Vrije Universiteit > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
© Magazine Littéraire 2004
Entretien René Girard par Thomas Regnier
Werkvertaling t.b.v. bijeenkomst 12 november 2004
René Girard: De noodzakelijke terugkeer tot de bijbel
Hij heeft studies geschreven die klassieke universitaire leerboeken geworden zijn: vanuit literair perspectief De romantische leugen en de romaneske waarheid en vanuit historisch en antropologisch perspectief God en geweld en Wat vanaf het begin der tijden verborgen was. Deze disciplines vormen overigens een eenheid voor Girard, die zich verzet tegen de willekeurige indelingen binnen de wetenschap. Hij is bekend om de begrippen zondebok en mimetische rivaliteit die hij binnen de cultuurwetenschap heeft ingevoerd: vruchtbare werkhypotheses, die hij dankt aan het bestuderen van de bijbel. Daardoor komt de geschiedenis van de menselijke beschaving voor hem in een nieuw daglicht te staan, vanaf de oorsprong tot op de dag van vandaag. Vanuit de antropologie bepleit hij een historische analyse van het religieuze, met een speciaal accent op de overgang van het archaïsche naar het moderne stadium. Dat laatste wordt in zijn ogen door het christendom belichaamd, dat de mechanismen van de offerrite onthult.
Dertig jaar geleden leken zijn theorieën over de rol van het mimetisme en het offer in het politieke beleid omtrent geweld nog een letterkundig tijdverdrijf. In een tijd van mondialisering en wereldwijd terrorisme zijn ze eensklaps van een verrassende actualiteit. Met zijn Origines de la culture is René Girard weer terug op zijn oude weg: een halve eeuw intellectueel leven van een hoogleraar die altijd de bijbel en de grote werken uit de literaire canon prefereert boven de filosofische concepten en systemen. Een interview met een van de boeiendste en meest controversiële denkers van onze tijd.
-Vanuit uw opleiding bent u historicus, maar al zeer vroeg kreeg u belangstelling voor de literatuur. De intuïties die bij u opkwamen vond u bevestigd in het werk van bepaalde schrijvers.
Mijn vader was bibliothecaris. Hij had de
uitleenbibliotheek van Avignon opgezet. Ik herinner me dat ik op een dag Proust
begon te lezen, zonder te weten wat dat was. Hoewel de tekst moeilijk voor me
was, werd ik er meteen door gegrepen. Hoe is het mogelijk dat een schrijver zo
diepzinnig kan spreken over iemands innerlijk leven? Het maakte een
overweldigende indruk op mij. Een paar jaar later las ik de eerste komedies van
Shakespeare. Daarin komen scènes voor waarin telkens twee individuen alles
delen, dezelfde verlangens hebben en door dat alles de beste vrienden ter wereld
zijn. Opeens worden ze verliefd op dezelfde vrouw en ontdekken ze dat van
vrienden rivalen zijn geworden: komisch en tragisch tegelijk. Dit noem ik
mimetische rivaliteit, een fenomeen dat optreedt bij personen die buitengewoon
veel van elkaar houden en tegelijkertijd de grootste hekel aan elkaar hebben.
Hoe meer mensen op elkaar lijken, hoe meer ze hetzelfde verlangen, en hoe meer
ze gedoemd zijn tot mimetische rivaliteit: een fundamenteel conflict dat het
humanisme van de Verlichting weigert onder ogen te zien. Toch is het in mijn
ogen de wet van de wereld der concurrentie waarin wij leven. De mens is een
imitatief wezen, in de slechte en goede zin van het woord: enerzijds heeft
imitatie te maken met het vermogen om dingen te leren, anderzijds met de
onvermijdelijke begeerte naar hetzelfde en naar een rivaliteit die
onverzoenlijker wordt naarmate de rivaal meer wordt gewaardeerd. Dit mimetisch
mechanisme, dat de betrekking tot een ander uiterst problematisch maakt, is in
mijn ogen de werkelijke oorzaak van de narcistische krenking.
-Op uw intellectuele
pad heeft u eerst de grote schrijvers uit de klassieke en moderne literatuur
gelezen en daarna pas antropologische studies. Is de literatuur rijker aan intuïties
dan de menswetenschappen?
