Liberale intellectuelen en gelovige hardliners

Een mormoonse universiteit in dialoog met de moderne tijd

Wim Haan

In oktober 1996 bezochten Wim Haan en Anton van Harskamp drie streng religieuze universiteiten in de V.S. 'Brigham Young University', de mormoonse universiteit, was daar één van. In deze bijdrage geeft Wim Haan een korte schets van deze universiteit en gaat aan de hand van recente en wat minder recente literatuur in op de spanningen die zich binnen dit instituut voordoen in de 'dialoog' tussen religieuze traditie en het actuele universitaire leven.

De ontmoeting met de Kerk van de Heiligen van de Laatste Dagen - kortweg mormonen genoemd, naar hun belangrijkste heilige boek - verloopt in de Nederland in de regel via een bezoek van een tweetal kortgeknipte nette Amerikaanse jonge heren, die met een hoorbaar Amerikaans accent komen getuigen van hun geloof. De eerste indruk is die van een nogal ingewikkelde aftakking van het christelijk geloof, met bekende namen als Abraham en Jezus Christus, en onbekende als Nephi, Alma en Omni. In Nederland heerst een sfeer van algemeen wantrouwen jegens 'sektarische' stromingen. Vaak worden de mormonen als een van de velen aangemerkt en op één hoop gegooid met oudere religieuze stromingen als de Jehovah's Getuigen en jongere als Scientology. Slechts weinig mensen hebben er een vermoeden van dat we te maken hebben met een in de Verenigde Staten tot de gevestigde kerkgenootschappen gerekende godsdienstige stroming. Een kerk dus, met wereldwijd zo'n 10 miljoen leden (in Nederland ongeveer 7000 leden). Het centrum van de mormonen, veelal aangeduid met de Engelstalige afkorting van de Latter Day Saints (LDS), ligt in de Amerikaanse staat Utah. In Salt Lake City bevindt zich het hoofdkwartier, met de bekende Temple en het Church Office Building, waarin de kerkelijke hiërarchie en administratie zijn gehuisvest.

De LDS-kerk heeft ook een eigen universiteit, Brigham Young University (BYU), gelegen in de stad Provo, zo'n 65 kilometer ten zuiden van Salt Lake City. De universiteit is genoemd naar een van de belangrijkste leiders van LDS, president van de kerk en gedurende enige tijd gouverneur van Utah. Binnen het Amerikaanse universitaire landschap neemt deze mormoonse universiteit een specifieke plaats in. En dat niet alleen omdat de universiteit 'eigendom' is van de LDS-kerk. BYU kan op bepaalde gebieden als 'prototypisch' worden gezien voor dilemma's waar 'church related' universiteiten voor komen te staan in rapport met de moderne tijd.

Een impressie van een mormoonse universiteit

Brigham Young University is met zijn circa 33.000 studenten de grootste particuliere, door een kerk gesponsorde universiteit in de V.S. In 1875 gesticht als Brigham Young Academy, met zo'n 100 studenten, is BYU uitgegroeid tot een indrukwekkend universitair instituut met 166 studierichtingen, ondergebracht in 10 'colleges' (vergelijkbaar met onze 'faculteit'). De campus bestrijkt circa 640 hectare, waarop in ongeveer 500 gebouwen alle onderdelen van het universitaire 'bedrijf' zijn gehuisvest.

Enige statistieken (1996): aantal ingeschreven nieuwe studenten 6.329 (afgewezen 1.270), totaal aantal 'undergraduate': 26.483. 99% van de studenten is lid van de LDS-kerk. De verdeling man-vrouw is half om half. Circa 30% is afkomstig uit Utah, 65% uit andere Amerikaanse staten en 5% uit de rest van de wereld (1.595). De vraag of je bij BYU als student 'waar voor je geld krijgt' zal bevestigend worden beantwoord. Wanneer de algemene 'ranking' van de universiteit wordt afgezet tegen de kosten, springt BYU er als beste uit. Wanneer persoonlijke uitgaven niet worden meegeteld, kost een jaar studeren bij BYU voor LDS-studenten 7.415 dollar (ongeveer fl.13.000).1 Het bedrag is als volgt opgebouwd: $2530 collegeld, $3930 kamer en maaltijden, $955 boeken en andere benodigdheden. Via tal van beurzen en mogelijkheden om betaald werk op de campus te verrichten kunnen studenten de kosten grotendeels zelf opbrengen.2

BYU doet het goed in de concurrentie met de andere Amerikaanse universiteiten. Sommige vakken (bijvoorbeeld op het terrein van de gezondheidswetenschappen) worden tot de top tien gerekend. Met name de 'business-school' en 'accounting' hebben een vaste plaats in de lijst van beste op deze terreinen.

