Informatieve links over
diverse aspecten van (trans)gender treft u aan in de linkenrubriek van onze
website:
www.genderlinks.nl
Transsexualiteit
Van
zonde naar ziekte, en van ziekte naar zelfrespect
Louis
J.G.Gooren
Een
confrontatie met een transseksueel laat nimmer na diepe indruk te maken. Het
blijft een schier onmogelijke opgave ons werkelijk te verplaatsen in wat de
transseksueel ons meedeelt: lid te zijn van het andere geslacht, terwijl
zijn/haar lichaam dat weerspreekt. Het vervult ons met gevoelens van verbazing,
zo niet huiver of lichte afkeer. Waarom? Het raakt het lichaam, het raakt
categorieën als man- en vrouw-zijn. Transseksuelen overschrijden de
'natuurlijke grenzen' tussen de geslachten. Voor ons, mensen, is de
tweedeling tussen de geslachten van eeuwigheidswaarde. We ervaren de
lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen als vrijwel absoluut. In onze
beleving zijn man en vrouw elkaars tegenpolen, elkaar uitsluitende categorieën.
Dieren, en zelfs sommige planten, zijn óf mannelijk óf vrouwelijk. Het heeft
er dus alles van weg dat man- of vrouw-zijn uitdrukking is van een natuurlijke
orde, zoniet van een scheppingsorde: 'Man en vrouw schiep Hij hen'.
Bij de geboorte van een mensenkind is de eerste vraag: is het een jongen,
is het een meisje? De vraag wordt beantwoord op grond van een meer of minder
vluchtige blik op de uitwendige geslachtsorganen van de boreling. Dat gebruik
voldoet in de praktijk en lijkt dan ook niet aan herziening toe. Jongetjes
worden mannen, meisjes vrouwen; het heeft er veel van weg dat dit een soort
automatisme is, een intrinsiek proces. De hormonen van de puberteit benadrukken
de geslachtsverschillen nog eens en voeren tot de vereniging van man en vrouw in
de voortplanting, tot het voortbestaan van onze soort; voor sommigen een
goddelijk gebod, voor anderen een inherente biologische eigenschap van levende
organismen. Zo gaat het er bij alle volkeren op deze aarde aan toe, in weerwil
van hun onderling grote culturele verschillen. Transseksuelen, in hun verlangen
tot het andere geslacht te behoren, 'tasten' deze zo zekere orde aan, ze willen
grenzen overschrijden die niet overschreden kunnen worden. Kunnen wij hen
begrijpen? Ze dwingen ons de categorieën van man- en vrouw-zijn nader te
onderzoeken.
Man
of vrouw worden
Sinds
het begin van deze eeuw is er een vrij duidelijk beeld ontstaan hoe bij
zoogdieren (waartoe de mens als soort gerekend moet worden) het proces van
geslachtelijke differentiatie tot man of vrouw verloopt. Het is een proces dat
zich in afzonderlijke stappen voltrekt; iedere stap kent zijn eigen 'kritische
periode', dat wil zeggen dat deze stap in de differentiatie uitsluitend
gedurende deze ene ontwikkelingsfase van het organisme kan plaatsvinden. Is deze
kritische periode eenmaal voorbij dan kan de differentiatie die daarin plaats
heeft gehad niet meer teruggedraaid worden. Bij iedere stap in de differentiatie
is er een bipotentialiteit: het organisme kan zich volgens een mannelijk of een
vrouwelijk patroon ontwikkelen. Dit is echter geen kansspel. Als de genetische
codering van de versmolten ei- en zaadcel een Y-chromosoom bevat, dan ontwikkelt
de bipotentiële geslachtsklier zich tot teelbal; zijn er daarentegen twee
X-chromosomen, dan wordt de geslachtsklier een eierstok. Vervolgens vindt de
ontwikkeling van de inwendige geslachtsorganen plaats. Aanvankelijk zijn deze
bij de toekomstig mannelijke of vrouwelijke vrucht volkomen identiek. De
'spontane inherente' ontwikkeling is in vrouwelijke richting en er ontwikkelen
zich een baarmoeder en eileiders. Is er een teelbal, dan gaat deze hormonen
produceren en uit de structuren die bij de vrouwelijke vrucht baarmoeder en
eileiders zouden worden, ontstaan de prostaat en de zaadleiders. De volgende
stap is de ontwikkeling van de uitwendige geslachtsorganen. Het paradigma is
identiek: de spontane ontwikkeling is tot vagina, clitoris en schaamlippen.
