VU Blaise Pascal
Instituut > Portal Studiekring
René Girard >
Online
teksten
Waarheid en leugen in de
roman
Hans Weigand
René Girard werd geboren in 1923 in Avignon. Na de
oorlog vertrok hij naar de Verenigde Staten, waar hij les heeft gegeven aan
verschillende universiteiten. Sinds 1981 doceert hij Franse taal, letterkunde en
cultuur aan de universiteit van Stanford in Californië. Als katholiek gedoopt,
leefde hij naar eigen zeggen twintig jaar als nihilist met grote bewondering
voor Nietzsche. Aan het eind van de voorbereiding van zijn eerste boek, in de
loop van 1960, kwam hij opnieuw in contact met de bijbel en tot een persoonlijke
relatie met God. Hij keerde toen terug naar de katholieke kerk. Voor Girard is
sindsdien zijn wetenschappelijk werk niet meer te scheiden van zijn geloof,
hoewel hij zijn stellingen altijd zo neutraal mogelijk heeft verwoord.
In dit CAHIER wordt uitgebreid ingegaan op de
literatuurbenadering van Girard. Het eerste hoofdstuk geeft een korte inleiding
in zijn werk. Daarna worden in de hoofdstukken van Sonja Pos, Nancy Hoogsteder,
Jaap Goedegebuure en Sandor Goodhart uitgebreide voorbeelden gegeven aan de hand
van moderne twintigste-eeuwse literatuur. Over het algemeen is deze redelijk
bekend en toegankelijk. Bovendien werd Girard in het verleden wel verweten dat
zijn opvattingen alleen toepasbaar waren op de negentiende-eeuwse romantiek.
Hoewel dit bezwaar allang gelogenstraft is ik denk met name aan de
uitgebreide studie van Shakespeare, A Theater of Envy (1990) -, is het
daarom goed ook eens nieuwe terreinen aan te boren.
Deze inleiding bestaat uit drie delen. Eerst kijken
we naar de problematiek van de navolging zoals deze naar voren komt in de roman.
Vervolgens bezien we wat dit betekent voor de literatuur. Aan de orde komt
Girards onderscheid in romantische en romaneske literatuur en waarom hij spreekt
over waarheid en leugen in de roman. Daarna stappen we over op de problematiek
van het geweld en wat de gevolgen daarvan zijn voor het lezen van de mythen en
van de bijbelse openbaring.
De aanleiding voor Girards eerste boek (De
romantische leugen en de romaneske waarheid, 1961) was de ontdekking dat twee
verhalen, die in een heel verschillende tijd en stijl waren geschreven, dezelfde
structuur hadden. Het gaat hier om het verhaal van De ongepast nieuwsgierige
dat we vinden in de roman Don Quichot
van Cervantes en het verhaal van De eeuwige echtgenoot, van Dostojewski.
De ongepast nieuwsgierige
gaat over twee vrienden, Anselmo en Lothario. Anselmo wordt verliefd op Camilla
en met goedkeuring en door de bemiddeling van Lothario vraagt hij haar ten
huwelijk. Nadat ze getrouwd zijn doet Anselmo op een dag een vreemd verzoek aan
zijn vriend. Om er achter te komen of ze werkelijk trouw is, vraagt hij Lothario
om Camilla in verleiding te brengen. Aanvankelijk houdt Lothario het verzoek af,
maar na lang aandringen doet hij wat zijn vriend vraagt en uiteindelijk slaagt
hij. Het verhaal loopt triest af als de ontrouw bekend wordt. Camilla verdwijnt
in een klooster en Anselmo sterft van verdriet.
In het verhaal van Dostojewski verplaatsen we ons
naar Petersburg. Weltsjaninow, een rijke vrijgezel, wordt op een dag benaderd
door een zekere Pawel Pawlowitsj, wiens vrouw ooit eens maîtresse van
Weltsjaninow, zojuist is overleden. Pawel Pawlowitsj is daarop naar Petersburg
getogen op zoek naar de vroegere minnaars van zijn vrouw en zijn houding naar
Weltsjaninow lijkt obsessief: hij bezoekt hem midden in de nacht, drinkt met
hem, kust hem. Als Pawel Pawlowitsj een tweede huwelijk voorbereidt, vraagt hij
uitdrukkelijk aan Weltsjaninow om mee te gaan naar het jonge meisje. Met als
tragisch gevolg dat uiteindelijk het meisje valt op Weltsjaninow en Pawel
Pawlowitsj slechts knarsetandend kan toekijken.