Aan BYU zijn in totaal zo'n 1500 wetenschappelijke medewerkers werkzaam. Na tal van 'checks and balances' krijgen medewerkers na zes jaar een 'tenure' (vaste aanstelling). Aan de top van de hiërarchie van de universiteit staat de 'Board of Trustees', waarin vertegenwoordigers van de autoriteiten van de LDS-kerk zitting hebben. Binnen de universiteit is er de 'President' (in het Amerikaanse systeem een machtiger functie dan de voorzitter van het College van Bestuur in het Nederlandse systeem), de 'Provost' (vergelijkbaar met de rector magnificus) en een aantal 'Vice-Presidents' voor diverse onderdelen van de universiteit (personeel, studenten, financiële administratie etc.) Aan het hoofd van de 'colleges' staan de 'Deans'. Voor een bestuurspost aan BYU word je door de 'President' gevraagd of beter gezegd 'aangewezen'.

'Mission Statement'

BYU is 'eigendom' van de LDS-kerk: 70% van de inkomsten van de universiteit is afkomstig uit een kerkelijke bijdrage. Voor de kerk is van groot belang dat de 'opbrengst' van de universiteit op een positieve wijze kan worden ingezet binnen de doelstellingen en missie van de LDS-kerk. De LDS is een leken-kerk. Het kerkelijk kader en ook alle functionarissen op plaatselijk niveau worden grotendeels gerecruteerd (direct of indirect) uit BYU-afgestudeerden. Dit leidt tot het opvallende fenomeen dat er eigenlijk geen onderscheid bestaat tussen de doelstellingen van de kerk en de doelstellingen van de universiteit, althans wanneer we spreken over de puur ideologische zijde van de medaille. Voor LDS is van belang dat er continuïteit bestaat tussen de gelovige opvoeding van kinderen door hun ouders, het onderwijs op de middelbare school, de universitaire studie en de mormoonse familie waarbinnen het geloofsaspect een grote rol speelt. Om die reden is alles erop gericht de universitaire studieperiode niet als een 'stoorzender' te laten functioneren in de continuïteit van kinderen tot gelovige volwassenen. Niet alleen is het zo dat alle studenten verplicht lid zijn van een mormoonse 'stake' of 'ward' (de LDS-equivalenten van de RK-parochie en het RK-bisdom), maar ook in de organisatie en de inhoud van het onderwijs is een belangrijke plek voor het geloof ingeruimd.

De 'Mission Statement' van BYU - 'gesticht, gesteund en geleid door de LDS-kerk' - is bedoeld om individuen te assisteren bij hun zoektocht naar volmaaktheid en eeuwig leven. Het gaat om een volledige verwerkelijking van de menselijke mogelijkheden, om de totale persoonlijkheid, inclusief uiteraard de spirituele aspecten. De uit de missie afgeleide doelstellingen worden met woorden van Brigham Young samengevat als 'Education is the power to think clearly, the power to act well in the world's work and the power to appreciate life'.3

De opleiding moet leiden tot (a) versterking van het geloof, (b) intellectuele verbreding, (c) karaktervorming en (d) levenslang leren en dienst aan de kerk en de maatschappij.4

In de toelichting op (a) wordt vastgesteld dat het niet de bedoeling is dat alle docenten voortdurend godsdienstonderwijs moeten geven in hun colleges. Maar wel dat 'iedere docent de onderwerpen in het licht van de 'kleur' van het 'herstelde evangelie' van de LDS-kerk moet onderwijzen. Het ideaal van alle onderwijs van BYU is 'to build testimonies of the restored gospel of Jesus Christ'.

Een van de belangrijkste uiterlijke kenmerken van BYU is de aan de mormoonse leer ontleende 'honor code' waar studenten en personeel zich aan moeten houden. Behalve algemene regels als 'eerlijkheid, gehoorzamen aan de wet, anderen respecteren' behoren ook kledingsvoorschriften en zaken als het alcohol-verbod, verbod om te roken en koffie en thee te drinken en seksuele onthouding buiten het huwelijk tot deze voorschriften. Tot de 'honor-code' behoort ook de opdracht om anderen 'te helpen' om zich te conformeren aan de regels. Er bestaan speciale organisaties van studenten die het in acht nemen van de code stimuleren en overtredingen bestraffen.