Indien de teelbal normaal functioneert en hormonen produceert ontwikkelen deze
structuren zich tot penis en balzak. Normaal verloopt dit stapsgewijze proces 'ordelijk';
dat wil zeggen: iedere stap stuurt de volgende stap verder in de reeds
ingeslagen óf mannelijke óf vrouwelijke richting. Normaal gesproken gaat er
van een mannelijk XY- en een vrouwelijk XX-chromosomen-patroon een sterk
voorspellende waarde uit dat dit organisme zich ook inderdaad tot óf man óf
vrouw zal ontwikkelen. Maar zo gaat het niet altijd.
Spelingen
van de natuur
De
natuur kent haar spelingen. Of zou ik als arts moeten zeggen: produceert soms
ontwikkelingsstoornissen in de geslachtelijke differentiatie? Bij een aantal
borelingen zijn niet alle individuele stappen in het differentiatie volgens het
geijkte patroon verlopen. Door een ziekelijke overproduktie van mannelijk
hormoon in de bijnier van een tot dan toe vrouwelijke foetus, kunnen de
uitwendige geslachtsorganen zich in mannelijke richting ontwikkelen en ontstaat
er een penis en een scrotum bij een wezen dat vooraf een XX-chromosomenpatroon,
en reeds een eierstok en baarmoeder had ontwikkeld had. In een mannelijke foetus
kunnen door ongevoeligheid van zijn weefsels voor de biologische effecten van
mannelijk hormoon de uitwendige geslachtsorganen zich in vrouwelijke richting
ontwikkelen tot vagina, clitoris en schaamlippen in plaats van de
'gebruikelijke' penis en balzak als alles normaal was verlopen. Aangezien wij
kinderen bij de geboorte een geslacht toekennen op basis van het aanzicht van de
uitwendige geslachtsorganen, wordt dit ene kind met een penis en balzak (maar
ook eierstokken en een baarmoeder) als jongen verwelkomd; het andere met een
vagina en schaamlippen (maar ook teelballen en een prostaat) als meisje. Deze
(eeuwenoude) praktijk hoeft voor de kinderen in kwestie niet eens zo slecht uit
te pakken. De ervaring leert dat zij in het algemeen een geslachtelijke
identiteit zullen ontwikkelen die in overeenstemming is met de
geslachtstoewijzing bij de geboorte. Zij leven de levens van mannen en vrouwen.
Sommige lichaamskenmerken verraden misschien hun ongewone
ontwikkeling tot man of vrouw, en zij zullen zich niet kunnen
voortplanten.
Probeert
U zich voor te stellen wat het zou betekenen als wij iemand in de bovenstaande
situatie, bij voorbeeld iemand die normaal als vrouw leeft, misschien
zelfs getrouwd is, zouden confronteren met het 'wetenschappelijke feit' dat zij
genetisch en qua geslachtsklieren en inwendige geslachtsorganen, 'gewoon een man
is'. Van een onvergeeflijke wreedheid jegens deze vrouw en eventueel haar
echtgenoot, maar wetenschappelijk 'juist'. Of misschien toch niet? Blijkbaar is
man- of vrouw-zijn toch complexer dan een optelsom van een aantal
objectiveerbare biologische variabelen. Laat ik maar liever niet van biologische
determinanten spreken; die term is hier blijkbaar niet op zijn plaats.
