VRIJE
UNIVERSITEIT Amsterdam, Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
WAT
DE ANDER MIJ AANDOET
EMMANUEL LEVINAS, RENÉ
GIRARD EN DE ALTERITEIT
Berry
Vorstenbosch
Amsterdam,
16 januari 1998
1.
Het pleidooi vóór de religie heeft sinds de
Renaissance voornamelijk de gedaante van een achterhoedegevecht gehad.
Wie zin wilde geven aan het Bijbelse woord, aan het bestaan van een
transcendente God, aan de Menswording en Opstanding van het christelijke
geloof, streefde steeds een vorm van behoud na. Met het voortschrijden
van de ontwikkelingen in de wetenschap, met het formuleren van een op die
wetenschap toegespitste kennisleer, leek het Westerse denken overgeleverd aan
een ongecontroleerde verwijdering van de begrippelijke constellatie van de
traditionele religie inclusief haar voorstellingen. Als Descartes of Kant in
hun werk duidelijk en bewust aanknopingspunten met de religie presenteren,
kunnen ze daarmee toch niet voorkomen dat hun teksten in eerste instantie
deelhebben en bijdragen aan het grote afkalvingsproces waarin ten aanzien van
het Bijbelse woord steeds minder te denken overblijft.
De
onttakeling van de traditionele religie is iets wat de wil van de individuele
denker overstijgt. Het is, zoals Heidegger benadrukt, een vorm van
noodlottigheid. Het is een niet te stuiten stroom - en juist de hevigheid en
omvang van het verzet ertegen is symptomatisch. In de laatste twee eeuwen,
waarin het schismatieke in de verhouding tussen filosofie en religie steeds
duidelijker naar voren kwam, hebben talloze publicaties het licht gezien waarin
theologen en filosofen deze onstuitbare stroom probeerden te keren. Wie
tegenwoordig een antiquariaat binnenloopt kan zich verwonderen over het grote
aantal boeken waarin een lans voor een tanend geloof gebroken wordt - boeken
die lezers gerust moesten stellen, boeken waarin erudiete schrijvers hun
loyaliteit aan de traditionele religie filosofisch gewicht probeerden mee te
geven. Er is een immens archief van een onwil zich bloot te stellen aan
de naar nihilisme tenderende uitkomsten van een doorgevoerde rationaliteit.
Pleiten voor de religie was veelal het innemen van een elementair conservatieve
positie.
Wanneer
kunstenaars zich tot de religie bekeerden werkten ze zich in de ogen van
tijdgenoten in een cultureel isolement. Het oeuvre van de puriteinse Milton blijkt
niet inpasbaar in een geseculariseerde en seculariserende
literatuurgeschiedenis. Een machtig 19de eeuwse apologeet van het christendom
als G.K. Chesterton blijft steeds buiten de mainstream van het culturele
gebeuren staan. Verlaines grootste schanddaad is niet zijn drankzucht of het
pistoolschot afgevuurd op Rimbaud, maar de sentimentaliteit waarmee hij steeds
weer opnieuw soelaas zoekt bij de godsdienst. De anti-religieuze stemming, die
in voorgaande eeuwen nog sterk een zaak van een gecultiveerde elite was, wordt
in onze eeuw de communis opinio. Het Rooms-katholicisme van Gerard Reve
werd aanvankelijk opgevat als een gigantische publiciteitsstunt. De bekering
van Bob Dylan in de jaren zeventig werd
door zijn bewonderaars met ergernis ontvangen - smalend werd opgemerkt dat zijn
liedjes het inderdaad verdacht goed hadden gedaan in de beatmissen. Toen
T.S. aan
in
1925 de Anglo-katholieke kerk omhelsde, verloor hij voor velen zijn
geloofwaardigheid. Een tegen T.S. Eliot gericht schotschrift als W.T. Nettlefolds
Fan Mail for a Poet is karakteristiek voor de gevoelens van bittere
teleurstelling in het geval een culturele coryfee zich naar de kerk toewendde:
HOW NICE for a
man to be clever,
So famous, so
true;
So sound an
investment; how EVER
So nice to be
YOU.
To peer into
basements, up alleys,
A nose for the
search.
To challenge
with pertinent sallies,
And then JOIN
the church.[1]
Je
bekeren, dat doe je niet - dicteerde de tijdgeest. Een bekeerde kunstenaar
was een rariteit - het toonde dat kunstenaars dus ook weleens niet hun
tijd vooruit kunnen zijn.
Respect
kon er zijn voor de pijn waarmee de kunstenaar in de kaalgeslagen
surrealistische vlaktes ronddwaalde, voor Simon Vestdijk wanneer hij schreef dat
hij Nietzsche ging lezen als hij last van religieuze aanvechtingen had, voor
het meelijwekkende in Godfried Bomans zelfs, wanneer deze op krampachtige wijze
het Rijke Roomse Leven fêteerde. Het hoofd bieden aan geloofsafval zonder terug
te keren tot een kerk, was voor het culturele establishment steeds het waarmerk
van echte progressiviteit. Naast deze tandenknarsende voorhoede was er het
steeds groeiende leger van kunstenaars en intellectuelen voor wie het woord
God geen enkele betekenis meer had, een leger dat onverdroten verder arbeidde
aan de verspreiding van opvattingen waarin religie niets meer is dan vormen van
bedrog en zelfbedrog zonder welke de mens kennelijk heel moeilijk kan leven.
Wanneer
Gianni Vattimo in zijn essay Een spoor van een spoor opmerkt dat de banvloek
der filosofen over de godsdienst is weggevallen signaleert hij daarmee
een wezenlijke kentering in de verhouding tussen religie en filosofie.[2] Het
gaat hierbij niet om een soort revival, een nieuwe injectie christelijke spiritualiteit
in deze mondaine eeuw, zoals bijvoorbeeld bij - met alle respect overigens - de
theologie van Karl Barth.[3]
Het gaat om een vorm van reflectie waarin het dogmatisch rationalisme haar
voorrecht als leid-ster in de kritische bezinning aan het verliezen is. Het
denken dat elk teruggrijpen op het Bijbelse woord naar een pre-kritische
naïviteit verbant, beantwoordt niet meer aan de vragen die ons juist in onze
tijd tegemoetkomen. De voorhoede van de filosofie buigt zich in een sfeer van
welwillendheid, of in ieder geval van serieuze interesse over de overgeleverde
religiën. Filosofen als Derrida, bekend en berucht om hun scepsis, komen voor
de dag met serieuze analyses van Bijbelse teksten.[4]
Juist
in het behoeden van het kritische, progressieve karakter van deze
filosofische tendens moet Vattimo steeds waarschuwen voor achterwaartse
bewegingen. Er moet afstand geschapen worden tegenover diverse vormen van
fundamentalisme, bewegingen die gerelateerd worden aan een metafysische
nostalgie:
Als
het kritische denken zich als een authentieke interpretatie van de religieuze
behoefte van het collectieve bewustzijn wil doen gelden, dan moet het aantonen
dat deze behoefte niet bevredigd kan worden door een simpel hervatten van de
metafysische religiositeit, dat wil dus zeggen door een vlucht uit de
verwarring van de modernisering en uit het Babel van de geseculariseerde
maatschappij in de richting van een nieuw fundamentalisme.[5]
De
terugkeer van de religie in de filosofie beoogt geen teruggrijpen naar een
belevingswereld waarin het is alsof de 20ste eeuw met al haar apocalyptische
dreigingen nooit bestaan heeft. De filosofie is niet bezig een vorm van
regressie te legitimiseren, iets wat uit grond van haar eigen mislukkingen
mogelijk geacht zou kunnen worden. Er wordt geen ongemodificeerde aansluiting
gezocht bij de religie als groot Middeleeuws verhaal. Eerder gaat het om een
nieuw verstaan van het Bijbelse woord zelf.De drieëne God is niet
iemand die ons oproept tot een terugkeer naar de grondslag in de metafysische
zin van het woord, maar, volgens het Evangeliewoord, die ons veeleer oproept om
de tekenen van de tijd te verstaan.[6]
Het
terugkerende woord in Vattimos beschouwingen is metafysica. Dit begrip wordt
door hem gehanteerd in haar heideggeriaanse betekenis, dat wil zeggen, een
opvatting waarin de wetenschap niet een overwinning is op de metafysica, maar
eerder een geïntensiveerde en in de techniek veruiterlijkte voortzetting ervan.
Zoals men eens dacht dat wij door God uit klei gemaakt waren, zo denkt men nu
dat wij van de apen afstammen - het theoretische werkelijkheidsbesef dat aan
beide hypothesen ten grondslag ligt is één en hetzelfde, is metafysisch. Het
einde van de metafysica betekent dan het einde van een denkwijze die met haar
volle gewicht leunt op dit type waarheid. De metafysische denkschemas blijven
volledig in gebreke over vragen die voor ons als mensen werkelijk ter zake doen
- wezenlijke vragen naar onze afstamming worden niet beantwoord door wellicht
met geldige waarheidsaanspraken gepaard gaande voorstellingen van objectieve
historische gebeurtenissen waar we door een tijdszee van 5000 of 5 miljoen jaar
gescheiden zijn. Wat ontbreekt aan de metafysische voor-stelling is een
immanentie, een doorleefdheid. George Steiner herformuleert Heideggers kritiek
op de metafysica aldus:
Het
is de fatale vergissing van het erkende metafysische denken geweest, Sein
op te vatten als een soort eeuwige tegenwoordigheid of Vorhandensein,
daarbuiten. Reeds Augustinus had gewaarschuwd tegen de dwangmatige concupiscentia
oculorum [wellust der ogen] van filosofen, hun platonische nadruk op het
zien van het wezen der dingen in plaats van het te ervaren met totale
existentiële toewijding en geduld - welke toewijding een realisatie meebrengt
van de tijdgebonden aard van het zijn. Hegels dialectiek en Nietzsches
voluntarisme vergroten deze fout. Onvermijdelijk is men het Sein gaan
zien, dat wil zeggen zich gaan voorstellen, het gaan abstraheren, tot een
metafoor maken, zichtbare toeëigeningen die allemaal even vals zijn. Zij maken
van het zijn een loutere Gegenwart, een soort objectief gegeven
daarbuiten. Zulk objectief kijken ontwortelt de mens. Het levert hem uit
aan nieuwsgierigheid (Neugier, letterlijk, begeerte naar iets nieuws)
en zelfverstrooiing. Materialisering, vervreemding, eendimensionaliteit
zijn nu de modieuze benamingen voor deze ontheemde en caleidoscopische
toestand.[7]
Aan de
hand van Heidegger kunnen we de vraag naar de immanentie opnieuw stellen, en de
vraag of en zo ja welke relatie de immanentie onderhoudt met de transcendentie.
Een louter metafysische transcendentie, een God die als een planeet in de hemel
woont, volstaat niet.
Vattimos
waarschuwingen worden expliciet ingegeven door een heideggeriaanse oriëntatie.
Als we het willen hebben over God, de Menswording, de Opstanding, dan moeten we
in dat spreken niet de oude metafysische voorstellingen terughalen. We zouden daaraan
toe kunnen voegen dat, zo er sprake is van nostalgie, deze wellicht niet de
Bijbelse God betreft, maar de veiligheid van een gesloten, metafysisch
universum - een heelal en een mensenwereld waarin alles klopt en alles op zijn
plaats staat. De Bijbel is misschien wel het boek dat ons bij het repareren van
een dergelijke kant-en-klaar religie het meeste in de steek laat.
Een
van de woorden waarmee die al te gemakkelijke toenadering tot het religieuze
erfgoed kan worden afgesneden is alteriteit. Alteriteit, alterité,
is een filosofische term voor het Andere. Alteriteit is bijna een definitie van
datgene wat zich niet laat voor-stellen, wat zich aan de rationele
beheersbaarheid onttrekt. Het is het Andere dat zich niet tot het Zelfde laat
reduceren - het zijn psychische, sociale, ethische, historische realiteiten die
zich niet aan een subject-object-relatie geven, die zich niet laten organiseren
volgens een periodiek systeem der elementen. Het denken van het Zijn door
Heidegger vormt in deze hele filosofische oriëntatie steeds een belangrijke (en
problematische) inspiratiebron.
In
het denken van Levinas wordt de alteriteit met de concrete Ander verbonden. We
zouden kunnen zeggen dat Levinas de heideggeriaanse vraagstelling omwerkt tot
een ethische alteriteit. Waar ik in dit opstel aandacht aan wil besteden
is het gegeven dat deze relatie met de Ander door Levinas vaak wordt omschreven
met gewelddadige en psychopathologische metaforen - de Ander maakt inbreuk op
me, de Ander traumatiseert me, de Ander doet me iets aan. De betrekking tussen
Zelf en Ander is niet die van de kennis, maar van een aangedaanheid.
Deze woorden assoneren (rijmen wilde ik schrijven, maar het is slechts halfrijm
of klankrijm) met René Girards kijk op de relatie tussen Zelf en Ander. Ook
Girard spreekt van de Ander die mij iets aandoet.
Het
verschil tussen Girard en Levinas ligt met name in hun waardering van dat geweld.
Tegenover alle subtiliteiten en tegenstrijdigheden waarmee Levinas zoekt naar
een filosofie van de gastvrijheid naar de Ander, vinden we bij Girard een bijna
brute aanklacht jegens de gewelddadigheid die in de sociale betrekkingen
besloten ligt. Girard richt zich tegen het hele alteriteitsdenken als zodanig,
en tegen de Heideggeriaanse wortels ervan in het bijzonder. Anders gezegd: we
vinden bij Girard de ethische alteriteit terug in de beklaagdenbank op
beschuldiging van een gewelddelict. En daarmee lijkt een geschiedenis zich te
herhalen: een andere vorm van alteriteit, die ik de numineuze alteriteit
zal noemen, was de ethische alteriteit daarin voorgegaan.
In
het onderstaande zullen we concrete inhoud geven aan wat in deze inleidende
opmerkingen onvermijdelijk als een opeenhoping van abstracties voorkomt. Aan
het einde zullen we terugkomen op de vraag hoe deze twee uitgesproken
religieuze denkers - Levinas joods, en Girard christelijk - zich tot de
waarschuwingen van Gianni Vattimo verhouden.
2.
In de
Westerse geschiedenis verschijnt het Andere aanvankelijk als ervaring in
het Zelf. Vanaf het eind van de 18de eeuw vinden we, met name in de poëzie,
talloze getuigenissen van belevingen die zich aan de rationele beheersbaarheid
onttrekken. Het lexicon van deze innerlijke alteriteit is inmiddels behoorlijk
uitgebreid: het verhevene (het sublieme), het unheimliche, de esthetische
ervaring, enthousiasme, het numineuze, het sacrale, spiritualiteit - steeds
gaat het bij deze termen om ervaringen die wel rationeel benaderbaar zijn, die
eventueel door muziek of poëzie zijn op te roepen, maar die zich als zodanig
aan beschrijving onttrekken.[8]
In de esthetiek van de 19de eeuw neemt dit mystiek-psychologische register van
de alteriteit een centrale plaats in, en hoewel in de 20ste eeuw allerlei
nieuwe ontwikkelingen aan het licht treden kunnen we stellen dat deze esthetiek
in onze dagen nog lang niet uitgewerkt is.
Vanuit
deze esthetiek bestaat er in ieder geval een weerwoord tegen de voortschrijdende
onttovering van de moderniteit. Het menselijke innerlijk plooit zich niet
naar de rigoureuze schemata van het rationalisme - er bestaat een
ervaringskader dat serieus in ogenschouw genomen kan worden zonder dat men zich
bezondigt aan goedgelovigheid. Voor de bekering tot het traditionele
christendom schept dit type denken een soort sluipweg. Het geloof als
herinnering aan een levende geloofservaring geniet een aanzien die de
bewuste, overwogen keuze voor het christendom (i.c. de reformatorische
belijdenis) ontbeert. Dichters en romanschrijvers hebben in allerlei toonaarden
en contexten gewezen op het overweldigende van dit ervaringskader en zo wordt
de geloofservaring iets dat zich kan meten aan bepaalde vormen van poëtische
gevoeligheid.
In
theoretische beschouwingen over dit ervaringskader ontmoeten we de taal van de
alteriteit. In Das Heilige (1920) schrijft Rudolf Otto:
De
pakkendste uitdrukking van het religieus mysterieuze is misschien het Ganz
andere, dat volledig buiten de sfeer van het gewone, het begrepene en
vertrouwde en daarom heimliche valt; dat daarmee contrasteert en
derhalve het gemoed met stomme verbazing vervult.[9]
Volgens
wetten, waar we nog over zullen spreken, zal dit gevoel van het Ganz
andere zich hechten aan of in sommige gevallen mede opgewekt worden door
objecten, die van zichzelf al natuurlijk-raadselachtig zijn, bevreemdend
werken, frapperen, door bevreemdende en opvallende verschijnselen, voorvallen
en dingen in de natuur, onder de dieren, onder de mensen. Maar ook hier gaat
het dan om de associatie van een specifiek, dat wil zeggen een numineus aan een
natuurlijk gevoelsmoment, en niet om graduele verhoging van het laatste.[10]
Rudolf
Otto is degene die het woord numineus gemunt heeft - naar numen, dat hij
definieert als bovennatuurlijk wezen zonder een precieze voorstelling[11]. In de
bovenstaande passages wordt het numineuze categoriaal onderscheiden van
geïntensiveerde alledaagse ervaringen. Het is het Andere, als gevoel, als
innerlijke waarneming. Naar Otto, en ook naar Carl Gustav Jung, die dit woord
bij het grote publiek bekend heeft gemaakt, kunnen we dus spreken van een
numineuze alteriteit.
Het
is tegen de achtergrond van deze innerlijkheid dat de Bijbel een nieuwe
relevantie krijgt. Maar niet de Bijbel alleen - het numineuze keert langs
verschillende wegen in een veelheid tot de moderne mens terug: in de poëzie, in
de heilige boeken van andere, met name Oosterse religies, in de
veldwerk-verslagen van anthropologen, en last but not least, in de
erfenis van de Griekse cultuur. Voor zover de numineuze alteriteit reëel is,
krijgt de Bijbel, als één van de boeken die van dit teloorgaande
gevoelsregister gewag maakt, een nieuwe wetenschappelijke relevantie. En voor
zover men in het opnieuw thematiseren van dit gevoelsregister mee denkt te
werken aan het slaan van een bres in de wetenschappelijke rationaliteit ten
gunste van een opening naar een deels nieuwe, deels traditionele christelijke
religiebeleving - wat bij zowel Otto als Jung onmiskenbaar het geval is -
ontstaat steeds het probleem van de kanalisatie. Volgens Jung, bij wie
de Bijbelse gestalten één voor één terugkeren als archetypen, biedt de religie bescherming
tegen onmiddellijke ervaring.[12]
Er is
dus meer tussen hemel en aarde, en dit dan, binnen de menselijke psyche. Het
natuurwetenschappelijke coördinatensysteem blijkt niet opgewassen tegen dit Fremdkörper
in het menselijke innerlijk - een psychisch fenomeen dat steeds sensationelere
vormen aan zal nemen, naarmate de laboratoria de godshuizen vervangen. Want
wanneer de grote kanalisatie-instituten hun grip op de mensen verliezen - zo
redeneert Jung - is deze onmiddellijkheid gedoemd in haar eigen
huiveringwekkendheid vrij te komen. Pas aan het eind van de 18de eeuw treffen
we in de Europese kunst iets aan dat we onder de numineuze alteriteit kunnen onderbrengen.
