonge criminelen. Hij stelt vast dat het in de sociale
wetenschappen gewoon is, om in onderzoek en behandeling geen woorden als kwaad
te gebruiken. Behandelaars en hulpverleners spreken altijd over maatschappelijke
wortels, over de vraag met welk beleid criminaliteit beheerst kan worden, kortom
over technische zaken. Dat blijkt ook het geval te zijn in de justitiële
inrichtingen en in het jeugdwerk waar hij onderzoek deed: de veelal
sociaal-wetenschappelijk geschoolde werkers vermeden elke morele interpretatie
van de redenen waarom deze jongeren in een instelling terecht waren gekomen. Die
jongeren werden niet serieus genomen als daders van kwaad! Terwijl juist te
verwachten is, dat een deel van hun problemen te maken heeft met de vraag hoe ze
daarmee moeten klaarkomen! Kortom, sociale wetenschappers die als begeleiders,
onderzoekers, adviseurs, betrokken zijn bij daders van kwaad, zullen ook
in hun wetenschappelijk vertoog moeten laten zien, dat ze dat begrip niet uit
het oog verliezen en daardoor onschuldig maken.
4.4. De vierde aanwijzing.
Die haal ik, schrik niet, van een verhaal van zo ongeveer 1630 jaar geleden. Het
is een tekst van Augustinus, die man die wel de calvinist onder de kerkvaders
genoemd wordt, maar die ondanks z'n doctrinaire hardheid en onverdraagzaamheid
regelmatig een diep inzicht in en bewogenheid met menselijke drijfveren had.
Het
is een verhaal uit zijn Confessiones/Belijdenissen (boek 2, 9-18). Het
gaat over een perendiefstal die hij samen met een aantal andere tieners op een
nacht pleegde, na, zoals gewoon was, uren met elkaar op straat rondgehangen te
hebben. In de tekst stelt hij zichzelf eigenlijk maar één vraag: waarom dééd
ik dat eigenlijk toen? Waarom deed ik mee aan wat op het eerste gezicht een
redelijk onschuldige kwajongensstreek was? Maar was het wel een
kwajongensstreek? Op de keper beschouwd niet, volgens Augustinus. Want wat was
het geval? De peren die hij met zijn vrienden stal, smaakten niet bijzonder
lekker, ze zagen er niet echt goed uit, bij hem thuis hadden ze lekkerder peren.
Ze gooiden de gestolen vruchten dan ook direct weer weg. Bovendien blijkt uit
het verhaal dat ze als jongens ook geen afkeer hadden van of haat koesterden
tegen de bezitter van de boom, ze waren nooit door hem beledigd, geschaad of
bedreigd, het was 'zomaar' iemand, in wie geen enkele aanleiding te vinden was
om hem te schaden, en tóch deden ze het. En dan komt Augustinus tot een
overweging over het kwaad als zodanig. Hij geeft aan, dat het zogenaamde grote,
het evidente kwaad, van moord, grootschalige wreedheid en roverij heel vaak een
oorzaak en vooral een doel heeft buiten dat berokkenen van het kwaad zelf! Hij
noemt bijvoorbeeld Catilina, de opstandeling en moordenaar, symbool van
slechtheid in het Romeinse rijk, en zijn punt is: in de grond van de zaak hadden
Catilina en al die andere grote moordenaars, dieven en rovers altijd een motief
en een doel om te moorden en te stelen. Uiteindelijk was dat, let op, om van het
kwaad als zodanig af te komen. Ze wilden welvarend gaan leven, van de liefde
genieten met de vrouw die ze van anderen geroofd hadden, weer rust krijgen, een
belediging wreken, een krenking van hun waardigheid. Ze wilden, anders gezegd,
hun wereld, die om wat voor reden dan ook diepgaand verstoord was, herstellen,
letterlijk 'goed' maken, voor hen zelf het goede leven realiseren. Daarmee gaven
ze in zekere zin toch toe aan de neiging om uiteindelijk het goede te doen. Het
kwaad dat ze deden stond bij voorbaat in een moreel kader.
