P.T. Cohen-Kettenis
Mijnheer de Rector,
Dames en heren,
De mensheid is te verdelen
twee categorieën: zij die menen dat de mensheid in twee categorieën is in
te delen en zij die menen dat dat niet zo is. Voor zover deze verdeling
betrekking heeft op het onderscheid mannen tegenover vrouwen geldt
dat het merendeel van de mensheid tot de eerste categorie behoort.
Waarschijnlijk behoort u daar dus ook toe en meent u dat de seksen een
dichotomie vormen.
Nu u toch allen hier bent, maak
ik graag van de gelegenheid gebruik u de beperkingen van deze opvatting te
schetsen. Niet alleen patiënten lopen tegen deze beperkingen aan, maar ook
behandelaars.
Ik zal de dilemmas aangeven,
die het werken in dit gebied met zich meebrengt en u proberen duidelijk te
maken wat er mijns inziens nodig is om bij te dragen aan de oplossing van deze
dilemmas.
Ik doe dit aan de hand van het
verhaal van drie patiënten.
Drie patiënten
Wil
Als
beginnend therapeut had ik ruim 25 jaar geleden, voor het eerst een patiënt in
psychotherapie die worstelde met haar identiteit als vrouw. Ik noem haar Wil.
Toen zij bij mij kwam was Wil niet bereid zich bij artsen aan te melden voor
welke medische ingreep dan ook. Zij wilde wel uitzoeken hoe ze haar gevoelens van man- of vrouw-zijn in
haar dagelijks leven vorm moest geven. Ik was niet de eerste bij wie zij om
hulp aanklopte.
Vóór mij was ze bij twee andere
therapeuten geweest. Op haar vraag was verschillend gereageerd. Eén psycholoog
probeerde haar ervan te overtuigen, ongeacht wat zij inbracht, dat een
proefperiode waarin ze als een échte vrouw zou leven, haar wellicht tot andere
gedachten zou brengen. De andere verwees haar na twee gesprekken door en leek
in het geheel niet bereid om haar gevoelens te exploreren.
Uit onze gesprekken bleek al
snel dat Wil niet behoorde tot de groep die inmiddels bekend staat als de
klassieke transseksueel. Toch bestond bij haar een duidelijke gevoel van
onbehagen over haar vrouwelijke identiteit, een zogenaamde genderdysforie. Deze
was alleen anders van kwaliteit en had misschien ook een andere intensiteit dan
bij transseksuelen wordt aangetroffen. Lang overwoog Wil of een operatieve
borstverkleining haar van haar afkeer van haar lichaam zou bevrijden, maar
uiteindelijk heeft zij daar niet voor gekozen. Deels had dit te maken met
mogelijke sociale consequenties. Zij vreesde dat de opluchting om van haar
borsten verlost te zijn niet op zou wegen tegen de sociale repercussies. Het
uitzoeken welke situatie haar de beste kansen op een gelukkig leven zou geven,
was voor haar en mij een heel gepuzzel. Immers, over mensen met
genderproblemen, en zeker over varianten van transseksualiteit, werd in die
tijd nog nauwelijks nagedacht.
Hansje
Ongeveer tien jaar later zag ik
het eerste kind met een genderprobleem. Ik noem hem Hansje. Hansje was een
verlegen en stil jongetje, dat het heerlijk vond om met zijn nichtje
verkleedspelletjes te doen. In zijn verkleeddoos zat zijn lievelingsjurk, een
lange blauwe jurk met kanten stroken. Als hij die aantrok voelde hij zich een
prinses. Hansje was zeven jaar. Hij hield niet van stoeien, zoals zijn
broertje, en speelde eigenlijk liever helemaal niet met jongens. Hansje had wel
veel vriendinnetjes. Zijn ouders merkten dat zijn meisjesachtigheid, die zij
eerst voor een voorbijgaande fase hadden gehouden, bij het ouder worden niet
verdween. Toen hij op een keer aankondigde dat hij zijn piemel eraf wilde
knippen, zijn zij naar de huisarts gestapt. Deze raadde hen aan zijn
verkleeddoos en poppen weg te doen en hem met jongens te laten sporten. Dat
deden zij. Zij maakten hem lid van een judo- en voetbalvereniging, maar een
jaar later kwamen zij bij ons op het spreekuur. Zij waren bang dat de koers die
zij hadden ingeslagen toch niet de juiste was. Hansje was van een rustig, maar
opgewekt ventje een teruggetrokken angstig jongetje geworden, dat riep dat hij
dood wilde gaan om daarna als meisje opnieuw geboren te worden.
Lesley
Niet heel veel later kruiste
een andere jonge patiënt mijn pad. Ik noem haar Lesley. Zij was vijf jaar. Zij
was geboren met ambigue uitwendige geslachtsorganen. Haar chromosomen waren
mannelijk (46, XY) en in de buikholte waren testikels aanwezig. Onvoldoende
gevoeligheid voor testosteron van haar lichaamscellen had ervoor gezorgd dat
haar geslachtsorganen er niet duidelijk mannelijk uitzagen. Lesley leed aan
partiële androgeenongevoeligheid. Deze aandoening behoort tot de zogenaamde
geslachtsdifferentiatiestoornissen, ook wel interseks-aandoeningen genoemd 1.
Chirurgisch-technisch is het moeilijker om van ambigue geslachtsorganen
natuurlijk ogende mannelijke geslachtsorganen te maken dan ze te
vervrouwelijken. In die tijd kregen daarom vrijwel al deze kinderen het
vrouwelijk geslacht toegewezen. Er leek toen ook niet veel tegen om het kind
als meisje op te laten groeien. Men ging er namelijk van uit dat kinderen bij
de geboorte psychoseksueel neutraal waren. De opvoeding zou er wel voor zorgen
dat zij zich een meisje zouden gaan voelen. Lesley werd als meisje bij de
burgerlijke stand aangegeven en haar geslachtsorganen werden chirurgisch
vervrouwelijkt.
