Een virtuele mythe? Transgender gemeenschappen op internet

Wim Haan

 

In het derde nummer van de vorige jaargang van In de Marge is een artikel verschenen van ‘yemisi@chello.nl’, waarin de Nederlandse virtuele T-gemeenschap (verder NTG) (met ‘T‘ wordt gedoeld op travestie, transgender, transseksualiteit) wordt geïntroduceerd. (zie www.bezinningscentrum.nl/virtueel ). In de inleiding van het artikel kunnen we lezen dat ‘in een vervolgartikel een lid van de redactie van In de Marge in meer algemene zin zal ingaan op de betekenis van virtuele gemeenschappen op het net’. Aan mij dus de eer om enige ‘algemene’ kanttekeningen te plaatsen bij de schets zoals Yemisi die in haar artikel van september 2001 heeft gegeven.

 

 

Joan en Alex

In veel boeken over internetgemeenschappen wordt in geuren en kleuren het volgende verhaal verteld, het gaat over Alex en Joan.1 In de jaren tachtig waren Joan en haar partner Alex populaire figuren in de internetscene. Alex, een psychiater uit New York, was de vriend en mentor van Joan. Joan was zwaar gehandicapt door een auto-ongeluk waarbij haar partner overleed, zij haar spraak verloor en deels verlamd raakte. Gekluisterd aan haar rolstoel vond zij door de electronische communicatie via internet een nieuwe kennissen- en vriendenkring. Joan was zeer geliefd bij veel vrouwen vanwege haar invoelend vermogen, bewogenheid en betrokkenheid, en haar gave om echt te helpen en mee te denken in problematische situaties. Hoewel niemand haar ooit had ontmoet, onderhield ze op internet een aantal intieme relaties met vrouwen en fungeerde ze als vertrouwenspersoon voor de vrouwen die (niet-virtuele) intieme banden hadden aangeknoopt met haar mentor en vriend Alex. Toen verscheen op internet een bericht dat de toestand van Joan verslechterde en ze in een ziekenhuis op sterven lag. Dit leidde tot de schokkende onthulling dat Joan helemaal niet bestond en in feite een constructie van Alex was.

Alex had een reden voor die constructie. Bij toeval had hij in een contact met één van zijn vrouwelijke cliënten ontdekt dat de communicatie veel soepeler verliep vanaf het moment dat zij dacht dat hij een vrouw was. Vervolgens creëerde hij het personage Joan, en met succes, want vrouwen toonden zich veel openhartiger tegen Joan dan tegen Alex.

Er stak een storm van verontwaardiging op over de handelwijze van Alex. Veel vrouwen raakten bovendien getraumatiseerd omdat hun beste vriendin het ‘product van een mannelijke geest’ bleek te zijn. Er kwam zelfs een debat op gang of het niet zaak was om internet aan strengere regels te onderwerpen en methoden te bedenken om de identiteit, en daarmee de intenties en authenticiteit, van deelnemers te kunnen achterhalen. Maar wat was nu de grootste teleurstelling? Niet zozeer dat veel vrouwen zich virtueel misbruikt voelden, als wel de schok dat Joan helemaal niet bleek te bestaan.

We hebben hier te maken met een typische internetproblematiek, waarvan het moeilijk voorstelbaar is dat zoiets in het ‘echte leven’ zou gebeuren. Wat hier aan de orde is, zijn vragen rond de moraal, wat wel mag en wat niet. Maar tegelijkertijd speelt ook een rol de kwestie van ‘internet-identiteiten’, die een geheel eigen aard hebben. Verschuivende en vervloeiende identiteiten, overschrijding van de vaste rolpatronen van man en vrouw. Cyberspace is, in de woorden van Jodi O’ Brien, sociologe aan Seattle University ‘…an amorphous realm in which identities are liquid; one can author oneself as any THING that one can imagine’.2

Juist in de ‘virtuele wereld’ waarin Yemisi vertoeft is dat een belangrijk punt: in de T-wereld gaat het nu precies om dat grensoverschrijdende gedrag, het enge keurslijf van óf man óf vrouw dat wordt overstegen.

