VU
Blaise Pascal Instituut > Studiekring
René Girard
> Online
teksten
Autarkie
en rivaliteit
De
homerische held en de schone dood
Geert
Van Coillie
verschenen
in: Kleio. Tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur 35 (2006) 4,
146-159.
Ik
en de Ander: de illusie van het verschil
Autarkie of het
zichzelf genoeg zijn (self-sufficiency) is een hoofdpremisse van de
antropologica in Homerus. Onze basisstelling luidt dat het hardnekkige Griekse
heldenideaal[1]
van zelfbeschikking en onafhankelijkheid een heimelijke fascinatie
verbergt voor de Ander als vereerde spiegelfiguur en gevreesde mededinger.
De ideologie van de autarkische en quasi-goddelijke[2]
held versluiert de wederkerige mimetische rivaliteit tussen gelijken
− de miskende interdividuele identiteit tussen het Ik en de Ander. Interdividueel
en niet 'inter-individueel', vermits het voor de verdeelde mens allesbehalve
duidelijk is wat van zichzelf komt en wat van een ander.
Over
zelfgenoegzame rivaliteit en rivaliserende zelfgenoegzaamheid in de oud-Griekse
cultuur schreef prof. Willy Coolsaet (1993) een interessante studie, waaraan
wijlen prof. Jos Decorte een ruime recensie heeft gewijd in Tijdschrift voor
Filosofie. In zijn kritische maar ook lovende bespreking van 'dit zeer
inspirerende en uitdagende boek', verbaast J. Decorte zich − net als wij
− over de missing link van de mimetische hypothese en het 'volkomen
stilzwijgen' van de auteur over René Girard. 'Hij hoeft het m.i. niet eens te
zijn met Girard, maar een minimale stellingname in verband met dit uvre, waar
niemand nog achteloos aan voorbij kan gaan, lijkt me toch onontbeerlijk. Zo
veel te meer omdat er enkele elementen zijn die zo lijkt het mij althans
eerder voor de interpretatie van Girard dan voor die van de auteur pleiten' (J.
Decorte 1995: 346) [wij cursiveren]. Toch lijkt J. Decorte onnodig veel afstand
te nemen van de door Coolsaet voorgestelde interpretatie, die nogal snel wordt
afgedaan als een 'welhaast volledige omkering' van het girardiaanse standpunt.
De
interdividuele psychologie van René Girard kunnen we vooreerst als volgt
samenvatten. Het driehoeksverlangen of de begeerte door bemiddeling is Girards
grondintuïtie. Het subject kiest niet zelf de objecten van zijn verlangen, maar
imiteert de begeerte en het toeëigeningsgedrag van een Ander. De mimetische mens verlangt iets omdat en in de mate
iemand anders ernaar verlangt. Nabootsing impliceert onvermijdelijk botsing en
conflict. Wanneer twee 'inter-dividuen' naar elkaars voorbeeld grijpen naar
eenzelfde object, resulteert dit ipso facto in wederzijdse mimetische
rivaliteit. Het subject wordt immers zelf het model van zijn model en in het
vuur van de strijd verdwijnt de betekenis en het belang van het object.
Het begeerde object blijkt alleen maar een omweg naar de vermeende
transcendentie van de Model-Rivaal die iets anders heeft, omdat hij ook
anders ís en omgekeerd.[3]
De begeerte-om-te-hebben zoals de Ander
is uiteindelijk de begeerte om de Ander
te zijn. De mimetische 'dubbels' verkiezen de nederlaag van de mededinger boven
het bezit van het betwiste object (OC 62).
Volgens J. Decorte nu zou de objectgerichte begeerte naar onsterfelijke roem bij Coolsaet veeleer synoniem zijn met anti-mimetische zelfgenoegzaamheid. Wíj verdedigen daarentegen de opvatting dat de mythisch-romantische leugen van de autarkie juist als miskenning van de mimetische begeerte die de mensen interdividualiseert een beschermingsmiddel vormt tegen 'een identiek-zijn met de ander en niet meer met zichzelf, de identiteit van de dubbels' (DD 183). De zelfgenoegzame rivaliteit rond roem en eer functioneert met andere woorden als een paradoxaal pharmakon: een vergif en een remedie om het veel grotere gevaar van onbedwingbaar geweld te voorkomen of te beperken door het vrij spel te geven bìnnen de begrenzing van een agonale cultuur. Mimesis kan alleen door mimesis genezen worden (SF 177).
Van
concurrentie naar contemplatie
Volgens W. Coolsaet is het Griekse ideaal van autarkie en soevereiniteit conform de eigentijdse cultus van de zelfontplooiing een ijdel protest tegen de leefwereldlijke eindigheid van het bestaan. De levensvijandige vlucht omhoog, weg van de onbeheersbare heteronomie van de menselijke conditie, kan de dubbele vorm aannemen van antagonistische rivaliteit of theoretische contemplatie.
De bijna-goddelijke geestesactiviteit van de autarkische
filosoof[4]
de verstandelijke of dianoëtische mimese (!) van de bovenzinnelijke wereld ontsnapt aan het
laag-bij-de-grondse mensengemier in de ondermaanse werkelijkheid. 'Wanneer
de geest waarlijk met het Zijnde bezig is, heeft men immers geen tijd meer om
neer te blikken op menselijke (c) kwesties, of om met mensen de strijd
aan te binden en zich te vervullen met afgunst en vijandigheid (ìá÷üìåíïí
áôïsò öèüíïõ ôå êár äõóìåíåßáò dìðßìðëáóèáé).
Dan beschouwt en aanschouwt men een wereld van geordende en in zichzelf steeds
onveranderlijke wezens, waar geen plaats is voor wederzijds onrecht doen of
lijden (ï¡ô'
Päéêïíôá ï¡ô'
Päéêïýìåíá ð'
PëëÞëùí), die
alle door regelmaat en rede worden beheerst. Die gaat men dan navolgen (ìéìåsóèáß)
en er zich zoveel mogelijk aan gelijkmaken (Pöïìïéïóèáé).
Of acht gij het mogelijk, wanneer men verkeert met wat men vereert, dit niet na
te volgen (ìéìåsóèáé)?