Onderwijs en organisatie

Alle studenten hebben in hun curriculum een verplicht onderdeel 'religious education'. Daarnaast vindt er iedere week op donderdag een universitaire bijeenkomst plaats die afwisselend 'devotional' of 'forum' wordt genoemd. Hoewel de aanwezigheid bij deze bijeenkomsten niet verplicht is, worden ze in de regel toch door zo'n 5000 studenten bijgewoond. De bijeenkomsten duren een uur. De 'devotionals' bevatten als vast onderdeel een toespraak door een docent van de universiteit waarin de relatie wordt gelegd tussen de mormoonse levensbeschouwing en wetenschapsbeoefening. In de 'forums' worden sprekers van 'buiten' uitgenodigd, waarvan men aanneemt dat ze studenten iets zinvols kunnen vertellen over morele waarden en ethische kwesties. Iedere zondag komen studenten in kleine groepen bij elkaar in bijeenkomsten waarin over geloofskwesties wordt gesproken en waarvan in de regel ook gebed deel uitmaakt. Hoewel een oppervlakkige waarnemer tijdens een rondleiding weinig zou merken van het feit dat BYU een mormoonse universiteit is (behalve het feit dat de studenten er netjes bijlopen), kan men stellen dat de universiteit toch doordrenkt is van de verwevenheid tussen wetenschap en godsdienst.

Vooral op het gebied van het personeelsbeleid is dit duidelijk. Allereerst zijn bij iedere benoeming vertegenwoordigers van de kerkelijke autoriteiten betrokken. Om voor benoeming in aanmerking te komen is actieve kerkelijke betrokkenheid een belangrijke voorwaarde. Bij een vaste aanstelling wordt de wijze waarop een medewerker het geloof in praktijk brengt (zowel in het onderwijs, als in andere verbanden) betrokken bij het besluit om wel of geen 'tenure' toe te kennen. Docenten die in hun colleges zaken verkondigen die in strijd worden geacht met de mormoonse leer worden daarop aangesproken, soms tot het hoogste niveau toe. Daarbij komt nog dat men de vaste regel hanteert dat wetenschappelijk medewerkers van de universiteit tegelijkertijd 'temple recommended' moeten zijn, dat wil zeggen dat ze bevoegd moeten zijn om in de mormoonse 'temple' religieuze rituelen te voltrekken. Wanneer iemand op kerkelijk terrein tekort schiet kan dat directe gevolgen hebben voor het dienstverband met de universiteit.

Enige jaren geleden is door het universitair bestuur een 'Statement on academic freedom at Brigham Young University' vastgesteld. In een heldere verklaring wordt uiteengezet hoe de religieuze missie van BYU zich verhoudt tot de principes van academische vrijheid. Op een buitenstaander maakt het document indruk. Op genuanceerde wijze worden de principes van 'individuele vrijheid' en 'institutionele academische vrijheid' tegen elkaar afgezet. De wijze waarop de grenzen van de vrijheden worden verwoord ademt een liberale en open geest.

Ervaringen

Op verschillende manieren wordt de gestaltegeving van het religieuze element van BYU in universitaire structuren ingepast. Daarover is in de vorige paragrafen al het een en ander gezegd. Ook het onderwerp 'academische vrijheid' staat bij BYU vrijwel geheel in het teken van de vrijheden en restricties die een mormoonse universiteit met zich meebrengen. Feit is echter dat binnen BYU heel verschillend wordt gedacht over de wijze waarop het LDS-gedachtegoed zich manifesteert in de universiteit. Waar voor de een sprake is van een bevrijdend aspect, wordt door anderen de terminologie 'autoritaire structuur die een strenge censuur in de hand werkt' gehanteerd.

Voor BYU is de loyaliteit van de medewerkers in relatie tot de religieuze identiteit van de universiteit van levensbelang. Men is er zich van bewust dat veel vakwetenschappers in de eerste plaats hun relaties hebben met vakbroeders uit de eigen discipline, en minder met de (eigen) faculteit en universiteit. We werden er tijdens ons verblijf in Provo op attent gemaakt dat hard wordt gewerkt aan de opzet van een 'seminar' voor nieuwe personeelsleden. Naast aandacht voor technische aspecten van het onderwerp staat daarbij met name de loyaliteit aan de universiteit centraal. In dat verband worden senior-medewerkers ingehuurd om te vertellen van hun eigen ervaringen in de omgang met de spanning tussen levensbeschouwing en wetenschapsbeoefening. Dat daarbij met name wordt ingegaan op de wijze waarop zij het religieuze gedachtengoed van de LDS-kerk kunnen integeren in hun onderwerp spreekt voor zich.