Ik denk dat de menswetenschappen zich kunnen aanpassen aan
deze kennis. Als ze dat nog niet gedaan hebben, is het omdat ze gevangen bleven
binnen een denksysteem dat direct van het Verlichtingsoptimisme afkomstig is.
Diderot ontdekt de mimetische rivaliteit, maar tegelijk, zoals ook Marx later,
interpreteert hij zijn personages als het product van historische
omstandigheden. Daarbij heeft hij niet in de gaten dat het democratische
tijdperk niet noodzakelijk tot harmonie leidt. Het omgekeerde is namelijk het
geval. Hoe meer men de barrières tussen klassen gaat slechten, hoe meer de
fundamentele rivaliteit zich laat gelden. De moderne wereld bevordert een
concurrentie die onmisbaar is voor het goed functioneren van de samenleving.
Tegelijk is het buitengewoon moeilijk om met die concurrentie te leven. Daarom
is de wereld van de democratie die van het ongenoegen.
-Bij het oproepen van
mimetische rivaliteit erkent u soms schatplichtig te zijn aan de freudiaanse
psychoanalyse. Dat weerhoudt u er niet van stevige kritiek uit te oefenen op
enkele fundamentele dogma's daarvan, zoals de Oedipustheorie. Hoe plaatst u zich
ten opzichte van Freud?
Het is verre van mij het belang van zaken rond seksualiteit
te bagatelliseren. Wat ik afwijs is de relevantie van het Oedipuscomplex bij het
verklaren van rivaliteitsverschijnselen. Hoe de wereld waarin wij ons bevinden
er ook uitziet, onze ambitie wordt gevormd door onze naasten, dat wil zeggen
door concurrenten, mensen die dezelfde ambitie hebben als wij. Kinderen kunnen
zeer goed bij ouders opscheppen over successen, maar niet bij hun vriendjes,
kort gezegd hun alter ego. De familie is de enige plek waar je kunt pochen met
je succes en kunt zeuren over je mislukkingen: een fundamenteel gegeven waar
Freud geen oog voor had. Hij zei min of meer het tegendeel door te beweren dat
iemand de rivaal van zijn vader is. Zijn redenering is aldus: omdat de zoon
begeert wat zijn vader begeert, zal hij uiteraard zijn moeder begeren.
Lachwekkend! Joyce heeft het hem trouwens heel mooi gezegd: als men Shakespeare
uitlegt middels het incestueuze verlangen, betekent dit dat Shakespeare verliefd
was op een vrouw van 75 jaar
Een grap! Houd er mee op!
-Wanneer u niet de freudiaanse psychoanalyse kritiseert, heeft u het bij voorkeur gemunt op het structuralisme, met name op een van zijn founding fathers, Claude Lévi-Strauss.
Ik geloof inderdaad dat daar de neiging heerst om te ontkennen wat er werkelijk aan de hand is. Bij Lévi-Strauss is die ontkenning ook een kwestie van temperament. Hij heeft veel geleden van de wereld zoals hij is. Als balling heeft hij de oorlogsjaren in de Verenigde Staten doorgebracht. Hij kon overigens pas na de oorlog echt beginnen met zijn uiterst briljante carrière. Afgezien van deze biografische aspecten geloof ik dat het structuralisme het erg moet hebben van het verschil, dat wil zeggen van de afwijkingen. Het gaat om de opvatting dat taal niet in staat zou zijn om iets anders uit te drukken dan het verschil, de reden waarom culturen onderling verschillend zouden zijn en tenslotte waarom er culturele diversiteit in ruimte en tijd is. Ik denk daarentegen dat als culturen verschillen aanbrengen, dat gebeurt om conflicten te voorkomen. Maar toch zijn er in de geschiedenis van samenlevingen momenten waarop verschillen gewoon verdwenen zijn. Juist de tijd waarin wij nu leven bevindt zich op een dergelijk kritisch moment, waarin de spanningen zijn toegenomen. Het structuralistische denken van iemand als Lévi-Strauss wil dat verschijnsel niet onderkennen en ziet niet dat op een gegeven moment antropologie, sociologie, geschiedenis volstrekt samenvallen.
-Eigenlijk heeft u
kritiek op de antropologie van Lévi-Strauss in naam van een andere antropologie
die meer aandacht schenkt aan het mechanisme dat mimetische rivaliteit
voortbrengt.
