Onrust in Genderland

 

Wim Haan

 

naar aanleiding van The Man Who Would Be Queen, The Science of Gender-Bending and Transsexualism, van J. Michael Bailey, Joseph Henry Press, Washington D.C., 2003;

en ‘De hype van vandaag is het schandaal van morgen’, interview met Joost à Campo, in: Psy, jaargang 7 – nummer 7, 30 mei 2003 (in het vervolg PSY);

en ‘Psychiatric Comorbidity of Gender Identity Disorders: A Survey Among Dutch Psychiatrists’, Joost à Campo et all., in: American Journal of Psychiatry 160: 7, July 2003 (in het vervolg AJP).

 

Voor sommige mensen die al lange tijd met grote onduidelijkheid zitten over hun genderbeleving is het een snel leerproces. Gesprekken met mensen die dezelfde ervaringen hebben leiden ertoe dat ‘alles op zijn plek lijkt te vallen’. Contacten met geestverwanten en lotgenoten brengen duidelijkheid, het leven raakt in een stroomversnelling. Het lezen van boeken over genderdysforie, de ontmoeting met mensen, het draagt allemaal bij aan het ‘outen’, je durft meer van jezelf te laten zien. Voor een niet onaanzienlijk aantal mensen betekent die stroomversnelling dat het incidenteel crossdressen, ‘vrouwelijkheid uiten’, al snel overgaat in een ander gevoel: “ik ben niet alleen maar travestiet, maar waarschijnlijk transgender, of misschien wel transseksueel”. De positief bevestigende omgeving van internet draagt ertoe bij dat mensen grenzen gaan verleggen. Je praat met degenen die je zijn voorgegaan, en die mensen zijn in de regel niet te beroerd om je een handje te helpen, je ‘op weg te helpen’, eerst naar een T&T bijeenkomst, later misschien een bezoek bij Humanitas, en na enige tijd … het genderteam van het VU medisch centrum. En uiteindelijk misschien: het groene licht voor het transitieproces, de hormonen, de real life test en na twee-en-een-half tot drie jaar het grote moment: de geslachtveranderende operatie. En dan begint het (nieuwe) leven, als (trans)vrouw of –man, in een lichaam dat hoort bij het gevoel dat je altijd al had. En je leeft nog lang en gelukkig …

 

Dat zou (grof geschetst en nogal gesimplificeerd) de ontwikkeling kunnen zijn van mensen die na jaren onzekerheid over hun man- of vrouwzijn hun problemen leren duiden als genderdysforie. Die bij anderen zien dat dat niet iets is om je voor te schamen, sterker nog, dat het een meerwaarde is in je leven, en dat het van belang is om er iets aan – maar meer nog mee – te doen. Wat dus jarenlang een enorm complexe materie was, een schaduwzijde van je bestaan, die veelal in het verborgene gevoeld en geleefd werd, blijkt uiteindelijk vrij eenvoudig te verklaren. Althans dat is wat je ‘gevoelsgenoten’ op internet, en de mensen die vervolgens ook ‘in het echt ontmoet’ je vertellen. En zo voelt het ook: je bent niet meer alleen, je bent deel geworden van een gemeenschap, en de ontwikkeling die je doormaakt is er één van jou en je zusters, diegenen die hetzelfde meemaken. Het betekent niet dat de weg eenvoudig is overigens: de duiding mag wel helder zijn, je weet eindelijk waar je aan toe bent, maar het proces is pijnlijk en zwaar. Niet alleen de medicalisering van een gezond lichaam, want dat is strikt genomen toch wat er eigenlijk gebeurt. Neen, meer nog de omgeving. Het gevoel bekeken te worden, problemen met het functioneren op je werk, problemen met de familie, vrienden die het laten afweten …

 

