VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
Leesverslag
René Girard, La Violence et le Sacré (Paris: Grasset, 1972). Engelse
vertaling: Violence
and the sacred. Nederlandse
vertaling door Michel Perquy: God en Geweld. Over de oorsprong van mens en
cultuur (Tielt: Lannoo / Mimesis, 1994).
IV
Het ontstaan van mythen en riten
VI
Van de mimetische begeerte naar de monsterlijke dubbel
VII
Freud en het Oedipuscomplex
VIII
Totem und Tabu en het incestverbod
IX
Lévi-Strauss, het structuralisme en de huwelijksregels
X
Over goden, doden, het sacrale en de substitutie in het offer
In deze studie over het ontstaan en de ontwikkeling van
de mens en zijn beschaving maakt Girard gebruik van veel wetenschappelijke
disciplines (psychologie, godsdienst- wetenschappen, antropologie, etnologie en
literaire kritiek). De Nederlandse titel God en geweld doet m.i. onvoldoende
recht aan de betekenis van de Franse titel, La violence et le sacré. Met het
woord God wordt iets anders opgeroepen dan met le sacré (het sacrale).
Bovendien worden de twee woorden van de titel omgekeerd, terwijl de volgorde in
de oorspronkelijke titel veelzeggend is: Girard betoogt immers dat er eerst het
geweld was en daarna en van daaruit het sacrale. Hij toont aan dat de relatie
tussen het geweld en de religie van meet af aan het samenleven van de mensen
bepaald heeft; daar liggen de fundamenten van de menselijke cultuur. Centraal
hierin staat het offer.
In de primitieve samenleving was er nog geen middel tegen het onderling geweld, er was immers nog geen rechtssysteem. Als preventief wapen in de strijd tegen het geweld functioneerde in die gemeenschap het offer, als substitutie. Aanschouwelijk voorgesteld: tussen de mens en het geweld wordt een dier geplaatst. Door middel van dit rituele / plaatsvervangende slachtoffer verliest het geweld zijn oorspronkelijk object uit het oog. Het geweld wordt een onbeduidende prooi toegeworpen waardoor het misleid wordt. De offersubsitutie heeft tot doel het geweld te misleiden.
Hieruit wordt al enigszins zichtbaar dat het rituele offer
een dubbel karakter heeft: het offer werkt heilzaam en is daarom heilig, maar
tevens gebeurt er een soort misdaad. In het geval van een mensenoffer komt het
paradoxale ervan nog meer naar voren: het is misdadig het slachtoffer te doden
omdat het heilig is
, maar het slachtoffer zou niet heilig zijn als men het
niet zou doden. Door duidelijk te maken dat het hier om een cirkelredenering
gaat, onthult Girard de ambivalentie van het offer en weet hij al op de eerste
bladzijde van zijn boek aan te geven dat er een mysterie omheen hangt.
Er is een verband tussen offer en moord; ze zouden zich niet voor het spel van wederzijdse substitutie lenen als zij niet aan elkaar verwant waren. In het offer krijgt de moord ook een ander karakter. Om het geweld te kunnen misleiden moet men het niet elke uitweg afsnijden en moet men het iets te eten aanbieden, een substituut. Misschien is dit wel een van de betekenissen van het verhaal van Kaïn en Abel. Kaïn beschikt niet over het dierenoffer, bij uitstek het substituut om het geweld te misleiden, en begaat dus een moord. Abel daarentegen beschikt wel over het offersubstituut en begaat bijgevolg geen moord.
Bij de rituele offers is steeds hetzelfde mechanisme werkzaam: onbeduidende slachtoffers worden geofferd om andere categorieën mensen te beschermen. De zingevende kern van dit mechanisme is het feit dat dergelijke slachtoffers geen weerwraak uitlokken, want anders zou de spiraal van wraak en weerwraak (het wederzijdse geweld) eindeloos doorgaan. In een samenleving zonder rechtsstelsel zet de dreigende, niet-eindigende keten van wraak en weerwraak het bestaan van de samenleving op het spel. Om die reden rust er overal een zeer strikt verbod op de wraak. Toch moet er tegenover een misdaad een vergelding staan. In onze huidige samenleving genieten wij het voorrecht dat dit niet leidt tot een vicieuze cirkel van wraak, dankzij het rechtsstelsel, dat de wraak op een effectieve manier beperkt tot één enkele definitieve vergeldingsdaad, waarvan de uitoefening wordt toevertrouwd aan een soeverein gezag. Dit gezag spreekt het laatste woord van de wraak, waardoor er geen wraakdreiging meer is.
In een samenleving zonder dergelijke curatieve maatregelen zijn de rampen die het geweld dreigt te ontketenen zo groot, dat het accent wel moet liggen op preventie. En preventie is allereerst het terrein van de religie. De religie probeert altijd het geweld te sussen en een uitbarsting te voorkomen. En dit gebeurt, op indirecte wijze, door middel van, wederom, geweld: op paradoxale wijze wordt geweld aangewend om geweld te voorkomen. De religieuze preventie heeft meestal een gewelddadig karakter. Zij maakt gebruik van een risicoloos slachtoffer: iemand die men zonder gevaar kan doden omdat niemand het voor hem op zal nemen. Daarbij maakt zij listig gebruik van bepaalde eigenschappen van het geweld, met name van zijn vermogen om zich van het ene object naar het andere te verplaatsen. De primitieve religie onderwerpt, regelt, ordent en kanaliseert het geweld om het dan te gebruiken tegen elke vorm van eigenlijk onduldbaar geweld. Het geweld en het sacrale zijn niet van elkaar te scheiden. De primitieve religie vormt een vreemde combinatie van geweld en geweldloosheid. Op deze wijze is zij een preventief wapen tegen het geweld. Overigens kan men nagenoeg hetzelfde zeggen van het rechtssysteem.
De werkzaamheid van het offer is ook gelegen in het feit
dat datgene wat het gelijk maakt aan wraak verborgen blijft (in het
rechtssysteem is dit ook zo). Daardoor zal deze wraak niet opnieuw gewroken
worden. Het blijft duister voor ons waarom dit zo werkt. Deze duisternis valt
samen met de wezenlijke transcendentie van het heilige, wettige,
gerechtvaardigde geweld tegenover het schuldige en onwettige geweld. Deze
transcendentie is de grond voor het geloof in het verschil tussen het offer en
de wraak, en tussen het rechtssysteem en de wraak; daardoor kan deze
transcendentie het geweld blijvend misleiden.
Om aan de vicieuze cirkel van de wraak, het niet eindigende
geweld, te ontkomen, golden in de oudheid andere principes dan in onze tijd. Een
van de praktijken was om het schuldprincipe niet te hanteren. Het verband tussen
schuld en boete werd veelal genegeerd. Als voorbeeld noemt Girard de praktijk
van een oude volksstam, de Tsjoektsjen, die als genoegdoening voor een
gewelddaad niet de schuldige straften, maar een familielid van de schuldige
offerden. De zienswijze achter deze handelwijze was dat de schuldige werd
gespaard juist omdat hij schuldig was. Door van de schuldige een slachtoffer te
maken zouden ze juist de daad verrichten die door de wraak wordt geëist. Door
hun handelwijze vermeden zij de volmaakte wederkerigheid. Door juist de
schuldige van iedere vergelding uit te sluiten poogden de Tsjoektsjen aan de
vicieuze cirkel van de wraak te ontkomen. Wij achten de toepassing van het
schuldprincipe redelijk omdat wij geen oog (hoeven te) hebben voor het zeer reële
gevaar van de escalatie van de wraak, het ongebreidelde geweld, dat in de
primitieve samenleving een grote bedreiging was. Dit is het juist wat men d.m.v.
het offer (religieus geweld) probeerde te voorkomen. In de oudheid probeerden de
mensen de symmetrie van de vergeldingen te doorbreken. In tegenstelling tot onze
visie zagen zij hierin de herhaling van hetzelfde en probeerden zij daar een
einde aan te maken door het andere.
Terwijl wij niet bang zijn voor de gewelddadige
wederkerigheid en iedere wettelijke straf bij
ons daarop juist gebaseerd is, zien wij niet meer waarom de zuivere
wederkerigheid van de wraak de mensen in de oudheid zoveel angst aanjoeg. Voor
de genoemde gewoonten van de Tsjoektsjen zijn allerlei psychologische
verklaringen te bedenken, maar Girard zegt dat het nutteloos is om ons in dat
labyrint te begeven, we zullen erin verdwalen, want de religieuze interpretatie
is immers bepalend en deze staat boven alle psychologische hypothesen.
Het essentiële religieuze begrip is hier de rituele
onreinheid alom aanwezig waar men geweld vreest. Besmetting door geweld is
een verschrikkelijk gevaar; dit moet voorkomen worden. Onreinheid en besmetting
spelen een belangrijke rol in de intermenselijke relaties. Het geweld in al zijn
verschijningsvormen wordt op één lijn gesteld met besmettelijke ziekten, de
escalatie van de wraak kan de algehele vernietiging van de samenleving
betekenen. De dreiging hiervan is in de primitieve samenleving zo fundamenteel
dat Girard spreekt van essentieel geweld. Ten aanzien van dat essentieel
geweld neemt zo'n samenleving een houding aan die wij niet kunnen begrijpen. De
rituele voorzorgsmaatregelen lijken in onze ogen soms absurd, maar ze werken
wel. Zo wordt door de offer-catharsis de wanordelijke verspreiding van
het geweld voorkomen, hetgeen in feite het voorkomen van een soort besmetting
betekent.
Inzake de bezoedeling door onreinheid spelen ook de
rituelen in verband met bloed een belangrijke rol. Vergoten bloed is onrein; dit
is de achtergrond van het primitieve taboe t.a.v. menstruatiebloed, dat een
teken is van het ongedifferentieerde geweld. Langs de geslachtsorganen van de
vrouw vloeit periodiek bloed. Dit vloeien van bloed leidt tot het verband van
seksualiteit en geweld en dit verband maakt dat de seksualiteit onrein is. Uit
deze betekenis van bloed volgt ook dat reiniging van de bezoedeling alleen maar
door het bloed zelf kan geschieden, het bloed van sacrale slachtoffers: bloed
dat rein blijft als het ritueel vergoten wordt. Het ritueel heeft als functie
het geweld te zuiveren d.w.z. om de tuin te leiden en het te richten op
slachtoffers die niet gewroken zullen worden. In deze dubbelzinnigheid van het
bloed, dat zowel onrein maakt als zuivert, wordt het paradoxale spel van het
geweld verzinnebeeld. Het geweld vertoont zich aan de mens ofwel in een
afschuwelijke gedaante (in zijn razernij richt het steeds grotere ravages aan)
ofwel in een vredelievende gedaante (het verspreidt de weldaden van het offer om
zich heen). De mensen kunnen in het geheim van deze dubbelzinnigheid niet
binnendringen. Dit geheim is aan de orde in de rite van het offer: het
ondergaan van de weldaad van het goede geweld en het uitschakelen van het
slechte geweld.
Dit is de werking van het offer in de samenleving als het
vlekkeloos functioneert. Girard beschrijft in het volgende hoofdstuk wat er
gebeurt als het offer zijn kenmerk van heilig geweld verliest, in de
offercrisis.
Voor de dubbele werking van het geweld (het goede en het slechte) in het offer is het niet alleen noodzakelijk dat zich een scheiding voltrekt tussen het slachtoffer en de mensen voor wie het een substituut is, maar ook een zekere gelijkenis. Die overeenkomst berust op een broos evenwicht. Daarom wordt alles in het offerritueel streng voorgeschreven door de gewoonte; een verschuiving in het evenwicht kan zich zowel in de richting van het te veel als van het niet genoeg voordoen. In beide gevallen is het gevolg dat de uitschakeling van het geweld niet tot stand komt, de conflicten zich vermenigvuldigen en het gevaar voor kettingreacties groter wordt. Het offer is dan niet langer een goede geleider, want het kan het boosaardige geweld niet langer naar zich toe zuigen, het verliest zijn karakter van heilig geweld, het vermengt zich met onrein geweld, wordt er een schandelijke medeplichtige van, een weerspiegeling, of zelfs een lont in het kruitvat.
Girard meent dat dit a priori te formuleren is uit de conclusies van het eerste hoofdstuk, maar hij wil het bovendien verifiëren in literaire teksten: in de verwerking van Griekse mythen tot tragedies, met name in die van Heracles.
In Euripides De
Waanzin van Heracles doodt
Heracles bij zijn thuiskomst Lycus, die zijn vrouw en kinderen met de dood
bedreigt. Dit is echter niet de hoofdzaak van het drama. Het werkelijke
onderwerp is de mislukking van een offer, het offergeweld dat slecht afloopt. Na
zijn gewelddaad, die binnen de stadsmuren werd bedreven, voelt de held meer dan
ooit de behoefte om zich te reinigen en hij maakt zich klaar om een offer te
brengen. Zijn vrouw en kinderen staan bij hem. Opeens meent hij in hen nieuwe of
oude vijanden te herkennen en, in een vlaag van waanzin, brengt hij ze allemaal
om.
Op het vlak van de dramatische handeling is het de voorbereiding op het offer die de moorddadige waanzin ontketent. Het op gang zijnde ritueel is de oorsprong van de waanzin. Al het bloed dat tijdens de opdrachten van Heracles en ook binnen de stad vergoten werd heeft de geest van Heracles beneveld. Het geweld is té overvloedig en té krachtig geweest. Het offer slaagt er niet in het geweld op te slorpen, in plaats daarvan doet het het geweld buiten zijn oevers treden. Het offer is niet meer in staat zijn taak te vervullen, integendeel: het onrein geweld wordt versterkt. Het substitutiemechanisme draait dol en degenen die door middel van het offer beschermd moesten worden, werden er de slachtoffers van.
Ook in een andere episode van het leven van Heracles vindt er een catastrofale omzwaai van het offer plaats, zoals Sophocles vertelt in De Trachinische Vrouwen. Ook in die episode doet het ritueel het heilzame omslaan in boosaardigheid. Het geweld richt zich tegen diegenen die door het offer beschermd hadden moeten worden.
In deze twee tragedies blijkt het offer een sociaal gebeuren te zijn; de vermelde rampen gaan niet over een of ander individu dat door het lot getroffen wordt; de gevolgen van de ontregeling van het offer hebben hun uitwerking op heel de gemeenschap. Het offer dat slecht afloopt veroorzaakt telkens een kettingreactie in de zin zoals in het eerste hoofdstuk is omschreven.
Girard betoogt nu dat de Griekse tragedie gesitueerd moet worden in de overgangsperiode tussen de archaïsch-religieuze orde en de staatkundige en juridische orde die erop volgde. De stabiliteit in de eerst genoemde periode kon alleen berusten op het religieuze, dat wil zeggen op het offerritueel. In de tragedies wordt verslag gedaan van de teloorgang van die religieuze orde. De tragedies spreken religieuze taal. Ook de presocratische filosofen, die wel de filosofen van de tragedie worden genoemd, vermelden teksten die duiden op de religieuze crisis. Heraclitus spreekt van de ontaarding van het offer, van zijn onmacht om het onreine te reinigen. De religieuze overtuigingen en alles wat daarop is gebaseerd, komen in het gedrang door de desintegratie van het ritueel. Er is geen verschil meer tussen bloed dat ritueel en crimineel wordt vergoten. Deze tekst van Heraclitus is te vergelijken met die van de oudtestamentisch profeten van vóór de ballingschap Amos, Jesaja en Micha, die in krachtige termen de ondoeltreffendheid van de offers en van heel het rituele aanklagen. En ze brengen deze religieuze ontbinding in verband met de verloedering van de menselijke relaties. De aftakeling van het offersysteem wordt altijd voorgesteld als een val in het wederzijds geweld. Verwanten die samen derden offerden, spaarden elkaar; voortaan dreigen zij elkaar om te brengen. Girard verwijst ook naar de Louteringen van Empedocles (136-137).
Telkens wordt gesuggereerd dat het drama van de protagonisten slechts het topje van de ijsberg is: het lot van de hele gemeenschap staat op het spel. Bij het drama van Heracles roept het koor: Maar ziet, ziet, de storm schudt het huis dooreen, het dak stort naar beneden.
De crisis in de tragedie moet dus volgens Girard vooral als een offercrisis gezien worden. Ter nadere omschrijving van de tragedie zegt hij vervolgens: zij is de tegenstelling tussen symmetrische elementen. In elk aspect van de intrige, de vorm en de taal, speelt deze symmetrie een essentiële rol. Het meest komt dit tot uiting in de stichomythie, waarin de twee protagonisten telkens met één vers elkaar van antwoord dienen. Het tragische debat maakt gebruik van het woord in plaats van het zwaard. Of het geweld nu fysiek of verbaal is, het speelt zich altijd af in een identieke structuur, in een machtsevenwicht waardoor er niets wordt opgelost. De tegenstanders bootsen elkaars geweld na. Het conflict gaat maar door omdat er tussen de tegenstanders niet het minste verschil is. Die gelijkheid betekent dat het geweld geen reden van bestaan heeft.
De tragedieschrijvers beklemtonen voortdurend de symmetrie bij de antagonisten. En om de symmetrie, de gelijkheid, de wederzijdsheid over te brengen, gebruiken de drie grote tragediedichters, Aeschylus, Sophocles en Euripides gelijksoortige procédés en zelfs dezelfde formules. Girard wijst erop dat de hedendaagse kritiek zelden dit aspect van de tragedie belicht. Waar men gelijkenissen ziet, maakt men zich ervan af door ze als stereotypen te behandelen, dus ze als niet belangrijk te beschouwen, terwijl Girard van oordeel is dat het zogenaamde stereotype in de Griekse tragedie het essentiële openbaart. Hij zegt: Het tragische ontsnapt ons omdat we ons systematisch afkeren van hetgeen identiek is.
Tussen de tragische tegenstanders bestaat geen verschil
omdat het geweld dit allemaal uitwist. Hoe langer de tragische rivaliteit duurt,
des te meer kansen zijn er voor de mimesis in het geweld en voor de
spiegeleffecten tussen de tegenstanders. Als voorbeeld: in de schoot van de
Oedipusmythe, zoals Sophocles die interpreteert, zijn alle relaties onder de
mannelijke personages relaties van wederzijds geweld. Al dat geweld maakt dat de
verschillen worden uitgewist, niet alleen binnen de familie, maar in de hele
stad. In het tragische debat grijpt ieder naar dezelfde tactiek, naar dezelfde
middelen om dezelfde vernietiging te bereiken als zijn tegenstrever. Alle
tegenstanders leveren hun bijdragen tot de vernietiging van de orde die ze
beweren te willen verstevigen. Het koor geeft aan dat het religieuze verval één
geheel vormt met de verbrokkeling van de familiale waarden en vooral van de
sociale hiërarchieën.
Samenvattend: het sacrificieel verschil is het verschil tussen het reine en het onreine. Het uitwissen hiervan sleurt alle andere verschillen mee. De offercrisis, d.w.z. het verloren gaan van het offer, is de teloorgang van het verschil tussen onrein en zuiverend geweld. Er vindt dan geen zuivering meer plaats en het onreine, besmettelijke, wederkerige geweld verspreidt zich over de hele gemeenschap. De offercrisis is dus de crisis van de verschillen, wat betekent: van de gehele culturele orde. De culturele orde is immers het georganiseerde systeem van verschillen, dankzij welke individuen hun identiteit verkrijgen en zich van anderen kunnen onderscheiden.
In een oude Chinese overweging over het offer wordt dit
bevestigd: de menigten danken hun rust aan het offer. Het volstaat die band weg
te nemen, zo zegt het Boek der Rituelen, om een algemene verwarring te veroorzaken.
In de tragedie en in de primitieve religie is een impliciet maar tegelijk
fundamenteel principe werkzaam: Orde, vrede en vruchtbaarheid berusten op
culturele verschillen. Niet deze verschillen maar hun teloorgang veroorzaakt
rivaliteit en strijd tussen mensen van een familie of gemeenschap.
Girard verwijst in dit verband ook naar Shakespeare in diens Troïlus en Cressida. De beroemde toespraak van Odysseus behandelt de crisis van de verschillen. Degree, gradus is het principe van elke natuurlijke en culturele orde. Als die wegvalt, stort de crisis die daarop volgt de mensen in een eindeloos conflict waarin ze ieder eigen kenmerk, elke identiteit verliezen. Odysseus betoogt dat het einde van het verschil betekent dat de macht de zwakheid beheerst, dat de zoon de hand slaat aan zijn vader. Het betekent dus het einde van alle menselijke gerechtigheid die eveneens in termen van verschil wordt omschreven. Indien het evenwicht, zoals in de Griekse tragedie, geweld is, dan moet de betrekkelijke geweldloosheid die door de menselijke rechtspraak wordt verzekerd, onvermijdelijk als een onevenwichtigheid gedefinieerd worden, als een verschil tussen goed en kwaad, parallel aan het offerverschil tussen het reine en het onreine. De menselijke gerechtigheid wortelt in de differentiële orde en ze gaat met die orde ten onder. Girard voegt hieraan toe dat de voorstelling van de gerechtigheid als een weegschaal in evenwicht, als nooit verstoorde onpartijdigheid, wel erg vreemd is.