Het is het verschil tussen de eerste twee en de laatste zeven symfonieën van
Beethoven - na het behagen van het oor komt het overdonderen van de ziel. Na
Beethoven komt Brahms, na Brahms komt Mahler, en na Mahler komt Stravinsky die
in zijn Sacre du Printemps, volgens de meest gangbare interpretatie,
niets minder dan het rituele mensenoffer ten tonele voert.
Het
gaat bij de numineuze alteriteit niet om iets nieuws. De ervaring van het Andere
verschilt door de eeuwen heen niet in frequentie en intensiteit. Zolang er een
hechte, tot in alle maatschappelijke gelederen doorwerkende religie aanwezig
is, worden die ervaringen steeds gestuurd, metafysisch en ethisch afgeschermd.
Vóór de achttiende eeuw vertoonde het numineuze zich voornamelijk in het
vocabulaire en de beeldtaal van de christelijke religie zelf. Vaak konden de
overgeleverde kaders volstaan om de ervaring een plaats in het leven te geven -
het kon een intensificatie van het geloof zijn die bijvoorbeeld leidde tot een
aanvaarding van het kloosterschap of het priesterambt. In de gevallen waarin de
ervaring tegen de grenzen van de overgeleverde kaders aanduwde, konden
kerkelijke autoriteiten correcties aanbrengen of de nieuwe belevingen binnen de
orthodoxie integreren - zoals bijvoorbeeld met het visioen van het Heilig
Hart. Door selectief met de
religiebeleving om te gaan bewaakte, maar ook verlevendigde de kerk haar eigen
orthodoxie.
Maar
het beeld van een harmonieuze relatie tussen de gevestigde kerken en spontane
numineuze opwellingen onder de mensen is natuurlijk maar een deel van de
waarheid. Achter de eventuele welwillendheid van de kerk verscholen zich zeer
reële dreigingen - van excommunicatie tot brandstapel. In de 19de eeuw werden
Middeleeuwse ketters vaak gezien als martelaren van een vrije religiebeleving.
Terwijl Marx de kerken begreep als een instantie van maatschappelijke
onderdrukking, benadrukten sommige dichters en denkers de orthodoxie als een
lichaam van psychologische onderdrukking. Het denken van de alteriteit als
ervaring, vanwaaruit een belangstelling in het Bijbelse woord steeds levend kon
blijven, impliceerde niet dat men niet afwijzend tegenover de traditionele
religie kon komen te staan.
Het
denken van de numineuze alteriteit beslist niet over de houding jegens de
traditionele religie. Naast het pleiten voor een gekanaliseerde verwerking van
de nieuwe numonisiteit vinden we een wildgroei aan bewegingen die zich
regelrecht van de bestaande kerken afkeren. De gemeenschappelijke noemer in dit
denken is een zekere hang naar resacralisatie - het opnieuw hoorbaar en
voelbaar maken van wat door de rationele beheersingsdrang in vergetelheid is
geraakt. Het rationele denken zelf kan tegen deze achtergrond dan opgevat
worden als een project van desacralisatie - de verdere ontmaskering van
religieuze voorstellingen als fantomen van de menselijke geest.
De
verhouding van Martin Heidegger tot deze hele geschiedenis is bijzonder
complex. In het voetspoor van Husserl stond Heidegger afwijzend tegen elke
manier van denken die zich beperkte tot psychologie of anthropologie. In zijn
ogen verviel de ervaring daarmee opnieuw tot wetenschap, maakte ze zich
ondergeschikt aan een metafysica waarin het denken zich de ervaring als een
eigenheid van de psyche voor-stelt. Deze voorstellingen waren in de taal
van Heidegger steeds slechts Zijnden, waartegenover hij het Zijn zelf stelde.
Het wezenlijke verschil tussen Zijn en Zijnde, de zogenaamde ontologische
diffe-
rentie,
vormde voor Heidegger een vertrekpunt voor een denken dat de pretentie had de
hele filosofie opnieuw te begronden. Als de mens vervreemd was, dan was hij
vervreemd van het Zijn zelf.[13]
Heideggers
filosofie beoogde een terugkeer, een thuiskomst in het Zijn zelf. Het
woord dat hij in zijn vocabulaire overnam was unheimlich - maar in
plaats van een categoriaal te onderscheiden gevoelsmodaliteit, betekende het
woord unheimlich voor Heidegger een fundamentele uithuizigheid uit de
grondstructuren van het Dasein. Het uiteindelijke perspectief, waar de
hoop op gericht is, waar de filosofische inspanningen naar verwijzen, is die
van een Heimkehr, een terugkeer naar een wereld waarin het Dasein
in haar eigen Zijn is gekomen:
Denken
we ons de verschrikkelijkste catastrofes in de natuur en in de kosmos - zij
vallen in termen van Unheimlichkeit in het niet [sie sind ein Nichts
von Unmheimlichkeit] bij dat, wat het mensenwezen in zichzelf is, voor
zover de mens in het Zijnde als zodanig gesteld is en voor het Zijnde geplaatst
is, het Zijn vergeet, zodat voor hem het Heimische tot een leeg
dwaalspoor wordt, dat hij met zijn drukdoenerij opvult. De Unheimlichkeit
des Unheimischen bestaat daarin, dat de mens in zijn eigen wezen zelf een καταστρoφ_ is - een omkering,
welke hem van zijn eigen wezen afkeert.[14]
Net
zoals bij Otto speelt de gedachte aan een spectaculaire natuur op de
achtergrond mee,
maar
in tegenstelling tot Otto begint Heidegger een spel met de verschillende betekenissen
van het morfeem heim - vaderland, thuis, inheems, heimelijk,
geheim - waarmee het hele schema een andere draagwijdte krijgt. Het gaat
nu niet meer om psychische entiteiten maar om een hele ontologische-historische
bestemming, waarin het Duitse volk leiding (Führung) zou kunnen geven.
De
wending die de Westerse geschiedenis volgens Heidegger zou moeten krijgen, werd
vooralsnog alleen maar tegengewerkt door een steeds verder groeiend wetenschappelijk
bestel en haar veruiterlijking in de moderne techniek. Marx kon in zijn ogen
nog genade vinden in zoverre deze de vervreemding als basisconcept in zijn
denken toeliet.[15] In het
Anglo-amerikaanse denken trof hij slechts Seinsvergessenheit aan. Onhistorisch
en daarmede rampspoedig [katastrophenhaft], zoals geen natuur vermag te
zijn, is bijvoorbeeld het Ameri-
kanisme.
Heideggers politieke voorkeuren waren toegesneden op de filosofie - voor de rol
van hoeder van het Zijn kwam eigenlijk alleen het nationaal-socialisme in
aanmerking. Heidegger heeft de Tweede Wereldoorlog beleefd als een groots
spektakel in de geschiedenis van de metafysica, waarin de enige politieke visie
die uitzicht bood op een Heimkehr jammerlijk ten onder is gegaan.
Over
Heideggers houding tegenover het nationaal-socialisme zijn een aantal uitstekende
studies gemaakt.[16] Maar
waar ik op wil wijzen is dat - in de bredere context van de numineuze
alteriteit, van een type denken dat direct of indirect aanstuurt op een resacralisatie
- Heideggers positie allesbehalve uniek is.[17]
Heideggers keuze is - weliswaar niet zuiver maar toch in belangrijke mate - negatief:
Hitler is het beste tussen drie kwaden. Talloze denkers en literaten zijn in de
vroege dagen van de opkomst van het nationaal-socialisme in de gevarenzone
geweest. De rituelen en de symbolen van de NSDAP, de rhetorica van de
grootsheid, en ook het opmerkelijke succes van Hitler, de plotselinge
verstomming van een gênant democratisch gekrakeel, gaven de toeschouwers te
verstaan dat er in Duitsland iets opbloeide waarin ernstige zaak gemaakt werd
met de steeds maar verder voortschrijdende versplintering en uitholling van het
moderne bestaan. Terwijl denkers als Bertrand Russell geen seconde over het nationaal-socialisme
hebben hoeven nadenken, hebben anderen zich niet zonder mentale inspanningen
aan de aantrekkingskracht van Hitler en de zijnen kunnen onttrekken. Hitlers
antisemitisme, zijn bedreiging van Europese nationale staten, zijn ongeremde
militarisme, de banaliteit van het optreden van de hele
nationaal-socialistische elite - er was genoeg om je door het
nationaal-socialisme afgestoten te voelen, maar toch...
De
Tweede Wereldoorlog, kunnen we zeggen, is beslissend in de geschiedenis van de
numineuze alteriteit. Het oorlogsgeweld, met name de holocaust, werd een
richtinggevend moment in het na-oorlogse denken. Het is deze reële, historisch
gruwel die ons afschermt van de overwegenswaardigheid van het
nationaal-socialistische project, en die daarmee ook de bron is van een
typische na-oorlogse hypocrisie, die steeds weer opsteekt wanneer van deze of
gene schrijver of filosoof dubieuze vroege artikelen worden ontdekt.[18] De
holocaust is - met een woord van Philippe Lacoue-Labarthe - een filosofische cesuur, een insnijding, een
gebeurtenis die het denken in haar kern verandert.[19]
Intellectuelen die schoorvoetend hebben toegegeven aan hun fascinatie voor het
nationaal-socialisme hebben zich later naar deze cesuur moeten heroriënteren,
door schuld te bekennen, door dingen te verdonkermanen, door zichzelf als jong
en naïef voor te stellen. Het is een cesuur die we zeker moeten onderschrijven,
maar die we ook ter wille van een historische waarachtigheid tussen haakjes
moeten durven zetten.
Het
probleem bij Heidegger is dat hij deze cesuur nooit geaccepteerd heeft.
Filosofisch moet hij zich onderworpen hebben gevoeld aan wat door Duitsers het Tribunal
der Sieger werd genoemd, een scepsis tegen de juridische integriteit van
het proces van Neurenberg. De overwinning van de geallieerden was de
overwinning van het catastrofale Amerikanisme, van geschiedenisloosheid,
wetenschappelijke rationaliteit, democratie, techniek. Dat op zijn minst
gebleken is dat er iets goeds zit in rationaliteit en democratie, dat we
daarin in onze eeuw in ieder geval een bescherming vinden tegen de zwartste
vormen van totalitarisme, is een gedachte waar Heidegger nooit werkelijk aan
heeft gewild.
De
werkelijke catastrofe, dat waren de Duitsers zelf - is het algemeen aanvaarde
na-oorlogse perspectief.[20]
Catastrofaal was de mystieke Duitse saamhorigheid, het vendelzwaaien, de
symbolen, het gevoel opgenomen te zijn in een wereldomspannende missie, de
primitieve krijgszucht, de Griekse tempels en Egyptische piramiden. De zaak van
de resacralisatie zou na 1945 nooit meer zijn wat ze daarvoor geweest
was. Iedereen die na de oorlog woorden als numonisiteit en mystiek in de mond
neemt dient rekenschap af te leggen van de status van de politieke beweging die
in de 20ste eeuwse westerse geschiedenis het meeste met deze begrippen
geassocieerd wordt.[21]
Een ongemodificeerde herneming van het Heideggeriaanse denkgoed - en niet
alleen van Heidegger maar van een hele denk- en dichtgeschiedenis die stevige
wortels in de Duitse romantiek heeft - is het weigeren van de cesuur.
In
het aanschijn van de onmogelijkheid deze cesuur te weigeren ontstaat
geleidelijk aan een nieuwe standpunt ten aanzien van de alteriteit. Het is een
standpunt waarin minder naar heidense en meer naar joodse wortels wordt
gezocht, en waarin een tendens aanwezig is het opnieuw bespreekbaar maken van
het Bijbelse woord als een vorm van desacralisatie op te vatten. De
aandacht verschuift van mystiek naar ethiek, van het innerlijke (interioriteit)
naar het uiterlijke (exterioriteit). Het Andere wordt de concrete Ander - in
plaats van de hoeder van het Zijn, luisteren we nu naar de broeders hoeder
(Genesis 4:9). De twee belangrijkste denkers in de ontwikkeling van dit nieuwe
na-oorlogse standpunt zijn vermoedelijk Emmanuel Levinas en René Girard.
De
Tweede Wereldoorlog maakt een einde aan de optie van een sacraal reveil. In
plaats van drie partijen zijn er nu nog alleen links en rechts, Oost en West,
Amerika en Rusland. Typerend voor deze versmalling van de kritiek is het
denken van Jürgen Habermas, die zich in zijn vroege werk bij Marx, en in zijn
latere werk bij de Anglosaksische analytische filosofie aansluit. In Frankrijk,
kun je zeggen, heeft de filosofie wat meer speelruimte - kan er wat mediterraans
licht over de romantisch-germaanse duisternissen uitgestort worden. Wanneer men
het na de Tweede Wereldoorlog over het existentialisme heeft, heeft men het
voornamelijk over Jean-Paul Sartre en (in mindere mate) Albert Camus. De
heideggeriaanse inspiratie vindt een onderkomen bij links-politieke, vaak
uitgesproken atheïstische denkers.
Sartre
is in de jaren vijftig en zestig de dominante aanwezigheid in wat we de
kritische filosofie noemen. Het existentialisme heeft bij hem een veilig
onderkomen. In de jaren vijftig gaat het werk van Levinas, die een veel diepere
kennis van Heidegger bezat, en die aan een veel principiëlere ombuiging
arbeidde, hoegenaamd onopgemerkt voorbij. Vooralsnog blijft in Frankrijk
kritiek steeds verbonden met een politiek-sociale emancipatoire impuls, - een
impuls die echter steeds minder duidelijk links genoemd kan worden. Oudere
denkers lezen in het werk van jongere generaties regelmatig het oprukken van
Nieuw Rechts - dit is een steeds opnieuw terugkerend verwijt. En dit heeft niet
alleen te maken met het geleidelijk in diskrediet raken van de grote
communistische bolwerken, maar ook met een verschuiving en uitbreiding van de
emancipatie-problematiek. Als het in het marxisme alleen nog maar om het
proletariaat gaat, dan gaat het bij Michel Foucault om de waanzinnige, de
misdadiger, de homoseksueel, de zieke. Hoe groter de eenstemmigheid over de
gedachte dat de weg naar de hemel over het spoor van een steeds verder-reikende
emancipatie loopt - invaliden, dieren, tropische oerwouden - hoe meer het
debat, met een woord van Peter Sloterdijk, op een Bewusstseinskrieg
begint te lijken.[22]
Hoe meer denkers de emancipatoire impuls proberen te monopoliseren en
gelijkgestemden met een ietwat afwijkende oriëntatie van de grofste vormen van
vervolging betichten, hoe meer de kritiek op een babylonische spraakverwarring
begint te lijken, waarvan de spreekwoordelijke ontoegankelijkheid van het
na-oorlogse discourse het symptoom bij uitstek is.[23]
Hoewel
het werk van Jacques Derrida wat betreft die ontoegankelijkheid de kroon spant,
vinden we in zijn filosofie wel iets dat het hoofd biedt, begrip schept in de
verwarringen van een doorgeëmancipeerde moderniteit. We moeten ons niet laten
intimideren door de duizenden subtiliteiten in Derridas denkguerilla, en dit
hier in eenvoudige bewoordingen uitleggen. We zeggen dan: in Derridas ogen is
elk schrijven (en dus spreken, denken, cultuur) een vorm van geweld. Elke
tekst marginaliseert. Elk woord, elke zin, neemt een plaats in, ontzegt
toegang van die plaats tot andere woorden en zinnen. Rondom elke tekst bevindt
zich een marge - kijk maar naar de witte rand van deze pagina. Het
marginaliseren is een basisgegeven bij elk schrijven, en in die zin is
schrijven, kritiek leveren een activiteit waarbij een onberispelijk geweten
onmogelijk is.
Dit
geldt met name voor de parafrase, voor de herverwoording van een filosofische
of literaire tekst. In de parafrase wordt per definitie onrecht gedaan aan de
oorspronkelijke tekst. De pretentie de eigenlijke boodschap uit een oude
tekst los te weken, en deze aan een publiek te presenteren - zoals Heidegger
min of meer doet met de pre-Socratici, maar ook René Girard met het Nieuwe
Testament - is altijd vals. Maar wat wél kan is in de marge schrijven - en
daaronder verstaat Derrida niet een soort dubbelschrijven dat de
oorspronkelijke tekst intact laat, maar een commentaar dat laat zien hoe en
waar een andere tekst marginaliseert en vooral hoe en waar die tekst die
marginalisatie ontkent.
Een
van de taktieken die Derrida gebruikt is het hechten van zeer groot belang aan
wat in de marge van klassieke filosofische teksten zélf al geschreven staat -
dat wil zeggen om bijzondere aandacht te besteden aan voorwoorden, nawoorden,
voetnoten, annotaties bij heruitgaven.[24]
Wat een belangrijke filosoof tijdens (of na) de compositie van een hoofdwerk
op de achterkant van een sigarendoosje heeft geschreven, bevat misschien wel
informatie die essentieel voor een begrip van zijn werk, en dit juist omdat
het niet in de hoofdtekst mocht staan. Het onderscheid tussen hoofdzaak en
bijzaak vervalt - alles doet ter zake. Het spreekt vanzelf dat je van
goede huize moet komen om vanuit dergelijk uitgangspunten zinnige commentaren
te leveren - en er is inderdaad niets treurigers dan een slechte
Derrida-imitatie.
Een andere target van Derridas kritiek
zijn de passages waarin geschreven teksten hun eigen schriftuurlijke, dus
marginaliserende karakter ontkennen - waarin teksten zichzelf voorstellen als
onbemiddelde getuigen van het levende spreken, de levende geest. Dergelijke
paggages komen dermate vaak voor dat hier van een grondstructuur gesproken kan
worden, iets wat systematische studie verdient. Ook in de literatuur of de
Bijbel treffen we die laatdunkendheid jegens het geschreven woord aan. Zo schrijft Paulus in II Corintiërs 3,6:De
letter dood, maar de geest doet leven - wat Paulus er evenwel niet van
weerhoudt zich van dit gewelddadige medium te bedienen.[25]
De
filosofie is in deze opvatting zelf steeds en onvermijdelijk een
marginaliserende tekst. Filosofie als vakgebied, als genre, bestaat onder meer
bij het uitstoten en verbannen van de verhalen, de metaforen, de mythen, de
literatuur. Vóór er in het oude Griekenland zoiets als een filosofisch
discourse kon ontstaan moesten er allerlei marginaliserende operaties volvoerd
woorden. In zijn analyse van Platos Phaedrus retraceert Derrida de
werking van het woord pharmokon dat zowel gif als medicijn kan
betekenen. De abstracte hiërarchieën van Plato gaan terug op een tekstuele
uitbanning, een spel met het pharmokon, een woord dat verwant is aan
het Griekse woord voor zondebok pharmakos.[26] Elke
nieuwe filosofische of wetenschappelijke tekst herhaalt het oorspronkelijke
marginaliserende gebaar -
emancipatie/uitbanningsproblematiek, die in het werk van Foucault al een
schaalverbreding krijgt, bereikt bij Derrida een limiet.