Als het gaat om de identiteiten op internet is het moeilijk om algemene regels te formuleren voor ‘good practice’, te meer omdat die identiteiten juist goed aansluiten bij het eigen karakter van de communicatie via internet. In haar boeiende artikel ‘Gender (re)production in online interaction’, geeft O’Brien de tekortkomingen aan van het morele kader dat traditioneel wordt toegepast op relaties en communicatie.3 Ze geeft in overweging om intentie en niet ‘belichaamde authenticiteit’ als normerend beginsel te hanteren. Dit mede tegen de achtergrond van het gegeven dat mensen de mogelijkheid hebben om ‘mentaal’ van geslacht te veranderen of zich van hun geslacht te ontdoen, via hun eigen verbeeldingskracht. Elk geval moet niettemin wel op zichzelf beoordeeld worden: is hier sprake van toelaatbare fictie, bewuste oplichting of pathologie, of – in het geval van transgender en transseksualiteit – wordt enkel gevarieerd op het thema van de geslachtelijkheid?

Tegen deze achtergrond moet m.i. overigens ook de rol van het ‘virtuele type’ Yemisi worden bezien: belangrijker dan de belichaamde authenticiteit van haar rol in de NTG lijkt de kwestie van de intentionaliteit: met welk doel is het artikel geschreven. Ik zal daar in het vervolg van dit artikel meer over zeggen.

 

 

Definities

Wat Yemisi in haar artikel nalaat te doen is een duidelijke definitie geven van de term ‘virtueel’. Haar uitvoerige beschrijving van de NTG maakt wel duidelijk over welke maatschappelijke groep ze het heeft. Maar wat is nu precies de virtuele pendant van die groep? En wat is een ‘virtueel type’, een aanduiding die ze op zichzelf toepast?

Voor een definitie van het woord ‘virtueel’ sluit ik me aan bij de omschrijving van Marianne van den Boomen.4 Het woord betekent oorspronkelijk als mogelijkheid, als potentie aanwezig, denkbeeldig. In de context van internet is het vervolgens gaan betekenen ‘in digitale vorm aanwezig, op een beeldscherm of in een computergeheugen’ Dat is ook van toepassing op virtual community. De bedenker van dat begrip, Howard Rheingold, drukt het als volgt uit: ‘Virtual communities are social aggregations that emerge from the Net when enough people interact for long enough, with sufficient human feeling, to form webs of personal relationships in cyberspace’.5 In de definitie van Rheingold wordt virtuele gemeenschap dus geassocieerd met een vorm van sociale interactie in de ‘echte’ wereld. Een virtuele gemeenschap is dus eigenlijk een uitbreiding, een uitbouw van een meer conventionele gemeenschap die al in de maatschappij aanwezig is.

Bij de toepassing van het woord ‘virtueel’ op een personage, een ‘type’, gaat het dus niet om een denkbeeldig, fake personage, maar om een persoon die een intentionele rol speelt op internet; met opzet voeg ik ook hier weer het woord intentie toe, om redenen zoals eerder vermeld. Het is eigenlijk het uitbouwen van de traditionele rollen van deelnemer en toeschouwer, rollen die je speelt wanneer je tegelijkertijd participeert in een gemeenschap en erover schrijft.

De vaststelling dat we te maken hebben met varianten van ‘sociale gemeenschappen’ betekent dat we het belang van virtuele gemeenschappen kunnen toetsen aan soortgelijke criteria als gehanteerd voor gemeenschappen in het ‘echte leven’. Toch ligt, meer nog dan bij sociale gemeenschappen, het gevaar op de loer dat we uitgaan van ideaaltypen bij de beoordeling van positieve mogelijkheden en risico’s van virtuele gemeenschappen. We lopen namelijk het gevaar dat we ons spiegelen aan het standaardvoorbeeld van een gemeenschap die onbesmet zou zijn door technologische veranderingen, bureaucratisering, industrialisering. etc. Daarbij vergeten we dat die ontwikkelingen een krachtig stempel hebben gedrukt op die traditionele gemeenschap. Dat heeft ertoe geleid dat men gemeenschap, in plaats van in termen van ‘ruimte’ (een intensief op elkaar betrokken geheel van familie, buren, verwanten), eerder is gaan zien als een verzameling ‘sociale netwerken’, een term met een betekenis die aanzienlijk meer omvat dan die van de traditionele, overzichtelijke ‘neighbourhood’.