In het voorafgaande heeft Girard de offercrisis beschreven aan de hand van de Griekse en Shakespeariaanse tragedie. Maar er moeten volgens hem ook uit directe waarneming getuigen zijn van het verdwijnen van primitieve samenlevingen als gevolg van een offercrisis. Veel van deze getuigenissen zijn fragmentarisch en niet bruikbaar. Een uitzondering vormt het werk van de etnoloog Jules Henry, Jungle People (1941), dat gewijd is aan de Kaingang Indianen in Brazilië. De Kaingang hadden een zeer arme cultuur, zowel op het religieuze, technische als op alle andere domeinen. Volgens de etnoloog was dit een gevolg van de blood feud, de kettingwraak onder verwanten. De vendatta verspreidde zich, hakte de samenleving als met een vreselijke bijl doormidden, en roeide ze uit zoals een pestepidemie het zou doen. (50)
Dit zijn echt de symptomen van wat met het begrip offercrisis of crisis van het verschil bedoeld wordt. Door de kettingmoorden werd het principe zelf van alle sociale bestaan bedreigd, er was een intern zelfvernietigingsproces op gang gekomen. Henry spreekt hierover in termen van sociale zelfmoord. Men mag veronderstellen dat in de loop van de geschiedenis talrijke gemeenschappen door hun eigen geweld bezweken en spoorloos verdwenen zijn. Bij de Kaingang onmoette Hanry bijzonder bloeddorstige individuen, maar ook heel vreedzame en helderziende mensen die vruchteloos poogden om uit het vernietigende mechanisme te ontsnappen. Hij schrijft: De Kaingang-moordenaars lijken op de personages van de Griekse tragedie. Ze zijn de gevangenen van een ware natuurwet die, eenmaal op gang gebracht, door niets of niemand kan worden onderbroken. (53)
Ook de tragedie heeft altijd betrekking op de vernietiging van de culturele orde. Deze vernietiging valt samen met de wederkerigheid in het geweld van de tragische partners. De problematiek van het offer toont hoe de tragedie in een crisis van de rite en van alle verschillen is geworteld. Maar op haar beurt kan de tragedie ons helpen om die crisis en alle problemen van de primitieve religie die ermee samengaan beter te begrijpen. De religie heeft inderdaad maar één enkel doel: de terugkeer van het wederzijdse geweld te verhinderen. Girard: Zo kan men stellen dat de tragedie een geprivilegieerde toegangsweg opent naar de grote problemen van de religieuze etnologie (p. 61). Met die uitspraak weet hij zich de banvloek op het hoofd te halen van veel wetenschappers, van de bewonderaars van het oude Griekenland, van de verdedigers van het humanisme en van de discipelen van Nietzsche en Heidegger. Literatuur en wetenschap verdragen elkaar in dit verband niet.
Volgens Girard is men er zich in de etnologie best van
bewust dat rituele
onreinheid verbonden is met de teloorgang van de verschillen. Maar men begrijpt
de gevaren niet die eruit voortvloeien. Voor het moderne denken is het echt
moeilijk om ongedifferentieerdheid als geweld te beschouwen. Toch is het inzicht
hierin van essentieel belang voor het begrijpen van de implicaties van de
offercrisis. Voor het primitieve denken is het vanzelfsprekend dat geweld en het
ontbreken van verschil één zijn. De teloorgang van bepaalde natuurlijke of
culturele verschillen kan de verdwijning tot gevolg hebben van de categorieën
waarbinnen de mensen zijn ingedeeld: dit is de betekenis van de offercrisis.
Wanneer we dit begrijpen, zegt Girard, krijgen we meteen ook zicht op bepaalde religieuze fenomenen die de traditionele zienswijzen nooit hebben kunnen verklaren. Een van de meest spectaculaire van deze fenomenen is de buitengewone vrees voor tweelingen in veel primitieve samenlevingen. Eigenlijk moet het ons niet verbazen dat tweelingen schrik aanjagen: ze zijn een beeld en lijken een voorteken te zijn van het grootste gevaar dat iedere primitieve gemeenschap bedreigt: het ongedifferentieerde geweld, dat altijd dreigt als het verschil ontbreekt. Bij tweelingen doemt het beeld op van de onreine besmetting; hun ouders worden gezien als besmet door het boosaardige geweld en beschouwd als vreesaanjagende wezens. Zij moeten zich aan zuiveringsrituelen onderwerpen om weer in de gemeenschap toegelaten te worden. Achter de tweeling doemt de gedaante op van het boosaardige sacrale waarin alle krachten besloten liggen die een aanval op de mens kunnen doen, hem schade kunnen toebrengen en zijn rust bedreigen; de geboorte van een tweeling zou wel eens het voorteken van die aanval kunnen zijn.
Naast de vrees voor de tweelingen is er ook de fobie voor de gelijkenis. Gelijkenissen worden ontkend. Gelijkenis aanwijzen tussen twee bloedverwanten betekent immers dat men ze als een bedreiging beschouwt voor heel de gemeenschap, dat men hen ervan beschuldigt de boosaardige besmetting te verspreiden.
Girard bespreekt hier ook het essentieel mythische thema van de vijandige broers. De broedertwist mondt meestal uit in een broedermoord. Wij zijn geneigd de relatie tussen broers als een hartelijke eenheid te beschouwen, maar er zijn veel mythologische, literaire en historisch voorbeelden van conflict: Kaïn en Abel (Genesis 4), Jakob en Esau (Genesis 25: 22 e.v.), Eteocles en Polynices (in Phoenicische vrouwen van Euripides), Romulus en Remus, Richard Leeuwenhart, Jan zonder land enzovoort. In de Griekse mythen en de tragedies wordt hiermee de aanwezigheid van de offercrisis gesuggereerd. In de broedertwist gaat het evenals in de religieuze fobie voor tweelingen om het uitwissen van het verschil. Overigens is er toch ook een verschil tussen deze twee verschijnselen. Van de fobie voor tweelingen kan men zeggen dat deze ronduit mythisch is, maar datzelfde kan zeker niet gezegd worden van de betekenis van de rivaliteit onder broers. Bij de vijandige broers weet men niet zeker of het om een echt conflict gaat (bijvoorbeeld de strijd om de troon na de dood van de koning of in het algemeen om het vaderlijk erfdeel) of dat het gaat om een ritueel schijngevecht dat alleen bedoeld is als catharsis om de crisis af te wenden. Omdat het conflict geloofwaardig lijkt dreigt de symbolische draagwijdte verloren te gaan en krijgt het conflict een louter anekdotisch karakter.
Girard stelt hier vervolgens de overeenkomst en het verschil tussen de mythe en de tragedie aan de orde, de onderwerpen van de twee volgende hoofdstukken. De mythologie spreekt onophoudelijk over de offercrisis, maar alleen om deze te vermommen. Men mag veronderstellen dat mythen uit offercrises ontstaan zijn en er retrospectieve transfiguraties van zijn geworden, herinterpretaties in het licht van de culturele orde die uit de crisis is ontstaan.
In de mythe zijn de
sporen van de offercrisis moeilijker te ontcijferen dan in de tragedie. De
tragedie is een gedeeltelijke ontcijfering van de mythische motieven. Terwijl in
de mythe het evenwicht door de mythische betekenissen was verstoord worden in de
tragedie de menselijke verhoudingen weer tot de eenheid van eenzelfde
antagonisme teruggebracht. Girard meent dat er omtrent de tragediekunst
gesproken zou moeten worden van desymbolisatie. Hij zegt ook: Wanneer de
tragische dichter zelf het wederzijdse geweld als basis van de mythe opspoort,
dan is dat omdat hij die mythe aanpakt in zijn eigen context van verzwakkende
verschillen of groeiend geweld; zijn oeuvre kan niet gescheiden worden van een
nieuwe eigentijdse offercrisis. Het is als met Shakspeares inspiratie voor Troïlus
en Cressida die gevoed werd doordat Engeland in die tijd in volle religieuze
crisis was.
Volgens de gangbare literaire kritiek ziet men in de tragedie Oedipus Koning van Sophocles vaak een schat van psychologische waarnemingen. Sophocles zou een sterk geïndividualiseerde Oedipus geschapen hebben, een held die een heel eigen karakter zou hebben, hij zou daarmee heel verschillend en onderscheiden zijn van de andere personages. Hij is edelmoedig maar impulsief, hij is koelbloedig en straalt een adellijke sereniteit uit , maar is ook in staat tot woede-uitbarstingen.
Girard betwist deze psychologische zienswijze en zegt dat deze interpretatie de betekenis van de tragedie vervalst. Hij spitst dit toe op de woede-uitbarstingen. Bij nader inzien blijkt dat Oedipus daarin niet van de anderen verschilt. Oedipus blijkt in de tragedie niet het monopolie van de woede te hebben. Bij de drie hoofdfiguren in de tragedie, Oedipus, Creon en Tiresias, verloopt de overgang van sereniteit naar woede steeds vanuit dezelfde noodwendigheid. Men kan dit niet als een eigen karaktertrek aan Oedipus toeschrijven. Het gaat in deze tragedie niet om, de scherp afgelijnde eigenschappen van strikt individuele personen als gevolg van hun tegenstellingen. Inzet is te laten zien hoe de hoofdrolspelers identiek zijn in het geweld en hoe ze in de stroomversnelling waardoor ze worden meegesleurd, meesleurt, allemaal tot gelijken worden gemaakt. Het gaat dus niet om een geschil, maar om de symmetrie van het conflict, de ongedifferentieerdheid in het geweld, het aan-elkaar-gelijk-worden van de antagonisten.
Girard poneert hiermee de symmetrie in de tragedie en is er zich van bewust dat dit niet mogelijk is zonder de fundamentele gegevens van de mythe tegen te spreken. In de mythe is er geen sprake van gelijkheid of wederkerigheid tussen Oedipus en de anderen: hij alleen is schuldig aan de twee misdaden, vadermoord en incest. Oedipus wordt voorgesteld als een monsterlijke uitzondering: hij lijkt op niemand en niemand lijkt op hem. Daarentegen worden in de tragedie die misdaden omgevormd tot een reeks wederzijdse banvloeken. Oedipus en Tiresias beschuldigen elkaar van het onheil dat de stad treft. De beschuldigingen zijn in evenwicht. Hiermee is de gang van zaken in de tragedie radicaal tegengesteld aan de inhoud van de mythe. Beide sluiten elkaar uit.
Er is altijd gezocht naar een compromis dat de tegenstelling wegmoffelt. Girard wil er niet een nieuw compromis aan toevoegen. Hij kiest ervoor de twee met elkaar te confronteren: in de tragedie is er wederkerigheid, terwijl de mythe daarentegen partij kiest. Girard stelt nu de vraag: op welke grond en in welke omstandigheden heeft de mythe de knoop kunnen doorhakken? Zijn hypothese is: in de mythe wordt niet de waarheid vertolkt, maar de gecamoufleerde overwinning van één partij. Eén versie van de gebeurtenissen heeft de overhand gekregen; deze wordt door allen overgenomen en dit leidt tot de schuldigverklaring van één.
Girard volgt in dit hoofdstuk het perspectief van de
tragedie in de hoop dat dit iets wezenlijks te vertellen heeft over het ontstaan
van de mythe.
Voor de onderbouwing van de hypothese die Girard inzake de tragedie suggereert (d.i. in de tragedie wordt het wederkerige geweld van de offercrisis verbeeld) verwijst hij naar twee replieken, waarin Oedipus antwoord geeft aan het koor dat hem smeekt om Creon te sparen. In deze replieken blijkt dat de nakende val van Oedipus niets van doen heeft met zijn uitzonderlijke monsterlijkheid die hem alleen schuldig doet zijn, maar het resultaat is van de nederlaag die Oedipus in het conflict lijdt, dus het resultaat is van wederzijds geweld.
In de context van de tragedie blijkt ook dat de vadermoord en de bloedschande niet de misdaden zijn van één individu maar tezamen het eindpunt vormen van het proces van gelijkschakeling in het geweld. Er is wederzijds geweld tussen Laius en Oedipus, tussen vader en zoon; dit slorpt het wezenlijke verschil in de vader-zoon relatie op. De koningsmoord die een vadermoord blijkt te zijn betekent de overtreding van het meest fundamentele en onaantastbare verschil. De schuldige wordt, letterlijk, de moordenaar van het verschil. Ook de incest is geweld en daarmee vernietiging van het belangrijke verschil in de schoot van de familie, namelijk het verschil met de moeder.
De vadermoord en de incest worden in de tragedie vervolgens gedefinieerd in functie van hun gevolgen. De kinderen die de vrucht zijn van de incest vormen voor de gemeenschap eenzelfde gevaar als tweelingen. Allemaal tekenen van de offercrisis, die door Sophocles ook nog wordt aangeduid in een tekst waarin de bloedschande in verband wordt gebracht met de godheid Hymen, de god van de huwelijksregels en van de familiale verschillen:
Hymen, Hymen, aan wie ik het licht verschuldigd ben en die, na mij te hebben verwekt, opnieuw hetzelfde zaad hebt doen ontkiemen en die aldus vaders, broers en kinderen van hetzelfde bloed aan de wereld hebt getoond!; gehuwde vrouwen die tegelijkertijd echtgenotes en moeders zijn!
In de tragedie wordt duidelijk dat vadermoord en incest pas hun werkelijke betekenis krijgen in relatie tot de offercrisis. Zo is het ook met de pestepidemie. In de tragedie blijkt dat de besmetting en het wederzijds geweld één zijn; de pest symboliseert de offercrisis.
In de Oedipusmythe daarentegen lijken de vadermoord en de incest nergens mee in verband te staan; ze staan los van iedere context; hier wordt de offercrisis verhuld. Ook inzake de pestepidemie wordt vooral één aspect beklemtoond, het collectieve van de ramp, maar worden het geweld en het opgeheven verschil verzwegen. De mythe vervangt het alom verspreide wederkerige geweld door de uitzonderlijke overtreding van één enkel individu, Oedipus. Hij is verantwoordelijk voor het onheil in de stad. Hij is een ware menselijke zondebok.
Ook de tragedie loopt tenslotte uit op een jacht op de zondebok en de beslissende beschuldiging belandt uiteindelijk op één van de hoofdrolspelers, willekeurig, het had elk van de drie kunnen zijn. Hoofdzaak is dat het antagonisme van allen tegen allen plaats maakt voor de eendracht van allen tegen één.
Hoe is dit mirakel mogelijk? Hoe kan de eenheid van de gemeenschap die door de offercrisis totaal verstoord was, plotseling hersteld worden? Waar komt deze mysterieuze eensgezindheid opeens vandaan? De hypothese van Girard: In de offercrisis zijn alle antagonisten ervan overtuigd dat ze door reusachtige verschillen worden gescheiden. In werkelijkheid echter zijn alle verschillen aan het verdwijnen. Overal is er hetzelfde verlangen, dezelfde haat, dezelfde strategie. Naarmate de crisis groeit, worden alle leden van de gemeenschap tweelingen in het geweld: ze zijn dubbels van elkaar geworden. Het geweld uniformeert de mensen en dan kan wie dan ook de dubbel van alle anderen worden, dit wil zeggen het voorwerp van een universele fascinatie en haat. Eén enkel slachtoffer kan de plaats innemen van alle potentiële slachtoffers. Er is bijna niets voor nodig. De minste verdenking kan, in een onmiddellijke mimesis, een sneeuwbaleffect op gang brengen, uitlopend op de overtuiging van allen tegen één, met geen ander bewijs dan de onweerstaanbare unanimiteit van haar eigen onredelijkheid, zoals gebeurt bij lynchpartijen, pogroms, standrecht en dergelijke uitbarstingen. Het is opvallend dat dit collectieve geweld meestal wordt verantwoord met beschuldigingen van het Oedipustype, zoals vadermoord, incest, kindermoord enzovoort.
De betekenis en de effecten van het collectieve geweld, dit is de eenheid van allen tegen één enkel slachtoffer, worden vreselijk onderschat. Wij zien dit collectieve geweld vaak als een pathologische dwaling of als een catharsis voor een eenmalig of tijdelijk probleem. Girard ontdekt echter dat de gewelddadige eensgezindheid hét fundamentele fenomeen van de primitieve godsdienst is. In de mythe wordt dit afgeschermd en verhuld; dit is nodig voor hetgeen met de mythe wordt beoogd, het herstel van de eenheid in de gemeenschap en het voortbestaan ervan. Waarom werkt dit zo? Welke collectieve drijfveren bouwen een mythe zoals die van Oedipus op?
Het mechanisme van het wederzijds geweld (allen tegen allen) kan gezien worden als een vicieuze cirkel, een cirkel van wraak en vergelding in eindeloze herhaling. De gemeenschap die hierin verzeild is geraakt is niet in staat er weer uit te stappen. Zo dwingend werkt het mimetisch karakter van het geweld. Men kan er alleen uit ontsnappen als een enkeling gezien wordt als de verantwoordelijke voor de bezoedeling die hen allen besmet. Als ze eensgezind worden in dit geloof, dan zal dit geloof ook bevestigd worden, want er zal in heel de gemeenschap geen voorbeeld van geweld meer zijn dat nagebootst en vermenigvuldigd kan worden. Door de zondebok te vernietigen geloven de mensen echt dat ze zich van hun kwaal hebben ontdaan. En dat gebeurt inderdaad omdat er in hun midden geen spoor van fascinerend geweld meer over is.
Het zondebokmechanisme houdt dus de waarheid omtrent het onderling menselijk geweld verborgen. De collectieve overdracht van de schuld op één werkt zo doeltreffend omdat het de mensen onwetend houdt over hun eigen geweld waarmee ze nooit hebben kunnen leven. Als ze wel kennis over hun eigen geweld zouden hebben zou dit de offercrisis alleen maar doen groeien, zoals blijkt in de Oedipustragedie. Daarom komt in mythen en rituelen de offercrisis met haar onderling geweld nooit in haar ware aard aan het licht. Menselijk geweld wordt voorgesteld als van buiten de mens komend en daarom wordt het in het sacrale op één lijn gebracht met wat werkelijk van buiten komt: de dood, ziekten, natuurrampen. De zinloze naaktheid van hun eigen geweld durven mensen niet onder ogen te zien: ze zouden immers het risico lopen er door meegesleept worden. Daarom hebben ze het minstens gedeeltelijk altijd miskend. Girard zegt dat de mogelijkheid om een menselijke gemeenschap te vormen wel eens afhankelijk zou kunnen zijn van deze miskenning.
Het structurerend mechanisme van de Oedipusmythe is hetzelfde als het zondebokmechanisme. Girard betoogt dat dit ook in andere mythen zo werkt. Het gaat om het uitdrijven van de waarheid omtrent het eigen onderlinge geweld. Mensen zouden het met elkaar niet uithouden als zij niet het geweld, dat wil zeggen de kennis ervan, zouden kunnen afwenden op één enkele schuldige. Het aanvaarden van de mythe als de enige versie van de voorbije crisis is het charter van de vernieuwde culturele orde. Anders gezegd: de mensen moeten zich ervan overtuigen dat alleen een pestepidemie hun gemeenschap getroffen heeft, een ramp die van buitenaf is gekomen. Daarvoor is een onwrikbaar geloof nodig in de verantwoordelijkheid van de zondebok, de kiemdrager van de ramp die uitgedreven moet worden.
Dit is het reddingsmechanisme van de mythe, dat er in bestaat dat er een algemene consensus ontstaat over de identiteit van één enkele schuldige. Om de stad te genezen moet men het onreine wezen, dat door zijn aanwezigheid de hele stad besmet, identificeren en verdrijven. Het is een eensgezindheidsmechanisme, dat ook werkt als een afleidings- en misleidingsmanoeuvre. De mythe is er om te misleiden en te verdringen, en wel het onderlinge geweld dat schuilgaat achter de themas die wel zichtbaar gemaakt worden, de vadermoord en de incest. Deze twee themas verschaffen de gemeenschap juist wat ze nodig heeft om de offercrisis uit te wissen.
Orde en vrede worden hersteld doordat het geweld eensgezind is. Er worden leugenachtige betekenissen over verspreid, die een onwankelbare kracht krijgen. Achter die betekenissen verdwijnt de offercrisis maar ook die eensgezinde beslissing. Deze werkt als een anathema (banvloek), met een structurerende kracht. Doordat het anathema op Oedipus is gericht, verhult het de eensgezindheid zelf. Zo werkt het anathema in de vorm van vergetelheid of onverschilligheid t.a.v. het collectieve, eensgezinde geweld, waarvan de sporen uitgewist moeten worden. In de mythe treft men dus geen verwijzing aan naar het geweld als grondlegger verwezen. Integendeel.
Girard claimt dat nog geen enkele interpretatie het essentiële
van deze structuur van de mythe heeft blootgelegd. Zelfs Freud is niet
doorgedrongen tot het werkelijk verdrongene van de mythe: het gaat
immers niet om het verlangen naar vadermoord en incest, maar om het geweld dat
achter de zichtbare themas schuilgaat, om de dreiging van totale vernietiging
die afgewend en tegelijk verborgen wordt door het zondebokmechanisme.
De Oedipus die we tot nu toe zagen in de tragedie Oedipus Koning is die van vóór het collectieve eensgezinde geweld, degene die alles bezoedelt, de boosaardige. Er is echter nog een andere Oedipus; die van de tweede Oedipustragedie, Oedipus in Colonus. Wat is er gebeurd? Terwijl alle vorige geweld slechts nieuw geweld veroorzaakte, heeft het geweld tegen dit slachtoffer plotseling en als door een wonder alle geweld laten ophouden. Het religieuze denken stelt zich vragen hierover. Het gaat immers om het voortbestaan van de gemeenschap. Omdat de mensen in het algemeen er nooit in geslaagd zijn om het mechanisme van de gewelddadige eensgezindheid te ontdekken schrijft men het heilzame resultaat toe aan dit slachtoffer. Op het hoogtepunt van de crisis slaat het op de spits gedreven wederkerige geweld plotseling om in vrede brengende eensgezindheid. De zondebok is de draaischijf, de spil van deze metamorfose. Hij maakt die overgang mogelijk, hij is die overgang.
Het oorspronkelijk religieus denken vraagt niet dat de held eerst zijn boosaardigheid aflegt. Het werkt empirisch: Oedipus is eerst boosaardig en daarna heilzaam. Hem van schuld vrijspreken komt niet eens ter sprake. Het religieuze denken constateert een mysterieuze band tussen het allerboosaardigste en het allerheilzaamste en dit feit ontsnapt totaal aan het menselijk oordeels- en begripsvermogen. De boosaardige Oedipus wordt niet uitgeschakeld. Hoe zou dit trouwens kunnen, aangezien het de uitdrijving van een schuldige (aan vadermoord en incest) is die het verdwijnen van het geweld heeft veroorzaakt. Als Oedipus de redder is, dan juist in zijn hoedanigheid van vadermoordenaar en bloedschender.
Girard concludeert dat het zondebokmechanisme een verklaring geeft voor het ontstaan en de structuur en voor de themas van de Oedipusmythe. Hij meent ook dat zijn analyse op een groot aantal mythen zou kunnen worden toegepast. Hij vraagt zich af of het de drijvende structurerende kracht is van elke mythologie. In zijn hypothese gaat hij zelfs nog verder. Hij veronderstelt dat het sacrale zelf en de transcendentie die er het kenmerk van is, leenplichtig zijn aan het eensgezinde geweld en de sociale eenheid die ontstaat of hersteld wordt door de uitdrijving van de zondebok. Als dit inderdaad zo is, dan moeten niet alleen de mythen ter sprake komen, maar ook de rituelen en het religieuze in zijn geheel. Deze vormen dan ook het onderwerp van het volgende hoofdstuk.
In bijna alle culturen waarin het rituele offer voorkomt is
er een verbazingwekkende gelijkenis tussen de riten. Hoe meer men onderzoek doet
naar deze structurele eenheid, des te meer groeit de veronderstelling dat het
vreemde verschijnsel van het offer een oorsprong in de werkelijkheid moet
hebben. Dit is een andere opvatting dan die van Hubert
en Mauss die in het offer de oorsprong zien van de godheid en van alle
religie. De goden zouden zijn verwekt na een lange reeks van herhaalde offers.
Als dit zo zou zijn, rijst de vraag wat de reden van die herhalingen geweest
moet zijn en waaraan de offerpriesters gedacht moeten hebben toen zij nog geen
goden hadden om mee te communiceren.
Girard heeft al eerder opgemerkt dat de opvatting als
zouden offers tot voornaamste doel hebben in relatie te treden met de
godenniet ernstig genomen moet worden. Hij stelt: het offer is een menselijke
aangelegenheid en moet in menselijke termen geïnterpreteerd worden. Adolphe
Jensen citerend uit diens Mythes et
cultes chez les peuples primitifs, stelt hij De mens moet erg
schokkende ervaringen hebben opgedaan om zulke wrede handelingen in zijn leven
in te voeren. Waarom heeft hij zoiets gedaan? Wat heeft de mensen zodanig
getroffen dat ze hun gelijken gingen doden, niet vanuit half-dierlijke
instincten, maar gedreven door een bewustzijn dat cultuurvormen schiep? We
moeten ons afvragen of er, de eerste keer,
niet werkelijk iets beslissends heeft plaatsgevonden. Een gebeurtenis die de
mensen zo sterk getroffen heeft dat ze behoefte hadden aan een vereeuwiging van
dit getroffen zijn, in religie en misschien wel in alle cultuurvormen.
De rituele herdenkingen waarin gedood wordt, zijn zo
buitengewoon talrijk dat ze spontaan de gedachte oproepen dat het oorspronkelijk
gebeuren bijna onvermijdelijk een moord geweest is.
Ook Freud is tot dit inzicht gekomen
in Totem en Taboe. Het gaat in deze
offers in alle samenlevingen om hetzelfde type moord, dat te maken heeft met een
offercrisis en het zondebokmechanisme. Het eensgezind geweld tegen de zondebok
heeft een eind gemaakt aan de crisis, waarna de gevolgen van dit mechanisme
worden bestendigd en telkens vernieuwd in een offerritueel, dat dus tot functie
heeft het geweld buiten de gemeenschap te houden. Daarom wordt gesproken van stichtend
geweld, want het wordt als de stichting van de culturele orde beschouwd. Van
de vermoorde godheid komen niet alleen de riten, maar ook huwelijksregels,
verboden en cultuurvormen die aan mensen hun menselijkheid verschaffen. De
weldaden van het stichtend geweld reiken zelfs verder dan de menselijke
relaties. De collectief bedreven moord wordt ook als bron van alle
vruchtbaarheid gezien; het voortplantingsbeginsel wordt eraan toegeschreven; de
graankorrel die sterft en daardoor leven voortbrengt. Dit alles betekent dat
religie aan de oorsprong van alle menselijke samenlevingen staat.
Voor het inzicht in de functie van het offerritueel is ook het verschijnsel van de farmakos belangrijk. De stad Athene had een aantal ongelukkigen (slaven) ter beschikking om in geval van dreigend onheil te kunnen offeren. Men wilde hiermee het model van de vroegere crisis nabootsen die dankzij het zondebokmechanisme tot ontknoping was gekomen. Het offerritueel rond de farmakos was de herhaling van een eerste, spontane moord die de orde in de gemeenschap hersteld had. De farmakos heeft dezelfde dubbele connotatie als de oorspronkelijke zondebok: hij wordt gezien als schuldig (alle onreinheid in de gemeenschap wordt op zijn hoofd verzameld), maar hij wordt tevens met religieuze verering omringd. Hij is het instrument dat alle boosaardig geweld naar zich toe moet halen en, door zijn dood, in vrede en vruchtbaarheid zal omzetten. In dit verband is het illustrerend dat het woord farmakon zowel gif als tegengif betekent, kwaal en geneesmiddel.
In de rite van het mensenoffer is de band met het
oorspronkelijke zondebokmechanisme gemakkelijk te vatten. De vraag is nu of ook
dierenoffers omschreven kunnen worden in termen van mimesis,
van een stichtende collectieve moord; of ook het dierenoffer het model van
de dood van een zondebok navolgt. Het gaat hierbij om de vraag of de zondebok
werkelijk de sleutel is van alle riten. Girard stelt dat het lot van zijn
hypothese hiervan afhankelijk is.
Om zijn hypothese te onderbouwen gebruikt hij de bevindingen van Godfrey Lienhardt in diens boek Divinity and Experience over de nog bestaande offerplechtigheden bij de Dinka. De aanwezigen gaan bij die gelegenheid schijngevechten met elkaar aan in rituele vorm, rituele nabootsing van wederkerig geweld (de offercrisis). Af en toe gaat iemand naar een koe of kalf dat aan een paaltje vastgebonden staat en slaat of scheldt op het dier. Stapsgewijze gaat het versplinterende en ontbindende onderlinge geruzie over in collectieve boosheid op het rituele slachtoffer. Op deze wijze wordt de metamorfose van wederzijds geweld naar eensgezind geweld uitgebeeld en opnieuw herbeleefd in de rite. De doodslag bestaat soms uit een collectieve stormloop op het dier en men heeft het dan vooral gemunt op de genitaliën. Daarbij speelt op de achtergrond dat vooral seksuele overtredingen de gewelddadige vernietiging van de verschillen betekenen en daarmee de vernietiging van de culturele orde (denk aan Oedipus en de beschuldiging van vadermoord en incest). De offerdood is bedoeld als een straf, maar de herhaling ervan behoort tot het ritueel denken dat er weldaden van verwacht. Deze weldaden zijn reëel. Het rituele denken kan niet begrijpen waarom ze bekomen worden; alle verklaringen zijn mythisch. Maar het weet wel hoe de weldaden bekomen worden en daarom worden dezelfde handelingen steeds herhaald.
Na de slachting maken de wreedheden tegen het dier plaats
voor een soort religieuze eerbied. Dit hangt samen met de catharsis brengende ontspanning die uit het offer voortkomt. Lienhardt
noemt dit geslachtofferde dier een zondebok, in die zin dat het de drager
wordt van de menselijke hartstochten, een dierlijke farmakos
die de reële gevoelens van vijandschap op zich neemt, die de leden van de
gemeenschap voor elkaar koesteren,
hoewel die meestal verborgen blijven. Nu het slachtoffer het wederkerig
geweld/vijandschap meegesleurd heeft in zijn dood, heeft het de rol gespeeld die
men ervan verwachtte. Het wordt gezien als de incarnatie van het boosaardige én
het heilbrengende geweld, de Al-Macht die van heel hoog over de mensen heerst.
Het is redelijk om hem buitengewone eer te betuigen.
De louterende werking die van dit offerritueel uitgaat
(daar waar dit levend is gebleven) is efficiënt, zoals in hoofdstuk I
beschreven is, omdat het de herhaling en de nabootsing is van het destijds één
makende geweld. Deze eensgezindheid is ook bij het ritueel offer essentieel;
ieder van de aanwezigen moet zijn instemming en medewerking betuigen. Anders zou
het offer zijn kracht verliezen. Dit thema van de eensgezindheid blijkt voor te
komen in alle religies, onafhankelijk van elkaar.
Naar aanleiding van de in het eerste hoofdstuk beschreven substitutie moet benadrukt worden dat het rituele slachtoffer de plaats inneemt van de zondebok, nooit die van een individueel lid van de gemeenschap; individualisering van het offer is in strijd met de geest ervan. En de zondebok neemt de plaats in van alle leden van de gemeenschap Het oorspronkelijke en ook het rituele offer zijn beide een sociale instelling. De oorspronkelijke zondebok heeft eenmalig curatief gewerkt. Het rituele slachtoffer werkt door middel van de veelvuldige herhaling preventief: het moet het terugvallen in de offercrisis verhinderen. Uit het oorspronkelijke stichtende geweld heeft zich in de rite als het ware een soort techniek van het louterende tot-rust-brengen ontwikkeld. De rite heeft regels bepaald voor hetgeen aan alle regels ontsnapt.
Terwijl er nog veel van deze hypothese verklaard moet
worden kan wel reeds de fundamenteel mimetische aard van het offer t.a.v. het
stichtend geweld herkend worden. Essentieel en tevens werkzaam is het herhalen
van steeds hetzelfde schema, met name dat van het unanieme geweld tegen de
zondebok, dat elke crisis zegevierend te boven komt, zij het in een andere en
gematigder vorm, want het gebeurt niet in een situatie van acute crisis.
Wat zich hier begint af te tekenen is een theorie van de mythe en de rituelen, dat wil zeggen van religie in het algemeen; echter nog in de vorm van een werkhypothese. Girard stelt uitdrukkelijk dat de lezer nog niet overtuigd zal zijn, want het toeschrijven van een reële oorsprong aan de religie gaat in tegen de gangbare opvattingen. Dit betreft vooral de betekenis van de zondebok en het eensgezinde geweld.
Met dit doel voor ogen analyseert Girard onder andere de ondoorzichtige systemen van Afrikaanse monarchieën. In een scenario van, meestal symbolische, incest en andere overtredingen moet de koning, in gelijkenis met de Oedipusmythe, het rituele spel van de offercrisis meespelen. In dit scenario wordt hij eerst als schuldige en daarna als redder en meester bestempeld. Hiermee wordt de culturele orde, die voortdurend met ontbinding bedreigd wordt, telkens weer bestendigd en vernieuwd. Het geweld tegen de zondebok dient als universeel model omdat het (de eerste keer) werkelijk vrede en eenheid heeft hersteld. De rituele nabootsing van het zondebokmechanisme is wel aan strenge vormen en voorschriften gebonden, om het rite te doen blijven. Het mag niet leiden tot een nieuwe echte offercrisis.
Girard wil vooral duidelijk maken dat het eensgezinde
stichtende geweld (tegen de zondebok) de 'moedervorm' is van alle mythische en
rituele betekenissen. Iedere offerrite bevat bepaalde vormen van geweld. Het
gaat er immers om dat mensen zich telkens weer bewust worden van het grootste
gevaar dat de gemeenschap bedreigt, het eigen onderlinge boosaardige geweld. De
incest wordt beschouwd als de boosaardige daad bij uitstek en is onlosmakelijk
verbonden met het kwaad dat vermeden moet worden. Maar de genezing hiervan zit
vermengd met het hoogtepunt van het kwaad. De
rite bestaat alleen om na de vreselijke gelijkschakeling in de offercrisis het
verschil te restaureren en te verstevigen:
het verschil tussen geweld en geweldloosheid; en ook dit verschil wordt door
de mensen gezien/beleefd als te liggen in de schoot van het geweld. Goed en
kwaad worden in het ritueel denken gezien als twee aspecten van dezelfde
realiteit. Precies daarom is de rite mogelijk. De rite kiest een zekere vorm van
goed geweld uit, dat blijkbaar noodzakelijk is voor de eenheid van de
gemeenschap, tegenover een ander geweld dat slecht blijft omdat het met de
slechte wederkerigheid vereenzelvigd wordt. Er bestaat een machine (in de
rite) om besmettelijk geweld om te zetten in positieve cultuurwaarden.
Deze metamorfose van het boosaardige geweld is van fundamenteel belang voor elke menselijke gemeenschap. Tegelijk is er de onmacht om het geheim van deze metamorfose te doorgronden. Daarom hebben mensen de rite nodig en moet de rite tezelfdertijd zeer analoge en zeer verschillende vormen vertonen.
Aan het slot van dit hoofdstuk brengt Girard het antropologisch tekort van Freud ter sprake en de psychoanalyse. Het was geniaal van Freud om de vadermoord en de incest aan te wijzen als iets essentieels in de menselijke cultuur, maar verder kwam hij niet. Hij heeft het mis als hij de misdaden van de zondebok (vadermoord en incest met de moeder in de Oedipusmythe) ziet als het verborgen verlangen van elke mens en er dus de sleutel van elk individueel menselijk gedrag in ziet. Elke misdaad in de mythe is een zinspeling op iets anders dan zichzelf. De vadermoord en de incest moeten veralgemeend worden. Ze staan voor het absolute punt van de offercrisis, ze trekken een scherm op voor de eindeloze wederkerigheid van het geweld, de crisis die wordt weggemoffeld en op de zondebok wordt afgewenteld. In de mythe wordt de angst voor het absolute en vernietigende geweld verdrongen. De mensen zouden niet kunnen leven met het besef van deze dreiging. Girard besluit: We kunnen Freud dus beschouwen als een stap naar de onthulling van een verdrongen iets dat wezenlijker is dan het zijne en dat hij tastend poogt te benaderen; maar het absolute geweld blijft nog verborgen door bepaalde vormen van nog steeds sacrificiële miskenning.
In dit hoofdstuk
onderzoekt Girard een tweede Griekse mythe, die van Dionysus. Ook bij deze mythe
doet hij dit door middel van een tragedie, De Bacchanten van Euripides. Het is gedeeltelijk een herhaling van
de analyse van de Oedipusmythe (van Sophocles). Girard wil aan de hand van deze
tragedie zijn basishypothese over het spel van het geweld nader onderbouwen en
uitwerken.
De Bacchanten gaat
over het bacchanaal van de vrouwen van Thebe. Als het ware door de godheid (Dionysus)
bezeten, verlaten alle vrouwen hun gezin om op de Kithairon te gaan stoeien en
het eerste bacchanaal te vieren. Deze zwerftocht van de bacchanten begint als
een idyllisch feest maar ontaardt vrij snel in een bloederige nachtmerrie. Deze
tragedie kan het best getypeerd worden als het
feest dat verkeerd afloopt, hetgeen
een beeld is voor het terugvallen in de offercrisis. Het wijst terug naar de
gewelddadige oorsprong van het feest, het wederzijds geweld. Aan dit beeld ligt
Girards interpretatie van het feest ten grondslag. Daarom begint hij dit
hoofdstuk met een beschouwing over de oorsprong en de aard van het feest.
Feesten hebben lange
tijd hun ritueel karakter behouden. Het opvallende van feesten is dat dingen
getolereerd worden die anders verboden zijn. Die overtredingen zijn
verbeeldingen van een algemeen vervagen van de verschillen of het omkeren van de
verschillen: familiale en sociale hiërarchieën
worden tijdelijk ondersteboven gegooid. Dit komt op het feest tot uiting in bv.
het optreden van de nar, het uiten van wartaal, en ook in travestiekleding;
overheden worden belachelijk gemaakt; rivaliteit en conflict worden uitgedrukt
in de vorm van spelen en wedstrijden; men geeft zich over aan overmatige
consumptie en verspilling. Dit alles wijst erop dat het feest een herdenking is
van de offercrisis. De crisis van de verschillen en het wederzijdse geweld
vormen het voorwerp van een vreugdevolle herdenking omdat ze ervaren worden als
de noodzakelijke antecedenten van de oplossing ervan door het eensgezinde geweld
(tegen de zondebok). Daardoor worden de boosaardige aspecten van de crisis
vergeten en wordt de betekenis ervan zodanig omgekeerd dat het reden tot feest
wordt. Het feest berust dus op de interpretatie van het spel van het geweld die
een continuïteit veronderstelt tussen de offercrisis en de oplossing ervan. De
functie van het feest verschilt niet van die van de andere offerriten: de
terugval in het wederzijds geweld voorkomen.
In deze visie op de
oorsprong van het feest wordt duidelijk dat de elementen die overgebleven zijn
en die tegenwoordig het feest overheersen niet de bestaansreden van het feest
zijn. Girard wijst erop dat de deritualisering van het feest, naast het
verdwijnen van ook andere riten, het gevaar inhoudt van verval in decadentie.
Vandaar dat echte kunstenaars het gevoel hebben dat in de zouteloosheid van het
feest, waar men een soort eeuwige vakantie van gemaakt heeft, een tragedie
schuilt. Girard verwijst hierbij naar de films van Fellini waarin de sfeer van de
vakantie die verkeerd afloopt wordt verbeeld.
Hij wijst ook naar de culturen zoals die van de Kaigang waar het feest niet
het minste rituele kenmerk meer vertoont en
verkeerd afloopt, in die zin dat het tot zijn gewelddadige oorsprong weerkeert:
in plaats van het geweld schaakmat te zetten brengt het een nieuwe geweldcyclus
op gang. Dit gebeurt als gevolg van een omkeringsproces, analoog aan dat van het
offer (in de offercrisis). Alle riten kunnen het voorwerp van zon
omkeringsproces worden.
Terug naar De
Bacchanten. In deze tragedie wordt de conflictsymmetrie zichtbaar die
optreedt als de verschillen verdwijnen. In
de mythe wordt deze symmetrie verborgen achter de mythische betekenissen en zo
is het ook in de rite van Dionysus. In de tragedie daarentegen wordt dit
essentieel aspect van de offercrisis zichtbaar gemaakt, in het bacchanaal.
Aanvankelijk is de afwezigheid van verschil vreedzaam, maar glijdt al gauw af
naar een gelijkschakeling in het geweld. In 3 opzichten: 1. De opheffing van het
verschil in geslacht, die in het rituele bacchanaal als een feest van liefde
wordt voorgesteld, verandert in de tragedie in antagonisme. 2. Ook het verschil
tussen mens en dier verdwijnt, iets wat altijd samengaat met geweld. 3.
Vervolgens dreigt in de Dionysische extase ook het verschil tussen god en mens,
tussen Dionysus en Pentheus, verloren te gaan. In de tragedie gaan alle
verschillen in een mengkroes verloren, met inbegrip van het verschil tussen
menselijkheid en goddelijkheid. De mythische en rituele waarden gaan daarbij
verloren in het wederzijds geweld.
Hiermee wordt in deze
tragedie de beslissende vraag omtrent de mythe en de culturele orde in haar
geheel aan de orde gesteld. Euripides blijft echter vóór die vraag stilstaan.
Terwijl in het verloop van de hele tragedie de chaos van het wederzijds geweld
heerst wordt op het einde toch de specifiteit van het goddelijke, dus toch het
verschil, opnieuw bevestigd, en wel op een vreselijke manier: door de moord op
Pentheus (opeens de zondebok) die wordt voorgesteld als een goddelijke actie.
Het lijkt wel dat de strijd tussen de almacht van Dionysus en de zondige
zwakheid van Pentheus nooit gelijk geweest is. Deze uiteindelijke triomf van het
verschil dekt de symmetrie van de tragedie toe. Girard noemt dit het probleem
van De Bacchanten; het komt hem voor
dat deze tragedie een heen en weer beweging is tussen durf en schuchterheid.
Euripides schrikt er voor terug om de vraagstelling tot in het uiterste door te
trekken, evenals Sophocles dit heeft gedaan; hij deinst terug voor nog een
beetje meer durf. Maar deze keer deinst hij niet stilzwijgend terug; hij
rechtvaardigt zijn beslissing met de argumentatie Wat de menigte eenvoudigen
gelooft en beoefent aanvaard ik ook voor mij.
Datgene waarvoor hij
terugdeinst is de aard van de kennis, waarover de mensen in onwetendheid
verkeren. Die onwetendheid betreft de waarheid omtrent het geweld. Om het geweld
tenslotte tot zwijgen te brengen en opdat er een laatste (en meteen ook een
goddelijk) woord van het geweld zal zijn, moet het geheim van de
doeltreffendheid ervan ongeschonden blijven. Het mechanisme van de
eensgezindheid (in het geweld tegen de zondebok) moet ondoorzichtig zijn. Als
men de onwetendheid zou opheffen, loopt men het risico de mensen aan een veel
groter gevaar bloot te stellen. Men ontzegt hun dan de bescherming die één is
met het niet-begrijpen. Men trapt de enige rem kapot die op het geweld zit. De
religie beschermt de mensen zolang haar ultieme grondslag niet wordt
blootgelegd. Dit is de functie van religie: zij bevrijdt de mensheid werkelijk,
want ze verlost de mensen van de vermoedens die hen zouden vergiftigen indien ze
het werkelijk verloop van de crisis zouden doorzien.
In de tragedie echter worden de mythische betekenissen ontbonden; daarom
deinst de tragediedichter terug: er dreigt een kennis te groeien die verwoestend
gaat werken, Euripides verwijst ernaar, bijna openlijk.
De mythe
werkt als een niet-bewust proces, met de zondebok als basis en ten koste van de
waarheid omtrent het geweld; deze waarheid wordt niet verdrongen, maar wel
van de mens losgemaakt en vergoddelijkt. De tragedie
ontmaskert deze dubbele illusie van een gewelddadige godheid en van een
onschuldige gemeenschap. Zij ontmaskert het bacchanaal. Daardoor vernietigt zij
de basis van de miskenning waarop het hoogtepunt van de rite steunt. De rite is
niet op het geweld maar op de vrede gericht. De ontmaskering in de tragedie
stelt ons het bacchanaal voor als louter bezetenheid, als overgave aan het
geweld. Dit betekent dat de ontmaskering zelf ook gewelddadig is aangezien ze
onvermijdelijk de rite zwakker maakt
of er mede toe bijdraagt die slecht te laten aflopen. De anti- religieuze
ontmaskering is al even dubbelzinnig als de
religie zelf omdat ze helemaal niet ijvert voor vrede en redelijkheid zoals
een wereld die blind is voor de rol van het geweld in de menselijke
samenlevingen zich dat voorstelt. Euripides voelt deze dubbelzinnigheid aan;
daarom keert hij vaak op zijn schreden terug en slaat hij de andere richting in;
hij weifelt tussen durfen schuchterheid. Daarmee wekt hij de indruk
nu eens de verdediger dan weer de aanklager van het bacchanaal te zijn.
De incoherentie van
de tragedie komt echter niet voort uit deze psychologie van Euripides, dat
wil zeggen zijn weifeling tussen durf en schuchterheid, maar uit de
bovenbedoelde ondermijning, d.i. de waarheid omtrent het geweld die Euripides
niet wil en niet kan vatten, maar die (niet doorzien) toch zo sterk aanwezig is
dat ze alle verschillen op hol doet slaan. Nergens komt de tragedie in
evenwicht.
In De Bacchanten
wordt verbeeld dat de tussenkomst
van de godheid leidt tot de teloorgang van de stichtende eensgezindheid en het
wegglijden in het wederkerig geweld. Het (wederkerig) geweld vernietigt alles
wat het (eensgezinde) geweld had opgebouwd. De god laat overal puin en verderf
achter. Allen die hem willen bezitten raken in conflict met elkaar. Blijkbaar
steekt achter deze goddelijkheid alleen maar geweld. (De echte goddelijkheid
wordt pas werkelijkheid in haar transcendentie; het ontstaan van de god gebeurt
met het eensgezinde geweld als tussenschakel.)
Deze goddelijkheid tot inzet van een conflict maken is een bedrieglijke
illusie, ze ontglipt aan iedereen en leidt tot wederkerig geweld. Toch grijpen
de hoofdrolspelers van de tragedie naar deze bedrieglijke illusie. Dit is wat
het koor (in de tragedie) zo goed begrijpt en waarom het niet in het conflict
betrokken wenst te worden.
Uit deze korte
samenvatting blijkt dat we ons ervoor moeten hoeden dit conflict te
interpreteren vanuit de objecten ervan. We moeten bij het interpreteren van de
rivaliteit in de tragedie de gewone volgorde omkeren. Gewoonlijk neemt men aan
dat er eerst een object is, daarna de begeerten die onafhankelijk van elkaar bij
dit object samenkomen, en tenslotte het geweld als een toevallig gevolg van dit
samentreffen.
Naarmate de
offercrisis in omvang toeneemt blijkt echter dat de oorzaak van het conflict
niet ligt in de intrinsieke waarde van een object dat de begeerten aanwakkert,
maar dat het geweld zelf waarde verleent aan de objecten. Het is, met andere
woorden, het geweld dat de objecten van de geweldpleger waardevol maakt. Laius
(in Koning Oedipus) is niet gewelddadig omdat hij vader is; het is andersom: omdat hij
gewelddadig is, wordt hij als de vader en de koning aangezien. Girard vraagt
zich hierbij af of dit de betekenis is van de woorden van Heraclitus: Het
geweld is vader en koning van alles.
Als wij in onze
samenleving geweld waarnemen, zijn wij geneigd het sadisme of masochisme te
noemen of het als een pathologisch verschijnsel te zien, een afwijking t.o.v.
een norm die buiten het geweld ligt. We zijn immers van mening dat er een
normaal en natuurlijk verlangen bestaat, een niet-gewelddadig verlangen waar de
meeste mensen zelden ver van afwijken. Girard zegt hierop: Indien de
offercrisis een universeel verschijnsel is, dan mag men beweren dat deze
opvatting onjuist is. Op het hoogtepunt van die crisis is het geweld
tegelijkertijd het instrument, het object en het universele subject van alle
verlangens. Daarom zou elk sociaal bestaan onmogelijk zijn als er niet een
zondebok zou zijn. Door zo'n zondebok immers wordt het allesvernietigende
wederkerige geweld omgebogen naar scheppend, ritueel geweld; dat wil zeggen dat
het onderlinge geweld vanaf een bepaald punt wordt opgelost in een culturele
orde.
Girard vervolgt
zijn onderzoek door te wijzen op een derde weg. Naast het subject en het object
in de verlangens is er ook een derde: de rivaal. Het is zelfs zo dat deze
voorrang heeft op subject en object. Dit betekent dat de rivaliteit niet de
vrucht is van een toevallige convergentie van twee verlangens naar eenzelfde
object. Het subject begeert het
object omdat de rivaal zelf het begeert.
Door een object te begeren maakt de rivaal het begeerlijk voor het subject. De
rivaal is hierdoor tevens model. Dit gaat zo ver dat het subject niet alleen
begeert wat de ander (het model)
heeft maar ook wat hij is,
een grotere 'zijnsvolheid'. Het model wijst dit hoogst begeerlijke object niet
aan met woorden, maar door zijn eigen begeerte.
De begeerte is
wezenlijk mimetisch; ze
kiest hetzelfde object als het model. Tegelijkertijd is het ook zo dat twee
begeerten die naar hetzelfde object convergeren, een hindernis zijn voor elkaar.
Elke mimesis in
de begeerte mondt automatisch uit in een conflict. Maar mensen zijn altijd min
of meer blind voor die oorzaak van rivaliteit. Noch het model noch de discipel
zijn bereid te erkennen dat zij elkaar tot rivaliteit bewegen. Dit gegeven,
gekoppeld aan dat van de mimetische tendens in de mens, leidt tot de
tegenstrijdigheid van de double
bind. Girard bedoelt daarmee het volgende. De mens kan niet aan het overal
weerklinkende gebod Boots mij na gehoorzamen, zonder meteen geconfronteerd
te worden met een onverklaarbaar Boots mij niet na. Mensen en begeerten
zijn van dien aard dat ze elkaar voortdurend tegenstrijdige signalen sturen en
niemand is er zich van bewust dat hij voor de ander een valstrik spant, omdat
iedereen zelf in een gelijksoortige val aan het trappen is. De double bind is het net van
tegenstrijdige geboden waarin mensen elkaar gevangen houden: een uiterst
banaal fenomeen, maar te beschouwen als de grondslag van de menselijke relaties.
Het verlangen mag dan vrij zijn richting bepalen, door zijn mimetische aard stort het zich blindelings op het obstakel van een concurrerende begeerte; iedere keer botst het op het geweld van het verlangen van de tegenstander, een proces dat zichzelf voedt. Daardoor ontstaat de overtuiging dat het geweld zelf het betrouwbaarste kenmerk is van het wezen dat hem steeds ontwijkt. Voortaan zijn begeerte en geweld met elkaar verbonden. Het subject kan geen geweld ondergaan zonder een begeerte te zien ontwaken (zie hierboven Heraclites' 'Het geweld is koning en vader van alles'). Het geweld wordt het betekenisgevende kenmerk van het absoluut begerenswaardige, dat zijn aantrekkelijkheid ontleent aan het feit dat het ondoorgrondelijk en onbereikbaar blijft. Het subject aanbidt èn haat dit geweld. Het mimetisch verlangen en de onreine besmetting, die op één lijn staan, vormen samen de motor van de offercrisis. Deze zou de hele gemeenschap vernietigen als er niet de zondebok zou zijn om haar tegen te houden en de rituele mimesis om haar te beletten zich opnieuw te ontketenen. De culturele orde (regels en verboden, rituele vormen en ritueel gevestigde activiteiten) verhindert dat de begeerten convergeren naar eenzelfde object en tevens beschermt zij in het bijzonder het kind tegen de rampzalige gevolgen van de double bind.
Voor een goed begrip van de themas in de tragedie is voorts het volgende van belang. De hoofdrolspelers zijn niet werkelijk van elkaar onderscheiden. De rollen wisselen voortdurend. Wat van de een gezegd kan worden is ook geldig en even onvoldoende als voor alle anderen. Dit wordt heel duidelijk als men de tragedies in hun geheel overziet. Oedipus is in Oedipus Koning de verdrukker, maar in Oedipus in Colonus is hij de onderdrukte. Creon is de onderdrukte in Oedipus Koning, maar in Antigone is hij de onderdrukker. De tragedies overstijgen het niveau van de individuele lotgevallen zoals in het romantische drama. Het gaat niet om de gebeurtenissen van één persoon. De tragedie wordt gekenmerkt door de voortdurende kentering of afwisseling. Die afwisseling is een verhouding. Steeds wisselen de verhoudingen, het zijn draaiende tegenstellingen. Gedurende het hele conflict slingert de overwinning, d.i. het onweerstaanbare geweld, heen en weer tussen de strijders, om het even of het fysiek of verbaal is. Iedereen begeert dit geweld, omdat dit het zijn en de goddelijkheid betekent. Het geweld volgt de begeerte als haar schaduw en houdt daarom nooit op. (Wij weten dat alleen de collectieve uitdrijving het geweld buiten de gemeenschap kan verbannen: dan is het eensgezind geweld geworden, het geweld dat zichzelf uitschakelt.)
Maar zolang het geweld aanwezig blijft onder de mensen en
tegelijkertijd het god-zijn daarvan de inzet blijft, laat het zich niet
uitschakelen. Dit is wat in De Bacchanten wordt gesuggereerd. En
dit is wat Girard bedoelt met wat essentieel is voor het begrijpen van de
tragedies: het idee dat de inzet van de goddelijkheid samenvalt met het geweld.
Ofschoon dit niet letterlijk in de tragedietekst op deze wijze gezegd wordt is
dit idee wel bij uitstek Grieks. Bij
Homerus is duidelijk het verband aan te wijzen tussen het geweld, de begeerte en
de godheid. In dit verband wordt het woord kudos gebruikt, dat een quasi
goddelijk prestige uitdrukt, een soort mystieke uitverkiezing die verweven is
met militaire triomf. Er wordt om het kudos gestreden. Het gaat om de
magisch religieuze dimensie van het triomferende geweld. God zijn betekent
bestendig over het kudos beschikken. Het zijn de goden die het kudos nu
eens aan de een en dan weer aan een ander verlenen.
Zolang het kudos er is, als inzet van een onderling gevecht onder de mensen, bestaat er geen effectieve transcendentie die de vrede kan herstellen. Het spel van het kudos geeft ons een beeld van het verval van het goddelijke in de gewelddadige wederkerigheid. Het heen en weer gaan van het kudos tussen de twee partijen verloopt op dezelfde wijze als de wisselingen in de tragedie. De slingerbeweging van het kudos is de voortdurend wisselende verhouding tussen heerser en onderdrukte. De willekeurige aard van dit alles geeft aan dat de rivaliteit geen ander object heeft dan zichzelf. Om aan te geven dat het om diepgaande zaken gaat met mythische betekenis wijst Girard op de relatie met de term thymos in de betekenis van toorn. Kudos en thymos zijn twee verschillende perspectieven van eenzelfde verhouding, waarin de tegenstanders elkaars geweld assimileren met de strijd om elkaars ziel en levensadem, het zijn zelf.
De huidige psychiatrie heeft aan de alternerende aan- en
afwezigheid van de thymos de term cyclothymie ontleend. Ze bedoelt
daarmee aan te geven dat achter elke cyclothymie altijd de mimetische begeerte
en de innerlijke rivaliteitsdrang steekt. De psychiatrie vergist zich echter als
ze de cyclothymie als een puur individueel verschijnsel beschouwt. Elke
individuele cyclothymie is altijd maar de helft van de verhouding tot een ander.
Achter de pathologische vormen van de cyclothymie zit een antagonistische
structuur. Dat dit antagonisme door de moderne psychiatrie niet gezien wordt,
komt doordat inmiddels alle sporen ervan uitgewist zijn. Maar als ze vrij spel
zou krijgen, zou de cyclothymie van de tragedie steeds meer individuen en
tenslotte de hele gemeenschap meevoeren naar waanzin en dood. De
duizelingwekkende slingerbeweging van de verhoudingen in de tragedie laat
uiteindelijk de sterkste huizen wankelen en in puin vallen.
Het koor (in de tragedie) doorziet dit en wil zich hoeden
voor de besmetting; het geeft stem aan de zin voor maat en evenwicht die door de
gewone mensen verlangd wordt. Naast onbegrip en afwijzing van deze zienswijze
van Girard zijn er onder de moderne intellectuelen ook enkelen die de
draagwijdte van het tragedie-begrip ommekeer aanvoelen. Girard noemt in
dit verband Hölderlin, die het verband tussen de tragedie en de waanzin in zijn
eigen bestaan beschrijft in zijn gedichten, romans, essays en brieven, die we
volgens Girard letterlijk moeten lezen. In de brieven aan Schiller komt de
slingerbeweging van de god en het niets aan de orde; hierin beschrijft hij zeer
helder de situatie van de discipel die ziet hoe het model van de begeerte een
obstakel en een rivaal wordt.
Girard wil met deze beschouwingen meer duidelijkheid verkrijgen over het mechanisme van de gewelddadige oplossing, het geheim van de eensgezindheid die tegen en rond de zondebok wordt hersteld, nog anders gezegd: hoe de substitutie in het offer mogelijk is. Zijn wijze van denken is als volgt. Binnen de gemeenschap is iedereen met iedereen in conflict gekomen; alle leden zijn tegenstanders van elkaar geworden; dat betekent dat zij in hun gedrag ten opzichte van elkaar niet meer te onderscheiden zijn. In hun gedragingen zijn zij onderling verwisselbaar. Eerder werd dit door Girard uitgewist verschil en symmetrie genoemd. Alles is wederkerig. In die zin zijn de antagonisten dubbels geworden.
Nu is het zo dat deze symmetrie alleen van buitenaf als
zondanig te observeren is. Intern, binnen de gemeenschap, ziet men alleen verschillen.
Nochtans wordt de stichtende eensgezindheid niet van buitenaf verwerkelijkt; dat
gebeurt door de antagonisten zelf die deze objectieve kijk moeten missen. Dat
wil zeggen dat de gelijkheid en wederkerigheid op een af andere manier duidelijk
moeten worden aan de antagonisten zelf. Dit gebeurt in een proces dat niet
bewust wordt doorzien door de betrokkenen zelf, maar wat zich afspeelt, zoals
Girard het beschrijft, in termen van hallucinatie. Naarmate de crisis intenser
wordt worden de verschillen zo heen en weer geslingerd dat men ze niet langer
kan onderscheiden. Zelfs de grootste tegenstellingen gaan zich door elkaar
mengen. Iedereen verkeert op den duur in een Dionysische duizeling zodat
de familiale, culturele en biologische verhoudingen aangetast worden. De
gemeenschap verkeert in een hallucinante toestand. Alle samenhang is verloren
gegaan en verworden tot een vormloos, monsterachtig mengsel. Het monsterlijk
karakter en de grilligheid vieren hoogtij en de monsters lijken allemaal op
elkaar.
In de collectieve ervaring van de monsterlijke dubbel
worden de verschillen niet uitgewist maar wel verstoord en dooreen gehaald. De dubbels
zijn allemaal onderling verwisselbaar. Ze zijn de dubbelzinnige tussenterm
tussen de gelijkenis en het verschil. Daarmee zijn zij de onontbeerlijke schakel
in de offersubstitutie, dat wil zeggen in de polarisatie van het geweld op één
enkel slachtoffer dat alle andere vertegenwoordigt. De monsterlijke dubbel
verschaft de noodoplossing van de verzoening, die bestaat in de
eensgezindheid min één van de stichtende uitdrijving. Het object van
het eensgezinde geweld is de monsterlijke dubbel, alle monsterlijke dubbels in
één persoon.
In een klimaat van hallucinatie en terreur bereikte de primordiale religieuze ervaring een hoogtepunt waarin een diepe rust volgde op het razende geweld. In die religieuze ervaring losten de hallucinaties op en trad de ontspanning in. Tijdens één kortstondig ogenblik raakten alle uitersten elkaar; het leek alsof een bovenmenselijk geweld en een bovenmenselijke vrede samenvielen.
Girard vermeldt hierbij dat, in tegenstelling tot het bovenstaande, de moderne pathologische ervaring niet de minste catharsis bevat. Hij vermeldt ook dat in veel oude en moderne literaire teksten verwezen wordt naar de dubbel, naar een ontdubbeling of een dubbel-zien, maar dat niemand dit ooit ontcijferd heeft. Als voorbeeld noemt hij De Bacchanten, waarin de monsterlijke dubbel overal zit: vanaf het begin worden dierlijkheid, menselijkheid en goddelijkheid voortdurend vermengd en verward. Tevens meent hij dat niet voorbijgegaan mag worden aan het werk van Empedocles. Daarin wordt de geboorte van monsters beschreven, waarmee, volgens Girard, het ontstaan van de monsterlijke dubbels bedoeld wordt.
In de primordiale religieuze ervaring kon de bezetenheid ook een ritueel karakter krijgen. Het feit dat er een rituele bezetenheid bestaat, is voor Girard een duidelijke aanwijzing dat er, de eerste keer, inderdaad iets zoals een intense collectieve bezetenheid heeft plaatsgehad. De eigenlijke religieuze cultus probeert dit te reproduceren. Rituele bezetenheid is onafscheidelijk van de sacrificiële riten die er de bekroning van vormen. Bij het volk van de Dinka vinden nog offers plaats waarbij gevallen van bezetenheid zich kunnen voordoen. Zoals zoveel aspecten van de primordiale ervaring kan de bezetenheid het belangrijkste object van de religieuze bekommernis worden. Dan ontstaan bezetenheidsculten. De sjamanen proberen de bezetenheid te hanteren voor magisch-medische doeleinden. Ze werpen zich op als ware specialisten van de bezetenheid.
In het licht van de monsterlijke dubbel wordt ook een andere rituele praktijk duidelijker, die van het gebruik van maskers. Bij de primitieve culten behoren bijna altijd maskers. Wat stellen ze voor? Waartoe dienen ze? Wat is hun oorsprong? Deze vragen kunnen niet met zekerheid beantwoord worden. We voelen wel aan dat er achter de grote diversiteit in vormen een eenheid schuilt. Een masker is altijd wel als masker te identificeren. Het gebruik ervan is ook universeel en de oorsprong ervan ligt niet op één plaats, van waaruit het zich verspreid zou hebben. Wat we wel kunnen zeggen is, dat de primitieve kunst een religieuze bestemming heeft. In alle gemeenschappen moeten maskers een analoge functie hebben. Maskers worden niet uitgevonden. Naast de vele verschillende modellen zijn sommige trekken vrijwel constant. Men kan niet zeggen dat ze een voorstelling van het menselijk gelaat zijn, maar ze zijn er toch bijna altijd mee verbonden, in die zin dat ze dit gelaat zullen bedekken, vervangen of er een substituut voor zijn. We moeten het vergelijken met de eenheid en de diversiteit van mythen en riten in het algemeen. Ze moeten wel in verband staan met een reële ervaring van een groot deel van de mensheid, die ons echter volkomen ontsnapt.
De vorm- en kleurencombinaties van het masker staan haaks op onze gedifferentieerde culturele orde. Het masker verenigt mens en dier, god en levenloos voorwerp. Het masker staat boven de verschillen; het wil die niet uitwissen of overtreden, maar het neemt die verschillen in zich op en maakt er nieuwe, originele composities van; met andere woorden het masker staat op dezelfde lijn als de monsterlijke dubbel. Zoals we weten, wordt in de rituele vieringen de oorspronkelijke ervaring herhaald. Als de deelnemers aan de rite de opeenvolgende rollen van hun voorouders spelen en op een gegeven ogenblik achter hun masker verdwijnen nemen ze daarmee de gedaante van de monsterlijke dubbel aan. Het masker is geen verschijning ex nihilo; het vervormt het normale voorkomen van de tegenstanders. Als de menselijke gezichten achter de maskers verborgen worden, dan is dat omdat de eerste keer de zaken zich ook zo hebben voorgedaan.
Of de maskers nog mensen of reeds bovennatuurlijke wezens
voorstellen is niet van belang. Het masker situeert zich op de onduidelijke
grens tussen het menselijke en het goddelijke, als uitdrukking van de
monsterlijke totaliteit waaruit een vernieuwde orde moet/zal ontstaan. We hoeven
niet te vragen naar de natuur van het masker; het ligt in zijn aard om er
geen te hebben omdat het ze allemaal heeft.
Tussen Girards theorie van de mimetische begeerte en Freuds
analyses van het Oedipuscomplex zijn zowel analogieën als verschillen
vast te stellen. In het freudiaanse denken
is de pool van de mimetische aard van de begeerte weliswaar aanwezig, maar ze
komt niet tot ontplooiing. Freud heeft een voorkeur voor de andere pool in het
denken over de begeerte: het streng object-gericht verlangen, de libidineuze
neiging tot de moeder.
Toch is bij Freud de intuïtie van de mimetische begeerte de voedingsbodem voor enkele begrippen, met name waar het zijn begrip 'identificatie' betreft. In hoofdstuk VII van Massenpsychologie und Ich-analyse beschrijft Freud dat de kleine jongen een grote belangstelling heeft voor zijn vader, van wie hij zijn ideaal maakt. De gelijkenis met de mimetische begeerte bestaat in het kiezen van een model. Volgens Freud probeert de zoon in alle opzichten de plaats van de vader in te nemen - en dus ook te begeren wat de vader begeert. Doordat hij de identificatie met de vader voorstelt als een absoluut eerste gegeven, alvorens er een object gekozen wordt, ligt de weg van de mimetische begeerte open, maar Freud weigert die op te gaan. Dit blijkt uit zijn definitie van het Oedipuscomplex: De kleine jongen bemerkt dat de vader hem de weg naar de moeder verspert: zo krijgt de identificatie met zijn vader een vijandige kleur en wordt zij een verlangen om de plaats van de vader in te nemen, zelfs bij de moeder. Deze laatste woorden geven een verrassende wending aan de gedachtegang. Nadat Freud in zijn definitie van de identificatie impliciet een mimetische interpretatie heeft gesuggereerd, verwerpt hij haar even impliciet, door te stellen "zelfs bij de moeder". De vader immers wijst het begerenswaardige aan - onvermijdelijk dus ook de moeder. Maar door deze zinsnede neutraliseert Freud met terugwerkende kracht elke mimetische interpretatie van de identificatie, althans wat het essentiële object (de moeder) betreft.
In een tekst in Das Ich und das Es schakelt Freud de
mimetische elementen helemaal uit. In deze tekst stelt hij als begin van het
proces de libidineuze neiging tot de moeder en niet langer de identificatie met
de vader. Hij zegt dat de seksuele verlangens ten opzichte van de moeder
versterkt worden, maar noemt niet de oorzaak ervan. Hij keert de volgorde van de
fenomenen om. Hij verbiedt ons als het ware te denken dat één en dezelfde
kracht, met name de wil om in alle opzichten de plaats van de vader in te
nemen, de voedingsbodem zou zijn van de identificatie met het model (de vader)
èn de oriëntatie van de begeerte op de moeder.
Een en ander houdt de veronderstelling in dat de kleine jongen de wet al kent en dat het Oedipuscomplex al ontstaan is. De jongen is echter nog een kind en richt zich in alle onschuld op het object van zijn model. Er kan helemaal nog geen wederrechtelijke aanmatiging zijn. De mimetische rivaliteit, die altijd in wederzijds geweld uitmondt, is het resultaat van een proces. In de kindertijd bestaat die wederkerigheid nog niet en is vergelding in de relatie tussen volwassenen en kinderen nog onmogelijk. Alleen de volwassene kan de bewegingen van een kind interpreteren als een drang tot wederrechtelijke aanmatiging. Het kind heeft nog niet het minste besef van de culturele betekenissen waarin dit alles thuishoort. De begeerte van vadermoord en incest kan niet het idee van het kind zijn, het is duidelijk het idee van de volwassene, van het model.
Als we Freud zouden moeten geloven zou de kleine jongen in zijn vader al een rivaal herkennen. Daarmee kent hij aan het kind een onderscheidingsvermogen toe dat gelijkwaardig is aan dat van een volwassene. Girard zegt hiervan dat zelfs binnen het systeem van de freudiaanse postulaten het hoogst onwaarschijnlijk is dat aan het kind een helder bewustzijn van de rivaliteit wordt toegeschreven. Daarom moet Freud zich volgens Girard zo vlug mogelijk ontdoen van dit, zij het kortstondig, bewustzijn (eventueel als klinisch gegeven) en daarvoor in de plaats een beroep doen op zowel kinderlijke als verdachte termen zoals onderbewustzijn en verdringing.
En dit is de kern van Girards kritiek op Freud: dat hij, ondanks de schijn, blijft vasthouden aan een filosofie van het bewustzijn, het bewustzijn van de begeerte tot vadermoord en incest, een bliksembewustzijn weliswaar, maar toch een reëel bewustzijn, dat vervolgens uitgeschakeld moet worden door de vergaarbak van het 'onbewustzijn'. Freud wil het hele psychische leven grondvesten op dit moment van helder bewustzijn, ongeveer in de zin van ik verdring die begeerte van vadermoord en incest omdat ik het eertijds werkelijk gewild heb; ergo sum. Girard vindt deze omweg volkomen nutteloos, temeer daar bij Freud zelf de essentiële intuïtie van discipel-begeerte en model-begeerte al aanwezig is. Deze biedt voor het begrijpen van het freudiaanse complex een betere context: de mimetische opvatting van de begeerte als een derde weg voor de psychiatrische theorie, ver verwijderd van het onbewustzijn en van elke filosofie van het bewustzijn.
Girard verwijst hiervoor naar de definitie van het Über
Ich of het ideale ik in Das Ich und das Es. De relatie tussen
het Über-Ich en het ik, zegt Freud, beperkt zich niet tot de
raadgeving Wees zo (zoals je vader), maar ze bevat ook het verbod Wees
niet zo (zoals je vader); met andere woorden Doe niet alles wat hij doet;
veel dingen zijn voor hem, en voor hem alleen, voorbehouden. Wie kan in het
licht van deze tekst nog volhouden dat Freud niet van de double bind
afweet? De definitie van het Über-Ich berust klaarblijkelijk op de
gelijkheid van het model met het obstakel, een gelijkheid die door de discipel
niet wordt waargenomen. Freud herneemt in deze definitie het spel met de mimesis-effecten
die hij in de Oedipusfase had verworpen. Er heeft in het denken van Freud een
evolutie plaats gevonden in de periode tussen Massenpsychologie van 1921
en Das Ich und das Es van 1923. In
het eerste werk had Freud gedacht de mimetische effecten te kunnen verzoenen met
de hoofdgedachte, het Oedipuscomplex. De twee themas bleken echter
onverzoenbaar te zijn. De mimetische
opvatting maakt immers de begeerte los van elk object, terwijl het
Oedipuscomplex daarentegen de wortels van de begeerte situeert in het
moeder-object. Het is duidelijk dat Freud gekozen heeft voor zijn complex,
een opengebloeide begeerte tot vadermoord en incest. De mimetische effecten
reserveert hij voor een andere psychologische vorm, die van het Über-Ich.
Het gaat dus om de twee polen van het freudiaanse denken
inzake de begeerte: de object-gerichte, oedipale begeerte enerzijds en de
mimetische effecten anderzijds. Girard zegt hierover dat de poging van Freud om
ze volledig te scheiden evenzeer tot mislukken gedoemd is als zijn eerdere
poging tot synthese ervan.
Freud wordt in de optiek van Girard verblind door hetgeen
hem zijn cruciale ontdekking lijkt, het Oedipuscomplex, waarvan de kern
is: het kortstondig bewustzijnsmoment waarop het kind verondersteld wordt de
begeerte tot vadermoord en incest als een formele intentie te ervaren.
Zijn horizon wordt erdoor beperkt; ze belet hem de weg van de radicale
mimesis in te slaan die de mythische aard van de vadermoord en de incest zou
blootleggen, zowel in de Oedipusmythe als in de psychoanalyse. Freud heeft
de mimetische begeerte wel gezien, maar probeert de gegevens ervan telkens te
herschikken. Hij bereikt er nooit resultaten mee, omdat hij zijn object-gericht
vertrekpunt nooit verlaat. Hij probeert het met telkens andere constructies en
termen: castratie, Oedipuscomplex, Über-Ich, onbewustzijn, verdringing,
ambivalentie. De freudiaanse analyses moeten we dan ook niet als een volledig
systeem beschouwen, maar als een reeks van essays, bijna altijd over hetzelfde
onderwerp. Het belang ervan ligt niet in de resultaten, maar in het falen van
het systeem. Freud is er nooit in geslaagd de relaties tussen het model, de
discipel en hun gemeenschappelijk object te organiseren.
Het is volgens Girard duidelijk dat we de uitdrukking Oedipuscomplex moeten opgeven. Zij is een bron van vergissingen en misverstanden. De reële fenomenen die door de psychoanalyse met dit complex in verband worden gebracht, dienen we opnieuw te groeperen rond de conflictuele mimesis. Dan ontstaat er meer samenhang en zijn de fenomenen ook beter te situeren. Om een theorie als die van het Oedipuscomplex mogelijk te maken, moet er in de maatschappij al wederzijdse mimesis aanwezig zijn. Het mechanisme van het obstakel en het model moet al bestaan, maar zonder dat zijn geweld in de meeste gevallen duidelijk zichtbaar wordt; ook moet het mechanisme normaal zijn oorsprong en vertrekpunt vinden in de vader. De vader staat dus aan de oorsprong van de double bind.
Zo bezien is het Oedipuscomplex een verkeerde interpretatie
van de double bind. Bij gevolg is de vader zelf - het model - de
aanstoker van alles wat in de ogen van de wereld en van de vader beschouwd kan
worden als vadermoord en incestbegeerte van de zoon. Ter adstructie hiervan
verwijst Girard naar Sophocles in De Trachinische Vrouwen. De held
Heracles kronkelt van pijn in zijn vergiftigde tunica. Nadat hij zijn zoon
Hyllos op diens plicht tot gehoorzaamheid heeft gewezen vraagt Heracles hem een
groot vuur aan te steken en hem, zijn vader, erin te werpen om hem daardoor van
zijn helse pijnen te verlossen. Hyllos protesteert: zijn eigen vader wil van hem
een vadermoordenaar maken.
- Ik zeg je wat je moet doen. Zo niet, wees dan de zoon van een ander in plaats van de mijne genoemd te worden.
- Helaas! Waartoe dwing je me? Moet ik jouw moordenaar worden?
Vervolgens gebiedt Heracles zijn zoon om zijn jonge echtgenote Iole tot vrouw te nemen. Zeg niet nee tegen je vader. Zij heeft aan mijn zijde geslapen; het is mijn wens dat niemand anders dan jij haar bezit. Hier staat de ware verhouding van de begeerte van de vader en de begeerte van de zoon op het spel, een gelijkheidsverhouding, met de gebiedende suggestie van het vader-model: Verlang wat ik verlang.
Hier blijkt dat de fabel beter op de hoogte is van de vader-zoonrelatie dan de psychoanalyse. Voor het moderne denken houdt dit een mooie les tot bescheidenheid in. Ondanks zijn leeftijd van vijfentwintig eeuwen kan Sophocles ons nog helpen om het juk van de meest hinderlijke mythologie af te werpen, de mythologie van het Oedipuscomplex.
Volgens de hedendaagse kritiek zijn de stellingen van Freud in Totem und Tabu onaanvaardbaar. De etnologen en psychoanalitici zijn echter, volgens Girard, zeer oppervlakkig in hun veroordeling. Iedereen beroept zich op zijn buurman en niemand levert ernstige en onderbouwde kritiek. Girard wil zich niet zomaar aansluiten bij deze kritiek. De collectieve moord en de argumenten in die richting hebben zo veel overeenkomsten met de themas die Girard in God en Geweld ontwikkelt dat hij ze nauwkeurig wil onderzoeken.
Het totemisme is een etnologische theorie en hoort thuis
in het grote geheel van 'classificatie'. De vraag is nu wat het verband is
tussen het religieuze en de classificatie als geheel. Wellicht is het
totemisme een illusie, maar deze illusie hield tenminste het raadsel van het
religieuze intact. Freud beseft heel goed dat de pogingen om verschijnselen
bijeen te brengen rond het totem-idee bijzonder hachelijk zijn. Alles in het
totemisme is raadselachtig. Freuds aandacht wordt gewekt door dezelfde feiten
als die Girard boeien. Freud ziet in het religieuze de meest radicale
tegenstellingen samenvallen: goed en kwaad, droefheid en vreugde, toestemming
en verbod. Het feest bijvoorbeeld is een toegestane uitspatting, de plechtige
schending van een verbod. Hetzelfde is waar te nemen in het offer, waarin het
dier ritueel geofferd wordt en tegelijk wordt beweend. Dit hoeft ons niet te
verbazen aangezien het offer en het feest één en dezelfde rite vormen. Deze
twee gaan bijna altijd samen.
Overal vindt men deze vreemde dualiteit van het
offergedrag. De rite neemt altijd de vorm aan van een moord die tegelijkertijd
zeer schuldig en zeer noodzakelijk is. Uit de behoefte om al het sacrificiële
als eenheid te beschouwen komt Freud ertoe om alles tot het totemisme te
herleiden. Het samenvallen van de tegengestelden en de voortdurende omkeringen
bepalen de aard van de religie; zij staan immers in verband met het spel van
het geweld dat op zijn hoogtepunt omslaat door de bemiddeling van de
collectieve moord. Freud ziet wel de noodzaak in van de collectieve moord,
maar niet de werking ervan, omdat hij het mechanisme van de zondebok niet
heeft ontdekt. Alleen inzicht in dit mechanisme stelt ons in staat te
begrijpen waarom een aanvankelijk criminele offermoord letterlijk in
heiligheid omslaat.
Freud heeft het bij het rechte eind als hij d.m.v. het totemisme alle raadsels tot één enkele reële moord terugbrengt, maar hij slaagt er niet in om die ene prehistorische moord te overstijgen. Hij accentueert ook terecht dat unaniem aan de rite moet worden deelgenomen . De overtreding zou misdadig zijn als ze niet door allen samen zou worden begaan. Hoewel Freud de weldadige gevolgen van de eensgezindheid niet weet op te sporen, heeft hij wel een fantastische ontdekking gedaan. In de eerste plaats bevestigt hij dat alle rituele praktijken en mytische betekenissen hun oorsprong vinden in een reële moord. Maar hij is blijven staan bij de ontdekking van de oorsprong van het offer en hij heeft niet de functie ervan doorzien, doordat hij niet het mechanisme van de zondebok heeft doorzien. Daarom is zijn ontdekking zonder gevolgen gebleven en is Totem und Tabu terzijde geschoven.
Girard is bijzonder geïnteresseerd in dat deel van Totem und Tabu waarin Freud een globale interpretatie van het genre van de tragedie voorstelt. Volgens Freud is het voornaamste kenmerk van de tragedie dat de held moet lijden, omdat hij opstandig is geweest tegen een goddelijk of menselijk gezag, en dat het koor de held steunt of beklaagt met gevoelens van sympathie. De misdaad die men hem aanwrijft is in werkelijkheid de schuld die op de koorleden, op de bende broeders drukt. Dit houdt tevens in dat de held van de tragedie als redder van het koor wordt beschouwd.
Deze zienswijze van Freud gaat zeer ver in de richting van de zondebok - al moeten we de overeenkomst met Girard niet overdrijven. Tegenover de menigte dubbels (de zonen van de primitieve horde die op elkaar lijkende vijandige broers blijken te zijn) staat de absolute eigenheid van de held. Bij Freud is de held alleen maar slachtoffer; hij is volledig onschuldig en de schuld ligt geheel bij de menigte. Deze eenrichtings-opvatting is in strijd met wat Sophocles en ook Dostojevski ons duidelijk maken, namelijk dat de zondebok schuldig is zoals de anderen, ook al wordt hij ten onrechte beschuldigd. In de plaats van de fout (van de held) moeten we het geweld stellen, dat gelijk verdeeld is onder allen. Op dit punt blijft Freud nog in de mist van de mythe zitten. De freudiaanse interpretatie is geheel in de lijn van de omkering zoals deze in de mythe plaats vindt. De verschrikkelijke vader, die tijdens zijn leven een hatelijk monster was, wordt in en na zijn dood een vervolgde held. Hierin is ook het mechanisme van het sacrale te herkennen.
Freud komt heel ver in het begrijpen van de Griekse tragedie, maar toch noemt Girard het een mislukking. Het blijkt een illusie te zijn om te denken dat de literatuur wetenschappelijk aangepakt en ontmaskerd kan worden. Sophocles en Shakespeare weten heel wat over menselijke relaties dat Freud niet in staat is te vatten, evenmins als de psychoanalyse. Voor zover ik weet, hebben alleen schrijvers het proces van mystificerende ontmaskering blootgelegd, psychoanalytici en sociologen nooit. [...] We hebben herhaaldelijk gezien hoe Sophocles de mythe van de psychoanalyse ontmaskert, maar nooit zullen we de psychoanalyse Sophocles zien ontmaskeren. De psychoanalyse krijgt nooit vat op Sophocles; in het beste geval, zoals bij Freud, slaagt ze erin hem te benaderen.
Een belangrijk gezichtspunt bij de beschouwing van de
tekst van Freud over de tragedie is wat
er in de betreffende tekst weggelaten
wordt. Girard bedoelt hier het feit dat Freud, die toch de uitvinder van het Oedipuscomplex
is, de model-tragedie over de vadermoord, Oedipus Koning, uitdrukkelijk nergens noemt. Wat is de reden van
deze weglating? Het antwoord is dat
Freud Koning Oedipus in zijn opzet
niet kan gebruiken. Girard verwijst voor dit antwoord naar de door Freud zelf
gegeven definitie van de tragische fout: deze heeft "meestal"
niets te maken met wat we in het gewone leven een fout noemen. Meestal
betekent dat er ook uitzonderingen zijn. Welnu: er is met zekerheid één
tragedie waar een fout gebeurt die niet vreemd is aan wat we in het gewone
leven een fout noemen, dat is de vadermoord en incest van Koning
Oedipus. Dit is echter in strijd met de officieel psychoanalytische
opvatting volgens welke Koning Oedipus de
loutere weerspiegeling is van onbewuste
begeerten die formeel elke verwerkelijking van die begeerten uitsluit. Dit
betekent dat we de beschuldigingen tegen Oedipus van vadermoord en incest niet
openlijk kunnen poneren zonder een aantal vragen op te roepen die het hele
psychoanalytische denken op de helling zetten. Deze vragen wil Freud vermijden
omdat hij er geen antwoord op heeft en daarom kan hij Koning Oedipus niet gebruiken. Doch door het echte probleem uit de
weg te gaan verlaat Freud de potentieel meest vruchtbare weg die ten slotte
naar de zondebok zou leiden. Zo lijkt het erop dat Freud een beschermende
gordel rond de psychoanalytische theorie wil leggen. Het Oedipuscomplex mag
niet bedreigd worden. Dit gold inzake de mimetische begeerte en nu inzake Totem
und Tabu.