In die zin had het kwaad dat ze verrichtten voor hen een zin, en kunnen
buitenstaanders en beschouwers voor het kwaad dat ze verrichtten ook een
verklaring, een grond en een doel geven. We kunnen zelfs zeggen dat het kwaad
als mysterie hiermee voor een belangrijk deel wegverklaard wordt, zodat
Augustinus een stap doet in de richting van al die hedendaagse psychologen,
biologen en sociologen die erin slagen het kwaad als mysterie ook weg te
verklaren, door naar een treurige opvoeding, kwetsingen en frustraties te wijze,
of naar genetische defecten, of naar
'de' boze, onderdrukkende maatschappij. Maar precies dát, schrijft Augustinus
feitelijk, dat wegverklaren lukt niet wanneer het om zo'n onbenullige,
alledaagse perendiefstal van een stel jongens gaat: er was niets in de opvoeding
van die jongens, niets in de persoon van de perenboomeigenaar, ze kenden hem
niet eens, er was geen onderdrukkende samenleving - integendeel, ze konden
zonder bezwaar de hele avond en nacht zomaar buiten rondhangen. Nee, de enige
'verklaring' was, dat ze het kwaad verrichtten omwille van het kwaad zelf. En in
de grond van de zaak is dat wel een verklaring van de daad, maar niet een
verklaring van het motief erachter, van, om zo te zeggen, het kwaad zelf: waaróm
dat werkt, waaróm die jongens dat deden. Daar staat, geeft Augustinus aan, het
verstand letterlijk bij stil.
Toch staat het verstand
feitelijk niet helemaal stil, feitelijk ook bij Augustinus niet. Want hij geeft
nog twee mogelijke verklaringen, of eigenlijk beter, geen echte verklaringen,
maar eerder een duiding en een schets van een een omstandigheid, die beide iets
meer licht werpen op de vraag waarom hij toen als jongen die peren stal. Eerst
zegt hij iets als theoloog. Dat is op het moment voor ons niet zo interessant.
Hij vraagt namelijk, en wel aan God zelf, in een voortdurend doorgaand biddend
gesprek, of uiteindelijk die daad niet uit te leggen is als een geperverteerde
uitdrukking om als God te willen zijn. Want God, zo meent Augustinus, heeft als
het ware de zedewet, zeg maar de normen in ons hart gelegd, en omdat dit ons
irriteert willen we nu zelf als God zijn, en dat kan alleen maar door precies
omgekeerd als de ware, goede God te handelen. Maar interessanter voor ons is
zijn tweede overweging. Hij geeft namelijk duur gezegd, een overweging over de
sociale samenhang waarin het kwaad vaak staat. En dat gebeurt, wanneer hij
vaststelt dat hij vast en zeker die perendiefstal nooit in z'n eentje had
gepleegd. Hij deed het toen alleen als lid van een groep, een groep waarin, denk
aan zo'n groep van rondhangende jongens, zeer waarschijnlijk het gesnoef, het
geklets, het gezwets, kortom praatjes een belangrijke manier van omgang met
elkaar kunnen zijn. Precies dat, die nauwe, benauwende groep én het gezwets
daarbinnen, die blijken een bedding te zijn die het kwaad, let wel, niet
veroorzaakt of verklaart, maar misschien wel bevordert, doordat het wellicht een
voorwaarde kan zijn voor het verrichten van het kwaad.
