Volkslied Namibië

Volkslied Botswana

 

 

Reisverhaal Namibië/Botswana 16 juli 1999 – 13 augustus 1999

[Disclaimer: dit reisverhaal - de naam zegt het al - behoort tot het genre fictie. Elke overeenkomst met bestaande personen en/of organisaties berust op toeval. Mochten bestaande personen en/of organisaties zich toch herkennen in de beschrijvingen van dit reisverhaal, dan heeft dat enkel en alleen met misplaatste identificatieprocessen te maken.]

 

"Namibian nights, Namibian nightmares"

 

Wim Haan, september 1999

 

Tijdens de voorbereidingsbijeenkomsten – ten huize van Albert van Malle, Afrika-freak en uitvinder van de slogan ‘Ons maak een plan’ – had ik al een merkwaardig gevoel. Eindeloze uitwijdingen over details, Anneriek van Kwijl die grote problemen had omdat ze mogelijk haar haren niet iedere dag kon föhnen en de hemelse sferen van Stella Joffermans, die alsmaar herinneringen aan een vorige reis memoreerde om het verwachte utopia te benadrukken. ‘Als je er eenmaal bent zal het allemaal wel meevallen’, zo werd me door vrienden verzekerd. Dus het onaangename voorgevoel maar aan de kant gezet. Misschien dat ik toch beter naar mijn intuïtie had moeten luisteren.

 

Voorgeschiedenis

Sinds twee jaar heeft zich – in toenemende mate – een fascinatie voor Afrika van me meester gemaakt. Mijn schrijfsels over een Afrikaanse religieuze groepering in Nederland (http://www.bezinningscentrum.nl/teksten/wim_eng/oracle.htm c.q. http://www.bezinningscentrum.nl/teksten/wim/ifadef.htm) moge die belangstelling illustreren, maar ook een ‘bekering’ tot traditionele Afrikaanse muziek is onderdeel van die fascinatie. Tijdens een lezing in Zolder over ditzelfde thema ontmoette ik in het publiek diverse personen die hun waardering voor de inhoud van het verhaal konden staven met een verblijf in Afrika. En omdat ik toch al van plan was mijn studieuze bezigheden in verband met de Afrikaanse muziek te verdiepen, ging ik op zoek naar een gelegenheid voor een studie- annex vakantiereis naar Afrika. Mijn collega Joris Fluitmans uit Leuven, met wie ik regelmatig Caribische en Latijns Amerikaanse muziekdagen bezoek, belde me met de mededeling dat hij de ideale combinatie van Afrikaanse natuur en cultuur had ‘geboekt’. Een unieke mogelijkheid om mijn Afrika-belangstelling in te vullen… Albert van Malle, die al jarenlang reizen naar Afrika maakt had in Namibië een lokale gids ontmoet die bereid was een door Albert vastgesteld reisplan uit te voeren. Om een en ander financieel mogelijk te maken moest een groep van circa tien mensen worden geformeerd. Er was nog een plek vrij. Een telefoontje met Albert was zo veelbelovend dat ik na enig dralen het besluit nam om mee te gaan. Een unieke reis, zo werd me ook door Albert verzekerd, met de perfecte balans tussen cultuur en natuur. Een substantieel deel van de reis zou gevuld worden met het bezoek aan twee traditionele volkeren, de Himba in Noord-Namibië en de Bushmen van de Kalahari woestijn. Twee van de laatste nog ongerepte traditionele culturen.

Omdat ik later ingevoegd was in de groep had ik een eerste informatie-bijeenkomst gemist. De twee sessies in Beek en Donk (N. Brabant) die ik kon bijwonen waren van praktisch-informatieve aard. Hoeveel bagage, welke medicijnen, wie neemt wat mee, welke ruilartikelen etc. En natuurlijk kennismaking met de groep. Naast Joris Fluitmans, Albert van Malle en de reeds genoemde Anneriek van Kwijl en Stella Joffermans kon ik kennismaken met Johannes van Lieshout, ergonomisch therapeut en een ietwat wereldvreemde verschijning, François en Josefien van Malle (broer en zus van de organisator), Anna Rot, directrice van een groot ziekenhuis in het zuiden des lands en tenslotte Yolanda van Welrust, kledinginkoopster bij de keten Hot Pants.

Tijdens de tweede en laatste sessie in mei 1999 werd (opnieuw) een woordenstroom door Albert in onze richting gestuurd. De enige troostrijke gedachte die bij me opkwam was dat al die woorden hier in Nederland misschien rust en stilte in Afrika mogelijk zouden maken.

Op internet stond inmiddels ook informatie over de reisorganisatie waarvan we in Namibië gebruik zouden maken: Easthoek Desert Adventures, onder de bezielende leiding van Randy van Wezel, achteraf door Joris en mijzelf van het pseudoniem Dolf Disaster voorzien. Randy zou vergezeld gaan van drie assistenten, die met hun expertise en ervaring garant zouden staan voor een unieke en geslaagde reiservaring. Op de internet-site kon ik zien dat gebruik zou worden gemaakt van uiterst luxueuze voertuigen met perfecte zitruimte. De gidsen zouden hun uitmuntende culinaire kwaliteiten ten toon spreiden en het geheel zou overeenkomen met de voorzieningen van een vijfsterren hotel. Door een gerichte opleiding en jarenlange ervaring zouden de gidsen ons ook van alle relevante informatie over natuur en cultuur voorzien. Het Walhalla dat op de internet-site werd voorgespiegeld werkte geruststellend. De onaangename voorgevoelens zouden ongetwijfeld al bij aankomst in Namibië door de positieve sfeer teniet worden gedaan.

 

16 tot 21 juli:

 

16 Juli, de vlucht naar Windhoek via Frankfurt

We worden rond half zes op Schiphol verwacht. Rond kwart voor acht zal de Lufthansa Airbus vertrekken. Circa 23.00 uur zal de vlucht naar Windhoek met een tussenstop in Harare worden vervolgd.

De ontmoeting met de reisgenoten in Schiphol verloopt hartelijk. Mijn aanvankelijke twijfels zullen waarschijnlijk met de vermoeidheid te maken hebben die zich van mij meester had gemaakt. Met een vertraging van een half uur begint de reis.

De vlucht naar Frankfurt is kort (circa 50 minuten). De crew heeft moeite om het drankje en het broodje tijdig te verspreiden onder de passagiers. Om in Frankfurt van Hal A (aankomst) naar Hal C te lopen kost ongeveer een half uur, met trap op, trap af , lange roltrappen, halletjes met Tax Free shops etc. Tax Free is overigens grotendeels afgeschaft. De drie fotorolletjes die ik nog aanschaf kosten het dubbele van wat ik bij aankoop van mijn twee Canon Ixussen in Aken heb betaald.

Van Frankfurt naar Harare/Windhoek zit ik naast Anneriek. Ik moet mijn hoogverheven verwachtingen ten aanzien van de diepgang van kunstenaars bijstellen. Anneriek schildert, en niet onverdienstelijk zoals ze me vertelt. Met een omzet van circa anderhalve ton per jaar komt ze er goed van rond. Ze is in een relationele crisis geraakt en zwabbert heen en weer tussen haar man en twee kinderen en een vriend/minnaar die ze sinds een half jaar regelmatig ontmoet. Ze heeft zich voorgenomen om in Afrika tot helderheid te komen over de keuze voor de een of de ander. Dat belooft! Mijn pogingen om het gesprek wat te verbreden lopen stuk op ongeïnteresseerd stilzwijgen.

Ik heb mij voorgenomen om bij wijze van gratis reclame voor Lufthansa het roestvrijstalen bestek achter te houden. Dat levert tijdens de heen- en terugvlucht in totaal zes setjes van drie stuks (mes, vork, kleine lepel) op.

Ondanks alle voorzorgsmaatregelen (slaappillen, Oropax, verduisterings-ooglappen) komt er van nachtrust weinig terecht. Een korte rustpauze van anderhalf uur tussen half twaalf en één uur blijkt het maximaal haalbare. De vlucht verloopt zeer soepel. Zelfs in het turbulentierijke gebied van Midden-Afrika worden we nauwelijks gestoord. Rond zes uur ‘s ochtends arriveren we in Harare voor een korte tussenstop en bijtanken. De bemanning wordt hier ook vervangen. De luchthaven van Harare is vrij hoog gelegen. De landings- en startbaan is ongewoon lang, mede vanwege de ijle lucht die een langere start en landingsoperatie nodig maakt.

De stop in Harare duurt ongeveer twee uur. Rond acht uur plaatselijke tijd vliegen we door voor de laatste 1850 kilometer naar Windhoek.

 

17 Juli, Aankomst in Windhoek, rit naar Sesriem

Het geloof in slechte voortekenen wordt ‘bijgeloof’ genoemd. Bijgeloof leidt tot selffullfilling prophecies, zo is mij verteld. Maar misschien is ook dat weer bijgeloof.

Hoe dan ook, wanneer we rond half elf plaatselijke tijd arriveren in Windhoek treffen we na een soepele behandeling door de douane niemand aan om ons af te halen. Albert was al twee dagen eerder vertrokken en zou samen met de gidsen klaar staan om ons te ontvangen. We placeren ons met bagage en al op de taxi/afhaal strook en hopen er maar het beste van.

Rond kwart over elf arriveren twee bakkies en een Combi. We maken kennis met Randy van Wezel en zijn assistenten: Philip, een freelance gids die door Randy voor deze tocht is ingehuurd, Adelbert, een oude vriend van Randy, die zelf bezig is met het opzetten van een organisatie en hoopt met behulp van Randy ervaringen en contacten op te doen en tenslotte Grotius, een zwarte medewerker van Randy, die voor de hand en spandiensten zal zorgdragen. De wijze van afsnauwen die Randy hanteert in zijn richting doet mij vermoeden dat hij als huisslaaf dienst zal doen gedurende onze reis.

In het vliegtuig hebben wij een verklaring moeten ondertekenen, waarin o.a. in staat dat alles wat fout gaat onze eigen schuld is en dat wij in alle omstandigheden gehoorzaamheid aan de tourleider verschuldigd zijn. Op ons eigen verzoek is ook opgenomen dat in de auto’s niet gerookt zal worden. Voor de drie kettingrokers in ons gezelschap zullen aparte rookpauzes worden ingelast.

Reeds bij het vertrek blijkt het rookverbod niet voor Randy zelf te gelden. Hij ontpopt zich tot de grootste kettingroker van het gezelschap. Op mijn opmerking dat we toch hadden afgesproken dat er niet gerookt wordt in de auto’s antwoordt hij dat hij zelf bepaalt wat hij in zijn eigen auto wel of niet doet. Ik probeer enige humor in zijn opmerking te bespeuren. Ook in de komende weken zal ik dat regelmatig proberen, maar Randy’s merkwaardig gevoel van Namibische humor blijkt moeilijk te doorgronden.

Met de uiterst luxueuze voertuigen en perfecte beenruimte blijkt in de twee bakkies (=Toyota pickup) met name op Japanners en lilliputters gedoeld te zijn. Alleen in de Volkswagen combi is voldoende beenruimte om enigszins comfortabel te kunnen zitten. De Volkswagen is ook het enige voertuig dat qua vering enig comfort kan genereren op de barre wegen/paden die in Namibië als highway worden aangeduid. Maar ik had op avontuur gerekend, en avontuur zullen we krijgen ook!!!

Het vliegveld is op ongeveer veertig kilometer van Windhoek gelegen. We hebben nog een flink aantal kilometers voor de boeg op deze eerste dag. En mogelijk zullen we Windhoek nog op de laatste dag kunnen zien, vandaar dat het enige gebouw dat we in Windhoek bezichtigen een tankstation is waar we wat chips en andere snacks kunnen inslaan. Op die manier hebben we onze eerste ‘cultuur’ al gehad.

Josefien had bedacht om de kilo’s die we nog tot onze beschikking hadden in onze bagage te vullen met kleding voor de Namibische armen. De zak met bijeengesprokkelde kleding wordt nog even afgezet bij het kantoor van Easthoek en daarna gaan we op weg. De reis gaat beginnen!

Bij het verlaten van Windhoek hebben we nog tien kilometer asfalt. Dat is meteen ook de laatste asfalt die we gedurende twee-en-een-halve week zullen waarnemen. De meeste autowegen in West-Namibië zijn grintwegen.

De combi heeft schakelproblemen. De verbale expertise van Randy blijkt in ieder geval voor een groot deel uit scheldwoorden te bestaan. ‘Fuck’ en ‘shit’ zullen sleutelwoorden gaan vormen tijdens deze reis om het reisgevoelen te verwoorden. Opvallend is overigens dat Randy twee verschillende communicatievormen hanteert: één voor de communicatie met de mannelijke medereizigers – kortaf, staccato opmerkingen, veel yes/no varianten – en één voor de vrouwelijke reisgenoten: wat vriendelijker van toon en zelfs hier en daar een verbale uitwijding. Later horen we dat Randy zich vóór de reis al heeft beklaagd over het feit dat er zo weinig ‘young girls’ aan de reis deelnemen. De frustratie over dat gemis zal nog de nodige keren over onze hoofden worden uitgeschud. De uitvoerige informatie over land, dieren en cultuur wordt overigens met name in de avonduren geleverd, tijdens of vlak na de maaltijd. Soms bestaan die verhalen uit vijf regels waarin het programma voor de volgende dag wordt meegedeeld, iets in de trant van ‘Tomorrow we leave at seven and make a drive from Sesriem to Swakop through the Naukluft and Weiwitscha plans … any questions?’ Het voordeel van deze korte toespraken is dat we er nauwelijks iets van kunnen verstaan, zodat we ook niet veel tijd met vragen hoeven te verdoen. Een enkele keer bestaat de toespraak ook uit de zinsnede ‘The program for tomorrow is the same as today’. Wanneer er toch vragen worden gesteld stuiten die regelmatig op irritatie of enkel en alleen een herhaling van hetgeen al gezegd is.

In het plaatsje Nauchas gebruiken we de eerste lunch in een primitief wegrestaurantje. Het restaurant zorgt voor de koffie en thee. De broodjes hebben we zelf uit Windhoek meegenomen. De route naar Sesriem gaat via uitgestrekt berg- en canyongebied, de Rantberge. Onderweg ‘spotten’ we ons eerste wild: een steenbokje en een aantal springbokken. Op een telefoonmast zien we een eenzame baviaan. Na drie uur reizen vanaf Nauchas arriveren we bij Solitaire. In mijn Lonely Planet lees ik een romantisch stukje over het plaatsje. Met name het benzinestation, annex restaurant, annex hotel, annex camping moet de moeite waard zijn. De plek zou zo ergens in het Zuid-Westen van Amerika gesitueerd kunnen zijn. CocaCola, een aantal oude paperbacks en een aantal glazen bakken met spinnen, schorpioenen en nog wat spul. Joris en ik zijn zeer onder de indruk van een tractorwrak dat als een Marcel Duchamp kunstwerk de voortuin siert.

 

De tijd dringt, op naar Sesriem. Als we te laat zijn komen we er niet meer in en dan zal ook één van de hoogtepunten van deze reis, een bezoek aan de duinen van Sossusvlei erbij inschieten. Een uur later, drie kwartier voor sluitingstijd, arriveren we in Sesriem. Snel wordt een geschikte kampeerplek opgezocht. In een ijltempo worden de tenten opgezet, zodat we voor zonsondergang het camp gereed hebben.

Dat is even wennen overigens: zonsondergang rond half zes. Kwart over zes stikdonker. Hoewel de tijdzone gelijk is, valt goed te merken dat we ons in het zuidelijk halfrond bevinden en nog wel in de wintertijd. We zijn ervoor gewaarschuwd dat de dag en nachttemperatuur nogal uiteenloopt.

Bij het kampvuur merken we dat een koel briesje opsteekt. Philip meldt dat het briesje niet veel goeds voorspelt. Wanneer rond middernacht het briesje verhevigt kunnen we een zandstorm verwachten, die mogelijk nog tot ver in de ochtend door gaat.

Maar eerst rond het kampvuur de vijfsterrenmaaltijd geconsumeerd, waarover in de website zo hoog wordt opgegeven. De maaltijd blijkt te bestaan uit cup a soup als voorafje. (De cup a soup blijkt een vast onderdeel van elke warme maaltijd te vormen) en vervolgens vlees op de grilplaat. Biefstuk staat vanavond op het menu. Daarbij nog een soortement gevulde avocado. Eenvoudig doch voedzaam. Vegetariërs zouden het er overigens moeilijk meekrijgen. Ook de flinke lap vlees behoort tot de vaste componenten van elke avondmaaltijd. Randy heeft besloten de combi naar een garage af te voeren om de versnellingsbak te laten repareren. Hij vertrekt rond 19.00 uur. Het programma van morgen zal bestaan uit: ‘Wake up at 4.30. Drive to Sossusvlei. Short walk in the Dunes. Any questions ??’

Ik deel met Joris een tent. Rond half elf spoeden we ons bedwaarts. Ik orden de tassen alvast, zodat we morgen rap kunnen vertrekken.

 

18 Juli, over zandstormen en andere narigheid

Tijdens de informatiebijeenkomsten werd gerept over het droge klimaat in Namibië. Je moet er voor waken dat je uitdroogt. Dus elke dag minimaal twee liter water consumeren, exclusief alle softdrinks, bier en andere vochthoudende middelen. Ik word rond één uur in de nacht wakker van klapperend tentzeil. De nachten zijn zo donker, dat je ogen zelfs na enige tijd niet kunnen wennen aan de duisternis. Ik merk dat de uitdroging al meteen heeft toegeslagen. Mijn huid voelt zanderig droog aan. Mijn neus zit ook al helemaal verstopt van de droogte. Vreemd dat droogte meteen een zanderig gevoel oplevert. Toch maar even met mijn breedstraler de tent verlicht. Wanneer ik de lamp aandoe zie ik dat de hele tent onder de dikke laag rood zand ligt, inclusief alles wat zich in de tent bevindt: mijn bagage, het tentzeil, de schoenen, de slaapzak en ga zo maar door. De zandstorm die vannacht is opgestoken heeft geen halt gemaakt voor de buitentent. Randy adviseerde ons om de tent richting westen op te zetten. Die richting blijkt de slechts mogelijke te zijn geweest. Want het zand waait in grote hoeveelheden recht de tent in. Ik besluit mogelijke depressies een aantal uren uit te stellen en klop de grootste hoeveelheden zand van de slaapzak en duik met mijn hoofd onder mijn jack. We zien morgen wel verder.

Bij daglicht wordt de door de zandstorm aangerichte ravage pas goed zichtbaar. Alles zit onder! Randy is vannacht niet meer teruggekeerd, en de zandstorm maakt het bezichtigen van Sossusvlei bij zonsopgang onmogelijk. Het rode zand wervelt rond de tent en, ook alle eetspullen zitten onder. Aangeraden wordt om nog een aantal uren in de tent te blijven, totdat de wind is gaan liggen. In de regel gaat de wind rond elf uur ‘s ochtends liggen. Een zanderige tent is echter ook niet alles, daarom toch maar wat rondgelopen. Het striemende zand slaat recht in de ogen. De enige die blijkbaar met zijn bagage op dit soort toestanden heeft gerekend is Joris, die een motorbril in zijn tas heeft. We troosten ons met de gedachte dat het rond elven rustig zal zijn. Elf uur, half twaalf, half één, half twee: niets van ophouden van de zandstorm. Inmiddels is Randy ook weer teruggekeerd. Versnellingsbak gerepareerd, maar tijdens de reparatie is één van de voorruiten gesneuveld. Rond twee uur wordt besloten de hele boel in te pakken en naar andere streken te gaan. Ons eerste hoogtepunt is verzand, om het zo maar eens te zeggen.

Het allesdoordringende zand is uiteraard funest voor fotoapparatuur. Slechts mijn mini Ixusjes zijn voldoende beschermd om wat foto’s te maken. Zelfs met een zandstorm is de omgeving fascinerend, prachtige bomen, echte natuurlijke kunstwerken.

 

Na ons vertrek houdt de zandstorm al na enige kilometers op. Het is twee uur rijden naar de volgende camp in het Naukluft park. Dat wordt dus pittig doorrijden op de zanderige wegen. Rond half vijf arriveren we bij het kantoor van de camping. De camping blijkt gesloten. Randy besluit om een ‘guestfarm’ in de buurt van Solitaire te bellen, om te kijken of we daar kunnen overnachten. De meeste van ons stikken inmiddels ook van de honger. De lunch is erbij ingeschoten. Wanneer we bij de lodge arriveren is de zon weer onder. Maar de heerlijke kamer met bad is als een oase. We kunnen de eerste zanderigheid uit de tassen verwijderen. Na het bad is het water roodgekleurd. Nog dagen later komt het rode zand uit de poriën van de huid. Half acht staat een voortreffelijke maaltijd gereed. Voor de drank moeten we zelf opdraaien. De volgende dag blijkt dat Albert ook de helft van de verblijfskosten door onszelf wil laten bekostigen. Dat zelf bekostigen van zaken die eigenlijk bij de reisprijs zaten inbegrepen zal ons nog vaker overkomen. Dat de guestfarm moest worden gebruikt mede vanwege de slechte planning van Randy, daarover wordt verder niet gerept.

We genieten wel van een heerlijke nachtrust. Na de vermoeiende vlucht en de nacht in de zandstorm is dat zeer welkom.

 

19 Juli, tocht naar Swakopmund, verongelukt bakkie

De volgende ochtend wordt eerst lekker ontbeten. De guestfarm is met name op Duitse gasten gericht. Overal reminiscenties van Duitsland. Naast de guestfarm beschikken de eigenaars over enige tientallen hectaren met koeien en een vrij grote struisvogelpopulatie in de achtertuin. De struisvogelbiefstuk die we hebben genuttigd komt dus uit eigen tuin!

We vertrekken rond negen uur. De reis zal ongeveer vier uur duren. Om toch nog iets van de duinen te kunnen zien, heeft Randy geïnformeerd of vanuit Swakopmund een vlucht kan geworden gemaakt in een Cesna, om het landschap van boven af te bewonderen. Zes van de tien besluiten om dat te gaan doen. De prijs van de vlucht is per persoon ongeveer fl. 200,--.

Dat de wegen in Namibië niet tot de veiligste behoren merken we wanneer we een omgekanteld bakkie ‘spotten’. We treffen een totaal ontredderde jonge vrouw uit Nederland die samen met haar man een auto had gehuurd en nu het bakkie total-loss heeft gereden. De zanderige wegen zijn verraderlijk. Een foute reactie op een lekke band kan catastrofale gevolgen hebben. Een wonder dat ze er met slechts een klein aantal schrammen vanaf komen. Voor de mentale en praktische steun pauzeren we een half uur. IJs komt uit de koeler voor de kneuzingen. Randy legt een verband aan. Stella en Yolanda voegen zich bij haar om haar te troosten. Na ons ervan te hebben verzekerd dat hulp op komst is, vervolgen we onze route.

 

Op een mooie plek ‘in the middle of nowhere’ maken we een lunchstop. In Solitaire is een heerlijk lunchpakket voor ons vervaardigd. Dat wordt nu met smaak genuttigd.

Onderweg zien we heel wat springbokken en struisvogels. Het doel van de vrij lange tocht is Bloedkoppie. Een prachtige roodgekleurde berg, waaronder we ons tweede kamp zullen opslaan.

Het kamp is op een prachtige locatie, grenzend aan een aantal grote rotsblokken. Het kampvuur en de stoelen kunnen onder een overhangende rotspartij worden neergezet. Het wordt de eerste echte ‘vrije camp’, onder de sterrenhemel, op een stretcher. Of het te maken heeft met de inmiddels opkomende spanningen weet ik niet, maar bij het avondeten worden steeds grotere hoeveelheden wijn genuttigd. De kartonnen vijf-liter verpakkingen gaan er doorheen als limonade.

We besluiten om met een aantal mensen Bloedkoppie te beklimmen. Joris en Yolanda gaan voor. Ik volg met Albert, Josefien en Stella. De klim lijkt niet erg stijl. Omdat ik op mijn sandalen loop vraag ik nog aan Randy of ik beter schoeisel nodig heb. Geen probleem hoor ik via Albert, het is een makkelijke klim. Dat valt dus heel erg tegen. Mijn sandalen zijn gelukkig van het stevige soort, voorzien van zwaar rubber profiel, anders … Josefien blijkt last te hebben van hoogtevrees. Vóór deze reis dacht ik daar ook last van te hebben, maar nood breekt wet en vrees. Het lukt me dus om haar omhoog te slepen. Het uitzicht is echt overweldigend. Ik hoop dat de foto’s niet mislukken. Boven gekomen treffen we Joris en Yolanda aan, romantisch tegen elkaar gedrukt. Misschien komt daar nog iets moois van?

Het wordt snel donker, dankzij een sprongsgewijze benadering vordert de afdaling beter dan de klim.

‘s Nachts zijn er twee zaken die een verblijf in Namibië wel zeer bijzonder maken: (a) de geluiden, in Bloedkoppie mogen we genieten van Gekko’s die in dolby stereo hun merkwaardige kreten slaken en de dassies, een soort marmot, die een geheel eigen geluid produceert; en (b) de onvoorstelbare mooie sterrenhemel. Iedere avond weer een lust voor het oog. Zeker wanneer je buiten langzaam in slaap valt terwijl je de sterren bewondert.

De nacht is nogal onrustig. Yolanda heeft een slechte droom en verhuist naar een andere plek op de camp. Er zijn wat luidruchtige snurkers onder ons, waaronder mijn slapie Joris. Zelfs de Oropaxen geven geen soelaas. In Swakopmund bij de eerste de beste apotheek op zoek naar meer afdoende bestrijdingsmiddelen van nachtelijk snurk-lawaai. Er kruipt iets over mijn gezicht. Mijn breedstraler laat een mega-krekel zien. Zolang het geen schorpioen is …

 

20 Juli, de Welwitschia Mirabilis

De temperaturen lopen ‘s ochtends vrij snel op. We mogen al een stuk vooruit wandelen. De auto’s komen na. Yolanda en Joris geven nog een blote borsten vertoning. Helaas zit op mijn fototoestel geen telelens. We lopen rond de berg en komen bij een plek waar we gisteren zijn gestopt om een foto te maken van de ‘nationale boom’ van Namibië, een boom die eigenlijk een vetplant blijkt te zijn.

