VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
RECENSIE van Ernst Stern, Wat zal men doen? Een filosofie van de Rechten van de Mens (Amsterdam: Olive Press, 2002)
door
Herman Wiersinga
Ernst
Stern (geboren 1926), theoloog, ethicus en emeritus-predikant in Amsterdam,
schreef het boek Wat zal men doen? Een
filosofie van de rechten van de mens, Olive Press Amsterdam, 2002 (2 dln).
Hij is deelnemer aan de Girardkring van het Blaise Pascal Instituut aan de Vrije
Universiteit in Amsterdam. Herman Wiersinga (1927), theoloog en
emeritus-studentenpredikant, eveneens te Amsterdam en eveneens lid van de
Girardkring, leidde de bespreking van Sterns studie in op de bijeenkomst van
deze kring op 6 september 2002.
Ernst
Stern heeft ons verrijkt met dit boek. Een rijk boek, een duur boek en een
kostbaar boek.Hij schrijft openhartig over zijn leven en werken: jullie missen
een copie van zijn bijlage I achterin deel II, de autobiografische
aantekeningen (pp.539-548), waarin hij over zijn jeugd in Amsterdam schrijft,
zijn uitzonderlijke ouders (zoals hij ze zelf noemt) beschrijft, de
invloed van zijn vrouw Evelien op zijn predikantswerk en die van zijn
schoonvader Herman Dooyeweerd, de originele jurist en filosoof aan de Vrije
Universiteit (aan wie Ernst zijn idee van een waaier van bestaansaspecten te
danken heeft: Dooyeweerd noemde ze modaliteiten of wetskringen), en dan zijn
curriculum als hervormd predikant (bepaald niet conflictschuw) in Sas van Gent
en bij de Amsterdamse Jeugdraad ontheven van zijn ambt in 1986 als
ongewenst predikant en daarna medewerker bij de Liga voor de Rechten
van de Mens. In 89 begon Ernst met het schrijven van dit boek.
Aan
inspiratie daarvoor heeft het hem niet ontbroken. Daarvan getuigt niet alleen
het aantal schrijvers voor wie de index een aantal regels moet inruimen voor de
paginas waarop ze geciteerd worden ik noem Hannah Arendt, Dietrich
Bonhoeffer, Chomsky, Herman Dooyeweerd,Freud, René Girard (NB 45x),
Immanuel Kant, Karl Marx, Dorothee Sölle, Simone Weil en Walter Wink
maar daarvan getuigen ook de velen die Ernst met name in zijn
voorwoord bedankt, onder wie uit onze groep Sonja Pos, Jaap Hoogteyling
en mij. Gelukkig kon ik als eerste hém bedanken, namelijk in het woord vooraf
van mijn proefschrift, van najaar 1970 (!). Overigens wordt het nu tijd om de
dankwoorden over en weer af te breken (willen ze niet ongeloofwaardig overkomen)
en de kwantitatieve benadering via het aantal citaten (e.d.) te verlaten. Ik ga
nu inhoudelijk in op het vuistdikke werk Wat
zal men doen?
Allereerst
noem ik het denkraam(de waaier met de zestien aspecten op pag.6) en het op
pag.7 afgedrukte gedicht van Annie M.G.Schmidt. Aan de titel van dit gedicht
ontleende Ernst de titel van zijn boek. Wat zal men doen, nu Spengler toch
gelijk heeft/ en trots aller profeten luid vermaan/ dit Avondland met grote
nadruk blijk geeft/ te zullen ondergaan? Annie suggereert in het tweede en
derde couplet dat er één mogelijk alternatief is: (asociaal) wegdromen òf
elke nieuwe leuze in conservatisme de rug toekeren. Volgens mij gaat Ernst nog
een derde weg, namelijk hopen dat er toekomst is voor de mens; en deze hoop
bouwen op de enig mogelijke grondslag van respect voor de menselijke
waardigheid, hun vrijheid, gelijkwaardigheid en onschendbaarheid (vgl.p.17
eerste regel). Je hoopt wat je niet ziet, maar wellicht kunnen kinderen die
kijken vanaf onze schouders iets van hun morgenland zien? (zie het laatste
couplet Annie Schmidt).
De
Inleiding (pp.17-42) lijkt een zinnige eerste kennismaking met het totale
boek (de 2 delen bevatten 573 paginas). Ik kan er hooguit iets uit noemen (of
citeren), maar ik beperk mij zoveel mogelijk tot deze toegankelijke Inleiding.
Om te beginnen vermeld ik enkele passages die mij ontroerden deze
allesomvattende analytische studie is zeker niet ontdaan van de emoties van de
auteur en geen wonder dat de emoties van de lezer mee gaan resoneren!
Persoonlijk werd ik getroffen door de behandeling van muziek als eerste
uiting van menselijk scheppen (pp.155 e.v.); de meditaties over tijd en
ruimte (de hoofdstukken XIV en XV; hoe zou Ernst denken over het cadeau dat
in Günter Grass roman Die Rättin - de stokoude grootmoeder in Kasjubië van een
Westduitse kleinzoon krijgt, een camera die het nog-niet-gebeurde al opgenomen
heeft en per video laat zien?); de inzet van de paragraaf over de
eerbiedwaardigheid van het leven (het bericht van een buitenbaarmoederlijke
zwangerschap bij een familielid doet Ernst verzuchten: Zon onderweg
bevruchte eicel bevat alle informatie die nodig is om een compleet, uniek
menselijk wezen te ontwikkelen en kan geen informatie krijgen over de
levensgevaarlijke plaats waar ze zich nestelt!); en tenslotte het prachtige
en moedige werk van Alice Miller over de opvoeding (p.532; titel: Am
Anfang war Erziehung).
Wat voor
soort boek (genre) schreef Ernst Stern? Verderop staat dat heel precies
geformuleerd: Het heeft niet de pretentie noch de kwaliteit van een
academische studie en voor een schotschrift is het te dik. Het is een poging om
ons uit de verlegenheid te redden, een essay dus (p.89). Niet de ontvouwing
van een filosofisch systeem (De tijd is kort en mijn geest te onrustig voor
een filosofisch systeem, p.35), wel een systematische, zo logisch mogelijke
ordening van zijn denkbeelden. Het boek dat ik nu schrijf, is dat niet in de
eerste plaats, in de grond van de zaak, een langdurig spel? Zo de schrijver
verderop (p.129). Het gaat immers om een denkraam, niet om een
werkelijkheidsstructuur, lezen we in de Inleiding (p.27; De werkelijkheid is
niet logisch). Het doel van deze poging wordt ook expliciet gemaakt:
Stern wil zijn overtuiging dat de mensenrechten
voldoende stevige grond bieden om op te bouwen om een menswaardige
toekomst te verzekeren testen, maar het blijft een hypothese
(p.17v.).
Onder
dit bescheiden-klinkend voorbehoud een essay speelt Ernst zijn spel.
Dat
spelelement komt treffend tot uiting in zijn denkraam (ook wel denkkam
genoemd, p.22, vgl.p.33, noot 20) dat hij grafisch weergeeft als een windroos
met 16 sectoren. Je ziet ze opgesomd als vakwetenschappen met hun bijbehorende
taken (de tweede kolom van werkwoorden) op p.23; en hun criteria (ingetekend in
de windroos op p.6) daarna (p.23v.: meervoud, ruimte, tijd, enz.); terwijl nog
weer later een kolom verschijnt van gesuggereerde illustraties (pictogrammen?
Telraam, lineaal, enz.,p.29v.) en een kruiselingse samenhang tussen de criteria
1 en 9, 2 en 10, enz. (p.31). Ik begrijp het gepuzzel (speels en niet
speculatief) over wat bij natuur- en wat bij geesteswetenschappen hoort (een
Europese twistappel, p.28v.). De rangschikking van de diverse aspecten
(gezichtspunten, facetten) geschiedt naar opklimmende complexiteit: het begint
met het meest simpele, meest abstracte en het eindigt met het ingewikkeldste,
het minst abstracte en meest concrete (dus: 1 = tellen, 2 = (na)denken; p.22).
