Informatieve links over diverse aspecten van (trans)gender treft u aan in de linkenrubriek van onze website:
www.genderlinks.nl  

 

 

Transsexualiteit

Van zonde naar ziekte, en van ziekte naar zelfrespect

Louis J.G.Gooren

 

Een confrontatie met een transseksueel laat nimmer na diepe indruk te maken. Het blijft een schier onmogelijke opgave ons werkelijk te verplaatsen in wat de transseksueel ons meedeelt: lid te zijn van het andere geslacht, terwijl zijn/haar lichaam dat weerspreekt. Het vervult ons met gevoelens van verbazing, zo niet huiver of lichte afkeer. Waarom? Het raakt het lichaam, het raakt categorieën als man- en vrouw-zijn. Transseksuelen overschrijden de 'natuurlijke grenzen' tussen de geslachten. Voor ons, mensen, is de tweedeling tussen de geslachten van eeuwigheidswaarde. We ervaren de lichamelijke verschillen tussen mannen en vrouwen als vrijwel absoluut. In onze beleving zijn man en vrouw elkaars tegenpolen, elkaar uitsluitende categorieën. Dieren, en zelfs sommige planten, zijn óf mannelijk óf vrouwelijk. Het heeft er dus alles van weg dat man- of vrouw-zijn uitdrukking is van een natuurlijke orde, zoniet van een scheppingsorde: 'Man en vrouw schiep Hij hen'.

          Bij de geboorte van een mensenkind is de eerste vraag: is het een jongen, is het een meisje? De vraag wordt beantwoord op grond van een meer of minder vluchtige blik op de uitwendige geslachtsorganen van de boreling. Dat gebruik voldoet in de praktijk en lijkt dan ook niet aan herziening toe. Jongetjes worden mannen, meisjes vrouwen; het heeft er veel van weg dat dit een soort automatisme is, een intrinsiek proces. De hormonen van de puberteit benadrukken de geslachtsverschillen nog eens en voeren tot de vereniging van man en vrouw in de voortplanting, tot het voortbestaan van onze soort; voor sommigen een goddelijk gebod, voor anderen een inherente biologische eigenschap van levende organismen. Zo gaat het er bij alle volkeren op deze aarde aan toe, in weerwil van hun onderling grote culturele verschillen. Transseksuelen, in hun verlangen tot het andere geslacht te behoren, 'tasten' deze zo zekere orde aan, ze willen grenzen overschrijden die niet overschreden kunnen worden. Kunnen wij hen begrijpen? Ze dwingen ons de categorieën van man- en vrouw-zijn nader te onderzoeken.  

 

Man of vrouw worden

Sinds het begin van deze eeuw is er een vrij duidelijk beeld ontstaan hoe bij zoogdieren (waartoe de mens als soort gerekend moet worden) het proces van geslachtelijke differentiatie tot man of vrouw verloopt. Het is een proces dat zich in afzonderlijke stappen voltrekt; iedere stap kent zijn eigen 'kritische periode', dat wil zeggen dat deze stap in de differentiatie uitsluitend gedurende deze ene ontwikkelingsfase van het organisme kan plaatsvinden. Is deze kritische periode eenmaal voorbij dan kan de differentiatie die daarin plaats heeft gehad niet meer teruggedraaid worden. Bij iedere stap in de differentiatie is er een bipotentialiteit: het organisme kan zich volgens een mannelijk of een vrouwelijk patroon ontwikkelen. Dit is echter geen kansspel. Als de genetische codering van de versmolten ei- en zaadcel een Y-chromosoom bevat, dan ontwikkelt de bipotentiële geslachtsklier zich tot teelbal; zijn er daarentegen twee X-chromosomen, dan wordt de geslachtsklier een eierstok. Vervolgens vindt de ontwikkeling van de inwendige geslachtsorganen plaats. Aanvankelijk zijn deze bij de toekomstig mannelijke of vrouwelijke vrucht volkomen identiek. De 'spontane inherente' ontwikkeling is in vrouwelijke richting en er ontwikkelen zich een baarmoeder en eileiders. Is er een teelbal, dan gaat deze hormonen produceren en uit de structuren die bij de vrouwelijke vrucht baarmoeder en eileiders zouden worden, ontstaan de prostaat en de zaadleiders. De volgende stap is de ontwikkeling van de uitwendige geslachtsorganen. Het paradigma is identiek: de spontane ontwikkeling is tot vagina, clitoris en schaamlippen. Indien de teelbal normaal functioneert en hormonen produceert ontwikkelen deze structuren zich tot penis en balzak. Normaal verloopt dit stapsgewijze proces 'ordelijk'; dat wil zeggen: iedere stap stuurt de volgende stap verder in de reeds ingeslagen óf mannelijke óf vrouwelijke richting. Normaal gesproken gaat er van een mannelijk XY- en een vrouwelijk XX-chromosomen-patroon een sterk voorspellende waarde uit dat dit organisme zich ook inderdaad tot óf man óf vrouw zal ontwikkelen. Maar zo gaat het niet altijd.