Met dit al is het probleem van de taboes nog niet opgelost, met name het incestverbod. Freud ontwikkelt daarvoor twee theorieën, die beide draaien rond de vaderfiguur en de uitschakeling daarvan. Door de eeuwige aanwezigheid van de vader grijpt Freud echter telkens naast de echt verklarende gegevens. Girard stelt daartegenover: de vader verklaart helemaal niets. Om tot een verklaring te komen moeten we ons ontdoen van de vader en laten zien dat de formidabele indruk, die de collectieve moord op de gemeenschap maakt, niets te maken heeft met de identiteit van het slachtoffer, maar met het feit dat dit slachtoffer de eenheid herstelt, anders gezegd: de eensgezindheid die tegen en rond dit slachtoffer wordt teruggevonden. Als Freud de psychoanalytische betekenis van tafel zou vegen, zou hij inzien dat het geweld geen verklaring behoeft en dat alle betekenissen uit de moord zelf voortkomen.
De incestverboden, zoals zoveel andere aspecten van de culturele orde, hebben hun wortels in het stichtende geweld. Tot dit inzicht zijn we gekomen door een dynamische lezing van Totem und Tabu, zegt Girard. Freud is de eerste die het probleem van de taboes met dat van het offer in verband brengt en die deze twee problemen dankzij zijn versie van de collectieve moord wil oplossen. Girard werkt de visie van Freud bij, of zo men wil verbetert diens visie door ze te plaatsen in het perspectief van de zondebok. Girard zegt daarvan dat dit geen ingreep van buitenaf is maar opgeroepen wordt door wat er in het werk zelf het meest dynamisch en potentieel vruchtbaar is. Zodra men het zondebokmechanisme inschakelt, gaan de versnipperde fragmenten van het werk van Freud in elkaar passen zoals de stukken van een nog nooit voltooide puzzel. Dit brengt het werk van Freud tot een eenheid die niet van buiten wordt opgelegd. Zodra men ervan afziet om Freuds ideeëngoed in onfeilbare en tijdloze dogmas in te kapselen, kan men vaststellen dat het scherpzinnigste deel ervan altijd naar het zondebokmechanisme gedreven wordt en altijd, hoewel vaag, hetzelfde doel beoogt. Het is een verder gaan op de weg die Freuds eigen weg is.
Tot slot stelt Girard de vraag: hoe moet men zich het
ontstaan van een verbod voorstellen? In een samenspel met elk ander cultureel
ontstaan. De seksualiteit maakt deel uit van het sacrale geweld, zoals Girard
in het tweede hoofdstuk (over de offercrisis) heeft ontdekt. Alle verboden
zijn sacrificieel. Alles wat door het sacrale geweld is aangeraakt, behoort
voortaan tot de god en wordt het voorwerp van een absoluut verbod. De
antagonisten zullen alles in het werk stellen om niet opnieuw in het
wederkerige geweld te vallen. Overal waar het geweld oplaaide, ontstaan
verboden. In het geval van de incest slaat het verbod op alle vrouwen die
inzet van rivaliteit zijn geweest, op alle nabije vrouwen dus, niet omdat ze
uit zich zelf begeerlijker zijn, maar gewoon omdat ze dichtbij zijn en zich
daardoor als voorwerp van rivaliteit aanbieden.
De verboden zijn hoogst noodzakelijk om te kunnen
samenleven, want zij verhinderen dat verwanten in de gewelddadige mimesis
vervallen. De primitieve taboes in verband met het geweld en zijn werking
getuigen van een kennis (in de primitieve samenleving) waartoe onze
onwetendheid niet in staat is. Dit is gemakkelijk te begrijpen, zegt Girard:
De verboden zijn immers niets anders dan het geweld zelf, van een vorige
crisis, dat letterlijk ter plaatse gestold is als een ondoordringbare muur, en
zo een terugkeer naar wat het zelf geweest is, verhindert.
De taboes hebben een primordiale functie: ze bewaren
in de kern van de menselijke groepen een beschermde zone, een minimum aan
geweldloosheid dat absoluut onmisbaar is voor de essentiële functies, voor de
overlevingskans van kinderen, voor hun culturele opvoeding, voor alles wat de
mens menselijk maakt.
Een andere dominante theorie die Girard vanuit zijn standpunt analyseert is het structuralisme dat Lévi-Strauss in zijn verwantschapsstudies opvoert als kritiek op de visie van Radcliff-Brown. Deze had de elementaire familie van een man, zijn echtgenote en hun kinderen genoemd als de structuureenheid van waaruit een systeem van verwantschap wordt uitgewerkt. Hier komen drie typen van sociale relaties uit voort, namelijk de band tussen ouder en kinderen, tussen kinderen uit eenzelfde bed en tussen man en vrouw als verwekkers. In zijn eigen structurele methode inzake de verwantschap stelt Lévi-Strauss dat de elementaire familie geen onherleidbare eenheid is omdat ze op het huwelijk berust. Zij is al een samenstelling; en dus niet elementair; geen vertrekpunt maar een eindpunt. Een verwantschapssysteem bestaat slechts in het bewustzijn van de mensen, en bestaat niet uit de objectieve filiatie- of bloedbanden tussen individuen. Het is een arbitrair systeem van voorstellingen en niet de spontane ontwikkeling van een feitelijke toestand. Om te begrijpen wat hier bedoeld wordt moeten we goed onderscheid maken tussen twee verschillende realiteiten: a) het feit van de biologische verwantschap, d.w.z. de reële gegevens van de menselijke voortplanting en b) het weet hebben van diezelfde gegevens, de kennis van de verwekking en van de bloedverwantschap. Nog anders gezegd: punt a is de mensen nooit helemaal vreemd, in die zin dat ze zich niet tegen de wetten van de biologie in kunnen voortplanten. Maar het weet hebben van diezelfde biologische wetten (punt b) is een heel andere zaak.
Girard is het eens met dit uitgangspunt, maar verwijt Lévi-Strauss dit zelf niet serieus genoeg te nemen als hij zegt dat de systemen rekening houden met de biologische gegevens. Om de biologische gegevens te kunnen opsporen is er naast het formele onderscheid tussen de drie typen van relaties: alliantie, filiatie en bloedbanden, bovendien het inzicht nodig dat dit formele onderscheid alleen kan bestaan op basis van de incestverboden en van de verwantschapssystemen. Alleen de verwantschapssystemen, hoe verschillend ook, maken het opsporen van de biologische gegevens mogelijk. Elk systeem maakt duidelijk onderscheid tussen de alliantie en de bloedbanden en in het centrale gedeelte van elk systeem staat de regel dat een huwelijk tussen ouders en kinderen zowel als tussen broers en zusters altijd verboden is. Er bestaat geen verwantschapssysteem dat het seksueel toegestane en het verbodene zo indeelt dat de voortplantingsfunctie niet gescheiden wordt van de relaties met ouders en broers of zusters. Pas dankzij deze regels, inclusief de incestverboden, wordt het mogelijk de gegevens van de voortplanting op te sporen.
Girard gaat nu, op zijn beurt, de kritiek van Lévi-Strauss op de elementaire familie verder doortrekken. Hij bevestigt dat het begrip “elementaire familie” ondenkbaar is zonder de verwantschapssystemen, en er dus het resultaat van is en niet de bepalende cel. De biologische verwantschap wordt ontdekt via de systemen die alle kennis van de biologische feiten conditioneren en dus tot het weten behoren. Het systeem heeft de prioriteit. Alles moet vanuit het systeem gedacht worden en dit komt ten aanzien van de biologie dus werkelijk eerst. Dat het systeem de biologie niet kan tegenspreken betekent dat, als men het systeem definieert als een strikte scheiding tussen alliantie en bloedbanden, men het systeem niet mag denken vanuit de gegevens die er door mogelijk gemaakt worden en er afhankelijk van zijn. De biologie is geen vertrekpunt; en dit niet omdat zij tot de natuur behoort, maar juist omdat zij geheel tot de cultuur behoort. De biologie is afgeleid van de systemen en daarom kan ze niet de grondslag ervan zijn. Zelfs al vallen de drie relaties in de “elementaire familie” samen met de gegevens van de biologische voortplanting, toch zouden ze zonder de incestverboden niet van elkaar onderscheiden worden. Met andere woorden: zonder incestverboden zou er ook geen biologie zijn. Girard doet hierbij de uitspraak: “Er bestaat geen waarheid, hoe elementair ook, die niet door middel van de cultuur tot stand is gekomen. Mensen kunnen nooit iets rechtstreeks lezen in “het grote boek van de natuur” waar alle regels door elkaar staan”
Men kan dus zeggen dat de natuur kenbaar en leefbaar wordt door middel van en dankzij de cultuur. De natuur, in dit geval het samenleven van de mensen, is niet rechtstreeks te kennen en te beheersen maar altijd door middel van symbolen. Deze maken het menselijk leven inzichtelijk. Het voorafgaande maakt dit duidelijk aan de hand van het onderscheid tussen het feit en het weten inzake de biologie.
Vanuit een taalanalyse laat Girard nu zien dat er bij Lévi-Straus niet enkel sprake was van slordig woordgebruik. Het gaat om een verreikend perspectief op het symbolische denken dat zich uit in taal. Lévi-Strauss noemt als eerste de taal van de verwantschap. Dit is het systeem van regels dat een bestel van uitwisselingen tussen exogame groepen regelt. Dit is nog geen taal in de betekenis van Chomsky, omdat het de onbepaalde creativiteit van de echte taal mist, en bovendien raakt die verwantschapstaal in onbruik. Lévi-Strauss neemt dit echter als aanzet tot zijn structuralistisch systeem, zijn zoektocht naar de werking en structuur van de menselijke geest. Het gaat hem om het intellectueel stelsel van binaire opposities dat volgens zijn structuralisme de werking van onze taal regelt en waarmee mensen de gegevens van de werkelijkheid ordenen, en tot steeds nieuwe combinaties transformeren. We kunnen eindeloos nieuwe zinnen uitvinden, om nooit gezegde dingen te zeggen.
Girard onderschrijft deze benadering en wil het systeem nog meer centraal stellen. Hij vindt dat Lévi-Strauss blijft spreken over uitwisselingspatronen die passen bij de biologische reproductieregels als modelerende kracht en daarbij toch teveel kniebuigingen maakt voor het functionalisme van Radcliffe Brown door herhaaldelijk te onderstrepen dat zijn structuralistisch model de biologische gegevens wel degelijk respecteert. Girard probeert daarentegen aan te geven dat de verwantschapssystemen sociale ordeningsinstrumenten zijn die niet gestoeld zijn op een cerebraal spel van binaire polen en die als het ware “spontaan” gegroeid zouden zijn, maar voortkomen uit dramatische spanningen die gepacificeerd zijn. Hij wil het fundamentele probleem aan de orde stellen over de oorsprong zelf van het symbolisch denken. Hij zegt: “Als de symbolische systemen nooit de spontane ontwikkeling zijn van een feitelijke situatie, als er een breuk bestaat tussen de natuur en de cultuur, dan rijst de vraag naar de oorsprong. En die vraag is zelfs dringend.” Hij bestrijdt de mening van Lévi-Strauss en de structuralisten dat de overgang van de natuur naar de cultuur wortelt in de permanente gegevens van de menselijke natuur, zoals het ingebouwde binaire denkpatroon en dat daarover geen vragen gesteld hoeven te worden.
Volgens Girard vindt het symbolische denken zijn oorsprong in het mimetische verlangen en het zondebok-mechanisme. Het hysterische hoogtepunt van ongebreidelde rivaliteit en onderling geweld, en de daarop volgende collectieve moord die de rust en de vrede terugbrengt, vormen een wonderbaar contrast, dat mogelijk is geworden dankzij de uitgestoten (schijnbaar) schuldige. Deze gebeurtenis vormt de beste voorwaarde en het object om het denken op gang te brengen. De mensen willen dit wonder bestendigen en vernieuwen en er moet dus in zekere zin over nagedacht worden. De mythen, de riten en de verwantschapssystemen vormen de eerste resultaten van dit denken. Het zondebokmechanisme dat zich als eerste object van denken opdringt is daarmee ook de oorsprong van de taal, als aanduiding van de formidabele wisseling van geweld naar vrede. De werking van dit mechanisme van beschuldiging, uitstoting en vredige samenvoeging dat op het stichtingsproces teruggaat ligt onder het mechanisme van alle denken.
Girard stelt hier ook de fundamentele vraag aan de orde of het verbod eerst is of het gebod, het verbod van incest of het positief voorschrift van het uitwisselingssysteem, dat verschijnt in de regel dat gekruiste neven en nichten met elkaar moeten trouwen. Lévi-Strauss geeft voorrang aan het gebod, het positieve voorschrift om volgens regels vrouwen uit te wisselen tussen exogame groepen. Girard daarentegen ziet het verbod als de basis. Het tegengaan van geweld is de oorsprong van de menselijke cultuur. Het zondebokmechanisme heeft de mensen tot denken gebracht en tot het maken van onderscheiden. Hij meent dat de positieve uitwisseling slechts de keerzijde van de verbodsbepaling is en bedoeld is om de gelegenheid tot rivaliteit onder de mannen tegen te gaan. Als we de regel of het gebod tot het essentiële element zouden maken, zouden we onze huidige samenleving een belangrijke bestaansbasis ontnemen, want het uitwisselingsvoorschrift bestaat niet meer. Wij kennen alleen nog het essentiële incestverbod. Dat het verbod er eerst was wordt voor Girard ook bewezen door het feit dat het ook als laatste blijft, nu het systeem van voorgeschreven uitwisselingen verdwenen is. Als het verbod eerst komt, moeten we begrijpen dat het in termen van “fobie” gedacht wordt. Girard verwijst hiervoor naar Freud, die in Totem und Tabu expliciet de prioriteit van het verbod stelt boven de exogamie-regel. Freud zegt daar dat de fobie voor incest beschouwd moet worden als de wortel van de exogamie.
Na aldus de incestverboden en huwelijksregels verbonden te hebben met het stichtend geweld van het zondebokmechanisme, wil Girard zijn oorsprongshypothese tenslotte illustreren aan de hand van een mythe. De mythe die hij hiervoor analyseert komt van de Tsimshian bevolking in West Canada.
Een prins wordt verliefd op een prinses, zijn gekruiste nicht. Zij eist dat hij zijn hartstocht bewijst door zich te verminken. Als hij dit gedaan heeft verstoot zij hem vanwege zijn lelijkheid. Hij zou willen sterven. Dan is er leider Pestlucht, de meester van alle verminkingen, met rond hem een hofhouding van kreupelen en verminkten. Zij roepen de prins op zich bij hen aan te sluiten, zodat hij aan hen gelijk wordt. De prins weerstaat hun oproep. Nadat hij vervolgens in een magische ketel is gekookt en er op zijn gezuiverde beenderen is gedanst, verrijst hij, stralend van schoonheid.
Daarna is de prinses aan de beurt. Zij ondergaat hetzelfde als de prins, maar zij beantwoordt wel de lokroep van de hovelingen van Pestlucht. Deze maken de prinses aan hen gelijk, erger nog, ze wordt gebroken en verscheurd en dan weggegooid om in eenzaamheid te sterven.
In deze mythe zijn veel thema’s te herkennen van voorgaande analyses. Het misvormen in de mythe betekent dat ten slotte alles op hetzelfde neerkomt. Geweld kan men niet uitoefenen zonder het zelf te ondergaan Dit is de wet van de wederkerigheid. De wederzijdse verminking is een blijk van verlies van verschil. Het gelijk worden aan mensen die zelf al door het geweld aan elkaar gelijk geworden zijn betekent een offercrisis, want als de verminkten dubbels van elkaar zijn, dan zijn ze ook monsters zoals in elke offercrisis regel is. Maar er gebeurt ook iets anders in deze mythe. De prins en de prinses eisen en verkrijgen van elkaar hetzelfde verlies aan verschil dat ook de hovelingen opleggen. In de mythe verdwijnen of vervagen alle verschillen, maar in een ander opzicht houden ze allemaal toch wel stand. Feitelijk zegt de mythe nooit dat er geen verschil is tussen de hovelingen en de twee geliefden en zeker niet tussen de twee geliefden onderling. Aan het einde verbreekt de mythe zelfs de symmetrie tussen de prins en de prinses definitief en bevestigt luidop de superioriteit van het verschil.
Alles bij elkaar genomen vertelt de mythe ons een ander, ja zelfs een tegengesteld verhaal. Tegenover de dissymmetrie van de boodschap staat eigenlijk de symmetrie op alle andere vlakken. Alles suggereert dat we die tegenstelling in verband moeten brengen met de gebeurtenis die achter de conclusie van de mythe verborgen zit. Dit is de moord op de prinses die hier klaarblijkelijk de rol van zondebok vervult. Andermaal sticht de gewelddadige unanimiteit-min-één de mythische verschillen, die zelf voortkomen uit een gewelddadige indifferentiatie die overal in de mythe zichtbaar blijft. Het geweld dat de prinses ondergaat lijkt op al het vorige maar is ook radicaal anders omdat het beslissend is. Het is het laatste geweld. Het stabiliseert het verschil tussen de twee tegenstanders. De gemeenschap is in crisis (de menigte hovelingen) en stort zich op de prinses om haar te verscheuren.
Hier zijn alle kenmerken van de Dionysische sparagmos
aanwezig: de stichtende want eensgezinde lynchpartij/geweld, dat het onderlinge
geweld oplost. Ook de metamorfose van de prins behoort tot het stichtende
geweld. Ze is er de keerzijde van. Zij is namelijk de terugkeer naar het
weldadige, na het boosaardige hoogtepunt. Het stichtend geweld keert alles om en
in de mythe, die er de neerslag van is, worden daarom de zaken ook omgekeerd.
Eigenlijk gebiedt de mythische handeling om gekruiste neven en nichten met
elkaar in het huwelijk te verbinden, maar dat doet zij door te beschrijven wat
er gebeurt als de regel geschonden wordt.
Alle goden, helden en mythische wezens belichamen het spel
van het geweld in zijn geheel, d.w.z. zowel het boosaardige geweld als het
weldadige, eensgezinde, stichtende geweld. Het gaat om twee tegengestelde en
tevens opeenvolgende momenten van het sacralisatieproces. Dit heeft Girard
ontdekt door middel van het analyseren van de Oedipustragedies van Sophocles en
de Oedipusmythe. Aan Oedipus, die schuldig is aan vadermoord en incest, wordt
ook de stichting van de eensgezindheid toegeschreven en daarom is hij het
voorwerp van openbare verering. De metamorfose van het boosaardige naar het
weldadige is wezenlijk. Die metamorfose maakt hem aanbiddelijk. Maar ook de
omgekeerde metamorfose is mogelijk. In de mythe van de Bacchanten speelt
Dionysus niet de rol van het slachtoffer maar die van de offerpriester. Niets
van wat het geweld betreft is de mythische held vreemd. Dit laat duidelijk zien
dat in het religieuze denken alle deelnemers aan het geweld, zowel de actieve
als de passieve, opgevat worden als dubbels van elkaar.
Girard stelt dat deze hypothese van het geweld (nu eens wederkerig/gewelddadig
en dan weer unaniem/stichtend) de eerste is die het dubbele karakter van elke
primitieve godheid laat zien. Dat wil ook zeggen dat het samengaan van het
boosaardige met het weldadige alle mythologische entiteiten in alle menselijke
gemeenschappen kenmerkt. Er bestaat geen antieke godheid die geen twee gezichten
heeft (zie de Romeinse god Janus). Elk sacraal schepsel heeft iets van de
monsterlijke dubbel, die het verschil tussen het “goede” en het “boze” geweld
opslorpt. In het opslorpen van dit fundamentele verschil zit de wezenlijke
monsterachtigheid. Girard refereert hiervoor aan Oedipus en Dionysus. Er is
tussen hen geen verschil in monsterachtigheid. Dionysus is tegelijkertijd god,
mens en stier. Oedipus is tegelijkertijd zoon, echtgenoot, vader en broer. In
beide monsters worden verschillen geassimileerd die normaal in gescheiden wezens
optreden; ze zijn conglomeraten van verschillen, dat betekent monsters. In het
religieuze denken worden alle verschillen op een hoop geveegd.
Girard meent dat vervolgens ook een ander religieus gegeven door zijn hypothese
“verlicht” kan worden, met name de cultus van de voorouders of van de doden. In
sommige culturen worden de goden vervangen door mythische voorouders of door de
wereld van de doden. Zij worden tegelijkertijd beschouwd als de stichters, de
jaloerse hoeders, maar ook als de verstoorders van de culturele orde. Als er
problemen of misstanden in de gemeenschap zijn, dan willen de doden niet dat een
orde die ook de hunne is vernietigd wordt. De crisis ziet er uit alsof er geen
verschil meer is tussen levenden en doden, tussen twee rijken die normaal van
elkaar gescheiden zijn. Deze kwalijke vermenging van levenden en doden wordt nu
eens als oorzaak dan weer als gevolg van de crisis voorgesteld. De wraak van de
doden is zoals die van de goden even reëel als meedogenloos. Men kan dus terecht
zeggen dat de doden hier de plaats van de goden innemen.