4.5. En dat brengt
me bij de laatste en vijfde overweging. Wat het verhaal van Augustinus mij
leert, is dat paradoxaal genoeg juist het vermoeden vooraf en de conclusie
achteraf, namelijk dat het kwaad ten diepste een mysterie is, en dat ons
verstand stil staat wanneer we de diepste, afdoende oorzaak ervan willen weten,
dat juist die instelling hem steeds weer doet zoeken naar de voorwaarden, ook de
sociale voorwaarden, waaronder kwaad blijvend onbegrijpelijk in zichzelf
kan ontstaan. Juist het besef dat het kwaad een niet weg te poetsen mysterie is,
dus geen in principe oplosbaar raadsel, doet het gezond en wetenschappelijk
verstand steeds meer zoeken naar de condities, de voorwaarden waarbinnen kwaad
kan opkomen. Dat zijn, zoals Augustinus nota bene al aangaf, dus letterlijk
sociale voorwaarden. Kwaad komt kennelijk in sociale verbanden op, niet puur en
alleen uit de enkeling. En dat hoeven natuurlijk niet alleen dat gesnoef en
opgeschep in een clubje jongens zijn. In het moderne onderzoek van sociale
wetenschappers en historici zijn daar de laatste tientallen jaren
behartenswaardige dingen over geschreven.
Ik geef hiervoor enkele
voorbeelden en ga voor de eerste nog even terug naar de Tweede Wereldoorlog.
Denken we eens aan de letterlijk miljoenen mensen die op één of andere manier
daarbij betrokken waren. Ik doel niet op de uitvoerders, dus op de bedenkers, de
uitvoerders, bewakers, beulen, schrijftafelmoordenaars, ook niet op de
zogenaamde omstanders, maar op al die anderen: de postbodes die, soms,
deportatiebevelen rondbrachten, de notarissen die bezittingen registreerden, de
gemeenteambtenaren, juristen en bankiers die de sluiting van joodse bedrijven
legitimeerden, de politieagenten die zorgden dat 'de mensen' op transport
gingen, de bus- en treinbestuurders en alle andere spoorwegmensen die de
transporten regelden, de mensen van de bedrijven die materiaal leverden voor de
kampen, de fabrieken die van gevangenen gebruik maakten, enz. enz. enz. Waren al
die mensen slecht, kwaad in de gewone zin van het woord? Nee natuurlijk niet Ze
waren net zo als u en ik, ze streefden dus ook naar een goed, zo mogelijk
gelukkig leven, waren bezorgd om de mensen rondom hen etc. En toch kunnen we
niets anders zeggen, dat de wijze waarop zij handelden een vorm van alledaags
kwaad was, dat heel duidelijk bijdroeg aan het grote kwaad. Dat alledaagse kwaad
van hen, dat werd ingeschakeld in dat evidente, manifeste, met geen woorden te
beschrijven kwaad.
Hoe
ging dat in z'n werk? Beter, hoe kon dat eigenlijk gebeuren? Zag niemand dan dat
hij of zij toch bijdroeg aan dat grote kwaad? Ik kan alleen maar een paar
mechanismen noemen die dat kennelijk verhinderden, mechanismen dit is
belangrijk - die vandaag de dag ook werken.
Daar
is allereerst wat ik in navolging van een Amerikaans auteur (Fred E. Katz) 'packaging'
noem. Dat wil zeggen, dat van het hele pakket van taken dat iemand in zijn werk
en zijn leven uitvoert, altijd enkele onaangename zijn, die doorgaans dan goed
gemaakt worden door de meer aangename: de politieagent die het afschuwelijk vond
om een aantal opgepakte joodse mensen te bewaken, maar de andere kanten van zijn
werk wel leuk vond, en zich dus zo veel mogelijk drukte voor dat onaangename
werk. Voorbeelden zijn er genoeg. Wij allemaal verdelen kennelijk de minder
leuke, ook wel de kwade kanten van ons handelen zogezegd over het hele leven
heen, zodat de goede als het ware de kwade compenseren, maar, en daar gaat het
om, zodat ook, in potentie, we het alledaagse kwaad dat we doen, niet in verband
brengen met kwaad als zodanig.