(
) Welnu, de wijsgeer althans, verkeert met het goddelijke en het ordelijke:
zo wordt hijzelf dan ook ordelijk, en zelfs, (d) voor zover een mens dat
worden kan, goddelijk (öéëüóïöïò
¿ìéë§í
êüóìéüò ôå êár èåsïò åkò ô äõíáôí Píèñþðv
ãßãíåôáé).'[5]
Het Griekse theater vormt een overgangsfase tussen de naïeve homerische heldenideologie en de presocratische agonale cultuur enerzijds (= zelfgenoegzame rivaliteit) en het klassieke ideaal van zogenaamd zuiver theoretisch weten ter wille van het weten anderzijds (= rivaliserende zelfgenoegzaamheid). 'Voorloper van de theoria en tegelijk uitvloeisel van de "homerische" rivaliteit is de tragedie. De Griekse tragedie kijkt in beide richtingen. ( ) De Griekse tragedie is daarom de scharnier tussen de ophemeling van de rivaliteit en de idealisering van de beschouwing' (W. Coolsaet 1993: 169). De ontmaskering van de rivaliteit, de machtsdrang en de strijd bij de grote dramaturgen is een moeizaam en tot mislukken gedoemd proces dat de opkomst van het filosofische contemplatie aankondigt.[6] De fascinatie van Aeschylus voor de kosmische kringloop van onmenselijk geweld mondt uit in een machteloos protest tegen de religieuze plicht van wraak en vergelding.[7] Het geweld van de godheid is genade. Ergens zit aan 's hemels roer een god: zijn geweld is goedheid.[8]
Via de verheerlijking van de zelfgenoegzame
heldhaftigheid bij Sophocles de 'patho-logische' grootheid van de verenkelde
en onteigende mens die verloren tussen pathos
en logos te pletter loopt tegen de
hinderpalen van het leven[9]
gaat het naar de theoretisch-esthetische en bijna nihilistische of
werkelijkheidsontvluchtende weeklacht van Euripides over de absurditeit van het
geweld in een godverlaten wereld van wanorde en irrationele waanzin. De
terugtrekking in een onraakbaar innerlijk is volgens Coolsaet (1993: 217) een
verdoken vorm van zelfbevestiging. 'Cette
"poétique de la douleur", (
) c'est encore là une forme de fuite,
dans la mesure où la peine, en se libérant, procure un apaisement purement intérieur,
qui échappe à l'action' (J. de Romilly 1986: 108).
De godgelijke 'vrije activiteit' is zowel voor de epische held als de stoïcijnse wijze een subliem zingevend doel-op-zich. De allesbepalende competitieve uitmuntendheid verloochent evenwel het 'realiteitsprincipe' en perverteert de natuurlijke doel-middel-verhouding in de sfeer van de solidaire sociale relaties. De deugdzame (Pãáèüò) de aristocratische held of de ongenaakbare filosoof is immers verwikkeld in een permanente maar doelloze strijd om de strijd met-en-tegen de anderen.[10] Met uitzondering van het amicale alter ego als verlengstuk van het zelfbetrokken (denkende) Ik komt de Ander nauwelijks in het vizier.[11] 'Hij <de zielegrote bij Aristoteles> is niet in staat om volgens (de wet van) de anderen te leven, tenzij die andere een vriend is, want onder een andere leven is slavernij. ( ) In de vriendschap houdt men op de eerste plaats van zichzelf. Ze is een van de mogelijkheden om zijn activiteit, zijn deugd, zijn adel, te bewijzen. Geen ogenblik wordt gedacht aan de andere, in zijn nood, in zijn behoeftigheid, in zijn eindigheid. Geen ogenblik wordt de eigen behoeftigheid, eindigheid, nood aan de andere(n), onvolledigheid, overwogen. Dat is ook onmogelijk voor iemand die zichzelf als oneindig, onafhankelijk, zelfgenoegzaam opvat' (W. Coolsaet 1993: 37; 244-246; 254).
De goden en het noodlot
fungeren als alibi voor de al te menselijke macht van kwaad en geweld. In
weerwil van het streven van het autarkische individu naar eeuwige krijgsroem
door eigen kracht en kunnen, ligt de nadruk niettemin op de grillige hemelingen
en het rampzalige lot (êáêí ìüñïí). Zeus bepaalt de uitslag in de oorlogen tussen de mensen. De schuld
aan dat sterven dragen niet wij, maar de machtige god en de kracht van het
noodlot.[12]
Vanouds (ver)plaatst de mens de wanorde en het geweld 'noodgedwongen' buiten
zichzelf. 'Naar buiten raze oorlog (èõñásïò
hóôù ðüëåìïò),
die spontaan ontbrandt, / en waarin sterk verlangen schuilt naar ware roem (äåéíò
åêëåßáò hñùò).'[13]
De
gaven der goden kiest men niet zelf.[14]
Niet de verdienste maar het toeval bepaalt wat elkeen krijgt. Doordat het
vermogen om zijn levenskeuze te beïnvloeden ontbreekt, kan de amorele
homerische mens niet zondigen noch zich bekeren. Irrationele of verrassende
daden veronderstellen eveneens een goddelijke interventie (M. I. Finley 1986:
162; 172). Wie het slachtoffer wordt van oncontroleerbare verbijstering en
verblinding, begrijpt achteraf helemaal niet hoe hij of zij op zo'n funeste
manier heeft kunnen handelen.[15]
De waanzin (Tôç) effect van een aan de mens vreemde toedracht wordt bij Homerus
een actief wezen dat de mens grijpt en zich van zijn geest meester maakt (S. Saïd
1978: 83).[16]
De Griekse helden verschillen hierin niet van de moderne mensen die zichzelf
wijsmaken niets anders te kunnen dan zich onderwerpen en aanpassen aan
onpersoonlijke natuurwetten, die ze nochtans zelf uitdenken en verabsoluteren.[17]
Hades
en Dionysus zijn dezelfde
Het lot, de goden en de
dood worden bij Homerus veelal in één adem genoemd. Het (doods)lot moira,
aisa, kèr of telos[18]
is het 'deel' (ìÝñïò, ìüñïò) dat de mens toebedeeld wordt, dat de mens te beurt valt en 'toe-valt'.
De begrippen ìïsñá, áqóá en êÞñ worden opvallend veel geassocieerd met moord (öüíïò)
en droevige dood (èÜíáôïò).
De etymologie van de termen en synoniemen die verwijzen naar het (nood)lot is
uitermate instructief voor een fundamentele antropologie van het oud-Griekse
waardesysteem. De stam *mer- van moira (ìïsñá):
'deel; orde; godin van de noodlot' kan men wellicht relateren aan mar-k-
in het Hittitisch: 'een slachtoffer verdelen'. Het thema van aisa (áqóá):
'deel; noodlot; bestemming'[19]
eindigend op '-t' is aangetoond in het Oskische aeteis met de
betekenis van partis in het Latijn en vindt men verder terug in aiteō
(ákôÝù): 'vragen
(zijn deel opeisen)' en aitios (ánôéïò):
'schuldig (deel-hebbend aan)' in het Grieks (P. Chantraine 1999: s.v. ìåßñïìáé,
ìÝñïò;
áqóá).
In sommige samenlevingen zijn de afwezige of verbleekte goden vervangen door de mythische voorouders of door de overledenen, die beschouwd worden als de stichters, de jaloerse beschermers of desnoods als de verstoorders van de culturele orde in tijden van crisis en chaos. De afgestorvenen representeren het geëxterioriseerde en transcendent geworden geweld, zolang de orde heerst. Maar wanneer de kwaadaardige mimetische wederkerigheid terugkeert in de schoot van de gemeenschap, belichamen de doden opnieuw de dreiging van het immanente geweld.
