Vanaf 1995 zijn op deze website vier verhalen verschenen rond  het kloosterdom. 

Hier de internetadressen van de vier verhalen:

Kloosterdagboek Westmalle/Westvleteren  (1995) : een eerste kennismaking van en met de trappistenkloosters in Westmalle en Westvleteren: dit verhaal heeft meer het karakter van een reisdagboek, voor  een introductie van het thema is het minder geschikt. Wat maak je zoal mee als je in een klooster verblijft? En wat voor associaties roept het op? En op welke wijze beïnvloedt het kloosterritme je dagelijkse activiteiten? (een lezer liet overigens weten dat hij vond dat het verhaal meer over het trappistenbier gaat dan over het trappistenleven) 

Twee Sporen: het klooster en de Grote Oorlog (1995) : dit verhaal is geschreven tijdens het verblijf in de twee kloosters waar het vorige verhaal over gaat. Het is eigenlijk een drieluik: een kort historisch verhaal over de Cisterciënzer-orde, de Eerste Wereldoorlog en met name de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz. Vooral bekend vanwege haar beeld 'Trauerndes Elternpaar' op het Duitse soldatenkerkhof in Vladslo. 

Kloosterdagboek Westmalle (23 oktober- 27 oktober 1998) (1998) : studeren, indrukken, ervaringen, maar met name de rode draad van de 'rauwe' psalmteksten die in de gebedsdiensten van het klooster centraal staan. (meer klooster, minder bier dit keer)

Zo was het in den beginne, zo zij het thans en voor immer, tot in de eeuwen der eeuwen: Tijd in het kloosterleven (1999/2000) : het meest serieuze verhaal van de vier; bewerkte tekst van een lezing gehouden voor het Studium Generale over 'Aspecten van Tijd'. Aan de hand van ervaringen in het trappistinnenklooster van Brecht wordt een beeld geschetst van het functioneren van het begrip tijd binnen het kloosterleven. Dit verhaal is grotendeels geschreven tijdens een verblijf van vijf dagen in het Duitse trappistenklooster in Mariawald.
[DEZE WEBPAGINA]

De tweede portal van het Bezinningscentrum is geheel gewijd aan websites met informatie over de kloostergeschiedenis, met name de Cisterciënzers en Trappisten. U kunt de portal vinden op de volgende link: http://www.bezinningscentrum.nl/links/special_links2.shtml  

 

 

Zo was het in den beginne, zo zij het thans en voor immer; tot in de eeuwen der eeuwen.

Tijd in het kloosterleven

 

Wim Haan

 

Twee maal per jaar reist een groepje medewerkers van de VU naar het Belgische plaatsje Brecht voor een kort verblijf in abdij Nazareth, een kloostergemeenschap van Trappistinnen. Voor de meeste is dat een eerste kennismaking met het kloosterleven. Een kennismaking niet alleen met een andere traditie, maar met name met een compleet andere levensstijl. Een leven met andere prioriteiten, met een ander ritme, met een andere gerichtheid. De tijd van vrijdagnamiddag tot zondagmiddag is kort, maar laat bij velen een diepe indruk achter. Vaak besluiten mensen om nog een tweede of derde keer mee te gaan. Soms wordt het groepsbezoek gevolgd door een individueel verblijf in een kloostergemeenschap.

In het klooster vinden mensen iets terug, wat in de hectiek van alledag verloren lijkt te zijn gegaan. Als gast in een klooster wordt je geconfronteerd met een heel elementaire manier van omgaan met het leven. Kernwoorden zijn eenvoud, soberheid en rust.

Paradoxaal genoeg staat tegenover de alsmaar groeiende belangstelling voor het kloosterleven een toenemende vergrijzing, die in veel gemeenschappen tot grote problemen leidt. De zelfvoorziening komt steeds meer onder druk te staan. Voor een aantal kloosters komt een einde in zicht.

Kloosters in, buiten en met de tijd: een beschrijving van het kloosterleven aan de hand van de geschiedenis, de huidige tijd en de toekomst levert misschien een ingang op om beter te begrijpen hoe zich die twee – toenemend belang enerzijds en naderend einde anderzijds – tot elkaar verhouden.

 

 

Een vreemde wereld

Alvorens te kijken naar de plaats van het kloosterleven in verleden, heden en toekomst, is – om het maar enigszins modieus te zeggen – een positionering van de auteur van deze bijdrage op zijn plaats. Dat is van belang omdat het mijns inziens onmogelijk is om over het kloosterleven puur in objectieve termen te schrijven. Je bent zelf in het geding, zeker wanneer je als gast regelmatig vertoeft in een kloostergemeenschap.

Vreemdeling in het Paradijs, dat is de titel van een boek van de in 1996 overleden Henri Nouwen. Hij beschrijft in dit boek op een indringende manier zijn ervaringen tijdens een verblijf van zeven maanden temidden van een Trappistenkloostergemeenschap in de Verenigde Staten. Die titel is zeer toepasselijk om mijn eerste kennismaking met het kloosterleven te kenschetsen. Mijn religieuze roots liggen in een kritische gemeente binnen (beter gezegd ‘aan de rand van’) de RK kerk. Religieus commitment kreeg met name een vertaling in maatschappelijk engagement. Opkomen voor de minst bedeelde, aan de onderkant van de samenleving, voor de gemarginaliseerde medemens. Oscar Romero en Dom Helder Camara waren de grote voorbeelden. Vanuit dat perspectief was het kloosterleven mij volkomen vreemd. Sterker nog, er was zelfs een zekere aversie tegen iets waar een zekere wereldvreemdheid van uitgaat, een beetje asociaal, je zo los te maken van de roerselen van het maatschappelijk leven en je terug te trekken op een hemels eilandje van rust. Zo’n twintig jaar geleden ontstond een interesse voor nieuwe religieuze bewegingen: op hun eigen wijze ook een vorm van ‘tegenbeweging’. In allerlei varianten een radicaal commitment aan een beleving van spiritualiteit die door de maatschappij veelal als ‘vreemd’, zelfs gevaarlijk wordt bestempeld.

