Euforie in Manchester

Het zesde internationale congres over sekse en genderdiversiteit (10-12 september 2004)

 

Deel 1. Intro en de eerste dag van de conferentie.

 

Wim Haan

 

 

Er hangt een euforische stemming in Manchester, bij het congres dat wordt georganiseerd door Press for Change, de Britse belangenorganisatie voor transseksuele mensen. Press for Change (in het vervolg PFC) bestaat inmiddels twaalf-en-een-half jaar en zet zich in voor gelijke rechten voor transgendere en transseksuele mensen, zowel door verbeterde wetgeving als maatschappelijke verandering. Recent heeft PFC een belangrijke overwinning geboekt met de door het parlement aangenomen ‘Gender Recognition Act’. Voor de tweeduizend leden van PFC betekent dit een grote vooruitgang op weg naar gelijkheid voor de wet en sociale acceptatie.

Met de keuze voor het thema van het congres ‘Sex and Gender Diversity’ is een serieuze poging ondernomen om een ontmoeting tussen academici, hulpverleners in de medische zorg en de transgender gemeenschap tot stand te brengen. Al bij de introductie van het congres merkt Stephen Whittle, werkzaam aan de School of Law van Manchester Metropolitan University, voorzitter van Press for Change en bekend publicist op het terrein van gendervraagstukken, op dat de genoemde poging maar ten dele geslaagd is. Academici, voornamelijk sociale wetenschappers, en vertegenwoordigers van de transgendergemeenschap zijn in ruime getale aanwezig, maar vanuit de ‘clinical practitioners’ is nauwelijks enige interesse getoond, en is maar een enkeling aanwezig.

Dat gegeven drukt een stempel op de conferentie, op meerdere manieren. Er is weinig aandacht voor medische kwesties, maar vooral: er is weinig controverse. Er zijn nauwelijks splijtzwammen tussen de academische benaderingen en de ervaringswereld van de transgendergemeenschap. Maar het illustreert ook de complexiteit van een thematiek, waar voor- en tegenstanders toch blijkbaar het liefst voor eigen parochie preken. Dat is me overigens al eerder opgevallen, toen ik in 2002 de tweejaarlijkse conferentie van de Harry Benjamin International Gender Dysphoria Association in Gent bijwoonde. Ook daar enkel incrowd, en discussie óver ‘tegengeluiden’, geen debat met critici.

Hoe het ook zij, een en ander is er de oorzaak van dat het congres niet overloopt van spanning, en mede daarom de nodige saaie momenten kent.

Na deze introducerende opmerkingen, wat impressies van de presentaties die ik zelf mocht bijwonen.

 

Manchester

Ik arriveer een dag voorafgaande aan de opening van de conferentie. Dat biedt de mogelijkheid de stad te verkennen. En dat is zeker iets wat Manchester verdient. Als grote industriestad heeft Manchester altijd in de schaduw gestaan van het ‘echte centrum’ van Groot-Brittanië, London. Het is een stad met een overweldigende mix en diversiteit van architecturale vormgeving. Waar in nogal wat steden de poging om het nieuwe en het oude in een ‘verrassend evenwicht’ te brengen jammerlijk zijn mislukt, kan dat van Manchester zeker niet worden gezegd. Het is een levendige stad, met een aantal indrukwekkende monumenten, zowel in de binnenstad (kathedraal, stadhuis, markt o.a.), Chinatown en de andere etnisch gekleurde stadsdelen, als in de universitaire wijk, die zich concentreert op en rond Oxford Road. Manchester telt vier universiteiten, waarvan de Metropolitan de grootste is. Een middag en avond ‘stadten’ is als mentale voorbereiding op een genderconferentie aan te bevelen, in fysieke zin moet je pijnlijke platvoeten daarbij wel voor lief nemen.

De conferentiedeelnemers verblijven grotendeels in Cambridge Hall, dat gebouwd is voor studentenhuisvesting. Omdat het nieuwe collegejaar in Manchester pas op 19 september van start gaat, is het gebouw in de tussentijd beschikbaar voor andere gasten. Hoewel het comfort niet overweldigend is, voldoen de kamertjes om een drietal dagen als slaapplaats te dienen.

 

Conferentie

De conferentie telt een zevental plenaire lezingen, en circa 75 paper-presentaties, waarbij een keuze moet worden gemaakt welke presentatie je bij wilt wonen. In het ‘All Saints’ gebouw waar de conferentie wordt gehouden zijn vier zalen beschikbaar voor de lezingen en presentaties.