De introductie van het document over academische vrijheid suggereert dat er ook sprake is van een cultuurverandering in de richting van meer openheid. Tijdens onze gesprekken met de universitaire managers bleken zich echter de laatste jaren nogal wat personele problemen te hebben voorgedaan die rechtstreeks te maken hadden met de inhoud van het onderwijs. Twee feministische wetenschappers kregen geen vast dienstverband omdat ze in hun onderwijs zaken verkondigden die in strijd werden geacht met de mormoonse leer. Ook de schrijver van een roman waarin nogal wat geweld voorkwam, moest het veld ruimen. Opvallend is dat het hier met name gevallen betreft van afwijkingen van de traditionele familie-moraal en de conservatieve politieke attitude die zo kenmerkend is voor de mormoonse gemeenschap. Het blijkt dat de kerkelijke autoriteiten steeds vaker aandringen op het aannemen van personeel dat zeer strikt is in de mormoonse leer. Het klimaat voor dissidenten en 'vrijdenkers' is aanzienlijk verslechterd. Voor de managers gaat het overigens om incidenten. Een van onze gesprekspartners - een 'liberale' mormoon - schetst echter een schrikbeeld van toenemende intolerantie. Hij presenteerde daarover een interessante gedachtengang. De universiteit heeft zich zijns inziens steeds meer geconformeerd aan het extreme conservatisme dat zich van grote groepen in de samenleving heeft meester gemaakt. Dat leidt ertoe dat over sommige kwesties niet meer in academische zin kan worden gediscussieerd, maar dat ze in een zodanige hoek zijn gezet dat ze haast satanische vormen hebben aangenomen. Zo het feminisme, zo homoseksualiteit. Veel kwesties zijn dus onbespreekbaar geworden. En veronderstelde afwijkingen worden meteen doorgebriefd aan de kerkelijke autoriteiten, waarop vaak disciplinaire maatregelen volgen. Er zijn tal van andere gevallen te melden van medewerkers die geen vast dienstverband hebben gekregen om ideologische redenen. Een institutioneel debat is onmogelijk geworden.

We hadden tijdens ons verblijf ook de gelegenheid een bezoek te brengen aan de Sunstone-organisatie. Sunstone organiseert conferenties waarop allerlei 'mormon related' onderwerpen aan de orde worden gesteld en geeft daarnaast een tijdschrift uit dat zes keer per jaar verschijnt. Sunstone is door de mormoonse autoriteiten enige jaren geleden 'informeel' in de ban gedaan omdat er nogal wat kritische discussies werden gevoerd, onder andere over ontwikkelingen in BYU. Hoewel de 'ban' enkel betrekking had op het bijwonen van conferenties, heeft het BYU-bestuur besloten om alle medewerkers formeel te verzoeken niet langer mee te werken aan het tijdschrift. BYU-medewerkers die wel artikelen publiceren in Sunstone lopen het risico zich allerlei repressieve maatregelen op de hals te halen. In het gesprek met de uitgever/hoofdredacteur van het tijdschrift werd ons verteld dat medewerkers niet direct veroordeeld of ontslagen worden, maar dat vaak via een omweg hun de positie in de universiteit onmogelijk wordt gemaakt, bijvoorbeeld doordat de LDS-kerk hun 'temple recommendation' ongedaan maakte.

Uiteindelijk draait het allemaal om de vraag wie in de universiteit vast kan stellen wat tegen de leer is en wat niet. Omdat de 'Board of Trustees', het hoogste bestuurlijke orgaan van BYU, enkel bestaat uit kerkelijke autoriteiten, kan er geen twijfel over bestaan wie de bandbreedte in de definitie van 'geoorloofde uitspraken' bepaalt.

In een gesprek met een aantal vertegenwoordigers van het hooglerarencorps van de faculteit der sociale wetenschappen worden we geconfronteerd met een boeiende visie op de bijdrage van BYU aan het pluralisme in het universitaire landschap. Juist BYU en andere universiteiten met een helder omschreven (religieuze) identiteit leveren volgens de hoogleraren een waardevolle bijdrage aan de pluraliteit. Immers bij het overgrote deel van de staats- en particuliere universiteiten is de identiteit vervaagd. Eigenlijk is er sprake van een algemene tendens van normloosheid en (postmodern) relativisme. Juist monolytische, door een religieuze leer bezielde en gereguleerde universiteiten als BYU kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan een kritische discussie over de zo betreurenswaardige ontwikkeling in de richting van een algehele vervlakking, aldus de hooggeleerde sociale wetenschappers. In die zin meent men dus een bijdrage aan het pluralisme te leveren.