Mijn eerste kennismaking met het kloosterleven vond als het ware bij toeval plaats. Op zoek naar een rustige plek om 14 dagen lang geconcentreerd te studeren op een onderwerp waar ik een artikel over zou schrijven: de Eerste Wereldoorlog en de Duitse kunstenares Käthe Kollwitz. Ik heb het over juli 1995, en de kloosters waar deze kennismaking zich voltrekt zijn de trappistenkloosters van Westmalle (Noord België) en Westvleteren (Zuidwest België). Je staat wat onwennig voor de kloosterpoort waar met grote letters ‘GEEN BEZICHTIGING’ geschreven staat. Na enige tijd opent de broeder portier de poort. Er is zoveel belangstelling voor een  kort verblijf in een klooster, dan vroegtijdige reservering noodzakelijk is. Op zijn vragende blik volgt mijn mededeling dat ik een week als gast in het klooster zal verblijven; de grote poort gaat open; ik word doorverwezen naar een gebouw binnen de kloostermuren, het gastenverblijf, waar de gastenbroeder de scepter zwaait.

Meteen is er het gevoel dat je een andere wereld betreedt. Een wereld met zijn eigen ritme, gebruiken, wetmatigheden en rituelen.

De weken in de kloosters waren productief, in de zin dat daarna de contouren van een artikel over Kollwitz en de Eerste Wereldoorlog gereed waren. De weken waren ook confronterend. Het klooster is meer dan een studieplek: wanneer je je studieritme enigszins wil laten sporen met het levensritme in het klooster, is het onmogelijk om je af te sluiten voor het ritme van arbeid en gebed dat het monnikenleven reguleert. De regelmatige interactie met de gebedstijden van het klooster leverde iets extra’s op. Allereerst werd de titel van mijn verhaal ‘Twee sporen: Het klooster en de Grote Oorlog’, waarbij naast Käthe Kollwitz en de Eerste Wereldoorlog ook de dimensie van het kloosterleven werd betrokken. Daarnaast heb ik een kloosterdagboek bijgehouden, bij wijze van gesprek met mezelf, waarin recht voor zijn raap observaties en ervaringen werden opgetekend die zich tijdens een kloosterverblijf van je meester kunnen maken.

Nu, vijf jaar en ettelijke kloosterbezoeken later, kijk ik met enige gêne terug op dit dagboek, dat meer weg heeft van een journalistiek egodocument dan een inzichtelijk verslag van een kloosterverblijf. Ik mis diepte en respect. Kloosterlingen wordt geen recht gedaan met een journalistieke benadering die in de oppervlakte blijft steken. En een luchtig geschreven dagboek, met hier en daar een kwinkslag, geeft ook niet echt goed weer wat er met jezelf gebeurt wanneer je te gast bent in het klooster. 

Het zou te ver gaan om de trappistinnengemeenschap van Brecht een tweede thuis te noemen, maar een regelmatig verblijf is wel een vast onderdeel van mijn eigen levensritme geworden. Juist door af en toe buiten de hectiek van het alledaagse te treden, krijg je de mogelijkheid om een eigen omgang met die hectiek te realiseren. Een plaatsbepaling, die leert te relativeren, maar die ook ruimte biedt voor verbijstering en ergernis over de zogenaamde vanzelfsprekendheden van het universitaire leven.

Welnu, na deze biografische noot snel over naar het thema van deze bijdrage. Ik begin met een korte beschouwing over hetgeen inzicht in het heden mogelijk maakt: het verleden, beter gezegd de roots van het kloosterleven.

 

De oorsprong en het fundament

In een kort artikel over ‘Tijd en het klooster’ kun je eigenlijk niet al te diep ingaan op de geschiedenis van het monnikendom. Zo’n korte geschiedschrijving zou overigens ook niet veel nieuws op kunnen leveren. Er is immers al veel geschreven over het ontstaan en de groei (en neergang) van het kloosterleven, niet in het minst vanwege het enorme belang van het monnikendom voor de kerk- en cultuurgeschiedenis van onze Westerse beschaving. Ik verwijs met name naar de titels van Filips de Cloedt, Jean-François Leroux-Dhuys en Louis Lekai in de literatuurlijst aan het eind van dit artikel. Zicht op het heden kan echter niet zonder een korte introductie van het begin van het monnikendom.

Eigenlijk zou je kunnen stellen dat het monnikenleven ‘van alle tijden’ is. Niet alleen in het christelijke traditie, maar ook in het boeddhisme en hindoeïsme is het gebruikelijk dat sommige gelovigen zich terugtrekken in eenzaamheid om in een innerlijke confrontatie met zichzelf tot grotere spirituele groei te komen. Jezus zelf heeft in de christelijke traditie het voorbeeld gegeven door zich terug te trekken in de woestijn om in het reine te komen met zichzelf en zijn missie.