 

Spelingen van de natuur

De natuur kent haar spelingen. Of zou ik als arts moeten zeggen: produceert soms ontwikkelingsstoornissen in de geslachtelijke differentiatie? Bij een aantal borelingen zijn niet alle individuele stappen in het differentiatie volgens het geijkte patroon verlopen. Door een ziekelijke overproduktie van mannelijk hormoon in de bijnier van een tot dan toe vrouwelijke foetus, kunnen de uitwendige geslachtsorganen zich in mannelijke richting ontwikkelen en ontstaat er een penis en een scrotum bij een wezen dat vooraf een XX-chromosomenpatroon, en reeds een eierstok en baarmoeder had ontwikkeld had. In een mannelijke foetus kunnen door ongevoeligheid van zijn weefsels voor de biologische effecten van mannelijk hormoon de uitwendige geslachtsorganen zich in vrouwelijke richting ontwikkelen tot vagina, clitoris en schaamlippen in plaats van de 'gebruikelijke' penis en balzak als alles normaal was verlopen. Aangezien wij kinderen bij de geboorte een geslacht toekennen op basis van het aanzicht van de uitwendige geslachtsorganen, wordt dit ene kind met een penis en balzak (maar ook eierstokken en een baarmoeder) als jongen verwelkomd; het andere met een vagina en schaamlippen (maar ook teelballen en een prostaat) als meisje. Deze (eeuwenoude) praktijk hoeft voor de kinderen in kwestie niet eens zo slecht uit te pakken. De ervaring leert dat zij in het algemeen een geslachtelijke identiteit zullen ontwikkelen die in overeenstemming is met de geslachtstoewijzing bij de geboorte. Zij leven de levens van mannen en vrouwen. Sommige lichaamskenmerken verraden misschien hun ongewone  ontwikkeling tot man of vrouw, en zij zullen zich niet kunnen voortplanten.

Probeert U zich voor te stellen wat het zou betekenen als wij iemand in de bovenstaande  situatie, bij voorbeeld iemand die normaal als vrouw leeft, misschien zelfs getrouwd is, zouden confronteren met het 'wetenschappelijke feit' dat zij genetisch en qua geslachtsklieren en inwendige geslachtsorganen, 'gewoon een man is'. Van een onvergeeflijke wreedheid jegens deze vrouw en eventueel haar echtgenoot, maar wetenschappelijk 'juist'. Of misschien toch niet? Blijkbaar is man- of vrouw-zijn toch complexer dan een optelsom van een aantal objectiveerbare biologische variabelen. Laat ik maar liever niet van biologische determinanten spreken; die term is hier blijkbaar niet op zijn plaats.

 

Gender-identiteit

Nog ingewikkelder wordt de situatie als kinderen bij de geboorte ambiguë, tweeslachtige geslachtsorganen hebben. Wat moet je dan als ouders? In het tijdperk voordat de geneeskunde zwangerschap en geboorte tot haar domein had verklaard, hanteerden ouders meestal de regel om het kind aan dat geslacht toe te wijzen waarmee het de grootste gelijkenis vertoonde. In een agrarische samenleving kende men dit verschijnsel van tweeslachtigheid wel uit het dierenrijk. Men wist dat er geen voortplanting mogelijk zou zijn, maar dit mensenkind moest toch een plaatsje innemen en dat kan niet als 'het', dat kan alleen maar als jongetje of als meisje, als zoon of als dochter, als zusje of als broertje.