Gender-identiteit
Nog
ingewikkelder wordt de situatie als kinderen bij de geboorte ambiguë,
tweeslachtige geslachtsorganen hebben. Wat moet je dan als ouders? In het
tijdperk voordat de geneeskunde zwangerschap en geboorte tot haar domein had
verklaard, hanteerden ouders meestal de regel om het kind aan dat geslacht toe
te wijzen waarmee het de grootste gelijkenis vertoonde. In een agrarische
samenleving kende men dit verschijnsel van tweeslachtigheid wel uit het
dierenrijk. Men wist dat er geen voortplanting mogelijk zou zijn, maar dit
mensenkind moest toch een plaatsje innemen en dat kan niet als 'het', dat kan
alleen maar als jongetje of als meisje, als zoon of als dochter, als zusje of
als broertje.
Wat
komt er van deze kinderen terecht? Het is het wetenschappelijke 'opus magnum'
van John Money (Johns Hopkins ziekenhuis in Baltimore, VS) geweest om de
ontwikkeling van dit soort kinderen in kaart te brengen. Kortweg kwamen zijn
bevindingen hier op neer dat een kind in deze situatie gewoonlijk een
geslachtelijke identiteit ontwikkelde die overeenkwam met het geslacht dat de
ouders na de geboorte aan het kind hadden toegekend. Belangrijk was ook of er
daarna een consistente benadering van dat kind in dat eenmaal toegekende
geslacht had plaatsgevonden. Money moest vaststellen dat biologische variabelen
zoals de genetische codering, de aard van de geslachtsklier, de inwendige
geslachtsorganen en de geslachtshormonen niet van doorslaggevende betekenis
bleken in de ontwikkeling van een mannelijke of vrouwelijke identiteit. Maar
waren dit soort kinderen ook 'mannen' of 'vrouwen'? In ieder geval niet als
biologische variabelen als genetische code, aard van de geslachtsklier,
inwendige geslachtsorganen of geslachtshormonen als criterium voor man- of
vrouw-zijn in het geding gebracht werden. Maar als je het hen zelf vroeg, dan
wisten ze wel of ze een jongen of een meisje waren. Hoe moesten we hier
begripsmatig greep op krijgen? Er was geen terminologie voorhanden om de
situatie van deze kinderen adequaat te beschrijven. Money stelde de term
gender-identiteit voor, gedefinieerd als de zelfervaring als man of als vrouw.
Die heeft een privé-aspect: 'hoe ervaar ik mijzelf' en een openbaar aspect:
'hoe manifesteer ik me naar de buitenwereld, als man of als vrouw'. Money leende
de term gender uit de taalkunde. In een taal zijn woorden mannelijk of
vrouwelijk zonder dat dit naar geslachtsorganen etcetera verwijst. Zo'n term had
hij nodig om de mannelijkheid of vrouwelijkheid van sommige mensen te
beschrijven bij wie de biologische geslachtscriteria naar gebruikelijke
opvatting anders uitwezen. De conclusie moest zijn dat zich bij het overgrote
deel van de mensen een mannelijke of vrouwelijke gender-identiteit ontwikkelt
die volkomen congruent is met alle biologische variabelen, maar bij een klein
deel van de mensen niet, zoals bij mensen met tweeslachtigheid en... bij
transseksuelen. Ook hun situatie werd iets begrijpelijker nu duidelijk werd dat
de verwerving van een gender-identiteit een ontwikkelingsproces is waarin, net
als bij het voorgaande stapsgewijze proces van de geslachtelijke ontwikkeling,
het organisme steeds weer op de tweesprong van mannelijkheid en vrouwelijkheid
staat. Dit proces verloopt doorgaans regelmatig, maar een enkele keer niet. Bij
een transseksueel zijn de eerste stappen van de geslachtelijke differentiatie
volgens het patroon van het ene geslacht verlopen, en de laatste stap, die van
de verwerving van een gender-identiteit, volgens het patroon van het andere
geslacht. Hoe transseksuelen nu aan een gender identiteit komen die in conflict
is met de rest van hun geslachtskenmerken is een onopgelost probleem. Ze zijn
door hun ouders niet bewust in het 'verkeerde geslacht' opgevoed. We kunnen
alleen maar theoretiseren dat de benadering als jongen of als meisje door hun
ouders in hun vroege jeugd niet de normale 'klik' met hun lichamelijkheid heeft
ondergaan. Op een of andere manier moeten ze deze informatie anders verwerkt
hebben. Maar tot op heden blijft het een raadsel hoe hun zelfervaring tot het
andere geslacht te behoren, dwars tegen de benadering door hun ouders in, kon
ontstaan. We hebben geen aanwijzingen dat hun lichaam deze signalen aan hen
afgaf. Het blijft een raadsel hoe het soms 'fout' kan gaan; maar dan is het ook
een raadsel waarom het zo vaak 'goed' gaat.