Vanuit een zuiver antropologisch gezichtspunt beschouwd kan men inderdaad stellen dat de taal niet strikt hetzelfde kan uitdrukken, dat ze geen spiegel kan worden die volmaakt trouw is aan de werkelijkheid. Wanneer het echter om een antropologisch essentieel gegeven als de mimetische rivaliteit gaat, neemt de taal toch haar toevlucht tot metaforen. Zij voert dan tweelingen op, die zozeer aan elkaar gelijk zijn dat ze voortdurend met elkaar blijven strijden. Het zijn de gevechten tussen Abel en Kaïn of Romulus en Remus: mythologische voorbeelden die de verdienste hebben om niet slechts het symbolische maar zeker ook reële probleem van het eerstgeboorterecht aan de orde te stellen. Wie krijgt de erfenis van de vader? De wet van het eerstgeboorterecht werkt niet bij tweelingen. In alle samenlevingen op aarde heb je tweelingen die met elkaar strijden: ze brengen een crisissituatie aan het licht. Zo'n situatie doet zich voor wanneer samenlevingen ten prooi zijn gevallen aan een mimetisch verlangen dat op hol is geslagen. Dan verdwijnen de onderlinge verschillen als sneeuw voor de zon.
Eigenlijk is het probleem waar we mee te maken hebben, als
volgt: hoe kun je een samenleving organiseren van gelijken, die niet met elkaar
strijden? Anders gezegd: hoe kun je voldoen aan de ambitie een democratische
samenleving te scheppen en tegelijk vermijden wat er uit rivaliteit voortkomt?
Stendhal, die democraat was, zag zeer scherp dat de democratie een type
rivaliteit voortbrengt dat conflicten versterkt. De overweldigende monotonie in
bepaalde romans van Flaubert is het symptoom van een verkapte sociale crisis.
Tegelijk komen we daardoor iets te weten over het aristocratische van de
romanschrijver, zijn nietzscheaanse angst voor de democratische vervlakking in
een wereld waarin alles hetzelfde waard is en er niets meer gebeurt.
-Vanaf Flauberts
Education sentimentale tot American Psycho van Bret Easton Ellis lijkt een hele
reeks moderne romans uw stellingen aannemelijk te maken. Als ik u goed begrijp,
krijg ik de indruk dat u de antropologie opvat als een soort overkoepelende
wetenschap, die in staat zou zijn om de inbreng van literatuur, mythologie,
sociologie en etnologie te integreren. Hoe zou u uw verhouding tot de
antropologie definiëren?
Ook al bestaan bepaalde wetenschappen zoals de archeologie
uit concrete onderzoekingen en hebben ze daarom recht op volstrekte autonomie,
toch is het zo dat theorie dikwijls onmisbaar is om dingen te kunnen begrijpen.
Wat mij betreft pleit ik voor een antropologie die het religieuze hervindt. De
scheidslijn tussen de oude en moderne antropologie betreft de erkenning van de
sociale functie van het religieuze. Wat er aan de oude antropologie die bij
Frazer in Engeland begint en zich in Frankrijk voortzet met Durkheim
ontbreekt, is de erkenning dat het religieuze een reële functie kan hebben.
Voor Voltaire is het religieuze zonder functie. Auguste Comte herleidt het op
een anachronistische wijze tot een behoefte om de hele wereld te verklaren,
zonder te bemerken dat die uiteenzetting slechts een bezigheid kan zijn voor
aristocraten op wie de rampen van deze wereld geen vat hebben. Het religieuze is
dat helemaal niet! Het gaat om verboden die tot functie hebben om een grens te
stellen aan het geweld. Dat gebeurt met offergeweld, dat om een groter geweld af
te wenden, gericht wordt op een slachtoffer dat daarna geofferd wordt.
-U definieert
zichzelf graag als een 'antropoloog van het religieuze'. Betekent het doordenken
van religie als antropoloog allereerst: je er rekenschap van geven dat religie
een maatschappelijk regulerende rol heeft?
Vanuit de problematiek van het mimetisch verlangen ontdekt
men in feite de wijsheid van alle godsdiensten, ook de primitieve. Taboes
bijvoorbeeld hebben als effect dat ze potentiële rivalen scheiden, soms zelfs
zozeer dat ze de samenleving onbeweeglijk maken. Wat is het kastensysteem anders
dan een sociaal universum waar men nooit droomt, waar men nooit verlangt?