Wat de twee enigszins bizarre verhalen samenbindt is
dat in beide gevallen de liefde van de man voor zijn vrouw op een of andere
manier niet kan zonder een derde. Waarom is een derde nodig? Pawel geeft geen
redenen voor zijn obsessief gedrag en het argument van Anselmo is tamelijk
ongeloofwaardig. De structurele overeenkomsten tussen deze twee verhalen brengen
Girard ertoe te zoeken naar een overeenkomstig motief. In beide gevallen heeft
de man het nodig dat een ander de
vrouw van zijn keuze begeert. Dit om zijn eigen begeerte te versterken of in
stand te houden. Girard noemt de ander het model. De begeerte speelt niet in een
eenvoudige subject-object relatie, maar heeft de vorm van een driehoek: subject
- model object. Bij nader inzien komen in de verhalen nog meer driehoeken
voor, bijvoorbeeld met Lothario als subject. Lothario verzint het niet zelf dat
hij Camilla wil verleiden, maar hij doet het uiteindelijk omdat zijn vriend het
wil. In dit geval is Anselmo dus het model voor Lothario.
Uit de twee verhalen en vele andere romans
destilleerde Girard het principe van de driehoeksbegeerte, ook wel mimetische
begeerte genoemd (mimese = nabootsing), of gewoon navolging. Het gedrag van
het subject wordt uiteindelijk niet bepaald door het object van zijn verlangen
of door zijn eigen persoonlijkheid en voorkeuren, maar door de navolging van een
model. Dit lijkt misschien vreemd en daarom is het goed nog wat meer voorbeelden
te geven van navolging. Eén van de bekendste voorbeelden binnen de literatuur
is Don Quichot. Zijn leven stond immers in het teken van de navolging van de
legendarische ridder Amadis. Die navolging bepaalde wat hij deed en hoe hij
aankeek tegen de wereld om hem heen zodat een scheerbekken opeens een helm
kon zijn en windmolens reuzen. Buiten de literatuur kunnen we denken aan Freud
met zijn Oedipus-complex, waarbij een jongen zijn vader als model neemt. Of, op
weer een ander terrein, is het de econoom Veblen die sprak van conspicuous
consumption, omdat de verlangens van consumenten worden bepaald door de
consumptiepatronen van de hogere klasse of van hun omgeving. Of denk ook aan de
modellen die aangereikt worden in de tientallen reclameboodschappen die ons
dagelijks passeren. En hoe vaak zien we niet dat wanneer kleine kinderen spelen,
ze net toevallig hetzelfde speeltje willen hebben. Toevallig? Volgens Girard is
dat helemaal niet toevallig. Vergelijkbaar zijn de complicaties in een
soap-serie als The Bold and the Beautiful: steeds duiken er weer de
driehoeken op en wordt de vrouw (of man) tegelijkertijd begeerd door twee
rivalen of juist door allen in de steek gelaten. Huwelijken houden in zon
klimaat niet lang stand, met als gevolg dat in deze series langzamerhand
iedereen al met iedereen getrouwd is geweest.
Het herkennen van de driehoeken is één ding, maar wat heeft dit voor gevolgen? De voorbeelden van Anselmo en Pawel Pawlowitsj geven al aan dat die niet altijd vrolijk zijn. Als we beiden een object begeren dat niet deelbaar is, worden we niet alleen elkaars model maar ook elkaars obstakel. De ander is degene die het object aanwijst als begerenswaardig, maar ook degene die onze begeerte in de weg staat en frustreert. Dit hoeft niet altijd zo te zijn, - het hangt af van de eigenschappen van het object en de afstand tussen subject en model - maar als het voorkomt, spreekt Girard van interne bemiddeling. Dit in tegenstelling tot de externe bemiddeling, zoals we zagen bij Don Quichot of in het algemeen wanneer het model expliciet is en ver af staat. Door die afstand is er in dit type bemiddeling geen sprake van rivaliteit; het model kan goed zijn of slecht (Amadis blijkt een slecht model), maar conflicten zijn uitgesloten. Met name in de negentiende-eeuwse roman tiert de interne bemiddeling welig. De mensen zullen elkanders goden zijn is een gevleugelde uitspraak uit die tijd. Voor Girard is dit echter een bittere waarheid, anders dan voor de romantici, die hier zo opgewonden over konden raken.