Een
belangrijke bevinding van Money was dat kinderen die tot hun derde of latere
jaar in het ene geslacht waren opgevoed en bij wie op grond van biologische
'geslachtsdeterminanten' het dienstig werd geoordeeld dat ze tot het andere
geslacht zouden overgaan, het niet meer lukte om hun gender-identiteit aan het
'nieuwe geslacht' aan te passen. Ook hier drong zich de parallel met andere
stappen uit de geslachtelijke differentiatie op, namelijk dat er bij de
ontwikkeling van de gender-identiteit ook sprake moet zijn van een kritische
periode: een bepaalde fase in het ontwikkelingsproces tot man of vrouw kan
alleen gedurende deze kritische periode plaatsvinden. Is deze voorbij, dan is
een 'point of no return' bereikt. Het blijft in dit mensenleven zoals het
geworden is tijdens deze kritische periode.
Soma
versus psyche, of de transseksueel en de geneeskunde
Uit
het werk van Money werd duidelijk dat een eenmaal verworven gender-identiteit in
iemands leven hetzelfde 'hardheidsgehalte' heeft als biologische waarheden als
een genetische code, geslachtsklieren en geslachtsorganen. Accepteren we deze
stelling, gewend als we zijn te denken in de tweedeling geest en lichaam? Is het
lichaam niet het biologisch gegevene, in zijn geslachtelijkheid onveranderlijk
en onveranderbaar? Is gender-identiteit niet iets psychisch en uit dien hoofde
veranderbaar als de wil daartoe maar aanwezig is? Het is toch een (stoornis in
een) psychologisch ontwikkelingsproces? De psychoanalyse vertelt ons toch dat
wat psychisch scheef groeide, toch ook met psychologische methoden rechtgebogen
moet kunnen worden. De praktijk leert anders. Transseksuelen ervaren hun
gender-identiteit als waar, als hun echte zelf. Het lichaam is de sta-in-de-weg
in hun compleetheid als man of als vrouw. De psychotherapie kan ook niet bogen
op therapeutische successen in personen met een diepgaand
gender-identiteitsconflict. De les moet zijn dat een gegeven als
gender-identiteit in iemands leven een zodanig 'hardheidsgehalte' heeft dat
tornen hieraan door de betrokkene als een aantasting van de eigen integriteit
wordt ervaren. Dit is een empirisch gegeven; ook al strookt het niet met
theorievorming in een deel van de psychologie, het is er niet minder waar om.