Zo zien we al in de eerste eeuwen van de christelijke jaartelling dat monniken zich terugtrekken in de woestijn, aanvankelijk ‘heremieten’, in eenzaamheid en afzondering levende individuen, maar al snel ook cenobieten, in gemeenschap levende monniken. Rond het jaar 300 zien we op veel plaatsen kleine nederzettingen van monniken ontstaan.

Het georganiseerd verband van monniken vergt al snel enige regulering. Hoewel ook uit de periode tussen 300 en 500 allerlei regels en beschrijvingen over het monnikenleven zijn overgeleverd, wordt toch Benedictus van Nursia (die ongeveer leefde tussen 480 en 547) de vader van het westers monnikendom genoemd, omdat hij de opsteller is van de Regel die ook nu nog onverkort en vrij letterlijk als grondregel en basis van het monnikenleven wordt gehanteerd. Veel van wat ik in de volgende paragrafen schrijf over de tijd en tijdsbesteding in het klooster kan rechtstreeks worden herleid tot de Regel van Benedictus. Alle aspecten van het kloosterleven komen in dit korte boekwerkje aan bod (de Nederlandse vertaling telt ongeveer 100 pagina’s). In het begin van de Regel worden de spirituele grondlijnen van het kloosterleven geschetst. Daarna komen allerlei zaken die de organisatie van het klooster betreffen aan bod. Veel hoofdstukken handelen over het liturgisch gebed, de peiler van het monnikenbestaan.

Wie naar het (contemplatieve) kloosterleven anno nu kijkt ziet dat de Regel die rond het jaar 500 is opgesteld, nog steeds bijna letterlijk wordt toegepast. Vaak hebben mensen zich afgevraagd hoe dat toch kan: Zo’n oeroude tekst met een actualiteitswaarde waarop niet valt af te dingen?

De Regel bevat een duidelijke norm voor het monastieke leven, zonder al te zeer in details te treden, en geeft de abt grote toepassings- en interpretatievrijheid. Innerlijke discipline, onthechting en gehoorzaamheid zijn de kernwoorden. Het opvallende van de regel is wel de menselijkheid ervan. De monnik wordt niet in een vreemd keurslijf gedrongen, maar wordt via zijn innerlijk, door aanleg en stemmingen te respecteren, gevormd.

Naast de gehoorzaamheid en de stabilitas, de stabiliteit dat is de gelofte om zich te binden aan de locale kloostergemeenschap waar de monnik intreedt is er nog het armoede-ideaal dat het kloosterleven schraagt. Zonder armoede kan de monnik zich niet echt vrij maken van materiële bindingen en onthecht raken. Centraal in het leven van het klooster staat de Christusfiguur, daaraan wordt alles gespiegeld. Hij is ook de uiteindelijke bron van het monnikenbestaan. De liefde die Jezus voor zijn Goddelijke vader aan de dag legde is de oorsprong en het doel van de monnik: die liefde moet ook zijn eigen hoogste vervulling zijn.

Welnu, door toch nog vrij uitvoerig stil te staan bij het begin, Benedictus en zijn Regel, maken we het ons wel makkelijker bij het vervolg. Veel van wat zich later in de geschiedenis van het kloosterleven heeft voltrokken, heeft immers direct of indirect met het afdwalen of volgen van de regel te maken.

De geschiedenis van het monnikendom is er immers één van golfbewegingen. Hoogtepunten en neergang, en vervolgens weer kritische hervormingen, die voortdurend elkaar opvolgen en die met elkaar verbonden lijken.

 

Hervormingen: Cluny en Citeaux

In de lange geschiedenis van het monnikendom zijn met name twee hervormingen van belang. De eerste is de opkomst van Cluny die vanaf 900 tweehonderdvijftig jaar lang het kloosterleven in West Europa domineert. Een van de belangrijkste verdiensten van Cluny was dat het zich losmaakte van de politieke beïnvloeding en dominantie. Het monnikenleven werd weer een autonoom fenomeen, zonder bemoeienis van koningen en keizers. Cluny wordt ook vaak geroemd om zijn bijdrage aan de cultuurgeschiedenis. Cluny is altijd een centralistisch bestuurde orde geweest met één abt aan het hoofd. Op haar hoogtepunt telde Cluny zo’n 800 kloosterstichtingen in Frankrijk, Duitsland, Spanje, Engeland en Ierland. Door alle schenkingen en opbrengsten van de uitgestrekte landerijen was het op een gegeven moment ook een machtsfactor waar terdege rekening mee moest worden gehouden. Wat dat betreft stond de macht van de abt van Cluny gelijk aan die van pausen en koningen. Het Benedictijns armoede-ideaal was ver te zoeken. Voor de Clunicenser monnik speelde de arbeid geen enkele rol meer. De gehele dag ging op aan gebedsdiensten, van de vroege ochtend tot de late avond.

De stichting van de orde van Citeaux moet als een reactie op de ontwikkelingen van Cluny worden gezien. De stichter, Robertus van Molesme werd aanvankelijk als een nieuwlichter beschouwd, die rigoureus en fanatiek de Regel van Benedictus weer onverkort in de praktijk wilde brengen. De hervorming van Citeaux benadrukte opnieuw het armoede-ideaal, en daarmee samenhangend de eigen arbeid van de monniken.

