VU Blaise Pascal
Instituut > Portal Studiekring
René Girard >
Online
teksten
René Girard
Een van de meest
markante en uitdagende christelijke denkers van de 20ste eeuw is voor
mij toch wel de literatuurwetenschapper René Girard. Alleen al vanwege de
thematiek, die nogal afwijkt van die van de meeste christelijke filosofen. Geen
systematische aandacht voor ons kenvermogen, de relatie geloof en wetenschap, de
structuur van de kosmos en wat dies meer zij, maar heel banale onderwerpen als
afgunst, geweld, verleiding, hoogmoed, leugens, en bekering. Girard moeten we
dan ook niet zien als vakfilosoof. De Italiaanse filosoof Gianni Vatimo geeft in
zijn essay Ik geloof dat ik geloof aan hoe het contact met Girard zorgde
voor een ommekeer in zijn denken en houding ten opzichte van het geloof. Maar
dan gaat het om inspiratie, en niet om filosofische resultaten van Girard als
zodanig.
Girard werd geboren in
Avignon in 1923. Na de oorlog vertrok hij naar Amerika en werd hij hoogleraar
franse cultuur en letterkunde (sinds 1974 aan Stanford University). Zijn eerste
grote bekendheid verwierf hij met het boek De romantische leugen en de
romaneske waarheid (1961). Later
heeft hij aangegeven dat hij tijdens en mede door het schrijven van dit boek tot
geloof is gekomen. In de jaren 70 voegde hij daar een geruchtmakend boek aan
toe over religie en geweld, en schokte hij achteraf vriend en vijand met zijn
bewering dat dit werk niet mogelijk was geweest zonder de voortschrijdende
openbaring van het evangelie De evangeliën hebben het tekstmechanisme in
gang gezet dat een eind kan maken aan de gevangenschap van de mensheid in het
systeem van mythologische representatie. De meeste boeken die hij daarna nog
gepubliceerd heeft zijn getiteld met bijbelteksten, zoals
De aloude weg der boosdoeners (over Job), Ik zag satan als een
bliksem uit de hemel vallen (met een fascinerende interpretatie vanuit de
mimetische theorie van de verschillende gezichten van satan als verleider,
verstrooier, aanklager, leugenaar en mensenmoordenaar), en Wanneer deze
dingen beginnen te geschieden
. Van vele universiteiten heeft hij
eredoctoraten ontvangen. Inmiddels wordt er jaarlijks een conferentie gewijd aan
Girard-onderzoek (http://theol.uibk.ac.at/cover/).
De meeste van zijn boeken zijn vertaald in het Nederlands en zowel in
Nederland als Vlaanderen zijn actieve Girard-onderzoekers. Zo verscheen dit jaar
nog een literair proefschrift over Kafka en voor volgend jaar staat er een op
stapel over W.F. Hermans. De naam van Girard kom je niet alleen meer tegen in
wetenschappelijk proza, maar ook in een beauty magazine, een boekje over pesten
op school, een vredespamflet, een ecologisch manifest en een tijdschrift over
gemeenteopbouw.
Laten we kort kijken
naar de drie belangrijkste themas van zijn werk: de thematiek van naijver en
wrok, waaraan Girard de term mimetische begeerte verbindt; de thematiek
van geweld en zondebokmechanisme; en de thematiek van religie en evangelie.
Gij zult niet
begeren iets wat van uw naaste is. Het
is verbazingwekkend dat een thema dat zoveel voorkomt in literatuur, tragedies,
komedies en tegenwoordig in films, en zon grote rol speelt in traditionele
morele codes, zo weinig aandacht gekregen heeft in de wetenschap en
antropologie. Het oudste poëem van Europa bezingt de wrok van Achilles,
het thema komt in bijna alle stukken van Shakespeare terug, maar in (om maar een
voorbeeld te nemen) de Leer van de mens (respectabel proefschrift van
Ouweneel over de antropologie van Dooyeweerd) wordt er geen pagina aan gewijd.