Een
ander mechanisme, vooral in deze tijd buitengewoon krachtig, is natuurlijk
blinde carrièrejagerij, u kent het wel: het door roeien en ruiten gaan met het
streven naar succes in een organisatie, vergezeld van de neiging om de mensen in
te delen in 'winners' - waar jij bij zál horen, hoe dan ook - en 'losers'. Ik
kan me niet uitspreken over de effecten vandaag de dag van dat carrièrisme,
maar het is zeker dat ten tijde van de holocaust dit een mentaal mechanisme was
waarlangs het kleine, alledaagse kwaad van de ambitieuze mens heel gemakkelijk
ingevlochten werd in het grote kwaad. Waarom? Simpel, omdat het gemakkelijk
morele blindheid kán bevorderen.
Dan
is er het meer publieke mechanisme van de bureaucratisering van organisaties.
Met betrekking tot de holocaust is daar al veel over geschreven. De essentie is
deze: niet dat bureaucratisering als zodanig kwaad is of tot kwaad leidt, maar
wel is te zeggen, dat een aantal kenmerken van het welhaast onvermijdelijk
bureaucratiseringsproces gemakkelijk door het grote kwaad misbruikt kunnen
worden. Denk bijvoorbeeld aan de neiging om puur formeel te zijn en de objecten
van je zorg niet als mensen, maar als zakelijke, professioneel gedefinieerde
poblemen te zien; de neiging om een probleem in stukjes op te delen, en dan
alleen stuksgewijs te behandelen, zodat elke bureaucraat, elke afdeling alleen
voor een beperkt stukje verantwoordelijk is; de neiging alleen problemen te zien
die werkelijk geheel en al 'gemanaged' kunnen worden en de wil om hoe dan ook
alles te managen; verder de neiging om de competentiestrijd tussen
afdelingen, diensten, ministeries te bevorderen, zodat het hoofddoel niet de
oplossing van een gezamenlijk probleem wordt, maar de strijd om zelfhandhaving.
Kortom, de mogelijkheid die in een bureaucratiseringsproces zit, is dat men
letterlijk en figuurlijk de mensen waar het om gaat, niet meer ziet.
En
dat brengt me bij nog een mechanisme, en dat is, dat het ultieme, het grote
kwaad natuurlijk niet direct zichtbaar heette te zijn t.t.v. de holocaust, maar
zich elders afspeelde, op plaatsen waar je liever niet aan denkt. En hier
treffen we één van de belangrijke kenmerken van het kwaad, het lijkt wel alsof
het zelf zegt, dat het er niet is, en waar het dan wel is, dat het dan een zaak
van anderen is, dat het letterlijk ver van je bed staat, en dat jij er niet
verantwoordelijk voor bent. Het is alsof juist het alledaagse kwaad ons als het
ware voortdurend toefluistert, ách, dat grote kwaad, daar kun jij helemaal
niets aan doen, dat doen de anderen, en ik, dat kleine alledaagse kwaad van dat
hele kleine beetje meedoen, dat doet er toch helemaal niet toe, dat is
onvermijdelijk, doe alsjeblieft niet moeilijk, niet wereldvreemd'. Het zou wel
eens juist dit, op het eerste gezicht, alledaagse kwaad met zijn
fluisterpraatjes kunnen zijn, waarvoor we toch meer op onze hoede moeten zijn
dan we vaak vermoeden.
Juist
omdat daarachter nog weer een ander mechanisme schuilt, het laatste dat ik noem.