In
plaats van de emancipatie van specifieke groepen na te streven staat bij
Derrida de marginalisatie zelf centraal. Derridas kritiek heeft in plaats van
een maatschappelijk-politiek eerder een epistemologisch karakter. Het is niet
moeilijk in te zien hoe binnen een dergelijk denken een begrip als alteriteit uitstekend
kan functioneren. Het Andere is daarin de marge, het altijd Andere, het
on-totaliseerbare, hetgene wat steeds aan elke tekstuele (culturele, politieke)
insluiting (clôture) ontsnapt. Schrijven is steeds een verhouding met
het onbedwingbare wit van het papier aangaan. Maar schrijven en lezen, blijkens
de vele voorbeelden die Derrida geeft, is ook een activiteit die haar eigen
werking niet verdraagt, die de onvermijdelijke marginalisaties weg probeert te
strepen. Tegenover de rationalistische heerszucht benadrukt Derrida de
onbeheersbaarheid van de schriftuurlijke werking.
De
invloed van Levinas op Derrida is duurzaam en groot - schrijft Christopher
Norris in zijn Derrida.[27]
En dat geldt voor menig ander Franse (post)moderne denker. Het werk van deze
joodse filosoof wordt steeds met veel egards behandeld. Het is niet overdreven
te zeggen dat in de loop van de jaren zeventig en tachtig de levinasiaanse
verwerking van Heideggers denken die van Sartre vervangen heeft. Niet alleen
betekent dit dat het vraagstuk van de alteriteit, dat door Sartre in het pour
soi was gedomesticeerd, vol in de filosofische aandacht terugkeert - ook
betekent dit dat er midden in hart van de Franse denkcultuur een religieuze
stem meeklinkt. Het communistische opvoedingskamp heeft veld geruimd voor een
joods tabernakel.
Het
is Levinas die de relatie tussen een abstracte alteriteit en de concrete,
levende Ander heeft uitgewerkt. Opererend vanuit een Husserliaanse en
Heideggeriaanse fenomenologie komt Levinas tot een filosofie van het primaat
van de ethiek, waarbij de onmiddellijke ander, het levende individu, de
singulariteit een religieus te noemen onschendbaarheid geniet. In plaats van
de esthetische/mystieke/psychologische invulling van de alteriteit
treffen we nu een ethische oriëntatie op de Ander, de medemens met wie ik in de
realiteit te maken heb. Vanuit de zogenaamde joodse mitnagged-traditie
blijkt Levinas steeds fel gekant te zijn tegen elke vorm van mystiek en
enthousiasme.[28] We hebben
nu een ethische alteriteit in plaats van een numineuze alteriteit - waarin
desalniettemin op verwante wijze een tegenbod gedaan wordt tegen de rationele
beheersingsdrang. De Ander vormt niet een toevallige leemte in een
wetenschappelijke alwetendheid, en evenmin is hij het object van een gebrekkige
mensenkennis of een gebrekkig psychologisch inzicht. Zodra ik in de
werkelijkheid door de Ander aangesproken word bevind ik mij al in een
ethische situatie: Ik geef gehoor, al vóór ik nagedacht heb over de vraag
of ik dat wil, moet of kan doen. De ethische situatie gaat aan de kennis
vooraf, zegt Levinas.
Het
primaat van de ethiek is zowel een vervolg op Heideggers ondergravende analyses
van de kennisrelatie, als een echo van de profetische taal - er is bij de grote
profeten geen zoeken-en-vinden van God, maar een aangesprokenheid die ook
steeds te vroeg komt - het woord van Jahweh werd tot mij gericht (Jeremias
1:4).[29] De
alteriteit laat van zich horen, en voor de joodse denker is dit vooral een
gebod. Vóór elke rationele beslissing al is gemaakt, vertoont de Ander zich al
in het gelaat, in de naaktheid van zijn ogen die zeggen Gij zult niet doden.
Het is hierin dat het Oneindige, het fundamenteel onbeheersbare, manifest
wordt. In plaats van een Bijbel waarin sporen van numineuze ervaringen te
vinden zijn, lezen we bij Levinas de Bijbel van voorschriften en geboden:
De
weg die naar God leidt, voert dus ipso facto - en niet op de koop toe -
naar de mens; en de weg die naar de mens leidt, brengt ons weer bij de rituele
tucht, bij de zelfopvoeding. De verhevenheid van deze tucht ligt in zijn
dagelijkse regelmaat. Hier volgt een passage waarin drie meningen vermeld
worden: de tweede geeft de manier aan waarop de eerste waar is, en de derde
geeft de praktische voorwaarden voor de tweede. Ben Zomma heeft gezegd: Ik heb
een vers gevonden dat de hele Thora bevat: Luister, Israël, de Heer is onze
God, de Heer is Eén. Ben Nanas heeft gezegd:Ik heb een vers gevonden dat de
hele Thora bevat: Gij zult de naaste beminnen als uzelf. Ben Pazi heeft
gezegd:Ik heb een vers gevonden dat de hele Thora bevat: s Morgens zult gij
een lam offeren en s avonds een tweede. En Rabbi, hun leermeester, stond op
en besliste: De Wet is volgens Ben Pazi.
De wet
is inspanning. De dagelijkse trouw aan rituele handelingen vraagt een moed die
kalmer, nobeler en groter is dan die van de soldaat.[30]
Een
metafysische uitspraak over God valt samen met een ethische stelregel, die op
haar beurt weer samenvalt met een rituele levenspraxis. Het denken in het kader
van de ethische alteriteit schermt de aansluiting bij de taal van de religie
niet alleen af van heidense sacrale geschriften, maar brengt ons ook bij wat we
centrale ethische thematiek van de Bijbel kunnen noemen.
Vanuit
een geheel andere invalshoek komt René Girard tot een vergelijkbare herwaardering
van het authentieke Bijbelse woord. De twee grondthemas van Girard zijn de mimetische
begeerte(waarover hieronder meer) en het zondebok-mechanisme. Volgens Girard
ligt het zondebok-mechanisme ten grondslag aan alle mythologieën, en is demythologisatie
in essentie het blootleggen van dit gewelddadige grondpatroon. De rationele
wetenschappen hebben zich het demytholigiserende denkkader toegeëigend, en
willen elke tekst die niet onmiddellijk de wetenschappelijke taal spreekt uit
de serieuze aandacht stoten. Bestudering van de Bijbel wijst echter uit dat de
onthulling van het zondebok-proces in de Bijbel volledig en onovertrefbaar is.
De Bijbel is niet toevallig het boek waarin we onze aversie tegen het
zondebok-denken kunnen herontdekken - deze in een geseculariseerde cultuur
geïntegreerde aversie is een gevolg van een eeuwenlange Bijbelse werking. Het
Bijbelse woord rijmt niet alleen met onze morele attitudes, maar herbergt een
veel dieper begrip van de ethische implicaties die de onthulling en dus
inactivering van het zondebokmechanisme met zich meebrengen. Met het ongeloof
in de zondebok áls zondebok verliezen we de belangrijkste culturele bescherming
tegen het geweld. Dit is de rationale achter de asymmetrische Bijbelse ethiek
waarin op geweld gereageerd wordt met het afzien van geweld -het toekeren van
de andere wang, waarin we in het voetspoor van Nietzsche slechts een schending
van de menselijke waardigheid konden lezen.
De
onthulling van het zondebokproces gaat gelijk op met een onthulling van de waarheid
in de wetenschappelijke zin van het woord. Het zondebok-mechanisme heeft als
doel de gemeenschap tegen haar eigen geweld te beschermen door al het kwaad op
één slachtoffer te projecteren. Om te kunnen functioneren moet deze projectie
een geloofwaardigheid hebben, waarmee - en Girard schroomt niet om dit woord
te gebruiken - de leugen in de wereld komt. Het zondebok-denken is in veel
opzichten efficiënt, maar in de herpresentatie van haar eigen
werkzaamheid begaat zij een structurele onwaarheid. Het innemen van het
standpunt van het slachtoffer is dan niet alleen een nobele ethische geste,
maar bovenal het innemen van het enige standpunt dat de waarheid kan
ont-dekken. Het Goede en het Ware zijn niet één omdat een of andere mysterieuze
demiurg dat verordonneerd zou hebben, maar omdat waarheid pas kan ontstaan als
de interpretationele malversaties van het zondebok-mechanisme geweken zijn.
Hoewel
Girard niet vanuit de filosofie tot deze inzichten is gekomen springen de
raakvlakken met Derrida en met name met Levinas in het oog. De ethische
alteriteit past op de onthulling van het zondebokmechanisme als een deksel op
een doos. Patrick Altena schrijft in Het gelaat als rivaal:
Noch
Girard noch Levinas stemmen ermee in dat ieder van ons uiteindelijk niets
anders is dan een toevallig knooppunt van volgens even toevallige informatie
geprogrammeerde verzameling genen. Beiden laten het niet bij allerlei
prachtige uitroepen over de uniciteit van ieder mens, maar trachten op een voor
ieder toegankelijke wijze deze overtuiging uiteen te zetten. De
onaantastbaarheid van ieder individu is geen fraai verzinsel, het is een in de
werkelijkheid terug te vinden gegeven. René Girard beschrijft het
zondebokmechanisme niet enkel, hij verzet zich er ook tegen. En dit verzet is
alleen maar te begrijpen, wanneer de inzet de Levinasiaanse Ander is.[31]
Wanneer
we de Ander van Levinas met het slachtoffer verbinden, degene die het
zondebok-geweld ondergáát, dan begint het werk van Girard sterk te lijken op
een christelijke versie van Levinas filosofie. Maar - en dat is het probleem -
Girard voelt zich in het geheel niet gehouden aan een denktraditie waarin de
alteriteit een allesbepalende rol heeft te spelen. Als Girard het al over de
Ander heeft, dan denkt hij daarbij eerder aan de menigte vervolgers, de groep
mensen die slachtoffers maken. In het verlengde hiervan, voelt Girard
ook niets voor een denken dat zich afzet tegen wetenschappelijkheid en
rationaliteit, maar betekent het ware inzicht in het zondebokmechanisme een superieure
vorm van rationaliteit.[32]
Levinas
en de Ander, Derrida en de marginalisatie, Girard en de zondebok - hoe
verschillend de uitgangspunten of religieuze achtergronden, het werk van deze
drie denkers grijpt steeds in elkaar. Eenvoudig gezegd gaat het bij hen niet
meer om een kritiek met een vijandbeeld, zoals daar bij Foucault nog
sprake van is, maar om een kritiek van het vijandbeeld. We vinden bij
hen een oriëntatie op het slachtoffer-van-welk-geweld-dan-ook. Voor Girard
leidt deze oriëntatie linea recta naar de christelijke openbaring. In zijn
interview met Michel Treguer zegt Girard het als volgt:
De
kritische filosofen van de moderniteit hebben aangetoond dat de Rechten van de
Mens, uitgevonden om paal en perk te stellen aan zekere vormen van
onderdrukking, weer andere hebben gecreëerd: de gekkenhuizen, de gevangenissen,
etc., kijk maar naar de stellingen van Michel Foucault bijvoorbeeld. Sommige
intellectuelen verdedigen het standpunt van een specifiek Westerse
perversiteit, waarin volgens hen de bevrijdende vertogen die gehouden worden
dienen om een heerschappij sterker te vestigen. Zelfs al was dit waar, dan zou
dat nog niet te bewijzen zijn, vooral omdat het aan vergelijkingsmateriaal
ontbreekt: geen enkele maatschappij vóór de onze heeft het sacrificiële
mechanisme proberen op te lossen. Wat zich dan hier openbaart is de
hardnekkigheid van die mechanismen. In het aantonen daarvan, bestaat het hele
belang van Foucaults oeuvre. Eens heeft hij tegen me gezegd het was niet nodig
om een filosofie van het slachtoffer te maken. Ik heb hem geantwoord:Geen
filosofie, in feite, een religie!...
maar zij bestaat al![33]
3.
De
denkwijzen van Girard en Levinas convergeren naar één punt, waarin de werkelijkheid
van de vrede of de rechtvaardigheid wordt gedragen door een asymmetrische
intersubjectieve ethiek. Het gebod om niet te doden, de ander geen geweld aan
te doen mondt uiteindelijk uit in een bereidheid om te sterven, om in het
ergste geval ervoor te kiezen slachtoffer te zijn in plaats van slachtoffers te
maken. Paradigmatisch is hier het Salomonsoordeel, dat we in deze context niet
zozeer moeten opvatten als een parabel van de wijsheid van de koning, maar als
een doorbreking van de symmetrie - essentieel is niet de beloning, maar de
eenzijdige bereidheid om afstand te doen[34]
Het
schrijven van Levinas wordt helemaal bepaald door de asymmetrie, door het
onophefbare verschil tussen mij en de Ander. Rechtvaardigheid valt niet samen
met een door een hogere macht bewaakte gelijkberechtiging tegenover wie ik eisen
kan stellen. Fundamenteel is niet het recht dat ik kan opeisen, fundamenteel is
de eenzijdigheid waarmee ik in een ethische situatie sta. Ik ben
het die kan kiezen, ik ben het die kan besluiten van geweld af te zien -
de wederkerigheid is nooit iets wat ik af kan dwingen, omdat zij (in het
gunstigste geval) vanuit de Ander op me toekomt. Levinas leunt hierbij zwaar op
Heidegger. Net zoals in Heideggers Sein zum Tode ik het alleen ben die mijn
dood kan sterven, zo ben ik het alleen die gehoor kan geven aan het
appel van de Ander. Levinas eenzijdigheid druist in tegen elke rationele
opvatting van rechtvaardigheid - het is daarin dat zijn teksten zo onwennig
zijn. Als er van een appel wordt gesproken is het steeds het appel dat zich van
buitenaf aan mijn wereld opdringt. Míjn appel op de redelijkheid of
barmhartigheid van de Ander neemt daar hoegenaamd geen plaats in in, omdat ik
het niet ben die aan dat appel gehoor kan geven kan.
Het
woord opdringen suggereert dat de ethische situatie een gewelddadig karakter
heeft. Levinas doet hierover tweeërlei uitspraken. Enerzijds betekent het appel
van de Ander een bevrijding uit de toevalligheid en willekeurigheid waaraan
mijn egoïstische bestaanswijze nooit kan ontkomen. Vrijheid is niet het kunnen
doen wat je wilt, is geen vorm van expansie waarin de Ander steeds een
hinderlijk obstakel is - vrijheid is de mogelijkheid tot verantwoordelijkheid
te komen:
Het
gelaat waarin het Andere zich - als absoluut anders - tegenwoordig stelt,
ontkent het Zelfde niet, doet het geen geweld aan als de mening, de autoriteit
of het thaumaturgische bovennatuurlijke. Het blijft naar de maat van degene
die het ontvangt, het blijft aards. Deze presentatie is de niet-gewelddadigheid
bij uitstek, want in plaats van mijn vrijheid te kwetsen roept ze haar op tot
verantwoordelijkheid en geeft ze haar een grondslag. Als niet-gewelddadigheid
houdt ze toch de pluraliteit van het Zelfde en het Andere in stand. Zij is
vrede.[35]
Het
Gelaat is een alteriteit die op afstand blijft en niet, zoals het numineuze het
subject bezeten kan maken.
Maar
in andere passages krijgt het appel wel degelijk een gewelddadig karakter. De
Ander verstoort mijn zelfgenoegzaamheid, maakt een inbreuk in mijn leven, en
stelt me voor een eindeloze reeks taken. Woorden als trauma en herhalingsdwang
lijken dan in deze context betekenis te krijgen. Het gehoor geven aan de Ander
heeft niet de gedaante van een afgeronde, beheersbare taak, een soort ethische
klus waarna het eigen leven weer opgepakt kan worden. Evenmin heeft het de
gedaante van een bekering waarna een deugdzaam leven zou beginnen. Het appel,
eenmaal gehoord, keert steeds heviger en dwingender in het ik terug, de inbreuk
wordt steeds opnieuw gemaakt. Hoe meer ik goed doe, hoe meer mijn schuld zich
vergroot. Dit is geen ethisch dogma, maar een belevingsrealiteit. Als ik voor
de eerste keer in mijn leven besluit geld naar een goed doel over te maken, dan
ben ik aan iets begonnen. Een volgende oproep voor een ander doel zal een
grotere indruk op me maken. De ethische relatie verschilt wezenlijk van de
economische relatie waarin arbeid en beloning op elkaar afgestemd zijn:
Het
ik begint niet in de eigen-liefde van een soeverein ik, dat, als de tijd daar
is, genegen is de ander medelijden te betonen, neen, het begint in het trauma
dat geen begin kent, dat voorafgaat aan ieder zelf-gevoel, in het trauma van
het opdoemen van de ander.[36]
Hier
gaat het om zoiets als ondergaan geweld: een trauma in de kern van het ik, een
opeisen van dat Eendere door het Andere, een beweging tegen de draad van de
intentionaliteit in. [...] We kunnen de wijze waarop ik word opgeëist, in de
zin van onrust die in mij opsteekt, bezieling noemen (geen metafoor: ik
word door de ander bezield) of ook inspiratie. [...]Het gaat bij
inspiratie om een verandering zonder dat er sprake is van vervreemding.[37]
Het
appel is een ongevraagde, aan alles voorafgaande inbreuk in mijn bewustzijn,
het is een trauma zonder therapie.[38]
Voor Levinas
is het steeds van belang om het appel van de Ander van het vrije wilsbesluit
te onderscheiden. Ik wend me niet naar de Ander toe, de Ander komt op me af,
dringt zich aan me op, laat me niet met rust. Daarmee vertoont de Ander een
gelijkenis met de traumatische ervaring, die zich ook niet aan het
voorstellende bewustzijn geeft. Het trauma laat zich niet als overzichtelijke
herinnering in een biografie integreren. Het trauma - kunnen we zeggen - heeft
ook de gedaante van de alteriteit, als iets dat zich niet tot het Zelfde laat
herleiden. Het heeft met het numineuze gemeen dat het zich niet laat benoemen.
Op zeer plastische wijze is het spreken over een trauma slechts stamelen. De
woorden zijn ontoereikend, de taal breekt stuk op het representeren van de
traumatische ervaring.
De
nadruk en consequentie waarmee Levinas op het gewelddadige karakter van de
ethische relatie wijst heeft iets onrustbarends. In zijn essay De Prijs van de
onteigening: Levinas, God en het trauma probeert Rudi Visker de onrust die
Levinas provocerende taal zelf al oproept verder uit te diepen. Visker geeft
een hele reeks voorbeelden van Levinas merkwaardige woordkeus:
De
ethiek van Levinas gaat niet over wat ik de Ander aandoe, maar over wat hij mij
aandoet. En dat is alles behalve geruststellend: de Ander splijt, ontkernt en
belegert mij, hij laat mij niet gerust, maar hij obsedeert en achtervolgt, hij
gijzelt en hij traumatiseert mij, hij brengt mij ertoe mijzelf te haten,
troonsafstand te doen, alles op te geven, niet meer om mijzelf te geven,
eindeloos leeg te bloeden, hij brandt zich in mijn huid, hij penetreert mij -
kortom: hij doet met mij ongeveer alles, buiten mij te laten zijn.