Crisis
betekent indifferentiatie en 'on-verschil': het vervagen van alle
tussenmenselijke verschillen en het verdwijnen van de differentie tussen de
levenden en de doden. In de antieke geneeskunde duidt crisis (êñßóéò)
op een kritiek en onbeslisbaar keerpunt ten goede of ten kwade tussen leven en dood. De pest is in de Ilias de grote gelijkmaker die de desymbolisering en destructie van
de meeste fundamentele verschillen symboliseert. De onbegraven lijken van
krachtige helden zijn ten prooi aan honden en roofvogels. Als politieke
oplossing voor de crisis probeert koning Creon in Sophocles Antigone
een decisief Verschil in te stellen tussen het lijk van de weldoener
Eteocles en het kadaver van zijn monstrueuze broer en vijand Polyneices.
Antigone van haar kant beroept zich op de immemorabele Wet dat àlle doden
zonder onderscheid respect verdienen.
De
kwalijke wederzijdse doordringing en vermenging van de levenden en de doden
wordt nu eens als het gevolg, dan weer als de oorzaak van de crisis aangevoeld
en voorgesteld. De wraak en de vergelding van de goden en de doden valt samen
met het geweld dat neerkomt op het hoofd van de gewelddadige overtreder die een
heilige wet schendt (hybris). De dood het ergste geweld dat een
levende kan ondergaan is buitengewoon boosaardig. Het ongemeen besmettelijke
geweld van de dood infiltreert en infecteert de gemeenschap der levenden die
zich ritueel moeten beschermen. Riten beogen de zuivering en de uitdrijving van
het pernicieuze geweld dat de groep ondermijnt. 'De verhouding van de dode ten
aanzien van de gemeenschap is altijd van dezelfde aard als die van de zondebok'
(GG 258).
De
dood van de geïsoleerde aflijvige wordt vaag aangevoeld als een te betalen
bijdrage om het collectieve voortbestaan tegen totale vernietiging te vrijwaren
en de solidariteit van de hele gemeenschap te versterken. De dood verschijnt als
de oudste zuster als moeder en oerbron van alle leven (VS 379-381).[20]
Hades en Dionysus zijn identiek.[21]
'Houdt men (
) rekening [met de rituele aard van de dodenriten], dan zal men
moeten erkennen dat alle dood te verklaren is uit het zondebokmechanisme: er is
geen dood die niet nauw verbonden is met het leven. (
) Het bewijs dat de
mensen de doden altijd vereenzelvigen met het verzoenende slachtoffer en met de
macht van het heilige, is wat men de dodencultus noemt; in tegenstelling
tot de naturalistische opvatting van de dood lijkt deze werkelijk ten grondslag
te liggen aan alle andere religieuze vormen. (
) De dood manifesteert zich
primair als een geweldige toevloed van leven. (
) Als het denken over de dood
zijn kracht ontleent aan de gesacraliseerde slachtoffers, als er geen god is
waarachter in laatste instantie niet een dode schuilgaat, dan wordt begrijpelijk
dat er samenlevingen zijn waarin niemand sterft zonder god te worden. (
) Het
lijk wordt beslist niet in de steek gelaten, want het is een talisman, drager
van leven en vruchtbaarheid' (WB 99-102).
Doden
kunnen dus evenzeer als goden het hoogst dubbelzinnige spel van het
sacrale in de menselijke verhoudingen incarneren. Dionysus tegelijk de
vreselijkste en zachtaardigste van alle goden is zowel offerpriester als
slachtoffer van het stichtend lynchen. Dezelfde dualiteit van het boosaardige en
het weldadige manifesteert zich tot in de materialiteit van de dood. Tijdens het
ontbindingsproces blijft het lijk zeer onrein. Het fysiologische uiteenvallen
van het lichaam verloopt volkomen analoog aan de gewelddadige destructie van de
gemeenschap. Een complex systeem van differenties desintegreert tot een
ongedifferentieerd en amorf residu. Het levenloze, rottende lichaam is een
ondefinieerbaar ding een 'stoffelijk overschot'.[22]
De gevreesde onreinheid houdt dikwijls op, wanneer de angstaanjagende dynamiek
van decompositie eenmaal tot stilstand komt. In sommige samenlevingen worden de
gezuiverde, gedroogde en gebleekte beenderen ontdaan van elke boosaardig
bederf beschouwd als dragers van numineuze, heilzame en vruchtbare krachten.[23]
'Juist zoals de cultus van de goden is ook de dodencultus een bijzondere
interpretatie van het spel van het geweld (jeu de la violence) voor zover
het de bestemming van de gemeenschap bepaalt' (VS 382-383; GG 259).
De
ideologie van de schone dood
De dood in het oud-Griekse epos heeft evenzo twee tegengestelde gezichten (J.P. Vernant 1989: 81-89). Die ambiguïteit is ons inziens een epische transpositie van het heilige geweld als mysterium tremendum et fascinosum. De voorstelling van de schone dood (êáëò èÜíáôïò) als geconsacreerd esthetisch-ethisch en metafysisch ideaal van het roemvolle heldhaftige leven is complementair aan het contrastbeeld van de onuitsprekelijke en onverdraaglijke dood als huiveringwekkende gruwel.
Wie door de goden wordt bemind, sterft jong.[24]
Individuele identiteit betekent voor de Griek naam en faam verwerven op de
publieke scène zoals de jeugdige Achilles ontsnappen aan de vergetelheid en
voortbestaan in het collectieve geheugen dankzij deugdelijkheid (PñåôÞ)
in woord en daad.[25]
Vandaar het parallellisme tussen de socioculturele functie en betekenis van het
Griekse begrafenisritueel en het homerische heldendicht dat de herinnering aan
de dode levendig houdt. 'Par la mémoire
du chant répété à toutes les oreilles, d'abord, par le mémorial funéraire
offert aux yeux de tous, ensuite, une relation s'établit entre un individu mort
et une communauté de vivants' (J.P. Vernant 1989: 83).
De op-en-top Griekse constructie van de volmaakte idealiteit van de dood moet de onvermijdelijke vergankelijkheid, het onherroepelijke verval en verlies van het mensenleven neutraliseren.[26] De mythe van de heldhaftige zelfbeschikking verhult en verheelt het fundamentele menselijke tekort de mimetische rivaliteit en de 'meta-fysische' begeerte van het willen hebben en zijn zoals de Ander totterdood.[27] De paradigmatische dood hors concours wordt de inzet van een permanente levensstrijd. Door het ongrijpbare te omhelzen tracht de Griek van de nood een deugd te maken. 'Uit de feitelijke onmacht wordt een verschrikkelijke (imaginaire) macht gepuurd' (W. Coolsaet 1993: 274).
