VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
DE
ZONDEBOK ALS AMBIGUE PERSOONLIJKHEID: JEFTA
Jan
Mathijs Schoffeleers en Michael Elias
verschenen in: Liber Amicorum Amado Römer (Curaçao: 1996), p. 187-204.
In
dit artikel wordt een interpretatie beproefd van de geschiedenis van Jefta en
zijn dochter, zoals beschreven in Richteren (10:6-12:6). De figuur van Jefta
heeft in de loop der tijden vooral de aandacht getrokken om de belofte die hij
deed aan JHWH: als hij de oorlog met de Ammonieten won, zou hij de eerste die
uit zijn huis kwam offeren - het zou zijn enige dochter zijn.
In de exegese is een van de vragen steeds geweest hoe dit te duiden zou zijn in
verband met het verbod op mensenoffers. Verschillende malen is in het Oude
Testament sprake van dit verbod; ter illustratie twee verzen uit Deuteronomium:
"Zelfs hun zonen en dochters hebben ze voor hun goden verbrand. Neen, zo
moogt gij JHWH niet vereren" (12: 31); "het mag bij u niet voorkomen
dat iemand zijn zoon of dochter door het vuur laat gaan" (18: 10). Onder de
exegeten bestaat overeenstemming over de verklaring voor Jefta's daad, die
enerzijds gezocht zou moeten worden in de Kanaänitische beïnvloeding en
anderzijds in de druk van de oorlogssituatie.
Richteren 10:6-12:7 beschouwen wij als behorend tot een categorie teksten
die onderling op een wezenlijk punt vergelijkbaar zijn. Dat punt ligt in de
status van de hoofdpersoon als zondebok, waarbij we ons aansluiten bij de
hypothese die Girard in dit verband heeft ontwikkeld. Aan de gedachte dat
samenlevingen het geweld in hun midden uitbannen door het aanwijzen en
uitdrijven van een zondebok, ligt ten grondslag dat mensen een instinctieve
neiging hebben dezelfde dingen te begeren als een ander. Wat de één begeerlijk
vindt is ook voor de ander de moeite waard. Vandaar dat gesproken wordt van
mimetische (nabootsende) begeerte. De bijdrage die Girard levert aan het concept
mimesis bestaat eruit, dat hij het verschijnsel uitbreidt tot een op verwerving
gerichte nabootsing, een "mimésis d'appropriation" (1978: 18). Mensen
ontwikkelen hun begeerten doordat zij anderen nabootsen in het zich toeëigenen
van objecten: zij imiteren elkaar niet alleen in handelingen, maar ook in dat
wat ze willen.
Een en ander leidt tot rivaliteit, schaarste en conflicten, die gepaard
kunnen gaan met geweld. In de moderne tijd zijn wij in staat geweld als
verzelfstandigd te ervaren, omdat wij gewend zijn aan de zogenaamde
"gerechtelijke transcendentie" (Girard 1977: 21). In samenlevingen
waar deze ontbreekt, vindt men direct weer het nabootsende en en herhalende
karakter van het geweld terug. De bloedwraak is daar een voorbeeld van. Het
juridische stelsel neemt de wraakdreiging weg, omdat de beslissingen van het
juridische gezag altijd gelden als het laatste woord van de wraak. De zich
eindeloos herhalende imitatie van een eerdere moord brengt echter generaties
later nog mensen tegen elkaar in het geweer. Het geweld verwijdert zich daarbij
steeds verder van zijn oorsprong, zodat men nauwelijks nog de oorzaak weet
waarom men doorgaat met het geweld.
Wanneer de spanning zodanig is opgelopen dat er een bedreiging ontstaat
voor de samenleving als geheel, is er sprake van een 'sacrificiële crisis'. Dat
begint wanneer mensen steeds meer op elkaar gaan lijken: de betrokkenen worden
als het ware dubbelgangers of tweelingen van elkaar. Het proces van
indifferentiatie (het wegvallen van onderlinge verschillen) waardoor die menigte
dubbelgangers ontstaat, voltrekt zich als een om zich heengrijpende besmetting:
de een steekt de ander aan. Wanneer mimetisch geweld niet op een of andere
manier in toom wordt gehouden, zal het zich tot steeds bredere lagen van de
samenleving uitbreiden.
Een mogelijkheid om een dergelijke crisis op te lossen is het aanwijzen
van een zondebok, die vervolgens wordt gelyncht of uitgedreven. Wanneer daarna
tot opluchting van eenieder de vrede weer hersteld is, realiseert men zich
echter dat de zondebok niet alleen de oorzaak van de tweespalt was, maar ook de
oorzaak van de herwonnen eenheid. Daardoor krijgt hij de trekken van een sacraal
wezen, wiens heilzame werking men telkens weer kan oproepen door het voltrekken
van rituelen. Het hoogtepunt daarvan is het offer: vandaar dat de eraan
voorafgaande crisis 'sacrificieel' genoemd wordt. De mens, het dier of het
voorwerp dat geofferd wordt neemt daarbij de plaats in van de zondebok. Girard
nu is van mening dat dit zondebokmechanisme ten grondslag ligt aan het
verschijnsel religie: een middel of strategie om onbeperkt en naakt geweld te
beteugelen met behulp van beperkt en geritualiseerd geweld. Het streven om
mimetische conflicten te beperken of op te lossen zou ook ten grondslag liggen
aan het geheel van religieuze geboden en verboden en indirect aan de menselijke
cultuur als geheel.