En
nochtans, Levinas kan het niet genoeg herhalen, gebeurt dat alles zonder
vervreemding. De Ander verknecht niet, maar bevrijdt, hij wekt, ontnuchtert,
loutert en verheft. Men kan alleen maar besluiten: hij brengt mij een trauma
dat geneest.[39]
In
hoeverre, kunnen we ons afvragen, correspondeert het woord trauma zoals
Levinas dat hanteert met onze ervaringen en houdingen van alledag? Wat heeft
dit trauma uit te staan met bijvoorbeeld de mate waarin mensen een ernstig
auto-ongeluk niet kunnen verwerken? Voor degene die aan zon trauma lijdt, is
de herinnering, net als het numineuze voor de dichter, onbenoembaar - maar op
zich, van buitenaf, is er in ieder geval niets mysterieus aan een dergelijke
onbenoembaarheid. Dit niet-mysterieuze maar toch onbenoembare, is ook iets
waar Levinas in zijn beschrijving van de Ander op aanstuurt. Een trauma is een
niet-mystieke vorm van onbeschrijflijkheid.
Wat
hier speelt is de problematiek van de representatie - het opnieuw
tegenwoordig stellen van een oorspronkelijke gebeurtenis. Een gladgestreken
verhaal over een jeugdtrauma of een oorlogstrauma rangschikt de feiten
misschien wel op de juiste manier, maar doet die werkelijkheid ernstig te kort.
Juist in de representatie verdwijnt het traumatische moment. Lyotard prijst dan
ook een esthetiek waarin de oorspronkelijke aangedaanheid als het ware
doorsijpelt. Filmische representaties van de holocaust verbloemen vaak meer dan
dat ze uitbeelden, maar:
[d]e
film van Claude Lanzmann, Shoah, vormt hierop een uitzondering, misschien
wel de enige. Niet alleen omdat hij iedere representatie in beeld en muziek
achterwege laat, maar vooral omdat er praktisch niet één getuigenis in voorkomt
waar het niet-representeerbare niet even aan het licht komt, al is het maar
een ogenblik, door een verandering in het stemtimbre, een keel die zich
samenknijpt, een snik, tranen, de getuige die de camera ontvlucht, een
ontregeling in de toon van vertelling, een onbeheerst gebaar. Waaruit we kunnen
opmaken dat deze ogenschijnlijk onaangedane getuigen, hoe ze zich ook
voordoen, zeker liegen, spelen, iets verbergen.[40]
Gelijksoortige
vervalsingen treden op in autobiografische literatuur. De jeugd wordt daarin
voor-gesteld als een lange aaneenrijging van spannende en interessante,
misschien soms zelfs pijnlijke gebeurtenissen - maar het eigenlijke
traumatische, waar tot op zekere hoogte ieder mens mee te maken heeft, wordt
daarin niet aangeraakt. Grote romanciers als Marcel Proust en James Joyce
reiken dan in hun autobiografische werken verder dan representatie - ze
doorbreken de verzoenende verhalen, het zachte nostalgische licht waarmee we
ons van de échte pijn in het opgroeien afschermen.[41]
We
hebben dus te maken met waarachtigheden die worden doorkruist door een al te
snelle verzoening - een formulering die op een ander niveau gelezen kan
worden als een joodse kritiek op de christelijke interpretatie van de Messias.
Maar we kunnen ons ook afvragen hoe we het criterium van de waarachtigheid in
de alledaagse wereld willen hanteren. Waarom hopen we dat degene die door een
auto-ongeluk getraumatiseerd is, eventueel met behulp van therapie, het
autorijden voor de rest van zijn leven niet hoeft op te offeren? Als we het
over de psychologische praktijk hebben, hebben we het niet over genezende
traumas, maar over genezen ván traumas - het reduceren tot een biografisch,
hanteerbaar feit, het scheppen van afstand.[42]
Natuurlijk
willen we niet zeggen dat Levinas uitspraken op enigerlei wijze impliceren dat
zijn ethiek het slecht voorheeft met getraumatiseerde mensen, maar wel willen
we een bezorgdheid uitspreken over de mate waarin Levinas het gehoor geven aan
het appel steeds verstaat als het bieden van materiële hulp. De Ander is
bij Levinas nooit iemand die in psychische nood verkeert, maar steeds de
weduwe, de wees, de vreemdeling voor wie je het brood uit de mond kunt sparen.
Verbonden met deze beperkte, bijna karikaturale notie van de hulpbehoevende
Ander is Levinas op Heidegger terug te voeren scepsis jegens de rationaliteit
die zichzelf geruststelt in het beschikken over herinneringen. Voor Heidegger
is het verleden als ek-stase steeds in het heden actueel en is het
biografische feit een vorm van oneigenlijk verleden. Juist in verband met het
trauma echter, kunnen we zeggen dat biografische feitelijkheid ook een vorm van
noodzakelijke rust is, een bestaansvoorwaarde die verschilt van elke
egoïstische zelfgenoegzaamheid. Aan honger kun je sterven, maar aan anorexia
nervosa ook.
Voorlopig
moeten we vaststellen dat Levinas gebruik van het woord trauma gedeeltelijk
afwijkt van de alledaagse betekenis. Het is gedeeltelijk een metafoor. Het is
in dit woord dat Levinas de fenomenologie loslaat, de aansluiting bij een
doorleefde werkelijkheid. Als we op zoek zijn naar metafysische elementen in
het werk van Levinas, dan zullen we ze juist op die plaatsen aantreffen waarin
we ons geconfronteerd voelen met een onbehaaglijke lijdzaamheid.
Bij
Girard komen we in een geheel andere atmosfeer terecht waarin er geen enkel
taboe rust op het aanklagen van de Ander of de Anderen. Girard schrijft niet
zoals Levinas vanuit de eenzijdigheid van het subject, maar gewoon als een
wetenschapper die het verschijnsel van het geweld van bovenaf analyseert. Voor
zover subjectiviteit gelegen is in het innemen van de positie van het
slachtoffer, staat het slachtoffer tegenover de Anderen van wie het geweld
steeds weer opnieuw aan de kaak gesteld moet worden. Dit is volgens Girard
precies waar het Nieuwe Testament ons in voorgaat - de eerste en belangrijkste
interpretatie van de dood van Jezus Christus is die van een gewelddaad: Jezus
is vermoord (zie b.v. Hand. 4:10). In plaats van het ontstaan van een god als
gesacraliseerd slachtoffer zoals we dat kennen uit diverse heidense mythes,
beschrijft het Nieuwe Testament in eerste plaats een menselijke gebeurtenis met
menselijke gevolgen. Er is geen mythisch licht meer dat het zondebokproces aan
een bovennatuurlijke interpretatie overlevert, er is altijd óók - en dit moment
is essentieel - de geschiedenis van een mens.
De
onthulling van het zondebokproces is dan ook het te boven komen van dit proces
als datgene wat beslist over succes of falen. Hij heeft de Heerschappijen en
Machten ontmaskerd en openlijk ten toon gesteld, hen door het Kruis
overwonnen(Kolossenzen 2:15) Het zondebokproces spreekt geen recht, is
vervreemd van de Waarheid - het is een proces dat zichzelf rechtvaardigt in het
mythologiseren van haar eigen geweld. In het lijden, de dood en de opstanding
van Christus vinden we het grondpatroon van de overwinning op het
zondebokmechanisme. Iedere keer dat in de hedendaagse wereld het zondebokproces
overwonnen wordt, herhaalt zich het cruciale Nieuwtestamentische gebeuren. De
Waarheid die ten koste van het zondebokproces gewonnen wordt is isomorf met
verwerking van het Paasgebeuren door de eerste christenen. Deze Waarheid heeft
altijd ook een historisch en rationeel karakter.
Deze
isomorfie heeft Girard niet systematisch uitgewerkt, maar in zijn werk over
Shakespeare, The Theatre of Envie, geeft hij daar wel een markant
voorbeeld van.[43] In
deze grote detailstudie probeert Girard aan te tonen dat zijn twee
basishypothesen overal in het werk van de Engelse bard te vinden zijn.
Het stichten van een nieuwe culturele orde, zoals in Julius Caesar,
wordt beschreven in termen van een zondebok-mechanisme, en met name in de grote
komedies wordt de menselijke begeerte opgevat als mimetisch. Shakespeare
hoort thuis in het rijtje van romaneske literaire schrijvers - Cervantez, Stendhal, Flaubert, Proust,
Dostojevsky - die al in zijn Mensonge romantique et vérité romanesque werden gezien als de grote voorgangers en
inspirators van Girards eigen theorieën.[44]
Mimese
is het Griekse woord voor nabootsing. Al Aristoteles had opgemerkt dat de
mens een uitzonderlijke gave tot nabootsing had. Maar wat in het Griekse denken
nooit werkelijk tot uiting kon komen was de gedachte dat ook de begeerte
een mimetisch karakter heeft. Plaats je vijf kinderen met vijf identieke ballen
in een ruimte, dan zal er steevast een gevecht losbreken over het bezit van een
bal die kennelijk een meerwaarde heeft gekregen. Het reiken van de hand van één
kind naar één bal, maakt die bal begeerlijk - doet de anderen kinderen juist
díe bal begeren.[45]
Begeerten hebben de tendens tot één object te convergeren. Daarbij is steeds
sprake van imitatie, imitatie van een model die tevens het obstakel vormt.
Begeerte heeft dus een driehoekige structuur: het subject, het object en het
model/obstakel.
Dat we
onze begeerten dus niet aan onszelf ontlenen, dat we daarin niet autonoom
zijn, is wat niemand wil erkennen. En ook al zegt de grote Shakespeare het,
laat hij het keer op keer in zijn stukken zien, dan nog mag hij op onbegrip
rekenen bij het publiek, met name de academische literatuurwetenschappers.
Girard schrijft in Theatre of Envie als eenling tegen een heel
academisch establishment. Hij vindt slechts één compagnon in James Joyce. In
het 29ste hoofdstuk van dit werk, getiteld Gelooft u in uw eigen theorie?
maakt Girard een zijsprong naar James Joyces Ullysses. Joyces alter ego,
Stephen Dedalus, komt in Ullysses op een gegeven moment tevoorschijn met
een speculatieve biografie van Shakespeare vanwaaruit de innerlijke samenhang
van zijn oeuvre te verklaren zou zijn. Girard herkent zijn eigen theorie in
Joyces/Stephen Dedalus speculaties.
De
precieze toedracht van Stephen Dedalus speculatieve theorie doet hier minder
ter zake dan de groepsdynamiek die zich in de scène in Ullysses
ontvouwt. De intellectuele schermutseling tussen Stephen Dedalus aan de ene
zijde, en Russell, Lyster, Mulligan en Eglinton aan de andere zijde eindigt met
de opmerking van de laatste:
U
bent een zinsbegoocheling [...]. U hebt ons dit alles laten volgen om ons een
Franse driehoeksverhouding te tonen.[46]
Stephen
zou Shakespeare verlaagd hebben tot het ondeugende niveau van een Franse
boulevardkomedie, schrijft Girard daarop. Stephen is geïntimideerd, de
verwijzing naar de Franse driehoek snoert hem de mond:
-
Gelooft u in uw eigen theorie?
-
Nee, zei Stephen prompt.[47]
Girard
wil zich hier niet de mond laten snoeren. Driehoeksverhoudingen waarin de
begeerte van de rivaal de begeerte van een man voor zijn eigen vrouw versterkt,
zoals bij Shakespeare juist steeds het geval is, tonen juist de
driehoeksstructuur van de mimetische begeerte. Er is dus geen enkele reden om
schamper te doen over die Franse driehoek. Later schrijft Girard:
Buiten
Frankrijk wordt de mimetische begeerte vaak als een specifiek Frans gegeven
beschouwd, juist om dezelfde reden als die waarom ze in Frankrijk als
niet-Frans ervaren wordt. De mimetische begeerte is nergens ter wereld thuis,
evenmin als de pest in de middeleeuwen of syfilis in de 16de eeuw. Dit gevaarlijke
supplement wordt onveranderlijk als een ingevoerd produkt beschouwd.[48]
Maar
ook Stephen laat zich niet echt de mond snoeren, stelt Girard vast. Na het
twistgesprek schrijft Joyce in een fragment bewustzijnsstroom:
Ik geloof,
O Heer, kom mijn ongelovigheid te hulp. Wil dat zeggen, help mij te geloven of
help mij niet te geloven? Wie helpt te geloven? Egomen. Wie niet te geloven?
Andere vent. [Who helps to belief? Egomen. Who to unbelieve? Other chap][49]
Girards
commentaar op dit fragment is doorspekt van verwijzingen naar het Nieuwe
Testament. Het is het beste voorbeeld van de genoemde isomorfie tussen het
christelijke verhaal en gebeurtenissen in de moderne tijd. Het loont zich de
moeite dit commentaar in extenso te citeren:
Dit
laatste laatste woord bevestigt dat Stephens geloof in zijn eigen theorie
voor de aanval van Eglinton bezweken is, maar het richt zich opnieuw op. Die
paar zinnen suggereren een mimetische interpretatie van het onvermogen van de
spreker om zijn ideeën te verdedigen.
Het
kan gebeuren dat Egomen in moeilijke intersubjectieve situaties
gedwongen wordt te geloven wat een andere vent gelooft. Stephen werd door
Eglinton en zijn kliek gedurende enkele seconden letterlijk bezeten,
zoals de bezetene van Gerasa in de drie synoptische evangeliën bezeten wordt
door een onreine geest die Legioen genoemd wordt.
Stephen
bezwijkt voorlopig onder de collectieve druk en voegt zich bij zijn mimetisch
eensgezinde aanklagers. Zijn capitulatie is een ogenblik van absolute vervreemding
dat hij slechts in de innerlijke eenzaamheid van zijn Ik te boven komt. De promptheid
van zijn antwoord op Eglintons aansporing is heel kenmerkend voor een individu
in een toestand van hypnotische suggestie. [...]
In de
korte tijd tussen zijn dood en verrijzenis voelt Stephen zich zoals Judas. En
hij pleegt inderdaad verraad... ten aanzien van zichzelf natuurlijk, ten
aanzien van Egomen: hij smeekt Eglinton als het ware hem de dertig
zilverstukken te geven waarop ieder van ons recht meent te hebben telkens als
hij zich bij de universele wolf voegt die tijdelijk de mode beheerst.
Maar
Stephen krijgt niets: na zijn capitulatie lijkt hij zelfs geen baksjisj meer
waard te zijn. Niet alleen Judas maar ook Petrus en al de apostelen bezwijken
na Jezus arrestatie voor de mimetische druk van de menigte vervolgers en ze
laten allemaal hun meester in de steek.
Ik
geloof, kom mijn ongeloof te hulp. De tekst komt uit Marcus (9,24), het zijn de
woorden van de vader van een jongen die bezeten is en door Jezus genezen wordt,
terwijl de apostelen niet bij machte bleken de boze geest uit te drijven.
Stephens monologue intérieur is een Joyciaanse en louter egotistische
versie van dit wonder.
Zodra
de mimetische druk afneemt, komt Egomen weer tot leven; het wezenlijke
Ik blijft buiten bereik van de doders, het vervult de rol van de Vader in dit
strikt persoonlijke equivalent van de christelijke Drievuldigheid. De
sinistere driehoeken van de mimetische rivaliteit vormen het omgekeerde beeld
van dit trinitaire Ik; ze zijn het kwaad dat uiteindelijk door de heilzame
kracht van het pure subject wordt overwonnen.
De
Vader zendt de Geest naar zijn verrezen Zoon en zo kan die laatste zijn
afschuwelijke ervaring omzetten in een kunstwerk: Ullysses. Wat Egomen
hier op aarde verloren heeft, vindt hij terug in de hogere wereld van zijn
eigen schepping. De episode in de Nationale Bibliotheek vormt een roman in de roman,
met zijn eigen drama van dood en verrijzenis dat zich echter bijna volledig in
het innerlijke van Egomen afspeelt. De ander (other chap) vervult
slechts de rol van de menigte vervolgers.[50]
Met
de woorden louter egotistische versie en strikt persoonlijke
equivalent wil Girard zijn lezer duidelijk maken dat de betekenis van de
christelijke Triniteit zich in dergelijke psycho-sociale gebeurtenissen niet
uitput. Girard wil de Opstanding niet herleiden tot dergelijke momenten,
maar zeker gaat het hem ook om veel meer dan alleen maar een belletristische
versiering. Girard leest in het hele voorval een trinitaire manifestatie - een
herhaling van een oorspronkelijk gebeuren.
De
complexiteit van Girards interpretatie van het hoofdstuk uit Joyces Ullysses
bestaat in het gegeven dat hij woord mimetisch op twee niveaus gebruikt.
Ten eerste is de hypothese over Shakespeare van Stephen en Girard zelf al een
mimetische interpretatie. Maar het proces waarin Stephen niet in staat blijkt
zijn intuïties te verdedigen heeft eveneens een mimetisch karakter. De anderen
sluiten zich aan bij gevestigde opinies, bij elkaar en vormen uiteindelijk één
front tegen Stephen. Het imiteren leidt hier regelrecht naar een
zondebokpatroon. Ofwel - in deze passage, op het niveau van de discussie als
sociaal proces - laat Girard zien hoe zijn twee hypothesen in elkaar grijpen:
Net
zoals Stephen voelde de jonge Joyce zich in Dublin niet begrepen, misprezen,
miskend, links gelaten. De conferentie is een tragedie van intellectuele
discriminatie, van uitdrijving, verbanning of zondebokmechanisme.
De
mimetische eensgezindheid van het zondebokmechanisme vervalst zijn eigen betekenis
ten koste van het slachtoffer dat zelfs schuldig lijkt als het zonder de minste
geldige reden veroordeeld wordt. Stephen wordt intellectueel gedood door
offeraars die er zich niet eens rekenschap van geven dat ze bezig zijn een
offer te volbrengen.
Bevat
deze tekst een soort lynchgerecht? Zolang de lezers die buiten het boek staan, blind
zijn voor de mimetische inhoud, zien ze er geen. Ze beseffen niet dat door
Stephens uiteenzetting een sacrificiële minicrisis ontstaat waarin ze zelf
worden meegesleurd. Ze beseffen niet dat Stephen gedood wordt, omdat het hun
eigen stichtende geweld is.[51]
In de
anthropologie van Girard ontstaat de sacrificiële crisis als gevolg van een
mimese die leidt tot een geweld van allen tegen allen. Dit conflict kan tot een
oplossing komen wanneer een configuratie ontstaat waarin het geweld van allen
tegen één gericht is. De nieuwe eensgezindheid, de vrede wordt gesticht ten
koste van het slachtoffer. Stephen wordt monddood gemaakt, wat in dit voorbeeld
niet zozeer wil zeggen dat hem een spreekverbod wordt opgelegd, maar dat hem
een toegang tot zijn inspiratie, tot een geloof in zichzelf, ontzegd
wordt. Voor Joyce is dit voldoende aanleiding om een verwijzing naar het
Marcus-evangelie in te lassen. Wat dreigt is een bezetenheid, de pressie is enorm.
Stephen bezwijkt voorlopig onder de collectieve druk en voegt zich bij zijn
mimetisch eensgezinde aanklagers. De sacrificiële (op een offer gebaseerde,
van sacrificium = offer) eensgezindheid leidt tot een absolute
vervreemding bij de dissonante stem. De taal van Girard liegt er niet om.