In de homerische heldenwereld is de blik van de Ander
als symmetrische spiegelfiguur omnipresent. Men kan in een agonale cultuur
alleen zijn verdienste en waarde betonen tègen de Ander en ten koste van een
model-rivaal waarvan tegelijk erkenning en bevestiging verwacht wordt.[28]
Door de schone dood hoeft de uitmuntendheid (PñåôÞ)
niet langer bewezen te worden in een eindeloze wedkamp met geduchte
concurrenten. De schone dood die onsterfelijke roem (êëÝïò Töèéôïí) garandeert,
voltrekt zich eens en voorgoed door een uniek en 'voor-beeldig' exploot dat
meteen het aardse leven van de held bezegelt. 'La
guerre, la haine, la violence destructrice, ne peuvent rien contre ceux qui,
animés par le sens héroïque de l'honneur, se sont voués à la vie brève' (J.P.
Vernant 1989: ii; 42; 78-79).
De schitterende schoonheid en de allerbekoorlijkste jeugd van de gesneuvelde krijgsheld weerspiegelen de idealiteit van de dood.[29] 'Als een man in de bloei van zijn jaren (íÝv) / valt in een oorlogsgevecht, doorboord door het vlijmscherpe koper / ligt hij daar neer, nog mooi om te zien (ðÜíôá äc êáëN), ook al is hij gesneuveld.'[30] Het gevelde en ontzielde lichaam (ó§ìá) is voor de Ander een spectaculair object van contemplatie en adoratie (êáëí èÝáìá) een stichtend symbool en een duurzaam (hìðåäïò[31]) monument van martiale heldhaftigheid (Pñéóôåßá), zoals het materiële gedenkteken (ìíÞìç, óyìá) van het graf dat de dode eert en zijn (ge)dood-zijn verbergt. De graftombe ontstond toen het gebruik in voege kwam om lijken met stenen te bedekken bij ontstentenis van rituele steniging (ST 147). De cultuur is gefundeerd op de mythische miskenning en verhulling van haar eigen geweld. '[H]et graf is het uitgangspunt van waaruit alle overdrachtelijke betekenissen die de cultuur constitueren tot stand komen' (WB 205).
De epische held offert zijn leven voor de blijvende herinnering en bewondering van toekomstige mensengeslachten (Píèñþðïéóé dóóïìÝíïéóé).[32] Paradoxaal genoeg lijkt de pseudo-autarkische held eerst helemaal zichzelf te worden in de zelfgekozen opzienbarende dood.[33] De illusie van de almacht valt in de duisternis van de dood samen met een immense onmacht. La vérité du désir métaphysique est la mort (MR 281). 'Dan, toen hij <Patroclus> dit had gezegd, omhulde de schaduw des doods hem (ôÝëïò èáíÜôïéï êÜëõøå). Heen vlood de ziel uit zijn lichaam, op weg naar Hades, ontroostbaar / dat zij hem zo, in de kracht van zijn bloeiende jeugd (Píäñïôyôá êár {âçí) moest verlaten.'[34] De onderwereld krioelt van ontelbare en ononderscheiden gedepersonaliseerde zielen en naamlozen zonder gezicht (íþíõìíïé).[35] In het naargeestige schimmenrijk heerst alleen nog verwarring, vormeloosheid, vergetelheid, onverstaanbaarheid en onzin.
●
Het rauwe realisme van de vreeswekkende en mensonterende anonieme dood zou niet de negatie doch veeleer de confirmatie zijn van de sacrale idealiteit van de dood. De visie van Vernant willen wij op dit cruciale punt enigszins corrigeren en aanvullen.[36] Mishandeling en mutilatie (Påéêåßç) van het lijk van de vijand vormt de sinistere schaduwzijde van de schone dood die de held onsterfelijk (PèÜíáôïò) maakt. Het schandelijke (ákó÷ñüí) is in de homerische eer- of schaamtecultuur het radicale tegendeel van het schone (êáëüí). '<Achilles tot Hector> Dwaas die je bent! Bij de welvende schepen ginds bleef ik achter, / ver uit zijn buurt weliswaar, maar zijn vriend en veel en veel sterker, / ik, die je nu heb geveld. Jou zullen afzichtlijk (Púê§ò) verscheuren / honden en vogels, maar hém <Patroclus> de Achaeërs met ere begraven.'[37]
Het doelgerichte geweld in de Ilias staat netjes in functie van roem en eer (dûêëåßç) en is onderworpen aan een sociale erecode die de voortreffelijke held toelaat op exemplarische wijze[38] het 'verschil' te maken in de confrontatie en het duel met de Ander. De heldenmoraal is nochtans niet opgewassen tegen de aantrekkingskracht en de perfide macht van het essentiële geweld dat alle socioculturele verschillen sloopt. De beestachtige verminking (Påéêßæù) van het vijandelijke lichaam treedt de heiligste wetten met voeten en zet de symbolische orde van de cultuur op het spel. 'Zo dan schond hij <Achilles> in razende woede (Påßêéæåí ìåíåáßíùí) de godlijke Hektor. / ( ) Heeft hij, zo dapper hij is, de toorn niet te vrezen der goden? / Want het is dode stof die hij dol van woede mishandelt (Påéêßæåé ìåíåáßíùí).'[39] De losgeslagen antiheld desavoueert de differentiële orde van de Wet die het menselijk samenleven beschermt tegen het verwoestende geweld van de mateloze mimetische rivaliteit. Van de wrok en de wraaklust van de homerische held naar de blinde woede en waanzin van de tragic hero (B. Knox) is maar een kleine stap. De anarchie van het Griekse drama vormt de inwendige grens en het gevaarlijke supplement van het epos.[40]
Literatuur
Adkins
A. W. H. (1963), '"Friendship" and "self-sufficiency" in
Homer and Aristotle', in The Classical Quarterly, New Series XIII (1963)
1, 30-45.
Aeschylus,
Tragediën. Vertaald door E. De
Waele, Kapellen, De Nederlandsche Boekhandel, 1975.
Aristoteles,
Ethica Nicomachea. Vertaald,
ingeleid en van aantekeningen voorzien door Ch. Pannier
en J. Verhaeghe, Groningen,
Historische Uitgeverij, 1999.
Aristotle,
The Nicomachean Ethics. With
an English Translation by H. Rackham,
Cambridge (Mass.) London, Harvard, 1926; 1990 [= 19342].
Bernet
R. (1987), 'Antropologie: theologie van de mens?', in IJsseling
S. (ed.), Over de mens. Vijf filosofische
conferenties, Leuven, Universitaire Pers, 1987, 25-45.
Boehm
R. (1977), Kritiek
der grondslagen van onze tijd. Uit het Duits vertaald en met een voorwoord
ingeleid door W. Coolsaet, Baarn,
Het Wereldvenster, 1977; 's-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1974.
Coolsaet
W. (1993), Autarkeia. Rivaliteit en
zelfgenoegzaamheid in de Griekse cultuur, Kampen Kapellen, Kok Agora
Pelckmans.
De Bijbel.
Uit de grondtekst vertaald. Willibrord-vertaling, Boxtel Brugge, Katholieke
Bijbelstichting Emmaus, 1975.
Decorte
J. (1995), 'Boekbespreking W. Coolsaet, Autarkeia. Rivaliteit en zelfgenoegzaamheid in de
Griekse cultuur (1993)', in Tijdschrift
voor Filosofie 57 (1995) 2, 344-347.
de
Jong I. (1992), In
betovering gevangen. Aspecten van Homerus' vertelkunst, Amsterdam, AthenaeumPolak
& Van Gennep.