Intussen
is, als men toch wil toegeven aan onze preoccupatie met de biologische
bepaaldheid van man- en vrouw-zijn, de neuro-anatomie de transseksueel misschien
wel te hulp gekomen. Sinds het begin van deze eeuw werd in het proefdiermodel
duidelijk dat de geslachtelijke differentiatie tot man en vrouw niet afgesloten
is met de vorming van de uitwendige geslachtsorganen, het criterium om een dier
(maar ook een pasgeboren mens!) als mannelijk of vrouwelijk aan te duiden. Het
bleek dat ook het centrale zenuwstelsel een vermannelijking of vervrouwelijking
onderging en dat dit proces als regel pas na de geboorte plaats vindt.
(Paar)gedrag en geslachtsorganen blijken op elkaar afgestemd! En zoals bij de
voorgaande stappen in het proces van seksuele differentiatie blijkt dat bijna
altijd ook wel te kloppen. Vindt er bij de mens een parallelle ontwikkeling van
vermannelijking of vervrouwelijking van
de hersenen plaats? Zeker voor een deel, al zijn de overeenkomsten nog steeds
groter dan de verschillen. Er zijn echter anatomische geslachtsverschillen in de
menselijke hersenen aantoonbaar. Recent kon in een gezamelijke
onderzoeksinspanning van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek en het
genderteam van de Vrije Universiteit aangetoond worden dat een bepaald
kerngebied in de hersenen bij mannen en vrouwen verschillend ontwikkeld is, en
voorts dat bij man-naar-vrouw transseksuelen dit kerngebied een vrouwelijke
structuur toont. Toch nog een biologische legitimatie van de status van
transseksueel? Is hier sprake van hermafroditisme, maar dan op hersenniveau?
Het
valt te begrijpen dat de wens van transseksuelen om door hormonale en
chirurgische behandeling aan het als eigen ervaren geslacht aangepast te worden
traditioneel met reserve is ontvangen in de geneeskunde. Kan het bestaan
dat zo'n wens gehonoreerd wordt op grond van het 'psychische' gegeven dat de
eigen beleving van de gender-identiteit niet aansluit bij de biologische
werkelijkheid van de geslachtelijke kenmerken? Het staat zo ver van de
gebruikelijke praktijk in de geneeskunde. De subjectieve klacht is weliswaar het
beginpunt van een diagnostisch proces, maar uiteindelijk bepaalt toch de
feitelijkheid zoals die aan de dag treedt in het objectiverende onderzoek van
laboratorium of röntgenonderzoek, of een klacht van een patient verwijst naar
een ziekelijk proces of dat hij zich maar wat inbeeldt en geholpen is met
geruststelling en als dat niet voldoende is , dat hij maar eens met een
psychiater moet praten. Bij de transseksueel is er in het laboratorium niets
mis. Integendeel, alle biologische geslachtsdeterminanten zijn helemaal in orde.
Hoe kan een transseksueel in redelijkheid van een arts verlangen dat deze met
hormonen en het chirurgische mes gezond weefsel aantast. Het verdraagt zich niet
met het adagium in de geneeskunde 'primum non nocere', vooral geen schade willen
toebrengen.
Naar
een nieuwere geneeskunde?
Het
botert niet tussen de transseksueel en de traditionele geneeskunde. De
transseksueel valt buiten de traditionele theoretische kaders van denken over
man- en vrouw zijn. Hoe reageert de geneeskunde hierop? Kan de transseksueel dan
ook niet bestaan? Of moet het verschijnsel transseksualiteit juist een uitdaging
zijn om deze denkkaders over geslachtelijkheid eens te heroverwegen. Kunnen we
man- en vrouw-zijn vaststellen met de biologische variabelen die we in de
geneeskunde hebben ontdekt?. Of is het toch ingewikkelder? Hebben we toch niet
alle aspecten van mannelijkheid en vrouwelijkheid kunnen vangen onder deze
biologische variabelen? Is de geneeskunde als wetenschappelijke discipline wel
competent om alles over man- en vrouw-zijn te kunnen en te mogen zeggen. Moeten
we ons als beoefenaars van een wetenschappelijke discipline, nevengeschikt naast
andere disciplines, niet realiseren dat we, net als die andere disciplines, de
werkelijkheid reduceren tot wat we met de specifieke wetenschappelijke methoden
van die discipline kunnen onderzoeken. We moeten ons realiseren dat als we
'solide wetenschappelijke bevindingen' uit die discipline te berde brengen, dat
een reductie is van een meer complexe werkelijkheid, daarmee niet waardeloos of
nutteloos, maar beperkt. Kunnen we over man- en vrouw-zijn niet beter te rade
gaan bij de dichter dan bij de dokter?