Zoals Hans Achterhuis in zijn Het rijk van de schaarste heeft aangetoond,
zijn er overigens wel voorlopers van Girard aan te wijzen,
zoals Hobbes (homo homini deus, homo homini lupus), Rousseau en Adam
Smith Theory of Moral Sentiments.
Het is in elk geval een van de verdiensten van Girard dat hij dit
oermenselijke thema op de tafel van de rationalistische 20ste eeuw
heeft gelegd. Daarbij gebruikt hij een op het eerste gezicht heel eenvoudig
model, de dynamiek van de mimetische begeerte, om de samenhang te laten zien van
een veelheid van verschijnselen die met jaloezie en naijver te maken hebben.
Basishypothese is dat de mens het meest naäpende dier is (Aristoteles), oftewel
de diepmenselijke neiging tot imitatie en empathie. Net als het dochtertje van
Herodes kijken we voortdurend naar anderen voor de vraag: wat moet ik kiezen? In
de behavioristische jaren 60 waarin Girard dit model introduceerde, was zijn
model een vreemde eend in de bijt, maar inmiddels krijgt de imitatie in de
menswetenschappen steeds meer aandacht. Zo werd er recent een grote
internationale en interdisciplinaire conferentie aan gewijd en spelen
imitatiemechanismen een belangrijke rol in lerende systemen ( Kunstmatige
Intelligentie). Girard heeft overigens zelf weinig aandacht gegeven aan imitatie
in het algemeen, maar zich vooral beziggehouden met het doordenken van de
consequenties ervan voor onze begeerten en verlangens: als wij mensen ook daarin
ons laten (ver-)leiden door onze naasten, dan liggen rivaliteit en conflict
direct aan de deur. Kenmerkend voor mensen is volgens Girard dat het verlangen
naar een ding niet meer los te zien is van een verlangen naar zijn (het zijn van
de ander). Iets wat de reclame natuurlijk al lang weet en exploiteert.
Complicerende factor is dat het zichzelf autonoom wanende subject de
aanwezigheid van bemiddeling altijd zal ontkennen. Ziedaar de romantische
leugen, ziedaar de wortel van de menselijke hoogmoed.
Een tweede niet minder
belangrijk en actueel thema dat Girard aanpakt is het geweld. Menselijk geweld
is een voor de hand liggend gevolg van mimetische begeerte. Geweld is zelf ook
uitermate mimetisch. Ten eerste roept geweld tegengeweld op we spreken dan
van wraak en geweldspiraal. Ten tweede is geweld vaak een groepsgebeuren. In
analyses van zinloos geweld op straat en pesten wordt daarom tegenwoordig
terecht veel aandacht gegeven aan de rol van imitatie. Het bijzondere van
groepsgeweld gericht op één slachtoffer (de zondebok) is dat het de
leden van de groep verenigt in plaats van verdeelt. De hypothese van Girard is
dat dit zondebokmechanisme een basaal overlevingsmechanisme is van de cultuur om
niet aan zijn eigen geweld ten onder te gaan. Interessant is dat Girard tot zijn
ideeën over de relatie tussen mimese en geweld gekomen is door reflectie op
werk van Lévi-Strauss. Waar de structuralist alleen oog heeft voor verschillen
en systemen van verschillen, vroeg Girard zich af wat de antropologische
gevolgen zijn van identiteit.
Zijn theorie van geweld
gebruikt Girard vervolgens voor een oorsprongshypothese van religie. Overal
op de wereld, wanneer je offeraars vraagt waarom ze offers brengen, is hun
rechtvaardiging we moeten opnieuw doen wat onze vaderen gedaan hebben toen de
gemeenschap werd gesticht. Ze moeten een of ander funderend geweld herhalen
met subsituut-slachtoffers. In de oude mythen leest Girard dit funderend
geweld ook terug, zij het dat ze verteld worden vanuit het perspectief van de
vervolgers, en er daarom typisch verhulling plaatsvindt. Als Aeschylus schrijft
over het mensenoffer van Iphigeneia, zingt op het hoogtepunt het koor eenstemmig
Verder heb ik niets gezien, en ik spreek er ook niet over. Dit niet-zien,
niet-horen en zwijgen staat voor Girard in scherp contrast met de rauwe kreten
van Job en de schrijvers van bepaalde psalmen die het perspectief van het
slachtoffer uitdrukken. En vooral met het niets verbloemende kruis van Christus.