Na anderhalf uur wandelen worden we opgepikt door de combi en de bakkies. De verdere route naar Swakopmund gaat via de Kuiseb Pass en de Kuiseb Canyon. Onderweg passeren we nog de Welwitschia Vlakte. Een prachtig uitzicht valt te genieten bij het Maanlandschap, dat gedurende 460 Miljoen jaar door de Swakop-rivier is ontstaan.

De Welwitschia Mirabilis is een unieke plant. Sommige exemplaren zijn met stenen omcirkeld. De plant is in 1853 door de Oostenrijker Dr. Friedrich Welwitsch ontdekt. Er zijn vrouwelijke en mannelijke exemplaren die door hun verschillende bloeivormen makkelijk te onderscheiden zijn. Insecten zorgen voor de bevruchting en het transport van de zaadpollen. Het absoluut bijzondere van deze planten is ongetwijfeld hun ouderdom. Van sommige exemplaren is vastgesteld dat ze ouder dan 2000 jaar zijn. De wortels gaan vaak drie meter diep. Het noodzakelijke water haalt de plan uit mist en nevel.

We hebben tijdens de afgelopen twee dagen al heel wat verschillende landschappen doorkruist. Het aantrekkelijke van het land ligt met name ook in het natuurschoon en de afwisselende ‘scenery’. Het ‘Maanlandschap’ doet niet onder voor de Grand Canyon of het Turkse Capadocië.

We vervolgen de trip naar Swakopmund en passeren vlak voor de stad nog het belangrijke ‘Maarten Luther’ monument: een oude stoomlocomotief. De ‘lokomobil’ werd in 1896 door de Duitse officier Edmund Trost naar Namibië geïmporteerd. Het vervoer van Walvisbay naar Swakopmund (circa 25 kilometer) kostte zo’n drie maanden. Uiteindelijk werd besloten om het gevaarte maar te laten staan, onder het motto ‘Hier sta ik dan, ik kan niet anders’, gelijk aan de uitspraak van Luther voor de Rijksdag in Worms.

Swakopmund is een Duits dorp in Namibië. Alles wat je hier ziet doet aan Duitsland denken. De straatnamen, de namen van de winkels, en de architectuur. We verblijven in een ‘luxe bungalow’: één voor de mannen en één voor de vrouwen. Het ‘luxe’ bestaat er uit dat we bedden hebben om in te slapen en dat er zelfs een warmwatervoorziening is aangebracht. We arriveren rond half één. Naast het bungalow-terrein bevindt zich een wasserette. Degenen die niet met het vliegtuigje meegaan, krijgen de opdracht om de was af te leveren. De dames van de wasserette zijn recentelijk geautomatiseerd. De kreten van verwondering wanneer een ingedrukt nummer tot een vermelding op het beeldscherm leidt illustreren de recente ingebruikname. We kunnen morgen rond vijf uur de schone was weer afhalen.

De vier achterblijvers besluiten een stadswandeling te maken. In de Kaiser Wilhelm Straße schijnen leuke winkeltjes te zijn. Maar eerst maar even langs de bank, zodat we onze US-dollars en D-marken in Namibische dollars of Zuid-Afrikaanse randen kunnen wisselen. De koers van de Rand is gelijk aan die van de Namibische dollar, en Randen worden ook overal geaccepteerd.

Het gehannes van Johannes duidt erop dat hij voor de eerste keer van zijn leven een bankgebouw van binnen ziet. Hij begint met zijn US-dollarbiljetten breed uit te spreiden in stapeltjes. Daarna is hij voornemens de complete stapel te wisselen. Behalve voor een bijdrage aan de ‘sterke drankpot’ en het aankopen van enige souvenirs hebben we geen plaatselijk geld nodig. We vragen ons dus af wat hij met dat hele bedrag moet. Anna Rot besluit in te grijpen en hem zowel bij het bijeenrapen van de stapeltjes als bij de wisselprocedure te assisteren. In de Kaiser Wilhelm Straße bevindt zich een boekhandel waar ik meteen zo’n 25 kaarten en postzegels aanschaf. Er liggen leuke boeken, maar we hebben morgenmiddag nog om te winkelen. Ik kom hier dus terug.

In een leerzaak treffen we spullen aan die je waarschijnlijk niet door de Nederlandse douane zou krijgen. Tassen van cheetah-vel en schoenen van struisvogelleer. We drinken nog een lekkere kop koffie in een hotelletje waar de liefhebbers van de koloniale tijd zich zeker zullen kunnen koesteren. De taart van worteltjes is heerlijk.

Lopend door Swakopmund bekruipt je het gevoel dat het met het racisme nog somber is gesteld in Namibië. De blanken die hier rondlopen vertonen verdachte gelijkenis met Terreblanche, de beruchte racist uit Zuid-Afrika. In deze blanke, half Duitse enclave voel je iets dubbels. Een gevoel van ‘snel weg hier’.

In een supermarkt ontmoet ik Joris die terug is van de vlucht in de Cesna. We maken nog een wandeling door het dorp en eindigen bij een cafeetje aan het strand. De zonsondergang brengt ook weer de nodige kou met zich mee. We laten ons nog een lekker ‘Tafel-bier’ smaken en keren terug naar de bungalows.

Vanavond is er een barbecue bij de bungalow van de dames. Rond negenen ga ik met Stella naar de wasserette. We hebben daar een aantal ‘public phones’ gespot. Ik heb een perfecte verbinding en ik kan in ieder geval mijn ouders en Jacqueline geruststellen dat ik nog leef. Met een dubbele Oropax kan ik van een gezonde nachtrust genieten.

 

21 Juli, Halsbrekende toeren en eerste verdeeldheid

Onze tweede dag in Swakopmund. Opnieuw openen Joris en ik de dag met een dansje op de melodie van ‘The teddybears go to the picknick’. Een en ander onder het mom van ‘je moet toch iets doen om de sfeer erin te houden’.

In de ochtend staat een rit naar Walvis Bay op het programma. De zoutmijnen, duizenden flamingos en last but not least de grootste pelsrobbenkolonie die we ooit hebben gezien. Randy is opnieuw niet erg gul met zijn informatie, maar dat zijn we na drie dagen al gewend. En Albert antwoordt op alles wat Randy zegt met een enthousiast ‘Okee’. Dus veel meer duidelijkheid valt helaas niet te verwachten.

De romantiek tussen Joris en Yolanda is waarschijnlijk van korte duur geweest. Yolanda placeert zich met flair en een strak truitje naast Randy en Randy wordt helemaal randy als de lezer snapt wat ik bedoel. Dat stimuleert in ieder geval tot avontuurlijke uitstapjes. Schalks merkt Randy op dat hij ons vandaag ook ‘Chicken dune’ zal laten zien. Een duinpartij waar de nodige reizigers van angst in hun broek hebben gedaan.

Het eerste traject verloopt vooralsnog vrij rustig. In Walvis Bay (een klein oninteressant industriestadje) verblijft een van de grootste flamingo-populaties van geheel Zuid Afrika. Mijn Ixusje zonder telelens is helaas geen partij voor dit overweldigende fenomeen. Een uitgestrekte roze vlakte, uitermate geschikt om als homomonument van het zuidelijk halfrond te functioneren.

Na de flamingos krijgen we nog een stuk woestijn. Het is weliswaar niet Sossusvlei, maar woestijnlandschappen kunnen toch van een indrukwekkende schoonheid zijn. Midden in de woestijn staat een metalen buis met een steen erop. De buis geeft toegang tot een ondergronds meer. Joris en ik geven met een steen en een stok een percussiesolo op de buis. Yolanda’s aanwezigheid naast Randy geeft hem zoveel spirit dat we de volgauto van Philip kwijtraken. Na een half uur verschijnt Philip weer. Op naar de zoutfabriek en ‘Chickendune’. Chickendune blijkt te bestaan uit een hoge duinpartij die Randy met zijn 4x4 met moeite kan oprijden. Helemaal aan het eind zet hij zijn Combi diagonaal op de duintop. En laat vervolgens de Combi over de duintop rollen. De anderen zijn van te voren ingelicht en staan beneden om foto’s te maken. In onze auto geen natte broeken, maar wel enige ergernis over deze ‘macho-stunt’. We merken wel dat dit soort acties effect scoren bij Yolanda, die vanaf dit moment enkel nog bewonderend in Randy’s richting kan kijken. Het zaad der verdeeldheid in onze groep is gezaaid!

We rijden verder in de richting van de pelsrobben-kolonie. De route voert door moeilijk doorgaanbare vochtige zandpartijen. Verschillende keren wordt het uiterste van de 4x4 gevergd. Uiteindelijk lijken we te stranden op een stuk grintweg dat helemaal is weggeslagen door de vloedbewegingen van de oceaan. Randy stapt uit en overlegt met Philip. Vervolgens omzeilt hij het weggeslagen stuk, niet in de richting van de landzijde, maar in de richting van oceaanzijde. We voelen de auto wegglijden in het water . Met grote moeite weet Randy de combi weer aan land te brengen. Waar we bij Chicken-dune nog het gevoel hadden dat Randy wist waar hij mee bezig was, bekruipt ons nu toch echt het gevoel dat we ons op het randje van verantwoorde risico’s bevinden. Randy lijkt te genieten van zijn ‘overwinning’ en Yolanda glundert.

Om de robbenkolonie te bereiken passeren we nog verschillende borden waarop staat aangegeven dat het absoluut verboden is om hier te komen. Als Namibisch gids moet je blijkbaar je best doen (en regels overtreden) om je cliënten te behagen. Uiteindelijk bereiken we de robbenkolonie en op circa 25 meter afstand van de duizenden beesten gebruiken we onze lunch. Hoewel het een fascinerende aanblik is om de robben in hun natuurlijke ‘habitat’ te kunnen zien, vraag je je wel af hoe ver je kunt gaan en mag gaan in dit soort ‘spot-acties’. Mij bekruipt nu al het gevoel dat de vooraf geformuleerde reisdoelen van Albert van Malle misschien toch wel aan de overdreven kant liggen.

Ook tijdens de terugreis weer dezelfde halsbrekende toeren om op de grintweg te komen. In de auto ontstaat al enig geroezemoes over de rit. Maar uiteindelijk bereiken we toch veilig en wel weer Swakopmund. Joris en ik verwijderen ons even van de groep. De voortdurende explicaties van Albert beginnen enigszins op de zenuwen te werken. Er hebben zich nog geen directe conflicten in de groep voorgedaan, maar af en toe voel je toch wel de spanningen hoog oplopen. We shoppen nog wat in Swakopmund. Rond half zes hebben we afgesproken met Stella en Anna in het ‘strandrestaurant’. Tot onze grote verrassing ontmoeten we daar de ‘verongelukte Nederlanders’ die met hun bakkie over kop zijn gegaan. Ze hebben besloten om de reis voort te zetten en ze zijn inmiddels van hun grootste schrik bekomen.

Ik had gisteren ‘in de groep’ voorgesteld om de tweede avond niet weer te barbecuen, maar om uit te gaan eten. In Swakopmund heb je uitstekende visrestaurants, en op deze laatste avond voor we de ‘bush’ ingaan is een stukje luxe wel heel erg aantrekkelijk. Voor de gidsen is het eveneens prima, want ze hoeven niet te koken en worden bovendien nog getrakteerd ook. De groep ging akkoord en natuurlijk konden de gidsen volmondig instemmen met het voorstel.

In het restaurant merken we dat het niet al te best botert tussen de gidsen onderling. Randy schijnt een fors communicatieprobleem te hebben. Ook binnen de groep gidsen schijnt de informatie niet verder te gaan dan ‘Tomorrow from Swakop to Walvisbay, spotting flamingos and pelsrobben’.

Op het menu staan oesters en ‘blackened fish’. De oesters zijn om van te watertanden. De ‘blackened fish’ (oorspronkelijk een Cajun-recept, dat ook als zodanig op de kaart staat) is van het zeldzaam lekkere soort. Tijdens de maaltijd converseren we met Philip. De ervaringen van vandaag zijn voor hem vrij schokkend geweest. Hij deelt onze vermoedens dat een en ander mogelijk te maken heeft met ‘macho-neigingen’ van Randy. Hij is van mening dat Randy wat meer communicatief zou moeten worden. Zijn staccato commentaren en de sarcastische reacties op onze opmerkingen drukken toch enigszins de sfeer in de groep. Joris en ik hebben tijdens het shoppen vanmiddag een speelgoedautootje op de kop getikt. Joris heeft een grappige tekst bedacht om het autootje cadeau te doen aan Randy. Iets in de trant van ‘De eerste prijs voor professioneel en indrukwekkend rijgedrag’. Het cadeautje wordt enigszins meesmuilend geaccepteerd. De stemming van Randy lijkt overigens de hele avond al niet opperbest.

Rond twaalven keren we weer naar onze ‘luxe bungalows’ terug. Ondanks, of misschien zelfs dankzij, alle spanningen van de dag een uitstekende nachtrust.

 

22 juli tot 1 augustus: Damaraland en Kaokoveld

 

22 Juli, Randy slaat terug, sfeer compleet verpest

Het is gisterenavond opnieuw niet gelukt om het programma te vernemen voor de volgende dagen. Los van het feit dat Randy nogal kortaf is in zijn explicaties praat hij ook nogal onduidelijk, waardoor zelfs zijn superkort programmaoverzicht tot niet veel helderheid leidt. Randy zal om 8.00 uur exact ons toespreken in de voortuin van de bungalow van de dames. We zien bij onze wandeling Randy druk gesticulerend met Albert praten, die instemmend lijkt te knikken.

Randy loopt op Joris af en drukt hem onder een vaag gemompel van iets als "I don’t want it" een pakketje in de hand. Het is het autootje dat Joris hem gisteren cadeau heeft gedaan.

Het blijkt dat het team van gidsen gisterenavond nog heeft doorgepraat en dat toen ook het probleem van de minimale communicatie aan de orde is geweest. De oplossing wordt door Randy op geheel eigen wijze ter hand genomen. Hij is woedend dat over de gebeurtenissen gisteren kritisch is gesproken. Wanneer we al geschrokken zijn van hetgeen gisteren gebeurde, dan zullen Damaraland en andere reisdoelen ons helemaal tegenvallen. Dus hij vraagt op de man af wat we willen: willen jullie een saaie reis via de hoofdwegen of willen jullie de oorspronkelijke reisvoornemens afmaken. In het laatste geval wenst hij geen kritiek meer. Overigens richten zijn verwijten zich rechtstreeks op Joris die toch echt niet de enige was die zich zorgen maakte over wat de dag daarvoor gebeurde. De sfeer wordt al helemaal onheilspellend als Yolanda van Welrust publiekelijke excuses van Joris eist voor hetgeen gisteren is besproken. En of dat nog niet voldoende is richt een onnozele Albert van Malle zich tot de groep met de vraag wie er voor een saai vervolg is en wie opteert voor de meer avontuurlijke variant. Zelfs zijn zus Josefien is deze domme interventie te bar. Bits voegt ze Albert toe dat hij nu eindelijk zijn mond moet houden.

Er valt een doodse stilte in de groep. Joris staat er beteuterd bij, te meer omdat hij nu juist probeerde om gisterenavond een luchtig einde aan de gebeurtenissen te breien door het cadeautje. De botte weigering van Randy om het te accepteren en de frontale aanval vallen hem bijzonder koud op het lijf.

De analyse die Johannes achteraf maakt van hetgeen zich deze ochtend voordoet is dat Randy een zondebok heeft gezocht en gevonden voor de dingen die fout zijn gegaan. Door een frontale aanval op Joris probeert hij gemor in de groep weg te nemen. Joris geeft aan dat hij absoluut geen persoonlijke aanval op Randy had bedoeld. Randy blijf halsstarrig steken in zijn agressieve reactie en weigert de uitgestoken hand te accepteren. Waar Joris tot op dit moment de humoristische gangmaker was en met zijn jolige invallen de sfeer positief beïnvloedde is er nu sprake van een volstrekte verkilling.

Joris is zwaar teleurgesteld en is bitter over het feit dat de groep hem zo in de kou laat staan. Hij is woedend over de opmerking van Yolanda. Juist de agressieve reactie op het grapje over indruk maken zou wel eens het gevolg kunnen zijn van het feit dat de veronderstelling op waarheid berust. Het vervolg van de reis, waar we getuige kunnen zijn van een groeiende intieme relatie tussen Yolanda en Randy, die culmineert in een gezamenlijke slaapplek en openlijke vrijages gedurende de laatste week van de reis bevestigen deze mening.

Na de terechtwijzing van Joris deelt Randy nog mee dat door een ‘fout elders’ (een foutieve datum) een verkeerde reservering is gemaakt voor onze reis door de Caprivi. (Overigens blijkt zich dezelfde fout in het vervolg van de reis in een geheel andere context nog een keer voor te doen; de fout elders lijkt dus meer te liggen in een stommiteit van Randy’s eigen bureau). Randy heeft een alternatief gezocht en gevonden in een Mekoro-tocht van drie dagen door de Okavango delta. Die tocht kost 250 US Dollar extra. Het bureau van Randy is bereid daarvan 100 $ voor zijn rekening te nemen. Resteert voor degenen die hiervoor kiezen 150 $ eigen bijdrage. Wie niet mee wil kan aangeven wat hij gedurende de weggevallen dagen wil doen, Randy zal ervoor zorgen dat voor die groep een aantrekkelijk programma wordt georganiseerd. Zonder morren stemmen de meeste groepsleden met het voorstel in. Zelf heb ik mijn twijfels. Niet alleen omdat de reis op deze manier steeds duurder wordt, maar we hebben toch voor de gehele trip betaalt? Mag je er dan niet vanuit gaan dat het alternatief door Randy wordt bekostigd. Daarnaast is het me nu al duidelijk dat het ‘culturele’ gedeelte er toch duidelijk schraler vanaf komt dan ik me oorspronkelijk had voorgesteld. Een aantal vrije dagen met wat bezoekjes aan dorpjes, missieposten of zelf een enkel bushmen project zou ik op zichzelf boeiender vinden dan krokodillen en nijlpaarden spotten. We hoeven nog niet direct te beslissen. Ik kan dus nog navragen of mijn wensen gehonoreerd kunnen worden.

In een ijzige stemming beginnen we aan het vervolg van de trip. Via Hentiesbay, een kustplaats waar we onze voorraad bier en wijn op peil brengen, en een rit van circa 100 kilometer langs de kust, buigen we af naar het binnenland, om te beginnen aan vier dagen Damaraland. Damaraland is een zeer afwisselend gebied van bergen, woestijnen en woeste vlaktes. Behalve de schoonheid van het landschap hopen we hier ook nogal wat wild aan te treffen, zoals de woestijnolifant en als het helemaal meezit de zwarte neushoorn die hier nog sporadisch voorkomt. We passeren een oude en verlaten koper annex uraniummijn. Midden in de bergen treffen we een meertje aan. Het water is helder, maar wel extreem zout. Albert besluit in ondiep water te duiken. Zijn arm is een en al schram. De aanwezigheid van Betadine in mijn reisapotheekje komt goed uit. Rond vier uur arriveren we bij ‘Ugab Rhino Camp’, één van de community-based campings in Damaraland. Community based betekent dat het beheer en onderhoud van de camping wordt verricht door een Damara-gemeenschap die zich rond het kampeerterrein heeft gevestigd.

Aan de grote hoeveelheden Olifanten-poep te zien, mogen we hier misschien nachtelijke bezoekers verwachten. De camping heeft een aantal huishonden, waarvan Mugabe de meest aanhankelijke is, en een tam wrattenzwijn, Piggy genaamd, die ondeugend wroet in alle etenswaren die onbeschermd worden uitgestald. We zetten onze stretchers weer netjes op een rij op het ompaalde camp-terrein. De douche bestaat uit een met hout verwarmde ton water die verbonden is met een emmerconstructie voor het douchen. Het water is drinkbaar, maar nogal zout zoals we vanaf de volgende ochtend aan de inhoud van onze thermoskannen kunnen merken.

 

Ook aan het kampvuur is de stemming nog enigszins gedrukt. De uitbundigheid is verdwenen en zal gedurende de resterende reis ook niet meer echt terugkomen. Op korte afstand van onze camp kunnen we de tonen van meeslepend gezang horen. De Damara’s weten hoe ze de lange winternachten op een aangename manier kunnen doorkomen. Opnieuw ben ik getroffen door de sterrenhemel die in Afrika zijn weerga niet kent. We gaan een vrij rustige nacht tegemoet. De nachtelijke bezoekers blijven beperkt tot een tweetal kevers.

 

23 Juli, Vervolg Damaraland, gametracking, romantiek bij zonsondergang

In onze camp is ook een winkeltje gevestigd. Nou ja, winkeltje. Een met golfplaten overdekte koeienstal waarin een aantal verdroogde Himba-popjes en dito kettingen zijn opgehangen. We weten inmiddels niet meer welke bestemmingen we wel of niet bereiken, dus de aanschaf van wat Himba-parafernalia lijkt geen slecht idee. Ik kies voor twee popjes, die al zo lang hangen in deze schuur dat de stank er inmiddels uitgetrokken is. Het zanderig klimaat heeft ook de rode kleurstof al enigszins laten verdwijnen, opnieuw een voordeel. De kettingen zijn gemaakt van donkerbruine zaden. Vrij eenvoudig, maar wel authentiek, zo lijkt het.

We vervolgen onze tocht door Damaraland. Vanuit de rivierbedding van de Ugab-rivier rijden we verder het uitgestrekte, onherbergzame Damaraland in. Je raakt geïmponeerd door de weidse vlakten. Het terrein is zeer afwisselend: bergketens worden gevolgd door uitgestrekte vlaktes. Rijden door dit gebied is niet gemakkelijk: een 4x4 is absoluut noodzakelijk. En dan nog moet je volgens mij de nodige rij-ervaring hebben. De dalingen zijn soms zo stijl dat een minder ervaren chauffeur zeker vast zou komen te zitten. Afgezien van de belasting die je je voertuig aandoet. Vaak dreigen oververhitting van de motor en andere calamiteiten. Dus regelmatige stops zijn echt een must.

We campen ‘in the middle of nowhere’, ‘rustic camping’ heet dat hier. De campplaats ligt in de bedding van de Huab rivier. Enkel de aanwezigheid van de as van een kampvuur verraadt dat Randy hier eerder is geweest. We zullen slapen op een stretcher. Veel opbouwwerk van de camp is er dus niet.

Randy heeft ons al eerder beloofd om te laten zien hoe een schorpioen er uit ziet. Discreet zondert hij zich af met een plastic doosje met de melding dat hij binnen een kwartier weer terug is. Discreet zondert ook Yolanda zich af in de richting waar Randy zijn schorpioenentocht maakt. Zij maakt geen melding van tijdstip van terugkomst. Een en ander leidt er toe dat het kwartiertje drie kwartier wordt. Met een voldaan gevoel en glimlach op hun gezicht keren ze gedrieën terug (Randy, Yolanda en schorpioen). De schorpioen is er één van het roze/rode soort, geslacht vrouwelijk, in verwachting. Randy besluit Anneriek van Kwijl, die zich heeft uitgestrekt op een stretcher om te rusten en te zonnebaden, (on)aangenaam te verrassen door haar w akker te maken en de schorpioen vlak voor haar neus op de grond neer te zetten. Anneriek is nog te slaapdronken om van de schorpioen te schrikken. De grap wordt niet door iedereen gewaardeerd.

We hebben nog tijd om een gamedrive te maken. Veel wild zien we niet, enkel wat springbokjes en een groep giraffes.

De springbok lijkt heel erg op de impala, de kleur van zijn vel is echter anders: roestbruin aan de bovenkant, donkerbruine strepen op de zijkanten en een witte buik. Zowel de vrouwtjes als de mannetjes hebben horens. De tijden dat nog kuddes van honderdduizenden springbokken door de Namibische savannes trokken is al lang voorbij. Op dit moment zitten de grootste groepen nog in het Kalahari gebied. De meeste springbokken worden het slachtoffer van luipaarden, hyena's en wilde honden. De bokken hebben (de naam zegt het al) een aparte springtechniek ontwikkeld om hun natuurlijke vijanden te ontkomen. Giraffes leveren iedere keer weer een fascinerend kijkspel op. De beesten zijn soms vier à vijf meter hoog. De in het wild levende giraffes zijn zeer schuw. Het is dus niet gemakkelijk om ze rustig te bekijken. Van de dieren straalt een grote rust uit wanneer ze je vanaf grote hoogte aanstaren, maar nogmaals, in Damaraland en Kaokoland, waar ze nog in het wild leven, gaan al vrij snel op de loop wanneer ze mensen waarnemen.

Na de giraffes keren we weer terug naar het kamp. We mogen van Randy op het dak van de auto’s plaatsnemen. Hoewel het officieel verboden is, biedt het dak een beter uitgangspunt om wild te spotten dan binnen in de auto’s. We gebruiken de slaapmatjes om niet al te veel blauwe plekken op te lopen op het dak.

We rijden terug naar het kampement. Snel wordt een koelbox ingeladen met bier en een karton witte en rode wijn. De bedoeling is om op een romantisch plekje de zonsondergang gade te slaan. De tocht naar de heuvel vergt circa een half uur. De heuvel wordt beklommen, blikken bier geopend en wijn ingeschonken. Fototoestellen in de aanslag.

Ook op dit soort momenten merk je hoe verschillend mensen zijn in hun ‘vakantiebehoeften’. Voor sommige lijkt er een absolute, haast pathologische fascinatie en drift om toch vooral zoveel mogelijk mooie plaatjes te maken. De kilo’s fototoestellen die te voorschijn worden gehaald zijn vaak zo sfeerverstorend en de commentaren die op het uitzicht worden geleverd zo onpassend bij de verstilde schoonheid die de natuur biedt, dat je letterlijk horen en zien vergaan. Ik trek me dus al snel terug van de rots om op een afstand in stilte de zonsondergang gade te slaan. Maar zelfs op een afstand zijn het gedruis en het gepraat frustrerend. Bij sommige groepsleden lijkt er overigens een echte angst voor stilte te bestaan. Iedere keer weer opmerkingen en commentaren, die je op den duur echt de keel uithangen.

De zon is onder, snel weer terug naar het kamp. Grotius heeft daar inmiddels al het kampvuur opgestookt en de stoelen en de etenskratten uitgestald. Het is hard werken voor iemand die voor hand en spandiensten wordt ingehuurd. Ik heb al besloten om aan het eind van de reis Grotius apart een fooi te verstrekken.

