Euforie in Manchester (2)

Het zesde internationale congres over sekse en genderdiversiteit (10-12 september 2004)

 

Deel 2. Terminologie, Gender Recognition Act, zaterdag- en zondag-programma.

 

Wim Haan

 

 

In de discussie over gender, en zeker over genderdysforie, doet zich regelmatig spraakverwarring voor. Dat wordt met name veroorzaakt door het probleem dat de terminologie niet eenduidig wordt gehanteerd. En vooralsnog bieden woordenboeken hier ook weinig soulaas. In de meeste woordenboeken treffen we immers verouderde betekenissen aan. Tijdens het congres komt in een presentatie van Richard Ekins en Dave King de evolutie van de term transgender aan de orde. Beide zijn betrokken bij een adviesronde in verband met de opname van de term in de Oxford English Dictionary.

De definitieproblemen kunnen in drie categorieën worden onderverdeeld:

-         termen worden zowel descriptief als normatief gebruikt (a)

-         bij sommige termen is er sprake van een ‘engere’ en een ‘bredere’ betekenisgeving (b)

-         in verschillende talen wordt dezelfde term anders gedefinieerd (c)

We beginnen met het woord transgender. De definitie die Ekins en King voorstellen is:  “Anyone whose identity or behaviour falls outside typical gender norms”. Dat is een descriptieve betekenis, waarbij de term transgender als een ‘paraplu-term’ wordt gebruikt. Onder transgender valt dan alles wat zich op het continuüm van travestie tot transseksualiteit voordoet. Let op de term ‘typical’, ‘typisch’ verwijst naar de standaard, ‘a-typisch’ verwijst naar variaties daarop. Zodra we hier de termen normaal/abnormaal zouden invoeren, of standaard/afwijking zijn we normatief bezig. Het begrip krijgt dan een negatieve lading.

Transgender in het Nederlands wordt in de regel in engere zin gedefinieerd, en niet als de parapluterm gehanteerd, die in het Engels inmiddels de standaarddefinitie is geworden. Transgender bevindt zich dan ergens tussen travestie en transseksualiteit in. De transgendere mens heeft een identiteit of gedrag als van het andere geslacht, maar zonder de uitgesproken wens om volledig in de rol van het andere geslacht te gaan leven, en zonder een geslachtsaanpassende operatie.

Travestie in het Nederlands is op zichzelf een beschrijvende term: mensen die de kleding van het andere geslacht dragen, en daar kan een brede ‘range’ van motivatie achter zitten: voor de erotische kick tot een diepgevoelde emotionele en psychische behoefte. De term ‘travestiet’ daarentegen wordt regelmatig normatief en denigrerend gebruikt. Juist vanwege dat denigrerend gebruik besluiten veel travestieten om zichzelf als ‘transgender’ te definiëren. Op straat nageroepen worden als ‘Vieze travestiet’ zal veel transgendere mensen wel eens zijn overkomen. De kreet ‘Vieze transgender’ ligt minder voor de hand. In het Vlaams is ‘travestie’ overigens de term om de persoon die aan travestie doet aan te duiden: ‘ik ben travestie’ betekent daar dus ‘ik doe aan travestie’.

‘Transseksueel’ of in het Engels ‘transsexual’ is haast nog complexer wat de definitie aangaat. Daarbij is allereerst het problematische van de term seksualiteit als het gaat om gender. Een transgender kan een homoseksuele, heteroseksuele of biseksuele oriëntatie hebben, seksualiteit en gender zijn dus twee verschillende termen. Echter ‘sex’ in het Engels duidt op ‘geslacht’ en niet op seksualiteit. En ‘transexual’ of ‘transsexual’ is ook een term die zogenaamde ‘shemales’ hanteren, en dan hebben we het voornamelijk over een begrip dat in de porno-industrie ‘dienst doet’. Een ‘shemale’ is een vrouw met ‘iets extra’s’.

Dan is er ook nog het probleem hoe zich iemand moet noemen die een  geslachtsaanpassende operatie heeft ondergaan: feitelijk is de persoon – ook in juridische zin – van het andere geslacht en is dus geen transseksueel meer. De oplossing die daarvoor is gevonden is de descriptieve beschrijving ‘vrouw (of man) met een transseksueel verleden’.