Het klooster van Citeaux, in 1098 gesticht, is de bakermat van de cisterciënzerbeweging, waaruit uiteindelijk ook de trappisten afkomstig zijn, wier leefritme in het middenstuk van dit artikel centraal zal staan. Een aparte plaats binnen de cisterciënzergeschiedenis en daarmee ook binnen de geschiedenis van het westers monnikendom neemt Bernardus van Clairvaux in. Hij is ongetwijfeld degene die de belangrijkste bijdrage aan de snelle ontwikkeling van de cisterciënzers heeft geleverd. 

‘Spirituele vernieuwing’, dat was de grote drijfveer van de cisterciënzers. En vernieuwing houdt hier eigenlijk in   ik heb het boven al opgemerkt herbronning. De bedoeling was het nauwkeurig, liefst letterlijk naleven van de Regel van Benedictus, in een tijd waarin het monnikendom, dankzij het enorme succes van Cluny, door kongsies met de wereldlijke machthebbers was ‘gecorrumpeerd’.

 

Verval en wederopstanding

Mijn zevenmijlslaarzenbenadering wettigt dat ik een paar eeuwen oversla. Ik kom bij de het begin van de 16e eeuw, wanneer het ‘multinationale organisme’ van honderden abdijen, dat de cisterciënzer orde in de twaalfde eeuw mede dankzij Bernardus van Clairvaux was geworden, in verval raakt. Tussen 1600 en 1759 zien we zich een bijna totale vernietiging van het West Europese monnikenleven voltrekken: oorlogen, reformatie, Franse Revolutie en het bewind van de ‘verlichte’ Duitse vorst Jozef II waren debet aan deze neergang. Abdijen werden afgebroken, monniken verjaagd en soms nog erger vermoord, complete ordes werden afgeschaft.

Slechts kleine op de vlucht geslagen groepjes monniken zijn erin geslaagd te overleven. Augustin de Lestrange (1754-1827) is daar één van. Lestrange was een leerling van Armand le Bouthillier de Rancé (1664-1700), abt van de Franse abdij La Trappe, die in het begin van de 18e eeuw een nieuwe hervorming binnen de cisterciënzerorde doorvoerde. Ook hier ging het weer om een rigoureuze terugkeer, onverkort en letterlijk, naar de Regel van Benedictus. Het Belgische klooster Westmalle (en de diverse stichtingen die vanuit dit klooster uit zijn gegaan) staat in deze traditie. De Rancé en Lestrange hebben een splitsing binnen de cisterciënzers teweeggebracht die ook nu nog bestaat. Naast de cisterciënzers van de gewone observantie staan de cisterciënzers van de strenge observantie, ook wel trappisten genoemd.

 

Ik heb nu met zevenmijlssprongen iets verteld over het kloosterleven in de tijd. Er zou nog veel meer over te vertellen zijn geweest, bijvoorbeeld over hoe belangrijk het monnikendom is geweest bij cultuuroverdracht en continuïteit van ons West Europees erfgoed. Er wordt wel eens gezegd dat zonder kloosterlingen de ontwikkeling van de kunst in de vroege middeleeuwen zou zijn gestokt. Dat zonder monniken ook Mozart niet had kunnen beschikken over de muzikale bronnen waar hij zo creatief gebruik van maakte. Maar we komen op een zijspoor.

 

Het klooster in de tijd

Snel weer terug naar het hoofdspoor. Het tweede niveau van tijd in het kloosterleven: de dagindeling, tijdsbesteding in zijn meest directe vorm.

Menselijk leven voltrekt zich net als alle leven van binnen naar buiten en van buiten naar binnen. Tussen binnen en buiten bestaat een wisselwerking, ze zijn van elkaar afhankelijk en op elkaar afgestemd. Iets vergelijkbaars zou je over de tijd kunnen zeggen. Voor de mens en dus ook voor de monnik is de vraag hoe hij/zij de tijd indeelt en op welk tijdstip hij/zij iets doet geen kwestie van willekeur. Ook het geestelijk leven heeft met het lichaam te maken, en is daarop aangewezen. Het lichaam leeft in een bepaald ritme van waken en slapen, morgen en avond, dag en nacht, lente en herfst, en wie optimaal profijt wil trekken van zijn lichaam moet met die wetmatigheden rekening houden. Het zal duidelijk zijn dat de geest makkelijker gehoorzaamt, wanneer men het lichaam toestaat een eigen ritme te volgen. Deze algemene vaststellingen liggen ten grondslag aan de tijdsindeling van het monnikenleven.

Naast de aansluiting bij het bioritme van de mens wil men in kloosters het leefritme ook aan laten sluiten bij bijzondere religieuze gebeurtenissen, met name uit het leven van Jezus. Tussen de gebeurtenissen in het leven van Jezus en de uren van dag en nacht bestaat een nauwe relatie. Zo zegt men bijvoorbeeld dat het geen toeval kan zijn dat Jezus zelf graag ‘s nacht bad, dat hij in de nacht verraden werd, en dat hij in de vroege ochtend opstond uit de doden. Dat hij in de middag, toen de druk van de dag het grootst was, aan het kruis hing en stierf.

Nu verder met de dagindeling. De dag begint vroeg in het klooster met de nachtwake om half vijf  ‘s morgens. Er zijn kloosters waar men overigens nog eerder de nachtwake houdt, half vier of half drie. De nachtwake wordt wel de monastieke gebedstijd bij uitstek genoemd. Monnikendom zonder nachtelijk waken en bidden is er immers nooit geweest. Dat zal niet op de laatste plaats te maken hebben met het feit dat er tussen het mysterie van het monnikendom en het mysterie van de nacht nauwe relaties bestaan.