De interne bemiddeling leidt niet alleen tot
rivaliteit, strijd, frustratie en wrok. Ze kan er ook toe leiden dat het object
waar het om gaat steeds minder belangrijk wordt en het subject steeds meer
gefascineerd wordt door het model. Zoals Pawel Pawlowitsj geobsedeerd wordt door
Weltchaninow. Het verlangen naar dit of dat object wordt dan vervangen door het
verlangen te zijn als het model. In plaats van dit of dat te hebben,
wordt het een existentieel verlangen iemand te zijn.
Omdat de materie er dan steeds minder toe doet, spreekt Girard van metafysische
begeerte, maar deze term kan snel verwarring wekken. Waar het om gaat is dat het
subject iemand wil zijn en in de context van de interne bemiddeling houdt dit in
dat iemand zelf model wil zijn:
origineel en autonoom. Ik ben ik, Ik eerst! Ik doe wat ik doe en
ik doe het zelf zijn van die idiomen die in onze cultuur uitdrukking geven
aan dit verlangen om model te zijn en zeker geen navolger. Wie in deze existentiële
rivaliteit het onderspit delft, is een loser en zo wil niemand genoemd
worden, zelfs als hij diep in zijn binnenste zichzelf wel zo ziet. Ondanks of
juist omdat de subjecten zich steeds heftiger van de ander willen onderscheiden,
worden ze steeds meer elkaars dubbelganger.
Tot zover het begrip navolging en de dynamiek van de driehoeksbegeerte. Er valt uiteraard nog veel meer over te zeggen, maar laten we nu eens kijken naar de manier waarop het in de literatuur terugkomt. Zoals gezegd is het een veelvuldig terugkerend thema in de romanliteratuur. Niet alle romans zijn echter even expliciet. In Don Quichot is het thema van de navolging heel duidelijk, niet in het minst omdat de ridder zelf op zijn sterfbed terugkijkt op zijn leven en de navolging van Amadis afzweert. Ook in de romans van Dostojewski zien we regelmatig een bekering aan het eind. In bijvoorbeeld Schuld en Boete ziet Raskolnikow uiteindelijk de gevolgen in van zijn verlangen om als Napoleon te zijn en hervindt hij de vrijheid in zijn relatie met Sonja. Niet in alle romans zijn de driehoeken echter even duidelijk. In sommige gevallen lijkt er zelfs helemaal geen driehoek te bestaan en lijkt de held volstrekt autonoom. Betekent dit dat er enerzijds mensen zijn of het nu in werkelijkheid is of in een roman - die autonoom begeren en anderzijds mensen die leven in een relatie van navolging?
Tegen deze achtergrond biedt
Girard een betere verklaring voor de verschillen in de romans. Het gaat niet om
twee soorten mensen, maar het gaat om twee voorstellingen. De ene voorstelling
wordt ingegeven door de (doorgaans onbewuste) wens de navolging uit het plaatje
weg te laten. De andere voorstelling wordt ingegeven door de wens de navolging
naar voren te halen omdat dat de waarheid is. Girard spreekt van romantische
literatuur wanneer het verhaal wel mimetische begeerten weerspiegelt maar de
oorsprong ervan (de navolging) weglaat en hij spreekt van romaneske
literatuur wanneer die oorsprong wel als zodanig wordt onthuld.
Dit verklaart ook de titel van zijn boek: De romantische leugen en de
romaneske waarheid.
Deze titel getuigt van moed.
Veel lezers zullen het op het eerste gezicht vreemd vinden te spreken van waarheid
als het gaat om fictie. Ook literatuurwetenschappers hebben nogal eens moeite om
roman en werkelijkheid met elkaar in verband te brengen. Liever zien ze de roman
als een op zichzelf staand iets, een gesloten wereld. Voor Girard is literatuur
echter onlosmakelijk verbonden met het leven zelf.
3. Geweld
Tien jaar na de invoering van
het begrip mimetische begeerte maakt Girard een tweede grote stap in zijn
boek van 1972: Het geweld en het heilige. Eerder hebben we al duidelijk
gemaakt dat de interne bemiddeling allerminst leidt tot harmonieuze relaties.