Enerzijds is het risico van rivaliteit dan nihil, anderzijds is er sociale
immobiliteit. De genialiteit van onze wereld is dat men van zo'n systeem heeft
afgezien. Die afwijzing is verbonden met de godsdienst, met de opening waartoe
het christendom ons in staat heeft gesteld.
-Maakte de komst van
het christendom een einde aan de hiërarchie?
De boodschap van het authentieke christendom bestaat eruit
dat elke hiërarchie wordt opgeheven.
Het idee van de eeuwige Vader, van "Ik heb slechts een vader" etc. is
geen herhaling, maar juist een vernietiging van het patriarchaat en bestaat er
namelijk uit dat de Vader de cultuur doorgeeft. De imitatie van het koninkrijk
der hemelen heft op een bepaalde manier iedere cultuur op. Het tijdperk van
samenlevingen die de tijd aan zichzelf hadden en statisch genoeg waren om
instituties te handhaven, is voorbij. Moderne samenlevingen zijn niet meer
stabiel, maar onderworpen aan een ontregeling, aan de snelheid waarmee
gebeurtenissen elkaar opvolgen, iets wat nog nooit vertoond is. Wie had ooit
kunnen denken dat in tien jaar tijd de zorg om de koude oorlog zou zijn
omgeslagen in die om de radicale islam!
-Tegen de opvatting
dat het religieuze krachtig terugkeert (Régis Debray nam dat op in zijn recente
boek Le Feu sacré), verzet u zich met de stelling dat religie aan het
verzwakken is. Welke nieuwe vormen neemt religie aan in een wereld waar - zoals
u schrijft - "de leugen van het enkele slachtoffer en de offers die daaruit
voortvloeien, binnen gemeenschappen geen onderlinge verzoening meer tot stand
brengt"?
Deze vorm is vanzelfsprekend joods en christelijk. Het
jodendom en het christendom vormen namelijk
juist de erkenning van dit fenomeen. Het is duidelijk dat andere vormen van
religie, voor zover ze de onschuld van het slachtoffer niet erkennen, de
aansluiting missen op de intellectuele en spirituele situatie van het tijdperk
waarin wij nu leven.
-De traditionele
antropologie en de filosofie zijn er volgens u schuldig aan dat ze de ogen
sluiten voor de waarheid van de bijbelse boodschap.
Het christendom legt letterlijk bloot wat in de mythologie
wordt verhuld. Wat antropologen niet willen zien, is dat het christendom de
mythologie beter begrijpt dan zij. De evangeliën vervullen met de episode van
het Lijden van Christus de rol van onthuller: ze zijn als een handschoen of een
bontmantel die je omdraait, waarbij het bloed te zien komt, dat wil zeggen het
geweld van de verhulde moord.
-Sommige
tegenstanders van u zien een 'verborgen strijder van het christendom' in u. In
Les Origines de la culture komt u terug op uw bekering tot het christendom. Is
uw werk doortrokken van de behoefte om het geloof te verdedigen?
-Ik heb mijn ontdekkingen gedaan zonder me te bekommeren om
zo'n apologie, maar dat die behoefte er nu wel is, lijdt geen twijfel. Ik geloof
dat je jonge mensen de waarheid moet leren. Je moet proberen om in de waarheid
te leven. We hebben de culturele leugen nog achter ons gelaten. Het christendom,
dat een wezenlijke kritiek inhoudt op archaïsche godsdiensten, schept de
mogelijkheid daaraan te ontsnappen. Het behelst kritiek op het religieuze door
het religieuze. Er zijn ook mensen die het religieuze op één hoop zouden
willen gooien met alle archaïsche religies. Ik geef daarentegen een historische
interpretatie van het religieuze door een onderscheid te maken tussen het
stadium van het offer en het afzien van het offer. Met de komst
van het christendom laten we de archaïsche religie achter ons.
- In uw laatste boek polemiseert u met Régis Debray. U
zegt dat u zijn realisme deelt en ook een zeker wantrouwen koestert ten opzichte
van het idealisme. "Allebei geloven we", schrijft u, "dat er
werkelijke feiten schuilgaan achter grote archaïsche teksten, dat er werkelijk
geweld ligt achter de woorden die dat doen vermoeden."