Ook een vertegenwoordiger van de meer orthodoxe stroming was één van onze gesprekspartners. Die orthodoxe stroming concentreert zich overigens vooral in het 'Department of Religious Studies'. Waar de 'liberalen' met name de bedreigingen van de academische vrijheden signaleren, leggen de 'orthodoxen' de nadruk op de loyaliteit met de kerk en dus ook met de universiteit. 'Wanneer de liberalen voortdurend bezig zijn met onze universiteit te ondermijnen, dan mogen wij toch zeker in woord en geschrift de universiteit verdedigen?', zo luidt de gedachtengang.

Met alle variëteit in de beoordeling van de academische vrijheid aan BYU blijft voor de buitenstaander fascinerend dat ook de systeem-critici van BYU (tot aan de enigszins gefrustreerde uitgever van Sunstone toe) met beide voeten in de LDS-kerk willen blijven staan. Ondanks alle kritiek is er sprake van een onverminderde loyaliteit met de kerk.

Conclusies

De godsdienstsocioloog Thomas O'Dea heeft in 1957 een studie over de mormonen laten verschijnen die aan actualiteit nauwelijks lijkt te hebben ingeboet.5

In het laatste hoofdstuk beschrijft O'Dea 'bronnen van spanning en conflict' binnen de mormoonse gemeenschap. 'Alleen de vragenstellende intellectueel is ongelukkig', zo luidt het citaat waarmee O'Dea de paragraaf over de spanning tussen het mormoonse geloofsgoed en het moderne seculiere denken opent. Voor een overgrote meerderheid van de mormonen biedt het LDS-gedachtegoed een basis voor een bevredigend leven. De mormoonse intellectueel heeft een dubbelrol: als schepper en behouder hoog geacht, als criticus en vragensteller verdacht.

O'Dea herleidt het fundamentalistische en zeer behoudende karakter van het mormoonse geloof tot de oorsprong van de LDS-kerk. In een tijd van grote verwarring en onduidelijkheid boden de nieuwe openbaringen die de stichter van de kerk, Joseph Smith (1805-1844) zou hebben ontvangen een antwoord op alle onhelderheid over hoe je de bijbel moet interpreteren en hoe de geschriften kunnen doorwerken in onze tijd. Een 'fundamentalistische', letterlijke interpretatie is aldus van levensbelang voor de continuïteit van het mormoonse geloof.

Door tegelijkertijd groot belang te hechten aan een gedegen, hoogwaardige opleiding wordt een kwetsbaarheid gecreëerd die tot spanningen leidt. Een van de kernwaarden van het universitaire onderwijs, het kritisch ondervragen van de werkelijkheid, staat op gespannen voet met een letterlijke interpretatie van de geschriften. Staat ook op gespannen voet met de wijze waarop de LDS-kerk hiërarchisch is gestructureerd. Ook de universiteit heeft dus een dubbelrol die spanningen oproept. Ze moet het kader leveren dat naast andere verantwoordelijke taken ook het 'mormoonse verhaal' moet doorvertellen. Maar dat toekomstige kader wordt geconfronteerd met het aanleren van een kritische geest die vanzelfsprekendheden ter discussie stelt.

O'Dea vergelijkt de overgang van mormoonse jongeren naar de universiteit met de overgang van een hoge-drukkamer naar de buitenlucht, zonder een aantal fasen van decompressie te hebben gepasseerd. Dat vergt een intensieve begeleiding door allerlei vormen van sociale en onderwijs-gebonden activiteiten die nauw aansluiten bij de mormoonse wereld waar de jongeren uit voortgekomen zijn.

De LDS-kerk is een lekenorganisatie. De 'kerkelijke leiders' hebben zelden een theologische achtergrond, zijn dus in de regel ook niet de meest capabele gesprekspartners om theologische en doctrinaire vernieuwingen tegen het licht van de ontwikkelingen in kerk en samenleving te houden. Dat leidt ertoe dat de 'liberale mormonen' in de kerkelijke autoriteiten toch vaak de grootste tegenstanders aantreffen. Naar het oordeel van O'Dea is het echter tegelijkertijd zo dat juist de liberale intellectuelen er goed in slagen om 'jongeren bij de kerk te houden'. De autoriteiten hebben de liberalen 'broodnodig' om de noodzakelijke verbindingen te leggen tussen de mormoonse kerk en moderne ontwikkelingen in het hoger onderwijs en in de samenleving.