De openingslezingen worden gehouden twee personen, waarvan Kate Nash, een sociologe uit London, de spits afbijt met een verhaal over hoe het opkomen voor (transgender-) rechten zich verhoudt tot de individualiseringstendensen in de samenleving. Individualisering heeft iets dubbels: enerzijds staat het opkomen voor je eigen leven hierbij centraal, maar daartegenover staat het verlies van gemeenschappelijkheid, van gedeelde ervaringen. De spanning ook tussen het opeisen van rechten en het nemen van verantwoordelijkheid. Mijn eigen associatie hierbij is dat genderdysforie door veel mensen als een puur persoonlijke aangelegenheid wordt ervaren, zonder een maatschappelijke of relationele dimensie. Vandaar misschien dat in Nederland nooit iets van een transgenderbeweging van de grond is gekomen. Het gaat uiteindelijk om het eigen ik-kie, en als je daar een acceptabele oplossing voor hebt gevonden, dan heb je weinig affiniteit meer met gender- c.q. lotgenoten.

De tweede lezing is van ene Moonhawk River Stone, uit de V.S. afkomstig en o.a. voorzitter van de International Foundation for Gender Education. Stone introduceert in zijn paper een nieuw paradigma om genderidentiteit te verkennen en te begrijpen. Op dit moment is een – met name door de medische wereld gedefinieerd – beeld van psychische afwijking, een pathologisch stigma om het zo maar eens te zeggen. Genderdiversiteit, alles wat afwijkt van de standaard, is in deze visie ‘abnormaal’. Deze benadering verhindert dat mensen hun eigen, unieke genderidentiteit tot bloei laten komen. Onder verwijzing naar studies over biodiversiteit, waarin naar voren is gekomen dat er honderden variaties van gender bestaan in het dieren- en plantenrijk, pleit Stone voor een benadering waarbij de ‘transseksuele mens’ als een extra species wordt gezien, naast de grote aantallen andere ‘transseksuele species’. In het vragenkwartiertje wordt de scherpzinnige opmerking gemaakt dat bij dieren genderdiversiteit biologisch evolueert, en dat bij mensen een medische ingreep nodig is, en of dit gegeven toch niet een indicatie is dat genderdiversiteit bij mensen meer iets van de hersenen en/of de geest is.

 

Vrijdagmiddag presentaties

Nick Laird, medewerker bij een ‘community development’ organisatie in Schotland, vertelt over een ‘transgender training pakket’ dat in hun organisatie ontwikkeld is. Het pakket heet ‘Challenging Transphobia’ en is gericht op meerdere doelgroepen. Zoals de naam al zegt wil het ‘transfobie’ aanpakken, transfobie die zich ook binnen de LGB (Lesbische, Homo en Bi-) gemeenschap aandient. Het pakket is echter ook geschikt om trainers toe te rusten die te maken hebben met cliënten die het slachtoffer zijn van discriminatie en onheuse bejegening.

Bij het tweede verhaal van de middag, door Harminder Dosanjh Kaur, onderzoeksassistent aan de University of Hull, heb ik me lange tijd afgevraagd wat dit verhaal te maken heeft met de thematiek van het congres. De titel is ‘Producing Identity: Self Demand Amputation, Surgery and Disability’, maar blijkt niet helemaal de inhoud van de presentatie te dekken. Want het verhaal gaat met name om het fenomeen van amputatie van lichaamsdelen op eigen verzoek, hetgeen wordt aangemerkt als een ‘identity disorder’. Zet er nog een letter voor (G) en we hebben het woord Gender Identity Disorder. Interessant is dan vervolgens om te bekijken wat de overeenkomsten tussen het een en het ander zijn. Maar dit aspect wordt helaas niet verder uitgewerkt. Uiteindelijk richt het verhaal zich op hoe gehandicapte mensen in staat zijn om een nieuwe lichaamsidentiteit op te bouwen, een identiteit waarin een verzoening plaatsvindt met de lichamelijke tekortkoming. ‘Disability’ met andere woorden als een ‘nieuwe identiteit’. De interessante vraagstelling wat de overeenkomsten zijn tussen het verlangen om lichaamsaanpassingen te laten uitvoeren, en schizofrenie/psychotisch gedrag – het terrein waarop de Nederlandse psychiater Joost à Campo promoveert – komt in de presentatie niet aan bod. Het verhaal blijft daarom steken in abstracties als ‘relatie tussen identiteit en materialiteit van het lichaam’. Dat is jammer.