 

Online relaties – zeven vragen

Ik wil nu aan de hand van Wellman en Gulia de ‘online relaties’ van mensen vergelijken met de werkelijk bestaande gemeenschap.6 Ik volg hun vragen en probeer steeds een antwoord te geven op basis van indrukken en ervaringen van de NTG op het Net. Ik spits dat zoveel mogelijk toe op de virtuele gemeenschap waar Yemisi over schrijft, de NTG; het gaat me niet zozeer om de algemene problematiek. De moeilijkheid is dat over de betekenis van de virtuele T-gemeenschap nagenoeg niets is geschreven, zodat ik de ervaringen van Yemisi en ‘verhalen op het net’ – en dat zijn er legio – als uitgangspunt moet nemen. Uiteindelijk zijn het de deelnemers zelf immers die bepalen hoe die ‘virtuele gemeenschap’ voor hen functioneert.

Wellman en Gulia formuleren zeven vragen om het belang van virtuele gemeenschappen te beoordelen.

1. Zijn online relaties beperkt en gespecialiseerd, of breed en ondersteunend? (Welk soort ‘support’ kan men verwachten aan te treffen in de virtuele gemeenschap?)

De NTG is gespecialiseerd wat de herkomst van de deelnemers betreft: veelal personen die hun eigen gender rol niet kunnen plaatsen in de traditionele man-vrouw verdeling. T’s dus, soms hun partner en een aanzienlijk potentieel van uitsluitend in seks en erotiek geïnteresseerde ‘admirers’. Maar binnen het totaal van de georganiseerde NTG is dat een verwaarloosbare groep.

De subvraag, de kwestie welke soort van ‘support’ men kan vinden, wordt in de NTG ruimschoots beantwoord. Naast informatie over wat het T-leven kan inhouden is er sprake van vriendschap, sociale steun en het gevoel ergens echt bij te horen. En natuurlijk allerlei praktische zaken zoals waar koop ik mijn spullen, hoe maak ik me netjes op, kledingtips e.d. Hoewel het medische probleem van de overgang van man naar vrouw de gesprekken binnen de specifieke TS-groepen domineert, met daarnaast natuurlijk ook aandacht voor de juridische consequenties, arbeidsrelaties die onder druk komen te staan etc., gaat het toch om een ondersteuning en om gespreksonderwerpen die een veel wijdere strekking hebben. Yemisi heeft daarop al gewezen in haar artikel: de chat functioneert als de virtuele huiskamer of dito kroeg. Maar ook de mogelijkheid om elkaar virtueel te leren kennen en vervolgens een afspraak te maken om elkaar in werkelijkheid te ontmoeten, illustreert duidelijk de breedte van de NTG. Juist voor deze groep die toch vaak in een relatief isolement verkeert, is dat belangrijk.

2. Op welke wijze zijn de vele ‘weak ties’ op het net zinvol? Als we ervan uitgaan dat het Net de mogelijkheden beïnvloedt van mensen om zwakkere banden, minder intieme vriendschappen te onderhouden en nieuwe relaties te ontwikkelen, waarom tonen participanten op het Net zich dan behulpzaam voor mensen die ze nauwelijks kennen?

Het is opvallend dat mensen op het Net zeer behulpzaam zijn voor anderen die ze niet of nauwelijks kennen; de NTG vormt daarop geen uitzondering. Al bij een eerste kennismaking op een chatkanaal wordt de nieuweling overstroomd met een aanbod van informatie en hulp op diverse terreinen. Tot het tegendeel blijkt, is er vertrouwen in de oprechte bedoelingen van de hulpzoeker. Ook uit de diverse forums blijkt grote bereidheid om te helpen. Dat lijkt overigens een schril contrast van ontwikkelingen in de maatschappij waardoor mensen steeds minder bereid zijn voor elkaar in de bres te springen. Een mogelijk motief voor die behulpzaamheid op het net is dat dit statusverhogend werkt. Voor veel internetters is hun deskundigheid en dus ook de hulp die op basis van die deskundigheid wordt geboden constitutief voor de eigen ‘virtuele identiteit’. Bij de NTG moet overigens ook worden beklemtoond dat een deel van de gemeenschap zelf al diep is gegaan, en heel wat ellende heeft meegemaakt in verband met het ‘outen’ van de alternatieve genderidentiteit. Vanuit die eigen wordingsgang bestaat dan ook de oprechte behoefte om anderen te helpen een wat soepeler traject te doorlopen. Tenslotte is het nog zo dat de ‘weak ties’ op het net veel beter in staat zijn om sociale verschillen tussen mensen te overbruggen dan sterke banden.

3. Is de behulpzaamheid op het Net wederkerig? Ontwikkelen mensen betrokkenheid bij de virtuele gemeenschap, zodat wederzijdsheid en onderlinge solidariteit worden bevorderd?

De ervaringen van Yemisi zijn in dit opzicht dubbel. Hoewel ze in haar overzicht van positieve en negatieve ervaringen melding maakt van een sterke wederkerigheid - zeker waar het gaat om de virtuele gemeenschap als ‘rouwgemeenschap’ wanneer één van de leden overlijdt - is er ook de teleurstelling, wanneer de energie die ze steekt in de gemeenschap niet beantwoord wordt. Dit spoort overigens met de ervaring van anderen, die in de soapserie waar het Net toch ook vaak aan doet denken, toch merken dat je vaak alleen blijft staan, vooral als de nood aan de mens komt. Misschien is dat wel een bevestiging van het vorige: anderen helpen kan het gevoel van eigenwaarde vergroten en het werkt tevens statusverhogend. Het hoeft dus nog geen teken te zijn van echte betrokkenheid bij anderen.

Ik acht het niet uitgesloten dat de ervaringen van Yemisi op dit punt beperkt zijn. Er zijn voorbeelden te over van de wat gevorderde T’s die hun beginnende vriendinnen meenemen naar buiten, behulpzaam zijn bij problemen, en elkaar begeleiden bij de eerste gang naar het Gender-Team van het VU Medisch Centrum. De TS-community van één van de virtuele t-organisaties heeft een hele lijst van telefoonnummers van elkaar, zodat er in ieder geval de mogelijkheid is om iemand te contacten wanneer men diep in de put zit.

4. Zijn hechte, intieme relaties mogelijk op het Net?

Kunnen binnen de NTG sociale banden worden ontwikkeld die sterk en intiem zijn, relaties die vaak de kern van een gemeenschap vormen? Deze vraag is misschien wel het moeilijkst te beantwoorden. Wellman en Gulia merken op dat sterke online banden dezelfde karakteristieken hebben als sterke ‘offline’ banden. Veel critici van het Net zijn ervan overtuigd dat het onmogelijk is op het Net hechte en intieme relaties op te bouwen en te onderhouden. Die critici verliezen overigens uit het oog dat er zeer hechte banden bestaan tussen mensen die zowel op het Net met elkaar spreken, alsook in werkelijkheid een (vriendschaps-)relatie onderhouden. Vaak kan er geen strikt onderscheid worden gemaakt tussen sterke online en offline banden. ‘Intimiteit in virtuele gemeenschappen is een illussie, zo meent Clifford Stoll: ‘Electronic communication is an instantaneous and illusory contact that creates a sense of intimacy without the emotional investment that leads to close friendships’.7 Yemisi’s ervaringen in de NTG lijken Stoll’s vrees te bevestigen.