De mormoonse kerk kent niet de figuur die we in andere kerkgenootschappen kennen, namelijk dat er een minimale consensus over bepaalde onderdelen van de leer moet zijn om 'erbij te kunnen horen'. Het is alles of niets. Dat zou een van de verklaringen kunnen zijn voor het eerder gesignaleerde fenomeen dat aan BYU al snel allerlei onderwerpen worden 'verketterd', die op het eerste gezicht niet veel te maken lijken te hebben met de 'kern' van de mormoonse leer.

Heel herkenbaar in onze ontmoeting met een aantal 'liberale intellectuelen' was de vaststelling van O'Dea dat de mormoonse intellectueel innerlijk verscheurd is tussen loyaliteit met de mormoonse traditie en een 'commitment' aan de moderne, kritische geest, tussen authentieke betrokkenheid bij de eigen groep en de levenswijze van de mormonen, en wat O'Dea noemt de 'intellectual dispositions of the modern temper'.

Eugene England is hoogleraar Engels aan BYU en behoort tot de 'liberalen' van de universiteit. In een indrukwekkend boekwerkje met een aantal persoonlijke essays, brengt hij op een pregnante wijze de door O'Dea geschetste spanningen voor het voetlicht.6

England spreekt over een 'schandalig gebrek aan respect, isolatie door deelname aan exclusieve symposia en een ontbreken van enige vorm van dialoog' wanneer hij de relatie tussen 'liberals' en 'conservatives' beschrijft. In de wijze waarop critici worden beschuldigd en dissidenten worden behandeld ziet hij sterke analogieën met de heksenjacht in de 17e eeuw. England hanteert hier de term 'spectral evidence'. 'When persons are rejected from a teaching position, or denied publication, simply because of an unusual belief or controversial reputation, they are victims of spectral evidence.'7

Aan de hand van een aantal statements van Brigham Young laat England zien dat juist Young een groot voorstander was van 'open universiteit' waarin gesprek en dialoog over meningsverschillen dient te worden gekoesterd. Zelfs Brigham Young wordt het slachtoffer van 'stereotypering' waarvan ook in de boven genoemde 'spectral evidence' sprake van is. England concludeert dat '... BYU was founded, very consciously, to further the most intellectually exciting goal a university could have - the full development of individuals in terms of all possible capacities ...'.8 Aan BYU worden meningsverschillen als bedreigend worden ervaren, aldus England. 'Too many students and even faculty hunger for the devil's bread of easy and final answers without disagreement or struggle'.9

Brigham Young University is een fascinerend voorbeeld van de 'clash' van de moderniteit met een door een religieuze traditie gevoed instituut voor hoger onderwijs. De belangentegenstellingen tussen de voorstanders van verregaande academische vrijheden en de behoeders van de religieuze traditie lijken onoverkomelijk groot. Het aantal 'kritische intellectuelen' dat zich weet te handhaven - vereerd en verguisd - wordt steeds kleiner. Of dit leidt tot een monolitisch instituut waar uiteindelijk alleen de 'sectarische geest' de boventoon voert moeten we afwachten. Wanneer door 'buitensluiting' allerlei spanningen schijnbaar worden opgelost wordt ook het vernieuwingspotentieel buitengesloten. En dat zou weer desastreuze gevolgen kunnen hebben voor de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek van BYU. Misschien is een mormoonse universiteit wel uit de tijd ? ....

Noten

1. Niet-LDS studenten betalen $1300 dollar meer. Dat heeft te maken met het feit dat de LDS-kerk (met fondsen van alle betalende kerkleden) BYU fors subsidieert.

2. De gegevens komen uit The Y Guide 1996 - 97, publikatie van de Studentenadministratie van BYU.

3. The Mission of Brigham Young University and The Aims of a BYU Education, BYU, goedgekeurd door de Board of Trustees op 1 maart 1995.

4. 'A BYU education should be (1) spiritually strenghtening, (2) intellectually enlarging, and (3) character building, leading to (4) lifelong learning and service'.

5. Thomas F. O'Dea, The Mormons, Chicago (University of Chicago Press) 1957.

6. Eugene England, Making Peace, Salt Lake City (Signature Books) 1995.

7. Ibidem, p. 26.

8. Ibidem, p. 73.

9. Ibidem, p. 80.

 

Reacties welkom: wtg.haan@mdw.vu.nl

Sluit dit venster