Het betreft de neiging om feitelijk bang te zijn voor het uiten van een eigen
mening, bang te zijn voor echt, individueel denkwerk. Dat geeft bijvoorbeeld het
beroemd-beruchte Milgram-experiment aan, het experiment waarvan u vast wel eens
gehoord hebt. Het is een experiment, gehouden midden jaren '60, en geleid door
mensen in witte jassen, waarin gewone mensen gevraagd worden om als leraar op te
treden bij het stellen van vragen aan volwassen leerlingen - feitelijk acteurs -
die zich achter een gordijn of in een apart kamertje bevinden. Bij een fout
antwoord moeten de leraren, feitelijk de proefpersonen, in opdracht van de
witgejaste professor de leerling een stroomstoot toedienen - geen echte
natuurlijk, maar dat weet de leraar/proefpersoon niet -, bij elk volgend fout
antwoord een hogere. Wat blijkt uit dit gruwelijke experiment? Dat 62% van de
gewone mensen, puur op gezag en intellectuele status van een professor in een
witte jas, bereid zijn om de zogenaamde leerling, die het achter het gordijn
uitschreeuwt van pijn, tenslotte vrijwel dodelijke stroomstoten van 450 V toe te
dienen. Wat zien we hier? Volgens mij de angst om werkelijk alleen ergens voor
te staan, werkelijk na te denken, en je daardoor te verplaatsen in anderen, maar
te vluchten in 'praatjes', die van 'het' gezag
in dit geval, of van je eigen zelf of van wat in jouw kringetje bon
ton is. Dát, die weigering om in je eentje na te denken, dat zou wel eens een
hoofdvorm van alledaags kwaad kunnen zijn.
Maar nogmaals, we hadden het
hier over de condities waaronder kwaad kán opkomen: packaging, carrièrejagerij,
bureaucratisering, onvermogen tot denkend invoelen in anderen, en er zijn
waarschijnlijk nog veel meer te noemen, maar geen van die factoren zijn zelf het
kwaad, maar kunnen hooguit sóms de voorwaarden vormen waaronder het kwaad kan
ontstaan.
Het
argumentatief moeilijke punt wat ik met deze laatste opmerking en eigenlijk
met mn hele betoog wil maken, is dat opvallend genoeg juist diegenen met
gezond en soms wetenschappelijk verstand die er besef van hebben dat er geen
definieve, sluitende oorzaken voor het kwaad hoeven te zijn, juist die blijken
gespitst te kunnen zijn op het opsporen van de voorwaarden waaronder kwaad zou
kunnen ontstaan. Kwaad, anders gezegd, moet als mysterie dus juist aan de rand
van ons denken, ons onderzoeken, onze oriëntatie in het leven blijven staan.
Het moet dus, ik heb het al gezegd, niet een verklarend, grondleggend begrip van
onze taal zijn, maar wel een prikkelend, sensitizing concept: juist het
feit dat kwaad niet bestaat, zon vaag begrip is, moet ons gespitst doen
blijven op het opkomen en het werken van het kwaad. Ik dank u.
Inleiding Studium Generale
Universiteit Twente, 12 februari 2002
Anton van Harskamp
Vrije Universiteit,
Amsterdam
1. Inleiding.
Waarschuwing: nadenken over het kwaad maakt de wereld niet doorzichtiger.
1.1. Blik
vooruit. Grondgedachte: kwaad bestaat
niet, maar werkt wel. Indeling: eerst korte beschouwing van de klassieke
begripsbepaling van het kwaad, daarna de vele goede redenen om een begrip als
kwaad niet te gebruiken, om te eindigen bij een aantal redenen om toch rekening
te houden met de werking van het kwaad. Juist dat besef moet aanzetten tot meer
en beter onderzoek.
2.1. Augustinus: kwaad is dat wat schaadt.
2.2. In
de traditionele theologie en filosofie tussen dader-kant en slachtoffer-kant,
tussen begaan én ondergaan kwaad.
2.2.1. Bij
de actieve kant onderscheid tussen fysiek kwaad, moreel kwaad en religieus
kwaad. [Sommige huidige denkers voegen daar radicaal kwaad aan toe: kwaad dat
niet in een moreel kader past].
2.2.2. Aan
de passieve kant onderscheidt men vaak vier kenmerken:
-
een beroving van het goede leven (privatio boni)
-
het rust niet in zichzelf of het zijn (geen ontologische status)
-
toont zich alleen in zijn effecten
-
wordt ondergaan als een
(over)macht.
2.3. Onderscheidingen
vervagen in de praktijk. Het klassieke antwoord: kwaad als mysterium iniquitatis,
lett. mysterie van de onbillijkheid.