Changement de decor … Er zijn mensen die ogenschijnlijk een goed leven leiden, getrouwd, kinderen, goede baan. In de ogen van de buitenwacht lijkt alles prima te gaan. Zelfs de geliefde, de goede vriend/vriendin heeft niet in de gaten dat er iets aan schort. Maar zelf voel je een leegte. Vaak sluimert dat leeg gevoel, maar soms komt het heftig naar boven. En soms kan het zo overheersend zijn dat het alle positieve dingen in het leven vertroebelt. Je mist iets, en dat ‘iets’ is zeker niet van materiële aard. Een vriendin vraagt je op een avond of je zin hebt om mee te gaan naar een lezing, er komt een of andere spirituele leider naar de stad, met een verhaal over hoe je je leven meer diepte kunt geven, meer inhoud, hoe je jezelf kunt ontdekken, in ieder geval beter in contact kunt komen met je diepste kern. Hoewel je niet van het zweverige houdt wil je je vriendin niet teleurstellen, en gaat dus met haar mee naar de lezing. Er hangt een heel leuke sfeer in het lokaal waar de lezing gehouden worden, de mensen stralen iets uit wat je meteen een heel vertrouwd gevoel geeft. Het verhaal van de inleiders slaat bij je in als een bom, het is als een herkenning, het vage gevoel dat je altijd hebt gehad wordt plots helder onder woorden gebracht. Na die avond besluit je dat je er meer van wilt weten, je gaat vaker lezingen bezoeken, en het word je steeds duidelijker wat je in je dagelijks leven mist. Je ontmoet steeds meer mensen die precies zo voelen. Je sluimerend ongenoegen, de leegte, ga je leren duiden als een spiritueel probleem. Een probleem waar een oplossing voor is. Die oplossing houdt in dat je je los moet maken van allerlei materiële kwesties. Los maken ook van allerlei oppervlakkige contacten. En mensen die niet mee kunnen voelen, die je niet kunnen volgen … die kun je beter links laten liggen. Zeker die ‘vrienden’ die je nu plots allerlei kritische vragen gaan stellen, die zich afvragen of je misschien wel overspannen bent, en je suggereren dat het misschien beter is dat je je een tijdje terugtrekt uit die rare spirituele club, waar je inmiddels dagelijks naar toe gaat.

 

De twee verhalen hebben naast veel verschillen ook enige overeenkomsten. Zo is er bijvoorbeeld de oninvoelbaarheid door andere mensen van het probleem waar je mee zit, en ook de oninvoelbaarheid van het antwoord, de verklaring die je ontdekt. De belangrijkste overeenkomst zit hem dus eigenlijk in de duiding: in beide gevallen wordt een vaag, slepend, langdurig gevoel dat er iets mis zit, helder geduid: in het ene geval is het genderdysforie, in het andere gevoel is het spirituele dysforie, om het zo maar eens te noemen.

 

De lezer zal al lang de draad kwijt zijn, in de titel wordt gesuggereerd dat een aantal boeken wordt besproken over ‘gender bending’ en transseksualiteit. En in plaats daarvan twee verhalen die nauwelijks iets van doen lijken te hebben met de genoemde boeken en artikelen.

 

Voordat ik de twee auteurs en hun gedachtegoed introduceer, nog een korte persoonlijke noot, over mijn betrokkenheid bij de genderthematiek. Toen ik in mei 2000 voor de eerste keer in aanraking kwam met de ‘genderwereld’ op internet, was er ook bij mij zo’n herkenbaar gevoel: een onvrede die je in jezelf ervaart over je genderidentiteit krijgt een nieuwe duiding als je mensen ontmoet die ook worstelen met het man/vrouw keurslijf dat hen door de samenleving wordt opgedrongen. De aanvankelijke euforie heeft plaatsgemaakt voor een groeiend besef van de complexiteit van de thematiek. Hoe langer je met dit thema bezig bent, hoe meer je erover leest – maar belangrijker nog, hoe meer mensen je ontmoet, elk met hun persoonlijke ervaringen en levensweg – hoe ingewikkelder het wordt. Dat hoeft eigenlijk helemaal niet te verbazen. Zelfs degenen die zich als professional al decennia met genderdysforie en aanverwante thema’s bezighouden moeten toegeven dat de oorzaak van dit fenomeen nog steeds onbekend is. Er zijn tal van pogingen ondernomen om grip te krijgen op de processen die ten grondslag liggen aan dat allesdoordringende gevoel, nee, zekerheid, dat er iets goed fout is gegaan voor, tijdens of na de geboorte: van binnen vrouw … van buiten man (of omgekeerd uiteraard). Maar die pogingen zijn eigenlijk op niks uitgelopen. Men heeft in de loop van de tijd geleerd een classificatie aan te brengen, dat is waar, maar zelfs daarover bestaat nog geen unanieme overeenstemming.