De
Meyer L.
(1997), Vers l'invention de la rhétorique.
Une perspective ethno-logique sur la communication en Grèce ancienne. Préface
par le Professeur J. Ladrière,
Louvain-La-Neuve, Peeters.
de
Romilly J. (1986), La modernité d'Euripide, Paris, PUF.
de
Romilly J. (2003),
'Une leçon à méditer', in Le Figaro Magazine. Édition
internationale, N° 1181 (14 juin 2003), 52.
Devisch
R. (1990), 'Overlijden als overleven in traditioneel Centraal-Afrika', in Lambrecht
J., Kenis L. (eds), Leven over
de dood heen. Verslagboek van een interdisciplinair Leuvens colloquium,
Leuven Amersfoort, Acco, 1990, 219-247.
Die Fragmente der Vorsokratiker.
Griechisch und Deutsch von H. Diels. Herausgegeben von W. Kranz,
3 vol., Dublin, Weidmann, 1966.
Dostojewski
F. M. (1959), Verzamelde werken. Boze
geesten, Amsterdam, Van Oorschot.
Epicuro,
Opere. Introduzione, traduzione e note di G. Arrighetti,
Torino, Einaudi, 1960; 19702.
Epicurus,
Over de natuur en het geluk. Vertaald, ingeleid en van aantekeningen
voorzien door K. Algra, Groningen, Historische Uitgeverij, 1998.
Eschyle, Agamemnon. Les
choéphores. Les Euménides. Texte établi et traduit par P. Mazon,
Paris, Les Belles Lettres, 1968.
Finley
M. I. (1986), Le monde d'Ulysse, Paris, La Découverte.
Gerber
D. E.
(1970), Euterpe. An Anthology of Early
Greek Lyric, Elegiac, and Iambic Poetry. Edited with Introductory Remarks
and Commentary, Amsterdam, Adolf M. Hakkert.
Gijsen
M. (1959), Klaaglied om Agnes, 's Gravenhage Rotterdam, Nijgh &
Van Ditmar.
Girard
R. (1961), Mensonge romantique et vérité
romanesque, Paris, Grasset.
Girard
R. (1990), Shakespeare. Les feux de
l'envie, Paris, Grasset.
Girard
R. (1990), Wat vanaf het begin der tijden
verborgen was
Een onderzoek in samenwerking met Jean-Michel Oughourlian
en Guy Lefort. Vertaald uit het
Frans door J. Kleisen e.a., Kampen
Kapellen, Kok Agora DNB / Pelckmans.
Girard
R. (1993), God en geweld. Over de
oorsprong van mens en cultuur. Uit het Frans vertaald door M. Perquy,
Tielt, Lannoo.
Girard
R. (1995), Dubbels en demonen. Over het
ondergrondse verlangen. Vertaald uit het Frans door J. De
Baere, Tielt, Lannoo.
Girard
R. (1999), Je vois Satan tomber comme l'éclair,
Paris, Grasset.
Girard
R. (2000), Ik zie Satan vallen als een bliksem. Vertaling:
R. Lemm, Kampen Kapellen,
Agora Pelckmans.
Girard
R. (2004), Les origines de la culture. Entretiens avec P. Antonello et J. C. de
Castro Rocha, Paris, Desclée de Brouwer.
Held
K. (1992), Trefpunt Plato. Een
filosofische reisgids door de antieke wereld. Vertaald door T. Davids,
Baarn, Ambo.
Heraclitus,
Spreuken. Vertaald, ingeleid en
toegelicht door C. Verhoeven,
Baarn, Ambo, 1993.
Hésiode,
Théogonie. Les Travaux et les Jours. Le Bouclier. Texte établi et
traduit par P. Mazon, Paris, Les
Belles Lettres, 1951.
Hesiodos,
De geboorte van de goden. Werken en dagen. De wedstrijd tussen Homeros en
Hesiodos. Vertaald en toegelicht door W. Kassies,
AthenaeumPolak & Van Gennep, Amsterdam, 2002.
Homerus, Ilias. Ed. Th. W. Allen,
2 vol., Oxford, Clarendon Press, 1931.
Homerus,
Ilias. De wrok van Achilles. Ingeleid
en vertaald in Nederlandse hexameters door H. J. de
Roy van Zuydewijn, Amsterdam, De Arbeiderspers, 1980; 19932.
Homerus, Odyssea. Recognovit P. von
der Mühl, Basel, Helbing & Lichtenhahn, 1962.
Homerus,
Odyssee.
De terugkeer van Odysseus. Ingeleid en vertaald in Nederlandse hexameters
door H. J. de Roy van Zuydewijn,
Amsterdam, De Arbeiderspers, 1992.
Knox B. M. W. (1983), The
Heroic Temper. Studies in Sophoclean Tragedy, Berkeley Los Angeles
London, University of California Press, 1983 [=1964].
Menander,
Menandri sententiae. Ed. S. Jaekel,
Leipzig, Teubner, 1964.
Moreau A. M. (1985), Eschyle.
La violence et le chaos, Paris, Les Belles Lettres.
Platon, Opera. Ed. J. Burnet,
5 vol., Oxford, Clarendon Press, 1967 [= 1900-1907].
Saïd
S. (1978), La faute tragique, Paris, Maspero.
Sénèque,
Lettres à Lucilius. Tome II. Texte établi par F. Préchac
et traduit par H. Noblot, Paris,
Les Belles Lettres, 1987.
van
Dam H.J. e.a. (eds) (2001), Klassiek
toerisme. Reizen met Odysseus, Aeneas en Hannibal, Amsterdam, Muntinga.
Vernant
J.P. (1974), Mythe et société en Grèce
ancienne, Paris, Maspero.
Vernant
J.P. (1989), L'individu, la mort, l'amour. Soi-même et l'autre en Grèce
ancienne, Paris, Gallimard.
Xenophon,
Memorabilia
[ÎÅÍÏÖÙÍÔÏÓ
ÁÐÏÌÍÇÌÏÍÅÕÌÁÔÁ].
Recensuit C. Hude, Stuttgart,
Teubner, 1969.
[1] J.P. Vernant 1989: 54: '
le prestige que l'idéal héroïque a gardé et
son impact sur les murs jusque dans des contextes historiques aussi éloignés
du monde d'Homère que celui de la Cité.'
[2]
K. Held 1992: 232: 'Waarlijk gelukkig is degene die niet meer hoeft te
streven naar het een of ander dat hij voor zijn leven nodig heeft. De
Grieken noemden een dergelijke levenshouding autarkie, dat wil zeggen:
onafhankelijkheid. Volledig autarkisch zijn de goden; zij zijn namelijk voor
hun geluk op niets en niemand aangewezen.' − Xenophon, Memorabilia
I 6, 10 (ed. C. Hude): '<Socrates> Ik meen dat niets nodig hebben
goddelijk is en zo weinig mogelijk nodig hebben het dichtst komt bij het
goddelijke en dat het goddelijke het sterkste is en hetgeen het dichtst komt
bij het goddelijke ook het dichtst komt bij het sterkste.'