Tijdens de laatste voorbespreking hadden we afgesproken dat ik in Afrika op een van de avonden een verhaaltje zou vertellen over de muziek van de Himba’s en de Bushmen. Op de een of andere manier is er de sfeer niet naar om daar eens rustig voor te gaan zitten. Zelfs tijdens het eten en daarna hangt er nog een hektiek in de lucht, die niet echt bevorderlijk is voor een serieus gesprek. Daarbij komt nog dat de ritten al met al vrij vermoeiend zijn. Veel puf en energie is er niet meer.

Dat is zeker nu al – na ongeveer één week Namibië – een belangrijke les: let er op dat je een groep samenstelt die enige uniformiteit en eensgezindheid vertoont, zowel wat belangstellingssfeer betreft als ook reiservaring. Te veel verschillen belasten de groep en leiden tot regelmatige irritaties.

 

24 Juli, Verstekelingen in de woestijn, guide-tracking en rampen

Circa drie uur rijden in vrij ruw terrein, dat is ons gisterenavond nog meegedeeld bij wijze van programma voor vandaag. Pogingen om een wat uitvoeriger verhaal te krijgen lopen stuk op een geïrriteerde reactie van Randy. Hij wordt ook steeds sarcastischer en cynischer, zeker in zijn reactie op opmerkingen die door Joris worden gemaakt. De spanning binnen de groep gidsen begint op te lopen. Het zou me niet verbazen als dat vandaag of morgen tot ontlading zou komen.

Kleine irritatie bij mij is dat Randy nog steeds in de auto rookt en dat ook Yolanda, weliswaar dicht bij het raam, maar toch steeds opnieuw in de auto sigaretten opsteekt. Mijn opmerkingen erover stuiten op een kritische blik van ‘daar heb je hem weer ’. Als het zo doorgaat is de enige mogelijkheid dat ik de auto van Randy en Yolanda ontvlucht.

Het terrein is inderdaad ruw, de tocht vordert dus langzaam. We komen bij een bergpas waar de drie 4x4 forse problemen hebben om heelhuids erover heen te komen. Dit stuk Damaraland is zo onherbergzaam dat hier nauwelijks iemand zal komen. We zijn dan ook zeer verrast wanneer we op de uitgestrekte vlakte achter de berg een auto met een tent erachter zien staan. ‘Stupid place to camp’ is de reactie van Randy en hij is al van plan om een wijde boog te maken ver weg van de ‘campplace’. Plots horen we een luide ‘shit’ en ‘That is one of my cars’. Randy besluit dus poolshoogte te gaan nemen. Wanneer we dichterbij komen zien we een viertal personen (twee oudere en twee kinderen) rustig opstaan en nauwelijks reageren op onze aankomst. Als Randy informeert wat er aan de hand is horen we een verbijsterend verhaal dat ze hier al anderhalve dag staan met een kapotte, oververhitte motor, en dat hun gids Cobus (een freelance medewerker van Randy) vanochtend om half zes besloten heeft lopend hulp te gaan zoeken. Ze vertellen dat hij nauwelijks water heeft meegenomen. Tierend en verwensingen mompelend in de trant van ‘When he is still alive, I will kill him’ besluit Randy om de vier personen (het blijkt een Engels gezin te zijn dat via een grote touroperator uiteindelijk Randy heeft ingehuurd) mee te nemen. We beginnen een interessante, maar toch ook enigszins lugubere operatie van ‘guide-tracking’. De voetsporen volgend komen we bij een plek waar Cobus in het zand een tekst heeft geschreven. Het blijkt de naam van één van de kinderen te zijn. We vrezen dat hij al in een soort delirium terecht is gekomen.

Het lijkt wel alsof het gebeurde de Engelsen volkomen koud laat. Ook de kritische opmerkingen van Randy over ‘that stupid idiot’ maken weinig indruk bij hen. Om de kinderen niet al te zeer te verontrusten gaat Randy over op binnensmonds gemompel dat hij Cobus zal vermorzelen om de stommiteit om zijn cliënten alleen achter te laten. We treffen andere sporen aan in het kielzog van het spoor van Cobus. In de groep gaan al gruwelverhalen op dat Cobus het er niet levend vanaf heeft gebracht.

Plots stuiten we op een vers spoor van de uiterst zeldzame neushoorn. Francois van Malle, Yolanda en Stella worden helemaal lyrisch wanneer we een eindje verder in het struikgewas inderdaad de neushoorn ontwaren. Er volgt een explosie van geestelijke orgasmes in de auto. Ik word er haast onpasselijk van. Om een en ander te relativeren vertel ik dat ik toch liever een neushoorn van dichtbij in Artis bekijk. De afschuw en verwondering is op het gezicht van mijn medereizigers te lezen. Later hoor ik dat vanaf dit moment verhalen de ronde doen dat ik toch absoluut mis ben op mijn plek binnen deze reis.

Nadat de neushoorn door al het rumoer van klikkende fototoestellen en de stank van oververhitte bewonderaars vandoor is gegaan, keert de rust weer enigszins weer in de groep. Wat volgt is het napraten over deze haast goddelijke ervaring.

Tot overmaat van ramp stuiten we een eind verder ook nog op een kudde olifanten, waardoor de euforie zich herhaalt. Enkel de Engelsen blijven er kalm onder en het lijkt dat vader Engelsman zelfs sputterend zijn fototoestel te voorschijn haalt om enige kiekjes te maken. Inmiddels zijn we een eenzame boerderij genaderd en omdat we het stoffelijk overschot van Cobus onderweg niet zijn tegengekomen is de conclusie dat hij daar wel hulp gezocht zal hebben. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn. Randy verneemt dat Cobus hier een donkey-car, genaamd 'Boss', heeft gehuurd om naar de dichtstbijzijnde plaats te gaan om daar hulp te halen.

Randy besluit één van onze auto’s te gebruiken om de Engelsen naar hun volgende pleisterplaats te brengen, waar ze een lodge hebben gehuurd. Die plaats is Sesfontein en ligt enige honderden kilometers van onze nieuwe kampplaats vandaan. Zo als we inmiddels al gewend zijn vindt Randy het absoluut overbodig om enig overleg te voeren met de groep over zijn besluit. Pas nadat hij al vertrokken is vernemen we van zijn plannen. Randy brengt eerst met een ‘bakkie’ de Engelsen weg. Komt dan midden in de nacht terug. Vervolgens zal hij met het resterende bakkie de vastgelopen auto in de woestijn ophalen om die door Adelbert en Cobus te laten slepen naar Windhoek teneinde de auto daar te laten repareren. Al met al hebben we het over honderden kilometers en als het al lukt zo’n 36 uur reistijd. We vragen ons dus af of dit een verantwoorde beslissing is, maar ook met Adelbert en Philip is hier niet over gesproken. Philip explodeert haast van woede en laat ons weten dat hij serieus overweegt om af te haken. Het idee dat hij vannacht rond drie uur in het stikdonker een andere auto moet gaan ophalen, die nota bene helemaal niets met onze safari te maken heeft, maakt hem bijna hysterisch. Maar bozer is hij nog over het feit dat Randy geen enkel overleg voert over alles wat hij doet. Philip vreest ook dat alle inspanningen voor de Engelsen erop gericht zijn om de belangrijke touroperator die de opdracht heeft gegeven te vriend te houden. Hij vindt dat onze groep daar het slachtoffer van wordt. Albert blijft stoïcijns ‘okee’ zeggen bij alles wat Randy doet en zegt. Philip vindt bij hem geen enkele steun.

Joris heeft vlak bij de camp een struisvogelveer gevonden en heeft besloten om de humoristische stemming er weer in te brengen door naakt met de struisvogelveer in zijn achterste over de camp te paraderen. Hij heeft succes, want de sfeer raakt inderdaad enigszins opgeklaard. Philip haalt samen met Adelbert water bij de farm. Er wordt een provisorische douche in elkaar geflanst. We worden wel op waterrantsoen gezet: één pannetje van twee liter is het maximum dat we mogen gebruiken.

Tijdens het avondeten (Philip maakt in één van de gietijzeren pannen een zogenaamde pottie) blijft het enigszins rommelen. Er begint zich inmiddels een scheiding in de groep af te tekenen. Sommigen vinden Philip een slang omdat hij zo kritisch is over Randy. Ze zijn van mening dat Randy weet wat hij doet, en dat kritiek niet passend is. Mij en anderen bekruipt het gevoel dat Randy de belangen van buitenstaanders (en met name zijn eigen belangen) laat prevaleren boven de belangen van onze groep. Maar omdat Randy niet communiceert is het moeilijk te achterhalen wat nu precies aan de hand is.

Rond vier uur ‘s nachts arriveert een auto. Half slapend zie ik dat Randy Joris wakker maakt en hem een halve, kapotte bril in de handen drukt met een mededeling die ik versta als ‘This is a present for you’.

 

25 Juli, verbijstering, crisiscommissie wordt geformeerd

‘s Ochtends verneem ik van Joris en van anderen flarden van wat er gebeurd is. Randy heeft waarschijnlijk te hard gereden bij het afleveren van de Engelsen in Sesfontein en heeft door overstekend wild een ongeluk gehad. Het schijnt dat de auto (met Randy en de Engelsen erin) over de kop is gegaan. Wonder boven wonder zijn er geen ernstig gewonden. Een voorbijkomende auto heeft de hele groep naar Sesfontein gebracht, waar Randy iemand heeft gecharterd om hem terug te brengen naar onze camp. Vannacht om vier uur arriveerde hij. De merkwaardige ‘brilactie’ van Randy is waarschijnlijk een vorm van macabere humor geweest, omdat Randy dacht dat de bril van Joris was. Joris is helemaal van de kaart van deze merkwaardige geste. ‘s Ochtends neemt Randy, opnieuw zonder vorm van overleg Adelbert mee om de kapotte auto op te slepen. Inmiddels schijnt uit Windhoek Ulrike, een soort veredelde secretaresse en uitvoerend manager van Randy, te zijn gearriveerd met een nieuwe auto, die Cobus meekrijgt om de reis van de Engelsen te vervolgen. Het resultaat is dat slechts één auto voor ons achterblijft.

Philip is de enige gids die is achtergebleven. Samen met Grotius mag hij de zaken hier vandaag runnen. ‘s Ochtend maken we een wandeling in de buurt van de camp. Philip vertelt over de planten en bomen en over de geologische ontwikkeling van de rivierbedding waarin we ons bevinden. Hij geeft ook uitleg over de sporen die we in het zand aantreffen. De woestijnolifanten die Damaraland bevolken hebben een merkwaardige symbiose met de beplanting. Waar in andere delen van Afrika de olifanten door hun vrij rigoureuze eetgewoonten complete stukken beplanting totaal vernietigen, wordt hier net zo veel gegeten dat de planten en bomen weer de kans krijgen om zich te herstellen. Sommige bomen hebben een soort afweer mechanisme ontwikkeld waardoor de bladeren plots bitter worden wanneer er teveel groen wordt afgegeten van een boom, zodat de olifanten de bladeren niet meer lusten. We komen uiteindelijk op een bergje terecht waar we opnieuw kunnen genieten van een prachtig uitzicht.

Terug in het camp hebben we een gesprek in de groep. Philip deelt mee dat hij serieus overweegt om op te stappen. Hij vindt het optreden van Randy onverantwoord en kan niet accepteren dat er geen enkel overleg wordt gevoerd over de vaak verstrek kende beslissingen die Randy neemt en die vervolgens een forse impact op het vervolg van de trip blijken te hebben.

Het gesprek in de groep verloopt bijzonder moeizaam. Albert en een aantal andere hebben meer problemen met Philip dan met Randy. Het communicatieprobleem van Randy wordt wel onderkend maar Albert zegt dat hij daar geen last van heeft. In de loop van de reis begrijpen we ook dat er sprake is van een verstrekkende zakelijke vermenging tussen Randy en Albert. Albert functioneert zo ongeveer als Randy’s agent voor Nederland. Mogelijk is dit één van de redenen waarom Albert weigert om een kritisch gesprek met Randy te voeren. Na veel heen en weer gepraat wordt besloten om een commissie van drie mensen te formeren die zal proberen de communicatie te verbeteren en die ook zal pogen om de impasse binnen de groep gidsen te doorbreken. De commissie zal bestaan uit Albert (positieve noot), Joris (kritische noot) en Anna Rot (procesbegeleiding).

We delen Philip mee dat we, zodra Randy terug is, een gesprek zullen arrangeren om te proberen de problemen op te lossen.

Een groot probleem (ook voor de rest van de reis) zal overigens blijken te zijn dat Randy van mening is dat er geen problemen zijn, behoudens het feit dat anderen (met name Philip) problemen maken. Hij vindt dat enkel en alleen relevant is dat de reisdoelen kunnen worden gehaald. De manier waarop lijkt hem volstrekt koud te laten.

Voor zijn vertrek had Randy nog verboden om van de laatste overgebleven auto gebruik te maken. We zijn echter door onze watervoorraad heen en Philip besluit om met de laatste auto nieuw water te gaan halen. Stella, Anna, Joris en ik gaan met hem mee. De ‘De Riet farm’ (dat blijkt de naam te zijn van de locatie waar we ons bevinden) blijkt een Nama-settlement te zijn. De Nama’s zijn één van de grote bevolkingsgroepen in Namibië. Op het moment dat we arriveren worden kleine geitjes gewassen met bestrijdingsmiddelen om het ongedierte in de vacht te vernietigen. Bij het wassen van de geitjes worden kleine kinderen ingeschakeld die nauwelijks groter zijn dan de geitjes zelf. Vol trots laten ze zien dat ze de geitjes op kunnen tillen. Van de settlement maken ook deel uit een kerk (die nu als opslagruimte wordt gebruikt), een winkel (die nu als stal wordt gebruikt) en een garage (die nu niet meer wordt gebruikt). Alles uit betere tijden dus.

Rond drie uur zijn we weer terug. Op deze plek is de hitte haast onverdraaglijk. Een korte siësta is dus zeer welkom.

Om vijf uur is Randy weer terug met het nog functionerende bakkie. Bij aankomst vertelt hij in drie zinnen dat hij het jammer vindt dat er wat fout is gegaan, en dat hij er zeker van is dat we nu geen problemen meer zullen krijgen. Einde verhaal. ‘Any questions?’ Er valt een doodse stilte in de groep.

Na het eten voegt Anna Rot zich bij Randy. Na een kort gesprek trekt de commissie van drie samen met Randy, Philip en Adelbert zich terug voor een gesprek.

Na ongeveer een half uur keert de commissie terug. Anna doet verslag. Ze vertelt dat ze het communicatieprobleem aan de orde hebben gesteld en dat ze voor het overige hebben aangegeven dat het vervolg met de reis met name ook een probleem van de gidsen onderling is, en dat de communicatie binnen de groep gidsen dus moet verbeteren. Joris voegt nog toe dat het gesprek bijzonder moeizaam is verlopen en dat aan het begin van het gesprek Randy zelfs dreigde om er helemaal de brui aan te geven.

Er is enige opluchting binnen de groep dat de zaken eindelijk zijn besproken. Of het gesprek veel resultaat heeft gehad zullen we moeten afwachten. Binnen de groep blijft een beetje een enge sfeer hangen. De contouren van twee kampen beginnen zich steeds duidelijker af te steken. Sommigen lijken te denken dat wanneer je niet over problemen praat, dat er dan ook geen problemen zijn. Wie wel publiekelijk over problemen spreekt, dreigt als een paria te worden behandeld.

 

26 Juli, tocht naar Ngongo via Palmwag, bijna rampvrij

We vertrekken vandaag met twee auto’s. De bedoeling is dat Adelbert vanuit Windhoek met een andere auto komt, maar dat zal op vroegst pas vanavond kunnen gebeuren. Dus het is vandaag even behelpen en proppen. De tocht is vrij rustig. Vrij veel grintweg (in tegenstelling tot de toch lange zandstukken die we de afgelopen dagen hebben gehad).

Voordat we alles opladen maken we nog een gamedrive in de omgeving. We hopen dat we de kudde olifanten van eergisteren weer kunnen opsporen. Anna, Joris en ik besluiten op het bakkie van Philip plaats te nemen. We spotten inderdaad een aantal olifanten, en wel heel dicht bij de auto’s.

Een kudde woestijnolifanten in het vrije is toch wel heel fascinerend. Het Noorden van Damaraland en wat zeldzame plekken in Kaokoland zijn nog de enige vindplaatsen van deze olifanten. Het schijnt dat ze oorspronkelijk van het Etoshapark vandaan komen. De woestijnolifant heeft zich aangepast aan dit barre landschap. Uitzonderlijk is hun gave om feilloos lange afstanden te doorkruisen om waterholen te vinden. En als ze er eenmaal één hebben gevonden, kunnen ze ze altijd prima terugvinden.

Veel van de uitzonderlijke geluiden die je constant hoort worden door vogels geproduceerd. Damaraland heeft een vrij grote vogelpopulatie. De kleurenpracht is overweldigend.

Het is moeilijk voorstelbaar dat gedurende korte tijd van het jaar allesmeeslepende rivierstromen door het compleet uitgedroogde landschap stormen. Het is eveneens wonderlijk dat we regelmatig in rivierbeddingen kamperen en door rivierbeddingen rijden om wild te spotten. Philip heeft een prachtig boek in zijn auto over de werking van de rivieren en de betekenis voor flora en fauna.

Na anderhalf uur rijden komen bij een kleine woestijnberg. We maken een korte pauze en beklimmen de berg. Opnieuw (de herhaling wordt saai!) overweldigend mooi uitzicht. De contrasten tussen de foto’s en de verhalen rondom hetgeen we hebben gezien zullen groot zijn. Rond elf uur zijn we terug in het camp. Met een gezamenlijke inspanning lukt het vrij snel om alle spullen op de twee auto’s te laden.

We gaan op weg en bereiken inderdaad na een paar kilometer zandweg de goed begaanbare grintweg.

Na twee uur rijden arriveren bij Palmwag Lodge. Een oase van palmbomen, luxe zwembaden en logiesmogelijkheden temidden van een ongerept woestijnlandschap. Grenzend aan de lodge is een aantal waterputten die ook olifanten aantrekt. De olifanten zijn vrij tam en lopen ongeveer dwars door het lodgeterrein. Het sfeertje binnen de lodge is onaangenaam: uitsluitend rijke en dikke Amerikanen en Duitsers lijken de lodge te bevolken. We lunchen in het buitengedeelte. Frites met een biefstuk, waarbij mijn biefstuk van het halve kilo soort is. Ik probeer nog wat te babbelen met Randy. Philip vertelde me dat we op de weg naar Ngongo een alleraardigst ‘cultural village’ passeren van het Damara volk. Wanneer ik daarover rep doet Randy alsof hij het in Keulen hoort d onderen. ‘No, never heard of that’, einde communicatie. Ik heb het al eerder (en vaker) gezegd in dit reisverhaal. Communicatie is niet een van de sterke kanten van Randy. Randy is meer het type van de pionier die tot het uiterste gaat om avontuurlijke reizen te maken en die ook te laten slagen. Ik vraag me overigens wel af hoe lang zijn energie nog reikt om hem overeind te houden. Hij heeft al diverse nachten achter de rug van één of twee uur slapen. Dat moet toch echt een uitputtingsslag zijn.

We rijden verder en passeren de plek waar Randy met het bakkie over de kop is gegaan. De trieste resten staat achter een schuurtje in een Damara-dorpje opgesteld. Toevallig het dorpje waar de ‘cultural village’ ligt. Randy laat ons kiezen tussen een kort bezoek aan een Damara-dorpje of een kort bezoek aan een traditioneel Herero-dorpje. De groep kiest voor het laatste, maar bij aankomst blijken de bewoners vanwege een begrafenis niet thuis. Om nu een uitgestorven dorpje te gaan bezichtigen lijkt ons niet aantrekkelijk. Dus dan maar doorrijden naar de camp.

De Ngongo camping is de mooiste die we tot nu toe hebben gehad. De weg ernaartoe kan alleen maar met ervaren chauffeurs en goede 4x4’s worden gereden. Smalle bergweggetjes en een riviertje met grote rotsen waar we doorheen moeten. Vlakbij de camp is een bergmeertje met kraakhelder water. De dames sturen de heren bruusk weg om even de privacy van een ongestoord bad te kunnen genieten.

We moeten ons haasten om de stretchers nog voor zonsondergang op te zetten. Randy is inmiddels begonnen met de voorbereidingen voor het eten. Hij wordt geassisteerd door Yolanda, die vanaf dit moment niet meer van zijn zijde wijkt.Van Philip ontvangt hij geen enkele assistentie meer. Ik heb dus niet de indruk dat het gesprek van een paar dagen geleden enige verbetering heeft opgeleverd. Als ik ‘s avonds voorzichtig informeer hoor ik van Randy dat er geen enkele problemen waren en er ook nu geen problemen zijn. Ik houd er maar snel over op.

Na het eten hebben we nog een gesprek in de groep over het programma van de volgende dag. Dat zal een enerverende rit door een zeer zanderige rivierbedding worden. Op Joris’ vraag of er alternatieven zijn merkt Philip op dat er een vrij directe route naar onze volgende bestemming is die veel minder tijd kost. Mogelijk zouden we dan ook nog het Damara-dorpje kunnen bezoeken. Hij geeft ook nog in overweging om rekening te houden met de fysieke toestand van Adelbert, als die midden in de nacht of in de vroege ochtend arriveert.

Josefien en Albert reageren afwijzend, ja zelfs furieus op de suggestie dat er in plaats van een avontuurlijke tocht door het zand een makkelijke route zou worden genomen. ‘We zijn hier toch niet voor saaie hoofdwegen’. Wanneer Randy suggereert dat we ook een wat minder lange variant zouden kunnen nemen, om uiteindelijke weer terug te komen op deze camp, zodat we morgen pas weer verder gaan naar de volgende plek, breekt zo ongeveer de hel los. Albert wil en zal persé de geplande route in zijn totaliteit afmaken. Een kakofonie van verontwaardiging ‘dat sommigen blijkbaar de reisplannen willen saboteren’ (sommigen=Joris en ik) breekt los. Ik ga compleet over mijn nek dat men zelfs niet wil luisteren naar de mogelijkheid dat Adelbert misschien over vermoeid aankomt hier. Uiteindelijk wordt besloten dat Joris, Johannes en ik samen met Philip de makkelijke route zullen nemen.

Het gesprek van deze avond heeft mij letterlijk fysiek onpasselijk gemaakt. Met een misselijk gevoel ga ik naar mijn stretcher. Een dubbele lading Oropax zorgt ervoor dat in nauwelijks last heb van het slappe geouwehoer rond het kampvuur.

 

27 Juli, tocht naar Purros, met een bezoek aan een Damaradorpje en fort Sesfontein

Adelbert is midden in de nacht in de camp gearriveerd met een gerepareerde combi. Hij heeft een lange nachtelijke rit erop zitten. Hij vertelt dat hij ettelijke keren frontaal op de rem moest voor overstekend vee. Maar hij heeft nog vier uur kunnen slapen, dus hij is niet moe meer. Adelbert is duidelijk niet van het klagende soort.

Philip krijgt de gerepareerde combi mee. Randy zal met zijn eigen combi en Adelbert met het bakkie de zandroute nemen. We vertrekken als eerste. Onze eerste bestemming is het verongelukte bakkie. Randy heeft Philip gevraagd om wat onderdelen uit de auto te slopen. Hij vertrouwt het niet helemaal dat de auto zo geïsoleerd in een hem onbekend dorpje staat. Met schroevendraaiers en een tang worden een zendertje, de radio en enkele andere onderdelen uit de auto gehaald. Het Damara Cultural Village ligt op vijf minuten afstand van het dorp.

We krijgen een uitgebreide rondleiding van een engels sprekende ‘local’. We bezoeken verschillende soorten hutten. Hij vertelt over de dans- en genezingsrituelen en we krijgen uitleg over allerlei geneeskrachtige kruiden. We krijgen een korte les in de klikgeluiden die een belangrijk onderdeel vormen van de taal van de Damara’s (en bijv. ook de Bushmen die we nog zullen bezoeken).

In een tentje zit een oude dame die ons vertelt over het initiatieritueel dat meisjes ondergaan in de tent. Het ritueel duurt een week. Als meisje kom je erin, als huwbare vrouw kom je er weer uit. Naast allerlei praktische zaken (zoals eten koken, kruiden gebruiken, make-up) krijgt de meisjes ook wijze lessen van de oude vrouw over ‘de belangrijke zaken des levens’. Of we nog vragen hebben … Ja, Johannes heeft een vraag bedacht: ‘Do you mutilate your women’? ‘What’, vraagt de jongen niet begrijpend. Johannes denkt dat hij beter moet articuleren: ‘Doo youu muutilaate your women?’ De jongen snapt er nog steeds niet van. Ik doe haast in mijn broek van het lachen. Uiteindelijk besluit Johannes uit te leggen wat hij bedoelt: ‘Do you cut, uhhh, uhhh’, terwijl hij naar zijn bekkenstreek wijst. Eindelijk valt de munt: ‘No, we don’t use any violence against our women’ zegt de jongen.

Vervolgens demonstreert de oude vrouw samen met de jongen ons nog een spel met stenen. Ik ken het spel van mijn computer. Microsoft heeft een aantal traditionele spellen omgezet voor computergebruik. De jongen moet het al snel afleggen tegen de bedrevenheid van de vrouw. Aan het eind van de rondleiding passeren we nog een groep jonge vrouwen die gezellig zitten te kletsen en te kauwen op een soort cactus. Joris en ik hebben ons in de initiatietent laten opmaken met rood steengruis. De meisjes liggen dubbel van het lachen. Zeker als Joris nog een struisvogeldansje maakt.

We mogen een stuk knabbelen van de plant. De smaak is zo bitter dat ik het haast van afschuw uitspuug. De rondleiding heeft ongeveer een uur geduurd. We moeten dus snel op weg.

Johannes was gevraagd om te kijken of we onderweg wat bier kunnen oppikken voor algemeen gebruik. Het plaatsje Sesfontein is met name bekend vanwege zijn tot lodge omgebouwde fort. Sesfontein (‘zes waterbronnen’) ontstond in 1896, na het uitbreken van een runderpest-epidemie, als westelijke controlepost. Later werd het uit de Duitse koloniale tijd stammende fort gebruikt als militaire vesting om tegen stropers en wapenhandelaars van Angola te strijden. Een paar jaar geleden is het fort als lodge in gebruik genomen. We eten een broodje en horen dat Randy en de zijnen hier ook zijn geweest. We vragen naar een drankenhandel. Maar die is gesloten en het supermarktje heeft alleen krat met flessen bier. Onder het motto ‘iets is beter dan niets’ besluiten we toch maar een kratje in te slaan.