 

Het is een onderwerp waar gemakkelijke antwoorden, eenduidige verklaringen, eenvoudige oplossingen, niet aan de orde zijn. En dat werkt naar twee kanten: dat speelt dus bij degenen die het overkomt, en bij diegenen die zich op een of andere manier er tegenaan bemoeien (betrokkenen in de meest brede zin, en uiteraard ook de professionals).

 

Het bovenstaande kort samengevat:

- voor mensen die leren hun problemen te duiden in de termen van genderdysforie is dat vaak een bevrijdende ervaring, er is niet alleen een verklaring voor dat jarenlange ongenoegen, er is ook nog een oplossing, een manier om er iets mee te doen, aan te doen;

- de problematiek is dermate complex dat eenvoudige verklaringen geen pas hebben, en dat geldt zowel voor degenen die genderdysforie ervaren, als degenen die zich daar wetenschappelijk of anderszins tegen aan bemoeien.

 

Tegen deze achtergrond wil ik nu Joost à Campo en J. Michael Bailey introduceren. Twee auteurs die het afgelopen half jaar geruchtmakende publicaties het licht hebben doen zien over genderdysforie en transseksualiteit.

À Campo is psychiater en opleider in een psychiatrisch ziekenhuis in het zuiden des lands. Voor de helft van de tijd is hij behandelaar, van één van de meest problematische psychiatrische populaties die er bestaan, namelijk schizofrene verslaafden, die vaak op rechterlijk dwangbevel in de gesloten afdeling van de kliniek terecht komen. Voor de andere helft onderzoeker en opleider. In het najaar verschijnt zijn dissertatie over ‘Veranderingen van het uiterlijk in relatie tot psychose’.

J. Michael Bailey is hoogleraar psychologie aan de North Western University in Evanston, Illinois, en heeft zich in zijn onderzoek en onderwijs met name met het ontstaan en de achtergronden van seksuele gerichtheid beziggehouden. Veel van zijn publicaties gaan over homoseksualiteit.

Beide zijn geen transgenderspecialisten, in die zin dat hun hoofdpublicaties niet over transgender of transseksualiteit handelen. Ze zijn ook geen lid van de ‘beroepsorganisatie’ van genderspecialisten, namelijk de Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association.

Bij À Campo gaan twee hoofdstukken van zijn dissertatie over transseksuelen. Daarnaast heeft hij samen met drie collega’s onderzoek gedaan onder een groot aantal Nederlandse psychiaters over hun meningen en behandelwijze van mensen met ‘genderstoornissen’. In juli is een geruchtmakend interview met hem verschenen in het tijdschrift voor de Geestelijke Gezondheidszorg Psy. Dat interview heeft ook de landelijke pers gehaald, in de zin dat verschillende dagbladen enige ‘klinkende uitspraken’ tijdens het interview in een kort berichtje hebben geciteerd.

J. Michael Bailey heeft een boek onder de titel ‘The Man Who Would Be Queen’ geschreven, met als ondertitel ‘The Science of gender-bending and transsexualism’. Zowel de titel als ondertitel suggereren dat hier een boek is verschenen dat zich op een gedegen en omvattende wijze op transseksualiteit richt. Dat is niet het geval, twee van de drie delen van het boek gaan over homoseksualiteit en ‘feminine’, vrouwelijke jongens. Slechts het derde deel gaat in op (een categorisering van) transseksualiteit.

 

Behalve dat we dus in beide gevallen te maken hebben met auteurs die toch met name op andere gebieden grote deskundigheid genieten, zijn er nog meer overeenkomsten. Hun zorg richt zich meer specifiek op ‘genderkinderen’, de behandeling van en medische ingrepen bij jongeren en adolescenten. En natuurlijk is er ook een grote overeenkomst in de receptie van hun gedachtegoed: de felle reactie vanuit ‘genderkringen’ (zowel personen als organisaties). Op beiden is verontwaardigd gereageerd. En beide auteurs wordt verweten dat ze een compleet verdraaid beeld van de transseksuele werkelijkheid en dito hulpverlening neerzetten.

 

Na de overeenkomsten te hebben gesignaleerd wil ik nu wat dieper ingaan op de auteurs afzonderlijk. Voor wat betreft Joost à Campo zijn dat de twee publicaties die in de aanhef van deze bespreking worden genoemd, en een lang gesprek van drie-en-een-half uur dat ik met hem mocht voeren in Heerlen, in zijn werkkamer bij de Mondriaan Zorggroep. Zowel in PSY als in AJP uit hij zijn grote bezorgdheid over een aantal ontwikkelingen op het terrein van de behandeling van genderdysforie. Die zorg is met name gebaseerd op eigen ervaringen als behandelaar, en op vergelijkbare ervaringen van collega psychiaters zoals hij die destilleert uit een enquête, een enquête die ten grondslag ligt aan het AJP artikel. In het kort komt zijn kritiek op het volgende neer. Eén van de symptomen van een psychose kan de wens tot verandering van het uiterlijk zijn. Op basis van eigen ervaring en meningen van collega’s stelt hij vast dat er nogal wat patiënten met een genderstoornis naar de psychiater komen, waarbij feitelijk sprake is van ‘comorbiditeit’: naast de genderstoornis speelt ook nog iets anders, namelijk een lichte of zelfs wat heftigere vorm van psychose. De psychose ligt in sommige gevallen ten grondslag aan de wens tot geslachtsverandering (althans volgens de mening van de psychiaters). Juist omdat bij de genderteams de inbreng van een psychiater slechts marginaal is, bestaat het risico van een foutieve diagnostiek, is vervolgens de conclusie. Immers de behandeling van schizofrenie (met bijv. antipsychotica) is een heel andere dan de behandeling van ‘genderstoornissen’ i.c. genderdysforie. Dus de eerste kritiek is dat de diagnostische procedure moet veranderen, door er een prominentere plaats van de psychiater bij in te ruimen.

De fundamentele kritiek op de medische behandeling van ‘genderkinderen’ en –adolescenten sluit eigenlijk op het voorgaande aan. Immers de diagnose van schizofrenie kan pas met enige zekerheid worden gesteld bij jonge volwassenen. Wanneer je kinderen met puberteitsremmende middelen gaat behandelen, vanaf hun zestiende met hormonen, en op hun achttiende de geslachtsveranderende operatie, loop je het risico dat je feitelijk psychose behandelt als een genderstoornis, met de desastreuze gevolgen vandien.

Zijn conclusies zijn tweeledig:

- de indicatiestelling voor de behandeling van genderstoornissen moet veel strenger worden dan nu het geval is, met een grotere inbreng van psychiaters (PSY);

- bij de indicatiestelling van genderdysforie dient men te wachten tot jonge volwassenheid, en onafhankelijk commissies dienen verwijzingen en diagnoses van genderdysforie te toetsen en te evalueren; psychiaters zouden ruim vertegenwoordigd moeten zijn in dit soort commissies (AJP).

Ruis in het artikel van AJP, o.a. door de vermelding van enige ‘anekdotes’, en ruis in het interview in Psy in de vorm van enige emotionele uitlatingen (‘de hype van vandaag is het schandaal van morgen’ …, ‘het is merkwaardig dat een psycholoog het hoofd van een genderteam is’ …) hebben bij de selectie van verslaggevers van de landelijke media de boventoon gevoerd. Zo luidde de kop van een artikel in Trouw ‘Wens sekse-verandering vaak waanidee’, en wordt de kritiek van À Campo dermate aangedikt en uit zijn context getrokken dat je nog in gemoede mag afvragen of het wel zijn ideeën zijn die daar worden geciteerd.

 

De heftigheid van de reacties van hulpverleningsorganisaties en individuen (zowel op internet als op de podiumpagina van Trouw) kan deels verklaard worden uit het feit dat men zich niet baseert op het oorspronkelijk materiaal, maar op een kleine selectie daarvan in de dagbladpers. Daarnaast speelt echter een ander probleem.

 

Discussies rond geslachtsverandering en transseksualiteit vinden nooit in het luchtledige plaats. Juist vanwege de complexiteit van de thematiek is het moeilijk een discussie zonder ruis te voeren. Publieke aandacht voor het onderwerp in de vorm van one-liners en ongefundeerde oprispingen, leidt onvermijdelijk telkens tot verharding en verslechtering van de context waaronder genderteams en hulpverleners moeten werken. En vaak ook hebben die uitingen directe gevolgen voor de levensomstandigheden van degenen die met een genderprobleem zitten. De associatie ‘schizofrenie’ en ‘transseksualiteit’ om maar eens een voorbeeld te noemen, maakt de acceptatie van mensen die toch al vaak in een moeilijke positie zitten er alleen maar problematischer op.

 

Persoonlijk bevreemdt het mij dat de kwesties die À Campo aansnijdt al niet veel eerder tot een serieuze academische discussie over de materie hebben geleid. Er valt namelijk veel tegen in te brengen als je de wetenschappelijke literatuur erop naslaat. En in de ‘beroepsorganisaties’ waaronder de HBIGDA, wordt telkens weer uitvoerig gediscussieerd over de aanpassing en aanscherping van de ‘Standards of Care’. Mogelijk zouden in een serieuze discussie zorgen ontzenuwd kunnen worden. Maar wie de publicaties van de afgelopen jaren uit de sfeer van deskundigen op het terrein van gender erop naslaat mist referenties naar het onderzoek en de ‘zorgen’ zoals die in publicaties worden geuit door À Campo en een aantal collega’s van hem.

 

Met het stelselmatig negeren of bagatelliseren van kritiek (hoe ongefundeerd die ook moge zijn) schiet je naar mijn vaste overtuiging weinig op. Dat leidt alleen maar tot verharding van de omgangsvormen. En ergernis die zich weer vertaalt in nog meer ruis.

 

Tot zover voorlopig À Campo.

 

‘One cannot understand transsexualism without studying transsexual’s sexuality. Transsexuals lead remarkable sex lives. Those who love men become women to attract them. Those who love women become the women they love.’  J. Michael Bailey in de Preface van zijn The Man Who Would Be Queen (xii)

 

Het zal duidelijk zijn dat dit soort uitspraken de gemoederen van transseksuelen en van organisaties op het terrein van genderhulpverlening enigszins zal verhitten (om het nog maar plastisch uit te drukken). Ook de talrijke citaten in de slothoofdstukken van het boek dat je transseksuelen toch met name in homokroegen tegenkomt, en dat het merendeel van hen in de prostitutie werkzaam is (184 e.a.). En dat diefstal een voor de hand liggende bezigheid is gelet op hun dure smaak in kleding en het geringe inkomen dat veel van hen ontvangen (185). Dat soort vaststellingen maken de auteur niet erg geliefd bij transseksuele lezeressen en lezers.

Als het nou om een pastiche zou gaan … Dan zou je nog kunnen discussiëren over de smaak van humor die de auteur bezit. Neen, op de kafttekst lezen we ‘Based on his original research, Bailey’s book is grounded firmly in the scientific method’.

Wanneer wetenschappelijke kwaliteit afgemeten zou kunnen worden uit de prikkelende en controversiële uitspraken en meningen die een auteur te berde brengt, en de mate van succes van het in beroering brengen (in meer dan één opzicht) van de lezers en lezeressen, dan is het boek van Bailey ontegenzeggelijk een wetenschappelijke prestatie van formaat. Maar je kunt ook anders denken over wetenschap, dus de meningen verschillen …

 

Op zichzelf is zijn benadering origineel. In deel 1 van het boek beschrijft Bailey de wederwaardigheden van een ‘feminine’, vrouwelijke jongen, Danny genaamd. Het gaat over de problemen van zijn ouders met zijn gedrag, het zoeken naar verklaringen, maar met name over prognoses over de toekomst van Danny. Bailey’s prognose is duidelijk: Danny wordt een homoseksuele man van het feminine soort (het bottom type, zoals het in gayslang ook wel wordt aangeduid).

Het tweede deel van het boek, op zichzelf het meest interessante deel, beschrijft de auteur ‘homoseksuele vrouwelijkheid’ en ‘homoseksuele mannelijkheid’, afgesloten met een informatief hoofdstuk over theorievorming rond homoseksualiteit: waar komt het vandaan, homoseksualiteit in de geschiedenis, is homoseksualiteit een recente uitvinding etc.?

 

Het derde en laatste hoofdstuk van het boek ‘Women Who Once Were Boys’ zorgt voor de meeste ophef. Bailey introduceert hier feitelijk een ‘oude theorie’, de theorie van de Canadese genderonderzoeker en hoofd van de genderkliniek van het Clark Institute for Psychiatry in Toronto Ray Blanchard. Blanchard classificeert transseksuelen in twee hoofdgroepen: de zogenaamde homoseksuele transseksuelen, mannen die feitelijk op mannen vallen en daarom vrouw worden om aantrekkelijker voor mannen te worden, en de zogenaamde autogynefiele transseksueel, waarbij een sterk erotische component speelt, namelijk opgewonden worden van het idee zelf vrouw te zijn, en dat ‘idee’ wordt uiteindelijk verwezenlijkt door zelf vrouw te worden. (Aldus de definitie van Bailey.)

 

De ‘geschiedenis’ van beide types is zeer verschillend. Bij het eerste type speelt een ‘typisch transseksuele jeugd’: vanaf vroege leeftijd gedragen kinderen zich vrouwelijk, bij dit type valt een persistente lijn te ontdekken van vrouwelijk gedrag, zonder een duidelijk overheersende erotische component. Zowel de vroege jeugd, als de adolescentie en jonge volwassenheid leiden als vanzelf naar het perspectief van transseksualiteit. Deze categorie wordt wel eens aangeduid met de termen ‘vrouw in het lichaam van een man’. De andere categorie betreft de transseksuelen die in de regel pas op latere leeftijd in het transitietraject terecht komen. Deze categorie heeft een ogenschijnlijk positief verlopende hetero periode achter de rug. Vaak in een vrij traditioneel leefverband, met vrouw en kinderen. Daarbij is wél een recente of langdurende geschiedenis van crossdressing en travestie aan de orde. Crossdressing en travestie die vaak gekoppeld zijn aan een gevoel van seksuele opwinding.

 

Op zichzelf is deze classificatie-theorie boeiend en leent zich ook voor interessante academische discussies, te meer omdat de theorie los staat van het authentiek gevoel van genderdysforie met de daarbij horende problematische kwaliteit van leven. De theorie zegt namelijk helemaal niets over het ontstaan van genderdysforie, noch over de urgentie van behandeling. Het is enkel een schematisering, waarin sommigen zich kunnen herkennen, anderen niet. De vraag is ook of degenen die van mening zijn dat transseksualiteit helemaal niks met seks te maken zou hebben (misschien zelfs mag hebben) helemaal gelijk hebben. Het suggereert een beetje dat seksuele opwinding en erotiek de authenticiteit van de transseksuele ervaring compleet zouden devalueren en ontkrachten. Beleving van seksualiteit enerzijds en genderdysforie en met name de impact die genderdysforie op de kwaliteit van leven kan hebben anderzijds, zijn twee verschillende zaken wanneer de urgentie van medisch ingrijpen moet worden vastgesteld.