 

Het mysterie van de nacht

De nacht is onlosmakelijk verbonden met het menselijk leven. Tijdens zijn slaap verzinkt de mens in het onbewuste, van waaruit zijn geest scheppend bezig is en leeft, zonder dat hij direct toegang heeft tot die bron van menselijke creativiteit. Een volkswijsheid zegt dat je, wanneer je niet weet wat je in een bepaalde situatie doen moet, je daar dan een nachtje over moet slapen. Meestal is de volgende morgen de oplossing gevonden. Onbewust wordt ’s nachts doorgewerkt.

Het is niet alleen zo dat wij mensen ’s nachts onbewust anders leven, ook bewust gaat het er anders aan toe. Veel problemen die ons overdag storen, zijn ’s nachts niet aanwezig, omdat ze zich niet kunnen opdringen aan onze nachtrust en buiten ons zicht liggen. De sfeer is ’s nacht totaal anders. Veel schrijvers werken ’s nachts. En dat heeft veel te maken met het feit dat de mens ’s nachts een bepaalde diepte van zijn existentie meer nabij is. Die diepte waaruit kennis en inzicht voortkomen. Volgens de monniken is die diepte tegelijkertijd het domein waar God in de mens aanwezig is. Wie God wil vinden moet het licht, de dag, die het domein van de mensen is, achter zich laten en de nacht binnentreden.

De nacht is volgens de schriften en de overlevering ook het strijdperk tussen goed en kwaad. Naast de aanwezigheid van het goede duiken de kwade machten op. Reden te meer om gedurende de nacht er bijzonder attent op te zijn dat achter de schijn van het goede het kwade niet schuilgaat. Om die reden hebben mensen sinds het begin der tijden ’s nachts gebeden.

Tenslotte is er nog het aspect dat het nachtelijk gebed ook met versterving en belasting van doen heeft. Bij de Cisterciënzers wordt het nachtofficie, samen met de arbeid en het vasten tot de zaken gerekend die het moeilijkst zijn in het monnikenleven. De monniken verlaten de aangename slaap en ze houden de uitputting en moeheid vol tot zonsopgang.

Zo is afrondend het nachtofficie inderdaad de meest betekenisvolle tijdspanne van het dagritme van de monniken. Het zit vol met symbolische betekenissen, maar is tegelijkertijd ‘een kruis’ voor de monnik en vormt in die zin de prijs die voor het contemplatieve leven moet worden betaald.

In het begin van deze paragraaf sprak ik ietwat cryptisch over ‘het mysterie van het monnikendom’ en het ‘mysterie van de nacht’. Het paradoxale karakter van de nacht illustreert mogelijk één aspect van dat mysterie: bron van creativiteit en goddelijke nabijheid enerzijds, ‘kruis’ en uitputting anderzijds.

 

De indeling van de dag

De tijd na de nachtwake behoort voor de monnik tot het grote stilzwijgen, dat duurt van de completen ‘s avonds tot na de eucharistie ‘s ochtends.

Om kwart voor zeven zijn er de lauden. Het tweede gebedsuur van de dag. Het is het tijdstip van licht en schemering. Het is symbolisch voor de strijd die de monnik voert tussen licht en schemering in zichzelf. De psalmen die tijdens de lauden gezongen worden gaan hier ook over.

Meteen aansluitend op de lauden is er de eucharistieviering. Voor monniken is het van cruciaal belang dat Christus hen heeft bijeengebracht. De monnikengemeenschap leeft heel wezenlijk, net als de oergemeente in Jeruzalem, van het breken van het brood. Telkens als het brood wordt gebroken en de wijn wordt gedronken vormen de monniken een gemeenschap, en worden daardoor telkens meer gemeenschap, verbonden met God en met elkaar. De eucharistieviering is een ander hoogtepunt in het dagritme van de monniken. De monnik heeft een sterke symbolische band met de eucharistieviering. De eeuwige professie, de belofte om voor altijd celibatair te blijven, zich te houden aan de Regel en ‘stabiliteit’ te betrachten binnen de kloostergemeenschap waar men intreedt en de gelofte van gehoorzaamheid, wordt afgelegd tijdens een eucharistieviering. De ondertekende professie-oorkonde wordt op het altaar gelegd waarop de eucharistie wordt gevierd. Het verbond wordt als het ware met het bloed van Christus bezegeld. Basisbegrippen die in het monnikenleven met de eucharistie samenhangen zijn contemplatie, gebed, gemeenschap, eenzaamheid. Ook de plechtige geloften die monniken afleggen, als een totale overgave aan God, hebben veel te maken met de symboliek van de eucharistie.

 

Ora et labora. Bid en werk.

Het volgende gebedsuur is de terts om 9.25 uur. De gebedsuren zijn zo over de dag verdeeld dat de monnik nooit langer dan drie uur met een werkzaamheid bezig is, en op die manier voortdurend herinnerd wordt aan de eigenlijke zin van zijn leven: het altijd doorgaande gebed. De terts is de eerste van de zogenaamde kleine uren. Ze wordt gebeden op het tijdstip dat tijdens het pinksterfeest de Heilige Geest neerdaalt op de oergemeente in Jeruzalem. De symboliek van de Heilige Geest sluit opnieuw nauw aan bij het monnikenleven: een van de definities van een monnik is namelijk een mens van de geest, van de Heilige Geest. De Heilige Geest wordt als oorsprong en voleinding van het monnikenleven gezien. Benedictus drukt dat zelf treffend uit aan het eind van het hoofdstuk over de nederigheid. Nederigheid betekent voor monniken angst, nood, kruis. In de Heilige Geest wordt dit alles echter met vreugde gedragen en uitgevoerd.