Het type verhaal zoals dat in Richteren wordt verteld, namelijk het
offeren van een eigen kind ter oplossing van een belangrijk probleem, komt ook
in andere culturen voor: Gaster (1969: 430 e.v.), Green (1975: 162) en Soggin
(1987: 216) wijzen op overeenkomsten in de Griekse mythologie, in Noord-Syrië
en in schriftloze samenlevingen. Om met name de ambiguïteit van Jefta meer reliëf
te geven nemen we als subtekst een mythe uit het Oost-Afrikaanse Malawi, dat
treffende overeenkomsten vertoont met het bijbelverhaal. Door aldus een
vergelijking te trekken met een niet-verwante cultuur treden we in de traditie
van de transculturele antropologie, waarvan Girard ook een vertegenwoordiger is.
Een korte opmerking over de geschiedenis van de tekst in Richteren. De
commentatoren zijn het erover eens dat van latere toevoegingen sprake is en dat
de uiteindelijke tekst pas in het tijdperk van de koningen gestalte kreeg. Met
name geldt dit voor de uitgebreide passage over de onderhandelingen van Jefta
met de Ammonieten (Richteren 11: 12-28), waar aan het einde van dit artikel nog
op zal worden terugkomen. Voor het overige lijkt het met betrekking tot de
vraagstelling niet noodzakelijk verder in te gaan op de wordingsgeschiedenis van
het Jefta-verhaal.
2
Het zondebokmotief in Richteren 11
Jefta
is de (waarschijnlijk oudste) zoon van Gilead en van een uitheemse vrouw (11:
1). Behoort hij nu wel of niet tot het gezin van zijn vader? Zijn halfbroers,
zonen van Gileads plaatselijke vrouw, verjagen hem (na Gileads dood), want ze
willen niet dat hij deelt in de erfenis (11: 2).
In het Richterenverhaal zetten de broers Jefta het huis uit met als reden
dat ze niet willen dat hij deel krijgt aan de erfenis. Lezen we het verhaal
echter als het verslag van een mimetisch conflict, dan is er misschien meer aan
de hand: de twist tussen de broers kan zo hoog zijn opgelopen dat de familie
gevaar loopt uit elkaar te vallen. In zulke gevallen wordt dikwijls een zondebok
gezocht, die aansprakelijk gesteld wordt voor de ontstane strijd - en paradoxaal
genoeg - na een geslaagde uitdrijving vaak ook voor het herstel van de eenheid
zal zorgen. Als dit mechanisme hier van toepassing is, geschiedt de uitdrijving
van Jefta niet zozeer om het aantal rivalen te verminderen, als wel om de
familiale eenheid te herstellen.
Sociaal onduidelijke personen als Jefta zijn bij uitstek geschikte
kandidaten om een dergelijke rol te vervullen. Ze maken in voldoende mate deel
uit van de groep om als vertegenwoordiger ervan op te treden en staan er tegelijkertijd
ver genoeg van af om de vervolgers niet de indruk te geven dat ze verraad plegen
aan hun eigen vlees en bloed. Ten gevolge van zijn uitstoting wordt Jefta ook
voor de gemeenschap als geheel een randfiguur, want hij wordt nu leider van
een groep 'lege mannen', mensen die zich door roof- en strooptochten in
leven houden (vs. 3). Die bende is de pendant van zijn eigen familie en de
leeglopers zijn de tegenhangers van zijn broers. Het verschil is echter dat
men hem in deze alternatieve familie wèl erkent. Via deze bende bouwt hij een
zodanige reputatie op dat hij later de voor de hand liggende kandidaat
wordt voor het opperbevel over de officiële strijdmacht. Tussen zijn
medeverworpenen is Jefta namelijk in staat zijn charismatische begaafdheid te
bewijzen.
De term 'charisma' wordt hier gebruikt in de zin van Max Weber, die er
een sociologische inhoud aan gaf. Voor Weber (1968: 21 e.v.) vormen bendes en
onofficiële legertjes zoals dat van Jefta, door Weber met name genoemd, een
typische omgeving waarin charismatisch leiderschap kan gedijen.
Kenmerkend is dat wie dit type leiderschap uitoefent, geen enkele legitimatie
behoeft dan het onvoorwaardelijke geloof van zijn volgelingen in een
bovennatuurlijk geacht vermogen hun vrijheid, menselijke waardigheid of
rijkdom te schenken. De volgelingen zelf zijn te typeren door de bereidheid
om met elkaar te delen en voor elkaar op te komen. Het presenteren van Jefta als
'bendeleider' in het verhaal heeft dus een functie: het strekt tot bewijs van
zijn charismatische begaafdheid als leider en bezieler van een gemeenschap.
In de ogen van zijn broers en hun partijgangers zal Jefta's omgang met het
schuim van de samenleving echter als het bewijs beschouwd zijn van het
tegendeel,
namelijk dat hij van geen kant deugde en dus met recht en reden uitgestoten
was.
Als de Ammonitische oorlog uitbreekt, zijn de 'echte' zonen van Gilead
klaarblijkelijk niet in staat een leider uit hun midden aan te stellen. Dat zou
erop kunnen duiden dat geen van hen daartoe bekwaam was, maar evenzeer dat ze
niemand uit eigen kring het leiderschap gunnen, gevangen als ze zitten in
hun onderlinge rivaliteit. In zo'n situatie is het zaak een geschikte
buitenstaander
te vinden - die na afloop weer aan de kant kan worden gezet. Sociaal en
professioneel is Jefta de voor de hand liggende keus. De oudsten van het volk
bemiddelen (vs. 5): zij vragen hem de leiding op zich te nemen. Jefta reageert
in eerste instantie door hen te vereenzelvigen met zijn broers (vs. 7):
'Hebben jullie me niet gehaat en verstootten jullie mij niet uit het huis van
mijn vader?'. Hij houdt hen medeverantwoordelijk voor zijn uitdrijving en
weigert als tijdelijk leider te fungeren. Wat hij eist is een permanent
hoofdschap, onder ede vastgelegd (vs. 9). Doordat men met deze eis akkoord
gaat (vs. 10), komt Jefta van de marge naar het centrum en staat hij in
principe boven zijn halfbroers. Om zijn leiderschap vorm te kunnen geven is het
echter nodig dat hij in de komende strijd bewijst de gunst van JHWH te genieten
(vs. 9). Jefta probeert deze strijd eerst via onderhandelingen op te lossen (vss,
12-28), maar zonder succes. Noodgedwongen trekt hij dan ten strijde na de
bekende gelofte gedaan te hebben (vs. 30-31). De overwinning (vs. 32-33) maakt
duidelijk dat hij van JHWH gezegend is. Aan deze voorwaarde is dus voldaan.
Binnen de mimetische theorie is Jefta's dochter te beschouwen als een
'substituut zondebok', die de plaats van haar vader inneemt. Dit gezichtspunt is
vooral van belang met betrekking tot de genese van het koningschap. In Girards
opvatting is de koning in principio
een zondebok, die in reserve gehouden wordt voor de tijd dat een samenleving
ten prooi zal zijn aan een wijdverbreid mimetisch conflict. In afwachting
daarvan straalt er echter al iets van de verering op hem af, die pas ten volle
zijn deel zal zijn na zijn dood of uitdrijving. Dit schept ruimte om een
zekere mate van gezag op te bouwen, waardoor het onder andere mogelijk wordt een
plaatsvervanger aan te wijzen en zo zijn executie voor kortere of langere tijd
uit te stellen. Naarmate het koningschap als instituut vanzelfsprekender
wordt, vervaagt de herinnering aan de oorsprong ervan. Toch blijft die oorsprong
in verhulde vorm herkenbaar in talloze mythen en riten.
Ook in dit opzicht is de geschiedenis van Jefta illustratief. Begonnen
als zondebok bouwt hij gezag op, en als leider wijst hij een substituut aan om
zijn plaats als slachtoffer in te nemen. Ofschoon zijn gezag op het eerste
gezicht te danken lijkt aan zijn talenten op militair gebied, berust het in
diepere zin mede op de sacraliteit die hem toevalt als zondebok. In onze
opvatting heft hij zijn sociale ambiguïteit op door zijn dochter op te offeren.
(Bal 1988 heeft erop gewezen dat zij in het verhaal geen eigen naam heeft.)
Daarbij dringt zich wel een vraag op: waarom is het zijn dochter en enig kind
dat geofferd moest worden? Waarom kon het niet evengoed een niet-verwant persoon
zijn? Een verklaring hiervoor is dat de vernietiging van zijn dochter op te
vatten is als de ultieme bevestiging van zijn hoofdschap. Zoals alleen maar
koningen ongestraft incest kunnen plegen, zo kunnen ook alleen maar koningen
ongestraft hun kinderen slachtofferen. Beide handelingen maken de koning
weliswaar tot een uiterst verwerpelijk iemand, maar tegelijkertijd maken ze
ook duidelijk dat hij over bovenmenselijke krachten beschikt, aangezien iedere
normale sterveling met iets dergelijks de wraak der goden over zich zou
afroepen.
Dit neemt niet weg dat het opofferen van een kind, en zeker als dat het
enige is, een daad is die de vader als mens ten diepste moet treffen. Er is
hier een tragische tegenstelling tussen iemand die enerzijds ouder is en
anderzijds koning of leider van een gemeenschap: als koning moet hij dingen
doen waardoor hij zijn vaderschap loochent. Het koningschap gaat voor het
vaderschap. Hiermee is echter het scala van betekenissen, dat Jefta's offer
heeft, nog niet uitgeput. Er is immers nog het maagdschap van de dochter van
Jefta. Zij gaat met haar vriendinnen de bergen in om te rouwen, aangezien ze als
maagd moest sterven (vs. 38) en zo ontstond volgens het verhaal in Israel de
gewoonte
dat de meisjes ieder jaar vier dagen lang de dochter van Jefta herdachten (vs.
40).
3
De geschiedenis van Mbona, de regenpriester
Alvorens
de interpretatie van het Jefta-verhaal voort te zetten, volgen nu eerst
parallellen met de mythe van Mbona, die in zuidelijk Malawi vereerd wordt als
een belangrijke regionale godheid, vooral aangeroepen ten tijde van droogtes
en andere algemene calamiteiten. De cultus in zijn huidige vorm ontstond rond
1600 in een periode van ernstige politieke onderdrukking (zie Schoffeleers
1991, passim). Voor die tijd was er sprake van een python-cultus. De toenmalige
vorst, Lundu genaamd, was zowel koning als regenpriester, een functie die
voorheen door een afzonderlijke persoon werd vervuld. Regenpriesters hebben
in de Afrikaanse context vaak een macht die de pendant is van die van de vorst
en niet zelden nemen ze het ook op voor de bevolking tegen de vorst. Door dit
ambt aan zich te trekken kreeg Lundu vrijwel onbeperkte macht en kon hij
jarenlang een schrikbewind uitoefenen. Na zijn val werd de regencultus
hersteld in een andere vorm. In plaats van een python werd de godheid nu -
mede onder invloed van Portugese missionarissen - een historisch gedachte
figuur met Christusachtige trekken. Hier volgt in verkorte vorm het verhaal
van zijn leven en dood.
Mbona's moeder was een zuster van koning Lundu. Aangezien Lundu en de
inwoners van zijn koninkrijk het moederrechtelijk systeem volgden, was Mbona
via zijn moeder een van de potentiele troonopvolgers. Er was echter iets met hem
aan de hand: niemand wist wie zijn vader was. Hij werd dus beschouwd als een
onecht kind, maar de waarheid was dat hij net als Ambuye Yesu ('de Here Jezus')
ontvangen was door tussenkomst van Mulungu ('God'). Daarom wilde men hem niet
als mogelijk opvolger erkennen. Hij gedroeg zich verder onaangepast: zelfs als
adolescent sliep hij nog in de hut van zijn moeder, terwijl jongens van die
leeftijd thuis horen in een eigen slaaphut.
In een bepaald jaar heerste er een ernstige droogte. De mensen kwamen de
koning, die tevens regenpriester was, smeken om de regendans te houden. Alle
voorbereidingen werden getroffen en de koning voerde de dans gewoontegetrouw
ook uit, maar er viel geen druppel regen. De koning en de bevolking zagen daarin
een teken dat hij niet langer de gunst van Mulungu genoot en bijgevolg afstand
zou moeten doen van zijn hoge ambt. De koning stemde daarin toe mits een
geschikte opvolger gevonden kon worden. Alle kandidaten werden daarom opgeroepen
om de regendans te doen, maar geen van hen slaagde erin regen te doen vallen. De
koning trok daaruit de conclusie dat hij ongestoord verder kon regeren, maar de
oudsten des volks eisten dat hij Mbona ook zou laten dansen. Na veel aandringen
gaf Lundu toe en werd Mbona gevraagd.
Deze weigerde in eerste instantie, omdat hij altijd door de koning
behandeld werd als uitschot. Door zijn moeder werd hij uiteindelijk overgehaald,
met het argument dat mensen anders dreigden te verhongeren. Mbona eist daarop
van de koning bevel te geven dat alle kinderen in de leeftijd van vijf tot negen
jaar op worden gesloten; onder geen beding mogen ze aanwezig zijn bij de dans.
De koning willigt die eis in en stuurt zijn mensen om erop toe te zien dat het
bevel ook uitgevoerd wordt. Mbona tuigt zich dan op als een indrukwekkende
medicijnman en als hij naar buiten treedt met zijn rituele dolk deinst de
menigte van schrik terug.
Nauwelijks heeft hij zijn dolk uitgestoken in de richting van de vier
windstreken en het uitspansel of het bliksemt en dondert, gevolgd door een
enorme bui. Men is enthousiast en juicht Mbona luidkeels toe terwijl deze zijn
dans voortzet. Het zoontje van de koning - kind van een bijvrouw - die ook
opgesloten is, hoort dat, wil er bij zijn en ziet kans zich naar buiten werken.
Maar hij is nauwelijks buiten de deur of hij wordt door een bliksemstraal in
tweeën gespleten. Iedereen is ontzet, maar vreugde blijft de boventoon voeren
vanwege de overvloedige regen.
In principe is Mbona nu de opvolger geworden van Lundu, die daar vrede
mee lijkt te hebben. Zijn bijvrouw echter, de moeder van het getroffen kind,
neemt daar geen genoegen mee en weigert ter beëindiging van de rouwperiode
met Lundu te slapen - tenzij Mbona gedood wordt. Aangezien de rouwperiode
niet eindeloos kan voortduren is Lundu wel gedwongen haar terwille te zijn. Hij
stuurt zijn krijgers op Mbona af, die hem na een langdurige achtervolging
grijpen en doden.
Dat laatste gaat echter niet zonder problemen, want telkens als speren en
messen met zijn lichaam in aanraking komen, worden ze slap als gras. Na
urenlange
pogingen adviseert Mbona zelf het met gras te proberen. Die raad wordt
opgevolgd. Als het gras in aanraking komt met zijn lichaam, wordt het hard en
scherp als ijzer. Mbona laat dus uiteindelijk zelf toe dat hij gedood wordt en
dat zijn vijanden triomferen. Maar niet voor lang, want een paar dagen later
laat hij bij monde van een medium weten dat hij nu een godheid is en een cultus
wil. Er wordt een tempel gebouwd en een regenpriester aangesteld. De koning
krijgt als opdracht met de cultus mee te werken door het verschaffen van een
bruid voor Mbona, die voor de rest van haar leven in de tempel moet verblijven.
De koning gehoorzaamt en bevestigt aldus de scheiding van koninklijke en
priesterlijke macht. Van nu af aan is hij geen regenpriester meer en kan het
priesterdom weer fungeren als een rem op de koninklijke macht.
Er
zijn zonder moeite een aantal parallellen met het Jefta-verhaal aan te wijzen.
In beide gevallen is er een persoon van hoge maar onzekere afkomst, die als
redder van de samenleving optreedt. De ouder door wie de erfelijke lijn loopt -
de vader in Jefta's geval; de moeder in Mbona's geval - is weliswaar bekend,
maar de identiteit van de tweede ouder is van twijfelachtige aard. Daardoor
hebben beide wel opvolgingsrecht, maar dit kan betwist worden door kandidaten
met een erkende afstamming. Ook op symbolisch vlak is sociale onduidelijkheid
een handicap, want de onduidelijkheid van de vorst deelt zich mee aan het volk.
Onduidelijke afkomst suggereert onduidelijk regeren.
Jefta en Mbona worden ook door hun voornaamste verwanten uitgedreven
als zondebok en naderhand weer teruggeroepen om een crisis te helpen oplossen.
Alle twee weigeren ze in eerste instantie, maar worden uiteindelijk toch
overgehaald. Tenslotte is er zowel bij Jefta als bij Mbona sprake van een
jeugdig persoon, die de antagonist na het volbrengen van zijn heroïsche daad
vanuit een huis tegemoet treedt om hem te huldigen, maar dan prijsgegeven wordt
aan vernietigend vuur.
Een verschil tussen beide verhalen is echter dat het Mbona-verhaal nog
een belangrijk vervolg heeft. Wanneer Jefta het offer gebracht heeft, blijft
hij leider van de gemeenschap en opvolger van zijn vader. Mbona krijgt die kans
niet: hij wordt via de bijvrouw van zijn oom opnieuw tot zondebok uitgeroepen
en gelyncht om zich daarna te manifesteren in zijn goddelijke hoedanigheid.
Deze 'uitloper' van het offerverhaal is noodzakelijk vanwege het feit dat Mbona
Lundu's opvolger wordt in diens dubbelfunctie van koning en priester. Aangezien
gebleken was dat die dubbelfunctie niet functioneerde omdat de vorst verviel
in despotisme, eist de logica van het verhaal dat die twee functies voor eens
en voor altijd gescheiden zouden worden. Dit geschiedt via Mbona's dood en de
daarop volgende theophanie. De koning blijft koning, minus zijn priesterlijke
macht, en de cultus van de inmiddels tot godheid verheven Mbona staat in
principe
los van het koningshuis en kan daardoor de koninklijke macht enigermate
beteugelen. Waar het Jefta-verhaal beschrijft hoe koningschap ontstaat,
beschrijft het Mbona-verhaal hoe een duale gezagsvorm ontstaat waarin seculiere
en rituele macht in complementaire oppositie tot elkaar staan.
De vraag dringt zich nu op waarom het speciaal kinderen tussen de vijf en
de negen jaar zijn die opgesloten moeten worden. Ter beantwoording van die vraag
is het volgende van belang. De plaatselijke bevolking ziet de
kindheidsperiode als bestaande uit drie fasen. In de eerste fase, die kan duren
tot het kind ongeveer vijf jaar is, mag het nog in de hut van de ouders slapen,
hetgeen betekent in de kamer van de ouders, want meestal bestaan die hutten
maar uit één vertrek. De tweede groep, in de mythe aangeduid als bestaande uit
kinderen tussen vijf en negen, brengen gewoonlijk de nacht door bij hun grootmoeder
of oudere zuster. Nog oudere kinderen hebben hun eigen slaaphut waar ze met
anderen de nacht doorbrengen, maar wel strikt gescheiden volgens sekse: jongens
en meisjes slapen in aparte hutten. Het onderscheid tussen de middelste groep en
de beide andere is dus dat die groep seksueel gesproken in een tussengebied
verkeert, liminaal is. Ze mogen geen deel meer hebben aan de intimiteit van hun
ouderlijke hut, maar ze zijn ook nog niet van een leeftijd dat ze rigoureus
naar sekse gescheiden worden. De hier genoemde driedeling is wereldwijd klassiek
voor initiatieriten (vgl. Van Gennep 1906).