[3]
GG 147: 'Als hij eenmaal zijn primordiale behoeften heeft bevredigd, en soms
al voordien, verlangt de mens heel intens, maar hij weet niet wat, aangezien
hij naar een zijn verlangt, een zijn waarvan hij zich verstoken voelt en dat
een andere wel lijkt te bezitten. Van die andere
verwacht het subject dat hij hem zegt wat hij moet begeren om dit zijn te
bereiken. Als het model, dat reeds over een superieur zijn lijkt te
beschikken, iets begeert, dan kan het alleen maar om een object gaan dat nog
een grotere zijnsvolheid kan verschaffen. Het model wijst dit hoogst
begeerlijke object aan niet met woorden, maar gewoon door zijn eigen
begeerte.' We verwijzen met afkortingen naar de geciteerde hoofdwerken
en vertalingen van René Girard. DD: Dubbels
en demonen. Over het ondergrondse verlangen, 1995. GG: God
en geweld. Over de oorsprong van mens en
cultuur, 1993. MR: Mensonge romantique et vérité romanesque,
1961. OC: Les origines de la culture, 2004. SF: Shakespeare. Les feux de
l'envie, 1990. SS: Shakespeare.
Het schouwspel van de afgunst, 1995. ST: Je
vois Satan tomber comme l'éclair, 1999. SV: Ik zie Satan vallen als een bliksem, 2000.
VS: La violence et le sacré, 1972. WB: Wat vanaf het begin der tijden verborgen was
, 1990.
[4] Aristoteles, Ethica Nicomachea X 7, 1177 a 27-28 (ed. H.
Rackham): 'Ook de zogeheten onafhankelijkheid (áôÜñêåéá)
zal men bovenal aantreffen bij de beschouwelijke activiteit (ôxí
èåùñçôéêxí)'
(vert. Ch. Pannier, J. Verhaeghe 1999: 322). Seneca, Epistulae
morales ad Lucilium VI 53, 11, 1 - 53, 12, 1 (ed. F. Préchac, H. Noblot):
'Richt je geest volledig op haar <de filosofie>, houd je met haar
bezig, vereer haar. Er zal een geweldige afstand ontstaan tussen jou en de
andere mensen (ingens intervallum inter te et ceteros); je zult veel
verder komen dan alle stervelingen en de goden zullen niet veel verder zijn
dan jij (omnes mortales multo antecedes, non multo te dii antecedent).
Vraag je wat nog het verschil zal zijn tussen jou en hen? Zij zullen er
langer zijn. Maar het is waarachtig toch een eigenschap van een groot
kunstenaar een omvattend geheel te vangen binnen een klein bestek. De wijze
heeft over zijn eigen tijd van leven niet minder de vrije beschikking als de
god over alle tijd van leven. Er is zelfs een punt waarop de wijze verder
komt dan de god: die is door een verdienste van de natuur vrij van vrees, de
wijze door zijn eigen verdienste (suo <beneficio> sapiens)'
(vert. C. Verhoeven apud H.J. van Dam, H. Smolenaars, M. Duintjer
2001: 34).
[5]
Plato,
De Staat VI 500 b 8 - d 2 (ed. J. Burnet) (vert. X. de Win) [wij
cursiveren].
[6]
Vgl. J. de Romilly 1986: 176: 'Expliquer n'est pas réparer;
et l'ordre dans les idées n'a nullement pour effet de mettre de l'ordre
dans le monde. C'est bien pourquoi l'époque de la plus ardente lucidité
est aussi celle de la tragédie, et de la tragédie la plus pathétique.'
[7] A. Moreau 1985: 60: 'L'univers métaphysique d'Eschyle est un univers en
lutte dans lequel l'ordre ne triomphe du désordre qu'aux termes d'âpres
batailles.'
[8] Aeschylus, Agamemnon 182-183 (ed. P. Mazon): äáéìüíùí äÝ ðïõ ÷Üñéò âßáéïò
/ óÝëìá óåìíí ½ìÝíùí (vert. E.
De Waele 1975: 204).
[9] Cf. B. M. W. Knox 1983: 5; 57: 'Sophocles presents us for the first time
with what we recognize as a "tragic hero": one who, unsupported by
the gods and in the face of human opposition, makes a decision which springs
from the deepest layer of his individual nature, his physis, and then
blindly, ferociously, heroically maintains that decision even to the point
of self-destruction. (
) To the ancient Greek mind there seems to have
been something almost divine in passionate self-esteem, no matter how
slightly justified and no matter what crimes it led to.'
[10] J.P. Vernant 1974: 31-32: 'Cette conception agonistique de l'homme, des
relations sociales, des forces naturelles, a des racines profondes non
seulement dans l'éthos héroïque propre à l'épopée, mais dans des
pratiques institutionnelles où nous pouvons reconnaître comme la préhistoire
de cette guerre "politique" que mènent les cités.' M. I.
Finley 1986: 148: 'Rien n'est plus propre à définir la culture grecque que
la façon dont l'idée de compétition s'étendit du courage physique au
domaine de l'esprit, aux plus hautes uvres poétiques et dramatiques.'
[11] Vgl. A. W. H. Adkins 1963: 45: 'If one can practise èåùñßá without ößëïé, then, since èåùñßá is Aristotle's highest PñåôÞ, two results follow: åäáéìïíßá and behaviour in
accordance with PñåôÞ no longer require associates, so that PñåôÞ and öéëßá are no longer related, and
there is no reason why the Pãáèüò should have ößëïé; and self-sufficiency, which
has been the goal since Homer, has been achieved.' Vgl. Epicurus
1998: 147 (ed. G. Arrighetti): 'Elke vriendschap is om zichzelfs wille (äé'
eáõôxí)
verkieslijk. Maar zij vindt haar oorsprong in het voordeel (¨öåëåßáò)
dat zij brengt.'
[12] Homerus, Ilias XIX 224; 409b-410 (ed. Th. W. Allen): ïäÝ ôïé ½ìåsò / ánôéïé, PëëN èåüò ôå ìÝãáò êár
Ìïsñá êñáôáéÞ (vert. H.
J. de Roy van Zuydewijn 1993: 415; 420).
[13]
Aeschylus,
Eumeniden 864-865 (ed. P. Mazon) (vert. E. De Waele 1975: 337). A.
Moreau 1985: 288: 'Et puisqu'on ne peut supprimer la violence, il faut la
canaliser en la dirigeant vers l'extérieur: thuraios polemos, la
guerre qui est au delà des portes de la cité, hors du Cosmos.'
[14] Homerus, Ilias III 65-66: eê¦í ä' ïê
Tí ôéò fëïéôï (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993: 123).