3. Logisch
toch!?: Bezwaren tegen het gebruik van het woord kwaad
3.1. De
onzinnigheid om van het kwaad te spreken.
3.1.1. De
taal haalt een truc met ons uit als we het kwaad verzelfstandigen.
3.1.2. Het
gebruik van het woord kwaad kan relatief gemakkelijk tot machtsmisbruik
leiden (Nietzsche).
3.2. In
de sociale, psychologische en historische wetenschappen ontbreekt het begrip
kwaad als bruikbaar begrip.
3.2.1. Vermoedelijk
vanwege de associatie met het (christelijk) geloof.
3.3. En
vermoedelijk vanwege de functionalistische denkwijze: strijd, conflict kúnnen
een positieve uitwerking hebben, waardoor ze niet meer gestempeld worden door
het begrip kwaad: The foundations of paradise are laid in hell (Swinburne).
...
3.3.3. Wegverklaring
van het kwaad door wetenschappers vindt zelfs plaats bij de negatieve icoon van
het kwaad in de twintigste eeuw, bij de figuur Hitler. Vermoedelijk twee
motieven: a) de wil om een positief mensbeeld in stand te houden: een mens doet
geen kwaad zonder oorzaak; b) de wil om troost te ontvangen uit de verklaringen.
Intermezzo.
Kwaad noch zó absoluut maken dat het buiten de geschiedenis en los van de
mogelijkheid van verklaring komt te staan, noch wegverklaren. Kwaad kan soms een
sensitizing concept zijn.
3.4. Samenvatting
van voorgaande. Het is begrijpelijk dat er het gezond verstand en de wetenschap
niets met het begrip kwaad kunnen. In het kort vanwege:
g)
het gebrek aan precisie in het begrip kwaad;
h)
het misbruik dat betrekkelijk gemakkelijk met het gebruik van het woord
kwaad mee kan komen;
i)
de seculiere wording en vormgeving van de wetenschappen die hen zeer
huiverig doet staan tegenover oorspronkelijk religieus geïnspireerde begrippen;
j)
de functionalistische werkwijze van de wetenschappen, én
k)
vermoedelijk een meestal verborgen levensbeschouwelijke - of beter
mensbeschouwelijke - vooronderstelling die ook in de wetenschappen werkt,
en die maakt dat men zich eigenlijk niet kan voorstellen dat het kwaad überhaupt
een keuze is die mensen kunnen maken;
l)
het vermoeden dat men de realiteit van het kwaad niet wil waar hebben,
omdat kennis van oorzaken, omstandigheden en verklaringen troostend werkt.
4. Maar
niet altijd verstandig!
4.1. De
christelijke traditie geeft aan dat het kwaad niet bestaat, en dat het ook
in zijn werking niet erkend wil worden.
4.2. De
psycho-analytische overweging dat de blijvende belangstelling voor de
figuur van de duivel in film en fictie een overdekking van het tegendeel kan
zijn, wellicht een onderhuidse angst voor het kwaad verraadt.
4.3. De
betekenis van het kwaad in het alledaagse leven niet wegwuiven.
4.4. Augustinus:
De perendiefstal: de zin- en doelloze manifestatie van het kwaad in het gewone
leven.
4.5. De
sociale mechanismen waarbinnen het kwaad kan gaan werken: 'packaging', carrièrejagerij,
bureaucratisering, niet-durven denken (Milgram).
G.B. Adams/D.L. Balfour, Unmasking
Administrative Evil, Londen etc.: Sage 1998.
H. Arendt, Eichmann in Jerusalem: A Report on
the Banality of Evil, New York etc.: Penguin 1977.
Z. Bauman, Modernity and the Holocaust,
Ithaca, N.Y.: Cornell U.P. 1989.
A. Badiou, Léthique: Essai sur la conscience
du mal, Parijs: Hatiers 1998.
P.