Douglas (1966) heeft aangetoond dat men personen die niet duidelijk
gecategoriseerd kunnen worden buiten het zicht van de samenleving probeert te
houden, met name als die in een crisis verkeert. De reden daarvoor is dat men
bewust of onbewust een verband legt tussen dergelijke personen en de heersende
crisis: kenmerkend voor beide is immers onduidelijkheid en verwarring.
Toegespitst op de Afrikaanse mythe kunnen we Mbona's regendans opvatten als
een activiteit die erop gericht was de gemeenschap uit een crisis te
verlossen. Dit vereiste dat leden van de samenleving bij wie onduidelijkheid
op het lijf geschreven was, verborgen of uit de weg geruimd moesten worden.
Vandaar het opsluiten van de middelste groep kinderen en het doden van hun
belangrijkste vertegenwoordiger, 's konings eigen zoon. Die interpretatie
sluit ook aan bij de constatering dat het kind niet alleen gedood werd, maar
doormidden gespleten, waarmee op dramatische wijze benadrukt wordt, dat
zaken die niet bij elkaar horen - zoals in het onderhavige geval koningschap
en priesterschap - voor het functioneren van de samenleving ook zo scherp
mogelijk uit elkaar moeten worden gehouden.
Een tweede vraag die zich opdringt is waarom de belangrijkste
vertegenwoordiger
van de 'vlees-noch-vis' groep gedood moet worden door (toedoen van) iemand die
zelf in hoge mate oncategoriseerbaar is. Mbona is immers zowel volwassen als
kind, sterfelijk mens en onsterfelijke godheid, zoon en echtgenoot van
dezelfde vrouw. Het antwoord daarop is dat van het moment af dat Mbona toestemt
de regendans te doen, hij zijn ongedetermineerdheid rigoureus van zich
afgooit. Hij tuigt zich op en gedraagt zich op een manier die er geen twijfel
over laat bestaan dat we hier te maken hebben met een volwassene en een
potentiële troonopvolger. De transformatie is zelfs zo compleet dat het
publiek hem aanvankelijk niet eens herkent en van schrik terugdeinst.
Deze transfomatie wordt gekoppeld aan het verlaten van zijn moeders
hut. Daardoor vormt Mbona namelijk een paar met het zoontje van de koning, die
immers ook zijn moeders hut verlaat. Maar in tegenstelling tot Mbona is deze
nog steeds wat hij ook tevoren was: een niet te plaatsen iemand. Als zodanig
confronteert hij Mbona met precies die kant van diens persoonlijkheid,
waarvan deze zich net heeft weten te bevrijden. Er rest Mbona dan ook geen
andere keuze dan het kind te doden - zo is het doormidden splijten te
interpreteren. Aldus bevestigt hij afgerekend te hebben met een verleden
waarin zijn identiteit niet duidelijk was en hij onontkoombaar zondebok moest
zijn.
Wat voegt het Mbona-verhaal toe aan Jefta? Om te beginnen suggereert deze
Afrikaanse parallel dat wellicht ook in het Jefta verhaal het probleem gevormd
wordt door de sociale onduidelijkheid van de held. De oplossing ligt in het
doden van een alter ego, die ook gekenmerkt wordt door sociale onduidelijkheid.
De dochter van Jefta is niet alleen zijn vlees en bloed (en alleen al op grond
daarvan uitermate geschikt als plaatsvervangend zondebok), ook zij is
gekenmerkt door sociale ambiguïteit, vanwege het feit dat ze nog niet
gehuwd is. Ongehuwde adolescenten zijn in traditionele gemeenschappen 'vlees
noch vis': ze hebben met zondebokken gemeen dat ze niet in de volle zin van
het woord tot de gemeenschap behoren (cf. Kaptein en Tijmes 1986: 57). Door
haar als onduidelijk en onvolkomen lid van de gemeenschap in zijn plaats op
te offeren wordt Jefta's eigen onduidelijkheid en onvolkomenheid teniet gedaan.
Verder laat het Mbona-verhaal de diepere betekenis zien van het het
feit dat Jefta's dochter haar vader tegemoet danst 'vanuit het huis'. Als we een
parallel trekken met de kleine kinderen die tijdens de regendans opgesloten
moesten blijven, dan is het mogelijk dat ook zij het huis niet mocht verlaten,
om haar vaders onderneming niet in gevaar brengen. Als die hypothese juist is,
volgt daaruit dat ze in ovetreding was, hetgeen goed zou aansluiten bij
Jefta's klacht: Kind wat doe je me aan? Zowel zij als het zoontje van koning
Lundu hadden binnen moeten blijven tot de periode van de rituele kwetsbaarheid
van de held afgesloten was.