Wat komt er van deze kinderen terecht? Het is het wetenschappelijke 'opus magnum' van John Money (Johns Hopkins ziekenhuis in Baltimore, VS) geweest om de ontwikkeling van dit soort kinderen in kaart te brengen. Kortweg kwamen zijn bevindingen hier op neer dat een kind in deze situatie gewoonlijk een geslachtelijke identiteit ontwikkelde die overeenkwam met het geslacht dat de ouders na de geboorte aan het kind hadden toegekend. Belangrijk was ook of er daarna een consistente benadering van dat kind in dat eenmaal toegekende geslacht had plaatsgevonden. Money moest vaststellen dat biologische variabelen zoals de genetische codering, de aard van de geslachtsklier, de inwendige geslachtsorganen en de geslachtshormonen niet van doorslaggevende betekenis bleken in de ontwikkeling van een mannelijke of vrouwelijke identiteit. Maar waren dit soort kinderen ook 'mannen' of 'vrouwen'? In ieder geval niet als biologische variabelen als genetische code, aard van de geslachtsklier, inwendige geslachtsorganen of geslachtshormonen als criterium voor man- of vrouw-zijn in het geding gebracht werden. Maar als je het hen zelf vroeg, dan wisten ze wel of ze een jongen of een meisje waren. Hoe moesten we hier begripsmatig greep op krijgen? Er was geen terminologie voorhanden om de situatie van deze kinderen adequaat te beschrijven. Money stelde de term gender-identiteit voor, gedefinieerd als de zelfervaring als man of als vrouw. Die heeft een privé-aspect: 'hoe ervaar ik mijzelf' en een openbaar aspect: 'hoe manifesteer ik me naar de buitenwereld, als man of als vrouw'. Money leende de term gender uit de taalkunde. In een taal zijn woorden mannelijk of vrouwelijk zonder dat dit naar geslachtsorganen etcetera verwijst. Zo'n term had hij nodig om de mannelijkheid of vrouwelijkheid van sommige mensen te beschrijven bij wie de biologische geslachtscriteria naar gebruikelijke opvatting anders uitwezen. De conclusie moest zijn dat zich bij het overgrote deel van de mensen een mannelijke of vrouwelijke gender-identiteit ontwikkelt die volkomen congruent is met alle biologische variabelen, maar bij een klein deel van de mensen niet, zoals bij mensen met tweeslachtigheid en... bij transseksuelen. Ook hun situatie werd iets begrijpelijker nu duidelijk werd dat de verwerving van een gender-identiteit een ontwikkelingsproces is waarin, net als bij het voorgaande stapsgewijze proces van de geslachtelijke ontwikkeling, het organisme steeds weer op de tweesprong van mannelijkheid en vrouwelijkheid staat. Dit proces verloopt doorgaans regelmatig, maar een enkele keer niet. Bij een transseksueel zijn de eerste stappen van de geslachtelijke differentiatie volgens het patroon van het ene geslacht verlopen, en de laatste stap, die van de verwerving van een gender-identiteit, volgens het patroon van het andere geslacht. Hoe transseksuelen nu aan een gender identiteit komen die in conflict is met de rest van hun geslachtskenmerken is een onopgelost probleem. Ze zijn door hun ouders niet bewust in het 'verkeerde geslacht' opgevoed. We kunnen alleen maar theoretiseren dat de benadering als jongen of als meisje door hun ouders in hun vroege jeugd niet de normale 'klik' met hun lichamelijkheid heeft ondergaan. Op een of andere manier moeten ze deze informatie anders verwerkt hebben. Maar tot op heden blijft het een raadsel hoe hun zelfervaring tot het andere geslacht te behoren, dwars tegen de benadering door hun ouders in, kon ontstaan. We hebben geen aanwijzingen dat hun lichaam deze signalen aan hen afgaf. Het blijft een raadsel hoe het soms 'fout' kan gaan; maar dan is het ook een raadsel waarom het zo vaak 'goed' gaat.

Een belangrijke bevinding van Money was dat kinderen die tot hun derde of latere jaar in het ene geslacht waren opgevoed en bij wie op grond van biologische 'geslachtsdeterminanten' het dienstig werd geoordeeld dat ze tot het andere geslacht zouden overgaan, het niet meer lukte om hun gender-identiteit aan het 'nieuwe geslacht' aan te passen. Ook hier drong zich de parallel met andere stappen uit de geslachtelijke differentiatie op, namelijk dat er bij de ontwikkeling van de gender-identiteit ook sprake moet zijn van een kritische periode: een bepaalde fase in het ontwikkelingsproces tot man of vrouw kan alleen gedurende deze kritische periode plaatsvinden. Is deze voorbij, dan is een 'point of no return' bereikt. Het blijft in dit mensenleven zoals het geworden is tijdens deze kritische periode.