 

Die discussie is op internet o.a. gevoerd in en naar aanleiding van het werk van Anne Lawrence, zie bijvoorbeeld haar vernieuwde introductie van het onderwerp, waarin ook kritische kanttekeningen bij het werk van Blanchard zijn verwerkt: http://www.annelawrence.com/newintroagp.html . Veel reacties van academici, o.a. uit transseksuele kring zijn te vinden op de webpagina van Lynn Conway: http://ai.eecs.umich.edu/people/conway/TS/LynnsReviewOfBaileysBook.html of de Bailey-Blanchard-Lawrence discussiepagina op de TS-Roadmap site: http://www.tsroadmap.com/info/bailey-blanchard-lawrence.html

 

Wat veel lezers en lezeressen dwars zit bij het boek van Bailey, zijn zijn generalisaties, de poehah waarmee een en ander geschreven is, de suggestie alsof het boek het resultaat is van recent wetenschappelijk onderzoek en ga zo maar door. De toonzetting van het boek en dan met name van deel drie maakt een serieuze discussie problematisch. En dat is eigenlijk zonde, er zit veel prikkelend materiaal in, en hier is duidelijk een auteur aan het woord die op een aantal terreinen een enorme ervaring heeft opgebouwd. 

 

Maar ook hier speelt weer wat ik eerder al bij de bespreking van het werk van À Campo heb opgemerkt: discussies over (trans)gender en transseksualiteit worden nu eenmaal niet in het luchtledige gevoerd. Hoewel ik hier geen pleidooi voer voor een loodsuperzware, enkel in een academisch achterkamertje gevoerde discussie, is zorgvuldigheid wel op zijn plaats. Voor veel menen die met genderdysforie te maken hebben is de zelfervaring van een ‘genderstoornis’ te hebben een regelrechte ramp. Het is niet voor niets dat in de levensgeschiedenis van veel transseksuelen suïcidepogingen voorkomen.

 

Het meest problematische van beide auteurs vind ik persoonlijk tenslotte dat beide onvoldoende kennis lijken te hebben van ‘de genderdysfore populatie’. En dat dat geen beletsel vormt voor vergaande en generaliserende uitspraken. Nergens in de artikelen en het boek tref ik verder verwijzingen aan naar de grote groep vrouw->man transseksuelen. Hun bevindingen lijken uitsluitend gebaseerd op een selectieve groep uit de man->vrouw populatie. Daarbij komt nog dat genderdysforie breder strekt dan enkel transseksuele mannen of vrouwen. Ook de transgender blijft volledig buiten beeld. En dat lijkt me toch echt een omissie wanneer generaliserende uitspraken over genderdysforie worden gedaan.

 

Desalniettemin: compleet negeren, of zelfs verketteren is contraproductief. Hoe moeilijk het ook voor veel t*s is om in dit opzicht afstand van de eigen problematiek te nemen, toch is dat hetgene waar ik zelf voor pleit. Om te vermijden dat het kind met het badwater wordt weggegooid.

 

 

De besproken artikelen en het boek van Bailey zijn ook op internet te lezen:

Het AJP artikel van A Campo via de website van de American Journal of Psychiatry: http://ajp.psychiatryonline.org

Het interview in het tijdschrift Psy op deze site: http://www.europeants.org/WTPS/ 

En het boek van Bailey tenslotte op de volgende website: http://books.nap.edu/books/0309084180/html/ [het boek is in het voorjaar van 2007 van het internet gehaald]

 

 

( commentaar is welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl, zie voor meer info over het thema www.genderlinks.nl )