Wat we de laatste jaren vaak zien is dat enkel het woord ‘trans’ wordt gebruikt om de gendervariantie aan te duiden (zo wordt er gesproken over ‘transacademics’, ‘trans-community’ etc.)

Met deze opsomming heb ik een deel van de definitieproblemen beschreven die een rol spelen in de discussie over genderdysforie en (trans-)gendervraagstukken. Maar nog niet uitputtend. Het is van belang om die terminologische kwesties in het achterhoofd te houden wanneer we met de transgenderthematiek bezig zijn.

 

Zaterdagochtend

De plenaire presentaties worden verzorgd door juristen. Twee uit Zuid-Afrika (Pierre de Vos en Estian Smit, beide van de Universiteit van West-Kaap) en één uit Australië (Rachael Wallbank). De nieuwe grondwet die in Zuid-Afrika na de apartheid werd aangenomen (1994) verbiedt elke vorm van discriminatie (inclusief geslacht, gender en seksuele oriëntatie). Pas in 2003 echter is de Sex Status Act aangenomen die voor interseksuele mensen en degene die een GRS (Gender Reassignment Surgery) hebben ondergaan het mogelijk maakt om ook juridisch van geslacht te veranderen. In de praktijk blijkt het echter niet altijd even makkelijk om de antidiscriminatie wetten te handhaven, deels veroorzaakt door een essentialistische benadering van geslacht en gender in de wetsteksten.

Wallbank introduceert het woord ‘genitocentrism’ als het gaat om de achtergronden van de juridische benadering van een aantal rechtszaken in de V.S. waarbij transgendere mensen betrokken waren. Het begrip duidt erop dat iemands biologisch en juridisch geslacht wordt vastgesteld aan de hand van het uiterlijk van de genitalia. Eveneens suggereert Wallbank om vier categorieën te hanteren om juridisch geharrewar te voorkomen: (a) geslacht (biologisch), (b) gender (cultureel), (c) interseksueel (ambigue geslachtseigenschappen) en (d) ‘brainsex’ (psychisch geslacht). Overigens komen in haar verhaal nieuwe dilemma’s naar voren die gegeven zijn met de rechtsgelijkheid: wanneer bijv. een biologisch geboren man vrouw wordt, en dat door wetgeving wordt vastgelegd, maar de persoon is kwestie is toevallig getrouwd in een land/staat waar geen ‘same-sex marriages’ zijn toegestaan … Dit belangenconflict, beter gezegd conflict tussen wetten, is ook één van de negatieve bijverschijnselen van de recent in Groot-Brittanië aangenomen Gender Recognition Bill.

Patrick Gerling van Northwestern University in de V.S., gaat dieper in op de kwestie van ‘same-sex marriages and transgenderism’ in zijn presentatie. Aan de hand van een aantal rechtszaken beschrijft hij de problemen waar rechters en juristen voor komen te staan. Zijn conclusie is tweeledig: ‘same-sex marriage bans’ betekenen helaas in de regel eveneens ‘transsexual marriage bans’ te zijn. Daarnaast is voor veel rechters de transseksuele mens compleet ‘onbegrijpelijk’ en valt daarmee al te vaak buiten wettelijke voorzieningen die zijn getroffen voor mensen die binnen de standaard dichotomie man-vrouw vallen.

 

Situatie in andere Europese landen

Voor het middagprogramma kies ik ervoor om een aantal presentaties bij te wonen over de situatie van transgendere mensen in Europese landen. Dat zijn gedeeltelijk verhalen waar je niet al te vrolijk van wordt. Met name de presentatie van Stéphanie Nicot over Frankrijk ‘Old Saws and New Activism: the Transexual Movement in France’ is schrijnend. Het Franse ‘communautarisme’ blijkt een groot obstakel voor rechtsgelijkheid van transseksuele mensen. De recente groei van de Association de Syndrome de Benjamin en de activiteiten die deze actiegroep ontplooit zijn hoopvolle initiatieven om een tegenwicht te bieden aan de mensonterende behandeling die zich nog te vaak voordoet in Frankrijk. Overigens wijst Nicot op twee andere ontwikkelingen die een positieve rol vervullen bij de emancipatie van transseksuele mensen in Frankrijk: allereerst het functioneren van een ‘idool’ op de televisie, vergelijkbaar met de Nederlandse Kelly. Het ‘voorbeeld hoe het ook kan’ dat zij neerzet heeft een positieve uitstraling op de beeldvorming rond transseksualiteit. Maar belangrijker nog het verenigd Europa, waarin Frankrijk genoodzaakt is om op verschillende gebieden te ‘sporen’ met andere Europese landen. Het verenigd Europa leidt tot een uitwisseling van gegevens tussen gender-actiegroepen in de diverse lidstaten. In het ene land kan men op die manier profiteren van wat in een ander land al bereikt is.