Na de terts wordt er gewerkt. In het trappistinnenklooster van Brecht zijn de taken verdeeld over de circa veertig zusters. Sommigen houden zich bezig met de bereiding van zeep, een van de belangrijkste producten van Brecht. Anderen werken in naaiateliers, waar onder andere toga’s voor religieuzen en priesters worden vervaardigd. Dan zijn er allerlei huishoudelijke taken, is er de boerderij en de uitgestrekte groente- en bloementuin.

Het leven van monniken en monialen onderscheidt zich van het zogenaamde ‘actieve leven’ niet alleen door het soort werk waar men mee bezig is, maar met name doordat ook in de dagelijkse werkzaamheden sprake is van een vacare deo, vrij zijn voor God. Op het moment dat de klokken luiden wordt het werk achtergelaten en spoedt men zich naar de kerk voor het gebedsuur.

Na het werk, om 12.15 uur is er de Sext, de tweede van de kleine gebedsuren. Het is het tijdstip dat voor monniken bijzonder zwaar is. Men is al ongeveer acht uur actief, en de vermoeidheid met alle gevolgen  van dien, wordt merkbaar. Het is het tijdstip dat volgens oude overleveringen ‘de middagduivel de monnik lastig valt’. Het is ook het tijdstip dat Christus aan het kruis hing. De symboliek van de sext hangt hiermee samen: Christus heeft de wereld laten zien dat volhouden tot het uiterste het instrument is van redding. Voor de monniken geldt dit evenzeer: wie volhoudt zal gered worden. Wie doorzet en de professie trouw blijft, overeind blijft op momenten dat het leven zwaar is, voor die zal er ook verlossing zijn.

Na de Sext is er het middagmaal dat door de monniken en monialen in de refter, de eetzaal, wordt genuttigd. Tijdens de maaltijd wordt door één van de zusters voorgelezen uit religieuze teksten. Een bijbeltekst, een kort stuk uit de Regel van Benedictus en een passage uit een boek dat handelt over een spiritueel thema. De trappisten/trappistinnen zijn vegetariërs, uit respect voor levende wezens en om hun soberheid te schragen. De maaltijd is eenvoudig.

Om 14.15 uur is er de Noon, de derde van de kleine uren. Daarna wordt er weer gewerkt.

 

Vespers en completen.

Om 17.15 uur zijn er de Vespers. De Vespers worden gevierd wanneer het avond wordt en de dag al bijna is afgelopen. Het is een dankdienst voor alles wat er aan positieve dingen gebeurd is. Voor alles wat op de juiste manier is afgerond. Ook de verlossing van de mens wordt tijdens dit gebedsuur herdacht. Om de hoop van de monniken op het licht te benadrukken wordt erom gebeden dat het licht opnieuw onder ons komt, wordt er gebeden voor de komst van Christus, die ons door zijn genade het onvergankelijke licht zal schenken. De Vespers zijn ook het uur dat opgedragen is aan de moeder Gods, Maria, die volgens de katholieke overlevering op dit uur de dode zoon op haar schoot nam, nadat alles was volbracht. De Vespers worden altijd afgesloten met een stilte.

Na de vespers is er nog de avondmaaltijd. Het half uur tussen de maaltijd en de Completen, de slotdienst van de dag, wordt vaak besteed aan het kapittel van de dag. Een gezamenlijke lezing of een voordracht in de kapittelzaal van het klooster.

Om 19.30 uur vinden de completen plaats, waarmee de dag wordt afgesloten. Aan het slot van de completen wordt het Salve Regina gezongen. De kloosterkerk wordt verduisterd, enkel een kaarsje en een spotje op het beeld van Maria in de kerk geven nog enig licht. Maria is de patrones van de cisterciënzer orde. Alle cisterciënzerkerken zijn aan haar opgedragen. De centrale plaats van Maria is met name aan Bernardus van Clairvaux te danken. Tegenover God zijn alle mensen, man en vrouw, in een ontvangende houding. Maria was bij uitstek de ontvangende mens. Tegenover God moeten alle mensen Maria zijn, moeten God laten binnentreden in hun leven, zo was zijn overtuiging.

 

Observaties

We komen bij het derde onderdeel van mijn verhaal: tijd die beleefd wordt als ‘liturgische tijd’. Het probleem met dit onderdeel is dat praten over tijd in het klooster haast altijd futiel is. Veel aspecten van het monnikenleven hebben te maken met het mysterie waarover ik aan het begin van dit artikel heb gesproken. Rationele verklaringen blijven vaak steken in onze eigen (voor)oordelen en onze referentiepunten. De gehele andere tijdsbeleving in een klooster ervaar je ‘aan den lijve’ wanneer je in een klooster verblijft. Vanaf het moment van binnenkomst totdat je het klooster weer verlaat om terug te keren naar de dagelijkse beslommeringen. Dagen later kun je nog de spanning voelen tussen het klooster en het ‘normale’ leven. Hoe wil je daarover nu in algemene, begrijpelijke termen spreken?

Ik zal proberen dat toch te doen door een aantal ervaringen te verwoorden, eigen ervaringen die zijn opgetekend in wat losse notities tijdens diverse verblijven in kloostergemeenschappen. En ervaringen van anderen die hun kloosterervaringen te boek hebben gesteld.