Het woord van het kruis is het soort direct en eerlijk spreken over geweld
dat religie en filosofie steeds bedekken met rituelen, mythen en retoriek, ook
en juist met de mythe en retoriek van geweldloze rationaliteit (Hamerton-Kelly).
Opvallend bij Girard is
het veelvuldig gebruik van het woord waarheid. De waarheid van de
mimetische begeerte die in de roman onthuld wordt. De waarheid van het
religieuze geweld die in de bijbel onthuld wordt. De waarheid van de Parakleet
tegenover de valse beschuldigingen van satan. Net als Freud, over wie hij veel
geschreven heeft, is Girard een maître de soupçon: de sociale
werkelijkheid is niet wat ze lijkt , ze heeft allerlei dubbele bodems. Als je
van een waarheidsbegrip van Girard kunt spreken (hij thematiseert dit zelf
niet), dan is het vooral hermeneutisch: zijn favoriete bijbelgedeelte is Luk. 24
waarin Christus de Schriften opent ten aanzien van het lijdende slachtoffer
terwijl de wandelaars zich steeds verder van het religieuze centrum verwijderen.
Tegelijkertijd heeft waarheid bij hem een existentiële kant, onze moeite met de
waarheid is vooral een moeite om in de waarheid te leven. Typerend is dat als
hij door post-modernen aangevallen wordt op een zon modern, en dus verouderd
begrip als waarheid, hij zich verdedigt met de tegenvraag of waarheid relatief
was in de Dreyffus-affaire.
Veertig jaar later
kunnen we vaststellen dat in een aantal opzichten Girard zijn tijd vooruit was.
Zo is er nu veel bredere waardering voor verhalen en narratieve kennis. Geweld
en uitsluiting zijn themas die
hoog op de maatschappelijke agenda staan. Maar door zijn verstrekkende
hypotheses, zijn nogal afwijkende wetenschappelijke stijl (zoals nauwelijks
gebruik van referenties), en zeker ook door het verband dat hij legt tussen zijn
wetenschappelijke hypotheses en de openbaring van het evangelie, heeft Girard
veel weerstand opgeroepen. Ik denk dat het daarom is dat, al kom je zijn naam op
veel plaatsen tegen, de systematische verwerking van zijn denken tot nu toe
beperkt is. Afgezien van de literatuurwetenschap vindt momenteel de meeste
verwerking plaats in de theologie. Girard zegt zelf ergens: Ik ben bezig met
een zoektocht naar de antropologie van het kruis, en het blijkt dat deze de
orthodoxe theologie ondersteunt. In Amerika zijn verschillende theologen op
dit terrein zeer actief. Maar ook op andere wetenschappelijke gebieden liggen
m.i. nog veel mogelijkheden. Een recent economisch artikel geeft bijvoorbeeld
een formalisering van mimetische begeerte met behulp van de evolutionaire
speltheorie, en komt van daaruit met een formele verklaring van de economische
tweedeling van de wereld en het ontstaan van wereldterrorisme.
Een enkel voorbeeld van
een mogelijke toepassing in de wijsbegeerte. In een recent artikel in Beweging
over zonde, verzucht Glas dat op dit punt de reformatorische wijsbegeerte
behoefte heeft aan goede antropologie. Tussen het richting kiezen en het zich
hechten aan de Schepper of aan iets in de omringende wereld zit nog zon gat.
Wat ontbreekt is een antropologie die iets zegt over hoe het richting kiezen tot
stand komt. Het komt mij voor dat Girard hier veel te bieden heeft. Niet voor
niets gaf hij zijn eerste boek een motto mee van Scheler: De mens heeft of
een god of een afgod.
uit: Beweging,
Tijdschrift voor Reformatorische Wijsbegeerte, 68 (1), Voorjaar 2004.
E- mail adres H.Weigand@uvt.nl