Rivaliteit, wrok en geweld zijn natuurlijke gevolgen op alle nivos van de
samenleving. Het de mensen zullen elkanders goden zijn was volgens Hobbes
al onlosmakelijk verbonden met het homo homini lupus (de mens is de mens
een wolf). Opvallend is overigens
dat als het gaat om geweld mensen dit gemakkelijker onderscheiden bij de ander
dan bij zichzelf. Hoe graag we ook het Ik eerst! in de mond nemen, bij
geweld is het altijd Hij begon!. In
zijn analyse van het geweld liet Girard zich inspireren door onder anderen de
Griekse tragedies en mythologische verhalen. Hij ontdekte daarin hoe
samenlevingen de problematiek van het geweld hanteren. Geweld is niet
gemakkelijk te beheersen, zeker niet in een samenleving zonder een sterk
juridisch stelsel en een krachtige overheid. Geweld is uitermate mimetisch: de
ene klap roept de ander op en voor je het weet is iedereen erbij betrokken. Er
is echter volgens Girard één mechanisme dat heel geschikt is om een einde te
maken aan het geweld en dat is het gezamenlijk uitdrijven van een zondebok.
Onderlinge rivaliteiten en geweld verdelen een samenleving, maar als het
mogelijk is de frustraties te richten op een kwetsbaar subject dat unaniem
(mimetisch!) wordt uitgedreven of gelyncht, onstaat er weer vrede. Dat
uitgedreven subject noemt Girard de zondebok, naar het bekende zondebokritueel
uit Leviticus waarin op de Grote Verzoendag een bok met de zonden van het volk
de woestijn wordt ingestuurd. De vrede ontstaat doordat de mensen niet meer
tegenover, maar naast elkaar staan. Nu ze zich kunnen koesteren met de gedachte
dat het kwaad huisde in die ene (dus niet in henzelf) en met de verwijdering van
de zondebok weg is. Maar net zo min als mensen zich voldoende bewust zijn van
hun eigen geweld, zullen ze evenmin beseffen wat er ten diepste gebeurt bij het
uitdrijven van de zondebok. In feite gaat het om een overlevingsmechanisme en
als het werkt kun je er beter niet teveel bij nadenken. Vandaar dat de zondebok
achteraf gemakkelijk ook als heiland beschouwd kan worden. Per slot van rekening
is hij het die de zonde heeft weggedragen en die op een of andere manier in
staat was vrede te geven.
Hierboven gaven we aan dat literatuur verdeeld kan worden in onthullende literatuur (romanesk) en verhullende literatuur (romantisch), afhankelijk van welke voorstelling gegeven wordt van de begeerte en navolging. Op gelijke wijze is nu ook een onderscheid te maken in verhalen (mythen) waarin het zondebokgeweld wordt verhuld dan wel wordt onthuld. Het is misschien het gemakkelijkst om dit te illustreren aan een wat versimpeld voorbeeld.
We zien dus het thema waarheid leugen terugkomen in de voorstellingen van het geweld. Iemand zou kunnen zeggen: maar in het Oedipus-verhaal is toch geen sprake van zondebokgeweld? Oedipus is toch geen zondebok, hij is toch echt schuldig? Maar Girard vraagt zich dan af waarom toch in al die mythen steeds weer een enkeling schuldig is aan de vreselijkste dingen. En waarom die enkelingen steeds weer bijzondere kenmerken, zoals letsel aan oog of been. Oedipus heeft verschillende van deze slachtofferkenmerken: hij wordt door zijn vader gehandicapt te vondeling gelegd en opgevoed door een herder. Hij komt de stad later binnen als vreemdeling. Girard wijst verder op verhalen waarin de mythevorming gaande is, zoals verhalen over jodenvervolgingen in de Middeleeuwen. Daarin vinden we dezelfde soort beschuldigingen terug en dezelfde uitdrijving. Maar als wij als moderne lezers deze verhalen lezen, weten we dat de vervolging realiteit waren, maar dat de beschuldigingen (bijvoorbeeld dat de Joden het water hadden vergiftigd of hun kinderen opaten) onderdeel uitmaakten van het vervolgingsproces.
Verschillende lezers zal het inmiddels duizelen. Wat
begon als een tamelijk onschuldige vondst van een bepaald thema de navolging
in romans, blijkt uit te groeien tot een sleutel die de gehele
wereldliteratuur zegt te openen en die niet alleen een complete antropologie
biedt, maar deze ook nog eens verbindt met de openbaring van God in deze wereld.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel lezers van Girard ergens
onderweg afhaken. Maar boeiend is
het wel.
E- mail adres H.Weigand@uvt.nl