De toch naar Purros blijkt toch nog rond 200 kilometer in beslag te nemen. Philip heeft problemen met de auto, die een aantal keren afslaat en regelmatig oververhit raakt. Vervolgens raken we ook nog de weg kwijt. Gelukkig vinden we na circa twee uur rijden een Hererodorpje, waar we de weg kunnen vragen. Dat kost ons overigens wel 20 Namibische dollar. Want op de vraag welke richting we moeten rijden komen vijf vrouwen op ons af met zelfgemaakte kettinkjes en snuisterijen. Pas als ik een kettinkje heb gekocht wordt ons verteld dat we toch in de juiste richting rijden. In totaal doen we er zo’n vier uur over om de 200 kilometer af te leggen.

Ook de camping van Purros is prachtig gelegen in de bedding van de Hoarib-rivier. Vlak voor de camp spotten we een aantal Giraffen die onverstoord verder eten. De camping zelf liggen midden in een olifantengebied. De olifanten lopen ook hier weer dwars door de camp. Deze camp is zowaar van een fatsoenlijke douche voorzien. De waterslang is in een boom weggewerkt, zodat het net lijkt alsof je boomkraan open moet draaien om water te krijgen. Het water is weliswaar onverwarmd, maar de slang komt van een heel eind verder en loopt onder het hete zand. Overdag is het water dus aardig op temperatuur.

Ik geniet van een heerlijke douche. Inmiddels is ook de rest gearriveerd, die overigens meteen weer doorrijdt om nog wild te spotten. De tocht van vanmiddag heeft blijkbaar veel zand, maar weinig wild opgeleverd.

‘s Avonds zie ik Adelbert sleutelen aan zijn bakkie. Het blijkt dat het zand niet alleen een enerverende rit heeft opgeleverd, maar ook de toestand van de oliefilters negatief heeft beïnvloed. Bij het bakkie is dit euvel nog vrij makkelijk te repareren. De combi zal, zoals morgen zal blijken, een ander verhaal opleveren.

Joris, Johannes en ik kunnen nog even heerlijk rustig relaxen. Ook ‘s nachts is de camping met de grote bomen bijzonder mooi. We maken nog een korte avondwandeling en spoeden ons vervolgens naar bed.

 

28 Juli, tocht door Kaokoland naar Orupembe, stokstaartjes en motorproblemen, Himbafotos

Vandaag staat een lange rit door Kaokoland op het programma. Opnieuw zeer fascinerend landschap. Wie op zoek is naar het ongerepte kan in Namibië zijn ware bestemming vinden. Philip (en Randy ook trouwens) hebben het absoluut niet op Zuid-Afrikaanse toeristen. Ze komen met hun luxe 4x4, volbepakt met etenswaren, naar Namibië en crossen overal doorheen. Met name de kwetsbare landschappen waar het jaren duurt voordat de bandensporen zijn uitgewist, worden het slachtoffer van Zuid-Afrikaanse joy-drivers. Philip is er een voorstander van om het gehele Kaokoland tot een wildpark te verklaren en vervolgens de toegang te ontzeggen voor ‘selfdrivers’. Dat zou niet alleen het landschap, maar ook de oorspronkelijke cultuur van de Himba’s ten goede komen.

De slechte relatie tussen de gidsen begint steeds meer tol te eisen. Philip is bijna aan het eind van zijn Latijn en wordt alsmaar geïrriteerder en negatiever.

We moeten regelmatig pauzeren, want de motor van de combi raakt om de haverklap oververhit. Het zand in de oliefilters vormt een zware aanslag op de performance van de auto. Daarnaast wordt er zoveel stof opgewaaid door de auto’s dat het zicht compleet verdwenen is. Op de eenzame vlaktes zien we af en toe een kudde oryxen en een enkel verdwaalde springbok. Philip heeft een groepje stokstaartjes gespot. De achterstand die hij met zijn auto oploopt wordt al snel weer goedgemaakt: de combi van Randy heeft grote problemen. Er wordt besloten om hem met het bakkie van Adelbert op te slepen.

De rit vordert daarom traag. Vlak voor de afslag naar Orupembe stopt Philip nog vrij hardhandig omdat hij denkt dat hij een kameleon heeft overreden. We stappen uit en zien dat het beestje het er ongeschonden vanaf heeft gebracht. Een bijzonder indrukwekkend plaatje, zo’n kameleon die zich blazend en druk gesticulerend tegen zijn vermoede vijanden (=wij) keert.

Door mul zand leggen we de laatste kilometers naar de camp van Orupembe af. Randy is de weg even kwijt wanneer we vlak bij de camp komen. Het bakkie en de combi verdwijnen achter een heuvel. Op dat moment laat onze combi het ook nog afweten. De V-snaar en nog een andere snaar hebben het begeven. Voordat onze motor compleet oververhit raakt zet Philip de motor af. Na vijftien minuten keert het bakkie terug. Gelukkig zijn er nog net twee reservesnaren, zodat onze auto weer snel aan de praat is.

Harry, een local die zich tot campingbeheerder heeft opgewerkt, toont ons de plek van de camping. Een vrij zanderig stuk, waar we bijna alle auto’s vastlopen. De camp zelf stelt niet veel voor, maar de omgeving is weer overweldigend mooi. De plek is ingekapseld tussen een aantal bergruggen. Het uitzicht strekt zich uit tot de kuststreek. ‘s Nachts trekt een nevel vanuit zee over land waardoor het vrij fris kan worden.

Randy heeft besloten om zelf de combi te repareren. Maar dat zal alleen in Opuwo kunnen. Een dorp dat op ongeveer 250 kilometer van Orupembe ligt. Adelbert zal met zijn bakkie de combi slepen. De rit zal zo’n 7 à 8 uur kosten. Philip blijft weer alleen achter. Hij zal ons vanmiddag en morgen met de resterende combi naar Himbadorpen brengen. Harry is gecharterd om als lokale gids te fungeren.

We worden nog bezocht door een aantal Himba’s die wat sieraden willen slijten voor harde valuta. Ze worden vrij hardhandig door Harry weggestuurd. We horen later dat de Namibische dollars die de Himba binnenkrijgen vrijwel rechtstreeks worden omgezet in alcoholica. Er berust dus een zekere medeverantwoordelijkheid bij toeristen wanneer ze zich met zo’n handel inlaten.

Orupembe ligt zo afgelegen dat de Himba-cultuur in het gelijknamige dorpje nog vrij ongerept en authentiek is. Doordat Harry de taal van de local’s spreekt kunnen we er ook voor zorgen dat we niet al te opdringerig en verstorend optreden. Althans het is de bedoeling dat we een enigszins waardig bezoek brengen aan het dorpje.

We kruipen met z’n allen in en op de combi en rijden de korte afstand van zo’n vijf kilometer naar het Himba-dorpje. De fotokanonnen komen al in de aanslag wanneer Philip vraagt nog even te wachten totdat Harry de dorpelingen heeft voorbereid op onze komst. Vol spanning worden de wapens, excuseer de fototoestellen weer opgeborgen tot het sein ‘in de aanval’ worden gegeven. Harry komt terug en vertelt dat de vrouwen even de tijd willen om zich op te maken voor de bezoekers van buiten. Na vijf minuten ga at het sein op groen en storten we ons met de knijpkatten, snoepjes, petjes etc. in de hand op onze prooi. Een fotogeniek hutje met daarvoor vijf Himbavrouwen en drie kleine kindjes wordt het eerste slachtoffer van onze fotografische rooftocht. Zeker, er is een aantal personen in onze groep die zich nog enigszins probeert in te houden, maar al met al is het toch een beschamende vertoning.

Het fotograferen komt op mij over als een objectiveren van een slachtoffer dat weliswaar meewerkt, maar mogelijk met een verwachtingspatroon dat enkel een grote teleurstelling kan opleveren. Eerst tien foto’s, dan wat snoepjes in de uitgestoken handen. De telelenzen en de grote mijnheren leveren een tafereel van een slechte komedie op.

Een oude dame wijst op een kettinkje dat Yolanda van Welrust om haar hals draagt. Yolanda haalt uit haar tas een ander goedkoop gekleurd kettinkje en hangt dat met veel aplomb om de nek van de oude vrouw. Nu Yolanda een ketting heeft gegeven wil ze er natuurlijk wel iets voor terug. Ze wijst op één van de halskettingen van de vrouw, die eerst niet snapt wat de bedoeling is. Met veel gebaren wordt haar duidelijk gemaakt dat het nu de bedoeling is dat zij een ketting afgeeft aan Yolanda. Wat stuntelend komt dat uiteindelijk voor elkaar.

Al met al een uitermate beschamend tafereel. De blik op het gezicht van Philip staat op onweer. Ook zelf word ik bevangen door een misselijk makend gevoel. Ik denk dat ik Philip gelijk geef. Zelfs als je zo’n fotosessie enigszins prettig wil laten verlopen. Dan nog is het probleem dat de ‘belangen’ van fotograaf en gefotografeerde zo mijlenver uiteenlopen, dat er uiteindelijk enkel slechts een pijnlijke, voor beide kanten frustrerende ervaring uitkomt. Tenzij je natuurlijk alleen geïnteresseerd bent in zo exotisch mogelijk fotomateriaal. Want in dat opzicht is ons bezoek aan het Himba-dorpje ongetwijfeld een groot succes.

Bij het vertrek ontmoeten we boze reacties bij de Himba-vrouwen. We begrijpen van Harry dat ze met name op voedsel (maismeel) en kleding hadden gehoopt. Onze snuisterijtjes en snoepjes worden weliswaar niet afgewezen, maar is toch niet iets wel werkelijk zoden aan de dijk zet.

We poetsen de plaat en arriveren rond vijf uur bij het camp. Het koelt vrij snel af. Rond acht uur ‘s avonds zitten we met al met een dikke trui en jas rond het kampvuur. Ook ‘s nachts is het vrij bar hier. De temperatuur daalt zo ongeveer tot het vriespunt.

 

29 Juli, bezoek aan ander Himba-village, Himba-lessen in Himba-school, terugkomst Adelbert

Vandaag staat het bezoek aan een andere Himba-settlement op het programma. Een wat groter dorp dat een geheel andere ontwikkeling heeft doorgemaakt dan het toch vrij traditionele dorpje dat we gisteren hebben bezocht.

Tijdens de rit naar het dorpje heb ik het met Philip over de ‘ingevoegde activiteit’ in plaats van de Caprivitocht. Ik vertel hem dat ik het veel leuker zou vinden om wat lokale dorpjes te bezoeken en evt. alvast een Bushmen-project. Zijn reactie is dat hij dat ook leuk zou vinden en dat hij graag bereid is om mij te rijden naar een aantal plekken. We moeten wel toestemming vragen aan Randy, maar hij denkt dat dat geen probleem zal zijn. Randy zelf zou dan immers een aantal dagen vrijaf hebben en voor Adelbert zou het ook geen extra belasting betekenen. Ik raak helemaal enthousiast van het idee en neem me voor zo spoedig mogelijk hierover met Randy te overleggen.

Het Himbadorp dat we vandaag bezoeken is inderdaad meer door moderne ontwikkelingen geraakt dan het dorpje van gisteren. Traditioneel geklede vrouwen lopen naast mannen in een westers kloffie. Het dorpje is vergeven van de geitenstront waar de kinderen gewoon doorheen lopen. Maar tegelijkertijd slingeren er talloze auto-onderdelen rond. Een geitje ligt op een plastic stoeltje te slapen, naast twee autowielen.

Harry vertelt ons dat er op het terrein ook een schooltje ligt. Met een kleine groep lopen we rond drie honderd meter verder om terecht te komen bij een grote tent. De kinderen hebben net pauze. De leraar is bereid om ons iets te vertellen over het onderwijs. Op ons verzoek zal hij een les geven, zodat we een indruk kunnen krijgen van het programma. Bij de lessen wordt veel gebruik gemaakt van verhalen. Het verhaal van de leeuw, slang en haas dient om engelse woorden te leren. Andere dierenverhalen functioneren om rekensommen te leren. De school wordt gefinancierd door een christelijke organisatie uit Noorwegen. Dat betekent dat ook bijbellessen op het programma staan. Maar de leraar vertelt dat ook de traditionele Himba-cultuur uitvoerig aan de orde komt. De school is er een van het mobiele soort. Wanneer de Himba-groep naar een andere plaats verhuist, verhuist de school mee. De leraar woont als enige in een tent in plaats van in een lemen hut.

De ruilartikelen die we hadden meegenomen kunnen hier goed worden besteed. We doneren zo’n honderd pennen aan de leraar die daar zeer verguld mee is. Ook besluiten we een inzameling te houden om een klein gift aan de school te doen. We schrapen in totaal zo’n tweehonderd Namib-dollar bij elkaar.

Ik begin steeds meer problemen te krijgen met fotograferen. Tijdens de voorbeeldles in de tent heb ik echt het gevoel van een soort contact tussen onze cultuur en de cultuur van de Himba’s. Op het moment dat plots vier fotograferende groepsleden de tent binnenkomen, wordt dat tere evenwicht dat even leek te bestaan weer verstoord.

Voor de schooltent zit een Himba-vrouw die een tweetal armbanden wil verkopen voor ‘medicijnen voor haar kinderen’. Ik weet dat het geld waarschijnlijk heel anders zal worden besteed, maar laat me toch overhalen. Een ander kind heeft hoge koorts. Anna Rot heeft paracetamol bij zich, maar hoe krijg je met gebaren duidelijk gemaakt dat je de paracetamol heel zorgvuldig moet doseren? Een tablet wordt in vieren gedeeld en met behulp van Harry proberen we de juiste dosis over te brengen.

We vertrekken weer naar onze camping. Al met al was het bezoek aan dit dorpje een positievere ervaring dan gisteren. Misschien omdat er minder te fotograferen viel?

De temperaturen stijgen tot extreme hoogte in de middaguren. Tot veel meer dan wat dutten en een boek lezen zijn we niet in staat. Joris heeft Harry overgehaald om samen een avondwandeling te maken naar de top van een berg. Op het moment dat we vertrek ken is het nog vrij warm, maar de temperatuur daalt snel.

Op de top van de berg vertelt Harry over zichzelf, zijn leven hier midden in de natuur, zijn dromen en idealen. Hij voelt een grote tevredenheid met het toch vrij sobere leven dat hij leidt. Zijn grootmoeder is parlementslid in Windhoek en zit daar met name om de Himba-belangen te vertegenwoordigen. We krijgen het adres van zijn grootmoeder en ook zijn eigen adres. We zijn bijna door onze knijpkatten heen, dus we beloven om er een voor hem op te sturen.

We beginnen de tocht naar beneden terwijl het al donker is geworden. Maar met een goede zaklamp kom je een heel eind. Al de batterijen die ik had meegenomen voor mijn minidisc-recorder kan ik gebruiken voor mijn zaklampen. Ik had verwacht een aantal mogelijkheden te hebben om wat opnames te maken van muziek en dans van zowel de Himba’s als de Bushmen. Zoals het er nu uitziet zal ik hoogstens in staat zijn om op één van de laatste avonden een Bushmen ritueel op te nemen. Maar zelfs dat is twijfelachtig geworden. De cultuurpoot van onze reis blijkt opnieuw volstrekt ondergeschikt te worden gemaakt aan de natuur en het wild.

De wandeling met Harry en met name de momenten van stilte boven op de berg hebben de stemming van Joris en mij weer wat opgevijzeld.

‘s Avonds na het eten vertel ik toch maar iets over de traditionele Afrikaanse muziek. Of het verhaal echt overkomt weet ik niet. We wachten af. Het verhaal is in bewerkte vorm in het tijdschrift In de marge gepubliceerd. Op deze ‘URL’ is het te lezen: afrikamuziek.htm

Adelbert is laat in de namiddag teruggekeerd met het bakkie. Randy is er nog niet in geslaagd de combi te repareren. Er blijkt geen garage met de juiste onderdelen te zijn in Opuwo. De nieuwe planning is nu dat we morgen met twee auto’s alle bagage, campingspullen en mensen zullen vervoeren naar Opuwo, waar we hopen met drie auto’s verder te kunnen gaan.

Ook de tweede nacht in Orupembe is bitterkoud. Morgen moeten we vroeg op, rond zes uur, we hebben namelijk een lange reis voor de boeg. Minstens zeven uur naar Opuwo en dan nog een paar uur naar Epupa Falls in het hoge noorden van Namibië, aan de Kunenerivier.

 

30 Juli, Kaokoland vervolg, Opuwo en Epupa Falls

We waren gisteren al voorbereid op een lange reis, en dat is maar goed ook. Het zal een zware reisdag worden. Rond zes uur staan we op. Het is een tijdstip dat de koude nog in de lucht zit. Met dikke truien en rond het kampvuur eten we ons boterhammetje en drinken onze koffie.

Het is iedere keer opnieuw een hele tour om de auto effectief op te laden. Ik heb bewondering voor de efficiency en de techniek van de gidsen in dit verband. Het is niet alleen zaak om alles perfect op te stapelen en in te pakken, maar ook om het zo stevig vast te binden dat het niet van de auto’s valt bij al het geschud en gehobbel dat door de slechte wegen wordt veroorzaakt.

Onderweg passeren we een aantal bergpassen. Bij een oase maken we een korte stop om te bekijken of het een geschikte plek is om te lunchen. Dat blijkt niet het geval. Het weinige water dat er nog rest veroorzaakt zo’n onaangename geur dat Philip snel weer in de auto springt om verder te rijden. Een paar kilometer verder maken we wel een lunchstop. In het zand treffen we verse sporen van een luipaard aan. Het lijkt dus niet een goede plek om ons al te ver van de stopplaats te vertreden.

Na zeven uur stevig doorrijden komen we in de buurt van het plaatsje Opuwo. Bij een koeienveiling stappen we uit. Toeschouwers worden vriendelijk bejegend, maar wanneer één van ons zijn fototoestel te voorschijn haalt verslechtert de sfeer snel. We besluiten snel weer in te stappen en door te rijden. Hoe dichter we bij Opuwo komen, hoe meer mensen we op de wegen ontmoeten, lopend, met een ezelskar of op volledig afgeleefde bakkies.

Opuwo is geen aantrekkelijke stad. Er heerst een enorme hektiek. Overal slingeren lege flessen en andere rotzooi. Een gemeentelijke reinigingsdienst bestaat hier nog niet. We worden meteen benaderd door een grote groep Himba-vrouwen die hun sieraden te koop aanbieden. Het stikt hier ook van de ‘Bottle-stores’. Alcoholgebruik is één van de grote problemen in deze streek. De modernisering heeft hier ogenschijnlijk alleen bijgedragen tot de ontworteling van de Himba’s.

Joris steelt de show door de plaatselijke kinderen als een soort rattenvanger van Hamelen achter zich aan te laten rennen om vervolgens als een soort carnavalsprins snoepjes rond te strooien. Op een andere plek verzamelt hij zo’n 25 kinderen om ze netjes in een rij te plaatsen en ze één voor één een snoepje te laten afhalen. De vindingrijkheid van de kinderen om telkens opnieuw ‘voor de eerste keer’ een snoepje te halen is bewonderenswaardig.

Randy is nog steeds niet klaar met de reparatie van zijn auto. Hij denkt nog een paar uur nodig te hebben. Philip en Adelbert moeten ons alvast naar Epupa Falls brengen. Hij zal na komen. Het zal een avondrit worden. Het eerste stuk tot Epembe op grint weg, daarna nog zo’n zestig kilometer door zand en bergwegen. Philip kan zijn ergernis nauwelijks bedwingen. Hij haat rijden in het donker: overstekend vee kan desastreuze gevolgen hebben. Hij spoort ons dan ook aan tot grote haast, wanneer sommigen nog wat laatste inkopen doen in het stadje.

Rond vijf uur vertrekken we. Het eerste stuk is zo’n honderd kilometer. Het kost ons ongeveer anderhalf uur. Inmiddels is het al stikdonker. En dan moeten we nog beginnen aan het laatste moeilijke stuk. Bijna missen we de juiste afslag. Het laatste deel van de tocht voert ons inderdaad weer op een onherbergzame route van zandwegen en bergpassen. Voor de zestig kilometer hebben we ongeveer twee-en-een-half uur nodig. Onderweg dreigt zelfs het bakkie het te begeven. Een merkwaardig klepperend geluid blijkt te maken te hebben met een storing aan het remsysteem. Een van de achterremmen werkt niet meer goed. In de volstrekte duisternis is het niet mogelijk om het euvel te repareren, op goed geluk vervolgen we dus maar de route. We zijn inmiddels ook bijna door al onze reservebanden heen. We hopen er maar op dat we de laatste kilometers in dit opzicht ongeschonden kunnen afleggen. Rond negen uur arriveren we in Epupa Falls. Ulrike schijnt hier al een aantal uren te zijn, maar in het donker is het niet moge lijk om ook maar iets te zien. We besluiten een voorlopige camp op te slaan op de plek waar we in Epupa Falls zijn gearriveerd. Dat blijkt op ongeveer twintig meter van de grootste watervallen te zijn. ‘s Nachts zie je echter maar weinig. Enkel het gedruis van het neerstortende water is oorverdovend.

Epupa Falls is de eerste plaats met malaria-risico. Een aantal van ons slikken het agressieve Lariam. Zelf heb ik gekozen voor de combinatie Paludrine/Nivaquine. Het nadeel van mijn optie is dat ik iedere dag moet slikken. We zetten snel onze tenten op en beginnen aan een (onrustige) nachtrust.

In totaal zijn we ongeveer 15 uur onderweg geweest. Ik verbaas me erover dat Adelbert en Philip niet compleet aan het eind van hun Latijn zijn. Het plan is om hier twee dagen te blijven. We kunnen dus een beetje bijkomen van alle vermoeienissen.

 

31 Juli, Epupa Falls, ritje naar de heuvel, onverkwikkelijk gesprek met Randy

De volgende ochtend kunnen we pas de volle schoonheid bewonderen van de plek waar we ons bevinden. De Epupa watervallen in de Kunenerivier doen wat indrukwekkendheid betreft niet onder voor de Victoriawatervallen. De camp ligt aan de watervallen e n grenst aan een Himba-dorpje. De Himba’s beheren de camping. ‘s Ochtends wordt er een soort privémarkt voor ons gearrangeerd waar Himba-vrouwen hun sieraden en Himba-parafernalia te koop aanbieden.

Een aantal Himba-vrouwen komen informeren of we vuile was hebben. Er wordt even onderhandeld over de prijs van het wassen. Een andere vrouw brengt een emmer met versgebakken broodjes. Heerlijk!! We hebben een dagje vrij en kunnen die naar believen invullen met een korte wandeling, pootje baden aan de waterval of een kort bezoek aan het Himba-campement.

Anneriek van Kwijl gaat ons vandaag verlaten. Door privé-omstandigheden had zij slechts drie weken beschikbaar voor de Namibië-reis. Ze zal samen met Ulrike nog twee dagen in het Etosha-wildpark doorbrengen en vervolgens terugvliegen naar Nederland. We vernemen dat Johannes van Lieshout eveneens heeft besloten om uit de reis te stappen. Door alles wat er fout is gegaan en de vele tegenvallers heeft hij besloten om het voor gezien te houden. Hij zal in Windhoek proberen om eerder terug te vliegen. Wanneer dat niet lukt zal hij waarschijnlijk proberen tot de terugvlucht in een hotel in Windhoek te blijven.

Via via hoor ik dat Anneriek heeft besloten terug te keren naar echtgenoot en kinderen en dus de relatie met haar vriend af te breken.

Beide leken niet echt goed binnen de groep en deze reis te passen. Ik heb niet de indruk dat er een rouwperiode ingaat. Eigenlijk wordt er al een half uur na hun vertrek niet meer over gerept. Toch wel vreemd eigenlijk, als je veertien dagen lang zo intensief met elkaar bent omgegaan. Het is opnieuw een bewijs van het volstrekt ontbreken van een ‘groepsgeest’. Maar misschien ook een indirect gevolg van het gelazer en de ontberingen van de afgelopen weken.

De matte sfeer en de twee kampen blijven overigens ook na het vertrek van Anneriek en Johannes bestaan.

Een uur na het vertrek van Ulrike arriveert Randy, niet in zijn eigen gerepareerde auto, maar in een geleende combi van zijn schoonvader. Hij heeft de auto opgehaald in Windhoek en is daarna doorgereden naar Epupa. Aan slapen is hij nog niet toegekomen , en omdat hij de nachten daarvoor heeft doorgewerkt aan zijn auto is het eerste wat hij doet zijn slaapzak te voorschijn halen om wat slaap in te halen.

Yolanda glundert en mompelt dat ze het fijn vindt dat haar ‘hero’ weer is teruggekeerd. Zij zal vanaf dit moment niet meer van zijn zijde wijken.

We brengen een genoeglijk dagje door in Epupa. ‘s Ochtends een korte wandeling in de omgeving. De aanblik van de watervallen en de omgeving is adembenemend. Aan de overkant van de waterval (en de Kunenerivier) ligt Angola, waarmee Namibië al geruime tijd in grote conflicten leeft. Wet en orde schijnen compleet verdwenen te zijn in het gebied dat aan Namibië grenst. Het gebied wordt beheerst door de ‘terroristen’ van Jonas Savimbi die aan hun wapens komen door het bezit van diamantmijnen. De diamanten worden geruild voor Amerikaanse wapens. In het no mans land in de grensstreek schijn je je leven niet veilig te zijn. Regelmatig ‘verdwijnen’ mensen die zich voor zaken of anderszins toch in dit gebied wagen.

‘s Middags nemen Joris en ik Grotius mee naar het Himbadorpje voor een biertje. Het enige bedrijfje dat lijkt te floreren is de bottle store. Naast het winkeltje een enorme berg lege flessen. In het Himbadorp verblijven naast de Himba’s ook nogal wat Angolese vluchtelingen. We maken in gebroken Portugees een praatje met sommigen van hen.

De wasdames doen de was op een traditionele manier in de rivier. Ze maken er wel werk van! Vier uur wordt er geklopt en gestreken, gewassen en uitgewassen. Het resultaat is dan ook indrukwekkend.