Het boek volgt overigens de omgekeerde richting, als een terugreis in een
dienstregeling: hoofdstuk 1 = nadenken en hoofdstuk 16 = tellen. Je kunt zelf
echter (interactief?) ook in de andere richting lezen, achterstevoren, te
beginnen bij hoofdstuk 16 (dat heb ik niet uitgeprobeerd!). Wel lijkt me van
belang (het is immers een spel?) dat minder of meer complex niet op een
waardeoordeel berust, maar op logica (plm. technische waarneming; p.26v.). De
grote greep van de speler blijkt ook uit het feit dat hij aan het eind van de
Inleiding de Westeuropese historie overziet vanaf de 4e eeuw. Het
cultuurvirus kon wel eens meegekomen zijn toen Romeinse keizers een vervalst
chistendom als rijksideologie kozen. Wie zou gedacht hebben dat zon ideologie
het zestien eeuwen kon uithouden en de hele wereld zou ontregelen? (p.42).
Bonhoeffer
hield het erop dat de transcendentie van de bijbelse god van zedelijke aard
is, dus niet bovenaards (p.31). (Dan volgt een excurs over het feit dat
Dooyeweerd ook pleitte voor trouw aan de denkgemeenschap van Avondland en
mensheid, en daarmee blijk gaf van zijn weigeren van een theologisch isolement).
De titel
klopt: het gaat om wat men doét; om het effect van de reflectie op het gedrag
(zoals ik pleitte voor een effectieve verzoeningsleer). Het kan de aandachtige
lezer niet ontgaan dat geloof er goed van afkomt, in tegenstelling tot
theologie en zeker tot religie. Stern noemt de mensenwereld in aanleg
goed, aan waan ten prooi en voor rede vatbaar. Deze overtuiging heeft voor
hem de kracht van een geloof (p.20). Geloof is zijn
vooronderstelling, in tegenstelling tot de theologie, waarmee deze
uitgangspunten weinig te maken hebben (ib.). Ook elders vult hij geloven
op een seculiere manier in: vertrouwen, verbeeldingskracht, bonne foi, waarheid
herkennen, het leven de moeite waard vinden (p.260v.). Hij zegt vertrouwen in de
mens te hebben (en kiest voor Pelagius in diens conflict over de erfzonde met
Augustinus; pp.110, 126, 411,461). De religie is voor Stern bij uitstek
een machtsmiddel (p.129) en evenals voor Barth en Boinhoeffer in haar typische
dubbelhartigheid, bekeringsijver en rituele dwanghandelingen gestoord
geloof(p.260). Ernst sluit zijn eerste hoofdstuk over Nadenken af met een
ijzersterke alinea:
Geloof
kan een allesverwoestende kracht zijn, erger nog dan liefde. Gelukkig
worden geloofsuitingen anders dan liefdebetoon aan banden gelegd
door de Rechten van de Mens. Hugo de Groot had dat begrepen toen hij schreef dat
zelfs de Almachtige de fundamentele rechten niet teniet kan doen. Tegenwoordig
weten we dat een al-machtige niet eens bestaat. Wat wel bestaat en heel wat
beter is voor die fundamentele liefde, dat is de rechtvaardige liefde. Daarin
geloof ik en daardoor treft het me als ik haar telkens en bij allerlei volken
weer springlevend tegenkom: de onweerstaanbare macht der niet-gespeelde
solidariteit tussen mensenkinderen (p.94).
Ernst
Stern noemt in zijn boek, meteen al in de Inleiding, de mensenrechten
fundamenteel voor echte macht onder mensen (geen pseudomacht! Dat is macht
gefundeerd op de wet van de wildernis; p.17). Even verder in de Inleiding:
Basis
voor de toekomst zijn de rechten van de mens. Op die nieuwe basis is een minder
gevaarlijke cultuur dan de traditionele zich aan het ontwikkelen. Dat men het zo
kan zien en de beschikbare kritiek op de huidige en de beschikbare informatie
over de nieuwe cultuur op basis van de Rechten van de Mens ordenen kan tot een
logisch samenhangende visie, dat is de hypothese van dit boek (p.33).