De
mimetisch eensgezinde aanklacht is het sacrificiële pact dat volgens Girard
door het christelijke denken resoluut wordt afgewezen. Deze afwijzing is een
onmisbaar element in het begrip van de christelijke Opstanding:Ik definieer de
christelijke Openbaring als het losrukken van de eerste christenen van de
mythische macht, die de leugen van de eensgezinde mimetiek is.[52] De
literatuur, althans wat Girard de romaneske literatuur noemt, herhaalt deze
onthullende beweging. De literatuur heeft hetzelfde reïnterpretatieve potentieel
als het Nieuwe Testament, en iedere keer wanneer een schrijver aan de
bevangenheid van de mimese begint te ontsnappen, zal hij zich onwillekeurig van
een religieuze (christelijke) symboliek bedienen. In zijn interview met Michel
Treguer vertelt Girard dat zijn hele exegetische avontuur begonnen is met het
vermoeden dat het overwinnen van de mimese intrinsiek verbonden is met de
bekering in de christelijke zin van het woord, en dat hij op een gegeven moment
uit zijn eigen ervaringen de persoonlijke consequenties heeft getrokken in de
vorm van een toetreding tot de Rooms-katholieke kerk.[53]
Levinas
heeft een filosofie uitgewerkt waarin de sociale relatie voorafgaat aan
de kenrelatie. Dit primaat van het sociale reikt veel verder dan wat men
in een naar de methodiek van de natuurwetenschappen gemodelleerde psychologie
of sociologie kan bevatten. Het is juist vanwege haar ketening aan de
essentialistische schemas van de natuurwetenschappen dat de psychologie en sociologie
nooit dit radikale punt van kritiek konden bereiken. Lang vóór dat we aan het
kennen toekomen heeft de Ander al op talloze manieren van zich laten horen.
Girards hypothese van het zondebokmechanisme zegt eigenlijk hetzelfde.
Primitieve religiën hebben zich met hun sacrale goden, ontspruitend aan de
zondebok, steeds tegen het geweld proberen te beschermen. Dit geweld was in
eerste instantie niet het natuurgeweld, maar een intern, mimetisch, sociaal
geweld. Alle pseudo-wetenschappelijke gevolgtrekken, alle kenrelaties komen
pas later.
Als
er dus een oorsprong is - zeggen zowel Girard als Levinas - dan is dit een
sociale oorsprong, en deze sociale oorsprong is tevens een vorm van vervolging.
Opvallend is het verschil in de wijze waarop Levinas en Girard het begrip van
het Andere in die gewelddadige oorsprong hanteren. Levinas trekt zich terug in
een eenzijdigheid, waarin het geweld van de Ander niet op te vatten is als een
bezwaarlijke ruwheid, of een anderszins laakbaar optreden. Het behoort tot de
verschijningswijze van de Ander dat ze op mijn egoïstische vrijheid inbreuk
maakt. De Ander verstoort mijn rust, zoals tv-beelden van hongerende kinderen
ondanks alle afwerende rationalities door mijn bewustzijn blijven spoken. Het
geweld of het traumatiserende moment is voor Levinas iets wat ik moet
verdragen. Het is een type geweld dat maar heel moeilijk in verband te brengen
is met het alledaagse psychische en lichamelijke geweld dat tot protest
oproept.
Bij
Girard is dat geheel anders. Het geweld is het geweld van de Ander, is soms
niets minder dan moord en doodslag. De ander (other chap) vervult
slechts de rol van de menigte vervolgers. Met Levinas zal Girard inderdaad
zeggen dat de Ander een inbreuk maakt, maar deze inbreuk werkt vervreemdend.
In plaats van de bezieling en inspiratie waar Levinas van spreekt, denkt
Girard in termen van bezetenheid. Het Andere is voor Girard niet steeds de
individuele Ander zoals bij Levinas; eerder representeert de Ander de anderen,
het hele traumatiserende mimetische gewicht van een potentieel moorddadige
gemeenschap. Terwijl Levinas in (het gelaat van) de Ander een revelatie van de
Bijbelse God leest, ziet Girard de Ander als de plaats waar demonen, Legioen -
waar Satan zelf verschijnt.
4.
De
eenvoudigste manier om de tegenstelling tussen het denken van Girard en Levinas
te verwoorden is: Levinas ziet in het gelaat van de Ander de noodlijdende mens,
Girard de rivaal. Herhaaldelijk maant Levinas
of zijn tekstbezorgers de lezer om zijn opvatting van het gelaat niet te
verwarren met het gelaat dat door zijn luister bewondering en fascinatie wekt -
Levinas moet zijn opvatting van het gelaat van een Girardiaanse rivaliteit
afschermen. De ethische situatie van Levinas, daarentegen, staat in eerste
instantie niet haaks op hetgene wat Girard naar voren brengt. Tegenover een
kwaadaardige mimese staat een goede mimese, de imitatio Christi, die een
waarlijke gemeenschap zonder zondebokken sticht.[54]
Tegenover de besmettelijkheid van het geweld, de kwade reciprociteit, staat de
besmettelijkheid van de liefde, de goede reciprociteit, die je zou kunnen
omschrijven als de sociale voorwaarde elkaar in de ogen te kunnen kijken:Thans
zien wij in een wazige spiegel; straks aangezicht tot aangezicht. Thans ken ik
slechts ten halve; straks ten volle, zoals ik zelf gekend ben(1 Korintiërs
13:12). De zichtbaarheid van het gelaat brengt geen vrede, maar de vrede maakt
het gelaat zichtbaar, doet de wazige spiegel verdwijnen.
In
termen van realisme kent de filosofie van Levinas dan zekere beperkingen. Het
gelaat van de Ander als gebod, ogen waarin een fragment van de Tien Geboden te
lezen staat - het zijn zinsneden die niet algemeen toegankelijk zijn. Patrick Altena
formuleert het aldus:
Of
het juist is dat de Ander aan iets anders appelleert dan aan mijn kenvermogen,
laat zich niet bewijzen. Er zijn geen premissen waaruit in deze richting een
conclusie te trekken valt. We herkennen dit of we herkennen het niet: Levinas
spreekt daarom ook van een ervaring waar het over het gelaat gaat. Precies op
dit punt menen velen de fundamentele zwakte van zijn theorie aan te kunnen
wijzen.[55]
Maar juist
als we toestaan dat de Ander ook rivaal is, wordt Levinas zienswijze veel
plausibeler, zoniet bewijsbaar. In de besproken passage uit Ullysses lijkt
het wel alsof Eglinton en zijn makkers aan het kenvermogen van Stephen
appeleren, maar in werkelijkheid oefenen ze een mimetische druk op hem uit,
schermen ze met de geboden van het academische literatuur-commentaar.
In
James Joyces The Portrait of the Artist as a Young Man, een roman die
min of meer een prelude op Ullysses vormt, vinden we een kort en helder
fragment waarin het dwingend karakter van het appel van de Ander uitgetekend
wordt. De hoofdpersoon is Stephen Dedalus in zijn jonge jaren, op het moment
dat hij zijn plaats probeert te vinden tussen de leerlingen van een internaat:
Toen
liep hij weg van de deur en Wells kwam op Stephen af en zei:
- Zeg
eens, Dedalus, kus jij je moeder voor je naar bed gaat?
Stephen
antwoordde:
- Ja.
Wells
draaide zich naar de andere jongens en zei:
- Kijk
eens aan, hier is een jongen die zegt dat hij elke nacht zijn moeder kust voor
hij naar bed gaat.
De
andere jongens stopten met hun spel en draaiden zich lachend om. Stephen
bloosde onder hun ogen en zei:
-
Nee, dat doe ik niet.
Wells
zei:
-
Kijk eens aan, hier is een jongen die zegt dat hij niet zijn moeder kust voor
hij naar bed gaat.
Ze
lachten allemaal weer. Stephen probeerde met hen mee te lachen. Hij voelde zijn
hele lichaam voor een moment warm en verward. Wat was het goede antwoord op de
vraag? Hij had er twee gegeven en nog steeds lachte Wells.[56]
Het
is opnieuw een beschrijving van een zondebokpatroon en we zouden hier alle
christelijke symboliek kunnen gebruiken, zoals Girard dat in zijn commentaar
op de conferentie in Ullysses heeft gedaan.[57]
Duidelijker nog dan in het voorbeeld van intellectuele discriminatie zien we
hier een voor iedereen herkenbare dreiging: Stephen moet oppassen dat hij niet
het mietje van de jongensgemeenschap wordt - het is daarom dat hij zo irrationeel
reageert.
Denkend
dat het alleen om informatie-verschaffing gaat, geeft Stephen in zijn onschuld
aanvankelijk een eerlijk antwoord. Maar dan bemerkt hij dat hij tegen iets als
een waarde, iets als een gebod is aangelopen:gij zult uw moeder niet kussen
voor het slapen gaan. De informatie is allesbehalve neutraal, en zijn positie
hangt direct af van het antwoord dat hij geeft. De promptheid waarmee hij
zich ook hier bij zijn vervolgers aansluit wordt in dit geval opnieuw tegen hem
uitgespeeld, zodat hij in een perfecte double bind terechtkomt. De
dreiging is zeer groot, en voor Stephen letterlijk fysiek voelbaar. Het is geen
onschuldige kinderlijke scène, maar een uitgave van een oertrauma -
zoals we tegenwoordig met al die aandacht voor het pesten op school bereid
zullen zijn toe te geven.
De
Ander is in dit fragment ook geen individu, maar een vertegenwoordiger van een
groep, van een meerderheid. Wells spreekt voor de jongensgemeenschap waarin een
ethiek van de stoerheid heerst. Moederskindjes worden genadeloos afgestraft.
Het is de kinderlijke variant van een soldatenethiek, waarin alles op moed en
kracht aan komt, en waar tederheid taboe is. Stephen laat zich taboeïseren.
Wanneer Levinas het Gij zult niet doden in het gelaat van de Ander leest,
spreekt hij van de onmogelijkheid om te doden - en Patrick Altena annoteert:De
moord is derhalve geen feitelijke onmogelijkheid, maar een ethische[58] In de
scène uit The Portrait bewerkstelligt het gebod van de stoere
jongens-ethiek de onmogelijkheid voor Stephen om zijn herinneringen, om zijn
moeder trouw te zijn - en dit is wel degelijk een feitelijke, psychologische
onmogelijkheid. Geen enkel kind is opgewassen tegen een vijandige meerderheid.
Kennisrelaties, waarin de woorden de werkelijkheid getrouw zijn, breken
volledige stuk op sacrificiële dreigingen.
De
minder toegankelijke passages in Levinas oeuvre krijgen plotseling een enorme
draagwijdte wanneer je ze met de bezwaarlijke Ander, de Ander als rivaal
confronteert. Het is net alsof onder Levinas filosofie grote delen van Girards
mimetische grondplan is terug te vinden. Er tekent zich een spiegelsymmetrie af
tussen het denken van Levinas en Girard - vaak lijkt de taal van de ene
bijzonder veel op die van de andere, maar waar Levinas dan positieve
connotaties plaatst, plaatst Girard negatieve en vice versa.
Het
markantste voorbeeld is wellicht de metafysische begeerte [le désir
métaphysique] - een term die beiden in hun woordgebruik opnemen.[59] Voor
Girard is de metafysische begeerte iets uitgesproken negatiefs. Het is een
variatie op de mimetische begeerte, waarin de aandacht vooral gaat naar de
relatie tussen subject en model/obstakel. De metafysische begeerte is gericht
op het Zijn van de Ander. Don Quichote imiteert Amadis de Galliër om
Amadis te Zijn, Dostojevskys eeuwige echtgenoot imiteert zijn rivaal
om het Zijn van de vrouwenverleider te verwerven. En juist wanneer de Ander
een concreet persoon is, verschijnt hij het meest in de gedaante van obstakel.
Het model zelf weerhoudt het subject van de vervulling van zijn begeerte, niet
om een of andere ontologische reden, maar omdat hij op hetzelfde
begeerte-object gericht is. Ofwel het subject wordt de grote verliezer in de
strijd - ofwel hij neemt het object van zijn rivaal af. Na een korte
overwinningsroes zal het subject bemerken dat het model zijn metafysische glans
is kwijtgeraakt, en zal het subject moeten gaan zoeken naar een nieuw model,
dat wil zeggen een andere en liefst sterkere rivaal. Kortom, in het spel van de
mimetisch/metafysische begeerte zijn er alleen maar verliezers.
Het
is aan deze begeerte dat Girard het gemangelde zelfbesef van de moderne mens
wijt. De transcendenties verliezen hun waarde, en de enige goden die
overblijven zijn de andere mensen zelf. Mensen worden goden in elkaars ogen
is de titel van het tweede hoofdstuk van Mensonge romantique et vérité
romanesque- het zou de titel van een pastiche op Levinas kunnen zijn. Het
eeuwige tekort van het subject, het onoplosbare trauma, is gegeven in deze
perfide metafysische begeerte, die de Ander vergoddelijkt:
Om
deze metafysische betekenis te vinden moeten we de bijzondere gevallen overstijgen
naar het geheel [totalité]. Alle helden doen afstand van het grondrecht
van het individu, om te begeren volgens eigen keuze. Een dergelijke unanieme
afstandsverklaring kunnen we niet toeschrijven aan steeds weer verschillende
eigenschappen van deze helden. We moeten een algemene reden zoeken. Alle helden
in de roman haten zichzelf veel dieper dan op het niveau van eigenschappen.
Dit is precies wat Proust vertelt in het
begin van Du côté de chez Swann:Alles wat niet ik was, de aarde en zijn
schepselen, scheen mij waardevoller, belangrijker, begiftigd met een reëlere
existentie[60]
Het
Zijn van de metafysische begeerte is steeds een structurele onbereikbaarheid.
Hoe dichter je erbij lijkt te komen, hoe verder je ervan verwijdert bent. Het
is een onvervulbare begeerte per se - de vervulling zou de circulatie
van metafysische energie stopzetten. Romantiek is dan de weigering om met deze
stand van zake genoegen te nemen - in plaats van afzien van begeerten gaat de
romantische dichter de begeerte om haar onvervulbaarheid aanbidden.[61] Voor
Girard is de driehoeksbegeerte, met name in de nadruk op haar metafysische
gedaante, het domein van het satanische, van de hel, van het ondergrondse van
Dostojevsky. Het is uit deze hel dat het inzicht in de metafysische begeerte
uitweg biedt.
Levinas
begint zijn eerste hoofdwerk Totalité et Infini met het citaat:Het
ware leven is afwezig en vervolgt Toch zijn we op de wereld.Het citaat komt
uit Une saison en enfer van Arthur Rimbaud, een dichter die, kunnen we
zeggen, op zeer jonge leeftijd al vele verkenningstochten heeft gemaakt in de
wereld van het numineuze. Alleen al vanwege de titel van het werk waaruit het
citaat genomen is, kunnen we spreken van een bizarre toonzetting. Maar Levinas
neemt de tweede regel van Rimbaud - Nous ne sommes pas au monde -
uitdrukkelijk niet over.[62]
Levinas
beschrijving van de begeerte lijkt sterk geïnspireerd door de numineuze alteriteit,
maar zijn neemt een aardse, fenomenologische wending. Maar ook kunnen we zeggen
dat in de ontwikkeling van een ethische alteriteit iets wordt gepreserveerd,
iets wat in het schrijven van Girard juist resoluut wordt afgekeurd. Levinas
evocaties van de metafysische begeerte komen soms heel dicht bij die van
Girard:
De
metafysische begeerte haakt niet naar terugkeer, want het is een begeerte naar
een land waar we geenszins geboren zijn. Naar een land dat vreemd is aan alle
aangeboren natuur, dat ons vaderland niet is geweest en waarheen we ons nooit
zullen verplaatsen. De metafysische begeerte berust niet op enig vooraf
bestaande verwantschap. Het is een verlangen dat we niet kunnen vervullen.
De
Begeerte is begeerte naar het absoluut Andere. Buiten de honger die we stillen,
de dorst die we lessen en de zinnen die we tot rust brengen, begeert de
metafysica naar het andere boven alle bevrediging uit, zonder de mogelijkheid
de streving met enig lichamelijk gebaar te verminderen, zonder mogelijkheid
een bekend liefdesgebaar te maken of een nieuwe liefkozing uit te vinden. Een
begeerte zonder bevrediging dat de verwijdering, de alteriteit en de
exterioriteit van het Andere juist bedoelt. Voor de begeerte heeft deze, aan de
idee inadequate, alteriteit een zin. Ze wordt verstaan als alteriteit van de Ander
en als die van de Allerhoogste. Juist de dimensie van de hoogte wordt ontsloten
door de metafysische begeerte. Dat deze hoogte niet langer de hemel is meer het
Onzichtbare, maakt juist de verhevenheid uit van de hoogte en haar adeldom.
Sterven voor het onzichtbare: dát is metafysica.[63]
De
Ander bestaat bij Levinas in een metafysische hoogte. Deze term,
hauteur komt steeds bij Levinas terug om de onoverbrugbaarheid aan te
geven, om aan te tonen dat het niet om toeëigeningen gaat, zoals bij de
begeerte naar bezit etc. In de hoogte toont zich dan tevens de nederigheid
(humilité) van de Ander, want het gelaat is niet dat van een rivaal,
maar van een mens in nood:
Het
oneindige dient zich aan als gelaat in de ethische weerstand die mijn vermogens
verlamt en die in zijn naaktheid en nood hard en absoluut oprijst uit de diepte
van ogen zonder verdediging. Het verstaan van deze nood en van deze honger
sticht de nabijheid zelf van de Ander. (...) Het zijnde dat zich manifesteert
staat zijn eigen manifestatie bij en doet bijgevolg een beroep op mij. Deze
bijstand is niet het neutrum van een beeld maar een appel dat me treft
vanuit zijn nood en zijn Hoogheid. Tot mij spreken betekent: wat
noodzakelijkerwijs plastisch is in de manifestatie, op elk moment te boven
komen. Zich als gelaat manifesteren betekent zich doen gelden boven de
gemanifesteerde en louter fenomenale vorm uit, zich presenteren op een tot de
manifestatie onherleidbare wijze, als de oprechtheid zelve van de
tegenwoordigheid van aangezicht tot aangezicht [nadruk BV], zonder
tussenkomst van enig beeld, in zijn naaktheid, dat wil zeggen zijn nood en
honger. In de Begeerte versmelten de bewegingen, die uitgaan naar de Hoogheid
en de Nederigheid van de Ander.[64]
De
begeerte van Girard creëert de beelden, de ideaalbeelden die als een wazige
spiegel het van aangezicht tot aangezicht vertroebelen. Bij Levinas brengt de
metafysische begeerte het face à face tot stand, doet het de beelden
juist verdwijnen.
Net
zoals bij het gebod dat van de Ander uitgaat, zien we ook bij de metafysische
begeerte dat Levinas begrippen en beschrijvingen een veel grotere
herkenbaarheid krijgen wanneer je ze relateert aan de reële, dat wil zeggen ook
bezwaarlijke en problematische Ander. De beschrijvingen van Levinas zijn heel
specifiek, lijken getuigenis af te leggen van een persoonlijke, of in ieder
geval niet voor iedereen toegankelijke ervaring. De analyses van Girard brengen
ons bij een begeerte die iedereen kent - de begeerte van Don Quichote om Amadis
de Galliër te zijn, is dezelfde begeerte om een popidool of een beroemde
voetballer te willen zijn, aan een slankheidsideaal te voldoen, je te omgeven
met statussymbolen. Het is een begeerte om zelf die hauteur te
bemachtigen, een Hoogheid die steeds wegwijkt op het moment dat je de positie
van het model hebt ingenomen.