Zwemmen in de Kunenerivier wordt sterk afgeraden. Het stikt er van de (vaak zeer agressieve) krokodillen. Het groepje dat zich afzondert voor een korte zwempartij is dan ook weer snel terug. Ik kom zowaar toe aan enig leeswerk. Ik heb in Swakopmund twee boekwerkjes gekocht, één over de volken van Namibië en één over traditionele Namibische muziek. Beide bieden interessante gegevens voor mijn onderzoekje.

Vlak voor het avondeten kan ik Randy nog even apart nemen over mijn plannen om wat dorpjes te bezoeken samen met Philip. Zijn reactie is kort en bot: geen denken aan. ‘In de dorpjes valt niets te beleven’, hij denkt er niet aan om één van zijn auto’s voor zo’n ‘stupid idea’ te laten gebruiken. Ik merk nog op dat hij toch in Swakopmund stelde dat hij zal proberen om tegemoet te komen aan de wensen van diegenen die niet meewillen met de Mekorotocht. Hij vertelt dat ik dat verkeerd begrepen heb: de enige mogelijkheid is om één of twee korte gamedrives te maken in de omgeving van de camping waar we verblijven. Overigens is hij zeer ontstemd dat ik dit idee met Philip en Albert heb besproken. Albert blijkt gisteravond al geopperd te hebben dat Philip bereid is om wat tochtjes met me te maken.

Mijn conclusie is dat Randy volstrekt niet gemotiveerd is om ook maar iets te doen wat de dagen in Ngepi (zo heet dat camping van waaruit de Mekorotocht wordt gemaakt) tot een aangename ervaring te maken. Ik besluit nog de commissie van drie in te schakelen om Randy te herinneren aan zijn toezegging van Swakopmund. Maar ook de drie bereiken niets. Ik baal als een stekker. Eigenlijk blijkt er geen enkel reëel alternatief te zijn voor de Mekorotocht die 150$ extra kosten met zich meebrengt. Maar meer nog is er ergernis over de botte reactie van deze figuur die het tegendeel lijkt van wat op de internetpagina’s van Easthoek Desert Adventures als kwaliteiten van de gidsen wordt opgesomd.

Wanneer je op de Epupa-camp naar het toilet wil, dan kun je twee situaties aantreffen: overdag hebben de geiten bezit genomen van het toilethutje, 's nachts spinnen, hagedissen en ander ongedierte. Ik prefereer geitjes, daarom maar de dagvariant genomen.

De dag wordt afgesloten met een korte rit naar de top van een heuvel die vlak bij de camping ligt. Van hieruit is er een grandioos uitzicht over de watervallen van Epupa. Aan een boom hangt een achtergelaten Himba-rokje. Er is in geen velden of wegen iets te bekennen wat lijkt op de eigenaar van het kledingstuk. Ik kan mijn Afrikaanse danslessen in Amsterdam dus mooi opfleuren met een authentieke Himba-dansrok.

Na het avondeten wordt nog een onderdeel op het kampvuur verhit waarmee het remprobleem van het bakkie moet worden opgelost. De reparatie ziet er indrukwekkend uit, maar of het zal houden? De algemene stemming in de groep lijkt wat opgewekter na de rustgevende ervaringen van deze dag. Zelf ben ik minder ‘amused’ na het teleurstellende onderhoud met Randy.

 

 1 Augustus, Van Epupa naar …, achtergelaten in de woestijn, gespletenheden

De komende twee dagen zullen we een grote afstand af moeten leggen: rond zeven honderd kilometer om via Rucuana, Oshakati, Rundu uiteindelijk Ngepi te bereiken. Onderweg zal ook nog het een en ander geregeld moeten worden om de auto’s weer compleet functionabel te maken. Het bakkie heeft nog steeds te kampen met problemen aan de remmen. We zijn bijna door onze reservebanden heen etc.

Het gesprek van gisteren, maar met name de sigarettenrook in de auto van Randy doen me definitief overstappen naar een ander voertuig. Omdat we over nu over twee combi’s en één bakkie beschikken is er ruimte zat. Met Anna Rot nemen Joris en ik plaats in de auto van Philip.

Op zo’n twintig kilometer afstand van Epupa passeren we een graf van een Himbaleider. De grafplaats is versierd met een groot aantal hoorns van de runderen van de overledene. Hoe meer runderhoornen, hoe groter de betekenis van de overledene. De runderen worden namelijk geslacht bij het overlijden en worden gebruikt om een rituele maaltijd aan te richten voor de dorpelingen die onder de leider vallen. Dus hoe meer runderen, hoe meer dorpelingen. Ik stap uit om een foto te maken. Philip dringt erop aan om eerbied te betrachten bij het graf, dus niet te dicht bij de grafzerk zelf te komen.

De gerepareerde rem van het bakkie begeeft het al snel. Een enorm geknars en geratel duidt erop dat het door Randy aangebracht onderdeel is afgebroken. De rem wordt daarom maar helemaal uitgeschakeld, zodat het bakkie het de komende dagen zonder volledig remsysteem moet stellen.

Een eind verder treffen we de combi van Randy aan. Een aantal Italianen hebben pech. Er wordt enige assistentie verleend.

Weer een eindje verder is een afslag naar een Himba cultural village. Een klein Himbadorpje is opengesteld voor publiek. Tegen betaling van 5 Namibdollar per persoon kunnen we de hutten bekijken en iets over de leefwijze van de Himba’s te weten komen. De poserende Himba’s die vóór de hutten zitten doen wat pathetisch aan. Maar de echte sensatie in dit dorpje is toch echt een stelletje fotograferende Italianen. Die doen het nog echt op z’n ouderwets: eerst opstellen die primitievelingen. Door middel van gerichte aanwijzingen een glimlach op het gezicht van de zielige kindertjes laten verschijnen en vervolgens: hoppa met hun Nikon of Italiaanse variant daarvan. Daar kan ons team nog van leren!

We rijden verder naar Epembe. Daar is een wat grotere Himba-begraafplaats waar Randy ons rondleidt. Midden op het graf van een Himbaleider heeft een geit twee jongen gebaard. Dat is nog eens symboliek van het zuiverste soort. We wanen ons compleet in ‘Out of Africa’.

We moeten verder naar een plek waar we rustig kunnen lunchen. Die plek wordt gevonden ‘in the middle of nowhere’, en wel in een zanderige afrit van de grintweg naar Rucuana. Philip heeft al de hele weg zitten foeteren, maar kan haast niet geloven dat Randy ons in het mulle zand wil dirigeren. Onder weinig opwekkend gemompel van ‘This guy want’s to kill us’ rijdt hij zijn 4x4 met moeite in de afrit.

Het lunchgenot wordt enigszins gesaboteerd door de zwermen vliegen die zich in deze contreien ophouden, dus we verlangen al heel snel naar ‘doorrijden’. Maar al snel blijkt de door Randy gekozen lunchplaats de meest stomme plek die hij had kunnen kiezen. Philip krijgt zijn 4x4 er niet uit. Met enige vertoon van zijn kundigheden lukt het Randy om de auto er wel uit te kunnen krijgen. De combi van Randy is geen 4x4, daar moet dus het bakkie aan te pas komen! Na veel gekreun en opstuivend zand lukt het het bakkie inderdaad om de combi eruit te slepen. Maar wel ten koste van een ‘puncture’ zoals dat hier zo mooi heet: een lekke band. En laat ons nou net door onze reservebanden heen zijn!

Wat zich vervolgens aan drama volstrekt ontgaat Joris, Anna en mij. Wat we wel nog meemaken is dat Yolanda, die zich nog in onze omgeving bevindt, plotseling wordt geroepen naar de auto van Randy. Het volgende dat we meemaken is dat de auto van Randy spoorslags verdwijnt, Joris, Anna en mij enigszins onthutst achterlatend samen met Adelbert met zijn kapotte bakkie en Philip met zijn nog functionerende 4x4 combi.

Enige navraag bij Philip en Adelbert leert ons dat Randy met het grootste deel van onze club (waarom niet met ons????) is doorgereden naar de volgende kampplaats. Zijn instructies voor Philip en Adelbert waren opnieuw kort maar krachtig: "Follow us to the lodge, take the others with you". Welke lodge hij bedoelt is de achterblijvers vooralsnog niet helemaal duidelijk.

Epembe is circa 20 kilometer terugrijden. Adelbert en Philip besluiten daar met de resterende combi naartoe te rijden om te proberen de autobanden te laten repareren. Het heeft weinig zin dat wij mee gaan, dus wordt besloten om ons achter te laten, samen met Grotius, die zo langzamerhand ook zijn Ovambo-geduld begint te verliezen. Over een uur zullen Adelbert en Philip terug zijn, hopelijk met de gerepareerde banden. De plek waar we worden achtergelaten biedt weinig vertier, behalve de ontelbare vlieg en die mij en Joris doen grijpen naar de inhoud van de rugzak van Joris, zodat we er zo ongeveer uitzien als halfbakken Tuaregs met handdoeken voor hun facie in het midden van een onbepaalde Namibische woestijn. Zoals de lezer mogelijk zal begrijpen begin t onze ontstemming zo langzamerhand tot een tragisch hoogtepunt uit te groeien. Waarom worden wij hier achtergelaten, waar de combi van Randy met enige moeite toch voldoende plaats biedt om ons allemaal mee te nemen naar de volgende kampplaats??

Na een uur en een kwartier komen Adelbert en Philip terug. Epembe bleek op de zondagmiddag uitgestorven. Een garage was er overigens in geen velden of wegen te bekennen. Op de weg terug blijkt Philip het voor ons aangename, maar voor hemzelf naar later blijkt desastreuze, besluit te hebben genomen om met Joris, Anna en mij terug te rijden naar Opuwo, in de hoop in deze relatief grote stad wel de banden te kunnen laten repareren. Zijn plan is om ons achter te laten in een lodge in Opuwo en met de gerepareerde banden weer terug te rijden naar Adelbert en Grotius, om vervolgens Adelbert en Grotius door te laten rijden naar de door Randy bedoelde ‘lodge’. Hij zal terugkeren naar Opuwo om ons vroeg in de ochtend via een afkorting naar de rest van de groep te brengen. Het plan is weliswaar ambitieus, maar voor Anna, Joris en mij is alles goed om uit de vliegenellende te ontsnappen. Dus we stemmen van harte in met zijn voorstel.

De rit naar Opuwo vergt ongeveer twee uur. Bij aankomst blijkt dat ook hier niemand te charteren valt om de banden te laten repareren. Dit ‘mislukking-scenario’ was al doorgesproken met Adelbert en Grotius. Zij zouden in dat geval kamperen op de plek van de gestrande auto, wij zouden overnachten in de lodge, en morgen zodra de garage de deuren opent zouden we de banden laten repareren en ons weer bij Adelbert en Grotius voegen.

Voor de lezer van dit reisverhaal is nu misschien een korte samenvatting van de situatie en de bijbehorende materialen op zijn plaats:

- Grotius en Adelbert bevinden zich in ‘the middle of nowhere’, maar wel met alle tenten, slaapzakken, koelkast en een groot gedeelte van de mondvoorraad.

- Philip, Joris, Anna en ik bevinden ons in Opuwo in de lodge, met in ons bakkie alle frisdrank, chips en ruilartikelen, maar geen bagage inclusief reisapotheek. Ik ben dus genoodzaakt de malariakuur een dag te onderbreken.

- In de auto van Randy bevindt zich alle bagage, maar geen tent, slaapzak etc.

Achteraf kunnen we reconstrueren hoe deze nacht verder is verlopen. Laat ik beginnen met onszelf: we verblijven in de Lodge en hebben een voorlopige reservering gemaakt voor het geval dat Randy met de rest van de mensen terugkeert en tot de ontdekking komt dat het plakken van de banden niet is gelukt. Koortsachtig bediscussiëren we of we de goede keuze hebben gemaakt, met het oog op een verwachte woedeaanval van Randy wanneer deze constructie niet conform zijn verwachtingen is. We komen tot de conclusie dat onze beslissing onder de gegeven omstandigheden misschien niet de beste zal blijken te zijn, maar wel de meest logische.

Zelf slaap ik in een kamer met Philip. Anna en Joris zijn beide grote snurkers, onder het motto ‘soort zoekt soort’ slapen zij ook in een kamer. De volgende ochtend blijkt Joris de afgelopen nacht een absolute dip te hebben gehad. Anna heeft hem met enige positieve bewoordingen wat moed proberen in te praten.

Randy blijkt achteraf - verbaasd over het feit dat de rest niet komt opdagen - terug gereden te zijn naar Epembe, helaas met alle bagage. Want onderweg blijkt zijn combi de mulle zandwegen niet te kunnen trekken. Hij is gedwongen om zo’n 25 kilometer te lopen om uiteindelijk bij het kapotte bakkie van Adelbert te belanden. De rest van de groep is in provisorische omstandigheden gehuisvest in een lodge in Rucuana. Ze waren eerst voornemens te kamperen, maar toen wij niet kwamen opdagen zijn wat bedden versierd in een ompaalde ruimte binnen het gebied van de lodge. De voor ons bestelde maaltijd is verpieterd.

Adelbert en Grotius slapen naast hun bakkie, aldaar vergezeld door Randy om drie uur ‘s nachts.

Bij de lezer zal de indruk van een avontuurlijke nacht achterblijven. Voor de Namibiëgangers inclusief gidsen betekent deze nacht een en al frustratie, zorg en ergernis. Te meer omdat de volgende reisbestemming in het gedrang komt door alle narigheid. Dat laatste zal de belangrijkst oorzaak voor een groeiende verzieking van de sfeer blijken te worden. Om de reisdoelen alsnog te bereiken zal namelijk een reeks van onverantwoorde besluiten worden genomen, die de Namibiëreis inderdaad in de sfeer van een nachtmerrie zullen brengen.

 

2 Augustus, van Rucuana naar Oshakati, Adelbert wordt noodgedwongen coureur, afgebroken nachtrit

Zodra de garage (die naast de lodge ligt) is geopend worden de lekke banden afgeleverd. Een half uur later kunnen we vertrekken, ware het niet dat de maandagochtend voor de personeelsleden meer een sociale functie blijkt te hebben dan verkoopgericht. De assistenten bij het benzinestation kunnen niet worden bewogen om hun monday-morning talk even te onderbreken voor wat werkzaamheden. Luid vloekend en tierend besluit Philip daarom na enige tijd om maar op de reservevoorraden te vertrouwen.

We vertrekken rond kwart voor negen. Een onaangenaam gevoel maakt zich van ons meester. We weten niet wat we midden in de woestijn zullen aantreffen (Adelbert/Grotius) en we weten ook niet hoe de rest van de groep de nacht heeft verbracht.

Rond kwart over tien arriveren we bij het bakkie, waar we tot onze niet geringe verbazing dus ook nog Randy aantreffen. De sfeer is zachtjes gezegd om de snijden. Randy snauwt enige onverstaanbare woorden naar Philip en stilzwijgend wordt de gerepareerde band in het bakkie aangebracht. De toestand van Philip dreigt zo langzamerhand in de richting van overspannenheid te gaan. Zijn gezicht is continu vertrokken, er kan geen positief woord meer vanaf. Tussen Randy en Philip wordt geen woord meer gewisseld .

Aangekomen bij Rucuana worden de wederzijdse verhalen uitgewisseld. Na een kwartier wordt vertrokken. We hebben nog ongeveer 600 kilometer voor de boeg. We begrijpen dat het eerste traject bestaat uit mul zand en grove bergwegen. Daarna krijgen we verharde weg.

Het eerste deel verloopt moeizaam, maar de route is wel wonderschoon. We rijden langs de Kunenerivier. Het is jammer dat we zo weinig tijd hebben, anders zou het zeker de moeite waard zijn om af en toe even uit te stappen en te genieten van de omgeving . Ik heb besloten om de auto van Philip vaarwel te zeggen. Alle zware gesprekken met Joris hebben mijn stemming al aardig verduisterd. Ik vrees dat de gedeprimeerde stemming van Philip mij uiteindelijk ook zal aansteken. Randy heeft besloten om vanaf nu in het enigszins gehandicapte bakkie te rijden. Adelbert en Philip besturen de combi’s.

Adelbert is een aangenaam persoon. Hoewel veel van de vermoeienissen uiteindelijk op hem terecht zijn gekomen, houdt hij zich op de vlakte. Enkel in persoonlijke gesprekken in de avond geeft ook hij blijk van zijn ontstemming over alles wat er gebeurt. Hij vertelt dat het gebied dat we nu doorrijden in de regentijd helemaal onder staat. Waaghalzen met uitstekend geëquipeerde 4x4 wagens maken dan halsbrekende toeren om door het hoge water te rijden. Dat vindt men hier een avontuurlijke sport, waarvoor veel geld wordt neergeteld. Adelbert heeft in deze streek ooit een wandelvakantie gemaakt. Hij vertelt dat ze door de bergen waren getrokken, maar dat ze plotseling niet meer verder konden door een waterval. Een duik van ongeveer twintig meter door alle groepsleden vormde de oplossing.

Na twee uur komen wij bij een grote dam in de Kunene-rivier aan. De dam is onderdeel van een elektriciteitscentrale die een groot deel van Noord Namibië van elektriciteit voorziet. De asfaltweg begint hier en loopt door tot Oshakati, één van de dichtstbevolkte gebieden in Namibië.

Het is inmiddels twintig over twee. Randy geeft Adelbert de opdracht om met zijn auto (waar ik dus ook in zit) alvast vooruit te rijden naar Oshakati. Hij is door zijn plaatselijke valuta heen, en omdat wij hem toch moeten betalen voor de Mekorotocht, komt het hem goed uit wanneer we daar arriveren als de banken nog open zijn. Maar de banken sluiten om half vier. Hoe stelt Randy zich voor dat Adelbert 169 kilometer in één uur en vijf minuten aflegt? Randy’s tijdsbesef (en realiteitsbesef? ) begint aardig aan diggelen te vallen. Adelbert probeert de opdracht uit te voeren, hetgeen leidt tot een halsbrekende rit op een weg waar we ook heel wat schoolkinderen tegenkomen. De scholen zijn net uit. Verschillende keren moet Adelbert fors op de rem trappen vanwege overstekend vee. Ik begin zo langzamerhand zelf over mijn toeren te raken van deze idioterieën. Albert en Francois van Malle en Stella Joffermans horen mijn tirade aan en zwijgen wanneer ik hen vraag of zij ook niet vinden dat we heel onverantwoord bezig zijn. Het adagium lijkt te luiden: Randy heeft gesproken, en zijn opdrachten dient men niet ter discussie te stellen.

Ik heb inmiddels besloten om toch maar de Mekorotocht mee te maken. Het perspectief om me door Randy de omgeving van Ngepi te laten zien trekt me allerminst. Zonde vind ik het wel: juist de contacten met locale mensen, en het bezoek aan een aantal missieposten, hadden waarschijnlijk een totaal ander perspectief op Namibië opgeleverd. Ook voor mijn onderzoek waren die dagen mogelijk zeer vruchtbaar geweest. Ik heb me inmiddels al een beetje neergelegd bij de vaststelling dat als ik echt iets van het land en mensen wil ervaren, dat ik dan terug moet komen en op een andere manier (en zeker met een andere gids) het land moet bereizen.

We arriveren om twintig voor vier in Oshakati. Adelbert heeft zijn best gedaan, maar het onmogelijke kan hij ook niet voor elkaar krijgen. Wanneer er iets is waar je in Namibië je klok gelijk op kunt zetten, dan is het wel de sluitingstijd van ban ken. Albert doet dus vergeefse pogingen om ergens zijn geld gewisseld te krijgen.

Oshakati is een grote industriestad waar het werkelijk stikt van de bottlestores. Men heeft hier te kampen met een hoge criminaliteit. ‘s Avonds zie je overal bewapende veiligheidsmensen staan. Alle hotels en publieke gelegenheden hebben bewakers in dienst. Een aantrekkelijke branche om in te werken dus.

Meestal is het zo dat in grote lodges aparte wisselbureau’s zijn ondergebracht. Er schijnt in Oshakati één vrij luxe lodge te zijn, vlak bij het vliegveld. We rijden daarnaar door. Maar bij de office van de lodge vertellen ze Albert dat ze alleen geld van gasten wisselen. Er schijnt echter een Portugees restaurant/ annex hotel te zijn, waar de eigenaar dringend verlegen zit om harde (=US$) valuta. Met enige moeite vinden we het restaurant en motel in aanbouw. De eigenaar blijkt inderdaad bereid om geld te wisselen. Randy bestelt meteen wat broodjes die we onderweg kunnen nuttigen bij wijze van lunch en avondeten. Een heerlijk biertje van de tap doet de vermoeienissen van de dag een beetje opklaren. Maar we moeten nog een heel eind. Op aandringen van Albert vertelt Randy nog wat de reisplannen van vanavond zijn. Randy wil nog zo’n vier honderd kilometer doorrijden naar Rundu. Dat is de enige mogelijkheid om morgenochtend om acht uur in het camp in Ngepi te arriveren waar we worden afgehaald voor de Mekorotocht. De eerste vijftig kilometer is asfalt, daarna grintweg. Maar hoe laat denkt Randy te arriveren? Hij schat dat we rond middernacht aankomen. Philip is aan het eind van zijn Latijn, zelfs tegensputteren lukt hem niet meer. Hij is compleet op. Er zou toch niet naar hem geluisterd worden. Albert en Francois blijken hem, zoals ze me toevertrouwen wanneer we op weg zijn, als een onbetrouwbare slang te zien, die door zijn negativiteit de sfeer in de groep helemaal verpest. Ik zei het eerder al, onze groep is er één van het soort waar de boodschapper van slecht nieuws wordt vermoord. De oorzaak van alle ellende blijft buiten schot.

Na een half uur rijden is het al stikkedonker. Vlak voor ons zien we een koe aanstalten maken om de weg over te steken. Wat we vrezen gebeurt ook. Net als Philip met zijn auto passeert steekt de koe over. Op een haartje kan een ongeluk vermeden worden. Randy is inmiddels de weg kwijt en is terug gereden om de juiste afslag te zoeken.

De medereizigers van Philip hebben het niet meer. Zelfs Josefien is nogal overstuur. Ze willen gezamenlijk dat we stoppen met deze nachtelijke escapades. Er volgt een emotionele discussie, die uiteindelijk in het voordeel van Philip en zijn medereizigers wordt beslecht. We gaan terug naar Oshakati, om daar te proberen een slaapplaats in het Portugese motel te vinden. Randy maakt duidelijk dat hij dit als een sabotage en muiterij ervaart en dat de gevolgen voor onszelf zijn. Hij weigert om ook maar een cent bij te dragen aan de extra kosten. En hij vertelt dat we de Mekorotocht wel kunnen vergeten.

Stella en Albert laten weten dat ze woedend zijn dat het ‘gedram van de slang’ ertoe leidt dat de reis wordt verziekt. Mensen moeten niet zo kleinzielig zijn, een nachtelijke tocht is juist heel avontuurlijk. Yolanda van Welrust (die inmiddels al openlijke vrijages met Randy heeft) doet nog een duit in het zakje door te zeggen dat de enige die precies weet wat wel en niet kan Randy is. En dat met deze ingreep in het reisschema ook haar reis compleet wordt vergald.

We rijden dus in een beklemmende sfeer terug naar Oshakati, waar inderdaad voldoende plaats in het motel is om te overnachten. We besluiten de kamerindeling volgens een snurkers en niet-snurkers principe te maken. Ik slaap dus met Stella Joffermans, Joris met Anna Rot. Alle vermoeienissen en sores van deze dag hebben hun uitwerking gehad op mijn energie. Ik ben kapot. Rond tien uur spoed ik me naar bed. Stella heeft het ook gehad. Rond half elf slapen we al.

Het blijkt dat een aantal leden van de groep, waaronder Randy en Yolanda, maar ook Anna Rot en Francois van Malle, hebben besloten er een bonte avond van te maken. Misschien ook om de spanningen wat af te reageren. Joris vertelt dat hij een ladderzatte Anna rond half twee naar hun kamer heeft gesleept. Toen zaten Randy en Yolanda nog innig verstrengeld aan de bar. Allerlei tot op dat moment onbekende drankjes zoals ‘Springbokkie’, ‘Giraffe’ en ‘Woestijnolifant’ hebben hun weg naar dorstige kelen gevonden.

 

3 Augustus, van Oshakati naar Rundu, van Rundu naar Ngepi, wat hebben we nog niet gehad : Oorlog?

Gisteravond vernamen we al van de Portugese eigenaar van het motel dat er aan de grens met Angola oorlog is uitgebroken tussen het Namibische leger en een stelletje rebellen die een eigen staat willen stichten. Hoewel de strijd zich meer oostelijk voltrekt, ligt het wel precies in de richting waar we vandaag naar toe zullen rijden. Op onze vraag aan Randy of dat geen problemen kan opleveren lacht hij ons uit. ‘You shouldn’t believe this kind of horror stories’.

De laatste drie honderd kilometer die we volgens het plan van Randy gisterennacht hadden moeten rijden kosten ons in totaal zo’n acht uur rijden. Dat zou in de nachtelijke uren minstens tien of elf uur in beslag hebben genomen. Hoewel iedereen (behalve Yolanda en Randy) zich realiseren dat het inderdaad waanzinnig zou zijn geweest om gisteren door te rijden neemt niemand de moeite om Philip en Joris excuses aan te bieden voor de grove woorden die door de lucht gingen. Niemand spreekt Randy erop aan dat het toch te gek is om ons voor de kosten te laten opdraaien als hij zich zo duidelijk in zijn tijdplanning heeft vergist. Men is waarschijnlijk bang dat dit soort opmerkingen de sfeer zouden verslechteren.

Op de lange route treffen we opnieuw alleraardigste voorbeelden van huisnummers aan: veel van auto’s afgevallen nummerborden als unieke identificatie van een bepaald adres, maar ook allerlei bouwsels en constructies die aan bomen worden gehangen, zoals een rode jerrycan met twee flessen, twee stokken met een t-shirt eromheen etc.

Het terrein in het Noorden van Namibië is minder imposant dan wat we de afgelopen weken in Damaraland en Kaokoland hebben gezien. Wat meer heuvels misschien, maar meer eentonig ook. We passeren veel kleine dorpjes. Wij zijn inmiddels in Ovamboland terechtgekomen. De Ovambo zijn de grootste stam van Namibië. De meeste nederzettingen zijn vrij klein en bestaan uit rieten hutten, met hier een daar een wat steviger bouwwerkje van steen. Langs de weg zien we regelmatig twee ossen geleid door kinderen, die een vat water voorttrekken. Het water moet vaak van ver worden aangesleept.