Bij het ouder worden bleek al
snel dat Lesley een heel jongensachtig meisje was, dat het liefst met jongens
speelde, dol was op hijskranen, graag stoeide en meisjesgetuttel maar een
slappe boel vond. Zij riep met grote stelligheid dat ze later een meneer zou
worden, net zoals haar pappa.
Haar toenmalige behandelaars
vroegen zich af wat te doen. Moest haar worden verteld wat er met haar aan de
hand was? En zo ja, op welke leeftijd dan? Stel dat zij dan als jongen verder
zou willen leven, moest haar dat meteen worden toegestaan? En zou zij dan ook
meteen geopereerd moeten worden om haar weer mannelijk uitziende
geslachtsorganen te geven? Veel vragen waarop geen duidelijk antwoord te geven
was.
Een atypische genderontwikkeling
Het gangbare pad dat leidt tot
het gevoel een volwassen man of vrouw te zijn (de genderidentiteit) bestaat uit
vele stappen. Wellicht ten overvloede vermeld ik hier de belangrijkste
mijlpalen: geslachtschromosomen, geslachtsklieren, geslachtshormonen,
geslachtsorganen en genderrol.
Wil, Hansje en Lesley
illustreren drie van de zeer vele manieren waarop de psychoseksuele ontwikkeling van dit gangbare pad kan
afwijken. Daarnaast maken hun verhalen duidelijk welke maatschappelijke en psychologische
krachten het werken op dit terrein van de medische psychologie zo complex
maken.
Ik zal een aantal van de
moeilijkheden bespreken aan de hand van de drie voorgestelde patiënten, en wel
volgorde van leeftijd. Ik begin dus bij
Lesley, de derde patiënt.
Personen met een interseksaandoening
Lesleys geschiedenis geeft
duidelijk weer voor welke dilemmas behandelaars zich gesteld zien. Van deze
bespreek ik de geslachtstoewijzing bij de geboorte en het tijdstip van de
operaties. Een verkeerde beslissing op een van deze gebieden kan de kwaliteit
van leven van deze kinderen blijvend benadelen.
Geslachtstoewijzing.
Vanaf de tweede helft van de
vorige eeuw werd in de kindergeneeskunde de zogeheten optimal gender policy
gevolgd. Volgens dit beleid wordt bij een geslachtstoewijzing niet alleen maar
rekening gehouden met één enkel lichamelijk kenmerk, bijvoorbeeld de
geslachtschromosomen. Kinderen met XY-chromosomen konden dus een vrouwelijke
geslachtstoewijzing krijgen, als werd aangenomen dat het kind als meisje
gelukkiger zou worden dan als jongen. Bij de besluitvorming hierover speelden
inschattingen een rol over een aantal andere factoren: de genderidentiteit van
het kind, het uiterlijk, het seksueel functioneren, de vruchtbaarheid, het psychisch welzijn, en het aantal en de
complexiteit van de medische ingrepen. Omdat gedacht werd dat een consistente
opvoeding in de vrouwelijke richting de genderidentiteit vrouwelijk zou maken,
werd, zoals eerder gezegd, vaak gekozen voor de vrouwelijke lijn. Zo hoefden de
operatieve ingrepen niet al te ingrijpend te zijn, wat weer ten goede zou komen
aan het psychisch welzijn. Deze keuze was ook bij Lesley gemaakt.
Onderzoek
op het gebied van de fundamentele en klinische neurowetenschappen hebben ertoe
geleid dat de aanname van de psychoseksuele neutraliteit bij de geboorte steeds
meer wordt betwijfeld. Daarmee raakte ook het gangbare klinische beleid in de
afgelopen vijf tot tien jaar aan grote kritiek onderhevig.
Over
welke gegevens gaat het dan?
In de
eerste plaats is uit onderzoek gebleken dat niet alleen de geslachtsorganen,
maar ook de hersenen zich (deels) in de mannelijke of vrouwelijke richting
differentiëren. Hoewel over dergelijk onderzoek bij dieren al geruime tijd werd
gepubliceerd, kreeg de mogelijke betekenis van geslachtshormonen voor de
ontwikkeling van de genderidentiteit vooral aandacht door een wereldberoemde
casus. Deze staat inmiddels bekend als de John/Joan case 2. John
was de helft van een eeneiige tweeling. Toen hij 8 maanden oud was verloor hij
zijn penis bij een mislukte besnijdenis. Vanwege zijn jonge leeftijd en de
aanname dat de opvoeding de genderidentiteit volledig bepaalt, werd hij als het
meisje Joan opgevoed. Zijn geslachtsorganen werden chirurgisch vervrouwelijkt.
Deze beslissing leek aanvankelijk succesvol, al was hij, zelfs als meisje, wel
veel jongensachtiger dan zijn tweelingbroer. Helaas bleek bij het ouder worden
dat het kind een ernstig genderprobleem had. Toen hij op zijn 14e jaar hoorde
wat er met hem was gebeurd, is hij onmiddellijk weer als jongen gaan leven. Hij
trouwde later met een vrouw die al kinderen had en is al jaren de vader in dit
gezin.
Deze
psychoseksuele uitkomst sluit aan bij recente rapporten over diverse
interseksaandoeningen. Sommige kinderen groeiden als meisje op, terwijl hun
hersenen voor de geboorte aan testosteron waren blootgesteld. Dat kan allerlei
oorzaken hebben, zoals aandoeningen van het kind zelf, of medicijngebruik van
moeder tijdens de zwangerschap. Veel van deze kinderen blijken op latere
leeftijd jongensachtige meisjes te zijn, ongeacht het hebben van mannelijke dan
wel vrouwelijke geslachtschromosomen of testikels dan wel eierstokken 3,4.
Een relatief groot aantal wil later zelfs als jongen/man gaan leven,
bijvoorbeeld nadat zij in de puberteit lichamelijk vermannelijken (zij krijgen
een lage stem, baardgroei en een groei van de clitoris) in plaatst van
vervrouwelijken5. Deze voorbeelden maken het verleidelijk om te
denken dat de genderidentiteit volledig afhangt van prenatale blootstelling van
het brein aan geslachtshormonen, zoals testosteron. Helaas ligt het niet zo
simpel.
De wens
om van sociale rol te veranderen ontstaat namelijk niet bij al deze kinderen.
Zelfs binnen één gezin kan het ene kind wel en het andere, met dezelfde aandoening,
niet voor een rolwisseling kiezen. Testosteron lijkt dus wel belangrijk maar
bepaalt de genderidentiteit niet als enige factor.
Bij
enkele aandoeningen is het nog steeds vrijwel onmogelijk om te voorspellen
welke geslachtskeuze voor het kind de beste is, omdat vermannelijking van de
hersenen niet kan worden afgeleid uit de mate waarin de geslachtsorganen zijn
vermannelijkt. Voorlopig zullen er dus kinderen blijven opgroeien, die op
latere leeftijd hun geslachtstoewijzing betreuren. Zij zullen dan een overstap
naar de rol van het andere sociale geslacht willen maken. Zonder goed follow-up
onderzoek waarin wordt nagegaan welke factoren de uiteindelijke
genderidentiteit kunnen voorspellen, zullen er kinderen het slachtoffer zijn
van verkeerde inschattingen.
Tijdstip chirurgie
Het
tweede dilemma waarvoor deze kinderen clinici stellen, betreft het moment van
chirurgisch ingrijpen. Bij Lesley waren de geslachtsorganen meteen na de
geboorte geopereerd, om haar er volledig vrouwelijk uit te laten zien. Mocht
zij later inderdaad als man door het leven willen gaan, dan had deze operatie
natuurlijk beter niet kunnen plaatsvinden. De ISNA (Intersex Society of North
America) is een organisatie van mensen met interseksaandoeningen die, onder
andere, opkomen voor de rechten van kinderen met interseksaandoeningen. Zij menen dat geen enkele chirurgische ingreep in de kinderleeftijd mag worden
uitgevoerd. Kinderen, zo vinden zij, moeten zelf kunnen kiezen wat er met hun
lichaam gebeurt, tenzij zich een levensbedreigende situatie voordoet. De felle
toon waarmee zij dit standpunt naar voren brengen heeft onder andere te maken
met eigen ervaringen. Doordat de hele clitoris is weggehaald, door littekens en
door permanente beschadiging van zenuwbanen hebben velen hun seksuele
gevoeligheid verloren of hebben zij pijnklachten. Anderen lopen, juist als
gevolg van de operaties, met misvormde geslachtsorganen rond. En degenen die
uiteindelijk als man zijn gaan leven betreuren het dat, wat zij ooit aan
penisweefsel hadden, in hun babytijd is weggehaald. Vanzelfsprekend vinden zij
dat een operatie bij een kind als Lesley pas moet worden uitgevoerd als haar
genderidentiteit is uitgekristalliseerd en zij oud genoeg is om zelf een keuze
te maken. Zij worden in hun zienswijze ook in toenemende mate gesteund door
professionals.
Maar het
probleem is dat er ook argumenten tegen zon beleid pleiten. In de eerste
plaats willen lang niet alle kinderen die met een onduidelijk geslacht zijn
geboren en als meisje opgevoed, later als man gaan leven. Zij zouden dus voor
niets jaren lang moeten leven met geslachtorganen die door de omgeving
afwijkend worden gevonden. Van kinderen met geslachtsorganen, die er ongewoon
uitzien, weten wij, ook uit onderzoek, dat zij zeer kunnen lijden onder schaamte
en onzekerheid 6.
In de
tweede plaats kunnen lang niet alle betrokkenen de ambiguïteit van de
geslachtsorganen van het kind verdragen. Zo vertelde een vader van Irakese
afkomst mij dat hij zelfs niet naar zijn kind kon kijken - laat staan normaal
met de baby omgaan - zolang er twijfel
in zijn hart was over het geslacht van zijn kind. Het is dus maar de vraag wat
ongunstiger is: kinderen met ambigue geslachtsorganen op te laten groeien met
de kans dat een onbekend percentage daar later grote problemen mee zal krijgen
of, zoals bij Lesley gebeurde, kinderen een geslacht toewijzen, hen op jonge
leeftijd opereren en weten dat een deel dat later zal betreuren. Zonder
adequate gegevens is hierover eigenlijk geen bevredigende beslissing te nemen.
Ons team kiest ervoor om per kind vanuit verschillende disciplines een
inschatting te maken van de voor- en nadelen van beide mogelijkheden. Hierbij
wordt ook rekening gehouden met wat bekend is uit onderzoek. Na overleg met de
ouders komt het team tot een beslissing. Maar deze werkwijze is zeker geen
garantie dat steeds de juiste keuze wordt gemaakt.
Onze tweede patiënt was Hansje,
het vrouwelijke jongetje van 7 jaar.
Jongeren met genderproblemen
Patiënten zoals Hansje staan
misschien aan het begin van een lang hulpverleningstraject. De dilemmas liggen
hier anders dan bij Lesley, maar drukken niet minder zwaar op patiënt en
hulpverlener. In Hansjes geval leek het advies van de huisarts te zijn
ingegeven door het idee dat het blokkeren van zijn vrouwelijke interesses hem
van zijn ongewenste vrouwelijkheid zou afhelpen. Over de psychologische
behandelingen van kinderen als Hansje is momenteel veel te doen.
Behandeling van kinderen
Wanneer wij de behandelingen
overzien, die wij in de afgelopen 15 jaar zelf hebben uitgevoerd of
geadviseerd, dan blijkt dat deze zo gevarieerd zijn als de kinderen zelf.
Gezinstherapie, ouderbegeleiding, individuele psychotherapie, psychiatrische
opname, een scala van psychologische interventies is toegepast. Er waren ook
kinderen die geen enkele psychologische behandeling nodig hadden, maar dit was
wel de minderheid. Immers, zelfs kinderen met op zich goede psychische, sociale
en intellectuele kwaliteiten lopen aan tegen de sociale consequenties van hun
genderprobleem. En juist die sociale consequenties hakken er in. Uit een
onderzoek bij ruim 400 kinderen met een genderidentiteitsstoornis, bleek dat de
factor slechte contacten met leeftijdsgenoten de sterkste voorspeller was van
emotionele problemen en gedragsproblemen 7.
In onze optiek moet het doel
van dergelijke behandelingen zijn om kinderen die dreigen vast te lopen in hun
ontwikkeling weer op de rails te krijgen. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om een
verbetering van hun sociale vaardigheden, het bewerken van angsten, het opkrikken
van hun zelfwaardering of het verbeteren van de gezinssituatie.
In het buitenland wordt een
zekere mate van vrouwelijkheid bij jongens en mannelijkheid bij meisjes, eerder
dan in Nederland, als een stoornis opgevat. Net als de huisarts van Hansje heeft
men daar vaker als primair behandeldoel
de genderidentiteit direct aan te pakken via het verbieden of afstraffen van
niet passende activiteiten (zoals het in jurk lopen van jongens). Op die
manier wordt geprobeerd van meisjes echte vrouwen en van jongens echte
mannen te maken. Deze wellicht onschuldig lijkende pogingen om het kind op het
rechte pad te krijgen zijn voor het kind ingrijpender dan een buitenstaander
zich kan voorstellen. Bovendien is het maar de vraag of dit ook werkelijk lukt.
Systematische studies naar het effect van deze aanpak zijn namelijk niet
voorhanden. Uit follow-up onderzoeken bij kinderen die inmiddels adolescenten
of volwassenen zijn, kan men het tegendeel concluderen.
Op grond van de eerste
tellingen uit ons patiëntenbestand weten wij inmiddels namelijk bij hoeveel
kinderen de afkeer van het eigen geslacht rond de puberteit niet verdwijnt,
maar zelfs groter wordt 8. Interessant genoeg is dat percentage
nagenoeg gelijk aan het percentage dat werd gerapporteerd in de enige andere
grote kliniek op dit gebied, het Clarke Institute of Psychiatry in Toronto
(Canada). In de behandelingen daar wordt cross-gendergedrag wel rigoureus
verboden. Zo tussen de 20% en 25% van de adolescenten die als kind al in beide
klinieken waren gezien, blijkt nog steeds genderdysfoor te zijn. Ondanks de
verschillen in behandeldoelen en -methoden lijken de uiteindelijke uitkomsten
in termen van genderidentiteit dus gelijk te zijn.
Naast de onduidelijke
effectiviteit is er ook een ethische dimensie aan dergelijke therapieën.
Ongeveer 75 procent van degenen die als kind de diagnose
genderidentiteitsstoornis kregen, blijkt als volwassene namelijk niet
transseksueel te zijn, maar homoseksueel 1,9. Vooral homobewegingen
in Amerika protesteren daarom tegen behandelingen die het gedrag van deze
kinderen proberen te normaliseren. De schrik van de conversietherapieën uit
het verleden, waarbij werd getracht om mensen van hun homoseksualiteit te
genezen' zit er nog goed in. Sinds homoseksualiteit niet meer als
psychiatrische stoornis wordt beschouwd, worden zulke behandelingen bij
volwassenen nauwelijks meer gepropageerd en hopelijk ook niet meer uitgevoerd.
Hoe ethisch is het dan om pre-homoseksuele kinderen wel aan dergelijke behandelingen bloot te stellen?
Het zal duidelijk zijn dat de
behandeldoelen samenhangen met de diagnose. Momenteel is op de huidige criteria
voor een genderidentiteitsstoornis voor kinderen nogal wat aan te merken 10.
Deze staan in de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders IV-TR
(ofwel de DSM-IV-TR). De DSM is een zeer veel gebruikt psychiatrisch
classificatiesysteem. Volgens de huidige
criteria kan een vrouwelijk jongetje dat niet
zegt een meisje te willen zijn en geen
afkeer heeft van zijn lichamelijke geslachtskenmerken nu toch de diagnose
genderidentiteitsstoornis krijgen. Het lijkt mij dringend nodig dat deze
criteria worden herzien, zodat kinderen met alleen atypisch genderrolgedrag
niet langer aan nodeloze behandelingen worden blootgesteld. Het doet mij
dan ook genoegen dat wij deze criteria opnieuw zullen gaan evalueren in een pas
gevormde internationale werkgroep die zich met de nieuwe DSM versie, de DSM-V,
gaat bezighouden.
Behandeling van adolescenten
Kleintjes worden groot en komen
tussen hun 10e en 13e jaar in de puberteit. Daarmee komt het tijdstip van
mogelijke interventies in beeld die wel gericht zijn op het probleem van de
genderidentiteit. In tegenstelling tot wat veel mensen denken zijn er niet één
maar twee zaken die ons tot nadenken stemmen. De eerste is de sociale
rolwisseling, de tweede de puberteitsremmende behandeling.
Toen ik Hansje zag, was hij
zeven en dus nog lang niet in de puberteit. Zijn ouders probeerden een
middenweg te zoeken tussen enerzijds een begrenzing van zijn behoeften (dus geen
poppen mee naar school), en anderzijds zijn persoonlijkheid de ruimte te laten
om zich te ontwikkelen. Hoewel het blokkeren van alle vrouwelijke expressie
waarschijnlijk niet goed voor hem zou zijn, is begrenzing ook belangrijk. Op
die leeftijd is immers nog volstrekt onduidelijk of het gaat om een kind dat
ook later als vrouw door het leven wil gaan. Te snel met zijn wens meegaan kan
een weg terug blokkeren. Daarnaast moet rekening gehouden worden met de kans op
sociale uitstoting. Jongens in jurk worden in onze maatschappij nu eenmaal nog
weinig geaccepteerd.
Momenteel wisselen de meeste
transseksuele kinderen pas enige tijd na de puberteit van sociale rol. Wel valt mij op dat, sinds dit
onderwerp herhaald in de media is verschenen, de leeftijd waarop zij van rol
willen wisselen omlaag lijkt te gaan. Zoals ik al aangaf is dit een niet
onverdeeld gunstige ontwikkeling, wanneer gaat om zeer jonge kinderen.
Maar zelfs wanneer het oudere
adolescenten betreft is het voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen dat zij
zon keuze al kunnen maken. In hun ogen is zon keuze een gril, vergelijkbaar
met het kiezen voor tatoeages of een wilde haardracht. Daarbij wordt uit het
oog verloren dat deze kinderen al hun leven lang aanlopen tegen de miskenning
van hun zelfgevoel. Vaak zijn zij al op onwaarschijnlijk jonge leeftijd bezig
met themas als discriminatie, schuldgevoelens ten opzichte van hun ouders,
eigen ouderschap en dood. Dit zijn voorwaar geen onderwerpen waar de meeste
kinderen zich mee bezighouden.
De keuze voor het starten met
puberteitsremmers, om de jongeren nog enige tijd in relatieve rust te laten
nadenken over eventuele volgende stappen, is voor henzelf dan ook meestal geen
moeilijke. Maar hulpverleners moeten ook hier laveren tussen enerzijds niet te
snel beginnen bij jongeren die daar spijt van zouden kunnen krijgen en
anderzijds niet te lang wachten bij jongeren die alleen maar baat hebben bij
een vroege behandeling. Daarom beperken wij ons bij jongeren onder de 16 jaar
tot het voorschrijven van puberteitsremmers en het geven van psychologische
begeleiding. Pas na het 16e jaar kan worden gestart met de echte
hormoonbehandeling. Ons behandelteam is ervan overtuigd dat het wachten tot de
puberteit met een sociale rolwisseling en, bij goed geselecteerde adolescenten,
het starten met puberteitsremmers na het 12e jaar een juiste aanpak is. Maar
deze opvatting zal moeten worden getoetst in follow-up onderzoek.
Volwassenen met genderproblemen
Ten slotte komen wij bij Wil,
de volwassen patiënt met een genderprobleem. Op haar vraag om hulp werd door
haar psychologen met huiver gereageerd. Dit heeft, net zoals bij de kinderen,
zeker te maken met een gebrek aan empirische kennis. Want op de vraag hoe
precies transseksualiteit, diverse vormen van transgenderisme, travestie en
homoseksualiteit elkaar overlappen en hoe ze van elkaar verschillen bestaat nog
geen pasklaar antwoord. Collega Swaab en zijn medewerkers hebben aangetoond dat
één hersenkern, de BSTc, bij transseksuelen anders is dan die van hun seksegenoten
11,12. In ons werk op het gebied van functionele lateralisatie en
cognities bij transseksuelen hebben wij ook zelf aanwijzingen gevonden voor een
biologische factor in de ontwikkeling van transseksualiteit 13.
Maar deze bevindingen vormen slechts een zeer klein tipje van de sluier
die zal moeten worden opgelicht, voor we volledig inzicht hebben in de hele
range van genderproblemen.
Ik denk dat de reacties van
Wils psychologen nog met andere factoren te maken hebben dan alleen met gebrek
aan kennis over het verschijnsel. Intra- en interpersoonlijke mechanismen
spelen volgens mij een grote rol bij iedereen die met genderpatienten te maken
heeft, dus ook bij hulpverleners. Empirische kennis over deze factoren is vrijwel nihil en
inzicht van individuele hulpverleners in hun eigen mechanismen zeer beperkt.
Toch maken juist deze factoren het vaak moeilijk om adequaat en nuchter op
hulpvragen zoals die van Wil te reageren.
Ik noem er enkele:
1. Gebrek aan identificatie
De meest voor de hand liggende
is natuurlijk het onvermogen om zich met de wens van de patiënt te
identificeren. Zeker in de beginperiode van de geslachtsaanpassende
behandelingen was dit waarschijnlijk zelfs de belangrijkste reden waarom
behandelaars genderpatiënten liever lieten doodgaan dan hen met een
geslachtsaanpassing te behandelen.
Dit onvermogen is al groot
wanneer het gaat om een volledige wens tot geslachtsaanpassing, maar de vraag
om partiële behandelingen is voor de meesten van ons volstrekt oninvoelbaar.
Nu is dit onvermogen tot
identificeren nog een relatief bewuste reactie en voor een behandelaar
gemakkelijk toegankelijk. Maar ook meer subtiele processen kunnen de houding
van de omgeving, dus ook van hulpverleners, beïnvloeden.
2. Verwarring
De cognitieve en emotionele
verwarring waaraan velen ten prooi vallen als zij voor het eerst met
genderpatiënten geconfronteerd worden, is alom bekend. Deze is vooral groot bij
iemand die zich sociaal in het ene geslacht presenteert, maar bij wie sporen
van het andere, namelijk het biologische, geslacht (nog) zichtbaar zijn. De
gesprekspartner vraagt zich af: Tot welk deel van de persoonlijkheid richt
ik mij eigenlijk? Tot het innerlijke deel dat de ander kennelijk probeert uit
te dragen of tot de toch (nog) zichtbare kanten van de oorspronkelijke sekse?
Een zeer bekend voorbeeld uit de waarnemingspsychologie is een ambigue
afbeelding waarop men een oude vrouw of jonge vrouw kan zien. Wàt men ziet is
afhankelijk van waarop de aandacht gericht is. Zou men doorlopend de jonge vrouw
willen blijven zien, dan vergt dat extra mentale inspanning. Zon extra
inspanning is niet altijd op te brengen. Bij psychologen, maar ook bij personen
uit de sociale omgeving, gaat dit ten koste van hun empathie. De psycholoog
wordt op deze wijze geremd in zijn/haar technische mogelijkheden om de patiënt
te volgen en de patiënt voelt zich niet begrepen en erkend.
3. Associaties met uiterlijk
Reacties op het uiterlijk
hangen ook nog met iets anders samen dan met een ambigue uitstraling. Fysieke
schoonheid wordt geassocieerd met positieve eigenschappen. Uit sociaal-
psychologisch onderzoek weten wij dat van mooiere mensen wordt gedacht dat zij
op het werk en in relaties succesvoller zijn dan minder mooie 14.
Zij worden beschouwd als psychisch beter functionerend, sociaal competenter,
meer integer, gelukkiger en, mits niet al te mooi, intelligenter. In hun
sociale contacten worden zij ook beter behandeld. De waardering van iemands
uiterlijk hangt voor beide seksen onder andere af van secundaire geslachtskenmerken. Mannen hebben bijvoorbeeld anders gevormde
kaak- en jukbeenderen, en bij vrouwen liggen de wenkbrauwen hoger in het
gezicht. Wanneer deze kenmerken niet passen bij het sociale geslacht, dus de
rol waarin men zich presenteert, kan men dus in het nadeel zijn. Vooral degenen
bij wie dit in sterke mate het geval is, lopen een grotere kans dat aan hen
meer negatieve attributen worden toegeschreven, waardoor ook de kans op
stigmatisering en afwijzing verhoogd is.
4. Verstoring van ordening
Mensen
met genderproblemen halen vaststaande gegevenheden in het wereldbeeld van
velen onderuit. De doorbreking van deze ordening leidt tot angst, onzekerheid
en irritatie. Waarom zou een doorbreking van de bestaande indelingen toch tot
zoveel onrust leiden? Ik geef u één verklaring die volgens mij in elk geval
voor individuen geldt.
In de
cognitieve psychologie hanteert men het begrip schemas. Dit zijn kennisstructuren, die nieuwe
informatie helpen ordenen. Zij bepalen op welke informatie uit de omgeving iemand de aandacht richt en als
relevant selecteert, welke informatie wordt onthouden en welke eventueel wordt
vervormd. Genderschemas bestaan uit een aantal kernbegrippen (man en
vrouw), waaraan een enorme hoeveelheid andere (vaak stereotiepe) begrippen
zijn verbonden: gedragingen (stoer), kenmerken (zacht), activiteiten (voetbal)
en zelfs voorwerpen (autos) of kleuren (roze ). Het hebben van zulke schemas
(en iedereen heeft ze) vermindert de cognitieve belasting en maakt ons
dagelijks leven dus eenvoudiger. Zij zorgen ervoor dat veel informatie als het
ware automatisch, dus snel en zonder dat er veel aandacht aan hoeft te worden
besteed, door ons wordt verwerkt. Dit geldt ook voor sociale contacten. In een
gesprek signaleren wij vrijwel onbewust of wij met een man of vrouw te maken
hebben. Van daaruit wordt een groot deel van onze houding, onze ideeën over de
ander en ons gedrag bepaald. Valt nu deze vanzelfsprekendheid weg, dan staat
ineens veel van wat de basis van de menselijke interactie vormt, op losse schroeven.
Dit is een onbehagelijk gevoel.
Het zal duidelijk zijn dat deze
vier factoren hun invloed hebben op hulpverleners in hun persoonlijke contact
met patiënten en in hun klinische keuzes. Maar de door mij geschetste processen
werken niet alleen op individueel niveau in het nadeel van de patiënt. Ook
maatschappelijk beïnvloeden zij de beeldvorming. Dit is niet alleen merkbaar
wanneer men de kranten openslaat, maar ook bij het aanvragen van subsidies, de
vergoeding van behandelkosten en het plaatsen van wetenschappelijke artikelen.
Er is terughoudendheid om met het onderwerp geassocieerd te worden en weinig
bereidheid vaststaande waarheden te herzien.
Een
voorbeeld uit juridische kringen komt uit het familierecht. Was het vroeger nog
nodig dat een huwelijk werd ontbonden als één van de twee echtelieden een
geslachtsaanpassende behandeling onderging, met het homohuwelijk is die eis van
de baan. Daarmee is ook de eis dat men niet meer in staat mag zijn om in het
oorspronkelijke geslacht te bevruchten of te baren obsoleet geworden. Immers,
als een biologische man zijn zaad invriest en dit na een geslachtsaanpassing
bij zijn (dan haar) vrouwelijke partner laat insemineren zijn beide wettelijke
- en in dit geval ook biologische -
ouders van het kind voor de wet vrouw.
In de geneeskunde is het nog
lang niet mogelijk om mensen zich in het andere geslacht te laten voortplanten.
Mocht het hier ooit wel van komen dan staat daarmee zelfs de definitie van wat
een vrouw is (namelijk iemand die in staat is kinderen te baren en
zogen) of wat een man is (namelijk iemand die in staat is te bevruchten)
op de helling. Toch ziet men in de juridische wereld wel voorstellen om een
voorschot op de toekomst nemen en in elk geval het hele juridische onderscheid
tussen man en vrouw op te heffen. Deze indeling vormt voor velen inderdaad een
barrière om hun identiteit volledig vorm te geven Maar zon drastische
herindeling van het maatschappelijk leven is waarschijnlijk nog een brug te ver
en zal er vooralsnog wel niet van komen.
Onderzoek
Uit de drie voorbeelden Lesley
en Hansje en Wil wordt duidelijk dat goede zorg voor genderpatienten nog steeds
zeer wordt belemmerd door een gebrek aan adequaat onderzoek. Zonder dit
onderzoek moeten we het in de klinische praktijk nog te vaak hebben van
klinische intuïtie in plaats van evidence-based zorg.
Sinds 25 jaar houden diverse
afdelingen van het VUmc zich, binnen het genderteam volwassenen, bezig met
patiënten bij wie de psychoseksuele ontwikkeling in onverwachte richting is
verlopen. De hoogleraren Bouman en Gooren speelden hierin een prominente rol.
Zijzelf, hun medewerkers en hun opvolgers uit diverse disciplines hebben zich
heel wat offers getroost om de zorg voor genderpatiënten te verbeteren. Hun
onderzoek bleek van eminente betekenis voor een beter begrip van de
genderproblematiek. Ik denk dat het ook geleid heeft tot een grotere
maatschappelijke acceptatie ervan.
De erkenning van de minister
van ons multidisciplinaire Kenniscentrum Genderdysforie en de recente
uitbreiding van onze patiëntenpopulatie, zowel qua leeftijd als qua
problematiek, heeft de VU tot een plaats gemaakt waar onderzoek kan worden
gedaan dat uniek is in de wereld. Ik zie het als mijn taak het Kenniscentrum de
komende jaren tot ontwikkeling te brengen, zodat de Willen, Hansjes en Lesleys
van de toekomst niet langer geslachtoffers zullen zijn15.
Dankwoord
Aan het eind gekomen van mijn
rede wil ik ook enkele woorden van dank uitspreken.
In de eerste plaats wil ik mijn
dank uitspreken aan het bestuur van de Vereniging voor het Christelijk
Wetenschappelijk Onderwijs, het College van Bestuur van de Vrije Universiteit
en de Raad van Bestuur van het VU medisch centrum voor het getoonde vertrouwen
door mij te benoemen als hoogleraar Medische Psychologie, in het bijzonder het
- zo gevoelige - vakgebied van de psychoseksuele ontwikkeling.
De leden van de
structuurcommissie, met name de voorzitter, de hooggeleerde van der Ploeg, en
de voorzitter van cluster III, de hooggeleerde Roord, wil ik bedanken voor hun inzet
om genderproblemen een duidelijke en eigen plek te geven binnen het cluster. Beste Henk, ik waardeer
het zeer dat je daarnaast vanuit de afdeling medische psychologie inmiddels ook
nieuw genderonderzoek hebt gefaciliteerd.
Verder wil ik mijn collegas
van de sectie gender bedanken: Lisette van den Bosch, Bas Fels, Luk Gijs,
Karina Hilt, Marloes Hogenelst, Kyomi Meijer, Immelie Peeters, Winkie Sandberg,
en Madeleine Wallien. Van een heterogeen groepje nieuwkomers en oudgedienden
dat nog aan elkaar moest wennen zijn jullie in het afgelopen jaar een echt team
geworden. Jullie oprechte interesse in de patiënten en meer dan gemiddelde
bereidheid om over kwaliteit van zorg en ethiek te reflecteren is stimulerend.
Het is goed om met jullie samen te werken; dat het nog lang zo goed moge
blijven.
Hooggeleerde Gooren, beste
Louis, wij zijn zo ongeveer de opa en oma van de academische genderwereld in
Nederland. Ik was getuige van jouw eerste bijdragen aan het vakgebied, het
begin van een lange reeks. Deze hebben het vak een geweldig eind vooruit
gebracht. Gelukkig valt mijn komst niet samen met jouw vertrek. Ook de jonge
collegas zullen dus nog geruime tijd van jouw aanwezigheid en
onderzoekservaring kunnen profiteren.
Beste Jos Megens, coördinator
van het genderteam, en beste collegas van het secretariaat. Jullie zijn al
jarenlang de spil van het genderwerk voor volwassenen. Wat jullie voor hen
betekenen is niet te omschrijven. En zonder jullie zouden wij ons werk niet zo
soepel kunnen doen.
Hooggeleerde Netelenbos, beste
Coen. Niet alleen ben je niet bang voor hormonen, zoals ik kort geleden nog
van je hoorde, je bent ook niet bang voor genderpatiënten. Als hoofd van de
afdeling endocrinologie heb je steeds enorm je best gedaan om de zorg voor onze
volwassen patiënten in de afdeling te integreren. Genderpatiënten zijn wel
bijzonder, maar het zijn toch gewone patiënten, met recht op gewone zorg, van
goede kwaliteit. Jij vecht daarvoor.
Beste collegas van de PCD:
Annet Boenink, Guus Eeckhout en Hansje Heller. De genderpsychologen prijzen
zich gelukkig dat het zo goed met jullie samenwerken is. Wat fijn dat fricties,
die zo vaak tussen psychologen en psychiaters aanwezig zijn, in ons geval niet
voorkomen, ondanks de externe druk die deze harmonie zo gemakkelijk zou kunnen
verstoren.
Hooggeleerde Mulder, beste
Wiebe, en andere collegas van de plastische chirurgie. Voor veel van onze
patiënten vormt jullie werk de essentiële finishing touch van de behandeling.
Ik waardeer het dat de afdeling plastische chirurgie, onder aanvoering van de
Hooggeleerde Ritt, met ons blijft zoeken naar oplossingen voor de grote
capaciteitsproblemen.
Collegas van de poli
kindergeneeskunde, in het bijzonder Michiel Weijerman en Nel Hensen. Het was
niet gemakkelijk voor jullie om een groep vreemde eenden in de bijt te moeten
onderbrengen. Bedankt voor de niet geringe moeite om het genderspreekuur voor
kinderen op jullie poli in te passen.
Hooggeleerde Delemarre, beste
Henriëtte, hooggeleerde Doreleijers, beste Theo. Ik vind het plezierig dat ik
met jullie en jullie medewerkers de zorg voor de genderkleintjes deel. Wat
geweldig dat jullie je nek durven uit te steken, terwijl niets eenvoudiger is
dan in de luwte voor minder omstreden onderwerpen te kiezen. Ik kijk uit naar
onze gezamenlijke onderzoeksprojecten.
Vele collegas van andere
zorginstellingen, met name het Groningse genderteam, Parnassia, GGZ Friesland,
het UMC en het Sophia Kinderziekenhuis, maar ook Humanitas en de
patiëntenverenigingen. Een taakverdeling in de zorg voor genderpatiënten is
iets waar het in Nederland lang aan heeft ontbroken. Het is goed om te zien dat
daar nu verandering in komt. Ik hoop dat ons netwerk zich zal uitbreiden en
verstevigen.
Collegas van de afdeling
medische psychologie, met name Emma Collette, Jaap Huisman en Josee van de
Kreeke; via jullie blijf ik verbonden met meer algemene inhoudelijke kanten van
het vak. Waar mogelijk werken wij samen. Dat gaat steeds op een ontspannen en
prettige manier.
Ten slotte ben ik mijn hele
familie dankbaar voor hun altijd aanwezige onvoorwaardelijke liefde en steun,
mijn gezin natuurlijk in het bijzonder.
Eleonore, als de vrouwen in ons
gezin versterken wij elkaar in onze vrouwelijke genderidentiteit. Verder ben
jij voor mij de best denkbare discussiepartner over mannen in het algemeen en
sommige in het bijzonder. Arjeh en Max, de mannen in ons gezin: jullie zijn
mijn meest nabije bron van empirie over de mannelijke genderidentiteit. Zonder
deze wetenschappelijke inbreng, zonder jullie huishoudelijke bijdragen, maar
vooral zonder jullie verrukkelijke maaltijden, had mijn carrière er heel anders
uitgezien.
Ik heb gezegd.
Referenties
1. Cohen-Kettenis, P.T. & Pfäfflin, F. (2003). Transgenderism and intersexuality in childhood and
adolescence: Making choices. Thousand Oaks, CA: Sage Publications
2. Diamond, M. &
Sigmundson, H.K. (1997). Sex reassignment at birth: Long-term review and
clinical implications. Archives of
Pediatrics and Adolescent Medicine, 151, 298-304
3. Collaer, M.L. &
Hines, M. (1995). Human behavioral sex differences: A role for gonadal hormones
during early development? Psychological
Bulletin, 118, 55-107
4. Zucker, K. J. (1999). Intersexuality
and gender identity differentiation. Annual Review of Sex Research, 10,
1-69
5.
Rösler, A. (1992). Steroid 17β-hydroxysteroid dehydrogenase deficiency in
man: An inherited form of male pseudohermaphroditism. Journal of Steroid Biochemistry and Molecular Biology, 43, 989-1002
6. Mureau, M. (1995). Psychosexual and
psychosocial adjustment of hypospadias patients. Academisch proefschrift.
Rotterdam: Erasmus Universiteit
7.
Cohen-Kettenis, P.T., Owen, A., Bradley, S.J., Kaijser, V.G. & Zucker, K.J.
(2003). Demographic characteristics, social competence, and behavior problems
in children with gender identity disorder: A cross-national, cross-clinic
comparative analysis. Journal of Abnormal Child Psychology, 31, 41-53
8.
Cohen-Kettenis, P.T. (2001). Gender identity in DSM? Journal of the American
Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 40, 391
9. Zucker, K.J. & Bradley,
S. J. (1995). Gender Identity Disorder and
psychosexual problems in children and adolescents. New York, London: Guilford
Press
10. Bartlett, N.H., Vasey,
P.L. & Bukowski, W.M. (2000). Is gender identity disorder in children a
mental disorder? Sex Roles, 43,
753-785
11. Kruijver, F.P., Zhou, J., Pool, C., Hofman, M.A.,
Gooren, L.J.G. & Swaab, D.F. (2000). Male-to-female transsexuals have
female neuron numbers in a limbic nucleus. Journal
of Clinical Endocrinology and Metabolism, 85, 2034-2041
12. Zhou, J., Hofman, M.A.,
Gooren, L.J.G. & Swaab, D.F. (1995). A sex difference in the human brain
and its relation to transsexuality. Nature,
378, 68-70
13. Cohen-Kettenis, P.T.,
Gooren, L.J.G. (1999). Transsexualism; A review of etiology, diagnosis and
treatment. Journal of Psychosomatic Research, 46, 315-333
14. Eagly, A.H., Ashmore,
R.D., Makhijni, M.G. & Longo, L.C. (1991). What is beautiful is good, but
..: A meta-analytic review of research on the physical attractiveness
stereotype. Psychological Bulletin, 110, 109-128
15. Dank aan Arjeh Cohen, Luk Gijs, Ron van Hasselt en Wim Honselaar voor hun waardevolle commentaar op deze tekst.
Recent
is een interview met Peggy Cohen verschenen in het internet
tijdschrift Continuum
[Klik hier om terug te keren naar de genderlinks pagina van het Blaise Pascal Instituut]