Omgekeerd laat het Jefta-verhaal zien dat het thema van het getroffen
zoontje van de koning in het Mbona-verhaal te veralgemeniseren is tot het
volgende:
Een sociaal onvolwassen persoon wordt tijdelijk verborgen om de nauw
aan hem of haar gelieerde sociaal onduidelijke protagonist een daad te laten
volbrengen die het politiek leiderschap moet herstellen en zo de gemeenschap
redden van de ondergang. Wanneer de daad volbracht, maar de rituele
kwetsbaarheid
van de protagonist nog niet opgeheven is [omdat de voorgeschreven
reinigingsriten
nog niet voltrokken zijn], breekt de opgeslotene het verbod en komt toch naar
buiten om de held te huldigen. Hij of zij wordt dan vernietigd door vuur, een
symbool voor de volledigheid van de verandering die zich in de held heeft
voltrokken.
Hier
is sprake van een mythologisch vertoog over leiderschap in een samenleving,
waarin de volgende elementen te onderkennen zijn.
(a)
Het bestaande leiderschap faalt, ofwel omdat er sprake is van ernstige
onderdrukking (Mbona), ofwel omdat de potentiële leiders zozeer met elkaar
rivaliseren dat ze niet aan leiderschap toe komen (Jefta). Het gaat om het
opnieuw vaststellen van de competenties van de leider of het aanstellen
van een geschikt persoon om dat leiderschap uit te oefenen.
(b)
Het probleem wordt opgelost door een figuur van hoge komaf in de erfelijke lijn,
maar van onzekere komaf in de niet-erfelijke lijn. Bij de moederrechtelijke
Mbona is daarom de vader onzeker en bij de vaderrechtelijke Jefta de moeder.
(c)
De held moet zijn bekwaamheid bewijzen door een meesterproef af te leggen.
(d)
Voor het slagen van die proef is nodig dat een jonge bloedverwant met een
onduidelijke sociale status in een huis opgeborgen wordt. Deze persoon
symboliseert
de ambigue held en mag zich niet laten zien zolang de proef, inclusief de daarop
volgende rituele reiniging, niet ten einde is.
(f)
De jonge verwant, die in de feestvreugde wil delen, breekt het verbod zich te
vertonen, komt naar buiten en wordt vernietigd door vuur.
(g)
De held krijgt het leiderschap.
4
Discussie
In
de oudere exegese is veel aandacht besteed aan het feit of Jefta met zijn
belofte zijn dochter op het oog gehad kon hebben. Vers 31 zegt: '... hij
zal zijn voor JHWH en ik zal hem doen opgaan als brandoffer'. Zou Jefta
niet een dienaar op het oog gehad hebben? Of misschien zelfs een dier?
Tegenwoordig
neemt men aan dat het antwoord op deze vragen ontkennend luidt. Dit wordt
ondersteund door onze analyse. Het slachtoffer moet duidelijk een alter ego van
de held zijn, iemand met wie hij ten nauwste verbonden was. In Jefta's geval is
zijn dochter degene die daarvoor het eerst in aanmerking komt.
Verder gaat de traditie er veelal min of meer stilzwijgend vanuit dat
Jefta's dochter zelf niet weet wat haar te wachten staat, wanneer zij haar vader
met tamboerijnen en reidansen tegemoet gaat. De vraag is, of dat aannemelijk is.
Zou zij er geen weet van hebben de dochter te zijn van een zondebok? Haar
antwoord (het is opmerkelijk dat zij tweemaal het woord neemt) kan suggereren
dat ze zich substituut-zondebok weet. In die opvatting zou zij de bereidheid
uitspreken de plaats in te nemen van haar vader, die inmiddels tot koning
getransformeerd is en nu de macht heeft iemand anders in zijn plaats aan te
wijzen. Zo stelt de dochter, op de hoogte als zij is van haar vaders gelofte,
het nieuw verworven leiderschap van haar vader veilig. Ook deze interpretatie
wordt ondersteund door onze analyse, met dien verstande dat ze zelf over haar
lot beslist door tegen het gegeven verbod in het huis uit te lopen en aldus
Jefta's transformatieproces in gevaar te brengen.
Voor de volledigheid vermelden wij nog een andere interpretatie van
de opoffering van Jefta's dochter. Boström (1935: 115 e.v.) is een van de
auteurs die vraagtekens hebben gezegd bij het 'brandoffer' van vers 11:31. Hij
is van oordeel dat er sprake moet zijn geweest van een seksuele wijding. De
argumentatie steunt op de aanname dat het laatste deel van vers 31 niet
oorspronkelijk is en later toegevoegd. Ook om stilistische redenen is de
toevoeging "en ik zal hem doen opgaan als brandoffer" na
"hij zal voor JHWH zijn" ongewoon. Er had moeten staan (vergelijk Lev
22: 18): hij zal als brandoffer aan JHWH geofferd worden" of "ik zal
hem JHWH als brandoffer offeren". Voorts wordt in vs. 39 niet vermeld dat
de dochter als brandoffer daadwerkelijk geofferd is. Boström meent dat Jefta
zich vanaf het begin bewust was van het risico dat hij liep - in de terminologie
van hierboven: hij wees een nieuwe zondebok aan.
Vanuit de kanaänitische religiositeit gedacht is het waarschijnlijk
dat het om een seksuele cultus gaat als een vrouw aan de godheid wordt gewijd.