5.
We
citeren opnieuw de passage over de metafysische benadering tot het religieuze
erfgoed uit het Een spoor van een spoor Gianni Vattimo:
Als het
kritische denken zich als een authentieke interpretatie van de religieuze
behoefte van het collectieve bewustzijn wil doen gelden, dan moet het aantonen
dat deze behoefte niet bevredigd kan worden door een simpel hervatten van de
metafysische religiositeit, dat wil dus zeggen door een vlucht uit de
verwarring van de modernisering en uit het Babel van de geseculariseerde
maatschappij in de richting van een nieuw fundamentalisme.[65]
Afgaande
op hoe Levinas en Girard de metafysische begeerte waarderen, zouden we kunnen
concluderen dat de eerste opnieuw een metafysica omhelst, terwijl de tweede een
metafysica resoluut afkeurt. Maar in werkelijkheid liggen de zaken
gecompliceerder.
Wat
Levinas betreft kunnen we zeggen dat bij hem het woord metafysica, ook in
andere contexten, steeds een positieve lading heeft. Levinas maakt duidelijk
dat hij grote waardering heeft voor hoe in de geschiedenis van de Westerse
filosofie soms rekenschap van een transcendentie wordt gegeven - hoe de metafysica
het denken opent voor het Oneindige. Met name bepaalde passages uit Plato en
Descartes gaan voorbij aan het totaliteitsdenken dat Levinas weerstreeft. De
titel van zijn eerste hoofdwerk - Totalité et Infini - geeft de
tegenstelling aan waarbinnen Levinas zich steeds positioneert. De totaliteit
is dan een gesloten denkkader, een immanentie zoals het Zijn (Heidegger) en de
Geschiedenis (Hegel) waardoor de hele betekenisgeving van het menselijke leven
bestierd wordt.
Zoals
wel vaker bij Levinas, kunnen we ons niet aan de indruk onttrekken dat in
sommige van zijn denkmomenten een omkering van de Heideggeriaanse termen
nagestreefd wordt.[66]
Als Heidegger met een ontologie de metafysica wil overwinnen, vinden we bij
Levinas een metafysica die de ontologie te boven komt. Het woord metafysisch
krijgt zo een scherpe, strategische betekenis. Het duidt op een heftige
weigering zich, wat het denken over de toekomst van de filosofie betreft, de
wet door Heidegger te laten voorschrijven. In Levinas gebruik van het woord
metafysisch zit een rebels element, een rebellie die door de meesten die zich
door Levinas laten inspireren niet overgenomen is.
Maar
altijd kan dit gezegd worden: Levinas verwerking van de heideggeriaanse fenomenologie
behelst geen stap terug naar voor-fenomenologische transcendenties. De Ander
van Levinas staat dichter bij een alledaagse werkelijkheid dan Platos Idee van
het Goede, of de Absolute Geest van Hegel:
Een scheiding
van het Ik die niet de weerslag is van de transcendentie van het Andere ten
opzichte van mij, is niet een abstracte mogelijkheid waaraan slechts
haarklovers denken. Zij dringt zich aan het denken op in naam van een concrete
morele ervaring - wat ik me veroorloof van mezelf te eisen staat in geen
verhouding tot wat ik rechtens van de Ander kan eisen. Deze zo alledaagse,
morele ervaring wijst op een metafysische asymmetrie: de radicale
onmogelijkheid om zichzelf van buitenaf te bekijken en om in dezelfde zin over
zichzelf en anderen te spreken; bijgevolg ook de onmogelijkheid van
totalisering. En, op het vlak van de maatschappelijke ervaring, de
onmogelijkheid om de intersubjectieve ervaring te vergeten die aan de
basis ervan ligt en er een zin aan verleent, zoals de niet weg te moffelen
ervaring een zin verleent aan de wetenschappelijke ervaring, als we ons wat
dat betreft op de fenomenologie mogen verlaten.[67]
De
asymmetrie, die in dit essay verschillende keren aan de orde is geweest, wordt
door Levinas opgevat als een alledaagse, morele ervaring. De
doorleefde werkelijkheid wordt door Levinas nergens overtroefd door een term
die doet denken aan het Griekse of het Duitse idealisme. In zijn voorwoord tot
Levinas Plaatsbekleding schrijft Theo de Boer dat Levinas verklaard
heeft dat hij zich van de fenomenologische methoden heeft bediend om de
fenomenologie te overwinnen, maar dat lijkt me al te sterk uitgedrukt.[68] In
zijn loyaliteit aan de menselijke beleving als filosofisch criterium is Levinas
nolens volens Heidegger zeer nabij. De transcendentie die Levinas in zijn
schrijven benadert torent niet massief uit boven de immanentie waarmee elke
fenomenologie verbonden is. Als Levinas het heeft over het Gelaat, wordt
voortdurend gewezen op de naaktheid van het Gelaat - dat wil zeggen op
een verschijnselmatig, zichtbaar aspect.[69]
Op plaatsen waar het denken van Levinas metafysisch genoemd zou kunnen
worden, is er steeds een fenomenologisch residu, een weerwil tegen zuivere abstracties,
tegen de Zijnden van Heideggers metafysica-kritiek. Een mate van doorleefdheid
wordt door Levinas steeds in het oog gehouden.
Dat
er desalniettemin iets aan Levinas filosofie ontbreekt, wordt duidelijk als we
zijn beschouwingen naast die van René Girard leggen. De onschendbaarheid die de
Ander bij Levinas geniet, de eenzijdigheid waarin Levinas schrijftrant zich
terugtrekt, doet de Ander als degene waarmee ik een problematische,
conflictueuze relatie onderhoud uit het zicht verdwijnen. De Ander als Afgod
past niet in Levinas systeem. Immers, afgoden zijn al begrepen als
gesacraliseerde natuurkrachten, en het bevrijdende aspect van het gehoor geven
aan het appel is niet het overwinnen van een bevangenheid door een
charismatische figuur, maar het wakker geschud worden uit het egoïstische
genieten (la jouissance). De fenomenologie van Levinas laat geen
problematische Ander toe, en zwijgt daarmee over iets wat voor een ethisch
gerichte filosofie van eminent belang mag heten.[70]
Girards
kritiek op de metafysica is van een geheel andere statuur. In zijn Mensonge
romantique et vérité romanesque heeft Girard het afwisselend over
metafysische leegte en ontologische ziekte. Het Zijn is de uitstraling van
autonomie door het model, een vorm van bestaanscompactheid die alle mensen
lijken te bezitten behalve wijzelf. Het woord metafysica verwijst bij Girard
naar de vergoddelijkte Ander, die niet lijdt aan twijfels, mislukkingen,
onzekerheden, depressies, en andere al te menselijke kwellingen, maar die in
permanente staat van zelfverzekerdheid leeft, zoals de goden op de Olympos. Dit
hele Zijn is een soort virtuele werkelijkheid, is een immens labyrinth, en
degene die ons daar uit weg kan leiden is niet Heidegger en zijn worstelingen
met een vertechniseerde samenleving, maar zijn de grote romanciers:
Laten
we ook niet met Heidegger zeggen, dat de goden zich hebben teruggetrokken. De
goden zijn dichter bij dan ooit.[...] Proust en Dostojevsky omschrijven onze
wereld niet met de afwezigheid van het heilige, zoals de filosofen doen, maar
door een ontaard, bedorven heilige, dat stapje voor stapje de bronnen van het
leven vergiftigd.[71]
Girard
zoekt de afgoden, niet zoals Levinas in gesacraliseerde natuurkrachten, maar in
de gesacraliseerde Ander. En juist omdat we het verschil tussen mensen en goden
denken te kennen, omdat we niet meer geloven dat J.F. Kennedy of prinses Diana
in een pantheon boven de wolken verderleven, ervaren we niets metafysisch meer
in de Ander die we imiteren, en putten we ons uit in het toeschrijven van onze
keuzes aan onze eigen soevereine wil. Juist in onze hautaine afwijzing van de
luttele tien geboden van het boek Exodus, zijn we gedoemd ons te onderwerpen
aan de duizend-en-één geboden die de eerste beste voorbijganger als een
loodzwaar juk met zich meetorst.
Metafysica
verwijst voor Girard naar een valse transcendentie - het is een soort energie,
zou je kunnen zeggen, een charisma dat verslaafd en bezeten maakt. Met een
metafysica in heideggeriaanse zin, met de Middeleeuwse God als een Zijnde,
heeft Girard geen enkel probleem. De grote christelijke dogmas geven voor
Girard de diepe christelijke waarheden theologisch gestalte. Datgene wat
Augustinus in theologische zin kon vatten, kunnen wij in onze tijd in
wetenschappelijke zin begrijpen - aan de hand van de Bijbel kunnen we onze
sociaal-psychologische kennis verdiepen:
Het
(evangelische begrip) is dus volmaakt rationeel maar op een hogere wijze als de
onze. Waar het hier in mijn ogen om gaat, is een nieuwe illustratie van een
zeer grote traditionele opvatting, de rede en het geloof die elkaar wederzijds
ondersteunen. Fides quaerens intellectum [het geloof dat het begrip
zoekt] et vice versa.[72]
Met een
metafysica van Zijnden is net zo min iets mis als met de wetenschap zelve.
Girard
is dan ook niet geïnteresseerd in een alteriteit die de rationele
beheersbaarheid principieel afbakent. Als het zo is dat de religieuze woorden
sinds de opkomst van de wetenschappen in het begrip alteriteit een nieuwe
betekenis krijgen, dan moet het ook zo zijn dat deze nieuwe
betekenisgeving wordt doorkruist wordt door een problematiek van het geweld.
Voor een denken dat bij het Bijbelse woord wil aansluiten, voor een denken dat
dus uiterst hoog inzet op het bewaren of terug veroveren van rechtvaardigheid,
vrede en liefde, moet de alteriteit steeds gevrijwaard worden van
geweldadige invullingen. Dit geldt niet alleen de numineuze alteriteit, maar,
kunnen we zeggen, evenzogoed de ethische alteriteit. Het gaat hierbij volgens
Girard om een fundamenteel probleem. Het geweld ín de alteriteit is niet
een hinderlijke bijkomstigheid, iets wat zich voordoet als een opstootje in een
verder ordelijk domein - de alteriteit is de plaats waar de hele problematiek
van het geweld aan ontspruit. Girard herleidt numonisiteit tot de siddering die
de mens voelt ten overstaan van het oorspronkelijke geweld in het
zondebokmechanisme, een siddering die in haar krachtigste vorm nog gereproduceerd
kan worden door de rituele herhaling als mensenoffer. De Ander als concrete
aanwezigheid herleidt Girard tot de vervolgende menigte - de menigte gaat
aan het individu vooraf.[73]
Dit geweld, dit oorspronkelijke geweld, is een geweld dat tegen geweld
beschermt. Voor zover ons denken op een dergelijk geweld teruggrijpt,
sacrificieel is, is een vrijwaring van geweld steeds onmogelijk - sacrale transcendenties
kunnen niet van hun gewelddadig karakter ontdaan worden omdat ze er in diepste
wezen in wortelen. Ofwel sacrale transcendenties behouden (een deel van) hun
gewelddadige karakter, ofwel ze vervluchtigen.
In
Girards zienswijze wordt gebroken met de piëteit die in het postmoderne denken
ten aanzien van het Andere en het Verschil wordt aangemoedigd. De
transcendentie verschuilt zich voor Girard niet in de alteriteit, maar is de
vrijwaring van het geweld zelf. Het goddelijke is voor Girard datgene wat
niets aan het geweld verschuldigd is, en daarin claimt Girard dat deze
onschuldige God de God van de Bijbel is - de God die in het Oude Testament
aangekondigd wordt en in de vleeswording van het Woord in de persoon van Jezus
Christus de mensen bezoekt. God is geen sacrale transcendentie, ook geen
verfijnde of gelouterde uitgave daarvan - God is liefde, en zich goddelijk
gedragen is alleen maar naar een volstrekte liefde handelen:
Zich
werkelijk goddelijk gedragen op deze aarde, die ten prooi is aan geweld,
bestaat er niet in dat je mensen overheerst, hen verplettert onder je prestige,
dat je mensen angst aanjaagt en hen verbaasd doet staan doordat je in staat
bent hen de ene keer te laten lijden en de andere keer met weldaden te
overladen en dat je verschil maakt tussen de doubles en partij kiest in
hun twisten. God ziet de persoon niet aan. Hij maakt geen verschil tussen
Jood en Griek, mannen en vrouwen, enz. Wat, zolang zon almacht door haar
transcendentie oneindig ver van ons verwijderd blijft en erdoor beschut is
tegen onze gewelddadigheid, eerst nog doorgaat voor zuivere onverschilligheid
en uiteindelijk misschien zelfs voor het niet bestaan van zulk een almacht, dat
openbaart zich vanaf het moment dat deze zelfde transcendentie zich incarneert
in een menselijk schepsel en wandelt onder de mensen om hun te leren wie God
werkelijk is en hoe men hem nabij kan komen, als heldhaftige en volkomen
liefde.[74]
De
goddelijke transcendentie is dus de geweldloze liefde die de mimetische
rivaliteit doorbreekt. De talloze genezingen die aan Jezus worden toegeschreven
zijn steeds te verstaan als het redden van anderen, het verlossen uit een vorm
van collectieve bezetenheid. Volledig doorzichtig en rationeel is de doorbraak
van het zondebokproces in het verhaal van de overspelige vrouw (Johannes
8:1-11).[75] Jezus
dood aan het Kruis is uiteindelijk het, in deze wereld kennelijk
onvermijdelijke einde van deze goddelijke missie - Hij kwam in zijn eigen
bezit; Ook de zijnen ontvingen hem niet (Johannes 1:11).
Met
de doorbraak van de mimetische rivaliteit, met de goddelijkheid als volstrekte
geweldloosheid komt Girard tot formuleringen die, zogezegd, een immanent
karakter hebben. De christelijke begrippen worden door Girard rücksichtslos in
hun oude glorie hersteld, maar hun werkveld, hun onderkomen in de immanentie
vindt een schaalvergroting die we in geen enkele christelijke denker vóór
Girard aantreffen. Als Jan Populier schrijft:
Wat
ontstaat, is een nieuwe vorm van geloof, een geloof in de unieke waarheid die
verwoord staat in het Nieuwe Testament, los van elke dogmatische traditie.[76]
dan
gaat dit niet op voor de manier waarop Girard het christendom belijdt, maar wel
op voor zover we binnen een geseculariseerde wereld Girards gezichtspunten als
onafhankelijke wetenschappelijke hypothesen kunnen benaderen. Ook zonder
dogmas kunnen we nadenken over wat het betekent los te raken van een
mimetische bevangenheid.
Religie
als desacralisatie - schreven we hierboven - markeert in het na-oorlogse debat
een nieuw standpunt. De Tweede Wereldoorlog heeft voor een kritische filosofie de
weg naar een sacraal reveil afgesloten. Levinas loyaliteit aan de
fenomenologie, zijn uitgesproken onwil om de ethiek te laten besturen door een
bovennatuurlijke, numineuze macht, zijn steeds terugkerende beweging naar
verhoudingen tussen mensen in een alledaagse realiteit, tonen dat religie in
het tijdvak waarin we leven een andere draagwijdte heeft dan men voorheen
steeds heeft willen geloven. Het lijkt me zonder meer juist om het denken van
Levinas een overwegend desacraliserend karakter toe te schrijven. Toch, en
juist wel misschien vanwege de heideggeriaanse erfenis, zijn er zekere sacrale
overblijfselen te vinden in Levinas conceptie van de Ander. In Girards woorden
is het sacrale een geweld dat tegen geweld beschermt, en Levinas Gelaat dat verstoort
en vervolgt, maar tevens geneest en vrede brengt, voldoet helemaal aan die
formule.
De
kritiek van Girard, als kritiek op de verafgoding, de sacralisatie van de
Ander, is natuurlijk in eerste instantie gericht tegen de bezetenheden en
bevangenheden zoals we die bijvoorbeeld in de romans van Dostojevsky aantreffen
- waarbij Dostojevsky dan een van de weinige romaneske auteurs is die
zichzelf er al van bevrijdt. De sacrale Ander is het vergoddelijkte model - met
wie wij vroeger of later in een mimetisch conflict verwikkeld zullen raken. De
Ander van de Levinasiaanse ethiek valt daar niet direct onder - Levinas
beschrijft de ontmoeting met de Ander niet in termen van navolging. Maar wel,
lijkt me, houdt de typische sereniteit van Levinas ethiek structureel verband
met de vragen die Girard ten aanzien van de Ander opwerpt.
Girards
theorieën blijken heel geschikt om de onrust die Levinas schrijven oproept
meer inhoud te geven. Ook Girards invulling van het christendom roept de nodige
onrust op, maar, zo komt me voor, de Levinasiaanse eenzijdigheid is niet het
meest geschikte standpunt om het denken van Girard te bevraagtekenen. Een
doordachte kritiek op het werk van Girard valt buiten het bestek van dit essay.
Maar
in alle voorlopigheid kunnen wel een paar opmerkingen plaatsen. Ten eerste
kunnen we ons afvragen of Girard, nadat hij in La violence et le sacré
met de hypothese is gekomen dat het sacrale zo goed als synoniem is aan het
geweld, niet te haastig te werk gaat in het labellen van de begrippen van
andere denkers als sacraal.[77]
Heeft het godsbeeld in het Nieuwe Testament dan helemaal niets meer met
sacraliteit te maken? Is Girards exegese van het Nieuwe Testament wel juist?
Vinden we in Girard een theologisch doordringingsvermogen zonder weerga, of
vormt hij de Bijbel en met name het Nieuwe Testament om tot een handvest van de
volstrekte geweldloosheid waarmee hij iedereen die ook maar op een of andere
manier zinspeelt op het sacrale om de oren slaat?
Verschillende
commentatoren hebben al kanttekeningen bij Girards lezing van het Nieuwe
Testament geplaatst. Girard noemt zijn eigen interpretatie anti-sacrificieel
en verwijt alle theologen dat ze nooit verder zijn gekomen dan een
sacrificiële, aan het offergeweld gerelateerde lezing van het Nieuwe Testament.
Onmiskenbaar brengt Girards interpretatie aspecten en subtiliteiten naar voren
die door de vroomste theologen over het hoofd werden gezien. Het Nieuwe
Testament geeft zich in grote mate aan Girards zienswijze, maar zeker ook
niet volledig. In Des chose cachées depuis la fondation du
monde stelt Jean-Michel Oughourlian de vraag:
Ziet
u zich niet gedwongen terug te vallen [...] op een impliciet of expliciet
opdelen van de evangelietekst in twee ongelijksoortige stukken: aan de ene kant
de ware tekst, anti-sacrificieel en menselijk, aan de andere kant de valse
tekst, theologisch en sacrificieel? En ziet u zich dan niet gedwongen die valse
tekst uit het evangelie te verwijderen, en zo nog weer eens opnieuw te doen wat
alle gangbare sacrificiële praktijken altijd al deden?[78]
Girard
antwoordt dan:Bepaald niet. Ik zal u laten zien dat alles zich moeiteloos in
de niet-sacrificiële interpretatie laat invoegen.
Maar
even later, in de bespreking van de parabel van de boze wijngaardeniers, geeft
Girard uitdrukkelijk de voorkeur aan het Matteüs-evangelie: De redacteuren van
het Marcus- en het Lucas-evangelie, of de klerken die ze hebben overgeschreven,
hebben klaarblijkelijk een tekst vereenvoudigd, die wij in zijn volledige en veelzeggende
vorm bij Matteüs aantreffen. Bij Marcus en Lucas schuwt de heer van Jezus
parabel het gewelddadig optreden niet:Wat zal nu de heer van de wijngaard
doen? Hij zal de landbouwers gaan verdelgen, en de wijngaard aan anderen geven
(Markus 12:9). Bij Mattheüs wordt de vraag wat de heer zal doen aan de
omstanders gesteld, en zijn zij het die met het gewelddadige optreden
voor de dag komen.
Wat
wil dit zeggen, dit verschil tussen Marcus en Lucas enerzijds, en Matteüs anderzijds?
Misschien wel dat Girard gelijk heeft, dat er onder de evangelietekst een
smetteloos, absoluut ongewelddadig denken schuilgaat. Maar wat dit ook wil
zeggen is dat het thema van de geweldloosheid voor de schrijvers en redacteuren
van het Nieuwe Testament in geen enkele zin maatgevend genoemd kan worden.
De sacrificiële lezing is dus niet een zaak van latere theologen, maar
figureert hier en daar al formidabel in de canonieke tekst.[79] Wat
betreft het goddelijke geweld kent het Nieuwe Testament een hele reeks
problematische passages. Lucien Scubla, die dit vraagstuk in zijn artikel The
Christianity of René Girard and the Nature of Religion systematisch heeft
uitgewerkt, kan dan ook niet anders dan concluderen:Het christendom van
Girard is dan ook niet dat van de evangeliën.[80]
Het
Nieuwe Testament is allesbehalve vrij van sacrale elementen, van verwijzingen
naar een optredende, van geweld gebruik makende God. Op tekstueel niveau is het
Nieuwe Testament niet de voltooiing en het eindpunt van een eeuwenlang
desacralisatie-proces, het christelijke sluitstuk op de fraaie maar altijd nog
gebrekkige joodse voorbereidingen.
Desacralisatie
is geen vorm van kennis en inzicht, maar iets dat diep in het leven van de
mensen ingrijpt - iets waar we de afmetingen nog maar net van beginnen te zien.[81] En de imitatio
Christi, de mimetische oplossing van een mimetische problematiek
vertoont, hoewel ze in haar aard misschien perfect is, gebreken in de mate
waarin we voortdurend met mensen te maken hebben die, zoals al uit Paulus
brieven blijkt, een dergelijke heldhaftigheid niet op kunnen brengen. All
the worse for them - lijkt het enige antwoord van Girard hierop te zijn,
maar misschien is het beter om erkentelijk te zijn jegens andere benaderingen
van hetzelfde vraagstuk, zoals in het joodse denken dat de afgelopen
tweeduizend jaar ook niet stilgestaan heeft.
Als
toegewijd apologeet van het christendom zet Girard de verschillen tussen het
joodse, Griekse en christelijke denken zeer scherp aan. Het christendom is
superieur aan het jodendom, en de hele joods-christelijke desacralisatie-impuls
is weer superieur een het Griekse denken, waar we hier en daar ook sporen van
een weerstand tegen het zondebok-mechanisme aantreffen. Een vraag die dan
opkomt, een vraag, die directer bij de thematiek van dit essay aansluit, is -
hoe kan Girard zijn welwillende houding jegens de kerkvaders, met name
Augustinus rechtvaardigen? In zijn interview met Michel Treguer zegt Girard:Driekwart
van wat ik zeg staat reeds in Sint Augustinus.[82]
Maar maken we bij Augustinus ook niet mee hoe gemakkelijke de christelijke leer
in hellenistische aarde valt? Is het niet merkwaardig hoe de abstracte
transcendenties van het platonisme en neoplatonisme - voortbrengselen van een
heidense geest waar Girard au fond toch maar weinig mee opheeft - de
christelijke dogmas adopteren? Als Girard het steeds over een oorspronkelijke
joodse inspiratie heeft, wat is dat dan voor monsterverbond tussen het
Bijbelse woord en een Griekse metafysica - wat is dat dan voor liaison
curieuze, welke het christendom in
de Middeleeuwen zo groot heeft gemaakt? Als Augustinus, zoals George Steiner
zegt, reeds waarschuwt voor de wellust der ogen van de filosofen, betekent
dit dan ook niet dat het christendom al ondergebracht is in een type denken
waarin een dergelijke risico heerst?
Het
denken van Augustinus - soms zelfs in zijn Belijdenissen - voltrekt zich
al in een heel andere sfeer dan dat van Paulus, waarin ethiek, metafysica en
ook bepaalde vormen van mystiek volledig met elkaar verknoopt zijn, en waarin
er nooit vrije tijd is om over, bijvoorbeeld, het wezen van de tijd na te
denken. Het is weliswaar een grove vereenvoudiging om te zeggen dat Augustinus
een Grieks kentheoretisch grondplan opvult met christelijke inhouden - maar het
verschil tussen het Nieuwe Testament en de filosofie van de kerkvaders moeten
we toch in die contreiën zoeken. Girards resolute afwijzing van Heideggers
metafysica-geschiedenis gaat samen met een bijna kritiekloos aanvaarden van
christelijke filosofieën met een Grieks-metafysische ondergrond. Iedereen die
bijbelvast is zit goed bij Girard - zelfs voor de hedendaagse creationisten
die pleiten voor letterlijk geloof in het scheppingsverhaal neemt Girard zijn
petje af.[83]
Kritiek
op Girard zal steeds kritiek betekenen op een zekere eenkennigheid die zijn
oeuvre kenmerkt. Een traditioneel christendom plus een paar ferme nieuwe wetenschappelijke
inzichten moeten functioneren als een panacee voor de hedendaagse
godverlatenheid. Wie iets ten gunste van de zondebok zegt of wie mimetische
verschijnselen ontwaart in het sociale verkeer mag op Girards complimenten
rekenen en de rest, met uitzondering van Nietzsche misschien, wordt met een
paar korte woorden uit de overwegenswaardigheid gesloten.
Tegenover
een dergelijke kordaatheid steekt Levinas bereidwilligheid zich over vreemde
teksten te buigen, teksten die in het geheel niet met zijn
maatschappelijk-religieuze visie stroken, gunstig af. Het atheïsme is voor
Levinas niet een vreselijke vergissing waar een heel leger moderne denkers de
goegemeente in meesleurt, maar een natuurlijke reactie op wat we in de
geschiedenis, met name in de 20ste eeuwse geschiedenis hebben meegemaakt. We
zullen eindigen met een passage uit Levinas korte essay Meer van de Thora
houden dan van God waarin we, meen ik, met gerust hart een pittige kritiek
mogen lezen op het traditioneel-burgerlijke christendom, dat Girard, net als
alle andere vormen van christendom steeds in bescherming zou nemen:
Wat
heeft dit lijden van onschuldigen te betekenen? Getuigt het niet van een wereld
zonder God, van een aarde waarop alleen de mens de maat uitmaakt van Goed en
Kwaad? De eenvoudigste en gewoonste reactie zou zijn dat men tot atheïsme
besluit. Voor al degenen aan wie tot dan toe een nogal primitieve god, die in
zijn goedheid de mensen als eeuwige kinderen behandelde, prijzen uitreikte, straffen
oplegde of fouten vergaf, is dit ook de meest gezonde reactie. Maar met wat
voor geborneerde geest [démon borné] en met wat voor een vreemde
tovenaar hebt u de hemel bevolkt, dat u vandaag die hemel voor verlaten houdt?
En waarom zoekt u onder een lege hemel nog een zinvolle en goede wereld?[84]
[1]
WAT FIJN voor iemand om zo slim,/Zo beroemd, zo waarachtig
te zijn;/Zon goede investering; zo fijn/om ALTIJD maar JOU te zijn.//Gluren
in kelders, in steegjes,/Een neus voor het fijnere werk./Verrassen met snedige
kneepjes,/En TOETREDEN dan tot de kerk. Geciteerd door: John
Press, A Map of Modern English Verse. Oxford
UP, 1971, p.79.
[2] Zie
Jacques Derrida, Gianni Vattimo et al., La religion: seminaire de Capri.
Parijs: Seuil, 1996. Vertaald als: Jacques Derrida, Gianni Vattimo &
Hans-Georg Gadamer, God en de godsdienst: Gesprekken op Capri [GG].Vert.
Herman Note en J.M.M. de Valk, Kampen: Kok Agora, 1997, p.102.
[3] Hoe magistraal Karl
Barths Römerbrief (1919) ook genoemd kan worden, het is een boek waarin
voor eigen parochie gepreekt wordt. De populariteit en impact van dit boek zegt
alleen maar iets over de omvang die die parochie ten tijde van het verschijnen
nog had.
[4] Met name in Derridas essay Donner la mort,
vertaald als The Gift of Death (Vert. David Wills, Chicago UP, 1995). Zoals
we hieronder zullen uitleggen is deze mogelijkheid al in de kiem aanwezig in
het vroege werk van Derrida. Zonder Derrida als een soort guru te willen
beschouwen, mogen we zeggen dat hij een van de belangrijkste voortrekkers is
van een (post)modern kritisch progressief denken, en dat derhalve diens
expliciete belangstelling voor de Bijbel significant is. In het essay L'Amour
intellectuel de Dieu: Lacan's Spinozism and Religious Revival in Recent French Thought van Douglas
Collins (in Anthropoetics ‑ The Electronic Journal of Generative
Anthropology, Volume III, number (Spring/Summer 1997) URL:
http://www.humnet.ucla.edu/humnet/anthropoetics)
vinden we een reeks positieve en negatieve reacties op deze klimaatsverandering
(Althusser: For now the Opium's making a comeback). Verder noemt Collins
een groot aantal Franse jongere en oudere denkers die positief gepredisponeerd
zijn (of al langer waren) jegens de religie, zoals Bernard-Henri Lévy,
Christian Jambet en Guy Lardeau, Jean-Paul Sartre in zijn laatste interviews
aan de Nouvel Observateur, Jean-Luc Marion, Daniel Sibony, Mary Balmary,
Bernard Sichéve, Christian Bobin, Jean-Louis Chrétien, Michel Serres, Eugen
Drewermann, Michel Henry.
[5] GG, p.104.
[6] GG, p.105
[7] George
Steiner, Martin Heidegger. Vert. Maarten van der Marel,
Kampen: Kok Agora, 1994. Hieronder zullen we Heideggers hang naar heidense
(Griekse) vormen van sacraliteit noemen. In deze en de volgende passage maakt
Steiner de lezer erop attent dat Heideggers zijns-immanentie aansluit bij
bepaalde waarschuwingen van uitgesproken christelijke denkers. In de volgende
alinea noemt Steiner naast Augustinus ook Kierkegaard, Paulus, Pascal en
Luther: Het is daarentegen de augustiniaans-kierkegaardiaanse nadruk (zelf
uiteindelijk paulinisch) op de geworteldheid van de mens in de concrete,
tijdelijke wereld, en de pascaliaans-lutheraanse nadruk op Angst, met
zijn bevestiging van de nabijheid en de tijd beheersende tegenwoordigheid van
de dood, waardoor Sein und Zeit versmelten tot een noodzakelijke
eenheid.
[8] We brengen hier een heels
scala aan begrippen in stelling tegenover de rationele duidingskracht. Ieder
van deze begrippen heeft natuurlijk haar eigen betekenis en geschiedenis. Over
het verschil tussen het sublieme en het unheimliche zie: Joachim von der Thüsen, Het verlangen naar
huivering: Over het sublieme, het wrede en het unheimliche. Amsterdam: Querido, 1997.
[9] Rudolf
Otto, Das Heilige: Über das Irrationale in der Idee des Göttlichen und sein
Verhältnis zum Rationalen [DH]. Reslau:
Trewendt und Granier, 1920, p.29. Heimlich betekent hier heimelijk,
geheimzinnig in de alledaagse betekenis van het woord, dat staat tegenover het
echt numineus mysterieuze, het unheimliche.
[10] DH, p.30-31.
[11] DH, p.251, übernatürliches Wesen noch ohne genauere Vorstellung.
[12] Carl Gustav Jung, Psychology and Religion: West
and East. Princeton UP: 1969, p.75. De gedachte dat religie een
essentieel beschermende functie heeft vinden we volumineus in het werk van
Girard terug, zij het dat het bij hem niet zozeer om psychische, maar om sociale
bescherming - bescherming tegen het geweld dat een hele gemeenschap in de
ondergang kan sleuren. Emmanuel Levinas heeft het, sprekend over de
voorschriften in de Thora, over een bescherming tegen de dwaasheid van een
rechtstreeks contact met het Heilige zonder bemiddeling van redelijke gronden
in Meer van deThora houden dan van God in Het menselijk gelaat: Essays van
Emmanuel Levinas[MG]. Red. en vert. Ad Peperzak, Utrecht: Ambo,
1969. Ook Gerard Reve schrijft in termen van bescherming over religie: Zelfs
in de hoogste erotiek, de omgang met God, werd de mens altijd beschermd door
het hitteschild van het symbool: God had namen, Engelen, profeten (en zelfs
een Moeder, voor het geval dat je als gewoon mens op huiselijke wijze al te
dagelijkse zieleroerselen te berde wilde brengen). We zijn nu aan de zinloze
lichamelijkheid en de onmiddellijke godservaring overgeleverd, die beide
voor mij ondraaglijk zijn, evenals voor zovele andere mensen die dan ook
apathies, drankzuchtig, spuitgebruikend of krankzinnig worden. Ik bescherm
mijzelf, met wisselend sukses, door de riten van revisme, misoffer en marialogie.
Brieven aan Simon C. (1971-1977). Utrecht: Veen, 1982, p.75.
[13]
Hoewel in Sein und Zeit regelmatig over vervreemding gesproken wordt,
komt de term vervreemd van het Zijn in dit werk niet voor. Maar wel bijvoorbeeld in Heideggers collegecyclus Der Anfang des
abendländischen Denkens, in Heraklit, Gesamtausgabe Band 55,
Frankfurt: Vittorio Klostermann, 1979, p.99. Deze lezingen werden in 1943
gehouden.
[14] Martin
Heidegger, Hölderlins Hymne Der Ister, Gesamtausgabe Band 53 [HH].
Frankfurt: Vittorio Klostermann, 1984, p.94. Deze lezingen werden gegeven
in 1942.
[15] Omdat Marx, voor zover
hij de vervreemding ervaart, een wezenlijke dimensie van de geschiedenis raakt,
is de marxistische opvatting van de geschiedenis superieur aan overige
historiciteitsbeschouwingen. Über den Humanismus, Frankfurt: Vittorio
Klostermann, 1949, p.30.
[16] Ik noem hier Philippe
Lacoue-Labarthe, La fiction du politique, vertaald als Heidegger, Art
and Politics [HAP]. Oxford: Blackwell, 1990,
Jacques Derrida, De lEsprit en Jean-François Lyotard, Heidegger et
les juifs vertaald als Heidegger en de joden [HJ]. Vert.
Cécile Janssen, Kampen: Kok Agora, 1990.
[17] Derrida en Lyotard
slaan tegen de achtergrond van de onthullingen van Victor Farias Heidegger
et le nazisme (1987) steeds diens Sein und Zeit open, maar het zijn
juist de grote collegecycli uit de jaren dertig en veertig waarin talloze
dubieuze uitspraken te vinden zijn, en waarmee we op relatief ongecompliceerde
wijze inzicht kunnen krijgen in Heideggers politiek-filosofische huishouding.
Een drang tot resacralisatie speelt daarin steeds een hoofdrol. Heideggers Hölderlins
Hymne Der Ister staat bol van toenaderingen tot das Heilige. En
het is dan steeds een Griekse sacraliteit die Heidegger op het oog
heeft. In deze lezingencyclus figureert, naast een aantal gedichten van
Hölderlin, Sophocles Antigone als basistekst. Bovenal leidt Heideggers
speurtocht naar de Griekse pre-Socratici, het denken van vóór de grote ingrepen
van Plato en Aristoteles. Zie ook René Girard, Wat vanaf het begin der
tijden verborgen was...[WBV], vertaling van: Des choses cachées
depuis la fondation du monde... Vert., J. Kleisen et al., Kampen: Kok
Agora, 1990. p.315-320.
[18] Zoals in de rel rond
Theodor Adorno. Zie HAP, 117-118.
[19] Zie
HAP, p.41-46.
[20] In de logica van
Heidegger werkt dat allemaal anders. Misschien hebben de Duitsers
empirisch-historisch de misdaad uitgevoerd, maar Seinsgeschichtlich
treft de blaam eigenlijk het kastrophenhafte Amerika. In 1949 zegt
Heidegger: de landbouw is nu een gemotoriseerde voedselindustrie, en in
essentie hetzelfde als de fabricage van lijken in de gaskamers en de
vernietigingskampen, hetzelfde als voedselboycotten en uithongeren van bepaalde
naties, hetzelfde als de fabricage van waterstofbommen - geciteerd HJ,
p.116. Dit is de enige keer dat Heidegger de holocaust noemt, en in die
uitspraken wordt direct een verbinding gelegd met de VS, de natie die in 1949
nog als enige over de waterstofbom beschikt. In HH schrijft Heidegger:
Het prevaleren van de kwantiteit is zelf een kwaliteit, dat wil zeggen, een
wezensvorm, en wel die van de mateloosheid. Dit is het principe van datgene wat
we Amerikanisme noemen; het bolsjevisme is slechts een andere vorm van
Amerikanisme [eine Abart des Amerikanismus](p.86). Hierin ze we hoe
belangrijk het denken in principes voor Heidegger was. Het nationaal-socialisme
was dus naar Heideggers smaak te Amerikaans.
[21] Zo
vinden we in onze tijd regelmatig mensen die New Age-groeperingen te
schande wil zetten, door - en succes is steeds verzekerd - uit het mystieke
archief een hakenkruis op te delven.
[22] Peter Sloterdijk, Kritik der zynischen Vernunft. Erster Band,
Frankfurt: Suhrkamp, 1983, p.53.
[23] Onlangs zei Gerrit
Krol in een interview aan de VPRO-gids (20 t/m 26 december, 1979):Maar
die obscure Franse filosofen, het lukt mij niet om die lui te begrijpen. Die Franse
denkcultuur is voor mij met Sartre en Camus opgehouden, dat was nog te
begrijpen. Maar filosofen als Roland Barthes, Derrida, Foucault, ik heb er écht
moeite voor gedaan, maar het lukte niet. Het is me trouwens destijds ook
gebeurd met One-dimensional Man van Marcuse. Ik zag het liggen in New York,
1966, dacht: ah, dat klinkt goed, dat is vast interessant. Maar noch in het
Engels noch in het Nederlands heb ik er ook maar iets van begrepen. Terwijl ik
echt mijn best deed om het te snappen. Dergelijke uitspraken oogsten veel
sympathie bij journalisten en andere filosofische trendvolgers - maar de hele
problematiek van de alteriteit (die juist bij Sartre en Camus op de achtergrond
raakt) is in haar kern niet zomaar te vatten. Ook korte lucide zinnen,
zoals we die volop in de lezingen van Heidegger aantreffen, blijven duister,
obscuur voor wie de denkbewegingen niet na kan voelen. Zie ook noot 55.