De vraag is nu: Waarom kunnen de doden evenzeer als de goden het spel van
het geweld incarneren ? De dood is het ergste geweld dat een levende kan treffen
en is dus uiterst boosaardig. De levenden moeten zich er tegen beschermen. Ze
zonderen de dode af. Ze voeren riten uit die zuivering en uitdrijving van het
boosaardige geweld beogen en ze maken goede voornemens. De dood van de
afgezonderde wordt vaag ervaren als een bijdrage aan het voortduren van het
leven van de gemeenschap. De verhouding van de dode ten aanzien van de
gemeenschap is van dezelfde aard als die van de zondebok. Eén enkel wezen sterft
en de solidariteit van de gemeenschap wordt er door versterkt. Het is dan niet
verwonderlijk dat de dood wordt waargenomen als de bron of de moeder van alle
leven, uiting van het geloof in een levensbeginsel dat één zou zijn met de dood.
“In de dood zit dus inderdaad de dood maar ook het leven. Op het vlak van de
gemeenschap is er geen leven dat niet uit de dood vertrekt. En zo gebeurt het
dat de dood als de ware godheid ervaren wordt, het verzamelpunt van het
allerweldadigste en het allerboosaardigste”.
In het voorafgaande is de rol van de zondebok en de fundamentele rol van de stichtende eensgezindheid, uitingen van het spel van het geweld, gepersonaliseerd voorgesteld in de goden en de voorvaderen. Hiernaast bestaat er ook een onpersoonlijke lezing van het spel van het geweld. Dit wordt aangeduid met de term sacraal of nog beter met het Latijnse sacer, dat zowel met “sacraal” als met “vervloekt” vertaald kan worden, omdat het zowel het weldadige als het boosaardige inhoudt. De begrippen geweld en goddelijkheid zijn in veel culturen samengevat in dit éne woord om de twee gezichten van het sacrale aan te wijzen, het spel van de culturele orde en wanorde. Het sacrale, dat slecht is binnen de gemeenschap, wordt goed als het weer naar buiten verplaatst (uitgedreven) wordt.
Overigens is “het geweld en het goddelijke” ook te omschrijven als “het geweld of het goddelijke”. Het sacrale spel en het spel van het geweld zijn één en hetzelfde. Het sacrale verenigt in zich alle tegengestelden, ook het tegengestelde van geweld. De sleutel tot het begrijpen hiervan is gelegen in het stichtende geweld; dit verschilt niet van het geweld, maar het geweld lijkt van zichzelf te verschillen. Nu eens herstelt het de eensgezindheid en sticht het de cultuur, dan weer lijkt het te vernielen wat het had opgericht. De mensen vereren niet het geweld op zich, maar omdat het hun de vrede verschaft. Door het geweld heen dat hen angst inboezemt, is de verering van de gelovigen dus altijd gericht op geweldloosheid, die zomaar het geschenk van het geweld lijkt te zijn. En dit niet ten onrechte, want de mensen zijn alleen in staat zich met elkaar te verzoenen ten koste van een derde. Het maximum dat de mensen inzake geweldloosheid kunnen bereiken is de eensgezindheid min één rondom de zondebok.
Hiermee “zegt” het religieuze denken dat het principe van
de sociale eenheid niet aan de mensen toegeschreven kan worden. Girard verbindt
hieraan zijn afwijzing van de theorie dat de oorsprong van de samenleving
gelegen zou zijn in een zogenaamd “sociaal contract”, dat zijn wortels vindt in
de rede, het gezond verstand, goed begrepen belang enzovoort. Deze theorie is
niet in staat de essentie van het religieuze op te sporen en er een reële
functie aan te geven. Girard stelt dat zelfs de meest primaire religie een
waarheid bevat die aan alle stromingen van het niet-religieuze denken ontsnapt.
In de primaire religie leeft het bewustzijn dat de grondvesten van de menselijke
samenleving niet vanzelfsprekend zijn en niet aan de verdiensten van de mens
kunnen worden toegeschreven. De religie vertelt de mensen werkelijk wat ze
moeten doen en niet mogen doen om de terugkeer van het vernietigende geweld
te vermijden. Het geweld werkt wederkerig en het keert automatisch terug op het
hoofd van hen die er een beroep op meenden te kunnen doen, overtuigd als zij
waren het in de hand te kunnen houden. De westerse en moderne samenlevingen
lijken aan deze wet van de automatische terugkeer van het geweld te ontsnappen
en daarom denken ze dat deze wet niet bestaat en nooit bestaan heeft. Girard
meent dat misschien de hedendaagse geschiedenis het aan het ontdekken is.
Een van de vele voorbeelden van de gelijkheid van het geweld en het sacrale is
het verschijnsel in Afrika dat de bewerking van metaal met taboes omringd wordt
en dat de smeden er met sacraliteit bekleed worden. Metaal is een onschatbare
rijkdom: het verlicht de menselijke arbeid en men kan zich ermee verdedigen
tegen vijanden. Maar er zit ook een tegenkant aan deze voordelen. Alle wapens
zijn tweesnijdend. Ze verhogen de risico’s die een gemeenschap loopt door haar
eigen, inwendige onenigheid. De dubbele neiging die de mensen nu eens tot
cohesie en harmonie, dan weer tot dissociatie en conflict voert, wordt door het
aanschaffen van metaal versterkt. Zo is de smid, ten goede en ten kwade, heerser
over een hoger geweld. Hij is in de dubbele betekenis van de term sacraal.
Hij geniet enerzijds privileges maar wordt anderzijds ook als een enigszins
sinistere figuur beschouwd. Men mijdt zijn nabijheid en de smidse is buiten de
gemeenschap gesitueerd. Girard maakt naar aanleiding hiervan een denk-sprong
naar onze westerse samenleving en zegt dat de dreiging van onze kernwapens en de
industriële vervuiling wijst naar een wet die de primitieve volkeren wellicht
slechts ten halve vatten maar wel als reëel ervaren, terwijl wij die wet als
denkbeeldig beschouwen. Wie het geweld manipuleert zal er uiteindelijk door
gemanipuleerd worden.
Om de gelijkheid van het geweld en het sacrale te
illustreren gaat Girard ook te rade bij de lexicografie. In verschillende talen,
met name in het Grieks, bestaan inderdaad termen die het niet-verschil tussen
het geweld en het sacrale aantonen. De moderne lexicografie, bij voorbeeld Emile
Benveniste in Le vocabulaire des institutions indo-européennes, weet hier
niet mee om te gaan en streeft er naar om wat in de primitieve taal verenigd
werd te scheiden om daardoor eenduidige betekenissen te verkrijgen; in dit geval
door het samengaan van geweld en sacraliteit in één woord uit te schakelen en
weg te moffelen. Girard ontleedt in dit verband de woorden hieros,
kratos en het afgeleide adjectief krateros. Het goede krateros
van helden en goden is hetzelfde als het slechte krateros van monsters,
epidemieën en dieren. Een voorbeeld van een splitsing die de twee zijden
van het sacrale als twee onafhankelijke entiteiten wil beschouwen, is wat er
gebeurd is ten aanzien van het woord sacer. In het Latijn was in dit
woord de oorspronkelijke dualiteit verenigd, maar vanuit de behoefte aan een
term die alleen het weldadige uitdrukt is het woord sanctus ernaast
gekomen, als tegenhanger van sacer.
Met deze wetenschap over de identificatie van het geweld met het sacrale, in
functie van het zondebokmechanisme, is Girard nu in staat zijn theorie over het
offer aan te vullen. (Het offer is niet een offerande aan de godheid, als een
soort alimentair geschenk.) In het offer is het volgende aan de orde. Het geweld
is tot rust gekomen omdat het door de dood van het slachtoffer uigedreven werd;
men had de indruk dat het zich bij de substantie van de god voegde. Elk offer is
een herhaling in het klein van de ontzaglijke vrede die is neergedaald op het
moment van de stichtende eensgezindheid, dit wil zeggen toen de god zich voor
het eerst manifesteerde, waarbij het boze geweld in stabiliteit en
vruchtbaarheid werd omgezet. Als de god niets anders is dan het geweld dat een
eerste keer massaal werd uitgedreven, dan brengt het rituele offer hem telkens
iets van zijn eigen substantie, van zijn eigen geweld, dat hij aanvaardt en
waarmee hij zich voedt. Het geslaagde offer voorkomt dat het geweld weer
immanent en wederkerig wordt, omdat door dit offer het geweld beschouwd wordt
als uitwendig en transcendent, alsof de god zelf die slechte immanentie
“verteert” en omzet in goede transcendentie, dat wil zeggen in zijn eigen
substantie. De metafoor van het voedsel voor deze metamorfose van het geweld (de
omzetting van het boze geweld naar vrede) komt bijna vanzelf op door het feit
dat het slachtoffer meestal een dier is, dat bij het offer als voedsel wordt
uitgedeeld. Hoewel de religieuze verklaring van het offer wetenschappelijk
gezien vals is, is ze volkomen waarachtig op het enige vlak dat voor de religie
belangrijk is, met name dat van de menselijke relaties die bescherming behoeven
tegen het geweld.
Hoewel de gemeenschap alles van het sacrale te vrezen heeft, heeft ze er ook
alles aan te danken. Ze gelooft dat ze erdoor werd verwekt. Het stichtend geweld
werd niet gezien als een menselijk feit maar als de werking van het sacrale.
Daarbij moeten we voor ogen houden dat de schepping van de gemeenschap op de
eerste plaats een scheiding is. Zoals eerder aangetoond is elke vermenging van
een gemeenschap met het sacrale boosaardig. Elk bovennatuurlijk bezoek brengt
wraak mee. De weldaden komen pas bij het vertrek van de godheid. Toch is een te
grote scheiding ook gevaarlijk. Als het sacrale zich te ver verwijdert komt men
in de verleiding om de beschermende regels, door het sacrale onderwezen als
heilzame bedreiging, te verwaarlozen en te vergeten. Het menselijk bestaan wordt
op elk ogenblik door het sacrale bestuurd, geregeld, bewaakt en bevrucht. Een
vergelijking met het vuur: het schroeit als je er te dichtbij komt maar het
heeft niet de minste uitwerking als je er te ver vanaf blijft staan. Tussen die
twee uitersten is er het vuur dat verwarmt en verlicht.
Tot slot stelt Girard aan de orde dat elk offerritueel
berust op een dubbele substitutie. De eerste is het werk van het stichtend
geweld dat één enkel slachtoffer in de plaats stelt van alle leden van de
gemeenschap. De tweede (en alleen deze is eigenlijk ritueel) vervangt de
zondebok door een offerbaar (of aanvaardbaar) slachtoffer. Dit tweede (rituele)
slachtoffer is van buiten de gemeenschap, terwijl het oorspronkelijke
slachtoffer (de eerste zondebok) deel uitmaakte van de gemeenschap. De reden
hiervan is dat een ritueel slachtoffer uit de eigen gemeenschap nieuw geweld tot
gevolg zou hebben en dus een nieuwe offercrisis teweeg zou brengen in plaats van
de gevolgen van het stichtend geweld te vernieuwen. Toch is dit niet de goede
voorstelling van zaken, want er zijn wel gevallen van rituele slachtoffers uit
de eigen gemeenschap. Essentieel is het volgende. Het feit dat iemand als
sacrificieel slachtoffer gekozen wordt maakt dat hij een metamorfose ondergaat,
hij wordt door die keuze sacraal gemaakt. In zijn persoon laat het sacrale zich
uitstoten. De zondebok is dus van monsterlijke aard en daardoor niet langer tot
de gemeenschap behorend. De gedaanteverwisseling van het slachtoffer beschermt
de gemeenschap en belet de leden in het wederkerig geweld terug te vallen. Deze
tweede offersubstitutie wortelt in de religie zelf. Girard spreekt hier van de
beschermende miskenning en noemt het de list van het offer.
Toch is deze gekozen zondebok niet louter vreemd aan de gemeenschap. Hij is één
met de monsterlijke dubbel; hij slorpt alle verschillen op, met name ook het
verschil tussen buiten en binnen. Het rituele slachtoffer moet tegelijkertijd
deel uitmaken van de gemeenschap èn van het sacrale. Daarom worden de rituele
slachtoffers vaak gekozen uit de marge van de gemeenschap, zoals slaven,
kinderen en vee. Het offer kan zijn functie uitoefenen dankzij deze
marginaliteit. Hier ligt het ontstaan van het offer, zonder dat zijn uitvinders
(en tevens gebruikers) het geheim van zijn werking doorhadden. Het rituele
denken wil een slachtoffer offeren dat zoveel mogelijk gelijkt op de
monsterlijke dubbel, een dubbelzinnig wezen, zoals men het oorspronkelijk
slachtoffer was gaan zien. Dus zodanig getransfigureerd dat het ook voldoende
verschilt van het oorspronkelijk slachtoffer, want er moet een verschil tot
stand gebracht worden tussen het rituele offer en het oorspronkelijk collectieve
geweld. Op deze wijze verkrijgt het herdenkingsritueel een louterende kracht die
met de behoeften van de gemeenschap overeenstemt. Girard maakt erop attent dat
deze overeenkomst merkwaardig is: “we stellen opnieuw vast dat de religieuze
miskenning juist samenvalt met de zeer reële bescherming die het rituele offer
en de religie in het algemeen aan de samenleving verleent.”
Girard wil in zijn algemene hypothese ook rituele vormen
integreren die, vanwege hun wreedaardige verloop, absurd en onverklaarbaar
lijken. Hij toont aan dat zij verklaarbaar worden zodra ze in verband gebracht
worden met het stichtend geweld. Hij heeft hierbij het ritueel kannibalisme op
het oog, dat in zijn bekendste vorm plaatsvindt bij de Tupinamba, een volk aan
de noordwestelijke kust van Brazilië. Het gaat bij dit ritueel kannibalisme om
een vijand die levend gevangen genomen is. Hij wordt naar het dorp gebracht en
zal lange tijd in het gezelschap van de mensen vertoeven die hem uiteindelijk
zullen opeten. Hij gaat deel uit maken van het dagelijks leven in het dorp,
zodanig dat er bijna dezelfde banden met zijn toekomstige offeraars ontstaan als
de banden tussen de offeraars onderling. Hij wordt het voorwerp van een dubbele,
tegenstrijdige behandeling: nu eens krijgt hij respect, de andere keer wordt hij
gewelddadig behandeld. Even voor de vooropgestelde datum van zijn dood wordt hij
aangemoedigd om illegale daden en overtredingen te begaan. Alle tegenstrijdig-
heden van de samenleving worden op hem geladen. De gevangene moet alle inwendige
spanningen, alle opgestapelde haat en rancune naar zich toe trekken. In hem
wordt de waarheid zichtbaar omtrent de menselijke relaties en de samenleving,
maar die waarheid is ondraaglijk. Dus moet men er zich van afmaken: een
essentiële functie van het stichtend geweld bestaat er in om die waarheid uit te
drijven, haar buiten de samenleving te plaatsen. Door de dood van de gevangene
wordt al het boosaardige geweld in weldadige sacraliteit omgezet en wordt nieuwe
kracht gegeven aan een afgetakelde culturele orde. Het rituele kannibalisme is
dus een offerrite zoals alle eerder genoemden. De Tupinamba proberen wat de
eerste keer gebeurd is te reproduceren om daarmee de eensgezindheid te
vernieuwen en de inwendige rust te bestendigen. En ter verklaring van het
kannibalisme: men doodt het slachtoffer niet om het op te eten, maar omdat men
het doodt is het belangrijk dat het wordt opgegeten, zoals alle dierlijke
slachtoffers eveneens verorberd worden. Dit moet gezien worden in het licht van
de mimetische begeerte (geestelijk kannibalisme) die tegelijkertijd verlangt het
geweld van het model-obstakel te vernietigen en in zich op te nemen.
Wat hier gebeurt kunnen we alleen maar begrijpen als we teruggrijpen naar het
zondebok- mechanisme als naar een reëel proces dat werkelijk de samenhang van de
gemeenschap sticht. We moeten dit echt zien als de werking van een reëel
mechanisme en er niet een psychologische duiding aan geven. Girard zegt: “Zolang
wij in ons moderne denken de operationele aard van de zondebok en van al zijn
rituele vervangers niet begrijpen, zullen de meest essentiële elementen van elke
menselijke cultuur ons blijven ontgaan.”
Op dit punt aangekomen meent Girard te mogen stellen dat de hypothese van de
zondebok definitief als de grondslag van elke vorm van religie beschouwd kan
worden. Maar voordat hij deze conclusie formuleert wil hij eerst nog nagaan of
hij geen enkele rituele categorie over het hoofd heeft gezien. Het
gemeenschappelijk kenmerk van alle riten is dat ze bedoeld zijn om een bepaalde
orde te handhaven. Daarom doen ze voortdurend een beroep op het model van iedere
culturele stabilisatie: de gewelddadige eensgezindheid tegen en rondom de
zondebok.
Er bestaan ook zogenaamde overgangsriten die hiermee in tegenspraak lijken te
zijn. Toch werkt het model ook hier. In overgangsriten gaat het om het verwerven
van een nieuwe status (als voorbeeld de initiatie van adolescenten in de
gemeenschap). Hierin zijn twee momenten te onderscheiden: eerst verliest het
subject de status die hij tot dan toe bezat en in de tweede fase verwerft hij de
nieuwe status. In het oorspronkelijk religieus denken werden deze twee momenten
als onafhankelijk van elkaar ervaren. Dit houdt in dat de eerste fase als een
verlies van het zo belangrijke verschil werd beleefd, waarvan we inmiddels weten
dat elk verschilverlies geweld betekent en dat het geweld besmettelijk is. Het
“individu in overgang” wordt gelijkgesteld met het slachtoffer van een epidemie.
Het minste verschilverlies kan de hele gemeenschap in een offercrisis meeslepen.
Die besmetting moet voorkomen worden. Daarom is de eerste maatregel het
slachtoffer af te zonderen in het woud of de woestijn, daar waar het
ongedifferentieerde geweld heerst, dat is het rijk van het sacrale waar men niet
meer beschikt over het stabiele verschil en de welbepaalde status. In het
sacrale worden de verschillen uitgewist omdat ze in chaotische vorm aanwezig
zijn, wat betekent dat men deel heeft aan de monsterlijkheid ervan. De
toekomstige ingewijde heeft geen naam, geen verleden, geen familiebanden en niet
het minste recht meer. De overgang is een te duchten gebeuren omdat men er bij
het begin niet zeker van is dat het alleen maar een overgang zal zijn. Men weet
wat men verliest maar niet wat men zal vinden. Men weet nooit waarop de
monsterlijke mengeling van de verschillen zal uitlopen. De achtergrond van deze
gang van zaken is dat er in de oorspronkelijke religie en samenleving angst was
voor verandering. Op de achtergrond speelde daarbij de vrees dat de vertrouwde
orde tenietgedaan kon worden door toedoen van het sacrale.
Toch was er tegelijkertijd het bewustzijn dat de gedifferentieerde orde tot
stand was gekomen door toedoen van de offercrisis. Dit bewustzijn was het
fundament van de overgangsriten. Om voor de neofiet hetzelfde resultaat te
bereiken als de eerste keer moet alles wat zich de eerste keer heeft afgespeeld
nauwgezet gereproduceerd worden en moet hij, volgens de logica van het
religieuze denken, door alle stadia van de offercrisis heen. De neofiet moet
zich, naar het voorbeeld van zijn voorvaderen, volledig onderdompelen in de
crisis. Hij moet de pijnlijke gevolgen van het wederzijdse geweld één voor één
ondergaan. Hem wordt alle comfort en voedsel ontzegd en hij wordt slecht
behandeld, omdat de dingen zich de eerste keer ook zo hebben afgespeeld. Hij
moet ook zelf slechte dingen doen, zoals in de slechte wederkerigheid van de
oorspronkelijke offercrisis ook gebeurde. Als statusloos individu is hij een
monsterlijke dubbel, wat ook zichtbaar wordt doordat hij zich soms als een dier
moet gedragen of zich moet uiten in wilde bezetenheid of een masker moet dragen.
Op deze wijze wordt de crisis nagebootst. Daarna volgt dan ook de reproductie
van de eensgezindheid, het einde van de crisis, de terugkeer naar de orde, wat
voor de neofiet betekent dat hij zijn definitieve status verworven heeft. Als de
overgangsriten altijd weer slagen, zullen ze steeds meer louter een proef
worden, die steeds meer “symbolisch” wordt naar gelang ze minder onzeker is.
Soms zal men zelfs niet meer weten waar het “symbool” naar verwijst.