Een
aantal artsen heeft gemeend dat toch op de wensen van de transseksueel ingegaan
moet worden. Niet dat zij doof zijn voor het genoemde opvattingen, maar omdat
zij geloven dat het lijden van de transseksueel onhoudbaar groot is en dat bij
de huidige stand van kennis de transseksueel niets beters te bieden valt dan een
zo goed mogelijke aanpassing aan het als eigen ervaren geslacht. Tenslotte is
empirisch handelen, dat wil zeggen de praktijk toont aan dat iets heilzaam is,
maar de theorievorming is niet compleet, de geneeskunde niet vreemd.
Menigeen
zal tegenwerpen dat ook de knapste hormoonspecialist en chirurg niet in staat
zijn van een man 'een vrouw te maken' of omgekeerd. Money heeft hierover het
volgende gezegd. In de geneeskunde is echte genezing zeldzaam. Meestal moeten
patiënt en dokter zich tevreden stellen met een minder mooi resultaat. Niet dat
de patiënt hiermee niet geholpen zou zijn. De diabetespatiënt kan redelijk
normaal verder leven met zijn synthetische insuline-injecties; hij is zeker niet
genezen, maar zijn leven kan weer redelijk normaal worden. Dit geldt ook voor de
transseksueel. Hij kan niet genezen
worden; wel kan hij een redelijk leven leiden als hij door hormonale en
chirurgische behandeling geholpen is. Net als de diabetespatiënt, weliswaar met
een zekere handicap, maar beter dan tevoren. Per saldo heeft de geneeskunde in
het huidige tijdsgewricht de lijdende mens niet veel meer te bieden en vaak is
het ook al heel aardig, ook al is het niet volmaakt. Natuurlijk moet de
behandeling van transseksuelen, net als andere behandelmethoden in de
geneeskunde op zijn heilzaamheid getoetst worden. Dat gebeurt en de eerste
resultaten zijn bemoedigend.
De
transseksueel zelf
De
transseksueel zelf ervaart zijn lichaam als een duistere kerker waarvan de
sleutel zoek is. Meestal is het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten al
vroeg in hun leven begonnen, vaak al op vier- of vijfjarige leeftijd. Niet dat
ze toen al wisten dat ze transseksueel waren. Het onbehagen was vaag en diffuus.
Meestal was een confrontatie met een mens in dezelfde situatie nodig om
helderheid te krijgen. Duidelijker werd het in de puberteit toen de
geslachtshormonen onderstreepten wat ze niet wilden zijn. Hun onbehagen en
verdriet viel niet te delen met anderen. Het is zo onvoorstelbaar dat je je geen
man of vrouw voelt als je lichaam toch zo duidelijk deze boodschap afgeeft.