Hoewel de situatie in Oostenrijk aanzienlijk beter is dan in Frankrijk, is er ook in dit land nog veel onduidelijkheid over de positie van transseksuele mensen. Elizabeth Greif, werkzaam aan de Johannes Kepler Universität in Linz, vertelt erover. Behandeling van genderdysforie en geslachtsaanpassende operaties in Oostenrijk zijn geregeld in de zogenaamde ‘Transsexuellen-Erlass’. Maar deze regeling heeft een onduidelijke juridische status. Wanneer personen niet exact vallen binnen de beschrijvingen, regels en procedures die in deze tekst zijn geformuleerd vallen ze tussen wal en schip. Bij onenigheden over interpretaties blijkt de ‘heteronormativiteit’ van het Oostenrijks rechtssysteem vaak de doorslag te geven. De Transsexuellen-Erlass is mede daarom een keurslijf dat voor veel genderdysfore mensen geen oplossing biedt.

Tenslotte Spanje. Àlec Casanova spreekt over de situatie in een ‘verdeeld land’ als het om genderdysforie gaat. Geslachtsaanpassende behandelingen worden in sommige regio’s wel vergoed door ziekenfonds en overheid, in andere regio’s niet. Ook in Spanje spiegelt men zich aan het verenigd Europa. Zeker als het gaat om discriminatie op juridisch, maar ook op andere terreinen, hoopt men dat de in 1989 door het Europese Parlement vastgesteld resolutie die discriminatie van transseksuele mensen veroordeelt, een grotere werking in Spanje zal krijgen.

Overigens, en dat is in zijn algemeenheid een interessant gegeven: in landen waar minder ‘geregeld is’ en de positie van transgendere mensen nog veel te wensen over laat, is er meer eenheid en samenwerking tussen hulpverlenings- en belangengroepen dan in landen waar ogenschijnlijk het goed toeven is voor mensen die buiten de geijkte patronen van man en vrouw vallen. Wanneer de nood aan de transgender hoog is, is er weinig tijd voor vermoeiend gekissebis en onderlinge strijd en discussie. Geen ruimte ook voor zinloze debatten wie nou de ‘échte’ genderdysfoor is en over de verschillen tussen de diverse gender-bloedgroepen. Dat is een luxe discussie waar men zich met name binnen Nederland (zelf)kritisch over zou moeten onderhouden.

 

The Gender Recognition Act en Jamison Green

De zaterdag telt nog twee plenaire sessies. Eén ervan wordt gevuld door Stephen Whittle en Claire McNab, beide nauw betrokken bij de totstandkoming van de Gender Recognition Act (GRA). De wet gaat officieel in in de lente van 2005. De GRA biedt een volledige wettelijke erkenning van de nieuwe genderstatus van mensen. De wet honoreert eveneens de complexiteit van het hele ‘gender reassignment’ gebeuren en houdt rekening met de beperkingen van de behandeling. Feitelijk is gekozen voor een post-modern framework (in de woorden van Whittle): hormonale en chirurgische ingrepen zijn geen absolute voorwaarde meer voor een erkenning van het nieuwe gender. De privacy-regelingen in de wet zijn dermate specifiek uitgewerkt dat iemands genderverleden geen rol meer mag en kan spelen op diverse terreinen van het maatschappelijk verkeer (werk, verzekeringen etc.)