Het
wordt spannend als je bedenkt dat Stern zich met de mensenrechten verzet tegen
het zgn.cultuurrelativisme (p.515) en tegelijk een zwaar accent legt op het
niet-westers karakter van de geformuleerde mensenrechten (pp.17,137, 236, noot
309). Met Sterns bezwaar tegen een goedkope, apolitieke interreligieuze
vredesviering ben ik het zeker eens (vgl.p.268).
En hoe
zit het met de botsende beschavingenvan Samuel Huntington?
Maar dan
begin ik al aan de discussie
Discussiepunten.
T.a.v.de referenties aan René Girard. Ik noemde al de 40 à 50 maal dat Ernst
Girard aanhaalt. Zijn visie op religie en geweld, met name op het
zondebokmechanisme ook in onze cultuur, wordt helder uiteengezet in hoofdstuk VI
(de pp.282-286). Herhaaldelijk haalt Stern met instemming Girards cultuur- en
religietheorie aan: geweld is de prikkel tot cultuur en onmiskenbaar gekoppeld
aan religie in de zin van godsdienst, goden-dienst. Is dat de reden van de
gewelddadige boekomslagen van de twee delen? Het lijkt mij dat Stern verder gaat
dan Girard de eerstgenoemde zet ook een strategie uit (de mensenrechten!) om
het geweld te doorbreken. Hij is ook meer betrokken bij de gelijktijdige
dissonanties dan bij een historische wortel (vgl.p.20). Hij gaat met Girard
later in discussie over het soort gelijkheid waarnaar we moeten streven: Girard
begaat z.i. een schoonheidsfout door ongelijkheid zonder meer te bejubelen
(p.268).
(Op p.17
staat een motto over het fundament dat er ligt; Paulus bedoelde met dit
fundament in I Korintiërs 3,11 Jezus Christus! In Romeinen 3,22 en 10,12
(p.41) slaat het onderscheid dat ontkend wordt op de twee groepen binnen
de Jezusvolgelingen, joden en Grieken (heidenen)). Specifieke theologische
kwesties komen ook aan de orde. In de Inleiding al die van onze godsbeelden (God
met een hoofdletter of met kleine letter, p.36), waarbij later kwesties als
persoon of kracht, almachtig of onmachtig-om-in-te-grijpen, wat betekent god
is liefde?, concurrentie god/mens, enz. bijkomen (pp.110,266,296 e.v.,307 en
481). Uiteraard speelt ook de kwestie van de verzoening, wel of niet door een
door de vader gewilde kruisdood. Ik ga zelf met Ernst mee (hij schreef daarover
al in 1961) als hij niets moet weten van een god die mensenoffers wil; en als
hij ons in het verzoenen, zowel met god als met de medemensen, een onmisbare rol
laat spelen (geen goedkope verzoening, evenmin als een billige Gnade).
Ernst gaat m.i. wat snel door de bocht als hij tussenmenselijk verzoeningswerk
en een liturgische viering als alternatief ziet (p.241). Wellicht heeft hij weer
gelijk als hij de onvoorwaardelijke vergeving bij A.Lascaris afwijst
(p.265).
Wellicht
zijn er ook meer filosofische vragen te stellen. Ik kwam daarop bij lezing van
p.27. Ernst stelt de vraag: Zijn er misschien méér juiste rangschikkingen
dan één? Dat lijkt me ondenkbaar, zolang ik vasthoud aan de logica van
Aristoteles en Reeves. Hij stelt niet dat zijn rangschikking de juiste is,
maar wel dat er maar één juiste is. Ik zou Ernst willen vragen hoe
draagkrachtig de Verlichting en de logica van de Rede is vooral nu hij 2
alineas later zegt: De werkelijkheid is niet logisch.We zouden eens
moeten doorpraten over de postmoderne correcties op een al te zelfverzekerde
rationele wetenschap. Misschien levert dan ook de centrale notie in de huidige,
in elk geval Franse, filosofie van een wezenlijke differentie/ongelijkheid
gespreksstof te over op.
Stof
genoeg, dunkt me, voor het moment.
E-mail hermanwiersinga@hetnet.nl