De derde presentatie over ‘Performing the transgendered body’ van Martin Berg, filosoof/socioloog aan de Lund University in Zweden, levert ook niet helemaal wat de titel belooft. De samenvatting van zijn betoog suggereert ‘Methodologically grounded theory and discourse analysis are combined into an integrative approach making the construction of a substantive theory achievable’. ‘Achievable’ (bereikbaar) zal wel zo zijn, maar het verhaal dat geconcentreerd is rond de ‘theorie’ dat sekse/seksualiteit en gender twee verschillende zaken zijn die gescheiden moeten worden, en dat het met name gaat om ‘performing’ gender (bijv. via kleding) zal voor de aanwezigen niet veel nieuws opleveren. Als je als transgender het al niet zelf aan den lijve hebt ervaren, dan hebben de talrijke publicaties op dit terrein je wel de gelegenheid geboden om de begrippen sekse/geslacht en gender goed van elkaar te kunnen scheiden. 

Na de theepauze is er een presentatie van Richard Green, hoofd van de Gender Identity Clinic van het Charing Cross Hospital, één van de internationale autoriteiten op het terrein van genderdysforie. Zijn thema is ‘Parental Alienation Syndrome’ (PAS) bij kinderen waarvan één van de ouders een geslachtsverandering ondergaat, of van genderrol wisselt. Green verhaalt aan de hand van enige casussen hoe kinderen vervreemd raken van de ‘vader die vrouw wordt’. Het zijn één voor één schrijnende verhalen, waarbij een vicieuze cirkel lijkt te ontstaan wanneer het kind bij de niet-transgender ouder blijft, en telkens verder vervreemd raakt van de andere ouder. Daarbij spelen vooroordelen over transseksualiteit een grote rol, bijv. dat het omgaan met een transseksuele vader bij een kind zelf genderdysforie zou kunnen doen ontstaan. Of dat transseksualiteit en homoseksualiteit hetzelfde zouden zijn. Green’s exposé bevat weinig bemoedigende elementen. Zo blijkt uit cijfers dat de transgender ouder die ‘het kind de tijd gunt’ in de hoop dat wanneer het kind ouder is er vanzelf weer contact zal zijn, zich toch vaak een rad voor de ogen te draait. De utopie dat genderdiversiteit van een ouder voor een kind als een verrijking van de eigen ontwikkeling zou kunnen functioneren, lijkt ver weg. Interessante discussiepunten zouden kunnen zijn in hoeverre de leeftijd van de kinderen een rol speelt bij het PAS. Of op welke wijze het PAS bij een ouderpaar waarvan één transseksueel is nu echt wezenlijk verschilt van ‘normale’ ouderparen (excusez le mot) waar zich een zelfde PAS voordoet wanneer het kind wordt uitgesloten van contact met de vertrekkende ouder.

Michael Groneberg, filosoof aan de Université Fribourg in Zwitserland, is de volgende spreker. Zijn verhaal is een pleidooi voor een derde categorie, naast sekse als biologisch gegeven, en gender als sociale categorie. Zijn voorstel is om ‘Sex of the Soul’, dat refereert aan een fundamentele eigenschap van het menselijk bewustzijn en identiteit, als een aanvulling te zien op de beide andere categorieën.

De laatste presentatie van het middagprogramma is een betoog van Kenneth Dollarhide, decaan van de Faculty of Arts and Humanities van het Richard Stockton College in New Jersey. Zijn verhaal haakt in op de spirituele aspecten van een transitie. ‘Transseksueel zijn als spirituele dimensie en niet als een psychologische conditie’. Naast antropologische gegevens over Indiaanse traditionele samenlevingen, en traditionele gemeenschappen in Zuid-Azië en Siberië refereert hij aan de dissertatie van de Amerikaanse theoloog Justin Tanis, die eveneens de transgender transitie beschrijft in termen van (christelijke) spirituele ervaringen. Op zichzelf een boeiend onderwerp, te meer omdat op dit terrein te weinig serieuze studie is verricht. Maar ook een verraderlijk onderwerp, zeker wanneer te veel verwezen wordt naar gebruiken in oude, traditionele samenlevingen. Het is een ideaaltype, dat zich enkel voordoet in heel specifieke geografische, religieuze, sociale en maatschappelijke contexten. Veelal niet reproduceerbaar dus. En daarom niet erg sterk als bewijslast om een ‘spiritueel verband’ te leggen of te construeren.