[24] Een bekend voorbeeld
is Derridas analyse van het woord supplément in het werk van Rousseau
in het tweede deel van zijn Of Grammatology, vertaling van De la
Grammatologie. Vert. G.C. Spivak, Londen: John Hopkins UP, 1974. Niet
alleen vinden we in de supplementen van Rousseau datgene wat hij uit de
hoofdtekst wil verwijderen, tevens treffen we het woord supplement aan op
cruciale passages in de eigenlijke teksten. Het woord supplementair
bestiert ook vormen van arbeid en sexualiteit die Rousseau wil marginaliseren.
[25] Het voorbeeld is van
Ger Groot in Het woord op een briefje: Derrida over schrift en stem in Moderne
Franse filosofen. Red. H.E.S. Woldring, Kampen: Kok Agora, 1993. Op het
niveau van testimentariteit of geschrevenheid is het Evangelie verwikkeld in
een problematiek van het geweld. We zullen hier op het eind van dit essay op
moeten terugkomen. In de twee brieven aan de Korintiërs heeft dit geweld alles
te maken met de euvele moed van de brievenschrijver - het gegeven dat het
gemakkelijker is een boze brief te schrijven dan anderen van aangezicht tot
aangezicht te vermanen, te bestraffen, te oordelen of uit te bannen. In 2 Korintiërs 3:9-10
schrijft Paulus:Maar ik wil de schijn niet hebben, dat ik u met mijn brieven
vrees wil aanjagen. Want zo heet het: de brieven zijn gewichtig en krachtig,
maar zijn persoonlijk optreden is zwak, zijn spreken onbeduidend. Laat hij, die
zó spreekt, er wel aan denken, dat we van dichtbij zó zullen zijn met de daad,
als we het uit de verte in onze brieven zijn met het woord. De resoluutheid,
de kracht, de strengheid van het geschreven woord beoogt een volledige
overeenstemming met fysiek optreden. Dit maakt Paulus anathema jegens iemand
die de vrouw van zijn vader bezit extra zorgwekkend: verwijdert den boze uit
uw midden! (1 Korintiërs 5:13) Paulus gedraagt zich hierin alsof hij over het
oordeel beschikt, een oordeel dat op afstand, door, maar ook zonder
bemiddeling van het geschreven woord, uitgeoefend kan worden: Ik zelf toch,
lichamelijk afwezig, maar tegenwoordig met de geest, heb reeds, als was ik
tegenwoordig, het oordeel geveld over hem, die zo iets gedaan heeft.(5:3) Dit
Paulinische oordelen op afstand over een sexueel vergrijp contrasteert sterk
met Jezus afzien van een oordeel bij een andere sexuele overtreding. Het
verhaal van de overspelige vrouw (Johannes 8:1-11), die door Jezus van een gewisse
terechtstelling gered wordt, is een prelude op een debat over de autorisatie
van het oordeel. Ook in dat verhaal wordt geschreven - door Jezus, in het zand.
Schrijven, tijd, afstand, uitstel,
opschorting van het oordeel zijn steeds met elkaar verbonden. Zie ook noot 75.
[26] Jacques Derrida, La
pharmacie de Platon in La Dissémination, een van de mooiste essays
die Derrida geschreven heeft. Paris: Seuil, 1972. Zie ook Jonathan Culler, On
Deconstruction: Theory and Criticism after Structuralism. Londen:
Routledge, 1989, pp.142-143.
[27] Christopher Norris, Derrida.
Londen: Fontana, 1987, 234.
[28] Zie Roger Burggraeve
in Emmanuel Levinas: denker tussen Jeruzalem en Athene in De vele
gezichten van het Kwaad: meedenken in het spoor van Emmanuel Levinas. Red.
R. Burggraeve en L. Anckaert, Leuven: Acco, 1996. Mitnagged betekent
letterlijk opponent - het is een joodse stroming die zich afzet tegen het
chassidisme, waarin het enthousiasme een cruciale rol speelt.
[29] Het woord van Jahweh
werd tot mij gericht: Voordat Ik u in de moederschoot vormde, kende Ik u; eer
ge geboren werdt, heiligde Ik u, en bestemde Ik u tot profeet voor de volken!
Ik zeide: Ach, Jahweh, mijn Heer: Zie, ik kan nog niet spreken, ik ben maar een
kind! Jeremias 1:4-6.
[30] In Een godsdienst voor volwassenenMG.,
p.44. Levinas polemiseert hier met het christendom waarin voor Ben Zomma, maar
eigenlijk voor Ben Nanas gekozen wordt, vgl.:Gij zult den Heer uw God
beminnen met heel uw hart, met heel uw ziel en heel uw verstand. Dit is het
grootste en eerste gebod. En het tweede daaraan gelijk:Gij zult uw naaste
beminnen als uzelf(Matteüs 22:37-38).
[31] Nabootsing:
in discussie over René Girard [NDR]. Red. André Lascaris en Hans Weigand, Kampen:
Kok Agora, 1992, p.41.
[32] Zie Quand ces choses commenceront...: Entretiens avec Michel Treguer
[QCC]. Parijs: Arléa, 1994, p.147.
[33] QCC,
p.117.
[34] Girard bespreekt het
Salomonsoordeel in WBV, p.284-293.
[35] Emmanuel Levinas, De
totaliteit en het Oneindige: Essay over de exterioriteit [TO]. Vert.
Theo de Boer en Chris Bremmers, Baarn: Ambo, 1987, p.235-236.
[36] Emmanuel
Levinas, Dieu, la Mort et le Temps. Parijs: Grasset & Fasquelle.
Vertaald als God, de dood en de tijd [GDT]. Vert.Constance
Quené, Baarn: Ambo, 1996, p.315-316.
[37] GDT,
p.329, cursiveringen van EL.
[38] Lyotard heeft het in
de context van culturele integratie in het Grieks-christelijke Westen, maar ook
in die van de verwerking van het oorlogstrauma over de onbehandelbare
aandoening die de joden zijn, [lintraitable affection que sont les
juifs] HJ, p.46.
[39] In De God van
denkers en dichters: Opstellen voor Samuel Ijsseling [GDD]. Red. E.
Berns, P. Moyaert en P. Van Tongeren, Amsterdam: Boom, 1997, p.126-127.
[40] HJ,
p.49. Cursivering van mij - in het Frans les témoins impassibles.
[41] Ik herinner me een fragment uit een tv-serie
van Dennis Potter waarin het gedrag van tienjarige jongentjes - schelden, op de
grond werpen, aan de haren trekken, elkaar kwellen en vernederen - door
volwassen acteurs werd nagespeeld. Dergelijke beelden maken duidelijk hoe ver
je als volwassene van het jeugdige geweld verwijderd bent.
[42] Rudi Visker legt de
taal van Levinas naast een case-study van Freud en komt bizarre, maar in
de context van Levinas gerechtvaardigde uitspraken als:De God die Levinas ons
aan gene zijde van het zijn wil laten horen, lijkt op het eerste gezicht een
beetje op de man in de snoepwinkel die zijn handen niet van Emma af kan
houden.(GDD, p.146)
[43] Vertaald als Shakespeare:
Het schouwspel van de afgunst [SSA]. Tielt: Mimesis, 1995.
Uit het Frans vertaald door Michel Perquy, wat curieus is, want de Franse tekst
Shakespeare: Les feux de lenvie, is een vertaling door Bernard Vincent
uit het Engels, waarin Girard het werk geschreven heeft.
[44]
Vertaald als De romantische leugen en de romaneske waarheid [RR].
Vert. Hans Weigand, Kampen: Kok Agora, 1986.
[45] Het voorbeeld is van
Jan Populier in God heeft echt bestaan: Met René Girard naar een nieuw mens-
en wereldbeeld [GB]. Tielt:Lannoo, 1994.
[46] SSA,
p.359.
[47] SSA,
p.359.
[48] SSA, p.365.
De cursivering is van Girard. Het woord supplement verwijst naar Derrida. Zie
ook noot 24.
[49] SSA,
p.360.
[50] SSA,
p.360-361. In de vertaling van Michel Perquy heb ik het woord aliënatie
vervangen door vervreemding en gecursiveerd. De overige cursiveringen zijn
van Girard.
[51] SSA,
p.363 en 365.
[52] QCC,
p.153.
[53] QCC,
p.190vv.
[54] Zolang de godheid nog
sacrale, gewelddadige elementen herbergt, zoals bij heidense goden en zelfs bij
de Oudtestamentische God, moet een verticale mimese steeds door een taboe
worden beschermd. Het Christendom is de
religie waarin de navolging van God pas echt tot stand kan komen, cf.:Weest
dus volmaakt, zoals uw hemelse Vader volmaakt is. (Matteüs, 5:48)
[55] NDR,
p.38. Het probleem van de toegankelijkheid, dat we hierboven al aangestipt
hebben, speelt in heel de geschiedenis van de alteriteit. Steeds is er sprake
van een type ervaringen dat een deel van de lezers (misschien wel het grootste
deel) niet zal herkennen. Rudolf Otto schrijft aan het begin van Das Heilige:Wij
doen het dringend verzoek zich op een moment van sterke en zoveel mogelijke
eenzijdige religieuze opwinding te bezinnen. Wie dat niet kan of wie zulke
momenten überhaupt niet heeft, vragen we niet verder te lezen.p.8
[56] James Joyce, A Portrait of the Artist as a
Young Man. New York: Viking, 1968, p.14-15.
[57] Het is merkwaardig hoe
zowel Proust als Joyce de nachtzoen in het begin van hun grote autobiografische
romancomplexen ter sprake brengen. De eerste zin van Prousts Combray is:
Heel lang ben ik vroeg naar bed gegaan. In zijn beschrijvingen van de
nachtzoen verwijst Proust naar de katholieke kerkdienst: Als ik haar nu boos
maakte, dan deed dat de hele rust die zij mij een ogenblik tevoren geschonken
had, toen zij haar lieve gezicht over mijn bed boog en het mij aanbood als de
hostie van een vredescommunie waarbij mijn lippen haar lijfelijke aanwezigheid
en de kracht om in te slapen van haar te ontvangen, weer teniet. Vert: C.N.
Lijssen, Bezige Bij: Amsterdam, 1984, p.18. Ook hier weer het thema van het van
aangezicht tot aangezicht.
[58] NDR,
p.36.
[59] Bij zowel Girard als
Levinas vinden we deze metafysische begeerte op talloze plaatsen in hun
oeuvre terug. Sleutelpassages vinden we in het eerste hoofdstuk van Totalité
et Infini en het tweede en derde hoofdstuk van Mensonge romantique et
vérité romanesque. Frappant is dat beide boeken in hetzelfde jaar (1961)
gepubliceerd zijn. Is dit toeval? Is er een gemeenschappelijke bron?
[60] RR,
p.52 De eerste zin van dit citaat zou als een springplank kunnen functioneren
voor een Levinasiaanse kritiek op Girard. In
het Frans luidt deze: Pour conquérir ce sens métaphysique il faut dépasser
les cas particuliers vers la totalité. Een totaliteit inzetten tegen
een metafysica, dat is precies wat Levinas Heidegger verwijt.
[61] Een goed voorbeeld is
Over het verlangen van J.C. Bloem, in Doorschenen Wolkenranden. Den
Haag: Bert Bakker, 1975:Het verlangen dat ik op het oog heb, is een ander. Het
is niet de ontevredenheid om een gemis, die een leven, dat overigens zo kalm
als een sloot zou zijn, vertroebelt met haar slijmerig kroos; het is de
goddelijke onvervuldheid, die wel verre van ons het leven tot een last te
maken, ons juist de anders onduldbare last des levens doet dragen niet alleen,
maar zelfs bovenal beminnen p.81-82. Bij Bloem leidt dit verlangen niet tot
een ethische spiritualiteit als bij Levinas, maar eerder stut het de
superioriteitsgevoelens tegenover de burgerman.
[62] TI, p.29. Dank
ben ik hier verschuldigd aan het zeer nuttige notenapparaat van Theo de Boer in
de Nederlandse vertaling.
[63] TI, p.29-31. In deze vertaling van Theo de Boer
en Chris Bremmers schrijf ik voor alterité alteriteit in plaats van
andersheid en voor désir begeerte in plaats van verlangen.
Patrick Altena schrijft Van belang lijkt dan vooral het ontbreken van een
onderscheid tussen verlangen en begeerte bij Girard NDR, p.41, maar
Girard en Levinas gebruiken precies hetzelfde woord désir. Het Frans
kent niet zoals het Nederlands een serener verlangen tegenover een lagere
begeerte die met hebzucht en sexualiteit wordt geassocieerd.
[64] TI, p.231-232.
[65] Zie noot 2.
[66] De verhouding van
Levinas tot Heidegger doet soms denken aan die van Marx tot Hegel. Hoewel
bijzonder veel van de leermeester wordt overgenomen komen we bij Marx en
Levinas in een volstrekt ander denkmilieu terecht. Typisch in dit verband is
ook het contrast tussen het zwaarmoedige, logge denktempo van Heidegger en de
aanmerkelijk lichtere en kleurrijkere schrijftrant van Levinas.
[67] TO, p.54.
[68] Emmanuel Levinas, Plaatsbekleding.
Vert. Theo de Boer, Baarn: Ambo, 1989, p.11.
[69] We stellen ons niet
tevreden met commentaren waarin de onzichtbaarheid van het Levinasiaanse Gelaat
benadrukt wordt - meestal beproeven we daarin een hang naar idealiseringen die
Levinas juist met een soort trans-fenomenale fenomaliteit zoekt te doorkruisen.
Overigens is de ontmoeting met het Getaalt bij Levinas steeds een sterk
synesthetisch gekleurd (getimbreerd zou Derrida zeggen) gebeuren. Het Gelaat is
eerder hoorbaar dan zichtbaar. De term die Levinas daarvoor gebruikt is
expressie - het Gelaat is uitdrukking, verwoording, hoorbaarheid - meer een
gehoorsuitdrukking dan een gezichtsuitdrukking.
[70] Er zijn wel passages
in Levinas waarin de Ander een vijand is - zonder mankeren keert het Andere
mij zijn gezicht toe - vijand vriend, mijn meester, mijn leerling - via mijn
idee van het Oneindige. Maar al snel daarna besluit Levinas: Zij impliceert
een ter discussie stellen van zichzelf, een kritische houding die optreedt ten
overstaan van de Ander en onder zijn gezag (TO, p.88, cursivering
van mij). In deze logica wordt het protest afgesloten, het protest als het
weigeren mee te gaan met het denken van de Ander dat in mijn erbarmelijke
toestand steeds schuld wil lezen. Tegen dit gezag protesteert Job: Hoe zoet
zijn woorden, die oprecht zijn gemeend, maar hoe grievend de berisping van u!
Meent gij, mijn woorden te moeten berispen: woorden van een wanhopige, die in de
wind zijn gesproken? Wilt gij het lot over een onschuldige werpen, en de staf
breken over uw vriend? (Job 6:25-27).
[71] RR, p.
181. Zie ook: P. Tijmes, De romaneske waarheid, Tijdschrift voor filosofie,
1995, Jrg 57, nr.4, p.683vv.
[72] QCC, p.154
[73] QCC, p.182.
[74] WBV, p.281. Misschien ten overvloede
merken we hier op dat God is liefde een uitspraak is die voorkomt in de
zogenaamde katholieke brieven, bijvoorbeeld 1 Johannes 4:8-10:Want God is liefde!
Hierdoor heeft Gods liefde zich aan ons geopenbaard, dat God zijn eniggeboren
Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij door Hem zouden leven. Hierin
bestaat de liefde: niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft
bemind en zijn Zoon heeft gezonden tot verzoening voor onze zonden.
[75] Een uitgebreide
exegese van dit verhaal is te vinden in QCC, p.179-186. Daarin keert ook de problematiek
van het van aangezicht tot aangezicht terug. Als Jezus voorafgaande aan
zijn optreden in het zand schrijft, doet hij dat volgens Girard om tijd te
winnen: Het is niet vanuit zijn voornemen om te gaan schrijven dat Jezus zich
voorover buigt, maar het is omdat hij zich voorovergebogen heeft dat hij
schrijft. Hij heeft zich voorover gebogen om degenen die hem met hun blik
uitdagen niet aan te hoeven kijken. Als Jezus die blik zou retourneren, zou de
menigte zich op haar beurt uitgedaagd voelen, ze zou haar eigen blik, haar
eigen uitdaging in de ogen van Jezus geloven te herkennen. Het tegenover elkaar
staan [laffrontement] zou regelrecht tot het geweld leiden, dat wil
zeggen tot de dood van het slachtoffer dat juist gered moet worden.p.181. Als
het schrijven hier redding brengt dan is het niet vanwege een inhoudelijkheid,
maar vanwege een uitstel, een tijdsbestek waarin de gemoederen tot
bedaren kunnen komen. Dit uitstel heft de verschillen (tussen de zondaar die
iedereen is, en de vrouw die toevallig betrapt is) op; anders gezegd, dit
onleesbare woord van Jezus breekt de différance van Derrida stuk. Zie
ook noot 25.
[76] GB,
p.96.
[77] Parijs:Grasset, 1972.
Vertaald als God en geweld. Vert. Michel Perquy, Tielt:
Lannoo, 1994.
[78] WBV,
p. 229-230.
[79] Rudolf Otto waarschuwt
ervoor van het evangelie een rationele idylle te maken [in ein Idyll umkomponieren]
(DH, p.101vv.). De stem van de God der wrake is in het Nieuwe
Testament nog niet verstomd, ofwel, het numineuze figureerde nog steeds
belangwekkend onder de eerste christengemeenschappen. Niet geheel toevallig
komt Otto dan met een verwijzing naar de parabel van de boze wijngaardeniers
(p.103). Ironisch genoeg kiest hij voor de tekst van Matteüs, wat dan wil
zeggen dat het verschil dat voor Girard essentieel is, voor Otto gewoonweg niet
telt.
[80] In Violence and Truth, p.170.
[81] Patrick Altena
schrijft:Orthodoxie zonder orthopraxis, gnostiek zonder ethiek is steeds een
verleiding van het gehelliniseerde Christendom geweest en we kunnen ons
afvragen of Girard steeds deze verleiding weerstaat [...], NBR, p.42.
[82] QCC,
p.196.
[83] QCC,
p.164-165. Ze hebben ongelijk, natuurlijk, maar ik wil niets kwaads over hen
zeggen... omdat ze vandaag de dag de zondebokken zijn van de Amerikaanse
cultuur. De media verdraaien alles wat
ze zeggen en behandelen ze als de laatsten der laatsten. [...]Men doet ze
maatschappelijk in de ban. Men zegt wel eens dat de Amerikanen niet bestand
zijn tegen sociale pressie, en dat is overwegend waar. Kijk maar naar de
universiteit, die grote kudde schaapachtige individualisten: ze geloven dat ze
vervolgd worden, terwijl dat niet het geval is. De creationisten worden
vervolgd. Ze bieden weerstand aan de sociale pressie. Chapeau!
[84] MG,
p.56. Over Levinas invulling van het atheïsme, zie ook TOI, p.54vv.