Régis Debray wil net als ik niets te maken hebben met
ontwikkelingen als het structuralisme, poststructuralisme, deconstructionisme
etc. Hij ontsnapt aan die exclusieve geobsedeerdheid met de tekst van waaruit
elke antropologie tot een puur formalistische analyse wordt teruggebracht. Zijn
gezonde verstand zegt Debray dat er iets reëels zit achter de teksten waar hij
het over heeft. Toch ziet hij niet in hoezeer ons realisme tegenwoordig een
schaars goed is. Wij hebben nog maar nauwelijks een periode van idealisme achter
de rug denk aan stromingen in de linguïstiek, denk aan deconstructie: het
zijn zowel erfgenamen van het Duitse idealisme als van het gedachtegoed van Lévi-Strauss,
waar slechts sprake is van teksten, van taalspelen, waar min of meer stilletjes
is voorbijgegaan aan de werkelijkheid. Wat mij betreft interpreteer ik 11
september als een krachtige terugkeer van de werkelijkheid, een ontploffing bij
heldere hemel, een waarschuwingsschot dat de hele wereld heeft verrast.
-Wie is verantwoordelijk voor dat idealisme?
Zonder enige twijfel de filosofie, die in Griekenland
opkwam toen de oude godsdiensten zwakker werden. Ze heeft de neiging om de mens
tot maat van alle dingen te maken, zonder rekening te houden met mimetische
rivaliteit. De echte Griekse genius vind je echter niet bij Plato of Aristoteles,
maar in de tragedie: ik denk aan het begin van Oedipus Rex. Dat voert in een
verbaal steekspel tussen Oedipus en Tiresias twee profeten en tegelijk twee
blinden ten tonele de fundamentele tragische situatie.
-U schrijft: "De moderne religieuze antropologie
overtreft het platoonse verbod om religieus geweld te noemen." Waaraan is
dat precies te wijten?
Dat is een normale neiging in elke cultuur. Het religieuze
zelf bestaat eruit om het geweld achter het heilige te verbergen. Men ziet het
geweld niet meer, of het wordt aan de godheid geweten. Plato verwoordt openlijke
deze opvatting: wanneer men teveel over religieus geweld spreekt, dat wil zeggen
over datgene waarin mythen afschuwelijk zijn zoals Homerus dat bijvoorbeeld
heeft gedaan in de Ilias loopt men gevaar de samenleving te ontwrichten.
Tegenwoordig kan de afkeer van pornografie of van geweld in films op dezelfde
manier verklaard worden. Voor de moderne mens is de gedachte dat men geweld
besmettelijk maakt door het te onthullen, een heel normale zaak. Dat is het type
argument dat men momenteel naar voren brengt tegen The
Passion of the Christ van Mel Gibson. Ik zie daarin echter een film die het
geweld onthult en daarin trouw is aan de geest van het Lijden van Christus.
-U zegt van de
religie dat ze om zo te zeggen politiek cement geeft aan spiritualiteit.
Dat is een opvatting die we aan Durkheim danken, de eerste
denker die gezegd heeft dat samenleving en godsdienst hetzelfde zijn. Mijn
opvatting is dat religie het geweld richt op slachtoffers over wie niemand rouwt
en die door niemand gewroken zullen worden. Het alternatief is geweld eenvoudig
te verbieden. De paradox van primitieve godsdiensten is dat ze uit twee soorten
instellingen bestaan. Uit de Tien Geboden zijn het 'Gij zult niet doden' en 'Gij
zult niet begeren het huis van uw naaste, gij zult niet begeren de vrouw van uw
naaste'. Dat laatste gebod gaat over mimetische rivaliteit en vat in mijn ogen
alle andere verboden samen. Zodra dat in acht wordt genomen, maakt het immers in
één klap de andere verboden overbodig. Wanneer de verboden echter overtreden
worden, gaat men over tot riten, die uit het slachten van zoenoffers bestaan.