[15] S. Saïd 1978: 79-80: 'Mais l'esprit humain n'est nulle part présenté
comme l'agent spontané de l'átē, il en est plutôt le siège
ou même la proie passive. (
) Mais le plus souvent, quand il parle d'átē,
il a le sentiment d'avoir été joué. (
) En fait chez Homère, si
l'homme se sent impliqué dans l' átē, il n'a aucunement
conscience d'en être l'auteur.'
[16] Homerus, Ilias XVI 805: åpëå; XXIV, 480: ëÜâw.
[17]
W. Coolsaet 1993: 82.
R. Boehm 1977: 240-241: 'Het trefwoord van onze tijd
dat deze voorstelling <van een heerschappij door onderwerping> moet
bezorgen en in ieder geval aangeeft, luidt in plaats van onderwerping
"aanpassing". (
) Voor het heersende bewustzijn van het
tijdperk van de wetenschap geldt de aanpassing als grond en middel van elk
succes: de heerschappij over de niet-menselijke zowel als over zijn eigen
menselijke natuur moet de mens dus verkrijgen door zich meegaand-onderworpen
aan te passen aan de objectieve wetten van deze natuur. (
) Dit
belangrijke trefwoord dat zijn woordvoerders als een bezweringsformule in
alle uitingen van het zelfbewustzijn van het tijdperk van de wetenschap, in
razende frequentie herhalen, getuigt ten eerste van het feit dat het
bewustzijn zich uitlevert aan de "bovenmenselijke" macht van
een objectieve wetmatigheid, begeleid echter door de voorstelling van de
onvermijdelijkheid van de onderwerping eraan, daar het historische
bestaan van de mensen evenzeer onderhevig schijnt te moeten zijn aan wetten
van de "ontwikkeling" als al het natuurlijke leven en zelfs de
levenloze natuur in haar geschiedenis' [wij cursiveren].
[18]
ÊÞñ,
êçñüò:
'verderf, dood; doodslot; doodsdemon' is etymologisch verwant met êåñáÀæù:
'verwoesten, plunderen, doden', êåñáõíüò: 'bliksem' en căriēs:
'vermolmdheid, rotheid van hout' in het Latijn. Homerus, Ilias
XXII 208-213: 'Maar toen beiden de bronnen ten vierden male bereikten, /
pakte de Vader der goden de gouden weegschaal en legde / 't hatelijk
doodslot in elk van de schalen (äýï
êyñå ôáíçëåãÝïò èáíÜôïéï): dat van Achilles / en van de paardentemmende Hektor. Dan, in het
midden, / hief hij de weegschaal omhoog
Het doodslot (ánóéìïí
ìáñ) van
Hektor sloeg door en / daalde tot diep in de Hades. En Foibos Apollo verliet
hem.' Homerus,
Ilias IX 410-411: 'Mij heeft mijn moeder verteld, de zilvervoetige
Thetis, / dat me het lot langs tweeërlei wegen het eind van de dood brengt
(êyñáò
öåñÝìåí èáíÜôïéï ôÝëïò äÝ)' (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993: 459; 230).
[19]
Homerus, Odyssee V 113-114 (ed. P. von der Mühl): 'Want zijn
bestemming (áqóá)
is het niet, van de zijnen verwijderd, te sterven; / hem is beschikt (ìïsñ'
dóôr) naar
het dierbare land van zijn vaderen te keren' (vert.
H. J. de Roy van Zuydewijn 1992: 130).
[20]
R. Devisch 1990: 240: 'Traditionele rouwrituelen zijn niet alleen vieringen
van de ontbinding van een groep en een leefwereld. Ze zijn zelfs meer dan
een afscheid en een zelfbescherming. In de eerste plaats vormen ze vieringen
van de levensbron zowel die van de gestorvene als die van de rouwenden.'
[21]
Heraclitus
1993: 15-16 (= DK 22
B 15): 'Als het niet Dionysus was, voor wie zij de optocht
hielden en een lied voor de fallus zongen, zou het een zeer schaamteloos
optreden zijn. Maar Hades en Dionysus, voor wie zij razen en tekeergaan,
zijn dezelfde (©õôò äc EÁßäçò êár
Äéüíõóïò).' Vgl. Mt 16,18: 'Op mijn beurt zeg Ik u: Gij zijt Petrus; en op
deze steenrots zal Ik mijn Kerk bouwen en de poorten der hel <letterlijk:
de poorten van Hades!> zullen haar niet overweldigen (ðýëáé
]äïõ ï êáôéó÷ýóïõóéí áôyò).'
[22] Vgl. J.P. Vernant 1989: 76: 'Le cadavre outragé n'a part ni au silence qui
entoure le mort habituel ni au chant louangeur du mort héroïque; ni vivant,
puisqu'on l'a tué, ni mort, puisque privé de funérailles, déchet
perdu dans les marges de l'être, il représente ce qu'on ne peut pas célébrer
ni davantage oublier: l'horreur de l'indicible, l'infamie absolue: celle qui
vous exclut tout ensemble des vivants, des morts, de soi-même' [wij
cursiveren].
[23] Cf. M. Bloch, J. Parry apud R. Devisch 1990: 225: 'From the
participants' point of view, (
) putrescence is in all the instances seen
as a prerequisite for the distillation of life out of death. From the
outside analyst's point of view it would, however, be preferable to say that
the symbolism of regeneration actually derives its force from its
juxtaposition to the antithetical symbolism of decomposition.'
[24] Menander, Sententiae e codicibus Byzantinis 583 (ed. S. Jaekel): HÏí ïj
èåïr öéëïóéí, Pðïèíóêåé íÝïò. Wie herinnert zich niet
de schrijnende slotbladzijde van Marnix Gijsens roman Klaaglied om Agnes.
De
goedmenende parochiepriester van Agnes, die op de drempel van het volle
leven sterft aan tering, troost de verweesde verloofde en ik-figuur van het
boek met de boodschap 'dat God in zijn hemel maagden nodig heeft om voor
Zijn troon eeuwig, eeuwig Zijn lof te verkondigen.' M. Gijsen 1959: 191: 'Ik heb
geweigerd de Heer te zien als een ijdele dwingeland en, het hart bitter als
alsem, ben ik godslasterend het leven ingegaan, omwille van Agnes, mijn
kuise bruid, mijn dode zuster, gelijk Eurydice tweemaal verloren.'
[25]
Homerus, Ilias IX 442-443: '<Phoenix tot Achilles> Daarvoor
moest ik met je mee, om jou dit alles te leren: / hoe een goed spreker te
zijn en een man die zich weert op het slagveld (ìýèùí ôå ¼çôyñ'
hìåíáé ðñçêôyñÜ ôå hñãùí)' (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993: 230).
[26] J.P. Vernant 1989: 89: 'L'idéalité de la mort grecque, c'est cette
tentative héroïque pour rejeter au plus loin, par-delà le seuil
infranchissable, l'horreur du chaos, de l'informe, du non-sens, et pour
affirmer, envers et contre tout, la permanence sociale de cette individualité
humaine qui, par nature, doit nécessairement s'abîmer et disparaître.'