 

Soma versus psyche, of de transseksueel en de geneeskunde

Uit het werk van Money werd duidelijk dat een eenmaal verworven gender-identiteit in iemands leven hetzelfde 'hardheidsgehalte' heeft als biologische waarheden als een genetische code, geslachtsklieren en geslachtsorganen. Accepteren we deze stelling, gewend als we zijn te denken in de tweedeling geest en lichaam? Is het lichaam niet het biologisch gegevene, in zijn geslachtelijkheid onveranderlijk en onveranderbaar? Is gender-identiteit niet iets psychisch en uit dien hoofde veranderbaar als de wil daartoe maar aanwezig is? Het is toch een (stoornis in een) psychologisch ontwikkelingsproces? De psychoanalyse vertelt ons toch dat wat psychisch scheef groeide, toch ook met psychologische methoden rechtgebogen moet kunnen worden. De praktijk leert anders. Transseksuelen ervaren hun gender-identiteit als waar, als hun echte zelf. Het lichaam is de sta-in-de-weg in hun compleetheid als man of als vrouw. De psychotherapie kan ook niet bogen op therapeutische successen in personen met een diepgaand gender-identiteitsconflict. De les moet zijn dat een gegeven als gender-identiteit in iemands leven een zodanig 'hardheidsgehalte' heeft dat tornen hieraan door de betrokkene als een aantasting van de eigen integriteit wordt ervaren. Dit is een empirisch gegeven; ook al strookt het niet met theorievorming in een deel van de psychologie, het is er niet minder waar om.

Intussen is, als men toch wil toegeven aan onze preoccupatie met de biologische bepaaldheid van man- en vrouw-zijn, de neuro-anatomie de transseksueel misschien wel te hulp gekomen. Sinds het begin van deze eeuw werd in het proefdiermodel duidelijk dat de geslachtelijke differentiatie tot man en vrouw niet afgesloten is met de vorming van de uitwendige geslachtsorganen, het criterium om een dier (maar ook een pasgeboren mens!) als mannelijk of vrouwelijk aan te duiden. Het bleek dat ook het centrale zenuwstelsel een vermannelijking of vervrouwelijking onderging en dat dit proces als regel pas na de geboorte plaats vindt. (Paar)gedrag en geslachtsorganen blijken op elkaar afgestemd! En zoals bij de voorgaande stappen in het proces van seksuele differentiatie blijkt dat bijna altijd ook wel te kloppen. Vindt er bij de mens een parallelle ontwikkeling van vermannelijking of vervrouwelijking  van de hersenen plaats? Zeker voor een deel, al zijn de overeenkomsten nog steeds groter dan de verschillen. Er zijn echter anatomische geslachtsverschillen in de menselijke hersenen aantoonbaar. Recent kon in een gezamelijke onderzoeksinspanning van het Nederlands Instituut voor Hersenonderzoek en het genderteam van de Vrije Universiteit aangetoond worden dat een bepaald kerngebied in de hersenen bij mannen en vrouwen verschillend ontwikkeld is, en voorts dat bij man-naar-vrouw transseksuelen dit kerngebied een vrouwelijke structuur toont. Toch nog een biologische legitimatie van de status van transseksueel? Is hier sprake van hermafroditisme, maar dan op hersenniveau?

Het valt te begrijpen dat de wens van transseksuelen om door hormonale en chirurgische behandeling aan het als eigen ervaren geslacht aangepast te worden  traditioneel met reserve is ontvangen in de geneeskunde. Kan het bestaan dat zo'n wens gehonoreerd wordt op grond van het 'psychische' gegeven dat de eigen beleving van de gender-identiteit niet aansluit bij de biologische werkelijkheid van de geslachtelijke kenmerken? Het staat zo ver van de gebruikelijke praktijk in de geneeskunde. De subjectieve klacht is weliswaar het beginpunt van een diagnostisch proces, maar uiteindelijk bepaalt toch de feitelijkheid zoals die aan de dag treedt in het objectiverende onderzoek van laboratorium of röntgenonderzoek, of een klacht van een patient verwijst naar een ziekelijk proces of dat hij zich maar wat inbeeldt en geholpen is met geruststelling en als dat niet voldoende is , dat hij maar eens met een psychiater moet praten. Bij de transseksueel is er in het laboratorium niets mis. Integendeel, alle biologische geslachtsdeterminanten zijn helemaal in orde. Hoe kan een transseksueel in redelijkheid van een arts verlangen dat deze met hormonen en het chirurgische mes gezond weefsel aantast. Het verdraagt zich niet met het adagium in de geneeskunde 'primum non nocere', vooral geen schade willen toebrengen.

  

 

Naar een nieuwere geneeskunde?

Het botert niet tussen de transseksueel en de traditionele geneeskunde. De transseksueel valt buiten de traditionele theoretische kaders van denken over man- en vrouw zijn. Hoe reageert de geneeskunde hierop? Kan de transseksueel dan ook niet bestaan? Of moet het verschijnsel transseksualiteit juist een uitdaging zijn om deze denkkaders over geslachtelijkheid eens te heroverwegen. Kunnen we man- en vrouw-zijn vaststellen met de biologische variabelen die we in de geneeskunde hebben ontdekt?. Of is het toch ingewikkelder? Hebben we toch niet alle aspecten van mannelijkheid en vrouwelijkheid kunnen vangen onder deze biologische variabelen? Is de geneeskunde als wetenschappelijke discipline wel competent om alles over man- en vrouw-zijn te kunnen en te mogen zeggen. Moeten we ons als beoefenaars van een wetenschappelijke discipline, nevengeschikt naast andere disciplines, niet realiseren dat we, net als die andere disciplines, de werkelijkheid reduceren tot wat we met de specifieke wetenschappelijke methoden van die discipline kunnen onderzoeken. We moeten ons realiseren dat als we 'solide wetenschappelijke bevindingen' uit die discipline te berde brengen, dat een reductie is van een meer complexe werkelijkheid, daarmee niet waardeloos of nutteloos, maar beperkt. Kunnen we over man- en vrouw-zijn niet beter te rade gaan bij de dichter dan bij de dokter?

Een aantal artsen heeft gemeend dat toch op de wensen van de transseksueel ingegaan moet worden. Niet dat zij doof zijn voor het genoemde opvattingen, maar omdat zij geloven dat het lijden van de transseksueel onhoudbaar groot is en dat bij de huidige stand van kennis de transseksueel niets beters te bieden valt dan een zo goed mogelijke aanpassing aan het als eigen ervaren geslacht. Tenslotte is empirisch handelen, dat wil zeggen de praktijk toont aan dat iets heilzaam is, maar de theorievorming is niet compleet, de geneeskunde niet vreemd.

Menigeen zal tegenwerpen dat ook de knapste hormoonspecialist en chirurg niet in staat zijn van een man 'een vrouw te maken' of omgekeerd. Money heeft hierover het volgende gezegd. In de geneeskunde is echte genezing zeldzaam. Meestal moeten patiënt en dokter zich tevreden stellen met een minder mooi resultaat. Niet dat de patiënt hiermee niet geholpen zou zijn. De diabetespatiënt kan redelijk normaal verder leven met zijn synthetische insuline-injecties; hij is zeker niet genezen, maar zijn leven kan weer redelijk normaal worden. Dit geldt ook voor de transseksueel. Hij  kan niet genezen worden; wel kan hij een redelijk leven leiden als hij door hormonale en chirurgische behandeling geholpen is. Net als de diabetespatiënt, weliswaar met een zekere handicap, maar beter dan tevoren. Per saldo heeft de geneeskunde in het huidige tijdsgewricht de lijdende mens niet veel meer te bieden en vaak is het ook al heel aardig, ook al is het niet volmaakt. Natuurlijk moet de behandeling van transseksuelen, net als andere behandelmethoden in de geneeskunde op zijn heilzaamheid getoetst worden. Dat gebeurt en de eerste resultaten zijn bemoedigend.

  

De transseksueel zelf

De transseksueel zelf ervaart zijn lichaam als een duistere kerker waarvan de sleutel zoek is. Meestal is het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten al vroeg in hun leven begonnen, vaak al op vier- of vijfjarige leeftijd. Niet dat ze toen al wisten dat ze transseksueel waren. Het onbehagen was vaag en diffuus. Meestal was een confrontatie met een mens in dezelfde situatie nodig om helderheid te krijgen. Duidelijker werd het in de puberteit toen de geslachtshormonen onderstreepten wat ze niet wilden zijn. Hun onbehagen en verdriet viel niet te delen met anderen. Het is zo onvoorstelbaar dat je je geen man of vrouw voelt als je lichaam toch zo duidelijk deze boodschap afgeeft. Opdat men zich daarbij toch iets kan voorstellen, geef ik het volgende ter overdenking. Stel dat je als man wakker wordt met vrouwelijke borsten; niet zo imaginair, het bestaat als verschijnsel en vaak is  het medisch onschuldig. Zo'n man zal zich verward en 'aangetast' voelen en naar de dokter gaan. Deze zou kunnen zeggen dat het weliswaar niet alledaags is maar medisch onschuldig. Je kunt er honderd mee worden en waarom zouden we dure medische voorzieningen daarvoor moeten aanspreken. Hij weet toch dat hij een man is. Transseksuelen leven voortdurend in zo'n situatie dat ze hun lichaam als een ontkenning beleven van wat ze in hun diepste wezen zijn. Een eenzaam bestaan. Deze belasting komt hun normale ontplooiing als jongeman of jongevrouw niet ten goede en evenmin hun scholing. Als ze in een grootsteedse omgeving wonen leren ze misschien enkele lotgenoten kennen, niet zelden in de marge van de maatschappij. In de entertainment of in de prostitutie valt hun 'afwijking' nog wel te exploiteren. Zo kunnen ze verworden tot de spraakmakende en gezichtsbepalende vertegenwoordigers van 'hun soort', tot 'zondaars'.

De psychomedische onderkenning van hun moeilijke situatie, het theoretische kader waarin hun gender-identiteitsprobleem geplaatst kon worden, en de wettelijke mogelijkheden om verder door het leven te gaan als lid van het gewenste geslacht, hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de emancipatie van transseksuelen. Maar was het misschien een emancipatie van zondaar naar zieke? Worden ze nu geboekt als lijders aan een stoornis in de geslachtelijke differentiatie? Op basis van biomedische theorievorming is het toch een stoornis? Of is dit soort geneeskunde toch te beperkt en moet er hier toch geneeskunst aan te pas komen? Transseksuelen zelf voelen zich niet gestoord, niet ziek. Natuurlijk, ze hebben de technieken van de geneeskunde nodig om te worden wie ze zeggen te zijn. Net als andere mensen willen ze een normale plaats innemen in dit leven, in deze samenleving. In feite is hun levenssituatie ook niet zo anders dan bij anderen bij wie iets  duidelijker lichamelijks mis liep in het wordingsproces tot man of vrouw. Ook zij moeten leven met een staat van man- of vrouw-zijn die niet helemaal gewoon is en misschien beperkingen kent. Maar de geneeskunde moet hen in staat stellen te leven in zelfrespect, en niet als zondaar of zieke. En de geneeskunde moet de politiek, de media en de samenleving (steeds weer!) uitleggen dat het geen verworvenheid is, geen keuze. Het gaat om mensen die in dat schijnbaar zo vanzelfsprekende en 'natuurlijke' proces van man- of vrouw-worden, averij opliepen, maar die niet minder recht op geluk hebben dan anderen.

 

 

  

   Literatuur  

1 .          Benjamin, H.  The Transsexual Phenomenon: A scientific report on transsexualism and sex conversions in the human male and female. New York: Julian Press; 1966.

            Gooren, L.J.G. The endocrinology of transsexualism. A review and a commentary. Psychoneuroendocrinol 15:3-14; 1990.

2 .         Gooren, L.J.G., Fliers, E. and Courtney, K. Biological determinants of sexual orientation. Annu Rev Sex Res 1:175-196; 1990.

3 .         McEwen, B.S. Gonadal steroid influence on brain development and sexual differentiation. Internat Rev Physiol 27:99-145; 1983.

4 .         Money, J. and Ehrhardt, A.A.  Man and Woman, Boy and Girl. Baltimore: Johns Hopkins Press; 1972.

5 .         Money, J.  Commentary: Current status of sex research.  J Psychol Human Sex 1: 5-15; 1988.

6 .         Money, J. Gendermaps, Social constructionism, Feminism and sexosophical History. New York: Continuum; 1996

7 .         Swaab, D.F., Gooren, L.J.G. and Hofman, M.A. The human hypothalamus in relation to gender and sexual orientation. Progress Brain Res 93:205-219; 1992.

8 .         Zhou, J.N., Hofman, M.A., Gooren, L.J.G. and Swaab, D.F. A sex difference in the human brain and its relation to transsexuality. Nature 378:68-70: 1995

  

   Verschenen in In de Marge nr. 3, jrg. 5 (1996)

 

Informatieve links over diverse aspecten van (trans)gender treft u aan in de linkenrubriek van onze website:
www.genderlinks.nl