Als men de betekenis van dit type geweld onthult, functioneert dat niet meer:
het christendom bevrijdt ons van de taboes op het plegen van geweld voor zover
het dit geweld juist onthult. Door die onthulling ligt de wereld meer voor
onderzoek open, waardoor ze gevaarlijker wordt. De huidige wereld is beroofd van
de beveiligingen waarin het offer voorzag. Daardoor wordt zij meer bedreigd door
het geweld dan de wereld die nog offers kende, ooit is geweest.
Tegenwoordig bevinden wij ons in een stadium tussen het archaïsch
religieuze en het christendom. Ook al veroordelen wij het geweld en ook al
kiezen wij meestal partij voor de slachtoffers, toch hebben wij niet gebroken
met het offer. Hoewel het juridisch systeem zoals wij dat kennen, zich verplicht
acht om eerder objectieve feiten in acht te nemen dan intenties, kan het toch
niet volledig consequent zijn bij het interpreteren van wat zich voordoet. Omdat
het daardoor niet bij machte is het element van willekeur tot het uiterste te
beperken bij het aanwijzen van schuldigen, blijft de rechtspraak ten dele een
offersysteem.
-Dat komt er dus op
neer dat het geweld heden ten dage niet meer geneutraliseerd is zoals dat in
archaïsche samenlevingen het geval was.
Er zijn goede redenen om te stellen dat wij in een zeer
gewelddadige wereld leven. Maar we hebben daar ook ongelijk in, voor zover onze
wereld minder gewelddadig is dan een paar eeuwen geleden. Tegenwoordig kunnen
slachtoffers hun recht laten gelden als slachtoffers: een gedachte die volstrekt
vreemd was aan archaïsche samenlevingen, waar de gewoonte bestond om in
dergelijke gevallen het noodlot of iemands onfortuinlijkheid op te voeren.
Westerse samenlevingen maken enorm veel slachtoffers, maar zij redden er ook een
groot aantal, zelfs als deze geen deel uitmaken van onze eigen natie. Dat is
trouwens wat Nietzsche de moderne samenleving verweet: hij had gewild dat de
samenleving harder zou zijn, en daardoor zowel doelmatiger als esthetischer.
Nietzsche wilde zo diepgaand tegen het gedachtegoed van het christendom ingaan,
dat hij zich op een gegeven moment gedwongen zag voor het totalitarisme te
kiezen. In tegenstelling tot wat men tegenwoordig beweert, heeft hij een logica
doordacht die hem ertoe bracht af te zien van de waarheid van de christelijke
ethiek, namelijk de boodschap van mededogen en verdraagzaamheid.
-U heeft kritiek op het dualistisch denken wegens de scheiding die het zou willen aanbrengen tussen de wetenschappelijke waarheid en de religieuze openbaring: twee domeinen die volgens een bepaalde orthodoxe opvatting van het denken van elkaar gescheiden moeten blijven.
Deze scheiding wordt dikwijls gerechtvaardigd. Wat ik zeg
is dat het christendom ons een waarheid verschaft over de samenleving. Dat is
geen metafysische, absolute waarheid, die raakt aan iets als het bestaan van
God. Als het inderdaad zo is, dat het christendom ons de nauwe verband onthult
dat er bestaat tussen geweld en het religieuze wat de antropologie nooit
heeft begrepen dan is het heel
duidelijk dat je het christendom veel serieuzer moet nemen dan wij tot nu toe
hebben gedaan. Wat het Lijdensverhaal duidelijk laat uitkomen is een feit dat je
wetenschappelijk kunt bewijzen: het gaat om een zeer algemeen mechanisme dat het
fundament vormt van samenlevingen. Het heeft betrekking op collectief geweld en
de vergoddelijking van een slachtoffer, waarvan men de onschuld niet ontdekt en
dat goddelijker wordt naarmate het schuldiger is. Het christendom toont echter
aan, is dat dit slachtoffer helemaal niet schuldig is: een openbaring die op
zichzelf voldoende is om archaïsche religies te ontkrachten.
-Dit
toont u met name aan in Des chosese
cachées depuis la fondation du monde?
Mijn eerste boek, Mensonge
romantique et vérité romanesque, gaat over het mimetisch verlangen in de
literatuur. Mijn tweede, La violence et le
sacré, heeft betrekking op wat in archaïsche godsdiensten 'heilig' heette.