5. Wat zijn de gevolgen van een intensieve betrokkenheid bij gemeenschappen op het Net voor relaties in het echte leven?

Deze vraag gaat er eigenlijk van uit dat mensen zelf een verdeling aanbrengen tussen ‘het Net’ en het echte leven. Voor veel deelnemers aan de NTG vloeien die sferen echter in elkaar over. Ik heb dat al bij de vorige vraag uitvoerig gesignaleerd. Al kan de participatie in de NTG zo dominant zijn dat de hele werkelijkheid gekleurd lijkt te worden door wat zich in de virtuele NTG voltrekt, veel vaker is het één een aanvulling op het andere. Er blijft wel een probleem. Mensen kunnen in de NTG zichzelf zijn, terwijl de T-thematiek en levenswijze in het echte leven nog vaak op veel onbegrip stuit. In die zin is het verleidelijk om veel tijd te steken in een NTG waar je geaccepteerd wordt zoals je bent en daarmee de serieuze confrontatie met de buitenwereld uit de weg te gaan. Verhalen van T’s en hun partners op de website www.travestie.org bevestigen dat. Ook zijn virtuele contacten soms makkelijker dan echte. Iets wat je iemand moeilijk in zijn gezicht kan zeggen, is per e-mail toch eenvoudiger over te brengen. En veiliger natuurlijk, in een gemeenschap waar chantage en afkeuring om de eigen levenswijze nog steeds schrikbeelden zijn. Tegelijkertijd maken Yemisi’s ervaringen ook duidelijk dat het uiteindelijk gaat om de relatie, niet zozeer om het communicatiemiddel.

6. In welk opzicht stimuleert de deelname aan het net de diversiteit van gemeenschapsbanden?

Het unieke van het Net is dat iemand tegelijkertijd in verschillende gemeenschappen kan participeren. In sommige kun je heel actief participeren, in andere incidenteel, in weer andere als stille toeschouwer. In hoeverre de participatie in de NTG ook bevorderlijk is voor deelname aan andere virtuele gemeenschappen, wordt uit de ervaringen van Yemisi niet duidelijk. Soms zie je mensen beginnen in de travestie.org chat en later overgaan naar meer serieuze gespreksfora. Maar de vraag of de participatie in de NTG ook leidt tot een (regelmatig) bezoek aan geheel andere virtuele gemeenschappen, blijft vooralsnog onbeantwoord. Yemisi’s ervaringen duiden eerder op het tegendeel.

7. Zijn virtuele gemeenschappen ‘echte’ gemeenschappen?

Ik ben geneigd om die vraag bevestigend te beantwoorden als het gaat om de NTG. De positieve beantwoording van de hiervoor gestelde vragen wijst daar al op. Maar er is wel een complicatie: er bestaat in Nederland geen ‘echte’ T-gemeenschap. Velen die met T-kwesties bezig zijn, leven in het verborgene. De virtuele NTG is hun enige gemeenschap.

Dat roept de vraag op of het bestaan van een NTG misschien een obstakel oplevert voor het ontstaan van een echte T-gemeenschap in Nederland. Ik refereer aan de woorden van Arianne van der Ven, die wijst op het ‘ego-centrisme’ van veel T’s in Nederland, in vergelijking met bij voorbeeld de Verenigde Staten.8 Een citaat: "De Nederlandse transen identificeren zich met een innerlijke essentie, zien zichzelf als misfits, en gaan dat oplossen. De houding is: als het met mij maar goed gaat. Er wordt niet bij stilgestaan hoe de maatschappij mannelijkheid en vrouwelijkheid constitueert, en hoe onderdrukkend dat voor iedereen is." En een eindje verder: "De Nederlandse kijk op transgender als iets puur persoonlijks, is een pijnpunt voor mij. Transen zien zichzelf als ‘gewoon een vrouw’. Maar alleen al dat woordje ‘vrouw’ … alsof dat een natuurlijk toestand is."