[27]
Vgl. R. Bernet 1987: 36: 'De strategie komt altijd op het volgende neer: men
vergemakkelijkt het aanvaarden van datgene wat men niet kan beheersen omdat
men erdoor wordt beheerst, door deze anonieme macht te verabsoluteren en
door haar in een meestal uitgesproken esthetische levenshouding te
celebreren.'
[28] J.P. Vernant 1989: ii: 'Dans
une société de face à face, une culture de la honte et de
l'honneur où la compétition pour la gloire laisse peu de place au sens du
devoir et ignore celui du péché, l'existence de chacun est sans cesse placée
sous le regard d'autrui. C'est dans l'il de son vis-à-vis,
dans le miroir qu'il vous présente que se construit l'image de soi'
[wij cursiveren]. − L. De Meyer 1997: 102: 'On est donc en face d'un
idéal social assez paradoxal, dans la mesure où l'existence de l'individu
n'a de sens qu'en fonction de sa reconnaissance par le groupe de ses pairs,
mais inversement l'existence de ce groupe semble passer souvent au second
plan, derrière la distinction et l'excellence que l'individu cherche à
prouver. Il y a comme une tension permanente au sein de cet espace social
entre des tendances holistes et des tendences individualistes. Il y a donc
une série de forces centrifuges et d'autres centripètes, qui exigeront
certains "arrangements" sociaux pour maintenir l'équilibre, bien
qu'on puisse supposer que celui-ci soit dans la réalité souvent rompu:
toute l'Iliade, par le différend qu'elle met en scène entre deux
aristocrates achéens, Achille et Agamemnon, pourrait être vue comme un
"plaidoyer" invitant les Grecs à conserver l'unité au sein de
leurs aristocraties.'
[29] Homerus, Ilias XXIV 348: ÷áñéåóôÜôç {âç. Tyrtaeus, Fragmenta 6-7, 27b-30 (ed. D.
E. Gerber): 'Bij de jonge krijger zit alles goed (íÝïéóé
äc ðÜíô'
dðÝïéêåí), zolang de schitterende bloei van de lieflijke jeugd
(dñáôyò {âçò Pãëáí Tíèïò)
bewaard blijft; bij leven is hij bewonderenswaardig in de ogen van mannen en
bekoorlijk voor vrouwen maar gevallen in de voorste linie is hij schoon
(êáëò
ä'
dí ðñïìÜ÷ïéóé ðåóþí)' [onze vertaling].
[30]
Homerus, Ilias XXII 71-73 (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993:
455).
[31]
Homerus, Ilias XVII 434-435: 'als een zuil die volkomen bewegingsloos
staat (ªò
ôå óôÞëç ìÝíåé hìðåäïí) op de grafterp / van een gestorvene, daar waar een man of vrouw ligt
begraven' (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993: 382). J.P.
Vernant 1989: 71: 'Le mnêma traduit, à sa façon, dans
l'immutabilité de sa matière et de sa forme, dans la continuité de sa présence,
le paradoxe des valeurs de vie, de jeunesse, de beauté qu'on ne peut
s'assurer qu'en les perdant, qu'on ne peut faire siennes à jamais qu'en
cessant soi-même d'être.'
[32] J.P. Vernant 1989: 55-56: 'En tant que personnage héroïque, Achille n'a
d'existence pour lui-même que dans le miroir du chant qui lui renvoie sa
propre image, et qui la lui renvoie sous forme de kléa, de ces
exploits auxquels il a choisi de sacrifier sa vie pour devenir à
jamais cet Achille que chante Homère dans l'Iliade, et que tous les
Grecs chanteront après lui' [wij cursiveren]. J. de Romilly 2003: 52:
'Dans l'Iliade, déjà, entouré de l'amour des siens, Hector se
sacrifiera [wij cursiveren] avec dignité au moment décisif.'
[33]
In
het laatmoderne dodenrijk van alomtegenwoordige concurrentie en
verinnerlijkte rivaliteit is het afdwingbare 'recht' op euthanasie wellicht
de ultieme episch-romantische leugen van emancipatie en zelfbeschikking. De
dolgedraaide ingenieur Kirilow in Boze geesten van Dostojewski pleegt
zelfmoord om helemaal Zichzelf d.w.z. God te zijn in de zogenaamd
zelfgekozen dood. F.
M. Dostojewski 1959: 640: 'Ik wil mijn eigen vrije wil tonen. Al ben ik dan
ook de enige, toch zal ik het doen. (
) Ik ben verplicht, mijzelf dood te
schieten, omdat het hoogste punt van de vrije wil hierin bestaat
zichzelf het leven te benemen.'
[34]
Homerus, Ilias XVI 855-857 (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993:
369).
[35]
Hesiodus, Werken en Dagen 152-155 (ed. P. Mazon): 'Ook zij <het
bronzen geslacht van sterfelijke mensen> verdwenen, door elkanders hand
gedood, / in ijselijke Hades' schimmelige huis, / en naamloos (íþíõìíïé).
Donkere dood (èÜíáôïò
ìÝëáò)
deed hen, met al hun kracht, / vergaan; het stralend zonlicht moesten zij
verlaten' (vert. W. Kassies 2002: 90).
[36]
E.g. Homerus, Odyssee XXI 488-491: 'Stel toch de dood niet te mooi
voor, stralende koning Odysseus! / Liever deed ik op aarde als dagloner
dienst bij een vreemde, / iemand die het niet breed heeft en weinig het
zijne kan noemen, / dan over alle doden en schimmen als koning te heersen' (vert.
H. J. de Roy van Zuydewijn 1992: 222).
[37]
Homerus, Ilias XXII 333-336 (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993:
462).
[38] J.P. Vernant 1989: 52: 'On dépasse la mort en l'accueillant au lieu de la
subir, en en faisant le constant enjeu d'une vie qui prend ainsi valeur
exemplaire et que les hommes célébreront comme un modèle de "gloire
impérissable".'
[39]
Homerus, Ilias XXIV 24; 54 (vert. H. J. de Roy van Zuydewijn 1993:
492-493).
[40]
I. de Jong 1992: 149-150: 'De Ilias
heeft veel weg van een tragedie, niet alleen omdat er zoveel gesproken
wordt, maar ook en vooral omdat de tragiek van het heldenbestaan zo sterk
belicht wordt. Net zo goed als Homerus aan het eind van de oraal-formulaire
traditie stond, zo staat de Ilias
ook aan het eind van de traditie van het heldendicht. Helden zijn een soort
supermensen die niets liever doen dan het gevaar opzoeken en zonodig
sterven. In
de Ilias wordt dit heroïsch
ideaal van een vraagteken voorzien.' M. Trédé-Boulmer, S. Saïd 1992:
18: 'De ce fait, autant qu'un poème héroïque et guerrier, l'Iliade
est un drame. Et Platon ne s'y est pas trompé qui fait d'Homère le père
de la tragédie'.
dr. Geert Van Coillie
Schuttersstraat 44
B 8800
Roeselare
E-mail:
Geert.VanCoillie@hiw.kuleuven.be
|
|