Waar Whittle de positieve aspecten beschrijft, is voor McNab de ondankbare taak weggelegd om te vertellen over de tekortkomingen van de nieuwe wet. Met name worden daarbij de dilemma’s genoemd waar ik boven al op heb gewezen, wanneer zich conflicten tussen wetten voordoen. Zo gaat de pensioenvoorziening erop achteruit van mensen die op latere leeftijd in aanmerking wensen te komen voor ‘gender recognition’. Interseksuele mensen zijn uitgesloten van de regeling. En de positie van mensen waarvan de geslachtsaanpassing in het buitenland juridisch is vastgelegd is ook nog onduidelijk.

Maar ondanks de tekortkomingen is de wet iets om trots op te zijn. En die trots stralen McNab en Whittle die jarenlang veel energie hebben gestoken in de totstandkoming van de GRA ook uit.

Tijdens autobiografisch verhaal van Jamison Green zitten mensen muisstil op hun stoel en zijn gekluisterd aan het emotioneel geladen betoog. Green beschrijft de lijdensweg die velen hebben moeten ondergaan om uiteindelijk bevrijding en vervulling te vinden in hun ware identiteit. Het is een weg van eenzaamheid, haat, onbegrip en verlies van communicatie met geliefden en familie. Green geeft het voorbeeld dat zijn moeder het jarenlang over ‘it’ had toen ze over hem sprak. Een transgender verleden is nooit verdwenen, het blijft een heel leven  lang bij mensen. En er zijn de onoplosbare dilemma’s: hoe beargumenteer je een diep gevoelde werkelijkheid. ‘If we walk away from our transsexual past we are condemned to suffer’ en ‘as a transgender person you are morally unfit for human consideration’ … twee citaten uit zijn betoog. Green volstaat echter niet met een pessimistisch verhaal. Hij pleit voor positief zelfbewustzijn: ‘we are real, we are genetic’. En hij stelt vast dat in de transseksuele wereld humor helaas al te vaak afwezig is. Een minutenlange staande ovatie is zijn deel als hij de laatste woorden heeft uitgesproken.

 

Slotdag

Ik beperk me voor wat betreft de laatste dag van de conferentie tot het middagprogramma. Want het eind van de conferentie blijkt nog enig vuurwerk te bevatten. In Deel 1. van dit verslag memoreerde ik al de woorden van Stephen Whittle over de afwezigheid van de ‘clinical practitioners’. De relatie tussen de activisten en het medisch establishment is er één van woelige wateren, zo lijkt het. Op zichzelf hoeft dat niet te verbazen. Waar de genderactivisten zich inzetten voor vrije genderexpressie en –diversiteit, bieden de medische specialisten die werken krachtens de richtlijnen van de zogenaamde ‘Standards of care’ een behandeling volgens een strak schema, een keurslijf. Daarbij vallen nogal wat ‘tussengevallen’ uit de boot. Zeker mensen die niet de zekerheid kunnen bieden die de medici eisen, de mensen – in de woorden van Katrina Roen, de eerste spreekster van de middag – die een vage ervaring van gendervariantie hebben, een ‘nebulous’ gevoel. Daarnaast wordt de medische genderhulpverlening vaak als een ondoordringbaar bolwerk ervaren, een bolwerk in een monopoliepositie, hetgeen ook niet vanzelfsprekend bijdraagt aan een luisterend oor voor waar het cliëntèle behoefte aan heeft.

Tegen deze achtergrond is het middagprogramma interessant, want na een inleiding vanuit medisch-psychologische hoek is er de presentatie van Petra de Sutter, hoogleraar Gynaecologie aan het Academisch Ziekenhuis van de universiteit te Gent. Zij zal spreken mede namens Gires, een organisatie die zich inzet voor onderzoek naar en informatie over genderidentiteit en transseksualiteit, een afsplitsing van Press for Change.

‘Talking about gender is like trying to grab a ghost’, dat is één van de uitspraken van Katrina Roen, van het Institute for Health Research in Lancaster, Groot-Brittanië. Een gendergevoel is vaak moeilijk te beargumenteren, dat zei Jamison Green ook al in zijn betoog. Maar toch is dat wat de medisch specialist vraagt aan de cliënt: met ‘genderuncertainty’ loopt degene die zich bij een genderteam meldt het risico af te vallen en niet in aanmerking te komen voor het traject van geslachtsaanpassing. Waar Roen zich ook mee bezig heeft gehouden is betekenisgeving: waarom wordt de GRS door de één als succesvoller ervaren als de ander, dat heeft onder andere te maken met het proces van betekenisgeving van (‘significatory potential’) van de operatie.