Opdat men zich daarbij toch iets kan voorstellen, geef ik het volgende ter
overdenking. Stel dat je als man wakker wordt met vrouwelijke borsten; niet zo
imaginair, het bestaat als verschijnsel en vaak is
het medisch onschuldig. Zo'n man zal zich verward en 'aangetast' voelen
en naar de dokter gaan. Deze zou kunnen zeggen dat het weliswaar niet alledaags
is maar medisch onschuldig. Je kunt er honderd mee worden en waarom zouden we
dure medische voorzieningen daarvoor moeten aanspreken. Hij weet toch dat hij
een man is. Transseksuelen leven voortdurend in zo'n situatie dat ze hun lichaam
als een ontkenning beleven van wat ze in hun diepste wezen zijn. Een eenzaam
bestaan. Deze belasting komt hun normale ontplooiing als jongeman of jongevrouw
niet ten goede en evenmin hun scholing. Als ze in een grootsteedse omgeving
wonen leren ze misschien enkele lotgenoten kennen, niet zelden in de marge van
de maatschappij. In de entertainment of in de prostitutie valt hun 'afwijking'
nog wel te exploiteren. Zo kunnen ze verworden tot de spraakmakende en
gezichtsbepalende vertegenwoordigers van 'hun soort', tot 'zondaars'.
De
psychomedische onderkenning van hun moeilijke situatie, het theoretische kader
waarin hun gender-identiteitsprobleem geplaatst kon worden, en de wettelijke
mogelijkheden om verder door het leven te gaan als lid van het gewenste
geslacht, hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de emancipatie van transseksuelen.
Maar was het misschien een emancipatie van zondaar naar zieke? Worden ze nu
geboekt als lijders aan een stoornis in de geslachtelijke differentiatie? Op
basis van biomedische theorievorming is het toch een stoornis? Of is dit soort
geneeskunde toch te beperkt en moet er hier toch geneeskunst aan te pas komen?
Transseksuelen zelf voelen zich niet gestoord, niet ziek. Natuurlijk, ze hebben
de technieken van de geneeskunde nodig om te worden wie ze zeggen te zijn. Net
als andere mensen willen ze een normale plaats innemen in dit leven, in deze
samenleving. In feite is hun levenssituatie ook niet zo anders dan bij anderen
bij wie iets duidelijker
lichamelijks mis liep in het wordingsproces tot man of vrouw. Ook zij moeten
leven met een staat van man- of vrouw-zijn die niet helemaal gewoon is en
misschien beperkingen kent. Maar de geneeskunde moet hen in staat stellen te
leven in zelfrespect, en niet als zondaar of zieke. En de geneeskunde moet de
politiek, de media en de samenleving (steeds weer!) uitleggen dat het geen
verworvenheid is, geen keuze. Het gaat om mensen die in dat schijnbaar zo
vanzelfsprekende en 'natuurlijke' proces van man- of vrouw-worden, averij
opliepen, maar die niet minder recht op geluk hebben dan anderen.
Literatuur
1 . Benjamin, H. The Transsexual Phenomenon: A scientific report on transsexualism and sex conversions in the human male and female. New York: Julian Press; 1966.
Gooren, L.J.G. The endocrinology of transsexualism. A review and a
commentary. Psychoneuroendocrinol 15:3-14; 1990.
2
. Gooren, L.J.G.,
Fliers, E. and Courtney, K. Biological determinants of sexual orientation. Annu
Rev Sex Res 1:175-196; 1990.
3
. McEwen, B.S. Gonadal
steroid influence on brain development and sexual differentiation. Internat Rev
Physiol 27:99-145; 1983.
4
. Money, J. and
Ehrhardt, A.A. Man and Woman, Boy and Girl. Baltimore: Johns Hopkins Press;
1972.
5
. Money, J.
Commentary: Current status of sex research. J Psychol Human Sex 1: 5-15; 1988.
6
. Money, J. Gendermaps,
Social constructionism, Feminism and sexosophical History. New York: Continuum;
1996
7
. Swaab, D.F., Gooren,
L.J.G. and Hofman, M.A. The human hypothalamus in relation to gender and sexual
orientation. Progress Brain Res 93:205-219; 1992.
8
. Zhou, J.N., Hofman,
M.A., Gooren, L.J.G. and Swaab, D.F. A sex difference in the human brain and its
relation to transsexuality. Nature 378:68-70: 1995
Informatieve links over
diverse aspecten van (trans)gender treft u aan in de linkenrubriek van onze
website:
www.genderlinks.nl