Zolang zich in Nederland nog geen hechte echte gemeenschap heeft gevormd, kleven er ook duidelijk risico’s aan een virtuele variant, temeer wanneer die virtuele pendant wordt gedomineerd door één sector van de toch zeer diverse T-scene. Zo pretenderen bijvoorbeeld de chat en de website van www.travestie.org er voor de gehele T-gemeenschap in Nederland te zijn; toch worden ze sterk gedomineerd door de TV-geleding van die gemeenschap.

 

 

Een ander geluid

Op de gendertalk-website heb ik een artikel aangetroffen van Nancy R. Nangeroni, waarin ze een optimistische schets geeft van de internationale virtual transgender movement.9 De transgender richt de aandacht op een enorme blinde vlek in onze cultuur, namelijk de vooronderstelling van een binaire norm voor seksualiteit en geslachtelijke rol. Het bestaan alleen al van een transgender persoon en –gemeenschap houdt een stevige kritiek in op dat binaire keurslijf.

Waar het de homobeweging is gelukt om bij de diverse gay-events duizenden op de been te brengen, blijven de transgender-events vaak steken op ten hoogste een paar honderd deelnemers.10 Als je echter kijkt naar de omvang van de T-gemeenschap op het Net en de aandacht van de media voor T-kwesties, kun je niet anders dan onder de indruk komen van de impact van deze beweging.

Nangeroni noemt daarvoor verschillende oorzaken. In de eerste plaats is de beweging veel breder samengesteld dan enkel uit mensen die zichzelf als transgender identificeren. Er is een veel groter aantal mensen die sympathiseren met de zaken waar transgenders voor staan. De steun die mensen krijgen zal voor een deel te maken hebben met het medeleven met en betrokkenheid bij de strijd van anderen, maar meer nog de steun voor een grotere vrijheid van ‘genderexpressie’. Haar conclusie is dan ook dat transgender een voertuig vormt voor iedereen die een losser gender-rol model voorstaat. ‘It is a movement that goes beyond identity’ stelt Nangeroni vast. Door op te komen voor de vrijheid van iedereen om voor zichzelf de expressie van gender te bepalen, is de beweging eigenlijk vanzelf een ‘virtuele beweging’ geworden, een beweging van de samenleving naar een ideaal, en niet van individuen naar een concreet doel, aldus Nangeroni. Zij sluit haar verhaal af met een citaat van Tonye Barreto-Neto: ‘It’s fear of ridicule that keeps the transgender community so small. Transgenderism is about spiritual wholeness. It would be more popular than homosexuality, if people weren’t so afraid of being ridiculed.’

 

 

Yemisi revisited

In het voorgaande heb ik laten zien dat een virtuele gemeenschap op het Net grote betekenis kan hebben: een gemeenschap die zich sterk maakt om ruimte te geven aan mensen voor een vrijere gender-expressie. Maar tegelijk ook een gemeenschap die zelf ruimte moet geven, ruimte voor zelfkritiek, ruimte om telkens weer het functioneren, en beter functioneren, van die gemeenschap onderling te bediscussiëren. Dat vergt misschien ook, in aansluiting op de woorden van Van der Ven, dat de gemeenschap zich meer bewust wordt van haar maatschappelijke invloed én verantwoordelijkheid. En bovendien dat de houding van ‘alles moet kunnen, als ik me er maar lekker bij voel’ kritisch onder de loep wordt genomen.

Tot slot Yemisi. Een virtueel type, zo beschrijft ze zichzelf. Maar meer dan een type, de virtuele pendant van iemand die zich betrokken weet bij de transgender gemeenschap. En natuurlijk, ik zal het niet zo ver laten komen als bij de geruchtmakende Alex en Joan affaire. Wie de schrijfstijl van Yemisi aandachtig bestudeert en de bedoeling van haar bijdrage naast mijn meer afstandelijke benadering legt, zal het snel duidelijk zijn: Yemisi en de schrijver dezes zijn één, zoals alle ‘figuranten’ op het net één zijn met een mens van vlees en bloed die erachter steekt. Geeft dat een nieuw, verrassend zicht op de duiding van de twee verhalen? Ik denk het niet. Er staat wat er staat, en je kunt ermee instemmen of niet. Zowel internet als In de Marge blijven ‘talige’ media, je leest een tekst en vormt je er een oordeel over. Ongeacht of er een oudere heer of een jonge dame achter steekt …

