VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > > Online teksten

Leesverslag van de rede van Michel Serres (volledige Franse tekst) uitgesproken ter gelegenheid van de intrede van René Girard in de Académie Française op 15 december 2005

voor de bijeenkomst van 13 januari 2006

De rede van Michel Serres wordt vermeld als een antwoord op de rede van René Girard, maar zou je eigenlijk op moeten vatten als een antwoord op het gehele oeuvre van Girard. In een prachtig en rijk betoog geeft Serres als het ware zijn leesverslag. Het bestrijkt alle aspecten van het werk van Girard, en is indringend en persoonlijk. Het geeft de kracht van de mimetische theorie weer op een manier die geen bewijsvoering is, zoals Girard in zijn werk heeft moeten doen, maar veeleer een evocatie. Wat volgt is een eerste lezing van een lezing, met de uitnodiging te komen met meerdere lezingen.

Dank u, meneer, zegt Serres, dat u ons zo ver heeft gekregen dat we het geblaf horen van de wilde beesten, van onze eigen razernij, van de losgeslagen, bloeddorstige meute, van het geweld in onze samenleving. Dank u, dat u een licht heeft doen schijnen op deze zwarte box, die wij voor onszelf verborgen houden. Dank u, het is dankzij u, dat ik voor de eerste keer het oude schema van deze ceremonie gewaarword: de stoelen vastgezet op de grond, het publiek dat in stilte naar u luistert, u, die bent gekozen. Voor de eerste keer ook ontdek ik deze ronde kapel, gebouwd rond de graftombe van Mazarin, gebouwd met stenen, die symbool kunnen staan voor de stenen die achterbleven na een steniging. Gekozen zijn, betekent verguisd kunnen worden. “U, onder de zwarte koepel van stenen, zie hier de zondebok; wij, in het zwarte omhulsel van de nacht, zie daar, zonder dat ze het in de gaten hebben, de aloude vervolgers.”

Waar komt toch het geweld vandaan? Serres vraagt ons te kijken naar de groene habijten van de leden van de academie, en naar de praktijken, die ieder lid gehoorzaam uitvoert. Waarom doen we wat anderen doen? Waarom vraagt het zoveel moed om te zeggen, wat men doorgaans niet zegt? Waarom maken wij een knieval voor de gevestigde macht, waarvan de ceremonie van de Academie een sprekend voorbeeld is?

U ontdekte de werking van de zondebok, het bindmiddel voor het collectief. U ontdekte ook dat eerste bindend mechanisme: het nabootsen, dat dominantie en dus ook onderwerping voortbrengt. Dit nabootsen ontspringt aan ons zenuwstelsel, zoals onlangs is gebleken met de ontdekking van spiegelneuronen.

U heeft de vinger gelegd op een van de belangrijkste geheimen van culturen: de reproductie van culturele codes, dat vandaag de dag met een enorme snelheid gepaard gaat. Alle apparaten en artefacten die ons vandaag de dag omringen worden geproduceerd op basis van een model. Maar niet alleen dingen, ook gedrag zoals management en openbaar bestuur zijn gebaseerd op een model, een format, met als doel om alle activiteit in een organisatie gelijkaardig en reproduceerbaar te maken, en de macht te geven aan diegenen die geen specifieke expertise meer hebben. En wat te denken van de merken – brands – waarvan wij de herkomst herkennen in de afdrukken in het zand van de voetstappen van  de hoeren van Alexandrië. Ook de crisis in het onderwijs moet vermeld worden. Jongeren worden belaagd door de verleiding tot navolging: door de media, door mode etc. Aan de andere kant is de boodschap op de scholen: ontwikkel je, word jezelf! Echter, het creëren zelf is in crisis in onze wereld van reproductie. Het onnavolgbare werk blijft verborgen tot een nieuwe wereld wordt gesticht.

Andere vormen van mimese: de technische apparaten die kopieën zijn van onze fysieke organen; de apparaten die op hun beurt hun eigen geheim van het kopiëren blootleggen.  

Het mimetisch tableau kan worden aangevuld met bekentenissen: de psychologische vraag naar wat we eígenlijk willen in ons leven – en wie stelt zich deze vraag niet op zijn tijd – wijst in wezen op een verlangen dat mimetisch is. Zo ook vraagt de moraal – hoe sober ook - van ons om te doen wat anderen van ons verlangen.  

Een andere bekentenis is vervat in een logisch argument, dat tegelijkertijd persoonlijk is. Het betreft de stelling dat het onmogelijk is de mimetische theorie te falsifiëren. Het is mogelijk, zegt Serres. Van de kant van Girard heeft hij nooit een sprankje van jaloezie ervaren.

Wat is het dat Serres en Girard tot vrienden heeft gemaakt, tot broeders die in elkaar geen rivalen zien? Serres wijst op de oorlogen van de twintigste eeuw, die hen beiden hebben gevormd: de Eerste en Tweede Wereldoorlog, de Spaanse Burgeroorlog, en de oorlog in Algerije. En vooral de moord op de Europese joden. U, zegt Serres, heeft ons doen inzien hoezeer deze misdaad lijkt op de offers uit de oudheid, waaraan het jodendom en vervolgens het christendom een einde wilden maken. Dit geweld, dat niet te begrijpen is, behoeft een radicale antropologie, zoals u die heeft geformuleerd, een antropologie van het tragische.