Bourdieu, Das Elend der Welt: Zeugnisse und Diagnosen alltäglichen Leidens
an der Gesellschaft (uit het Frans), Konstanz: Universitätsverlag 1997.
C.R. Browning, Ordinary Men: Reserve Police
Battallion 101 and the Final Solution in Poland, New York: Harper Collins
1992.
K. Flanagan, The Enchantment of Sociology: A
Study of Theology and Culture, Basingstoke/Londen: MacMillan 1996.
C. Haney/C. Banks/P. Zimbardo, Interpersonal
Dynamics in a Simulated Prison, in: International Journal of Criminology
and Penology 1 (1974) 69-97.
H.
Häring, Das Problem des Bösen in der Theologie, Darmstadt:
Wissenschaftliche Buchgesellschaft 1985.
J.
Heilbron, Het ontstaan van de sociologie, Amsterdam: Prometheus 1990.
A.
Honneth, Kampf um Anerkennung, Frankfurt/M.: Suhrkamp 1994.
M.
Horkheimer/T.W. Adorno, Dialektik der Aufklärung, Frankfurt/M.: Fischer
1977.
F.E. Katz, Ordinary People and Extraordinary
Evil: A Report on the Beguilings of Evil, Albany: State University of New
York Press 1993.
A. Macfarlane, The root of all evil, in: D.
Parkin ed., The Antropology of Evil, Oxford etc.: Basil Blackwell 1985,
57-76.
J. Milbank, Theology and Social Theory:
Beyond Secular Reason, Oxford etc.: Basil Blackwell 1990.
S. Milgram, Obedience to Authority,
London: Tavistock 1974.
W.J.
Otten, Het raadsel van het verklaarbare kwaad, in: Van der Ven 1999.
D. Pocock, Unruly Evil, in: D. Parkin ed.,
The Anthropology of Evil, Oxford etc.: Basil Blackwell 1985, 42-56.
P. Ricoeur, Het kwaad: Een uitdaging aan de
filosofie en aan de theologie, Kampen: Kok Agora 1992 (Le mal: Un défi
à la philosophie et théologie, Genève: Labor et Fides 1986)
R. Rosenbaum, Explaining Hitler: The Search
for the Origens of his Evil, New York: Random House 1998 (Waarom Hitler? Een
zoektocht naar de wortels van het kwaad, Amsterdam: Prometheus 1999).
R. Safranski, Das Böse: Oder das Drama der
Freiheit, München: Hanser 1997.
P. Stanford, The Devil: A Biography, New
York: Henry Holt and Company 1996.
C.
van der Ven, Het kwaad: Visies en verhalen, Amsterdam: De Geus 1999.
De
verbeelding van het kwaad, Etnofoor, V/1,2/1992.
S.
Vierzig, Das Böse, Stuttgart etc.: Kohlhammer 1984.
F.
de Waal, Van nature goed: Over de oorsprong van goed en kwaad in mensen en
andere dieren, Amsterdam/Antwerpen: Contact 1996.
Wallerstein et al., Open the Social Sciences:
Report of the Gulbenkian Commission on the Restructuring of the Social Sciences,
Stanford: Stanford U.P. 1996.
Wojak, I.,
Eichmanns Memoiren: Ein kritischer Essay, Frankfurt/New York:
Campus 2001.
[1] Geen enkele geleerde daar ben ik zo goed als zeker van neemt aan dat om t even wie vrijwillig zondigt of vrijwillig lelijke of slechte daden verricht; ze weten integendeel zeer goed dat ieder die het lelijke en slechte bedrijft zulks onvrijwillig doet. En Plato vervolgt met een redenering die er op neer komt, dat het doen van een slechte daad altijd een doel heeft dat uiteindelijk goed genoemd kan worden. Augustinus, zo zal ik nog aangeven, gaf toe dat veel kwade handelingen zo geduid kunnen worden, maar niet alle, waarmee hij de mysterieuze werkelijkheid van het kwaad in het licht stelde.