 

 

Dankwoord

Voor commentaar op een eerdere versie van dit artikel ben ik veel dank verschuldigd aan de redactie van In de Marge en mijn collega’s van het Bezinningscentrum. Bart Voorsluis in het bijzonder voor talrijke redactionele ingrepen. En een speciaal woord van dank voor Ilona die me op diverse tekortkomingen van de waarneming van Yemisi heeft gewezen.

 

 

Noten en literatuur

 

1. We treffen het verhaal o.a. aan in Marc A. Smit en Peter Kollock (eds), Communities in Cyberspace, London/New York 1999 (Routledge) (p. 88-93, in de bijdrage van Jodi O’Brien). Ook Marianne van den Boomen refereert aan het verhaal in haar Leven op het Net. De sociale betekenis van virtuele gemeenschappen, Amsterdam 2000 (Instituut voor Publiek en Politiek), p. 126.

2. Jodi O’Brien, Writing in the body. Gender (re)production in online interaction, in: M.A. Smit & P. Kollock, a.w.

3. idem, p. 92.

4. De definitie wordt aangehaald in een internetartikel van Marianne van den Boomen: http://www.xs4all.net/~boom/hs8.html .

5. De definitie treffen we o.a. aan in David Holmes (ed.), Virtual Politics. Identity & Community in Cyberspace, London/Thousand Oaks 1997 (Sage Publications), p. 239.

6. Barry Wellman & Milena Gulia, Virtual Communities as communities, in: M.A. Smit & P. Kollock, a.w., p. 167-194.

7. Clifford Stoll, Silicon Snake Oil: Second Thoughts on the Information Highway, New York 1995 (Doubleday), p. 24.

8. Een interview van Tim de Jong met Arianne van der Ven, verschenen in het tijdschrift Continuüm, eveneens gepubliceerd op de website van Continuüm: http://www.continuum.nl/artikelen/intdj05.htm .

9. Nancy R. Nangeroni, The Virtual Movement. When the rules change, it pays to notice, verschenen op de gendertalk website: http://www.gendertalk.com/comment/virtual.htm .

10. Ilona heeft me in een uitvoerige reactie op deze bijdrage gewezen op een kwestie die ik niet onvermeld wil laten. Ik citeer haar commentaar bij het paragraafje ‘Een ander geluid’: "Ik weet niet of Nangeroni aandacht geeft aan een specifiek element. Kijk, homo’s hebben een relatie met een homo, die hebben niks voor elkaar te verbergen. Homo’s hebben zelden kinderen waarvoor ze iets te verbergen hebben of die ze willen beschermen tegen gepest op school. Dat ligt anders voor T’s. Specifiek voor TS-sen: die willen eigenlijk, als het even kan, gewoon stealth leven: als het eenmaal allemaal achter de rug is, je eindelijk wijden aan je zo duur bevochten leven … je carrière weer oppakken, en ervan genieten dat nieuwe collega’s je nooit anders aanspreken dan als mevrouw, bij je voornaam. Je probleem is eindelijk opgelost ... eindelijk leef je en na een tijd weet niemand het meer. TS-zijn is geen seksuele voorkeur/geaardheid waar een taboe op rust … het is een sociaal-medisch probleem dat (bijna geheel) oplosbaar is … en dan ben je dan eindelijk vrouw, dan wil je ook vrouw zijn. En niet meer de barrikades op voor TV’s en TG’s … hooguit nog een keer voor andere TS-sen, maar dan wel liefst in het verborgene."

 

Zie verder voor internetinfo:

www.bezinningscentrum.nl/links/special_links.shtml

 

Reacties op dit artikel zijn welkom bij de auteur: wtg.haan@mdw.vu.nl (oh ja, yemisi@chello.nl is ook goed)