Deze antropologie gaat uit van de mimetische begeerte, beschrijft de strijd van allen tegen allen en identificeert de moord van het ene slachtoffer door de meute. Deze herhaling van begeerten en moord noemen we geschiedenis. Onder de veelkleurige anekdotes is de leegte van het gebrek aan informatie verborgen – altijd hetzelfde geweld.

Het verhaal, aldus Serres, begint pas bij Jefta en bij Agamemnon die hun dochters offeren. Deze praktijk wordt slechts gestopt met het eerste echte verhaal, dat van Abraham en Isaac. Het mensenoffer, het kindoffer, wordt vervangen door het offer van het dier. Het tweede verhaal is vervolgens het passieverhaal, het lijdensverhaal van Jezus, dat de onschuld van het slachtoffer blootlegt. Het derde verhaal is door u geformuleerd. U heeft de waarheid over het geweld aangetoond. Het vierde verhaal tenslotte is minder bekend, maar oorverdovend aanwezig: de beeldcultuur van tegenwoordig pakt het mensenoffer opnieuw op. De huidige technologie brengt ons terug bij het sacrificiële polytheïsme.

De ontmaskering van het zondebokmechanisme is echter ook de remedie. Serres wijst op de recente rellen in de banlieux van Parijs en andere steden in Frankrijk. Hier was geen sprake van mensenoffers, zelfs niet van dierenoffers. De rook ontsteeg aan in brand gestoken auto’s.

Hoe zit dat met het sacrificiële? Serres onderscheidt twee soorten religies: de antropologen en sociologen hebben het alsmaar over religies die zich baseren op een lidmaatschap. Daar is sprake van het sacrificiële geweld. Voor de gelovigen daarentegen gaat het om iets anders. Het onderscheid tussen polytheïsme en monotheïsme betreft niet zozeer het geloof in één god of meerdere goden, maar wijst op een radicaler onderscheid, nl. tussen het sociale en individuele. Jezus wijst op het onderscheid tussen God en de keizer. De keizer omarmt ‘het wij’, het collectief, God richt zich tot ‘mij’, tot dat deel van het het individu dat losstaat van de massa.

En toch is er een kerk gesticht. Serres verdedigt de boodschap van de kerk tegen ‘misbruik’. Zij die zeggen voor God te strijden, vechten in werkelijkheid voor de keizer. Montaigne, ooggetuige van godsdienstoorlogen, noteerde dat hij niemand is tegengekomen die verklaard heeft te vechten voor zijn geloof.

Het is een teken van regressie naar de sacrificiële religies van de Oudheid, aldus Serres, om religie niet als een wetenschappelijke benadering, maar als een maatschappelijk of historisch verschijnsel te beschouwen.

Er zijn twee soorten religies. Elke cultuur bevat het sacrificiële, dat zich onderscheidt van wat en wie maar nauwelijks getolereerd worden: heiligen. De heilige bekritiseert het sacrificiële. U, zegt Serres, maakt het geloof los van de misdaden begaan in de loop van de geschiedenis, zelfs als dat gedaan is in naam van de religie. U doet dat, niet om de religie te legitimeren, maar om de waarheid te achterhalen. Die waarheid luidt: vergiet geen bloed!

U past de rede toe op de bouwstenen van het geweld, die immers de neiging hebben het geweld buiten te sluiten. Het rationele denken lijkt gemakkelijk in de exacte wetenschappen. U past haar toe op een moeilijk domein, en verzoent rationaliteit met religie.

Serres vervolgt door te wijzen op een ander ongebruikelijk aspect van het werk van Girard: de vele domeinen die hij met zijn hypothese bestrijkt. Serres noemt de literaire kritiek, de geschiedenis, de psychologie, de antropologie en de theologie. Maar uw gedachtegoed, zegt Serres, brengt me uiteindelijk altijd weer terug in het heden, in de actualiteit.

Aan het slot van zijn betoog, voordat hij zal eindigen met een alinea over de waarheid, richt  Serres zijn aandacht op twee vrouwen: Simone Weil, die door zowel hemzelf als door Girard met achting gelezen is, en op mevrouw Girard. U, mevrouw, zegt Serres, U, zoals zovele andere vrouwen, Amerikaanse die een Fransman trouwde, slaat de bruggen in de wereld.

Tenslotte. De onthulling van de onschuld van het slachtoffer komt overeen met een genealogie van de waarheid. En uit de waarheid komt de moraliteit voort. Theologie, ethiek en epistemologie, aldus Serres, spreken met één stem.

Er is een verschil tussen het heilige en het sacrificiële. Het sacrificiële doodt, het heilige brengt vrede. Het sacrificiële is verbonden met leugenachtigheid en geweld, het heilige met liefde en waarheid.

(Thérèse Onderdenwijngaard)