Het derde, waar u naar verwijst, heeft het christendom erbij betrokken: een
drieluik dus. De vaststelling dat het slachtoffer dat geofferd is, onschuldig
is, vloeit niet voort uit een uitvinding of een ontdekking, het is een waarheid
die het christendom ons min of meer expliciet al tweeduizend jaar voorhoudt.
-In Les origines de
la culture geeft u aan op grond van welke criteria zondebokken geselecteerd
worden: zoniet absurd dan toch zeker willekeurig. Duidt de genocide op de joden
volgens u op hetzelfde type absurditeit of willekeurigheid?
Ik denk dat het juist is om de hele westerse samenleving
verantwoordelijk te stellen voor de genocide op de joden. Het is heel duidelijk
dat het christelijke antisemitisme niet gerechtvaardigd was, in zoverre dat
joden niet méér verantwoordelijk zijn voor het Lijden van Christus dan alle
collectieve moordenaars van alle misdaden van hetzelfde genre. Hoewel de joden,
religieus gesproken, het meeste verlichte volk van de hele aarde zijn, zijn ze
niet ontkomen aan de fataliteit het collectief doden van een zondebok. Maar u
moet begrijpen dat zij juist in dit geval representatief zijn voor de hele
planeet, en er is daarom geen reden om moderne joden het Lijden aan te rekenen
evenmin als moderne Engelsen de moord op Jeanne d'Arc.
-Zou u zelf de overweging van George Steiner (in 'Errata') onderschrijven, die het antisemitisme laat voortkomen uit een "ethiek van opofferende liefde en delen" eigen aan het jodendom? En dat het ook voortkomt uit de opvatting dat de joden al vanaf het begin (en niet alleen sinds Marx of Freud) de boodschap van de waarheid hebben uitgedragen, mensen die bij uitstek het intellectuele en morele geweten vertegenwoordigen?
-Deze opmerking lijkt me volkomen juist. "Ik zal
openbaren wat verborgen is geweest vanaf de grondvesting der wereld": die
formulering, te vinden in het evangelie van Mattheus (13: 34), is trouwens een
citaat door Jesus van een uitspraak in de psalmen. Door dat uit te spreken,
maakt Jesus een toespeling op de collectieve moord. Op profetische wijze kondigt
hij aan dat hij die zal onthullen door te sterven zoals zich dat heeft
voltrokken in zijn Kruisdood. Een groot aantal uitspraken van Jesus zijn citaten
uit het Oude Testament, vooral uit de psalmen. Tegen de stelling van degenen die
het christendom willen beperken tot het Nieuwe Testament en het zo af willen
snijden van het Oude Testament, benadruk ik juist de opmerkelijke continuïteit
tussen beide. De grote teksten van het Oude Testament zijn profetisch in hun
aankondiging van het Lijden van Christus. Het Oude en het Nieuwe Testament maken
deel uit van eenzelfde historische stroom die voert naar een toestand waarin
steeds meer waarheid aan het licht is gekomen.
-Een laatste vraag,
die te maken heeft met de reacties op wat u naar voren brengt. Worden uw
opvattingen in een tijd van islamitisch terrorisme beter beoordeeld dan
voorheen?En vinden ze meer weerklank in Frankrijk of in de Verenigde Staten?
Ik heb de indruk dat mijn stellingen heden ten dage op veel meer begrip kunnen rekenen dan vroeger. Mijn wetenschappelijke hypothese luidt: het religieuze is antropologisch gezien van grote waarde. Het wetenschappelijk karakter van die uitspraak heeft veeleer van doen met de wijze waarop dingen verlopen dan met de kwestie waarheid of onwaarheid. Of je mijn hypothese nu bevestigt of ontkracht, je kunt hem volledig afleiden uit gegevens die hij met elkaar in verband brengt. Wat de reacties op mijn boeken betreft moet je beginnen bij een sociologische vaststelling. Het verschil tussen Frankrijk en de Verenigde Staten heeft te maken met de organisatie van de intellegentsia. Ook al is er in de Verenigde Staten geen specifiek publiek voor essays, de Amerikaanse universitaire wereld is uitzonderlijk groot. Daar word ik beschouwd als hoogleraar, in Frankrijk ben ik meer een schrijver.
© Magazine Littéraire 2004
Entretien René Girard par Thomas Regnier