Op zichzelf is het betoog van Petra de Sutter niet controversieel. Ze geeft in haar presentatie een overzicht medisch-biologisch onderzoek naar de ‘oorzaken’ van transseksualiteit. Daarbij gaat ze met name in op het hersenonderzoek dat is verricht door de Nederlandse hersenspecialist Swaab/Gooren en anderen. In feit is haar inleiding een pleidooi voor respect voor genderdiversiteit, met medeweging van medisch-biologisch onderzoek. Zonder bij dat laatste al te deterministisch te werk te gaan. Haar inleiding oogst veel waardering bij de aanwezigen.

Het afsluitende verhaal van de middag is van Claire McNab, vice-president van Press for Change. Het is een frontale aanval op de vorige inleiding. GID (Gender Identity Dysphoria) is een natuurlijk proces, en heeft niets met ‘afwijkingen’ te maken. Centraal staan de eigen ervaringen van het anders-zijn. Het onderzoek naar causaliteit van transseksualiteit is zeer gevaarlijk. Ze keert zich in alle toonaarden tegen de hersentheorie. En walgt van de ‘arrogance of the medical profession’. Het Nederlands behandelmodel is volgens haar een voorbeeld hoe het niet moet: veel te restrictief en rigide. Een keurslijf waar mensen zich in moeten wringen en dat dus tot hypocrisie leidt. Tenslotte is zij bang dat elk medisch determinisme de potentie in zich draagt om te ontaarden, en dat zal zeker gebeuren bij medisch-biologisch onderzoek naar de oorzaken van transseksualiteit. In dat opzicht refereert zich aan de eugenetica die als een duistere schim uit het verleden over medisch determinisme hangt.

Met het betoog van McNab kun je het eens of oneens zijn. Mij ontgaat alleen wat de relatie is tussen haar betoog en het voorafgaande. De eerste zinnen van McMab duidden erop dat ze wilde reageren op hetgeen De Sutter naar voren bracht, maar behoudens een zijdelingse verwijzing naar haar getroubleerde relatie met Gires en een enkele opmerking over het hersenonderzoek is daar weinig van te merken. Maar – en dat is zeker belangrijk op de late zondagmiddag – haar verhaal brengt leven in de brouwerij. Zeker als ze in het vragenkwartiertje nog termen als ‘biological fiction’ hanteert bij de beschrijven van medisch wetenschappelijk onderzoek.

 

Terugblik

Een conferentie bijwonen betekent altijd twee dingen: je wordt (hopelijk) geconfronteerd met nieuwe inzichten en denkbeelden, en je ontmoet mensen. Netwerken heet dat tweede. Mensen die zich met (trans)genderthematieken bezighouden zijn veelal zelf betrokken bij het onderwerp, oftewel door de eigen persoonlijke geschiedenis, oftewel omdat het thema je op een existentiële manier raakt. Bezig zijn met dit onderwerp houdt risico’s in. In de academische wereld is het soms een ‘suspect’ iets, en als je zelf een transgendergeschiedenis hebt, dan heb je de angels en problemen veelal letterlijk aan den lijve ervaren.

Je ontmoet dus fascinerende mensen, vaak met een problematisch levensverhaal, dat is waar. Maar in het doorleven van dat problematische zit het hoopgevende. Times they are a- changin, zong Bob Dylan al, en dat is zeker de ontwikkeling zoals die zich nu voordoet. En wie het liedje goed kent, die herinnert zich ook de volgende tekst:

For the loser now
Will be later to win
For the times they are a-changin.

 

21 september 2004.

 

Deel 1. van dit verslag kunt u vinden op dit internetadres: http://www.bezinningscentrum.nl/tg/Sex_and_Genderdiversity.htm

De website van Press for Change: http://www.pfc.org.uk/ en de speciale pagina over de Gender Recognition Act: http://www.pfc.org.uk/gr-bill/index.htm

Commentaar is welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl

Meer informatie over de thematiek in de genderlinksportal van het Blaise Pascal Instituut: www.genderlinks.nl