 

Veel diversiteit in de verhalen van de middag. Maar helaas al te veel ‘stellende’ voordrachten, verslag van onderzoek, of reproductie van wat al geschreven is. Misschien is dat een beetje ‘de makke’ van de sociologisch-empirische benadering. Het zet niet echt aan tot vragen. De vragen moet je zelf bedenken.

 

Shaun Woodward

Na een welverdiende rustpauze, is er om 19.30 uur een gezamenlijk diner, met aansluitend een voordracht van Shaun Woodward MP, waarbij MP niet duidt op Military Police maar op Member of Parlement. Bij de Britse cuisine moet je je niet al te veel voorstellen. Als het vlees goed gaar is, en de groente niet al te doorgekookt of –gestoomd, dan mag je je al gelukkig prijzen. Ook om die reden is een vlotte babbel van een parlementariër een welkom digestief. Woodward die als commissievoorzitter nauw betrokken is geweest bij de totstandkoming van de Gender Recognition Act. Woodward krijgt een zeer lovende introductie van Stephen Whittle. En die lof verdient hij zeker, hoewel de vlotte babbel wel een vol uur en tien minuten in beslag neemt. Maar Woodward spreekt als brugman, het is dus wel vol te houden. Naast veel anekdotes zijn een paar stichtende woorden het vermelden waard. En natuurlijk ook de feitelijke reden van zijn betrokkenheid bij de genderthematiek. Woodward is één van de weinig bench-crossers, dat wil zeggen dat hij de overstap heeft gemaakt van de conservatieve partij naar labour. Zo’n overstap is natuurlijk spek voor het bekkie voor de boulevardpers, in Engeland ruim vertegenwoordigd, o.a. in het dagblad The Sun and de Daily Mail. Die dagbladpers was erachter gekomen dat de zus van Woodward ooit zijn broer was. En dat resulteerde in mensonterende en venijnige aandacht in de pers voor deze ‘zus die ooit een vent was’. Woodward heeft hiervan geleerd dat er nog veel te verbeteren valt aan de (rechts-) positie van transseksuele mensen. En daar heeft hij zich voluit voor ingezet, met als resultaat, zoals boven vermeld, de nieuwe wetgeving.

Wat Woodward verder benadrukt is dat discriminatie en achterstelling van één groep in de samenleving symptomatisch is voor een structureel probleem. Met andere woorden dat zij die zich inzetten voor verbetering van de omstandigheden van hun eigen groep, zich moeten realiseren dat het van belang is om de aandacht te verbreden, en attent te zijn op allerlei andere onrechtvaardigheden in de maatschappij. En dat het een soort ereplicht is om je ook in te zetten voor de andere ongelijkheid en het onrecht in de samenleving. En dat mensen die zich inzetten voor verandering vaak risico’s lopen, risico’s om eigen zekerheden te verliezen, en dat het dus moed vergt om je in te zetten voor verandering. ‘Press for change’ is op deze manier een verantwoordelijkheid vanwege de rechten die je zelf gekregen of verworven hebt.

Zijn woorden herinneren me aan de openingsrede van Kate Nash die op de keerzijde van onze geïndividualiseerde samenleving heeft gewezen. We zijn vaak enkel geïnteresseerd in onze eigen problemen, die van anderen … dat is een ver van mijn bed show.

Af en toe moet je wakker worden geschud, in dat opzicht heeft de toespraak van Woodward een dubbele functie aan het eind van deze eerste dag, het letterlijk wakker schudden na een vermoeiende congresdag, en je ogen openen voor het ‘relatieve’ van je eigen besognes. 

 

Commentaar is welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl

De website van Press for Change: http://www.pfc.org.uk/ , de conferentiepagina: http://www.pfc.org.uk/congress/index.htm

Meer informatie over de thematiek in de genderlinksportal van het Blaise Pascal Instituut:  www.genderlinks.nl  

 

18 september 2004

 

Het tweede deel van dit verslag kunt u vinden op het adres: http://www.bezinningscentrum.nl/tg/Sex_and_Genderdiversity2.htm