Er zouden meer tekenen zijn die hierop wijzen. Allereerst is er de betekenis van
de naam Jefta, in het Hebreeuws Jiftach 'hij opent', waarvan men volgens
Boström wel terecht "den Mutterleib" heeft toegevoegd. Daar komt nog
bij dat het de vraag is of Jefta's dochter überhaupt huwbaar mocht heten. De
afkomst van Jefta (een uitheemse moeder, met een uitheemse godsdienst - zijn 'on-Isralietische'
belofte een mens te offeren heeft ook daar mogelijk mee van doen) - zou in die
gedachtengang ook zijn dochter besmetten. In de traditie van de godsdient van
haar grootmoeder offert Jefta zijn dochter ter ere van de godheid: zij wordt
tempelprostituee.
Voorts staat er in de tekst dat zij weent over haar maagdelijkheid (vs.
37). De interpretatie als zou zij wenen over het feit dat ze (maagd blijvend)
geen moeder kon worden, wijst Boström af: "zij beweent haar
maagdelijkheid" betekent het tegendeel. Men beweent immers wat men
verliest; het offer geldt haar maagdelijkheid. De vertaling van het werkwoord letanot
als 'bezingen' acht Boström uiterst onzeker. Hij legt een verband van tana
met oetnan 'hoerenloon'. Het vers vooronderstelt dan een vierdaags
feest waarbij de maagden hun kuisheid offerden - overeenkomend met
bijvoorbeeld de cultus van de Afrodite van Byblos.
Op een dieper niveau betogen beide interpretaties hetzelfde: Jefta's
dochter wordt als niet te plaatsen, ambigu persoon door haar vader geofferd. Of
offert ze zich zelf op? De commentaren die zich over haar houding verwonderen,
prijzen de toewijding aan haar vader. Soggin (1987: 217) meldt dat het gebrek
aan verzet alleen kan worden begrepen als het offer deel uitmaakte van een
algemeen geaccepteerde praktijk (zoals bij de mensenoffers onder de Maya in
pre-Columbiaans Mexico), die misschien zelfs eervol was voor de betreffende
persoon. De opofferingsgezindheid van Jefta's dochter is - vanuit een modern
gezichtspunt - ook te interpreteren als een vorm van dwangmatig handelen: de
onvoorstelbare solidariteit met de vader is immers zelfdestructief. Uit
onvermogen of angst hem te mishagen identificeert ze zich zo met zijn
perspectief, dat ze voetstoots bereid is het slachtofferschap van hem over te
nemen. Zijn afkeurenswaardige belofte wordt door haar als zodanig niet erkend.
Zo zou Jefta ook het verhaal zijn van de vernietigende aanspraken die ouders
op hun kinderen kunnen maken.
Indirect vindt deze gedachtegang zijn bevestiging in de passage over
Jefta's onderhandelingen met de Ammonieten. Zouden deze gelukt zijn, dan was er
geen oorlog, geen gelofte en geen brandoffer nodig geweest en zou Jefta leider
zijn geworden ondanks zijn onduidelijke sociale identiteit. Als deze
redenering juist is, dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel de hier ontvouwde
hypothese houdt geen stand, ofwel de tekst is een latere toevoeging, gedaan
vanuit een ander perspectief dan het oorspronkelijke. In het inleidend gedeelte
werd al vermeld dat de commentatoren van mening dat dit laatste inderdaad het
geval is. Maar het is interessant te zien dat wat men op historische gronden
heeft herkend als niet-origineel, ook een anomalie vormt binnen het offerdenken
dat door de tekst zelf wordt uitgedragen.
LITERATUUR
BAL,
Mieke
1988
Death and dissymmetry. The politics of Coherence in the Book of Judges
(Chicago: University of Chichago Press).
BOSTRöM,
Gustav
1935
Proverbiastudien. Die Weisheit und das fremde Weib (Lund: Gleerup).
DOUGLAS,
Mary
1966
Purity and Danger. An Analysis of concepts of Pollution and Taboo
(London: Routledge & Kegan Paul).
GASTER,
Th. M.
1969
Myth, Legend and Custom in the Old Testament (New York: Harper
& Row).
GENNEP,
Arnold van
1906
Les rites de passage (Paris: Nourry).
GIRARD,
René
1977
Violence and the Sacred (Baltimore: Johns Hopkins UP; London:
Athlone Press, 1977).
1978
Des choses cachées depuis la fondation du monde (Paris: Grasset).
GREEN,
Alberto
1975
The role of Human Sacrifice in the Ancient Near East (American
School of Oriental Research).
KAPTEIN,
Roel en Pieter TIJMES
1986
De ander als model en obstakel (Kampen: Kok Agora).
SCHOFFELEERS,
J.M.
1992
River of Blood. The Genesis of a Martyr Cult in Southern Malawi,
c.1600 A.D. (Madison: University of Wisconsin Press).
SOGGIN,
Alberto
1987
Judges. A commentary (London: SCM Press2).
WEBER,
Max
1968
On Charisma and Institution Building, edited and with an
introduction by S.N. Eisenstadt (Chicago: University of Chicago Press).
E-mail-adressen auteurs