Girard concludeert opnieuw dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen de
overgangsriten en de andere riten; het model blijft hetzelfde. Het doel van de
riten is altijd de bestaande orde te bevestigen. Verandering aanvaarden betekent
dat men de deur op een kier zet voor geweld en chaos. Toch gebeuren er in ieder
mensenleven en in de samenleving veel veranderingen. Telkens als ze door een
overgang bedreigd worden, proberen de primitieve samenlevingen die kracht binnen
de aanvaarde perken van de culturele orde te kanaliseren. Voor elk probleem
bestaat een remedie van rituele aard, en alle riten zijn te herleiden tot een
herhaling van de oorspronkelijke oplossing, een nieuwe geboorte of de
bevestiging van de gedifferentieerde orde, sociaal en religieus behoud. Dus
nogmaals: geen onderscheid tussen de overgangsriten en de andere riten. En zoals
bij alle andere riten geldt ook hier: de mechanismen die in werking treden,
worden nooit volledig door iemand uitgevonden en moeten niet gezien worden in
functie van sociale efficiëntie, maar als nabootsing van de oorspronkelijke
crisis, met op de achtergrond enig besef van het zondebokmechanisme. De nieuwe
generaties hebben echter niet meer de minste ervaring met het boosaardig geweld.
Daarom moeten de overgangsriten hun kenmerk van pijnlijke beproeving niet
verliezen.
Girard geeft vervolgens een korte beschouwing over de
termen catharma en catharsis, farmakos en farmakon, purgatie en uitdrijving. In
de medische praktijk spreekt men van een cathartische remedie als er iets van
dezelfde aard als de kwaal wordt ingeënt, waarvan de bedoeling is dat dit een
crisis veroorzaakt, van waaruit het lichaam vervolgens op eigen kracht tot
genezing moet komen. Vergelijkenderwijs kan door middel van het inspuiten van
“een beetje” geweld het sociale lichaam in staat gesteld worden het hoofd te
bieden aan het geweld dat de gemeenschap bedreigt. Girard merkt op dat de
analogieën met de medische wereld indrukwekkend zijn, zowel door hun aantal als
door hun precisie. “De opeenvolgende inentingen beantwoorden aan de herhaling
van het offer en zoals bij iedere wijze van sacrificiële bescherming bestaat ook
hier het risico van een catastrofale inversie: een te krachtige entstof, een te
sterk farmakon, kan de besmetting die beteugeld moest worden integendeel
verspreiden.”
Om de betekenis van de term catharsis te vervolledigen wijst Girard nog eens
naar de tragedie. Hij verwijst naar de betekenis die Aristoteles aan de tragedie
geeft in zijn Poetica. We weten al dat de tragedie ontstaan is uit mythische en
rituele vormen. Door het effect van de tragedie te beschrijven in termen van
catharsis (religieuze zuivering) bevestigt Aristoteles dat de tragedie sommige
functies van het rituele kan en moet vervullen in een wereld waarin dit rituele
verdwenen is. In de plaats van een tempel en een altaar heeft men nu een theater
waarin het lot van de catharma, gespeeld door een acteur (substituut voor het
slachtoffer van het oorspronkelijk geweld), de toeschouwers zal purgeren van hun
hartstochten, wat heilzaam zal zijn voor de gemeenschap. Aristoteles geeft in de
Poetica een sacrificiële dimensie aan het woord catharsis; hij lijkt een echte
handleiding van het offer te geven. Als dus de tragedie een sacrificiële aard
heeft, dan heeft ze enerzijds een boosaardig of,volgens Nietzsche, Dionysisch
aspect dat in verband staat met haar gewelddadige oorsprong, maar anderzijds ook
een weldoende, ordenende, Apollinische keerzijde vanwege haar stichtende invloed
op de cultuur. Volgens Aristoteles behoudt en versterkt de kunst van de tragedie
alles wat verdient behouden en versterkt te worden. Plato heeft een
tegengestelde opvatting over de tragedie. Hij legt meer nadruk op de crisis, de
tragische turbulentie, de wankelende verschillen, de gewelddadige
wederkerigheid; eigenlijk wijst hij de tragedie af.
Girard heeft tot nu in dit boek gewerkt aan zijn hypothese dat alle uitingen van
de menselijke culturen (van de riten afgeleid, sacrificieel) geworteld zijn in
de gewelddadige eensgezindheid en dus verband hebben met de zondebok. Nu de
rituele terechtstelling niet meer bestaat, is de vraag of er andere instellingen
zijn waarvoor het verband met het stichtend geweld blijft bestaan. In het eerste
hoofdstuk van dit boek heeft Girard gesuggereerd dat er nauw verband bestaat
tussen enerzijds de afschaffing van de rituele terechtstelling en anderzijds de
vestiging van een rechterlijk systeem. Dit tweede lijkt uit het eerste voort te
vloeien. Deze suggestie moet nog “hard gemaakt worden”. Als we dit niet kunnen
aantonen dan zou men kunnen volhouden dat het rechtssysteem ontstaan is uit een
gemeenschappelijk akkoord van rationele aard, een “contrat social”. De mensen
zouden dan de bedenkers van het sociale kunnen zijn. Dit zou de these van Girard
lelijk in het gedrang brengen.
Voor de beantwoording van de gestelde vraag verwijst Girard
naar Louis Gernet en diens visie op de oorsprong van de doodstraf bij de
Grieken, waarin Gernet een band met de zondebok veronderstelt. De doodstraf komt
voor in twee vormen. De eerste is religieus: de terechtstelling is een vrome
daad, ze betekent een reinigende bevrijding van de groep; de terechtgestelde
heet in Rome homo sacer en in Griekenland farmakos. De tweede vorm is de
apagoge, de volkse en doortastende terechtstelling, een soort lynchpartij die
gesystematiseerd en gelegaliseerd is geworden. Hieruit blijkt dat in beide
vormen van “wettelijke straf” het stichtend mechanisme de kern is: de spontane
eensgezindheid, een onweerstaanbare overtuiging die de hele samenleving
mobiliseert tegen één enkele verantwoordelijke.
Tot slot meent Girard nu te kunnen bevestigen dat er over de ogenschijnlijk
extreme diversiteit heen een eenheid bestaat. Niet alleen een eenheid van alle
mythologieëen en riten, maar van de hele menselijke, religieuze of
antireligieuze, cultuur. Die eenheid rust op één enkel mechanisme, dat nog
altijd werkzaam is omdat het nog altijd miskend wordt, en dat spontaan de
eensgezindheid van de gemeenschap verzekert tegen en rondom de zondebok.
Omdat deze conclusie zo buitensporig lijkt wil Girard toch
nog eens het type analyse waarop ze berust illustreren. Hij maakt daarvoor een
vergelijking tussen drie rituelen die ogenschijn- lijk heel verschillend zijn.
De vergelijking betreft: de Afrikaanse monarchieën, het Tupinamba-kannibalisme
en bepaalde Azteken-offers. De vergelijking van deze drie is verrassend, omdat
de analogie tussen deze drie geen betrekking heeft op de kenmerken waardoor
ieder van deze drie een eigen gezicht heeft gekregen, te weten de rituele incest
bij de Afrikaanse koning, het kannibalisme bij de Tupinamba en het mensenoffer
bij de Azteken. Deze verschillen zijn te verklaren door drie verschillende
manieren waarop hetzelfde drama van de eenheid geïnterpreteerd wordt en in drie
verschillende samenlevingen een eigen rol vervult. Daarmee kunnen zowel de
analogieën als de verschillen tussen deze riten ontcijferd worden. De riten
spelen zich af rondom telkens andere metaforen (verschuivingen) die allemaal het
mechanisme van de stichtende eensgezindheid proberen te vatten. De riten vormen
een interpretatief continuüm rondom de zondebok die ze echter nooit bereiken; ze
geven er een beeld van “in verzonken reliëf”. Iedere poging om de riten naar hun
verschillen te rangschikken is tot mislukken gedoemd. Ze hebben een
gemeenschappelijke oorsprong.
Reeds vanaf het begin zit in iedere rituele interpretatie van het
oorspronkelijke gebeuren een overheersend element dat stilaan de overhand krijgt
en de andere uitwist naarmate de herinnering aan het stichtend geweld vergeten
wordt. Bij voorbeeld het feest: dit is een vreugdevolle herdenking van de
offercrisis die getransfigureerd is. Met de tijd wordt eerst het offer als
eindpunt uitgeschakeld, daarna volgen de uitdrijvingsriten die met het offer
gepaard gingen en hiermee verdwijnen ook de laatste sporen van het stichtend
geweld. Pas dan resulteert het feest in de moderne betekenis. De rite
veroorzaakt vaak zelf, bij haar oorspronkelijke interpretatie van het stichtend
geweld, een eerste onevenwicht tussen de twee zijden van het sacrale (het
boosaardige en het weldadige), dat geleidelijk sterker wordt naarmate het
stichtingsmysterie verder in het verleden ligt. Op dat moment al worden de
dominerende hoofdtrekken van de rite verwekt en worden de andere ten slotte
uitgeschakeld. Als dan in “onze tijden” de redenerende rede verschijnt, ziet
deze de samenvoeging van het weldadige en het boosaardige als een gewone
logische “contradictie”, per vergissing ingevoerd. Dit resulteert in twee
ogenschijnlijk los van elkaar staande rituele instellingen.
Samenvattend: Ieder religieus ritueel stamt af van de zondebok en de grote
menselijke instellingen gaan terug op de rite: de politieke macht, de
rechterlijke macht, de geneeskunde, het toneel, de filosofie en de antropologie
zelf. De rite, één in verscheidenheid, leidt de mensen stapvoets uit het
sacrale; ze maakt het hun mogelijk uit hun geweld te ontsnappen en verleent hun
alle instellingen en alle denksystemen die hun menselijkheid bepalen. Met
verwijzing naar Durkheim bevestigt Girard nogmaals dat de samenleving één is en
dat die eenheid eerst religieus is. Wat wij, mensen, op het vlak van de cultuur
bezitten, hebben we te danken aan het opvoedend principe dat uit het religieuze
stamt: de opheffing van het geweld, het grootste obstakel voor het stichten van
de menselijke samenleving, en de gedifferentieerde eenheid tegen en tevens
dankzij de zondebok.
Aan het einde gekomen van het onderzoek over mythen en riten meent Girard dat
zijn hypothese bevestigd is en dat zij als basis dient voor een theorie van de
primitieve religie. Hij meent ook dat deze theorie uitgebreid kan worden naar de
joods-christelijke en naar de hele cultuur. Toch kan zijn theorie nog enkele
principiële vragen oproepen. Met name wil hij het bestaan van het stichtend
geweld nog eens aan de orde stellen. Hij beschouwt dit namelijk als absolute
oorsprong, dat is de overgang van het niet-menselijke naar het menselijke, en
tevens als relatieve oorsprong, dat is de oorsprong van de afzonderlijke
samenlevingen. Zijn theorie is echter wel paradoxaal, want zij steunt op feiten
waarvan de empirische aard empirisch niet controleerbaar is. Die feiten zijn
immers alleen toegankelijk via teksten en raadselachtige documenten; redenen om
eventueel aan deze theorie het epitheton “wetenschappelijk” te onthouden.
Om deze voorbarige conclusie te ontkrachten maakt Girard de vergelijking met de
evolutietheorie, die wel als wetenschappelijk wordt erkend maar waarbij ook geen
empirische verificatie mogelijk is. Ook daartoe krijgt men pas toegang op basis
van vergelijkingen en overlappingen van gegevens. Bij beide theorieën moeten we
de vergelijkende methode gebruiken en moeten we te werk gaan met een hypothese.
Het is zelfs zo dat inzake de theorie van de zondebok de ontoegankelijke aard
van het stichtend geweld een essentiële dimensie is van de theorie. Het
stichtend geweld mag niet te voorschijn komen: de miskenning is onontbeerlijk
voor iedere religieuze en post-religieuze structurering. De term miskenning moet
echter wel op de juiste wijze begrepen worden. Ze werkt niet zoals verdringing
en onbewustzijn in de psychoanalyse. Als we de religieuze miskenning in de zin
van de psychoanalyse zouden opvatten, zou er in het religieuze iets zijn dat aan
Freuds verdringing van de vadermoord en de incest beantwoordt en zou er iets
zijn dat voor altijd verborgen zou blijven. Dit is niet het geval. Hoewel het
stichtend geweld onzichtbaar is, kan men het altijd logisch afleiden uit de
mythen en riten zodra men er de werkelijke scharnieren van heeft opgespoord.
We kunnen ons wel afvragen welk aspect van het stichtingsproces het best
verborgen zou moeten blijven, omdat het, althans in onze westerse ogen, cruciaal
is. Dat is de willekeur in de keuze van het slachtoffer. Het weet hebben van die
willekeur lijkt immers onverenigbaar met de vergoddelijking van ditzelfde
slachtoffer. Een aandachtig onderzoek toont echter aan dat zelfs dit aspect niet
verborgen is. Mythen en riten proberen in veel gevallen onze aandacht te
vestigen op de factor toeval in de keuze van het slachtoffer, maar wij verstaan
hun taal niet. Girard denkt ook dat hij deze essentiële dimensie te weinig
geaccentueerd heeft. Daarom volgt hier nog iets over een correcte interpretatie
van de primitieve religie.
Er zijn riten die wij als “abnormaal” bestempelen, omdat er een soort
sportcompetitie of kansspel in zit: bij de Uitoto-Indianen een balspel, bij de
Kayan op Borneo een tolspel en bij de Canelos-Indianen een partijtje dobbelen
tijdens de dodenwake. Het blijkt dat de spelen van dit type niet aan een vooraf
bestaande cultus worden toegevoegd; het betreffende spel wordt uitsluitend
tijdens deze betreffende rite op deze wijze gespeeld. Hier is niet het profane
idee van het spel aan de orde, maar wij zijn het die dit projecteren op de rite.
Wat niet betekent dat het spel vreemd is aan de rite; onze voornaamste spelen
komen uit riten voort. Girard keert de stelling van Huizinga om: niet het spel
omhult het sacrale, maar het sacrale omhult het spel.
Hoe meer men over het thema toeval nadenkt des te beter merkt men dat het overal
aanwezig is. In volksgebruiken en fabels doet men een beroep op het toeval
hetzij om “een koning te trekken”, hetzij om iemand aan te duiden die een
moeilijke taak moet verrichten, of die zich aan uiterste gevaren moet
blootstellen, of zich voor het algemeen belang moet opofferen, kortom die de rol
van zondebok op zich moet nemen. Om te “bewijzen” dat het thema van het toeval
uit de willekeur van de gewelddadige oplossing voortvloeit, verwijst Girard o.a.
naar de tekst over de loting in het boek Jona. De zeelieden zeiden tot elkaar
“Kom laten we het lot werpen om te zien aan wie het ligt dat deze ramp ons
treft.” Het schip stelt de gemeenschap voor en de storm de offercrisis. Men
werpt het lot om de verantwoordelijke van de crisis te vinden. Het lot dat zich
niet kan vergissen omdat het één en hetzelfde is als de godheid, wijst Jona aan.
We staan wel degelijk voor een beeld van de offercrisis en van de oplossing. Het
slachtoffer wordt door loting aangewezen; vervolgens wordt door zijn uitdrijving
de gemeenschap van de zeelieden gered.
In de moderne wereld lijkt het thema van het toeval onverenigbaar met een
tussenkomst van de godheid; in de primitieve wereld ligt dat anders. Het toeval
vertoont alle kenmerken van het sacrale, dat nu eens de mensen geweld aandoet,
dan weer hen overlaadt met weldaden.
De sacrale aard van het toeval vinden we ook terug in de instelling van het
godsgericht. In bepaalde offerriten wordt door de keuze van het slachtoffer door
een godsoordeel nog sterker de band geaccentueerd tussen het toeval en het
stichtend geweld. De keuze van het slachtoffer wordt niet aan mensen
toevertrouwd maar aan een geweld dat samenvalt met het sacrale toeval.
Girard wil tenslotte een correcte evaluatie maken van zijn theorie. Het type
kennis dat zijn theorie oplevert is van een heel andere aard dan dat waarmee men
zich in het domein van de religie altijd tevreden gesteld heeft. Eigenlijk was
die kennis gebaseerd op de publieke opinie, op “er wordt gezegd dat . . . “. De
zogenaamde religieuze wetenschappen zijn niet in staat om hun objecten
nauwkeurig te definiëren. Volgens Girard bestaat er geen wetenschap van de
religie en geen wetenschap van de cultuur. En dan zegt hij over zijn theorie:
“Waar of vals, onze hypothese verdient de kwalificatie “wetenschappelijk” omdat
ze een strikte definitie mogelijk maakt van de fundamentele termen als godheid,
ritueel, sacraal, religie enzovoort. We zullen als religieus bestempelen alle
fenomenen die verbonden zijn met de herinnering, de herdenking en de
bestendiging van een entiteit die in laatste instantie altijd haar wortels heeft
in de moord op een zondebok.“
De enige goede manier om deze stelling te behandelen is haar als een
wetenschappelijke hypothese te beschouwen. Dit betekent dat we ons moeten
afvragen of zij werkelijk rekenschap geeft van de dingen waarvan ze beweert
rekenschap te geven; of ze iets duidelijk maakt van de oorsprong, de functie en
de structuur van de primitieve instellingen. Met andere woorden of ze antwoord
geeft op de volgende vragen: functioneert het systeem niet alleen hier of daar,
maar overal? Blijkt de zondebok inderdaad de sluitsteen te zijn van het hele
mythische en rituele bouwwerk? Kan hiermee elke religieuze tekst begrijpelijk
gemaakt worden?
In zijn slotbeschouwing bespreekt Girard de vooroordelen tegen het religieuze en
tegen begrippen van het zondebok-type. Hij doet dit in oppositie met het werk
van Fraser, dat hij waardeert om de kwaliteit van de beschrijving maar afwijst
om het gebrek aan begrip.
Fraser meent de sacrificiële theologieën te kunnen ontwrichten door ze
belachelijk te maken. Hij doet niet anders dan het geweld in de schoot van het
offer weg te moffelen. Daarmee beschouwt hij de substitutie in het offer als
louter fantasie, als een non-fenomeen. Een beetje meer bescheidenheid zou hem
sieren, want zelfs het ontoereikende freudiaanse begrip overdracht zou kunnen
doen vermoeden dat er iets is dat ons ontgaat.
In het moderne denken weigert men de sleutel op te sporen die toegang verleent
tot een instituut dat in een en dezelfde beweging een einde maakt aan het
wederkerig geweld en de gemeenschap structureert. Het religieuze wordt als
“denkbeeldige” entiteit voorgesteld, of als het domein van duistere
gemeenschappen en achterlijke mensen. Fraser en zijn discipelen spelen ten
aanzien van de religie een spel van uitdrijving. Zij behandelen de religie als
de zondebok van heel het menselijk denken.
Nochtans, zo stelt Girard, is er hier wel degelijk sprake van wetenschap. Er zit
geen schijn van “mystiek” en “filosofie” in wat hier naar voren gebracht wordt.
Mythen en riten, dat zijn de eigenlijke religieuze interpretaties, draaien rond
het stichtend geweld zonder ooit echt tot de kern door te dringen. Ook de
moderne interpretaties dringen niet door tot de kern, zoals bij Fraser blijkt,
en ze hebben dezelfde grondslag als de riten zelf, dat is de gewelddadige
eensgezindheid. In de religieuze interpretaties wordt het stichtend geweld
miskend, maar wordt zijn bestaan erkend. In de moderne interpretaties wordt zijn
bestaan ontkend.
De vraag die alle interpretaties stellen bleef altijd onbeantwoord. De vraag
zelf werd als ritueel beschouwd. Zolang er riten zijn, is er geen antwoord maar
blijft de vraag gesteld worden. Fraser stelt werkelijk de vraag omtrent de
oorsprong van de religie, maar het antwoord blijft uit. Daarentegen is de
huidige interpretatie op het punt gekomen dat ze haar eigen onmacht om echte
antwoorden te verwekken erkent. Ze verklaart over zichzelf dat ze eindeloos is.
Dat er nooit een antwoord komt betekent dat de vraag slecht gesteld werd. De
fundamentele “vergissing” van de moderne interpretatie is dat haar vraag op het
“sacrale” gericht is. Wij denken dat wij de enige samenleving zijn die ooit uit
het sacrale zal loskomen. We zeggen dat de primitieve samenlevingen “in het
sacrale” leven. We hebben echter gezien dat geen enkele samenleving “in het
sacrale”, dit wil zeggen in het geweld kan leven. In gemeenschap leven betekent
aan het geweld ontsnappen dankzij een miskenning en zeker niet dankzij een
verzoening. Dat is de algemene wet van de gemeenschappelijke miskenning.
Toch concludeert Girard dat we meer dan de andere samenlevingen uit het sacrale
zijn losgekomen. Doordat we, als gevolg daarvan, het stichtend geweld beter
kunnen “vergeten” of helemaal uit het oog verliezen zullen we het terugvinden,
niet historisch maar op het vlak van de kennis. En daarom kunnen wij de rol van
het geweld in de samenleving openbaren.
Jan Geerts, juni 2010