Op grote afstand hebben we vandaag verschillende keren bosbranden gezien. De lange reis biedt voldoende tijd voor overpeinzingen en gedachtes. Ik merk dat zich een zekere paranoia van me meester maakt. Niet eens zozeer vanwege de dingen die fout gaan, maar meer nog de verdeeldheid in de groep en de gespannenheid die daardoor ontstaat. Maar ook de vraag wat er zal gebeuren wanneer Randy helemaal doordraait. Zullen dan niet met name degenen getroffen worden die bij voortduring kritische vragen hebben gesteld? Het is de eerste keer in mijn leven dat ik tijdens een verblijf in het buitenland reikhalzend verlang om weer thuis te zijn.

Anna vertelde in de lodge in Opuwo dat ze soms het gevoel heeft dat Randy, mede door de vermoeidheid en alles wat er fout loopt, in een soort roes terecht is gekomen waardoor hij geen grenzen meer kent en steeds grotere risico’s neemt. We hebben nog zware dagen voor de boeg, ik weet niet wat Randy nog meer aan verrassingen voor ons in petto heeft.

De rit naar Rundu duurt lang. Rundu zelf is een middelgrote stad, waar we kort pauzeren om te lunchen. We lunchen in het eenvoudige gedeelte van een lodge, waar we elk zo’n drie tosti’s verorberen. Het is leuk om te zien hoe men hier met reclame omgaat: in plaats van affiches worden op de muren complete schilderijen van aan te prijzen artikelen aangebracht. Randy neemt de meest dringende reparaties aan de auto’s voor zijn rekening. Onderweg is de weer een band van een combi stuk gegaan. De laatste reserveband is er één van de andere combi, met een compleet verschillende maat. Het is dus zaak dat weer snel een normale band wordt aangebracht op de combi. Het remsysteem van het bakkie moet nu ook eindelijk worden vernieuwd.

Rond vijf uur vertrekken we voor de laatste honderd kilometer naar de Ngepi camping. Telefonisch heeft Randy al laten weten dat de Mekorotocht een dag moet worden uitgesteld. We krijgen nu dus een dag minder, terwijl we wel de zelfde prijs moeten betalen.

De zon gaat net onder als we in Ngepi arriveren. Ulrike heeft opnieuw een lange autorit gemaakt om de auto van de schoonvader van Randy weer terug te brengen naar Windhoek.

Grotius en Philip moeten de stretchers opzetten, zodat we straks alleen nog maar onze bagage bij elkaar hoeven te zoeken alvorens we gaan slapen. De Ngepi camping wordt bevolkt door grote bussen met ‘goedkope toeristen’. Veel jongeren, de muziek en de sfeer is daarop afgestemd. Harde rockmuziek galmt door de luidsprekers. Op de camping kun je een goedkope maaltijd nuttigen. Randy laat dus tien warme maaltijden aanrukken. Door hun werkzaamheden komen Philip en Grotius te laat. Maar dat is voor Randy geen p robleem: het koude bord krijgt Philip voor zijn neus gezet. Wanneer we daar een opmerking overmaken krijgen we te horen dat gidsen gewend zijn om koud te eten. Niets om ons zorgen over te maken.

De camp ligt vlak bij de Okavango rivier. ‘s Nachts horen we de geluiden van apen en nijlpaarden. Joris en ik zijn de eerste die op de stretcher liggen. We worden nog onaangenaam verrast door ‘vreemde geluiden in het struikgewas’. Er vliegen veel vleermuizen, die een voortdurend geritsel in de bomen veroorzaken. We hebben een korte nachtrust voor de boeg, immers morgenochtend worden we om zes uur afgehaald voor de Mekorotocht.

 

4 Augustus, verlaat vertrek naar de Mekoros, Botswana, overload aan bagage

‘s Ochtends moeten we er vroeg uit, want de truck staat klaar om ons naar een plaatsje in Botswana te brengen waar de Mekorotocht van start gaat. Het vroege ontwaken hadden we achterwege kunnen laten. Want de chauffeur van de truck arriveert pas rond acht uur.

Vanochtend weer hetzelfde verhaal als gisteravond. Er is een ontbijt besteld waarop ook ‘scrambled eggs’ voorkomen. Philip en Adelbert verschijnen pas later aan het ontbijt. Het kan Randy geen moer schelen dat ze koude gebakken eieren krijgen voorgeschoteld.

Na het ontbijt wordt er nog een kop koffie gedronken. Ulrike is bezig wat zakelijke kwesties af te handelen met Randy. Anna Rot heeft de rekening van de lodge in Opuwo voorgeschoten en overhandigt die aan Randy om hem te verrekenen met het bedrag dat hij nog krijgt voor de Mekorotocht van Anna. Met een verbeten blik accepteert hij de rekening en geeft hem vervolgens aan Ulrike met de opmerking dat dit bedrag moet worden afgetrokken van het honorarium van Philip. Deze persoon is uitgerust met een hoeveelheid botheid die zijn weerga niet kent. Ongelooflijk dat Albert van Malle met deze persoon commercieel in zee is gegaan.

We nemen afscheid van Philip en Adelbert, die bij ons erop aandringen om vooral voorzichtig te zijn, met name in verband met het malaria-gevaar in de Okavango Delta. Het zal de laatste keer blijken te zijn dat we Philip tijdens de reis zien.

Met een hobbelende truck gaan we op weg naar de vertrekplaats van de Mekoro’s, het dorpje Saronga. Na een half uur rijden passeren we de grens van Botswana. We moeten ons ‘uitchecken’ uit Namibië en vijftig meter verder ‘inchecken’ in Botswana. De bedoeling is dat we na de drie dagen Mekoro in Botswana blijven en daarna doorrijden naar Maun, voor de volgende attractie. Om die reden moeten we zeven verblijfsdagen in Botswana opgeven. Het passeren van de grens verloopt voorspoedig. Later begrijpen we dat we voorlopig de laatste zijn die de grenspost voorspoedig kunnen passeren. Twee uur na onze doortocht wordt immers de grenspost afgesloten in verband met de gevechten in het Noorden van Namibië. De Botswaanse regering is bang dat allerlei ongure elementen op de vlucht voor het Namibische leger de Botswaanse grens zullen oversteken.

Dat levert een klein probleem op voor Randy, Albert, Philip en Grotius. Want zij zouden drie dagen later de grens passeren om ons op 3 kilometer van de grens weer op te pikken. Een en ander betekent dat Randy c.s. circa 1200 kilometer moeten omrijden om ons bij het vliegveld van Maun weer ‘over te nemen’. Randy maakt van de gelegenheid gebruik om Philip en Grotius in Windhoek te dumpen. We zullen Philip niet meer zien en ook geen afscheid kunnen nemen in Windhoek.

Twee kilometer na de grens moeten we met een pont de Okavango rivier over. Het is inmiddels half twaalf. We waren van tevoren uiteraard niet geïnformeerd hoe lang de rit zou duren. Daar komen we nu achter. Vanaf de rivier is het nog ongeveer twee-en-een-half uur reizen met de truck. We arriveren rond half drie in het plaatsje waar we vertrekken. Randy heeft ons van te voren verteld dat we zelf moeten zorgen voor de maaltijden. Hij heeft ons allerlei spullen meegegeven. We blijken ongeveer het gehele kampement in onze bagage te hebben. We hebben zoveel spullen mee dat de twee extra Mekoro’s onvoldoende ruimte bieden. We zijn genoodzaakt om er nog een extra bij te huren. Albert schiet het bedrag voor.

De Mekoro is een lange platte boot, waar twee mensen in kunnen zitten. De bestuurder die de boot met een lange stok voortstuwt staat achter in de boot. Tussen de passagiers is nog ruimte voor een beetje bagage. We leggen er een slaapzak, wat wel prettig is omdat je dan niet zo hard zit op de bodem van de boot.

De Mekorotocht wordt echt één van de hoogtepunten van de reis. De sfeer is een stuk beter nu we onder onszelf zijn. Tussen Joris en Yolanda is weliswaar geen sprake meer van enige communicatie, maar met de rest lijkt het toch wel goed te gaan. Met de Mekoro’s varen we door het gevarieerde Okavango Delta gebied. Dat variant van lage beplanting en grassen, waar koeien en ezels grazen, tot hoge papyrus. De diepte van het water varieert van twee decimeter tot anderhalve meter. In de Delta zit ten veel vogels, sommige prachtig gekleurd. Aan de oevers kun je - als je geluk hebt - olifanten zien drinken. En als het een beetje meezit zullen we ook nijlpaarden kunnen spotten. Nijlpaarden in de Okavango zijn een stuk schuwer dan nijlpaarden die je in een wildpark aantreft.

De tocht duur ongeveer twee-en-een-half uur. We komen bij een eiland, waar we ons camp zullen opslaan. Onderweg, vlak bij het eilandje zijn we ook nogal wat waterbokken tegengekomen. Een grote kudde waterbokken zal zich de gehele nacht rond ons camp op houden.

In alle rust kunnen we onze tenten opzetten. De gidsen maken een toilet (gat in de grond, wat takken eromheen voor de privacy) en steken een kampvuur aan. Yolanda neemt de leiding bij de culinaire activiteiten. In de informatie die we meekregen stond d at de gidsen zelf voor hun eten zorgen, maar dat ze het altijd wel op prijs stellen als er iets overblijft van de gasten. Af en toe voegt zich een gids bij ons om wat te kletsen. Wanneer ons eten klaar is horen we ‘aan de andere kant’ geluiden die afkomstig zijn van een muziekinstrument. Joris en ik gaan even kijken. We zien rond een primitief kampvuurtje iemand zitten die met een mondharp zachte melodische klanken voortbrengt. Dit is zo’n moment wanneer je echt in Afrika waant. Midden in de natuur, temidden van vriendelijke Botswaanse dorpelingen, met de zachte muziek op de achtergrond. Laupang, de chief van de gidsen, stelt voor een oude heer wat traditionele verhalen te laten vertellen. Hij zal ze vertalen voor ons. We nemen het aanbod graag aan, even later komen de zeven gidsen zich bij ons voegen. We horen het verhaal van de nijlpaard, de olifant en de haas. Een verhaal dat de oorsprong van de vijandigheid tussen nijlpaard en olifant moet verklaren. De haas is in de Afrikaanse mythologieën vaak een uitermate intelligent beest.

Wanneer de verhalen zijn afgelopen wordt er nog muziek gemaakt op de mondharp. Er wordt nog een spelletje georganiseerd. Eén van ons moet een horloge wegstoppen bij iemand anders. Laupang heeft zich even verwijderd en weet dus niet waar de horloge ligt. Met de mondharp worden vervolgens geluiden gemaakt om de plaats van de horloge aan te duiden. Het is een groot succes!

We vernemen dat Laupang vergeten is slaapspullen mee te nemen. De nachten zijn koud hier, we kijken of we nog wat spullen over hebben. Joris stelt hem voor om in onze tent te slapen. ‘Je vindt het toch wel goed, hè??’ De tent is groot genoeg voor drie mensen. Hij neemt het voorstel graag aan. Ik beklaag hem nu al vanwege het gesnurk van Joris. De volgende ochtend zal hij over vliegtuigen in onze tent kunnen verhalen. Voor we slapen vertel ik nog het verhaal van de schorpioen en de kikker. Een westerling die ‘The Crying Game’ heeft gezien is goed in staat om Afrikaanse verhalen te vertellen!

 

5 Augustus, vervolg Okavango, Nijlpaarden spotten, Laupang blijkt Christen, Botswaans bier

Ik slaap vrij stevig. Wanneer ik wakker word zijn Joris en Laupang al vertrokken uit de tent. Joris heeft een uur lang samen met een gids zwijgend bij het kampvuur gezeten. Dit is echt het Afrikaanse leven! Gewoon stil zijn, geen verbaal geweld, luisteren naar de geluiden van de natuur. Ik zei al dat dit uitstapje een hoogtepunt is van onze reis. Het contact met de gidsen, genieten van de natuur, en vooral geen gezeik met een op hol geslagen gids!

Ons programma voor vandaag ziet er als volgt uit: we zullen met de Mekoro’s naar een plek gaan waar we een wandeling kunnen maken. Misschien dat we wat ‘game’ kunnen spotten, maar zonder wild is een wandeling ook al heel wat. De sfeer is zo relaxed dat alle negatieve ervaringen van de afgelopen weken lijken te vervloeien.

We varen een eind de delta in, en komen bij een eiland waar we gaan wandelen. Interessante sporen, maar het gras is zo hoog dat als er al wild rondloopt, we het zeker niet zullen kunnen spotten. Laupang stelt voor om een andere plek voor de wandeling op te zoeken. We varen nog een uur door en arriveren op een eiland waar we zeker het nodige wild denken te kunnen zien. Helaas, vandaag hebben de beesten er even geen zin in. De wandeling is heerlijk, en de verhalen van de gidsen inspirerend, dus wat wil je nog meer! En ik schreef het al eerder: al die beesten … Ga naar het Noorder Dierenpark in Emmen, en je kunt ze ongestoord van dichtbij zien …

Bij de terugtocht naar de camp merken we dat je papyrus kunt eten. De stam van de Papyrusplant is een en al suiker. Je kunt er heerlijk op kauwen. Het moet wel een beetje vers zijn, wanneer de ontvelde stam te lang aan de buitenlucht wordt blootgesteld wordt hij taai.

We spotten inderdaad nog een kudde nijlpaarden. Wat een sensatie, midden in de Okavango een in het wild levende groep nijlpaarden! Je hart staat bijna stil van de spanning. Het water in de Okavango Delta is zo zuiver en schoon dat je het gewoon kunt drinken. Maar ook zwemmen is een groot genot, hoewel ik bijna vergeet dat het op dit moment winter is in Namibië/Botswana. Twintig graden kan net, maar is niet een super ideale zwemtemperatuur.

Teruggekeerd bij het eiland-camp pakken we relaxed al onze spullen weer in. Ook de terugreis is een visueel genot. Je ligt in de boot en raakt haast in extase van de schoonheid van de natuur om je heen. Onderweg luisteren we naar de communicatie tussen de gidsen. Na iedere zin klinkt er een luid ‘Hey’, wat zo veel betekent als ‘Ja, toch?!!!’

Joris en ik hebben met Laupang afgesproken dat we bij terugkomst een biertje gaan drinken in het plaatselijk café van Saronga. We verheugen ons al op het contact met de locals.

In Saronga aangekomen blijkt de communicatie met Laupang en de andere gidsen plots nogal lauw te zijn geworden. Zij willen het liefst meteen naar huis, en alle leuke toezeggingen over ‘samen naar de bar’, ‘dansen’ en ‘logeren’ lijken vergeten. De eerst  zorg voor ons is een camp opstellen in het mulle, grijs-zwarte zand aan de oever van de Okavango. Laupang staat er een beetje ongeduldig bij te kijken, en we vrezen al dat de tijdelijke liefde, c.q. sympathie wel van heel tijdelijke aard is geweest. Uit eindelijk heeft Laupang toch nog het geduld om even te wachten tot we onze tent hebben opgezet. Gedrieën lopen we vervolgens naar het dorpje. Laupang laat ons nog zijn behuizing zien. Inderdaad zeer indrukwekkend als je het vergelijkt met de rieten hutten eromheen. Laupang heeft namelijk een stenen behuizing, weliswaar zonder enige voorziening, en in Nederlandse termen lijkend op een casco-behuizing, maar toch …

We lopen nog tien minuten verder en komen aan bij de enige horecagelegenheid in Saronga. Een etablissement dat met enige goodwill de benaming ‘café’ verdient. De dame van de zaak spreekt perfect Engels volgens Laupang. Inderdaad blijkt zij de woorden ‘yes’ en ‘no’ uitermate professioneel te beheersen. Voor het overige is nog enige oefening op zijn plaats. Laupang is streng gelovig en mag geen alcoholica tot zich nemen. Vreemd is echter wel dat iedereen hem kent in dit alcoholisch etablissement. Een kniesoor die daar op let!!

Voor het oppeppen van de stemming in de groep schaffen we nog een tiental blikken Black Label bier aan. Het bier van Botswana is iets zwaarder dan de Namibische bocht, en is daarom wat aantrekkelijker in het gebruik. Daarna keren we weer tentwaarts. De wandeling van twintig minuten wordt aanzienlijk verkort wanneer we worden opgepikt door de plaatselijke gendarmerie, die ons vlak bij het camp afzet. We nemen afscheid van Laupang en verrassen onze reisgenoten met een blikje godenvocht. Er hangt een vreemd sfeertje in ons camp. Misschien dat onze afwezigheid niet zo wordt gewaardeerd? Er wordt in ieder geval niets over gezegd. Na de maaltijd vervoegen Joris en ik ons snel naar onze tent.

De stemming van Joris grenst nog steeds aan het depressieve niveau. Wanneer ik vannacht even wakker wordt rond 2 uur, merk ik dat Joris de slaap nog niet heeft kunnen vatten. We praten even met elkaar om wat spanning te kunnen ontladen, om het zo maar eens te zeggen.

Ik merk hoe verschillend Joris en ik zijn. Hij kan zich moeilijk afsluiten voor alle negatieve dingen die gebeuren. Het heeft blijkbaar met mijn jeugd te maken dat ik wel vrij gemakkelijk ‘de deur kan sluiten’ voor alle sores die tijdens deze reis gebeurt. Ik weet eigenlijk niet wat het beste is: je afsluiten, of gewoon de negativiteit toelaten en er iets mee doen. Een korte babbel doet de lucht weer wat opklaren. We kunnen dus nog wat uurtjes verder slapen.

 

 6 Augustus, Hoe nu verder?, hobbeltocht naar Maun, fuck in het Audi-camp

Gisteravond is de truck weer gearriveerd die ons naar de ontmoetingsplaats met Randy c.s. had moeten brengen. Maar Randy is door de grensperikelen niet in staat ons op de afgesproken plek op te pikken. Onze toekomst is dus enigszins onzeker, om het zo maar even uit te drukken. Voor zes van ons is het probleem het nijpends: zij hebben namelijk fl. 1800,-- meerprijs betaald voor een driedaags verblijf in een super-luxe lodge in het Moremipark. In Maun zullen ze met een Cesnavliegtuigje de delta invliegen om bij de lodge te komen. Voor drie van ons - het toeval wil dat dat Joris, Yolanda en ikzelf betreft - is het probleem minder nijpend. We zouden immers met Randy met één van de auto's Moremi binnentrekken, om vervolgens in het Khwai Camp aan de Northgate van het park te gaan kamperen. Hoewel het perspectief van drie dagen afgezonderd met Randy en Yolanda Joris en mij op dit moment ook niet erg aantrekkelijk voorkomt, is het toch in eerste instantie zaak om tijdig in Maun te arriveren.

De chauffeur van de truck is van plan ons in het plaatsje Shakawe af te zetten, vlak achter de plek waar de pont de Okavango oversteekt. Hij zal proberen daar iets voor ons te arrangeren om de rit naar Maun te maken. We hebben het overigens hier over e en afstand van 400 kilometer. Geen lichte kost dus.

De truck is niet van het zeer comfortabele soort. Hij is met name geschikt voor korte afstanden over ruw terrein. De maximale snelheid is 80 km. De zitplaatsen zijn eveneens allerminst comfortabel: Randy heeft zoveel spullen meegegeven dat we half zittend/liggend tussen onze bagage plaats moeten nemen.

's Ochtends is het vrij fris. Het is dus koud boven op de truck, we zijn ingepakt als noordpoolreizigers. Onderweg zijn we nog getuige van een grote kudde olifanten die de weg oversteekt. Het is prachtig te zien hoe de oudere olifanten die kleintjes beschermen met hun slurf. Eén olifant blijkt de leider en houdt vanaf de kant van de weg de omgeving nauwlettend in de gaten om onregelmatigheden meteen agressief aan te kunnen pakken. We zijn gelukkig zo ver verwijderd van de kudde dat we niet als een onregelmatigheid worden ervaren.

De reis naar het pont verloopt voorspoedig. Rond elf uur komen we aan in het plaatsje Shakawe. De chauffeur van de truck probeert met zijn mobiele telefoon iets te regelen voor ons, maar dat verloopt niet van een leien dakje. Uiteindelijk krijgt hij van zijn baas permissie om ons zelf naar Maun te vervoeren. Dat betekent een rit van minstens vijf uur. Weliswaar op verharde wegen, maar dan nog! Vijf uur lang worden we heen en weer geschud. Ik zit vlak achter de luchtverversingsinstallatie. Een afschuwelijk lawaai en een hitte die me regelmatig de benen dreigt te verschroeien. Ieder obstakel onderweg kan fataal blijken te zijn in de zin dat we te laat in Maun arriveren. Het wordt een tocht voorzien van vele fysieke ongemakken.

Op een gegeven moment valt een hek van de auto open, waartegen ik enige minuten daarvoor nog aangeleund zat. Joris vertelt me achteraf dat men mij verschillende keren zag wegdoezelen. Een geluk dat ik niet van de auto ben geflikkerd.

Zonder al te veel tegenslagen, en dit keer eindelijk eens geen lekke band, arriveren we rond half vijf bij het vliegveld van Maun. Het laatste vliegtuig van die dag vertrekt tien minuten later, hard rennend kunnen de zes nog net op tijd het vliegtuig halen.

Bij het vliegveld zien we enkel Adelbert met de combi en Randy met het bakkie staan. We vernemen dat Philip en Grotius in Windhoek zijn achtergebleven, onder het motto: met twee auto's lukt het restant van de reis ook wel. Ik vraag nog aan Adelbert of we Philip en Grotius nog zullen zien op het vliegveld, voor we terugkeren naar Nederland. Dat blijkt niet het geval te zijn. Op mijn vraag hoe het afscheid van Philip is verlopen zegt Adelbert niet veel, behalve dat dat zonder al te veel ruzies is gegaan.

Yolanda is in ieder geval weer zeer verheugd dat ze Randy weer ziet. En Joris en ik zijn zeer verheugd dat we Adelbert weer zien. We spoeden ons naar de camping. We zullen morgenochtend vroeg vertrekken naar Moremi. Adelbert zal achterblijven op de camping.

Het Audi Camp is van het kaliber dat we ook al in Ngepi hebben meegemaakt: zeer luidruchtig met veel jonge toeristen, bussen en luide (rock-)muziek. We kunnen onze tent opzetten in mul grijs/zwart zand. Het voordeel is echter dat we de tent niet hoeven af te breken morgenochtend. Adelbert zal opruimen en de tent twee dagen gebruiken.

Nadat we ons hebben opgefrist spoeden we ons naar de bar, waar een koel pilsje op ons wacht. Randy heeft voor ons vijf warme maaltijden gereserveerd. Totdat die worden opgediend kunnen we nog wat keuvelen. In de camp ontmoeten we allerlei wereldreizigers, waaronder een jongen uit Australië die al anderhalf jaar onderweg is en in de tussentijd China, Amerika, Canada, Japan, Indonesië heeft aangedaan. Hij is nu al drie maanden in Zuidelijk Afrika aan het reizen. We spreken ook twee Nederlandse jonge vrouwen, die een auto hebben gehuurd in Zimbabwe, en een tocht maken door Botswana, Namibië, om na anderhalve maand weer terug te keren naar Zimbabwe. De verhalen die ze vertellen klinken zo aantrekkelijk dat ik me voorneem om - als ik nog een keer terug kom in deze contreien - het op de manier te doen zoals zij reizen.

We krijgen rond half negen een tafeltje waar een eenvoudige doch voedzame maaltijd wordt opgediend. Plotseling staat iemand aan de tafel en zegt 'Ben jij dat Joris?'. Het blijkt een oude kennis van Joris te zijn, een voormalig medewerker van een theatergroep uit Leuven. Hij is geëmigreerd naar Botswana en is nu gids hier. Het gaat hem zeer goed. Hij vertelt over de grote verschillen tussen het leven in België en het leven in Afrika. Het tijdsbesef bijvoorbeeld is compleet anders. Om Randy ook mee te kunnen laten praten spreekt hij Engels. Maar het is wel een typisch Engels want in elke zin komt minstens twee tot drie keer het woord 'fuck' voor. 'It is fucking nice that I fucking see you here in this fucking country', …'you need a fucking good car to make a fucking nice trip, but the fucking people are quite friendly'. 'Have a fucking good evening'… Deze stoere taal blijkt goed aan te komen bij Randy, er ontwikkelt zich een gezellig gesprek tussen de twee.

De alcohol vloeit stevig, Randy toont zich van een zeer gulle kant, want rondje na rondje passeert onze tafel. Op een gegeven moment is er voor mij en Joris voldoende gevloeid om bedwaarts te gaan. Adelbert slaapt al in zijn slaapzak op de grond.

Randy en Yolanda slapen samen op het dak van het bakkie. Dat zal ook de komende dagen in Moremi hun vaste slaapplek worden.

 

7 Augustus, tocht naar Moremi, problemen om binnen te komen, Randy ontdoet zich van zijn macho Camel shirt

Het was de bedoeling om vroeg te vertrekken. Zeven uur wakker, acht uur vertrekken. Maar Randy en Yolanda geven nog geen sjoege. Wanneer hij rond acht uur wakker wordt vertelt hij dat hij 8 uur Namibische tijd bedoelde (er is één uur tijdverschil tussen Namibië en Botswana). De logica dat je in Botswana met de Namibische tijd leeft, kan ik alleen verklaren uit ofwel chauvinistische trekken, ofwel dat je horloge niet bijgesteld kan worden.

Hoe het ook zij, rond half tien, nadat we een smakelijk English breakfast hebben genuttigd, wordt alles opgeladen op het bakkie om de reis naar Moremi te beginnen. We moeten eerst nog wat boodschappen doen in Maun, en Randy moet de toegang tot Moremi nog financieel afwikkelen bij de office van het park in Maun. De boodschappen en de entree nemen ongeveer twee uur in beslag, zodat we pas tegen twaalven kunnen vertrekken in de richting van het wildpark.

De tocht naar Moremi vergt toch nog twee-en-een-half uur. Dat hoeft niet te verbazen wanneer we weten dat met het vliegtuig naar het park ongeveer een half uur vliegtijd kost. De weg naar Moremi (South Gate) is vrij saai. Het laatste stuk is echt alleen geschikt voor 4x4, zoals ook Moremi zelf niet met een gewone auto te berijden is. De reis verloopt voorspoedig. De deplorabele toestand van mijn knieën zorgt er zelfs voor dat ik voorin mag zitten. Maar met het gerook van Randy en Yolanda is dat geen onverdeeld genoegen.

Ik heb in Maun nog een jagersmes aangeschaft. Misschien heb ik het nodig in Moremi (met al die wilde dieren rond de tent), anders is het een leuk souvenir. Randy vraagt of hij het even mag zien. Hij is niet onder de indruk. Volgens hem zal het lemmet het bij het eerste gebruik meteen begeven. We zullen zien.

Voor de poort van de South Gate stapt Randy uit om de formalia af te wikkelen. Het neemt nogal wat tijd in beslag. We zien hem druk gesticuleren in de richting van een tweetal zwarte 'officers', en zelfs op twintig meter afstand is nog te horen dat er blijkbaar een meningsverschil is. Woedend komt Randy weer terug en vertelt dat de officiële papieren (waaronder het permit dat hij vanochtend in Maun heeft gekocht) niet kloppen. De ambtenaren hebben hem gezegd dat hij terug naar Maun moet. Wat er fout is wordt niet gezegd. Maar het kantoor aldaar sluit al om 12.00 uur, en 's zondags zijn ze helemaal dicht. Ons verblijf in het park dreigt compleet de mist in te gaan. Het verbaasde me al dat de dag tot op dit moment zo positief verliep. Ik vraag Randy of hij me het papier even wil laten zien. Al snel zie ik wat er fout is. De reservering staat niet op augustus, maar op september. Dat moet een fout zijn van het kantoor van Randy, er zijn gewoon de verkeerde data gereserveerd. Dat stelt ook de 'fout van anderen'  waar ik het in het begin over had in een ander licht.

Wat nu gedaan? Randy besluit om een dagpermit te halen en te proberen in het park een oplossing te vinden. We zullen doorrijden naar de rest in de luxe lodge en de baas van de lodge vragen om ons te helpen. De stemming in de auto is opnieuw niet al te best. De weg naar Xakanaxa-lodge (uitspreken: Kakanaka) is circa 40 kilometer, maar de toestand van de wegen is zo bar slecht dat we er ongeveer anderhalf uur over doen.

Bij aankomst in Xakanaxa treffen we de anderen in een toestand van diepe siesta aan. Het verblijf is inderdaad zeer luxe, afgestemd op Duitse en Amerikaanse bigspenders. Van de drie dagen blijft voor de lodge overigens slechts twee-en-een-halve over omdat ze de eerste dag vrij laat zijn gearriveerd. Het is dus inderdaad een duur grapje. En of het een groot genoegen is om tussen een aantal rijke stinkers te vertoeven?? Smaken verschillen natuurlijk. Men zegt in ieder geval dat het heerlijk is, en natuurlijk is er veel medelijden met ons.

Yolanda wordt inmiddels ook al helemaal depressief, nu het ernaar uitziet dat niets te regelen valt. Randy komt immers onverrichterzake terug. Hij zegt dat hij enkel grof is bejegend bij het kantoor midden in het park. We krijgen nog een kop koffie met een stuk cake als troostprijs en vervolgens vertrekken we naar onzekere oorden.

Randy zegt dat hij wil proberen om toch nog iets te regelen. Over wat wil hij zich nog niet uitlaten. Zijn stemming is inmiddels ook op een tragische dieptepunt terecht gekomen. Hij geeft ons nog een interessant inzicht in het hoe en waarom van racistische zwarten in Botswana, die blanken dermate haten dat ze hun in alles dwars zitten. Inmiddels vertelt hij wat hij nog gaat proberen. Hij zal naar de North Gate van Moremi rijden (waar ook de camping gelegen is waar we terecht hadden moeten komen). Om de officers aldaar te overtuigen van zijn goede wil zal hij een t-shirt van mij aantrekken en zijn macho camel shirt met opdruk ‘Easthoek Desert Adventures. Randy van Wezel’ eventjes aan de wilgen hangen. Dat moet al een uitermate vernederende ervaring voor hem zijn. Hij waarschuwt ons daarom dat hij absoluut geen grapjes duldt. Hij zal proberen op de meest onderdanige manier de officer te smeken om ons een camppermit voor twee dagen te verstrekken. Dat wordt spannend dus!

Over een wiebelende/halfversleten houten brug spoeden wij ons naar de poort van de North Gate. We zijn nog net op tijd. Op afstand zien we Randy met de officer overleggen. Die neemt via de mobilofoon contact op met het hoofdkwartier, maar blijkbaar zijn de kwade geniussen die ons vanmiddag dwars zaten al naar huis. Naar een half uur heen en weer bellen, besluit de officer ons toch toe te laten. Overigens moet Randy wel nog een keer de rekening betalen, en de rekeningen van kamperen in Botswana zijn niet mals. Nauwelijks enige voorziening, vaak uitermate afgelegen, maar wel extreem duur.

Rond kwart voor zes kunnen we afladen en snel de tenten opzetten. Randy laat ons weten dat we twee tenten moeten opzetten: één voor Joris en mij en één voor alle kratten met etenswaren. Hijzelf zal met Yolanda (oh, hoe romantisch!) weer op het dak van het bakkie slapen. Dit keer wel met de motorkap omhoog. Leeuwen hebben namelijk de onaangename neiging om op de motorkap te springen. En dat is een kleine afstand van het dak van de auto.

Op mijn suggestie wordt vanavond chili con carne gefabriceerd. Hoewel je dit normaal met rundergehakt fabriceert, is de variant met biefstuk ook wel smaakvol. We hebben in Maun nog een paar flessen rode wijn van het betere soort aangeschaft, dat combineert goed met de chili. We hebben zowaar weer een gesprek met Yolanda. Mogelijk dat dit verblijf midden in de wildernis de onderlinge relaties weer wat kan verbeteren.

Randy is een stevige drinker, dat hebben we gedurende de reis wel vaker gemerkt. Met name de whisky gaat er bij hem in als limonade. Vanavond laat hij zien dat hij ook van bier en wijn niet vies is. Misschien dat Randy deze dagen ook een beetje als vakantie beschouwt.

Rond acht uur spoed ik me nog een keer naar het toilet, een stenen gebouwtje, met een ontzettend gore WC en wasbak (we zijn in Botswana, niet waar). Ik had mijn zaklamp, de breedstralerversie, meegenomen. Als ik naar buiten kom en om me heen straal zie ik ongeveer tien paar onheilspellende ogen in mijn richting staren. Ze blijken toe te behoren aan een horde hyena’s die ons camp met een bezoek komen vereren. Gelukkig heb ik het  jachtmes bij de hand, dat geeft een beetje een gevoel van zekerheid, hoewel ik zeker weet dat ik het binnen luttele seconden zal afleggen tegen de hyena’s. Ik besluit net te doen alsof er niets aan de hand is en rustig terug te lopen naar de tenten. De laatste meters leg ik voor alle zekerheid toch maar met een flinke spurt af. Behalve hyena’s hebben we ook het genoegen nog andere gasten te vermogen verwachten, vanuit de waterkant mogelijk nijlpaarden en krokodillen, vanuit de lucht en de omringende bomen op eten beluste bavianen, en verder nog olifanten en leeuwen, die soms aan de tenten komen snuffelen of er iets te halen valt.

We hebben van Philip en Randy begrepen dat mensen niet tot de categorie ‘natuurlijke prooi’ van leeuwen worden gerekend. En als je dan ook nog het genoegen hebt om in een tent te slapen, schijn je al helemaal veilig te zijn. Want tenten behoren ook niet tot de natuurlijke prooi van leeuwen.

Rond elf uur spoeden we ons bedwaarts. We horen wel enige brom en andere geluiden die op de aankomst van gevaarlijk wild duiden, maar de geluiden komen rechtstreeks van het dak van het bakkie, dus dat zal wel goed zitten.

’s Ochtends vernemen we dat Randy en Yolanda een wildlife-show hebben gehad van een hyena die zich tussen de tenten heeft begeven. Hij liep een paar keer rond onze tent, maar blijkbaar was de inhoud van de tent onvoldoende aantrekkelijk om zich op het tentzeil te storten. Wat de hyena wil heeft meegenomen en wat hem uitermate goed gesmaakt schijnt te hebben is een plexiglas beker, waar we in de regel onze wijn uit drinken.

 

8 Augustus, nieuwe chauffeur, alcohol om 10,11,13,15,17 uur, wandeling naar Khwai dorpje

Het programma van vandaag is uitermate uitgebreid door Randy toegelicht: ‘In the morning gamedrive, siesta from 1 to 3 PM, in the afternoon gamedrive’. Randy heeft ons beloofd dat we veel wild zullen spotten. We zijn zeer benieuwd.

Bij het ontbijt hebben we enige ongeregeldheden in de vorm van een horde schattige aapjes die het op onze etensspullen voorzien blijken te hebben. Terwijl er één op het dak van de auto poseert en ik nog tegen Joris zeg ‘Kijk daar, wat schattig’, berooft een ander ons van een compleet brood. Dit laat ik natuurlijk niet op me zitten. Met het jachtmes in de hand vlieg ik er achteraan. En inderdaad schrikt de aap daar zo van dat hij het brood, waarvan inmiddels de helft is weggevreten, uit zijn handen, c.q. zijn poten laat vallen. Even later blijkt dat ik dit nu net niet had moeten doen, want de apen hebben van mijn afwezigheid gebruik gemaakt om de tent en het bakkie binnen te stormen op zoek naar eetbare spullen. In de tent laten ze een forse ravage achter. In de auto hebben ze net onvoldoende tijd gehad om daar veel kattenkwaad uit te halen. In ieder geval zijn vijf kratten opengebroken en alles zit compleet onder het zand.

Op de camp staat een drietal prullenbakken van een zware gietijzeren constructie, met een bijzonder ingewikkeld mechaniek om het afval erin te deponeren. De bavianen gaan daar met zoveel kracht tegenaan dat twee van de drie bakken het begeven.

Rond half tien Botswaanse tijd vertrekken we richting gamedrive. Randy suggereert Joris en mij om op het dak plaats te nemen. Hij heeft er blijkbaar veel zin in, want een kwartier later begint hij aan zijn eerste halve liter bier van deze dag. Tot de ontsteltenis van Joris en mij neemt vervolgens niet Randy, maar Yolanda achter het stuur plaats. Een domme en onverantwoorde actie, die opnieuw zonder enig overleg wordt uitgevoerd. Na ongeveer twintig meter rijden bonken we al over een onregelmatigheid op de weg en flikkeren bijna van het dak af. Na een luide scheldpartij van mij en Joris rijdt Yolanda wat voorzichtiger, maar echt veilig voelen we ons er niet bij.

Regelmatig heb ik tijdens deze reis het gevoel van ‘ben ik nu gek, of …’. Ik kan me haast niet voorstellen dat Yolanda en Randy zich niet realiseren hoeveel risico’s het met zich meebrengt wanneer iemand anders achter het stuur van een auto kruipt. Op de eerste plaats hebben we vernomen dat je een speciale vergunning moet hebben om in Namibië en Botswana te mogen rijden. Dan is er vervolgens het probleem dat de auto en inzittenden niet verzekerd zijn wanneer een onbevoegd iemand achter het stuur plaatsneemt. En tenslotte vraag ik me af hoe Yolanda hier zelf over denkt. Wanneer zij een ongeluk zou veroorzaken zou ze zelf daar compleet op aanspreekbaar zijn, niet alleen financieel, maar ook moreel. Maar met de moraal is het een beetje tragisch gesteld tijdens deze reis, daar heb ik al vaker op gewezen. Blijkbaar vallen al deze zaken in het niet bij de sensatie om hier in een wildpark te kunnen rijden.

Randy is inmiddels aan zijn tweede halve liter begonnen. Plots spotten we een leeuw en leeuwin. Hoewel het vroege alcoholgebruik me enigszins twijfelachtig stemt over de rijvaardigheid van Randy, ben ik toch gelukkig dat ze van plaats wisselen. Het resterende deel van de rit zal Randy rijden.

Wild is er hier in grote overdaad. En aan een wildpark eigen is ongetwijfeld dat de dieren veel minder schuw zijn dan bijv. de olifanten en giraffes die we in Damaraland en Kaokoland hebben gezien. Dat is tegelijkertijd overigens een nadeel, want het komt wat meer kunstmatig over, als bijv. een giraffe op twee meter afstand van de auto blijft staan om zich uitvoerig te laten fotograferen.

We zien vandaag leeuwen, olifanten, giraffen, veel antilopes, maar ook nogal wat krokodillen en nijlpaarden. Ook op vogelgebied heeft Moremi veel te bieden. Het is wel een beetje zo dat wanneer je zo’n twintig nijlpaarden hebt gezien, en er komt weer kudde eraan, zich een soort spotmoeheid voordoet. Daarbij komt dat het dak van het bakkie niet super-comfortabel is. Wanneer Joris en ik na drie uur rijden weer drie leeuwen spotten, houden we dus maar onze mond. Dat is in ieder geval prettiger voor de rust van de leeuwen, en misschien ook wel prettiger voor onszelf.

Bij de lunch begint Randy aan zijn derde halve liter bier. Joris en ik besluiten dat we een wandeling naar het Khwai dorpje prefereren boven een tweede gamedrive in de middag. Later vernemen we dat Yolanda tijdens de middagrit de meeste tijd achter het stuur heeft gezeten, en dat er bijna een botsing was met een olifant. Dat moet toch een enorme kick hebben gegeven!!!

De wandeling naar het dorpje vergt ongeveer 8 minuten. (Vijf honderd meter van de camping.) We spoeden ons naar het colddrinks etablissement van Khwai. De dame in de winkel (een zaakje van anderhalf bij anderhalve meter) is overduidelijk zeer in haar nopjes met de klandizie die maar liefst twee blikjes Coca Cola bestelt. De colddrinks moeten overigens wel van een andere locatie vandaag worden gehaald. Voor de winkel staat een bankje waar Joris en ik gaan zitten. We zitten op de punt waar we allerlei jeeps en trucks met toeristen langs zien komen, die op weg gaan naar Moremi. Het spotten van toeristen bevalt ons nog beter dan het spotten van wild. We blijven er dus anderhalf uur zitten. Af en toe komt een (enigszins beschonken) local in onze richting om een praatje te maken. Blijkbaar worden we niet echt als gevaarlijk aangemerkt door de plaatselijke bevolking, de kinderen spelen gewoon door, en het dagelijkse leven (of wat daarvoor moet doorgaan) neemt zijn gang.

Rond half zes lopen we terug naar de poort. De twee officers maken een grapje door ons te vertellen dat we net vijf minuten te laat zijn om nog binnengelaten te worden. Ze zijn denk ik nogal verbaasd over twee westerlingen die liever het dorpsleven bewonderen, dan met kilo’s fototoestellen zich op het wild te storten.

Na tien minuten komen ook Randy en Yolanda weer terug. Randy is inmiddels toe aan zijn vierde halve liter, snel gevolgd door een forse hoeveelheid whisky. De laatste gebruikt hij tevens om allerlei tabletten weg te spoelen.

De gamedrives van vanochtend en vanmiddag hebben de sfeer er niet op verbeterd. Er is weer hetzelfde (soms pijnlijke) stilzwijgen. Na de maaltijd ’s avonds heb ik nog een gesprek met Randy over de ideale vorm van toerisme, zodat de oorspronkelijke culturen van Himba’s en Bushmen zo veel mogelijk intact kunnen blijven. Randy heeft het idee dat je het toerisme sterk moet reguleren, en slechts een beperkt aantal touroperators toestemming moet verlenen om het Himba-gebied te bezoeken. Hij vindt het van belang dat er een echte communicatie op gang komt tussen de ‘buitenwereld’ en de Himba’s. Himba’s zijn in principe zeer geïnteresseerd in wat zich buiten hun samenleving aan ontwikkelingen voltrekt. Maar tegelijkertijd moet hen duidelijk worden gemaakt dat hun traditionele samenlevingsvormen dermate veel meerwaarde hebben boven alle verlokkingen van de ‘westerse welvaartsstaat’, dat de Himba’s zelf hun eigen cultuur zullen koesteren. Ikzelf vraag me af hoe je toeristen moet selecteren die aan deze hoge maatstaven kunnen beantwoorden. Het lijkt mij echt een irreële utopie. En zolang zich een en ander afspeelt binnen het commerciële wereldje van de touroperators, zijn de perspectieven voor de genoemde wederzijdse bevruchting ook niet echt gunstig.

We worden het niet eens. Later zal Randy zeggen dat dat met name te maken heeft met het feit dat we niet goed luisteren naar hem, of beter gezegd dat wij ‘wetenschappers’ menen het altijd beter te weten.

Met gemengde gevoelens gaan we bedwaarts. Randy heeft verteld dat we niet alleen naar het toilet mogen gedurende de nacht, met het oog op het wild dat door het kamp zwerft. Rond vijf uur ’s ochtends is Joris genoodzaakt om van Randy’s diensten gebruik te maken, maar hoe hard hij ook roept naar Randy, die op vijf meter afstand van de tent op de auto slaapt, er verschijnt geen Randy. Dan maar om het hoekje van de tent…

Gedurende de nacht worden we verschillende keren opgeschrikt door luid gebrul en ander gekrakeel. Aan de rand van de camp blijken verschillende leeuwen te hebben rondgedwaald. Een kudde olifanten heeft zich tot de westkant van de camping gewaagd en de bavianen zijn weer bezig geweest met onder luid geschreeuw de prullenbakken te molesteren. Voor een nachtje Moremi heb je echt een dubbele dosis Oropax nodig!!!

 

9 Augustus, terugreis Maun, Randy stort in, bushmancamp met Nederlandse manager

We begrijpen van Yolanda dat Randy zich vandaag niet al te best voelt. Of dat een verklaring voor of een gevolg van de overvloed aan alcoholica gisteren is geweest, wordt niet duidelijk. Tijdens de terugreis mag ik voor in de auto plaatsnemen. De terugtocht wordt stilzwijgend afgelegd. Het was de bedoeling om voor elf uur in Maun te zijn, want dan worden de anderen terugverwacht. Maar als wij niet op tijd zijn, zal in ieder geval Adelbert tijdig bij het vliegveld arriveren, om hen op te vangen. Onze rit neemt ongeveer twee-en-een-half uur in beslag.

Bij aankomst bij het vliegveld van Maun treffen we wel onze reisgenoten aan, maar niet Adelbert. We kunnen nog even rondneuzen bij een curiosazaakje. Het winkeltje is erg toeristisch, en wat er staat lijkt rechtstreeks uit fabrieken in Taiwan te zijn aangevoerd. Rond kwart voor twaalf komt Adelbert ook opdagen. We gaan eerst met z’n allen naar de Audi camping om de spullen op te laden. Johannes was in Xakanaxa al teruggekeerd in de groep, we zijn dus weer met z’n negenen, plus Randy en Adelbert komen we uit op elf personen in twee auto’s. Dat is krap aan. En zeker niet de beloofde ‘ruime zitplaatsen’ met voor iedereen een raamplaats.

De bedoeling is om vandaag ongeveer 250 kilometer te rijden, waarvan 150 op grintwegen. De prognose is dat dat ongeveer 4 uur zal kosten. Voordat we vertrekken worden nog wat inkopen gedaan en wordt bij een Kentucky Fried Chicken een kipburger ingekocht bij wijze van lunch. In een benzine station zie ik een dolk van het Rambosoort liggen. Randy zegt dat deze dolk aanmerkelijk beter van kwaliteit is dan het mes dat ik zelf eergisteren heb gekocht. Vijfentwintig gulden is een prikkie voor zo’n stevig moordwapen, dus ik besluit er maar één aan te schaffen. Randy drukt me wat Botswaanse dollars in de handen om voor hem ook een exemplaar te kopen. Ik moet oppassen om zelf niet in een soort paranoia te vervallen. De twee dagen in Moremi hebben mijn ongerustheid over een behouden thuiskomst versterkt. Op het moment van de aankoop van de dolk gaat nog even door mijn hoofd wat Randy met zo’n mes moet.

We zitten met z’n zevenen in de auto van Adelbert. Het grootste deel van de route rijden wij voorop. We houden af en toe even halt om te kijken of het bakkie nog steeds achter ons rijdt. Op een gegeven moment zien we het bakkie aankomen en ons passeren, met Albert van Malle achter het stuur. Dat is even schrikken. Later blijkt dat Randy helemaal in elkaar is gestort. Hij heeft hoge koorts, hoofdpijn, misselijkheid en ga zo maar door. Echt de symptomen van een malaria-aanval. We begrijpen dat hij ééns in de zoveel jaar een dergelijke aanval heeft, en dat het niet echt iets is om ons zorgen over te maken. Het gaat vanzelf over. Een dag rustig aan, en hij zal zich weer kiplekker voelen.

De plaats waar we uiteindelijk uitkomen heet D’kar, en is, zoals we later zullen horen niet een zelfstandig dorp of stad met een eigen overheid en diensten, maar meer een uit de kluiten gewassen Bushman-project, dat wordt beheerd door de zogenaamde Kuru-foundation. Wanneer we in D’kar aankomen is de zon al bijna onder. We hadden begrepen dat de camping buiten het dorp ligt, maar de bewegwijzering is niet ideaal. Bij het kantoor van de camping treffen we een Nederlands sprekende dame aan die ons vertelt dat we nog acht kilometer de grintweg moeten volgen, om vervolgens links af te slaan en nog een eindje een zandweg te volgen. De zandweg is van het deplorabele soort. Adelbert maakt een grapje dat de zandweg waarschijnlijk 20 kilometer lang is. Over dit soort zaken moet je geen grapjes maken, want het blijkt nog waar te zijn ook. De rit kost ons dan ook ongeveer een uur.

Op het moment dat we het eigenlijk al hadden opgegeven om de camp te vinden zien we weer een bord met een richtingaanwijzer ‘camping’. Deze camping ligt dermate afgelegen en is zo moeilijk te bereiken dat je je afvraagt of hier überhaupt ooit iemand komt.

Maar bij de camping is een hutje waar de camp-beheerder met zijn vrouw en kinderen wonen. Ons wordt verteld dat we een begeleide wandeling kunnen laten arrangeren. Morgenavond zal een andere groep arriveren waarvoor nog een dansvoorstelling is georganiseerd. Daar hebben we geluk mee: we kunnen dan gratis meegenieten.

Eerst is het echter zaak de camp op te zetten. Het kan hier ’s nachts nogal koud worden, we besluiten dus alle tenten op te zetten. Dat gaat vrij snel. Adelbert heeft de leiding over het eten. Het is de eerste keer dat hij kookt, we zijn dus benieuwd. Josefien van Malle maakt de salade en een aantal anderen assisteert bij het bereiden van de maaltijd.

Rond half negen kunnen we eten. Het is nu al zo koud dat een t-shirt, hemd en trui volstrekt onvoldoende zijn om onszelf warm te houden. Dus mijn jas ook maar aan. De meeste reisgenoten hebben een fleece-trui of -jas. Maar mijn ‘Indianensweater’ die ik ooit i n Canada heb gekocht is ook vrij effectief.

De ziekte van Randy draagt niet bij aan verbetering van de onderlinge sfeer. Het kan natuurlijk ook zo zijn dat alle gebeurtenissen tot een zekere uitputtingstoestand hebben geleid. Hoe het ook zij, we gaan weer vroeg naar bed.

’s Nachts nog een hele tijd met Joris gepraat. Het is moeilijk om nog wat positiviteit te krijgen in zijn stemming. Rond drie uur ’s nachts kunnen we de slaap nog voor korte tijd vatten.

 

10 Augustus, Randy nog steeds ernstig ziek, wandeling met bushmen, aankoop bushman-sieraden

Gisteren hebben we met de campingbeheerder afgesproken dat we een wandeling zullen maken in de omgeving onder leiding van een aantal bushman-gidsen. Gelet op de vrij hoge temperaturen overdag (rond de 40 C) is het zaak om zo vroeg mogelijk te vertrekken. We splitsen ons in twee groepen. Elk wordt vergezeld door twee gidsen.

Tijdens de wandeling wordt regelmatig stilgestaan bij planten en bomen. De gidsen vertellen over welke bomen en planten worden gebruikt voor genezing van ziekten, welke planten worden gegeten, welke bladeren worden gebruikt om te roken en welke plant dient om het gif te produceren dat op de pijlpunten wordt aangebracht. Ze beklemtonen dat hun beschrijvingen betrekking hebben op ruime tijd geleden. Inmiddels is de modernisering ook bij de bushmen toegeslagen. Ze zijn feitelijk in dienst van de farm en worden betaald voor de diverse werkzaamheden die ze verrichten. Zo houden de mannen zich bezig met rondleidingen, maar ook met het bewaken van de uitgestrekte gebieden die deel uitmaken van de farm. Er zijn nogal wat stropers actief die het gemunt hebben op de dieren in de farm.

De vrouwen zijn o.a. actief bij het produceren van sieraden die in de winkel worden verkocht. Daarnaast treden mannen en vrouwen op tijdens (op verzoek van gasten gearrangeerde) traditionele dansvoorstellingen. Jagen was/is voorbehouden aan mannen, het verzamelen van kruiden/planten is bijna uitsluitend een vrouwenaangelegenheid.

Er zijn twee kunstmatig aangelegde plassen waar de in het park aanwezige dieren kunnen drinken. Dat is echt wel nodig, want in de Kalahari valt bijzonder weinig regen. Het water wordt via lange leidingen aangevoerd uit waterputten, waar het pater via door zonne-energie aangedreven pompen uit de bodem wordt gehaald. De zonnepanelen zijn gefinancierd door een ontwikkelingsorganisatie uit Nederland. Later vernemen we dat het gehele project is opgezet met financiële steun van DGIS, de Nederlandse organisatie voor ontwikkelingssamenwerking. De coördinator van het project wordt betaald door de SNV, Stichting Nederlandse Vrijwilligers.

De wandeling is aangenaam. Hoewel we niet al te veel wild spotten is het boeiend om te zien hoe dicht je een wildebeest kunt naderen wanneer je tegen de windrichting in loopt. Veel dieren zijn compleet afhankelijk van hun geur om evt. aanvallers te kunnen waarnemen.

Onderweg zien we nog een klein bushman-camp van rieten hutten. Opvallend hoe koel de hutten van binnen zijn bij de extreem hoge buitentemperaturen. De hutten staan er enkel nog bij wijze van demonstratie hoe het ooit was.

Aan het eind van de wandeling zien we een grote mannetjesstruisvogel die door de gidsen met stenen wordt bekogeld. Een gids pakt een grote tak en gaat daarmee het beest te lijf. We horen dat dit mannetje zeer agressief is en regelmatig de camping binnenvalt op zoek naar voedsel. Hij heeft in het verleden nogal wat vernielingen aangericht. Een struisvogel is ook voor de mens niet ongevaarlijk. Met zijn poten kan hij enorme stoten uitdelen. De nagels kunnen daarnaast zorgen voor ernstige verwondingen.

Het dreigingsritueel van een struisvogel is overigens fascinerend om te zien. De struisvogel maakt een soort dans, zijn keel zwelt op en hij produceert onheilspellende geluiden.

Later, wanneer we weer zijn teruggekeerd bij de camp, krijgen we opnieuw bezoek van de struisvogel. Indachtig het voorbeeld van de gidsen grijp ik een stok en gooi een aantal forse keien naar de vogel. Het werkt, hij kiest voor de aftocht.

Eén van de gidsen heeft verteld dat zijn oom een kruidendokter annex witchdoctor is. Als we willen kunnen we hem in het dorp bezoeken en hem om advies vragen. Albert, Francois, Josefien en Stella zien dit wel zitten. Zelf lijkt het me wel leuk o m een praatje te maken met de coördinator van het project. De goede Adelbert is bereid om ons naar het dorp te rijden. We kunnen dan meteen nog even kijken of we wat brood kunnen kopen, daar zijn we namelijk doorheen.

De rit naar D’kar vergt 50 minuten. De bushmangidsen kennen namelijk een kortere route. Wanneer we in D’kar aankomen vroeg ik aan Froukje van der Burgh of ze tijd heeft voor een babbel. Dat blijkt niet makkelijk, als een soort coördinator van alles heeft ze het immers extreem druk. Op het moment dat ik bij haar kantoor arriveer is ze in gesprek met een eveneens Nederlandstalige tourleidster die komt mededelen dat het bezoek dat zij hadden gepland is afgelast. Het betreft de groep die ook de dansvoorstelling had gearrangeerd waar wij van zouden kunnen meegenieten.

Froukje is hier oorspronkelijk als community worker aangesteld en heeft dus een belangrijke rol bij het organiseren van de mensen die bij het project werkzaam zijn, zo’n 25 in totaal. Maar recent heeft de manager van de commerciële tak van de activiteiten, zoals de camping en de guestfarm, zijn ontslag ingediend. Froukje is nu ook manager van het project. Dat betekent lange werkdagen en uitermate hectisch regelwerk. Ze vertelt over de praktische problemen waar zij bij haar werk mee kampt, bijvoorbeeld het feit dat er wel voldoende basisfinanciering was om allerlei zaken aan te schaffen, maar dat er eigenlijk te weinig geld is voor het onderhouden van de spullen. Daarbij komt nog dat de opleiding van de medewerkers een voortdurend punt van zorg is.

Tijdens het gesprek worden we voortdurend onderbroken, oftewel door mensen die binnenkomen met een vraag, oftewel een melding op de radio. Alle medewerkers hebben walkietalkie op zak en kunnen waar ze zich ook bevinden op de farm rechtstreeks om instructies vragen.

Na een half uur besluit ik maar om te vertrekken. We wisselen nog e-mail adressen uit voor mogelijk toekomstig contact.

Het winkeltje van het project biedt een rijk geschakeerde hoeveelheid sieraden, gebruiksvoorwerpen, t-shirts etc. Allemaal vervaardigd door bushman-medewerkers van het project. De prijzen zijn redelijk, en de sieraden zijn heel apart. Veel halskettingen worden vervaardigd van struisvogeleieren, die tot kleine rondjes worden geslepen waarin een gaatje wordt geboord. Er ligt in de winkel ook nog een CD met bushman-muziek. Dat is natuurlijk zeer interessant voor me.

Nu het ander reisgezelschap zijn verblijf heeft afgezegd vraagt Froukje of we de dans willen laten doorgaan. We moeten er dan zelf voor betalen. Een voorstelling van een uur kost 200 Botswaanse Pula’s, ongeveer 100 gulden. Na een kort overleg met Albert besluiten we om de dansvoorstelling dan maar op onze kosten te laten plaatsvinden.

De dansers zullen met de musici rond half acht arriveren.

Terwijl we wachten op de rest maak ik nog een kort praatje met Frank, een gids van een andere reisorganisatie. Ik vertel hem over de problemen die ik heb met het optreden van onze eigen tourleider. Frank is van mening dat een en ander misschien te maken heeft met het feit dat Randy geen gidsencursus heeft gevolgd. Sommige mensen zijn zo van hun eigen kwaliteiten overtuigd dat zij het niet nodig vinden om nog een cursus te volgen. Tijdens de cursus, die de gids die ik spreek wel heeft gevolgd, leer je twee belangrijke zaken: (1) ga nooit een conflict aan met een groepslid, omdat dat altijd ten koste gaat van de sfeer in de groep, bedenk altijd dat de cliënt koning is en dat je je uiterste best moet doen om zijn vakantie tot een positieve ervaring te maken, probeer in dat verband je eigen ergernis ondergeschikt te maken aan het doel van de safari, namelijk een geslaagde reiservaring voor de gehele groep; (2) ga nooit een intieme relatie aan met een groepslid, want ook dat kan alleen maar narigheid opleveren voor de sfeer in de groep. Frank is verbijsterd over mijn verhalen over het gebrek aan communicatie. Navraag leert mij later dat Randy inderdaad nooit zo’n gidsencursus heeft gevolgd.

Rond half vijf is iedereen weer paraat en kunnen we terugrijden naar de camping.

Met rappe spoed wijden we ons aan het voorbereiden van de avondmaaltijd. De dansers hebben een vuur nodig en een open ruimte om te kunnen dansen. Het zou prettig zijn als we dan al klaar zijn met eten. Het koken loopt wat uit, en daardoor de maaltijd ook, maar de dansers zijn nog niet gearriveerd, dus we hoeven ons niet extreem te haasten.

Kwart voor acht zien we dan toch de koplampen van een bakkie met daar achteraan nog twee auto’s. Het lijkt wel alsof het complete dorp is meegekomen. Vrouwen, jong en oud, vergezeld van hun kleine kinderen, in totaal zo’n vijf en twintig, en nog een stuk of zes mannen. Adelbert vraagt hen om ergens anders een vuurtje te stoken zodat wij nog even af kunnen eten. Dat doen ze en tien minuten later zitten de vrouwen met kinderen rond een kampvuur. Dat is wel welkom ook overigens, want het is al weer aardig koud aan het worden. Pas om half negen zijn wij klaar met het eten. We vervoegen ons met stoel en al naar de kring van de bushman-vrouwen.

Ik had zelf een minidisc-recorder meegenomen, in de hoop nog wat muziekopnames te kunnen maken in Namibië/Botswana. Dit is de eerste en meteen de laatste gelegenheid. Ik zet dus het recordertje op een stoel en start de opname. Aan mijn reisgenoten verzoek ik vriendelijk om zoveel mogelijk te zwijgen, want de microfoon van de recorder is nogal gevoelig. Dat blijkt voor sommigen een onmogelijke opgave. In plaats van de zang en de dans zwijgend te ondergaan menen ze regelmatig, op fluistertoon weliswaar, commentaar te moeten geven op het gebodene.

Al meteen bij de aanvang stort zich een batterij fotografen op de vrouwen en kinderen. En ook tijdens de dans kan menig groepslid niet rustig blijven zitten om van de dans en zang te genieten.

De voorstelling is indrukwekkend. De meeslepende zang en de ritmische dans imponeren. Misschien ervaren de bushmen de entourage echter ook niet als zeer inspirerend, want na een half uur houdt het al op. Een lid van de dansgroep vertelt in het kort iet s over de muziek en de dans. Er is gelegenheid om vragen te stellen. Ik had veel liever gezien dat de dansers en muzikanten nog een nummer ten beste gaven, maar helaas denken de groepsleden daar anders over. Er komen dus verschillende vragen op in de trant van ‘what is the meaning of the dance’ etc. Niet erg verheffend dus.

Johannes wil nu eindelijk weten hoe het zit met de klikgeluiden in de taal van de bushmen en andere Namibische volken. Ik vrees dat hij niet veel wijzer wordt van de uitleg.

De bushmen pakken snel hun boeltje bij elkaar en vertrekken weer in de auto’s.

Na korte tijd te hebben nagenoten gaan we naar de tenten om te slapen. Morgen is onze laatste volledige dag in Afrika.

 

11 Augustus, laatste volledige dag, rit naar Harnas farm, overnachting onder klamboe

Joris heeft weer slecht geslapen vannacht. Hij is er rond half zes uit en ontmoet een over het terrein dwalende geestverschijning met een deken om zich heen. Het blijkt Randy te zijn. De koorts en alle overige klachten maken het slapen haast onmogelijk. Inmiddels zijn ook de voorraden paracetamol van diverse groepsleden in Randy’s lijf verdwenen. Veel helpt het niet.

Wanneer ik rond half zeven uit de tent kom zie ik Joris naast het kampvuurtje van de bushmendansers zitten met naast hem op de grond liggend in een deken en slaapzaak gewikkelde Randy. Hij is eindelijk in slaap gevallen. Het is een vreemd en wonderlijk beeld. Randy en Joris broederlijk naast elkaar. Joris wakend over een slapende Randy.

Het is toch altijd een hele klus, het opzetten en afbreken van het camp. Afbreken en inpakken eigenlijk nog meer dan opzetten. Pas wanneer we toe zijn aan de laatste handelingen, het beladen van de auto’s, is enige assistentie van Randy vereist. Met een van pijn vertrokken gelaat helpt hij mee en geeft hij aanwijzingen voor wat waar en hoe bevestigd moet worden.

Negen uur kunnen we vertrekken. Randy rijdt met het bakkie het eerste stuk door het mulle zand. Zodra we op de grintweg komen zal Albert het stuur van hem overnemen. Afgesproken wordt dat het bakkie alvast voorop rijdt naar het eerste servicestation dat we tegenkomen in Ghanzi. Adelbert met de combi en de rest gaan nog even naar de office van de farm om de kosten te voldoen. We kunnen dan ook nog even snel in het winkeltje duiken om nog wat spullen te kopen.

Zoals zo vaak in Afrika loopt alles uit. Allereerst blijkt de rekening veel duurder dan we hadden verwacht. Er was ons niet gezegd dat we een forse rekening zouden moeten betalen voor de wandeling. We hadden de gidsen een naar Botswaanse begrippen vrij forse fooi gegeven plus een paar pakken koffie en wat andere zaken. Er worden ons nu echter commerciële tarieven in rekening gebracht die niet zouden misstaan voor een goed verzorgde rondleiding inclusief diner in een wereldstad. Op deze wijze regelt Froukje haar zaakjes niet goed. Want ik weet zeker dat verschillende touroperators iets zullen hebben in de trant van ‘eens, maar nooit meer’. We hebben onvoldoende Botswaanse en Namibische valuta om de rekening te kunnen voldoen, er moet dus met een creditcard worden betaald. Maar die kan alleen worden gebruikt in een ander kantoortje, een paar kilometer verderop. Ook in het winkeltje loopt alles uit.

Waar we aanvankelijk hadden gedacht binnen een half uur alle besognes te hebben afgewikkeld wordt dat uiteindelijk twee volledige uren. Dat zal ongetwijfeld de nodige wrevel wekken bij de personen die al vooruit zijn gereden in het bakkie.

Gelukkig is Adelbert er één van het onverstoorbare soort. Hij dringt wel aan op enige haast, maar wordt niet panisch, en houdt er in iedere geval de juiste – positieve – stemming in.

Anderhalf uur later dan afgesproken arriveren we bij het ontmoetingspunt. De stemming in het bakkie is niet opperbest, te meer omdat de toestand van Randy absoluut geen verbetering toont. Met grote hoeveelheden pijnstillers en slaapmiddelen probeert hij het beste ervan te maken, maar het lijkt nauwelijks enige uitwerking te hebben. Anna Rot voegt zich nog bij ons in de auto, zodat Randy op de achterbank van het bakkie kan liggen. We hebben nog 250 kilometer voor de boeg naar Harnas farm en lodge.

Een heel eind ligt op de juiste route naar onze eindbestemming morgen, het vliegveld van Windhoek. Maar plots komt een afslag waar we weer zo’n honderd kilometer zullen moeten ‘afdwalen’ van het rechte pad. Ik vraag Adelbert om even halt te houden en toch nog even te overleggen of het niet beter zou zijn voor Randy om zich op te laten halen vanuit Windhoek en daar rechtstreeks naar het ziekenhuis te gaan. Voor de laatste dag zal toch zeker een reservechauffeur gecharterd kunnen worden. Ik verneem dat Randy daar absoluut niet van wil horen, en wordt verzocht me niet met de zaak te bemoeien. ‘Het is zijn eigen verantwoordelijkheid …’ Over de wijze waarop Randy met zijn verantwoordelijkheid omgaat, zowel in de richting van de groep als in de richting van zichzelf ben ik uitermate somber gestemd. Maar de groep wil zich er absoluut niet in moeien, dan houdt het op. Zelfs Joris vraagt zich af waar ik me druk over maak. Als iemand zich bewust naar de verdoemenis wil helpen, dan kan ik daar toch ‘met geweld’ niets aan doen? Enigszins balend leg ik me bij deze uitermate treurige werkelijkheid neer.

De laatste 100 kilometer vergen nog zo’n anderhalf uur reistijd. Al die tijd heeft Johannes zitten te mokken omdat we weer onze lunch hebben gemist. We zullen pas om half vijf aankomen bij Harnas.

Harnasfarm is een project van een dame à la Jane Goodall die zich heeft ontfermd over zieke en bedreigde dieren. Er zijn nogal wat boeren die roofdieren op hun erf genadeloos afslachten. Maar soms krijgen de mensen van Harnas farm een signaaltje, en kunnen ze de dieren op laten halen, om ze vervolgens in hun omheinde gebied op te nemen. Veel cheetahs lopen oogbeschadigingen op bij het achtervolgen van hun prooi. Halfblinde jachtluipaarden kunnen het in de natuur vaak niet halen. Ook dit soort dieren lopen hier rond. Ook wilde honden, waarvan een aantal met maar drie poten (een poot verloren in een dierenklem) kunnen we aantreffen. Op de farm is ook een lodge ondergebracht, met een restaurantje en een bar, om de zo noodzakelijke extra fondsen binnen te brengen.

We arriveren er tegen halfvijf en zijn net op tijd om nog een deel van de voederrondes mee te maken. We zien hoe de cheetahs, luipaarden, wilde honden, hyena, jakhalzen en wilde katten worden gevoerd. Het is leuk om de dieren van heel dichtbij te kunne n meemaken. De cheetahs zijn zo tam dat de meisjes van de farm er gewoon tussendoor kunnen lopen. De voederrit op de truck vergt ongeveer anderhalf uur. Daarna hebben we nog kort de tijd om even te douchen. De avondmaaltijd zal rond acht uur worden geserveerd.

Yolanda vraagt het woord om kort te speechen. Ze heeft namens de groep al in Swakopmund een houten beeld gekocht voor Albert, om hem te bedanken voor alle organisatorische inspanningen. Leuk idee, maar we weten van niets. Joris zegt het ‘Leuk idee’ ook hardop, waarop een bitse reactie van Yolanda volgt dat hij niet hoeft mee te betalen als hij dat niet wil. Alleen Joris, Johannes en ik lijken niet op de hoogte, beetje kinderachtig om dat van te voren niet even te vertellen, maar de omgangsvormen zijn zo verloederd dat elk contact tussen Yolanda en Joris is bevroren. Aan de tafel van Yolanda, Anna, Albert, Francois en Stella worden ook nog de berekeningen gemaakt van hoeveel men nog schuldig is aan andere groepsleden in verband met voorgeschoten algemene kosten.

Mijn briefje laat een gering positief saldo zien. Maar de ‘fooi’ ontbreekt nog. Het blijkt dat het overleg over de hoogte van de fooi zonder ons is gevoerd. Op het briefje van Joris is het resultaat van het overleg wel opgevoerd: de groep heeft bes loten om per persoon 120 $ fooi te geven. Die fooi zal dus uitsluitend bestemd zijn voor Randy en Adelbert, want Grotius en Philip zijn eerder afgehaakt.

‘De andere tafel’ wenst dus net te doen alsof er de afgelopen weken niets fout is gegaan, en zelfs nog meer fooi te geven dan aanvankelijk was afgesproken in Beek en Donk, namelijk 100 $. Alles waarschijnlijk onder het hypocriete motto ‘als je problemen niet signaleert, dan zijn er ook geen problemen’. Er zijn de afgelopen weken veel dingen gepasseerd waar het gevoelen opkwam van ‘smaken verschillen’, en ‘blijkbaar kun je heel verschillend denken over dingen die rondom je gebeuren’, waarbij bij mezelf toch regelmatig de negatieve interpretatie van de gebeurtenissen de boventoon voerde. De kwestie van de fooi vind ik echter zo stuitend dat zich binnen in mij een grote woedeuitbarsting voltrekt. Niet alleen vanwege die rotte 120 US-dollar, maar meer nog omdat het symbolisch is voor de onderlinge cohesie en loyaliteit binnen de groep, beter gezegd het volstrekte gemis aan die cohesie en loyaliteit. Op de keper beschouwd vind ik het een slag in het gezicht van diegenen in de groep voor wie deze reis een aaneenschakeling van frustraties heeft opgeleverd. Nogmaals, misselijk makend.

Ik had drie dagen geleden Adelbert al mijn nieuwe horloge cadeau gedaan, die ik vlak voor mijn reis in Amsterdam had gekocht. Ik heb gemerkt dat hij nogal geïmponeerd was door de dubbele constructie van analoog en digitaal uurwerk. Enkele dagen daarvoor hadden Joris en ik al beide 25 $ bij elkaar gelegd en Adelbert gevraagd om Grotius de 50$ te overhandigen in Windhoek met onze grote dank.

De ‘andere tafel’ heeft besloten nog gezellig een kopje koffie te gaan drinken in de bungalow van de dames. Johannes, Joris en ik worden niet gevraagd om mee te gaan.

Vrij snel vertrekken we naar onze bungalow. Het is daar een echt muggennest. De klamboe die over het bed hangt is dus uitermate welkom. Ik ben al vrij snel vertrokken naar het land der slapenden. 

 

12 Augustus, rit naar Windhoek, laatste lunch en afscheid, voorspoedige vlucht

’s Ochtends ben ik voor de afwisseling eerder uit veren dan Joris. Albert is ook al wakker en maakt aanstalte om een ochtendwandeling te gaan ondernemen. Ik vraag of hij het goed vindt dat ik meeloop. Tijdens de wandeling probeer ik Albert duidelijk te maken waar mijn gemengde gevoelens over deze reis vandaan komen, en vertel ik hem ook dat geen haar op mijn hoofd erover denkt om de 120$ fooi in de gezamenlijke enveloppe te deponeren. Hij verzekert me dat hij begrip heeft voor mijn motieven. Hij vertelt nog dat hem de ‘intieme ontwikkelingen’ tussen Randy en Yolanda tot gisteren volledig waren ontgaan. Ik leg nog uit dat we het idee van het cadeautje hartstikke leuk vonden en er ook graag aan bijdragen. Ook Albert is verwonderd over het feit dat we van niets wisten. Ik vertel Albert dat ik enkel namens mezelf spreek, en dat Joris waarschijnlijk ook nog met hem wil praten over het gebeurde.

De gezamenlijke wandeling geeft me een goed gevoel. Het verzacht de pijn een beetje, om het zo maar eens te zeggen. We zijn zo diep in gesprek dat we niet merken dat we rechtstreeks toelopen op een leeuwenkoppel. We waren wel een hek gepasseerd, maar dat was zo laag dat ik me niet kon voorstellen dat dat de leeuwenomheining was. De geringe afstand tussen de leeuwen en ons maakt dat we meteen rechtsomkeert maken en gelukkig ongedeerd de omheining bereiken.

We hebben nog tijd om de bagage te reorganiseren voor de terugreis. Rond half tien vertrekken we. We hebben zoveel tegenslag gehad in de tijdschema’s van de afgelopen weken, dat een veilige marge een goed idee lijkt. De reis verloopt voorspoedig en Randy is zowaar aan de betere hand door de grote hoeveelheden pijnstiller en slaapmiddelen. Bij de laatste stop vraagt Randy mij nog om wat paracetamol. Bij het uitpakken van mijn reisapotheek zet ik mijn zonnebril af, pas een kwartier nadat we vertrokken zijn realiseer ik me dat mijn zonnebril nog steeds op de grond ligt naast de benzinepomp.

Adelbert heeft sinds kort een internetverbinding. Het gesprek op de terugweg tussen hem en mij gaat enkel over internet, CD-rom en DVD-drives en andere technologische vernieuwingen.

Ruim op tijd arriveren we bij het vliegveld van Windhoek. Daar wacht Ulrike op ons. We hadden al wat souvenirs met haar meegegeven, zodat we daar tijdens de reis geen last van hadden. Zij heeft voor mij ook nog een extra reistas gekocht, waarin ik wat gekochte spullen kan meenemen.

In de vertrekruimte van Windhoek genieten we nog van een laatste lunch. Dan volgt het afscheidsritueel. We ontvangen nog een geplastificeerde oorkonde, waarop we kunnen lezen dat we de reis in goede orde hebben volbracht. De naam van Joris is verbasterd tot Jovis Fluimans. Maar ik heb toch al niet het idee dat Joris van plan was om het document in te lijsten, of aan de muur te hangen.

Een korte handdruk en ‘I hope you did have a good trip’ is het laatste wat ik van Randy verneem voordat we uit elkaar gaan en richting paspoortcontrole lopen. Ik heb geen behoefte om iets anders dan ‘Bye, bye’ te uiten.

Je zult altijd zien dat het noodlot een raar loopje neemt met de mensen. Het toeval wil dat Joris en Yolanda op de instapkaart naast elkaar zitten. Daar heeft Yolanda dus absoluut geen zin in. Ze komt naar mij toe met de mededeling ‘Ga jij naast Joris zitten’ (overigens niet echt in vraagvorm). Wanneer ik verwonderd opkijk zegt zij dat ze wil dat ik naast Joris ga zitten. Als ik jou daarmee een plezier kan doen, is mijn repliek … Er kan geen dankje vanaf.

Aan slaap kom ik helemaal niet toe. Ik zal dus wel enigszins gebroken in Nederland arriveren!

 

13 Augustus, aankomst Amsterdam, nawoord

Rond zes uur ’s ochtends arriveren we in Frankfurt. Pas drie uur later vliegen we verder naar Amsterdam, we kunnen ons dus nog even vertreden. Op het vliegveld vinden we een mooie koffieshop annex conditorei. De Duitse koffie is een aangename verademing na de Namibische poederbocht. We duiken nog een boekhandel in. Omdat mijn Lonely Planetguide is zoekgeraakt, schaf ik nog twee Duitstalige boekjes over Namibië aan.

Met een half uur vertraging vliegen we richting Amsterdam. De piloot maakt er zo’n snelle vlucht van dat we vijf minuten voor de geplande tijd arriveren.

 

Nawoord

Dit reisverhaal moet bij de lezer een wisselvallig beeld opleveren. Enerzijds een aaneenschakeling van vervelende ervaringen, waarbij het soms lijkt of we geen enkele dag geschoond zijn geweest van calamiteiten. Anderzijds prachtige (natuur-)opnames die illustreren welke schoonheid Namibië en Botswana te bieden hebben. De reacties van lezers van het conceptverhaal lopen sterk uiteen. De één vraagt zich of hoe ik/we het zo lang vol hebben gehouden. De ander merkt (terecht) op dat de ervaringen wel sterk Europees zijn gekleurd: wil je werkelijk kunnen genieten van Afrika, dan moet je je helemaal overgeven aan hetgeen daar met je gebeurt. En met name het gegeven dat in Afrika van alles regelmatig ‘fout’ loopt zou iets moeten zijn wat in ieder geval de interpretatie en beoordeling van de gebeurtenissen kan ‘verzachten’. Natuurlijk, bij veel gesignaleerde problemen is het de schrijver die heeft besloten de ‘kritische bril’ over de gebeurtenissen te leggen. Daar was ook relativering of – zoals Stella het formuleerde – ‘je overleveren aan het avontuur’ mogelijk geweest. Juist mijn pleidooi voor een andere kijk op de werkelijkheid (in het verhaal over Afrikaanse muziek) zou vanuit dat perspectief wel eens haaks kunnen staan op de weergave in dit reisverhaal.

Dat moge allemaal wel zo zijn, maar toch blijven een aantal zaken ‘hangen’: een gids hoort niet openlijke intieme relaties aan te gaan met een lid van de groep; een gids hoort niet de ene botheid op de andere te laten volgen; een gids hoort geen ruzie te maken met een groepslid. Voor wat betreft de Namibische toer-leider kan de conclusie kort zijn: met alle positieve (karakter-)eigenschappen die Randy ongetwijfeld heeft. Hij valt niet aan te bevelen voor een groepsreis zoals wij die in Nederland hadden gepland.

Met dat laatste komen we bij de m.i. bij de werkelijk cruciale problematische factor van deze reis. Een Nederlandse Afrika-fanaat die als de agent van een Namibische safari-organisatie opereert hoort niet als groepslid, ja zelfs groepsleider van een groep mee te reizen. Het is een dubbele positie waarvoor je al helemaal niet moet kiezen. Door dit gegeven op geen enkel moment (ook tijdens de voorbereidingen) ter discussie te stellen, zelfs niet te melden, heeft Albert van Malle zich bijzonder laakbaar opgesteld. En door in Afrika in alle situaties unverfrohren de kant van zijn zakelijke partner te kiezen kan al helemaal gesproken worden van onverantwoordelijk handelen.

Daar is het dan ook overigens mee gezegd. In de persoonlijke sfeer heb ik Albert van Malle leren kennen als een bijzonder aimabele mens. Het is mede daarom des te betreurenswaardiger dat hij zich overgeleverd heeft aan zo’n duivels verbond, waar met name Joris Fluitmans het slachtoffer van is geworden.

Tot slot een advies aan de lezer: Namibië is een heerlijke vakantiebestemming. Er zijn zat touroperators (en Nederlandse reisbureaus) die uitstekend verzorgde trips kunnen organiseren. Of doe het zoals de meisjes die we in Audi camp in Botswana hebben ontmoet: do it yourself!!

 

Reacties welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl

Sluit dit venster