De diverse kloosterverblijven heb ik zelf met gemengde gevoelens ervaren. De stilte en rust in het klooster staan zo haaks op mijn eigen leven dat stilte nogal eens resulteert in grote onrust in mezelf. Het getijdenritme van de monniken maakt de dag wel productiever. Het klinkt vreemd, maar toch, ik heb telkens weer gemerkt dat de afwisseling van gebed en werk tot grotere helderheid en concentratie leidt op de momenten dat er wat moet gebeuren.

Het is soms moeilijk om in het klooster je eigen observerende blik uit te schakelen, om niet te letten op kleine onvolkomenheden, valse tonen in de psalmenzang, krakkemikkige voordracht van lezingen. Maar iedere keer weer zijn er ook momenten van ontroering. Ontroering om de kleine dingen die gebeuren, anders gebeuren dan buiten het klooster. De attentie en zorg, de vriendelijkheid en oplettendheid, de eenvoud en geen kapsones, de sfeer van ongekunstelde positiviteit. De merkwaardige, soms mysterieuze combinatie van grote bedrijvigheid en rust. De tijd staat niet stil in het klooster, het tegendeel is het geval, ik ben iedere keer weer verbaasd over hoe snel het verblijf verloopt, voor dat je het weet neem je weer afscheid van de gastenzuster.

 

Opnieuw het mysterie.

Om de tijdservaring binnen het klooster te verduidelijken moet je eigenlijk monniken zelf aan het woord laten. Ik verwijs daarvoor naar het indringende en prettig geschreven boek van Bert Claerhout, waarin 12 ‘geroepenen’ vertellen over hun beleving van het kloosterleven.

            Ik laat aan het slot van deze paragraaf drie auteurs aan het woord, die naar mijn mening er goed in geslaagd zijn om iets van het mysterieuze karakter van het kloosterleven onder woorden te brengen. Ik begin met Henri Nouwen, die in het slotwoord van zijn boek het volgende naar voren brengt: “Waarom ben ik eigenlijk gegaan? Omdat er een innerlijk ‘moeten’ was, waarop ik een positief antwoord ontving. Waarom ben ik er gebleven? Omdat ik wist dat ik op de juist plaats was en niemand het tegendeel beweerde. En waarom ben ik er geweest? Dat weet ik nog niet precies. Misschien zal ik dat nooit helemaal weten tot het einde van mijn levensweg. Toch kan ik zeggen dat ik er een ongelooflijk kostbare herinnering aan heb, die nog steeds doorwerkt in alles wat ik doe of van plan ben om te doen. Ik kan niet meer leven zonder herinnerd te worden aan de glimp van Gods genade die ik in mijn eenzaamheid heb opgevangen, aan de lichtstraal die mijn duisternis heeft doorbroken, aan de zachte stem die in mijn stilte heeft gesproken en de zachte bries die me van achteren heeft aangeraakt. Toch brengt deze herinnering me niet alleen maar terug bij de rijke ervaringen van het verleden. Steeds weer biedt zij me nieuw zicht op de gebeurtenissen van het heden en is zij een leidsvrouw bij mijn beslissingen voor de toekomst. Altijd zal deze herinnering aanwezig zijn, midden in al mijn dwangmatig handelen, in mijn hartstocht, mijn illusies en irreële denkbeelden en daar de valse dromen ontmaskeren en mij de juiste richting wijzen.” (227-228)

            Karin Armstrong schrijft in haar boek Door de nauwe poort het volgende in het nawoord: “In de orde ontdekte ik dat we gecompliceerde wezens zijn en dat geest, hart, ziel en lichaam voortdurend zijn verwikkeld in een bloedige strijd. Een van de belangrijkste dingen die ik van het kloosterleven leerde, was juist de relatieve machteloosheid van de wil. Het is goed dat te beseffen, maar het maakt je wel nederig. Het brengt een soort vrede mee. Ik ben nu een betere non dan ik ooit in het klooster ben geweest. Je kunt zo bang zijn andere mensen meer lief te hebben dan God dat je ronduit liefdeloos wordt. … Ironisch genoeg zie ik tegenwoordig bij mezelf soms de eigenschappen van onthechting en onafhankelijkheid die gelijk zijn aan die welke ik zo moeizaam probeerde te verwerven toen ik een non was.” (p. 317)

            En tenslotte Kathleen Norris, een Benedictijns oblate (geassocieerd lid van een orde). “Ik zou eens moeten proberen uit te leggen aan mijn vrienden, die moeite hebben te begrijpen waarom ik zoveel tijd doorbreng met benedictijnen in de kerk. Dat ik dat doe om dezelfde reden waarom ik schrijf: om woorden de kans te geven de aarde van mijn hart te bewerken. Om te zingen, om poëzie te lezen en om de poëzie en de woeste verhalen van de bijbel te laten voorlezen. Om samen met anderen te antwoorden in gezegend zwijgen.” (p. 158) En “De dagelijkse ronde van een kloosterleven – komen naar de dag, naar de kerk, naar de maaltijden, naar de avond, naar de slaap – worden gemarkeerd door de getijdenliturgie. Maar andere belangrijke momenten van komen en gaan – naar het noviciaat, naar de eerste geloften en vervolgens de eeuwige geloften, naar een nieuwe betrekking in een afhankelijk klooster aan de andere kant van de wereld, naar een zilveren of gouden kloosterjubileum, naar een wake aan een sterfbed, naar een begrafenis – worden gemarkeerd door heel plechtige en bijzonder mooie rituelen. Zelfs gebeurtenissen die in de wereld alledaags zouden zijn, worden vaak geheiligd door de achtergrond van een klooster”. (p. 378) Het laatste citaat: “Ik heb vaak het merkwaardige gevoel gehad dat het klooster de eigenlijke wereld is, terwijl de meedogenloze wereld die men ‘werkelijk’ noemt, eigenlijk iets kunstmatigs is, een illusie waaraan we ons vastklampen omdat ons eigenbelang daardoor gediend lijkt te worden. De ware stad, de heilige stad, biedt ons, om met Paul Philibert te spreken, een alternatief ‘visioen van menselijke relaties waar schoonheid meer waard is dan financieel gewin, waar vriendschap kostbaarder is dan voordeel en waar solidariteit in een gemeenschappelijk visioen van menselijke waardigheid meeslepender is dan zelfverwerkelijking.” (p. 387)

 

Tot slot: de toekomst.

Een enkele opmerking over de toekomst, een tijdsperspectief waar je eigenlijk ook niet omheen kunt wanneer je spreekt over het kloosterleven.

            Over de toekomst kun je eigenlijk maar in twee varianten spreken. Oftewel heel zorgelijk (daarbij verwijzend naar de vergrijzing, een zeer klein aantal roepingen, kloosters die vanwege een te klein aantal monniken worden gesloten), of zonder zorg (kijkend naar de groeiende belangstelling voor een verblijf in het klooster, de groei van de orde in andere dan westerse landen, de geschiedenis van het monnikendom die telkens weer een periode van neergang door een ‘herrijzenis’ laat volgen). Ik opteer zelf voor de hoopvolle variant.

            Te veel bekommernis om de toekomst doet afbreuk aan het heden. Gelukkig is dat de stemming die ik zelf in veel kloosters aantrof die ik de afgelopen jaren heb bezocht. Dat betekent niet dat monniken de ogen sluiten voor de zogenaamde realiteit, het geeft wel aan dat hoop en vertrouwen meer soelaas bieden dan kommervol de ogen op de toekomst te richten.

Praktisch gesproken probeert men in sommige kloosters de verjonging in de gemeenschap te bereiken door de oudere broeders en zusters te laten verhuizen naar een ander huis. Er is vaak zo’n groot generatieconflict tussen jongeren en oudere monniken dat nieuwe aanwas gewoon niet voor elkaar te krijgen is in een sterk verouderde kloostergemeenschap.

Misschien komt er een tijd dat net als in andere culturen het gewoon wordt dat mannen en vrouwen na een werkzaam leven zich de laatste jaren terugtrekken in een contemplatief, ascetisch leven, om zich op die manier voor te bereiden op de dood. In het hindoeïsme is dat heel normaal.

Nieuwe samenlevingsvormen, geënt op en geïnspireerd door de cisterciënzer idealen worden doordacht en in sommige landen al uitgeprobeerd. Mogelijk ligt er ook de uitdaging om gekoppeld aan de kloostergemeenschappen woongroepen te laten leven. Er kan een wederzijdse bevruchting plaatsvinden, die voor beide kanten de overlevingsdrang sterker kan maken. 

Eigenlijk is scepsis niet op zijn plaats wanneer je spreekt over de toekomst van kloosters. Wanneer een fenomeen al vijftienhonderd jaar, met vallen en opstaan, maar toch ook weer steeds gesterkt, het heeft volgehouden. Waarom zou het dan nu plots, in een tijd waar meer behoefte aan spiritualiteit leeft dan ooit tevoren, waarom zou het dan nu ten einde komen?

 

 

Literatuur

Armstrong, Karen, Door de nauwe poort. Mijn zeven kloosterjaren – een spirituele ontdekkingsreis, Amsterdam, 1997 (Anthos).

Claerhout, Bert, Een leven van liefde. Cisterciënzers in de lage landen op weg naar de 21e eeuw, Tielt, 1999 (Lannoo).

Cloedt, Filips de (edt.), Benedictus. Symbol abendländischer Kultur, Stuttgart, 1997 (Belser).

De regel van Sint Benedictus, vertaald door F. Vromen, Slangenburg 1989.

Grün, Anselm & Christiane Sartorius, Den Himmel zur Ehre – Der Erde zum Zeichen. Menschliches Reifen in Ordensleben, Freiburg, 1997 (Herder).

Kloster Mariawald. Glauben um zu sehen – sehen um zu glauben, Mariawald, 1991.

Lekai, Louis J., De orde van Citeaux. Cisterciënzers en trappisten. Idealen en werkelijkheid, Achel, 1980.

Leroux-Dhuys, Jean-François, Cisterciënzer Abdijen. Geschiedenis en architectuur, Köln, 1999 (Könemann).

Norris, Kathleen, De Kloostergang, Baarn, 1996 (Ten Have).

Nouwen, Henri, Vreemdeling in het paradijs. Zeven maanden in een trappistenklooster, Tielt, 1997 (Lannoo).  

 

De tweede portal van het Bezinningscentrum is geheel gewijd aan websites met informatie over de kloostergeschiedenis, met name de Cisterciënzers en Trappisten. U kunt de portal vinden op de volgende link: http://www.bezinningscentrum.nl/links/special_links2.shtml  

 

Reacties zijn welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl