VU Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
René Girard
Les
origines de la culture (Paris: Desclée de Brouwer,
2004). Engelse vertaling Evolution
and Conversion: Dialogues on the Origins of Culture (Continuum Intl Pub
Group, 2008).
(Leesverslag
enkele hoofdstukken, t.b.v. besprekingen in studiekring;
zie ook recensie
door Simon Simonse)
Hoofdstuk
II "Une théorie sur laquelle travailler": le mécanisme mimétique
1
Het functioneren van het mimetisch mechanisme
2
Mimetische rivaliteit en oorsprongsmythen
3
De zondebok en de sociale orde
5
Culturele mimesis en de rol van het object
Hoofdstuk
III "Le scandale du christianisme"
1
De antropologie van de bijbel
3
De Openbaring en de oosterse religies
4
Het Salomonsoordeel en de niet-sacrificiële ruimte (pp. 126-130)
5
De geschiedenis en het sacrificieel besef
Hoofdstuk
VI Methode, bewijsvoering en waarheid
1
De vraag naar het bewijs in mythen en rituelen
2
Wetenschap, antropologie en begrip
4
La pensée conjecturale et les indices de lHistoire
[samanvatting volgt]
Hoofdstuk
II "Une théorie sur laquelle travailler": le mécanisme mimétique
1
Het functioneren van het mimetisch mechanisme
[61]
De interviewers beginnen dit hoofdstuk met de vraag aan Girard [hierna: G.] om
de begrippen mimetische begeerte en mimetisch mechanisme zoals hij die in de
loop van zijn werk heeft ontwikkeld, nog eens helder te omschrijven. Het
mimetisch mechanisme duidt op de sequentie begeerte
- rivaliteit -crisis - zondebok. Te beginnen dus met désir
mimétique, te onderscheiden van het biologische appétit 'behoefte, trek, lust'. Zin in seks en behoefte aan voedsel
zijn nog geen begeerten: dat worden ze pas door imitatie van een model.
Het
subject kan zich ontwikkelen (1) in dezelfde wereld als zijn model (er is dan
van interne bemiddeling sprake) of (2) in een andere (externe bemiddeling,
voorbeeld: een fan en zijn filmster). In het laatste geval is een direct
conflict niet mogelijk. Wanneer ik daarentegen in dezelfde wereld verkeer als
mijn model, wanneer hij mijn buurman is, komen zijn bezittingen binnen mijn
bereik en kunnen wij rivalen worden. Door de fysieke en psychische nabijheid
ontstaat symmetrie: er is wederzijdse imitatie, zodat het subject tot model van
zijn model kan worden en de navolger tot navolger van zijn navolger. Zo worden
de rivalen dubbels, die hun interesse
in het object vergeten en er slechts door geobsedeerd zijn elkaar te verslaan.
Dat is de situatie van de mimetische crisis, gekenmerkt door
ongedifferentieerdheid en een besmettelijke verspreiding.
De
hypothese van G. gaat lijnrecht in tegen wat in onze moderne wereld wordt
gedacht, namelijk dat begeerte strikt individueel en uniek is, wat zou kunnen
betekenen: voorbeschikt. Begeerte is in G's optiek mobiel, staat tussen
instincten en sociaal milieu in, is typisch menselijk en heeft eerder met de
vrijheid van doen om een model te
kiezen dan een object. De mimetische begeerte onderscheidt ons van dieren en
stelt ons in staat een eigen identiteit te construeren en alles te leren wat we
nodig hebben om middels aanpassing deel te nemen aan onze cultuur. Imitatie is
dan ook onverbrekelijk verbonden met leren; niet kunnen imiteren is een ernstig
cultureel gebrek. Normaal wordt imitatie als niet-authentiek beschouwd: wellicht
is dat de reden dat er zo weinig echte theorie over is; meestal gaat het dan
over kinderen. Het onderwerp roept enige schaamte op. Als Plato over imitatie
spreekt, verschijnt het beeld van de spiegel: dubbels zijn een teken van de
mimetische crisis. Plato vreest de mimesis en voorvoelt het conflict achter
bepaalde imitatieve praktijken.
Girard
gebruikt de woorden mimesis en imitatie niet als synoniemen: van mimesis is men
zich minder bewust. Het is ook niet zo dat elke imitatie als begeerte te definiëren
is, zoals Freud dat in de vorige eeuw deed (zie hoofdstuk VII, "Freud en
het Oedipuscompex" in La violence et
le sacré). Overal waar Freud immers kinderen hun ouders ziet imiteren,
meent hij dat ze hetzelfde begeren. Hoewel het woord Nachahmung in zijn "Jenseits des Lustprinzips" op tal van
plaatsen voorkomt, speelt het als principe geen rol. Dat komt omdat het, ontdaan
van zijn conflictuele kracht, simplistisch lijkt en een ontgoocheling vormt voor
de huidige, zeer mimetische lust aan complexiteit. Girard is zich ervan bewust
dat zijn eerste boek ten prooi viel aan dat soort denken. De weigering om over
het begrip imitatie te denken is onze cultuur nog steeds aanwezig, al komt er
vanuit de cognitiewetenschap en de neurologie belangstelling voor, maar weer
zonder aandacht voor het feit dat verwerving en toe-eigening gedragsmodi zijn
die vatbaar zijn voor imitatie.
De
eerste denker die oog had voor het soort rivaliteit waar G. op doelt, was
Augustinus, in zijn Confessiones: [ik
citeer uit de vertaling van Gerard Wijdeveld, Belijdenissen,
(Amsterdam: Polak & Van Gennep, 1981), Boek I, vii, 11- ME]:
Ik
heb zelf eens een baby gezien en meegemaakt die jaloers was: hij praatte nog
niet en toch bekeek hij het kind dat samen met hem gezoogd werd, met een
verbitterde blik uit een bleek gezicht. Wie heeft dat wel niet eens meegemaakt?
Moeders en voedsters zeggen dat ze die dingen met ik weet niet wat voor middelen
bezweren. Onschuld is het toch ook bepaald niet om, terwijl de bron van de melk
rijk is, ja overvloedig stroomt, een lotgenoot die volmaakt hulpbehoevend is en
alleen nog maar met dat voedsel in leven kan blijven, niet te dulden![1][1][1]
Ook
al is dit voorbeeld in G's ogen wat mythisch, het symboliseert zeer goed de rol
van de mimetische rivaliteit.
2 Mimetische rivaliteit en oorsprongsmythen
[68]
Hoewel de mobiliteit van het verlangen geen moderne uitvinding is, werd de
hoeveelheid modellen waaruit in het westen te kiezen viel, sinds de Renaissance
wel veel groter. Er is weliswaar verschil in koopkracht tussen mensen, maar wij
kennen geen kaste of klasse (in de traditionele zin) meer, die de toegang
tot bepaalde goederen strikt codificeerde en controleerde: iedereen drinkt Coca
Cola.
Zo'n
gelijkheid was in een ver verleden ondenkbaar. Toch laten de oude Indische
geschriften mimetische rivaliteit zien; het zijn mythen die een bepaald 'weten'
(de betekenis van veda) organiseren en van reële gebeurtenissen
verhalen: geen pure fictie, maar gedeformeerde werkelijkheid. Volgens deze
teksten zijn mensen, goden en demonen door het offer geschapen, dat zich
schepper betoont in de figuur van Prajâpati. Goden en demonen zijn even inhalig
en agressief wanneer ze strijden om ondeelbare objecten, een voorwendsel om te
rivaliseren. Zo willen Asura's (demonen) en Deva's (goden) allebei de maan
bezitten, maar de Deva's accepteren de alleszins acceptabele oplossing van de
hoofdgod Prajâpati niet, namelijk dat de Deva's de wassende maan, en de demonen
de afnemende maan krijgen. De rivaliteit loopt uit op een offer, dat gunstig
afloopt voor de Deva's, die de hele maan krijgen. Het is interessant om bij
dergelijke episoden naar het begin te kijken: twee gescheiden groepen observeren
elkaar voortdurend en zodra de een iets begeert, doet de ander zijn best dat te
imiteren. Imitatie is de motor van rivaliteit, het is een vlam die telkens weer
opflakkert, niet omdat het vuur onvoldoende gedoofd zou zijn, maar omdat er
altijd nieuwe objecten zijn die nieuwe begeerten opwekken. En telkens is er de
oplossing van het offer, waarvan de brahmanen de specialisten zijn.
In
de bijbel worden mimetische begeerte en rivaliteit expliciet onthuld, van
eenvoudige beschrijving tot een meer normatief begrip van imitatie en conflict.
Zie het boek Genesis, waar begeerte duidelijk als mimetisch wordt voorgesteld:
Eva wordt er door een slang toe aangezet de appel te eten, waarna Adam, met Eva
als intermediair, in een evidente mimetische keten hetzelfde begeert. Er speelt
afgunst in de moord van Kaïn op Abel, een uitdrukking van mimetische
rivaliteit.
Het
laatste gebod uit de Decaloog, "Zet uw zinnen niet op het huis van een
ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn
ezel, of wat hem ook maar toebehoort" [Exodus 20: 17, NBV],
verbiedt expliciet de mimetische begeerte. Zoals al eerder werd beschreven in Ik
zie Satan vallen als een bliksem vat dit verbod volgens G. de
vier eraan voorafgaande misdrijven tegen de naaste samen. De evangeliën zeggen
hetzelfde, maar in termen van imitatie en niet meer in termen van verbod. De
meeste mensen denken ten onrechte dat het thema van de imitatie in de evangeliën
beperkt is tot één model, Jezus, die ons wordt voorgesteld in een
niet-mimetische context. Maar dat is onjuist, omdat we ons voortdurend reeds
bevinden in het domein van het tiende gebod. Jezus beveelt ons aan hem te
imiteren in plaats van de naaste, om ons te beschermen tegen mimetische
rivaliteit. De modellen die wij kiezen zijn namelijk niet noodzakelijk slechter
dan wij, kunnen zelfs beter zijn, maar begeren op dezelfde wijze als wij, dus
wij imiteren dan hun egoïsme.
3 De zondebok en de sociale orde
[75]
Als de mimetische machine functioneert in een situatie van gewelddadige
wederkerigheid, komt er een opeenhoping van conflictuele energie, die de neiging
heeft zich in alle richtingen te verbreiden. Als twee vechten om hetzelfde ding,
kan er een derde bij getrokken worden, waardoor de waarde van dat ding toeneemt
en er meer mensen in geïnteresseerd raken. Voor een transformatie van mimesis
in antagonisme moet het object verdwijnen of op het tweede plan komen; de
dubbels vermenigvuldigen en er komt in de woorden van Hobbes een strijd van
allen tegen allen. De enige manier waarop de samenleving zich kan redden van
zelfdestructie, bestaat erin de collectieve razernij op één slachtoffer te
koelen. De moord op de eenling is unaniem en beëindigt daardoor de crisis. In
riten ziet men dat goed verbeeld: antropologen observeerden dat het ritueel vaak
bewust met wanorde begint, een herhaling van de mimetische crisis.
Kan
er geen andere oorzaak voor een crisis zijn dan mimetisme, een echte epidemie
bijvoorbeeld? Gebrek aan kennis over de aard van een ziekte zou er immers toe
kunnen leiden een verantwoordelijke te zoeken. Dat kan, zegt G. tegen zijn
gesprekspartners, maar een objectieve crisis veroorzaakt altijd een mimetische
crisis, een escalatie van dubbels, anders zou er geen zondebok komen. Om een
crisis op te lossen is een overgang noodzakelijk van de verdelende
mimesis, die betrekking heeft op het begeren van een object, naar de mimesis die
alle haatgevoelens verenigt op een
mikpunt. Rivalen kunnen het niet eens worden als ze allemaal één object
begeren, maar wanner ze collectief één slachtoffer haten, lukt dat wel.
Rivaliteiten
kunnen verschillende polarisatiecentra hebben, maar ze hebben de neiging om
ineen te vloeien, waardoor de mimesis van vijandigheid cumulatief is en
uiteindelijk een slachtoffer produceert dat uniek is. De razernij keert na de
moord niet terug, omdat iedereen eensgezind dat ene slachtoffer veracht. De
vrede die intreedt wordt echter ook als een belangeloze gift van de zojuist
vermoorde gezien, waardoor het slachtoffer tot weldoener wordt en op archaïsche
wijze vergoddelijkt wordt. Het mimetische mechanisme is overigens niet
deterministisch, want een willekeurig lid van de samenleving kan uitgekozen
worden als slachtoffer. Er kan ook vanaf gezien worden en het is denkbaar dat
samenlevingen in het verleden zichzelf te gronde hebben gericht doordat ze er
niet in zijn geslaagd alle rivaliteiten op een slachtoffer te richten of doordat
ze de gebeurtenissen niet wisten om te zetten in een ritueel binnen een duurzame
religie.
Dan
komt de vraag aan de orde of het slachtoffer bij toeval wordt uitgekozen. Dat is
volgens G. onder andere afhankelijk van de mate waarin de vervolgers en het
slachtoffer inzicht hebben in het mechanisme. Christus is in het evangelie geen
toevallig slachtoffer, omdat hij het mechanisme van de zondebok aan de kaak
stelt. Je kunt in het algemeen niet zeggen of er wel of niet van toeval sprake
is, al is er in mythen wel vaak sprake van gebrekkigen, gehandicapten en
buitenstaanders, dat vergroot de kans zie Jesaja 53: 2-3. Een gebrek werd
ten onrechte voor een teken van schuld gehouden en je ziet dan ook in
middeleeuwse antisemitische voorstellingen dat heksen en duivelskunstenaars
enigszins als joden worden afgebeeld, met misvormde trekken, kreupel of met een
bochel. Ook in de Griekse mythologie vinden we dat; zie hierover Carlo Ginzburg.[2][2][2]
Er is dus sprake van een mix van willekeurigheid en noodzaak: als er geen
geschikt teken is voor victimisatie, berust de keus op toeval. Op een cruciaal
moment wordt iets als teken geïnterpreteerd,
het doet er niet toe wat, en iedereen denkt de schuldige gevonden te hebben: in
zekere zin functioneert het mechanisme van de zondebok als valse wetenschap, als
een grote ontdekking, als een openbaring die je meteen bij je naaste kunt verifiëren.
Een naïef fetisjisme van het fysieke object, dat als bewijs wordt beschouwd,
zegt Arthur Hocart. Volgt het voorbeeld van Phaedra uit Euripides' Hippolytus,
die haar stiefzoon ten onrechte beschuldigt van oneerbare bedoelingen jegens
haar. Waarom gelooft zijn vader Theseus haar? Er is een bewijs: een zwaard.
Girard vergelijkt het verhaal met dat van Jozef en de vrouw van Potifar (Genesis
39)[3][3][3]
(waar Jozefs kleed als bewijs geldt).
Het
collectief worden van de dubbels leidt ertoe dat verschillen verdwijnen; in zo'n
situatie maakt het weinig uit wie uiteindelijk als slachtoffer wordt gekozen. Er
is hier sprake van een negatie van verschil, een feit waar een structuralist als
Lévi-Strauss geen rekening mee houdt, omdat hij in de traditie van De Saussure
beweert dat taal de afwezigheid van verschil niet uit kan drukken. Toch is daar
sprake van, bij tweelingen, en de metafoor wordt in sommige samenlevingen
uiterst serieus genomen doordat ze worden afgeslacht. Het mechanisme van de
zondebok gaat aan elke culturele orde vooraf, ook de taal. Cultuur ontwikkelt
zich middels rituelen. Om te verhinderen dat er onvoorzien van tijd tot tijd
geweld losbarst, organiseren culturen op vastgestelde momenten 'gepland',
beheersbaar, geritualiseerd geweld. Door de herhaling wordt dat een leerproces,
waardoor er op crisismomenten interventies mogelijk zijn. Er komen ook rites de passage (om de crisis van de adolescentie te beheersen) en
doodsriten. Of de crisis nu reëel is of niet maakt daarbij eigenlijk niet eens
zo veel uit.
Zo
kan men rituelen op twee manieren opvatten: op de wijze van de Verlichting, die
de alomtegenwoordigheid van rituelen terugvoerde op de alomtegenwoordigheid van
"doortrapte en inhalige priesters", die hun abracadabra aan het
lichtgelovige volkje oplegden of andersom: de geestelijkheid heeft de cultuur
niet uitgevonden, maar is er het resultaat van. Zoals de hierboven genoemde
Hocart stelt: intellectuelen kunnen in hun afkeer van rituelen vaak niet
begrijpen dat ons moderne, rationele, op een economisch belang berustende
bestuursapparaat daar uiteindelijk op terug is te voeren. Wie echter om zich
heenkijkt, ziet alom dat rituelen het cement vormen van gemeenschappen: dat komt
omdat een ritueel een morele regel insluit, terwijl de economie op profijt
berust. G. gaat nog een stap verder, wijzend op de geschiedenis van Kaïn, de
stichter van de eerste cultuur, ook al vermeldt de tekst van Genesis dat niet,
want je vindt er slechts de moord op Abel. Echter: meteen daarna volgt de wet
tegen het moorden (4: 15): wie Kaïn doodslaat, zal zevenvoudig gewroken worden.
Dat is de fundering van de cultuur: de doodstraf
is immers een rituele doodslag. Het
bewijs daarvoor geeft Leviticus, met de strikt gecodificeerde executie waaraan
de hele samenleving deelneemt. Met de doodstraf wordt de oermoord op
gelijksoortige wijze herhaald: iedereen neemt deel, niemand is verantwoordelijk.
In verschillende opzichten komt cultuur voort uit de proto-rituele moord:
behalve over de legale institutie spreekt de bijbel vanaf Kaïn en zijn
nakomelingen over de domesticatie van dieren, muziek en techniek (Gen. 4:
20-22).
Het
lijkt op de mythe over Prometheus, zoals verteld door Aeschylus. Prometheus is
echter het slachtoffer dat gedood wordt en vervolgens onophoudelijk wordt
gekannibaliseerd (de adelaar eet zijn lever), in een oneindige herhaling van het
offer. In de Griekse mythologie is hij verantwoordelijk voor de uitvinding van
de cultuur, voorloper van taal, wetenschap en techniek.
[85]
Het zondebokmechanisme is ook in onze wereld werkzaam. Wat we zien is dat de
mimetische begeerte zich snel en opportunistisch verplaatst. In het evangelie
betekent skandalon mimetische
rivaliteit: het is hetzelfde als die lege ambitie, dat antagonisme, die
wederzijdse en ridicule vijandigheid die iedereen voelt jegens de ander,
sentimenten die simpelweg ontstaan doordat we ons in onze verlangens
gefrustreerd voelen. Als een kleinschalig schandaal opportunistisch wordt, heeft
het de neiging zich aan te sluiten hij een groot televisieschandaal en het wordt
sterker doordat de verontwaardiging gedeeld wordt door velen. Het grootste
schandaal slokt altijd vele kleine schandaaltjes op en culmineert in enorm
ressentiment, jegens de joden (in de nazitijd), jegens Dreyfus (Frankrijk, eind
19de eeuw) en tegenwoordig jegens Afrikaanse immigranten en moslims.
Er
is een prachtig literair voorbeeld van dit verschijnsel te vinden in
Shakespeares Julius Caesar, waar het gaat om het (mimetisch) recruteren van
samenzweerders. In het tweede bedrijf, eerste toneel, komt Ligarius ten tonele;
hij is gek, maar bij het idee Caesar te kunnen doden, leeft hij op (vss. 356 ff.
[ik citeer uit de vertaling van Willy Courteaux]):
Ligarius
Zet
de eerste stap en ik zal je volgen met wild laaiend hart,
Om
wat ik nog niet weet te doen: 't volstaat
Dat
Brutus me de weg toont.
Brutus
Volg
me dan.[4][4][4]
Ligarius
vergeet alles, omdat hij nu een punt heeft waarop al zijn haat zich richten kan.
Helaas komt negentig procent van de politiek daarop neer: men kiest in de partij
dezelfde zondebok als zijn buurman.
Toch
is dankzij de christelijke openbaring deze polarisatie van de haat snel te
ontmantelen. Vóór de komst van het jodendom en christendom was het
zondebokmechanisme geaccepteerd en werd het op een of andere manier
gelegitimeerd, eenvoudigweg omdat men het niet begrijpt; tenslotte bracht het de
gemeenschap vrede. In de figuur van Jezus wordt het evenwel in zijn werking aan
de kaak gesteld als moord op een onschuldig slachtoffer, gedood om een
gewelddadige gemeenschap tot rust te brengen. Het punt is, dat wanneer een
gemeenschap door heeft hoe het
mechanisme feitelijk werkt, de verzoenende werking ervan verdwijnt. Theologen
hebben G. wel verweten dat het christendom bij uitstek de religie van de
zondebok is, omdat de evangeliën er expliciet over spreken. Maar juist doordat
ze dat doen, is dat onmogelijk. Niemand durft meer te zeggen: dit is mijn
zondebok ook al zou hij daar wel naar handelen. Als Frankrijk eind
negentiende eeuw Dreyfus als zondebok had, was dat omdat iedereen elkaar
napraatte dat hij ook werkelijk schuldig was. Om een zondebok te hebben, is verdraaiing van de waarheid
noodzakelijk, gebaseerd op de mening dat iemand terecht fout zit. Het is de
mythische beschuldiging, die Oedipus ten deel valt. Alweer Shakespeare maakt het
ons in de woorden van Brutus duidelijk:
O
Caius, laat ons offraars zijn, geen slachters.
[
]
En
als het oog van 't volk dit zo beschouwt,
Noemt
men ons zuiveraars, geen moordenaars.[5][5][5]
Brutus
weet wat hij doet, maar maskeert het illegitieme geweld door het niet als moord
voor te stellen. Volgens G. begrijpt Shakespeare meer van het offer dan de
moderne antropologie.
Waarom
de term méconnaisance [door mij als
'onwetendheid' vertaald, conform het citaat hieronder uit Act.] in plaats van inconscience
'het onbewuste'? G. heeft daarvoor gekozen om afstand te nemen van de
Freudiaanse woordenkraam. "Vader, vergeef hun: zij weten niet wat ze
doen" (Luc.
23: 34), daar gaat het om. En aansluitend, in Handelingen,
Petrus, het volk toesprekend: "Ik weet dat gij in onwetendheid gehandeld
hebt." 'Het onbewuste' impliceert
een essentialisme dat G. wantrouwt; bovendien is het gebrek aan bewustzijn in
het zondebokproces iets anders dan het onbewuste van Freud. Het gaat G. om iets
dat van doen heeft met een verschijnsel dat eerder collectief dan individueel
is. Hij staat verder vijandig tegenover een identificeerbaar psychisch apparaat:
het onbewuste beschouwt hij als een
bedrieglijke black box. De aard van
het zondebokmechanisme is zeker onbewust, maar laat het niet opgesloten worden
in een onbewuste dat à la Freud een
eigen leven gaat leiden.
Hoe
mimetischer, hoe onwetender? Ja, maar ook: hoe groter de mogelijkheid tot kennis
van het mechanisme. Les grands écrivains
waren in G.'s ogen allen hypermimetisch. Dostojewski en Proust laten in hun
boeken een breuk zien tussen de middelmatigheid van hun vroege werk (pogingen
tot zelfrechtvaardiging) en de grootheid van hun latere geschriften, die alle
een val van het ik behelzen, in de zin
waarin La chute van Camus dat is.
Schrijvers als Proust en Shakespeare hebben het ook over zichzelf, dat is
duidelijk. Als Albertine er niet is, bemint de verteller haar, maar wanneer ze
aanwezig is, verdwijnt dat gevoel. Dat geschiedt ettelijke keren: het lijkt wel
op de bezetenheid door de duivel in de evangeliën. In Jean Santeuil, een vroeg
werk van Proust, is de hoofdpersoon blind als het om hemzelf gaat; aan het woord
is zijn mimetisch verlangen. Evenzo bij Dostojewski, wiens correspondentie in de
eerste periode bijna te vervangen is door zijn romans uit die tijd. Pas met de Aantekeningen
uit het ondergrondse wordt Dostojewski buitengewoon lucide ten aanzien van
zichzelf. Maar zo onthullend als Shakespeare, met zijn kennis van de
regenererende kracht van het mimetisch mechanisme in de antieke wereld, is hij
niet. En dan te bedenken dat George Orwell A
Midsummer Night's Dream oppervlakkig vond: hij begreep niet tot welke hoogte
dit werk opstijgt in zijn personages en hun stoeierijtjes.
5 Culturele mimesis en de rol van het object
[94]
Zodra een appétit 'behoefte, trek,
lust' tot begeerte wordt, is er sprake van besmetting door een model: begeerte
is een sociale constructie. Maar appétit
impliceert niet noodzakelijk imitatie. Je staat op het punt te stikken en hebt
behoefte aan lucht: daar zit geen imitatie in, het is louter fysiologisch. Je
doet niemand na als je in de woestijn op zoek gaat naar water. Maar in onze
wereld vertellen sociale en culturele modellen ons wat we moeten eten of
drinken. Elke lust is omgebogen door modellen, die ons paradoxaal genoeg de
indruk geven dat als we hen volgen, we 'onszelf' zijn. Hoe wreder en wilder een
samenleving, hoe meer geweld er wortelt in pure behoeften. Men moet de
mogelijkheid niet uitsluiten van geweld dat, in situaties van gebrek aan het
noodzakelijke, vreemd is aan mimetisch gedrag. Toch kan ook dan rivaliteit
optreden; anders dan sommige marxisten menen is mimetisch verlangen niet slechts
tijdverdrijf voor aristocraten. Hoewel veel mensen in onze wereld tegenwoordig
bang zijn voor 'toevallig' geweld, ontstaat het meest gewelddadige gedrag vooral
tussen mensen die elkaar kennen. Iemand op straat aanvallen is geen rechtstreeks
mimetische daad, omdat er geen mimetische relatie bestaat tussen slachtoffer en
agressor. Achter zo'n aanval kan in de persoonlijke geschiedenis van de
aanvaller natuurlijk wel sprake zijn van mimetische betrekkingen.
Mimesis
heeft niet alleen ontregelende effecten, maar maakt ook culturele overdracht
mogelijk. Hoewel G. toegeeft dat de 'slechte' mimesis in zijn werk een
prominente plaats inneemt is er zeker ook 'goede'
mimesis, zonder welke geen onderwijs, culturele overdracht of vreedzame
betrekkingen mogelijk zouden zijn. Negen op de tien keer leidt culturele
imitatie niet tot rivaliteit. Als ik iemands accent naboots, zijn manier van
doen, dezelfde boeken als hij lees, dan zijn dat gedragingen die deelbaar zijn.
Er kan evenwel rivaliteit ontstaan wanneer zo iemand mij vertelt over een
wetenschappelijke ontdekking die hij heeft gedaan en ik daarover begin te
publiceren. Antropologisch bezien is de jacht een voorbeeld van een
ingewikkelde vorm van samenwerking die berust op een culturele orde die zelf
weer in het offermechanisme is geworteld: het object wordt immers gedood.
De
institutionalisering van de letterenstudie verbloemt het mechanisme van de
mimetische begeerte. Sandor Goodhart schrijft dat de werkelijke functie van de
kritiek is om de literatuur terug te brengen tot conventioneel individualisme,
in plaats van onder ogen te zien welke afgrond er gaapt tussen een groot
schrijver en de publieke opinie. Goede kritiek zou ertoe moeten bijdragen dat de
mimetische aard van het verlangen wordt onthuld, in plaats van het oude liedje
te zingen van originaliteit en nieuwheid.
"Het
object in onze consumptiemaatschappij is niet exclusief te definiëren binnen de
context van toe-eigeningsmimesis", zeggen Dupuy en Dumouchel. Het
produceert ook middelen om conflict te vermijden. G. vindt deze visie aan de
optimistische kant. Het is inderdaad zo dat de beschikbaarheid van dezelfde
spullen voor iedereen de kans op conflict en rivaliteit vermindert, maar zodra
dat permanent wordt, verliezen mensen hun interesse in te gemakkelijk
toegankelijke en identieke objecten. Zo werkt de consumptiemaatschappij aan haar
eigen destructie en net als ieder sacrificieel mechanisme heeft ze er behoefte
aan zich telkens opnieuw uit te vinden: om te kunnen overleven moeten er altijd
nieuwe gadgets uitgevonden worden. De
markteconomie verslindt de bronnen van de aarde, ongeveer zoals de Azteken
telkens meer slachtoffers doodden. Elke sacrificiële remedie verliest met de
tijd zijn effectiviteit. De meest slim bedachte verleidingsobjecten houden onze
aandacht het minst lang vast. Shopping
bestaat voornamelijk uit het laten passeren van een hele reeks artikelen voor de
vuilnisbak, met nauwelijks een korte stop. Met koopt met de ene hand artikelen
die men met de andere weggooit; en dat in een wereld waarin de helft van de
mensheid aan honger lijdt.
In
de moderne maatschappij gaat het vaak meer om een uitwisseling van tekens
dan om werkelijke objecten: een minimalistische en anorectische wereld, omdat
consumptie als teken van rijkdom zijn aantrekkingskracht verloren heeft. Zoals
Thomas Frank het zei: "Men moet er uitgemergeld of subversief uitzien om
echt cool te zijn."[6][6][6]
Frank spreekt van de commodification of
discontent, wat wil zeggen dat mensen 'tekens van afkeer' kopen van
hetzelfde systeem dat juist deze tekens verkoopt. Het probleem is dat iedereen
zijn toevlucht neemt tot dezelfde foefjes en wij wederom allemaal op elkaar
lijken. In een extreme vorm wordt onze consumptiemaatschappij mystiek, in die
zin dat ze ons voorziet van objecten waarvan we bij voorbaat weten dat ze onze
begeerten niet bevredigen. We zijn ons daarbij bewust dat we altijd behoefte
hebben aan iets 'totaal anders'. Jean-Pierre Dupuy noemt het huidige kapitalisme
het meest spirituele van alle universa, omdat het niet meer louter gefundeerd is
op de verwerving van objecten, maar op afgunst, waarbij de objecten 'tekens van
afgunst' zijn geworden, waarin de ander altijd present is.
Inmiddels
is onze maatschappij niettemin in staat gebleken stevige doses indifferentiatie
tot zich te nemen, zonder dat de crisis escaleert. Zou een zondebok nu nog de
functie kunnen vervullen die hij in traditionele samenlevingen had? Nee, zegt
G., dat kan niet meer, ook al kent onze wereld een serie mimetische crises die
steeds heviger zijn geworden. In het volgend hoofdstuk "Le scandale du
christianisme" zal hij uitleggen waarom.
(H2
Michael Elias, maart 2005)
Hoofdstuk
III "Le scandale du christianisme"
1 De antropologie van de bijbel
De
bron van de mimetische antropologie ligt volgens Girard in de bijbel, en dan met
name in de nieuwtestamentische evangeliën. De bijbel onthult het
zondebokmechanisme en verwerpt het omdat de slachtoffers gewoonlijk onschuldig
zijn. Hij kiest vóór de slachtoffers, terwijl de mythe zich tegen hen keert
de mythe suggereert hun schuld, waardoor de unanieme vervolgers zich
verontschuldigd en zelfs gerechtvaardigd weten. Girard verwijst naar het verhaal
van Job, wiens drie zgn. vrienden zich unaniem tegen Job keren. Zij zijn de
aanklagers, woordvoerders van Satan (etymologisch: Satan = de Aanklager. Jobs
verdediger bepleit zijn onschuld (Job 19,25
mon rédempteur est vivant).
Deze twee rollen komen terug in het evangelie van Johannes: de
mensenmoorder van Joh. 8, 44 (de diabolos) tegenover de advocaat
van Joh. 14, 16 (de paraklètos).
Nietzsche
komt even aan de orde, met zijn voorkeur voor sterke eenlingen zoals de
vervolgers van Jezus. Girard laat zien dat deze sterken geen
eenlingen zijn: ze zijn uitvoerders van een unanieme massa, terwijl Jezus
een heroïsche uitzondering is. Zijn leerlingen delen na aanvankelijke
ontrouw in de uitzonderingspositie van hun meester. Paulus bekering - op
weg naar Damascus is een omkeer van vervolger naar navolgervan
Christus, mede-zondebok en martelaar. Het is normaal dat wij mensen in eerste
instantie vervolger zijn, zij het onwetend. Het is een soort
erfzonde(de péché originel van
Augustinus). Het negatieve mimetisch mechanisme heeft iets van transcendentie
(het valt in elk geval buiten onze primaire keuzevrijheid). Girard denkt aan de
strijd tegen boze geesten in de hemelse gewesten, voor wie Paulus
waarschuwt in Efeziërs 6. In joodse en christelijke ogen is er sprake van
pure afgoderij. Tegelijk hoort het mimetisch mechanisme echter ook tot
onze collectieve antropologische structuur, die de menselijke cultuur beschermt
totdat het Rijk van God aanbreekt.
Girard
stelt mythen en de monotheïstische godsdiensten naast en tegenover elkaar. De
mythen laten per zondebokgeval een nieuwe god verschijnen, terwijl de monotheïstische
godsdiensten de mythen herschrijven en de-victimiseren.
In
de joodse bijbel wordt de éne God nooit zelf slachtoffer en slachtoffers worden
evenmin vergoddelijkt. In de eerste fase van de bijbel (het Oude Testament)
vindt er een overgang plaats van de mythische religiositeit naar de openbaring
van de unieke God, de vader van Jezus. In Genesis 1, 1 heet de schepper nog Elohim,
meervoud van eloh, Hebreeuws voor zweren, vereren en vergoddelijken. In
deze aanspraak schuilt de ambiguïteit van de kwaadstichter én de vredebrenger,
de polytheïstische dubbelzinnigheid waarop de offercultus berust. De
nieuwe en unieke joodse God heet Jahweh, die er is en er zijn zal.
In
de tweede fase van Jezusoptreden en passie (het Nieuwe Testament) blijkt dat
Israels God participeert aan de ervaring van de slachtoffers, maar dan om de
mensen van dit onderling geweld te bevrijden. De anti-mythische omgang met de
mimetische begeerte en het zondebokmechanisme wordt fraai geïllustreerd door de
Jozef-geschiedenissen uit Genesis 37-50. De tot tweemaal toe zondebok-geworden
Jozef wordt als onschuldige gerehabiliteerd. Evenals broer Benjamin ook al
wordt er een gemanipuleerd bewijs van zijn schuld gevonden (de beker in een
korenzak). En dan is er de onschuldige Juda (Frans:Judas, p.112), die als
figura Christi fungeert hij wil zondebok zijn om zijn broer te
redden.
De
mythen zouden, daartegenover, het zondebokmechanisme steeds ongeweten en zeker
onbedoeld bevestigen, al noemt Girard m.i. terecht Sophocles als een
dramaturg die het mimetisch mechanisme wel vermoedde, maar enkel laat
doorschemeren. Hij laat Oidipus tegen moeder Iokaste zeggen:
Hij zei toch volgens u dat rovers hem
ombrachten; - als hij nu ook aanstonds nog
in t meervoud spreekt, ben ik de doder niet:
één man of meer dat maakt reëel verschil.
Maar mocht hij spreken over één passant,
dan slaat de volle werklijkheid op mij!
(Koning
Oedipus, r. 842-847)
In
de oudtestamentsiche teksten lees je al van verschuiving (verzachting) in de
visie op de offers zo God die in het offer voorzag (Genesis 22: geen
kindoffer, maar dieroffer). En veel radicaler in de sfeer van profeten en
psalmen: Gij verlangt noch sacrifice noch offrande, Psalm
40,7. Jezus luidt het einde van een noodzakelijke offercultus in, als het lam
dat vrijwillig slachtoffer werd. Zijn bergrede wijst elke représaille af,
zonder op te roepen tot masochisme
Nog
een oudtestamentisch voorbeeld van de beschrijving (en daarmee de onthulling)
van een unaniem mimetisch mechanisme: de opstand tegen Mozes leiderschap in
Numeri 14, 10 (De hele vergadering sprak ervan hen Mozes en Aäron
te stenigen). Volgens een joodse legende (en ook Freud) werd Mozes
ook daadwerkelijk vermoord, zoals andere grote godsdienststichters (Romulus en
Zoroaster). Freud geeft daarmee indirect blijk van zijn instemming met het
mimetisch mechanisme!
Het
Nieuwe Testament herschrijft de mythen ontegenzeggelijk. De kruisiging van Jezus
wordt omringd door mimetische fenomenen: de verloochening door Petrus, de
veroordeling door Pilatus en de slechte moordenaar naast Jezus. Onthulling
van het mechanisme met zoveel woorden: de hogepriester Kajafas, die meent dat
het in het belang van het hele volk is dat één mens verloren gaat, één voor
allen (Joh.11, 50). Het is duidelijk dat het oudtestamentisch refrein van de
onschuldige zondebok ik noemde al Jozef en Job, maar denk ook aan de
lijdende knechten, profeten en rechtvaardigen zijn hoogtepunt vindt in
het passieverhaal van het evangelie. Het mechanisme wordt onthuld, en daarmee
verliest onze cultuur haar beschermende conflicthantering.
Nu is de boodschap: stop het tussenmenselijk geweld. Ook al heerst het
mechanisme als een soort collectieve erfzonde, individuen aanvaardden
Jezus andere weg van de linkerwang.Girard waarschuwt ervoor dat wij
verlichte modernen niet moeten denken, dat we van het primitieve mimetisch
begeren àf zijn als we oude teksten, zoals de bijbelse, maar minder letterlijk
lezen, via een figuurlijke, overdrachtelijke hermeneutiek. Als verschijnselen
zoals vadermoord en incestueuze omgang niet als waar gebeurd opgevat
worden maar als symbolen voor àfmaken en misbruiken in het algemeen, of
Freudiaans als psychische neigingen dan wordt de mythische wereld
opnieuw geïntroduceerd en kan er van onschuldig-zijn of geen-schuld-hebben
feitelijk geen sprake zijn. (Is Freud niet een
mélange van verblinding én intuïtie?)
Girard
zou bij een herschrijving van zon boek als Des choses cachées meer
aandacht geven aan de hermeneutische kwestie
letterlijk/figuurlijk. De mythe beschrijft het mechanisme, zonder
te beseffen hoe dit proces in zijn werk gaat; de bijbel beschouwt hetzelfde
mechanisme echter op afstand, met oog voor de essentiële optiek: de onschuld
van het slachtoffer. Erich Auerbach (in Mimèsis) vergelijkt het bijbelse
verhaal van Abrahams offer (Genesis 22) met de Odyssee van Homerus. Het
bijbelverhaal lijkt hem gelaagder en kritischer, maar hij ziet niet het
essentieel verschil tussen schuldige en onschuldige slachtoffers dat Genesis
werkelijk anders maakt. Volgens Auerbach is Paulus de eerste
bijbelschrijver die met figuurlijk of symbolisch taalgebruik werkt. Girard
wijst echter op de veel oudere auteur van de Tweede Jesaja. Jes. 40, 3 en 4
over de opgehoogde dalen en afgegraven bergen heeft geen geologische
betekenis, het slaat op de crisis die ontstaat in de confrontatie met een
Godsverschijning. En zo wordt de profetentekst door alle vier evangelisten
gebruikt als introitus voor het optreden van Johannes de Doper en van Jezus. N.B.
Girard legt zulke vereffeningen negatief uit. Nivellering betekent voor
hem als differentie-filosoof crisis, die om een slachtoffer-oplossing vraagt!
Ten slotte wijst Girard (wellicht ten overvloede) nog eens op de accentuering
van Jezusonschuld. De Psalmen kennen al een reeks teksten over de onschuld
van de lijdende rechtvaardigen, bijv. Psalm 35,19 (mijn vijanden haten mij
zonder reden). Johannes ziet deze tekst vervuld in Jezus, Joh. 15,25: Zij
hebben mij zonder reden gehaat. Alle religies cirkelen om slachtoffers. De
archaïsche religies maken eerst slachtoffers, om ze later te vereren. Alleen de
bijbelse religie ontdekt de onschuld van de slachtoffers, en ontdekt daarmee de
daders aan hun eigen schuld.
3 De Openbaring en de oosterse religies
Girard
erkent dat Lucien Scubla terecht wijst op de geweldloze trekken in de Orphische
traditie. Die stamt al uit het oude Griekenland en vereert een oergod van licht
en liefde. De mensen vertonen zeker gewelddadige trekken (ze hebben de genen van
een Titaan), maar ze dragen ook goddelijke vonken in zich (op Gnostische
manier). Overigens zijn de latere Orphische mysteries al indirect beïnvloed
door het christendom. Hier en daar (ook hier) gebruikt Girard het effect van een
beweging als waarderingsmeetlat. De Orphiek kreeg niet de verspreiding van de
joods-christelijke inspiratie.
Het
Indiase Jaïnisme wordt ook sympathiek bekeken: deze religie kent geen offers,
maar wel eerbied voor het leven. Gandhi aarzelde overigens, toen hij zijn
inspiratie moest kiezen, niet om Jezus bergrede als voorbeeld te nemen. Het
Jaïnisme doorzag het mimetisch gewelddadig mechanisme niet en viel weer terug
in het oude kastensysteem. De aantrekkingskracht van de hedendaagse oosterse
religies schuilt overigens niet zozeer in de afkeer van bloedvergieten en
offers, als wel in de overgrote aandacht voor de eigen innerlijke weg
(overeenkomend met het moderne individualisme, zoals Girard stelt).
4 Het Salomonsoordeel en de niet-sacrificiële
ruimte (pp. 126-130)
In
Des choses cachées (1978) speelde het verhaal van koning Salomo en de
twee prostituées I Koningen 3, 16-28 al een centrale rol. Wie is hier
de figuurvan Christus, koning Salomo of de goede prostituée? Girard
neigt naar de laatstgenoemde. De slechte hoer accepteert een (zinloos)
offer, de goede wil geen offer ze offert in zekere zin zichzelf op en
wil het levende kind redden. Het gaat om een keus tussen moord en levensbehoud.
De slechte hoer is metafoor voor de oude mensheid die niet zonder zondebok
kan; de goede is voorloopster van de zichzelf gevende Christus (d.w.z. de
dood accepteren om niet te doden). Het betreft twee vormen van offers: aan
elkaar gelieerd én tegelijk radicaal aan elkaar tegengesteld. Er is geen
neutraal terrein
De
Latijnsamerikaanse bevrijdingstheoloog Franz Hinkelammert zei in 1990 dat het
concept van Girard niet-sacrificieel genoemd kan worden.
Maar beslist niet anti-sacrificieel, dat zou pas extra-sacrificieel
zijn! Girard deelt Hinkelammerts visie, en verwijst naar de Duitse Raymund
Schwager die nog eens nadrukkelijk stelde dat zowel achter de mythen als achter
de kruisiging de figuur van de zondebok staat. Bijzonder dat niet zozeer de
evangelisten als wel Christus zelf dit mechanisme aanwijst (onthult en daardoor
krachteloos maakt).
Girard
zou graag een christelijke interpretatie van de geschiedenis van de godsdiensten
schrijven. En deze typeren als de geschiedenis van het offer. Het traject kennen
we van hem: de archaïsche godsdiensten zetten met hun offerpraktijken al een
rem op het grenzeloze geweld, terwijl de joods-christelijke godsdienst verhaalt
hoe God zelf slachtoffer wordt om de mensheid te bevrijden van de illusie van
een gewelddadig God. De eucharistieviering wortelt inderdaad in een archaïsch
religieus kannibalisme: de geschiedenis die begint met een broedermoord wordt
gerecapituleerd in de moord op Christus.
Overigens
bestaat er geen ruimte die niet sacrificieel is!
Girard
neemt hier afstand van zijn boeken La violence et le sacré en Des
choses cachées. Zijn
afstandelijkheid daar maakt nu plaats voor een volledig persoonlijk engagement!
5 De geschiedenis en het sacrificieel besef
Op
de vraag naar zijn godsbeeld Scholem, Hans Jonas en anderen spreken van een
voorbijgaande en veranderlijke God antwoordt Girard dat hijzelf een
ontologisch godsbeeld blijft koesteren, ook al wil hij wel spreken van een
pedagogische strategie. God laat immers eerst offers toe om mensen te trainen in
de omgang met (en in de beperking van) het geweld. God verandert niet, maar de
mensen wel. De God van le sacré wordt de God van la sainteté: er
vindt een graduele transformatie van de religieuze gevoeligheid plaats. Daardoor
blijft begrip nodig voor de eerste sacrificiële fase, inclusief de offercultus.
Je kunt ook het kruis niet overslaan, zoals de Gnostiek wil: zonder Jezus
kruis zou het fundamenteel geweld van het zondebokmechanisme niet onthuld zijn,
en feitelijk ontkend.
Dan
volgt een gedachtewisseling met Roberto Calasso (de Italiaanse herverteller van
de Griekse mythen) over Girards kijk op de historische gang van zaken. Calasso
vindt Girard te optimistisch, echt een kind van de Verlichting, en Girard noemt
Calasso eenzijdig anti-modern. Girard geeft toe dat het niet een puur lineair
proces is van vooruitgang. Hij stemt in met Jacques Maritain die zei: De
geschiedenis gaat voort in goede én in kwade zin. Girard constateert dat
mensen nog steeds met hun vrije wil ook kiezen voor geweld. Hij vindt wel dat
Calasso terecht aan het offer een nuttig (beschermend) effect toekent; in
tegenstelling tot Nietzsche, die vitale kracht en zwakheid tegen elkaar
uitspeelt.
Over
Nietzsche gesproken, Girard duizelt het nog als hij Aforisme 125 van De
vrolijke wetenschap leest (de tekst met de huiveringwekkende zin: God is
dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!). Dat Wij hebben hem
gedood maakt van een theoretische stelling over de dood van God een
emotionele aanklacht over de oermoord die ons verweesd achterlaat. De eeuwige
wederkeer van Nietzsche sluit de weg naar een blijvende verzoening af. De
tekst van Nietzsche verraadt een ritueel
en sacrificieel woordgebruik, waarvan de auteur zich wellicht niet helemaal
bewust is: de godsmoord dwingt de moordenaars een nieuwe cultus te verzinnen!
Nietzsches laatste geschreven woorden waren Condamno te ad vitam diaboli
vitae; een religieuze keus vóór Dionysos, ofwel de antichrist Satan,
ofwel de Hades. Girard hoort er ook de keus in vóór de massa, tegen het
onschuldig slachtoffer Christus.
Hier
komt Girards mensbeeld ter sprake. Girard verwijst naar het mensbeeld dat hij
leest in de evangelietekst die hij een recent boek als titel meegaf: Celui
par qui le scandale arrive. Het is de Franse vertaling van de laatste
woorden van Mattheüs 18, 7: Wee de wereld met haar valstrikken. Het is
onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, maar wee de mens die de
valstrik zet! Het Grieks heeft hier tot driemaal toe het opvallende
zelfstandig naamwoord skandalon (meervoud of enkelvoud), terwijl in het
voorgaande en direct volgende vers het werkwoord skandalizo gebruikt
wordt (18,6 en 18,8). Het Frans gebruikt op deze en andere plaatsen de woorden le(s)
scandale(s) en scandaliser; de Nederlandse Nieuwe Bijbelvertaling
valstrik(ken) en van de goede weg afbrengen, resp. op de verkeerde
weg brengen. De woordenboeken nieuwtestamentisch Grieks vertalen skandalon
met valstrik, verleiding (aanleiding tot zonde) en het
aanstootgevende; en skandalizo met
tot zonde verleiden, soms passief: tot zonde verleid worden, of ook
ergeren, boosmaken.
Valstrik,hinderlaag,struikelblok of
ergernis,aanstoot zijn dus goede Nederlandse equivalenten voor het
zelfstandig naamwoord, en ten val brengen,van de goede weg afbrengen
of op de verkeerde weg brengen voor het werkwoord.
Girard meent dat het evangelie in Mattheüs 18 stelt dat schandalen
onvermijdelijk zijn, maar dat de draagwijdte hiervan niet is dat ieder individu
onvermijdelijk in een strik trapt of zelf een strik uitzet. Jezus kon weerstand
bieden aan de begeerten, en wij evenzeer. Er is trouwens naast een negatief
geladen mimese (of imitatie) een positief geladen mimese. Wij kunnen Paulus
navolgen, die zelf Jezus imiteerde, en Jezus op zijn beurt de Vader (verg.
I Korinthiërs 4, 16). De goede mimese kent geen rivaliteit. Een mens is
niet autonoom, maar dat wil niet zeggen dat hij altijd rivalen en vijanden
maakt.
In
dit verband duikt hier weer het skandalon op: bij Girard een synoniem
voor de mimetische rivaliteit. Het schandaal roept deze rivaliteit op en
maakt die los. Dat doet Satan Jezus zei eens tot Petrus: Ga terug, achter
mij, Satan! Je zou me nog van de goede weg afbrengen (Frans: tu mes en
scandale). Je denkt niet aan wat God wil, maar alleen aan wat de mensen
willen (Mattheüs 16, 23, NBV). Maar ook Jezus is op zijn beurt een
schandaal - hij zegt enkele hoofdstukken eerder: Gelukkig is degene die
aan mij geen aanstoot neemt (Frans: degene voor wie ik niet een occasion de
chute ben) (Mattheüs 11, 6). Trouwens, de gekruisigde Christus zelf
wordt door Paulus in één woord een skandalon genoemd: een aanstoot
voor joden (I Korinthiërs 1,23).
De
normale proliferatie van schandalen tekent de instabiliteit, ja wanorde,
van deze oude wereld. De zondebok kan slechts voorlopig de stroom keren. Maar
Satan is geen geloofsartikel; het systeem van de slechte mimese is niet een
ontologisch systeem; en het lot (het Griekse Moira of het Duitse Schicksal)
is geen transcendente kracht waartegen de vrije wil niets kan uitrichten. De
mimese hoeft geen satanische logica te volgen. Denk aan het verstandige antwoord
van een theoloog in Marcus 12, 33: Hem liefhebben [
] en onze naaste
liefhebben als onszelf betekent veel meer dan alle brandoffers en andere
offers.
Girards
slotzinnen: "We zullen altijd mimetisch zijn, maar we hoeven het niet op
een satanische manier te zijn. We hoeven ons niet in voortdurende mimetische
rivaliteiten te begeven. We hoeven onze buurman niet aan te klagen, we kunnen
leren hem te vergeven."
H3
Herman Wiersinga (mei 2005)
[samenvatting volgt]
[samenvatting volgt]
Hoofdstuk VI Methode,
bewijsvoering en waarheid
1 De vraag naar het bewijs in
mythen en rituelen
In
het eerste deel van het hoofdstuk gaat het om de vraag naar het bewijs die de
waarheid van de theorie moet aantonen. Het is een vraag die Girard voortdurend
heeft bezig gehouden. Volgens hem moet er een manier zijn om vanuit de mythen en
rituelen naar de Bijbel te redeneren en andersom. Het vertrekpunt is Giuseppe
Fornari die heeft gewezen op de perfecte overeenkomsten tussen de mythen en de
rituelen. Voor de mimetische theorie zijn de mythen en de rituelen als twee
concentrische cirkels, twee kanten van één medaille, en dat gegeven lost een
aantal hermeneutische problemen op, zoals de vraag wat er eerst is, de mythe of
het ritueel. Het ritueel is de herhaling van de funderende moord en de mythe is
het verdraaide verhaal van zijn ontstaansgeschiedenis. De Bijbel laat vervolgens
hetzelfde schema zien, om de onschuld van het slachtoffer te kunnen openbaren.
In
La violence et le sacré houdt Girard zich voor het eerst bezig met
de vraag naar het bewijs. Het punt is dat de aangetoonde structuur van het
zondebokmechanisme in een enkele mythe nog geen bewijs is van de geldigheid van
de theorie. Het bewijs wordt geleverd door een groot aantal afzonderlijke
interpretaties, die ieder voor zich niet weersproken zijn. De presentatie van
een dergelijke bewijsvoering is echter niet eenvoudig. Het is als het ware een
cirkel, die stap voor stap beschreven moet worden. Het probleem is: waar te
beginnen?
De
mythen zijn niet geclassificeerd. Een aantal is geanalyseerd, telkens langs een
andere weg en telkens met dezelfde conclusie: er is sprake van een crisis, die
zich uit in het wegvallen van verschillen; er is een teken dat wijst op een
slachtoffer, dat het kwaad op zich neemt; en er is sprake van de uitdrijving van
dan wel de moord op het slachtoffer, dat tegelijkertijd als een held
gepresenteerd wordt omdat het de eenheid van de gemeenschap gered heeft.
In
de mythen zijn de oorzakelijke en het temporele relaties obscuur. In dit verband
is de notie van het supplément van
Derrida van belang. Deze notie legt de inherente tegenspraak in de
oorsprongsverhalen bloot. Immers, hoe kun je een verhaal vertellen over de
oorsprong van het culturele systeem, als het systeem er altijd al geweest is? De
logica van het supplément komt
overeen met de logica van de mythe. Het is als het ware een ondersteuning van de
theorie. Derrida heeft een zeer omslachtige uitleg nodig, omdat hij zich baseert
op zgn. verstandige teksten. De mythen laten het, volgens Girard, veel
duidelijker zien: de contradictie wijst op de funderende moord, die in de mythen
succesvol verzwegen en vertekend wordt. Voor de hedendaagse intellectueel klinkt
het verhaal van de funderende moord naïef in de oren, maar elk
oorsprongsverhaal wijst erop. Mircea Eliade introduceerde het begrip van de
scheppende moord (le meurtre créateur),
dat hij aantrof in mythen in het Midden-Oosten en China. Dit, en Derridas
notie van het supplément ziet Girard
als ondersteuning van zijn argument.
De
verifieerbaarheid van zijn theorie is een ander aspect dat ter sprake komt.
Volgens Girard zijn er fenomenen die absoluut zeker en waar zijn, zonder dat ze
verifieerbaar of falsifieerbaar zijn in Popperiaanse zin. Een voorbeeld is het
illusoire karakter van de hekserij, dat volgens Girard geen ideologische maar
een wetenschappelijke zekerheid is. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door het
feit dat wij de heksenprocessen tegenwoordig veroordelen en de slachtoffers
rehabiliteren. Dat is een kwestie van gezond verstand dat niet in twijfel wordt
getrokken. Een dergelijke benadering is ook toepasbaar op de mythen.
Het
onderzoek naar een schema dat de mythen structureert, vraagt om een theorie van
de interpretatie. Girard volgt hier Hocart, die betoogt dat er sprake is van
directe en indirecte bewijsvoering, en dat de bewijsvoering in de antropologie
altijd indirect is, langs een omweg. Zodra je een interpretatie aanvaardt als
bewijs, zie je het fenomeen overal terug. Er is geen twijfel meer over mogelijk.
Hocart stelt zelfs dat het indirecte bewijs het fundament is van de waarheid,
omdat de directe getuigen ervan uitgaan dat zij alles vertellen, wat natuurlijk
nooit het geval kan zijn. Girard is nog stelliger. Volgens hem is het directe
bewijs secundair en zelfs verdacht. Immers, de acteurs in het drama weten
niet wat ze doen. Men kan de waarheid echter achterhalen indien de vele
indirecte aanwijzingen zich laten begrijpen. En daarin slaagt de theorie van de
funderende moord.
Het
argument leidt zelfs tot een volgende stap. Het indirecte bewijs baant als het
ware de weg om het directe bewijs als zodanig te zien. Ook hier baseert Girard
zich op Hocart. Deze betoogt dat de ontdekking van de eerste schedel bij
Gibraltar in 1848 een onopgemerkte gebeurtenis was, en dat de biologen dat pas
als een direct bewijs zijn gaan zien, na de verschijning van Darwins Origines of Species en nadat zij overtuigd waren van de waarde van
de vergelijkende methode van onderzoek. Deze gang van zaken in de ontwikkeling
van het wetenschappelijk onderzoek ligt ten grondslag aan de waarde die
tegenwoordig wordt toegekend aan het directe bewijs. Dat is ook de reden waarom
de mythen tegenwoordig worden gezien als fictie.
2 Wetenschap, antropologie en
begrip
De
wijze van argumentatie in de paleontologie zou een voorbeeld kunnen zijn voor de
onderbouwing van de stelling van het zondebokmechanisme. De rituelen zijn te
vergelijken met fossielen. De vraag is: hoe is op basis van de gegevens uit de
mythen en rituelen als waren het fossielen - een verhaal te maken, een
theorie te formuleren, over de evolutie van culturen? Daarvoor is een nieuwe
narratieve structuur nodig. Mensen hebben het zondebok mechanisme niet ontdekt.
Zij doen het functioneren. Het is de persoon van Christus waarin het fenomeen
zich manifesteerde, maar zelfs vandaag de dag is die ontdekking nog niet
gerealiseerd. Het mechanisme van de zondebok is onze gemeenschappelijke
culturele voorvader, de offerrituelen zijn de bemiddelende stadia in de evolutie
van de culturele fenomenen en de sociale instituties zijn afgeleid van dit
proces. Het verband tussen de funderende moord en de sociale instituties is de
genese van de culturen.
De
sociale instituties worden gerealiseerd wanneer bepaalde elementen van de
rituelen versterkt worden ten koste van andere. Dit proces van de genese van
culturen is moeilijk te beschrijven, en dit is volgens Girard nog niet
systematisch genoeg gedaan. Er zou een cartografie van rituelen gemaakt moeten
worden, die onderzoekers in staat stelt een duidelijk beeld te geven van de
elementen die bewaard zijn gebleven en die verdwenen zijn. De vraag is waarom
dit nog niet gebeurd is, en waarom dit zo moeilijk is. Zijn het de instituties
zelf die ons verhinderen deze stap te zetten? Volgens Girard is het veeleer zo
dat de academische gemeenschap en wij mensen in het algemeen niet in staat zijn
om de postulaten van de instituties aan te klagen. Antropologen zijn niet in
staat om zich er rekenschap van te geven, zelfs niet als hypothese. De reden
daarvoor is dat de antropologen van een eeuw geleden anti-religieus waren. Ze
wilden bewijzen dat het Christendom een mythe was als alle andere.
De
hedendaagse antropologen wijden zich aan verschillen, ten koste van de
overeenkomsten. Het gaat hen om de interpretaties van de afzonderlijke unieke
culturele systemen. Daarmee is de antropologie in een impasse geraakt. Girard
benadrukt in dit kader het belang van de ethologie, parallel aan de
antropologische studies. Volgens hem zijn er twee opties: òf we gaan ervan uit
dat de mensheid evolueert, òf we vallen terug op een metafysisch mensbeeld, dat
ervan uitgaat dat de menselijke soort totaal verschilt van de andere soorten.
Het is ontegenzeggelijk waar dat de menselijke soort verschilt van andere
soorten in de evolutie van symbolen en culturen, maar er zijn sporen die
terugverwijzen naar gemeenschappelijke wortels met andere soorten. Het probleem
is dat antropologen afzien van de evolutietheorie. Daarmee verwerpen ze in de
ogen van Girard een wetenschappelijke bestudering van culturen. Centraal in die
wetenschappelijke bestudering is het thema van het geweld, en interessant genoeg
waren de antropologen daarover in het verleden langs ideologische lijnen
verdeeld. Frazer bijvoorbeeld stelde dat geweld een karakteristiek was van
primitieve samenlevingen, terwijl er aan de andere kant antropologen waren die
beweerden dat het Westen verantwoordelijk was voor de gruwelijkheden in de
wereld. De mimetische theorie erkent dat er sprake is van geweld in zowel
moderne als primitieve culturen. Mensen zijn in potentie gewelddadig maar
beschikken over het vermogen hun gewelddadigheid te bedwingen met behulp van
culturele fenomenen.
Dat
brengt het gesprek op het epistemologische fundament van de mimetische theorie.
Om de mimetische theorie te begrijpen moeten we in staat zijn om onze eigen
mimetische gedragingen onder ogen te zien. Met andere woorden, de theorie
vereist een existentieel begrijpen (compréhension
existentielle). Dit epistemologische kenmerk kwam ook ter sprake in het
debat over lauto-organisation:
religieuze en wetenschappelijke aspecten zijn niet te scheiden, omdat beide tot
doel hebben te begrijpen la religion
et la science ont toutes deux pour
but de comprendre. In feite, zo stelt Girard, is de religie een wetenschap van de
mens. Het kennende subject is dus deel van het mimetische systeem. De weigering
dit te erkennen roept epistemologische problemen en fouten op, omdat het
kennende subject de neiging heeft indifferentie
te vermijden. In die zin is de mimetische theorie een blessure
narcissique, omdat deze stelt dat het individuele niet autonoom is en de
culturen hun wortels hebben in de funderende moord. Het gaat hier om een
omkering (conversion), die Girard eerder de romaneske waarheid heeft genoemd.
H6,
par 1 en 2 Thérèse Onderdenwijngaard (2006)
René Girard heeft de mimetische theorie ontdekt dankzij de
grote romanschrijvers. aangezien er bij iedere auteur een specifieke, zowel
collectieve als individuele geschiedenis hoort, wordt het mimetisch mechanisme
op verschillende wijzen door elk van hen benaderd. Hierdoor is het aantal
mimetische combinaties en de uitdrukking ervan oneindig. Men kan dus de manier
waarop de mimese bij schrijvers functioneert niet veralgemeniseren. He feit dat
er naast deze grote variaties toch identieke fundamentele principes aan ten
grondslag liggen, vormt het indirecte bewijs voor de aanvaarding van de
mimetische hypothese.
Wat een schrijver uiteindelijk groot maakt, is zijn
omschakeling naar het mimetisch mechanisme. René Girard vindt deze conversie
o.a. terug bij Proust. De overgang van Jean Sauteuil naar
De theorie van Girard is onder andere zo complex door het paradoxale karakter van het sacrificiële, dat zowel positieve als negatieve kanten heeft. Zonder positieve aspecten zou het offer de geschiedenis niet overleefd hebben. Anderzijds kan het offer op zich ook niet beschouwd worden als een louter positieve kracht. Het christelijk onderricht brengt juist het onrechtvaardige karakter aan het licht van dit sacrificiële denken. Toch is het christendom zelf ook een paradox. Naargelang het meer gelijkenis vertoont met de mythologie geeft het een radicaler lezing van de mythen waardoor het de ontmanteling ervan voorbereidt. Girard vraagt zich af of er een unieke fundamentele paradox bestaat welke aan de oorsprong zou liggen van alle paradoxen.
Vervolgens leggen de interviewers René Girard de vraag voor of de dubbelen en de zondebokken die hij in zijn teksten opvoert, geen projecties zijn van zijn denkwijze. Erkent hij wel voldoende de rol die de tekst zelf speelt in het ontstaan van de betekenis? Girard sluit de mogelijkheid van projectie niet uit, maar wijst tevens op de voorbeelden die gevonden kunnen worden in een grote variëteit aan teksten. Zo haalt hij Freud aan die o.a. in Totem und Tabu vanuit de rituelen de collectieve moord heeft ontdekt. Hij heeft deze bevinding niet juist geïnterpreteerd omdat hij rituelen niet ernstig neemt.
Riten imiteren een gebeurtenis die werkelijk heeft plaatsgevonden en mythen vervormen deze gebeurtenis, maar wel zodanig dat deze vervorming aangetoond kan worden. De opvatting dat riten en mythen de waarheid vertellen, is echter te simplistisch. Er zit in een tekst iets verborgen dat beantwoordt aan het zondebokmechanisme. Dit kan pas als dusdanig gezien worden doordat het zich steeds weer herhaalt.
Er wordt verder melding gemaakt van linterprétation figurale, een techniek die Auerbach gebruikt in
zijn werk Figura. Wat houdt dit in? Een feit A produceert niet een feit B
langs oorzakelijke weg, maar kondigt deze alleen maar aan préfigurer.
In plaats van te beginnen met de interpretatie van feit A vertrekt men van feit
B om A te kunnen interpreteren naar zijn volle betekenis, die pas volledig aan
het licht komt in het feit B. Een voorbeeld hiervan is het lezen van mythen in
het licht van de evangeliën en dus niet volgens een chronologische volgorde.
Alhoewel deze interprétation figurale een mimetische teneur heeft, beseft Auerbach niet welke rol de mimese speelt als imitatie. Als voorbeeld wordt het verhaal aangehaald van de verloochening van Petrus in het evangelie van Marcus, zoals beschreven in Auerbachs werk Mimesis. Deze tekst staat dichter bij de werkelijkheid dan de vóórchristelijke literatuur omdat hier de menselijke relaties op een zeer realistische wijze beschreven worden (vgl. de dienster die zegt: Ik zie dat je een volgeling bent van Jezus want ik herken je galileïsch accent). Terwijl juist dit werkelijkheidsgehalte van de vermelde gebeurtenissen zo belangrijk is, is de mimese voor Auerbach toch niets anders dan de literaire imitatie van de werkelijkheid. Wat Auerbach niet ziet in deze scène van het evangelie, is dat mimetische relaties ook mimetisch behandeld moeten worden. Het is namelijk onmogelijk om het mimetische karakter van onze verhoudingen aan te tonen zonder een realistische tekst te schrijven. Zo zijn menselijke relaties nu eenmaal. Het is nu juist in het licht van deze totaalvisie, voortgebracht door het mimetisch mechanisme, dat mythen herlezen kunnen worden door het christendom.
4 La pensée conjecturale et
les indices de lHistoire
Een belangrijke theoretische bijdrage tot het debat over
bewijsvoering is van Carlo Ginzburg, Mythes, emblèmes, traces. Hij
ontwikkelde de notie van het paradigma van aanwijzingen le
paradigme indiciaire. Dit model
herinnert aan de structuur van een detective. Het mysterie in iedere detective
is een moord. In de antropologie gaat het niet om één moord maar om meerdere
gelijksoortige moorden en het is juist deze overeenkomst die het bewijs vormt.
Michel Serres vermeldt in zijn lHistoire
de Rome de Tite-Live 43 originele
moorden. De meest indrukwekkende is de dood van Romulus nadat hij de eerste
koning van Rome was geworden. Terwijl Romulus één van de zeven heuvels
beklimt, omgeven door leden van de senaat, barste er een groot onweer los. Als
de kalmte terugkeert stellen de senatoren vast dat Romulus is overleden. Deze
mythe heeft betrekking op de sacrale structuur van de soevereine staat in het
oude Rome. Het feit dat deze dood volgt op de mythische dood van Remus wijst op
een herhaling van dezelfde sacrificiële daad. Titus Livius werkt dus onbewust
als een detective zoals beschreven door Ginzburg. Bij deze methoden van
crimineel onderzoek gaat het om dezelfde aanwijzingen die volgens René Girard
ook terug te vinden zijn in zijn werk. Een groot aantal aanwijzingen geeft meer
zekerheid. Evidentie, of deze nu wordt weergegeven als aanwijzing of bewijs, is
de essentiële term voor zowel de geschiedkundige als de detective.
Ginzburg interesseert zich trouwens voor het indirecte
bewijs, zoals beschreven door Hocart. Ook hier is de vergelijkende benadering de
beste methode. De feiten die door de cultureel antropologen ontkend worden,
zoals mensenoffers die in het verleden werkelijk hebben plaatsgevonden, worden
door de forensisch antropologen bevestigd daar zij in staat zijn om met een
geraamte of mummie te reconstrueren wat er werkelijk heeft plaatsgevonden. Om
het mechanisme van de zondebok te kunnen verklaren moet men beroep doen op het
werk van de detectives. Iedereen liegt immers, zonder zich ervan bewust te zijn.
Er kan dus een parallel getrokken worden tussen de kleine
aanwijzingen van Ginzburg en het indirect bewijs van Hocart. Ook Hocart maakt
gebruik van een vocabulaire zoals dat gebruikt wordt in tribunalen. Zo spreekt
hij van het verschijnen van getuigen. Deze getuigen zijn juist zoals in de
mimetische theorie de mythen. Hocart vergelijkt de Vedische god Agni met de
Griekse god Hermes. Uit dit vergelijkend onderzoek blijkt duidelijk dat het in
beide culturen uiteindelijk om dezelfde god handelt. Beiden hebben namelijk
eenzelfde evidente, onbetwistbare sacrificiële oorsprong une simularité morphologique.
René Girard meent dat zijn morfologische analyse een zo
brede horizon heeft, dat hierin de gehele geschiedenis van de mensheid vervat
ligt. Daar hij echter geen geschiedkundige is, zoekt hij enkel naar structuren
en formuleert hij een hypothese over de culturele evolutie. Deze hypothese kan
dan door historici als Ginzburg versterkt worden.
Ginzburg heeft veel historisch onderzoek verricht, maar
vindt uiteindelijk de moordenaar niet, d.w.z. de oorzaak van dit alles. De
geboorte van de cultuur wordt beschouwd als een moment dat verdwijnt zodra men
het tracht te preciseren. Girard daarentegen neemt aan, dat juist op dit moment
van de oorsprong een moord heeft plaatsgevonden, dat deze moord collectief was
en dat het slachtoffer onschuldig was. De uiteindelijke zekerheid hieromtrent
wordt gegeven door de evangeliën.
5
Méconnaissance et vérité
Het probleem van de evidentie wordt nog ingewikkelder door de miskenning. In het juridisch kader is het laten verdwijnen van een bewijs juist een extra bewijs, omdat dit wijst op het belang van wat men heeft laten verdwijnen. Als iemand de sporen van een misdaad laat verdwijnen is dit het bewijs dat men bij de zaak betrokken is.
Ook Freud wekt de suggestie dat het uiteindelijk onmogelijk
is om de vadermoord te verbergen. Er blijven steeds meer sporen aanwijsbaar van
de fundamentele moord. Dit maakt deel uit van de Freudiaanse theorie van het
onbewuste maar dit geldt evenzo voor de mimetische theorie.
Het lukt echter René Girard maar niet om onderzoekers te overtuigen van het feit dat fenomenen die hij als sporen beschouwt van de originele moord ook werkelijk sporen zijn, namelijk van de mimetisch cyclus. Hij vergelijkt zijn onderzoek met een soort roman vol mysteries in de zin dat niet één maar meerdere analoge misdaden opgelost moeten worden. De rol van Freud is essentieel omdat hij het best de godsdienst heeft begrepen en dit niettegenstaande zijn 19de eeuwse vooroordeel tegen godsdienst, waardoor hij dichtbij de ontdekking kwam van de funderende moord.
Het woord skandalon uit de bijbel wordt niet meer
vertaald als schandaal of steen des aanstoots. Alle recente
vertalingen verzwijgen de schandalen en gebruiken eufemismen zoals occasion
de péché.
Op die manier wordt de echte betekenis van skandalon vermeden, namelijk
het mimetische obstakel. Zo ook blijft Derrida aan de oppervlakte steken om iets
te laten verschijnen zoals bijvoorbeeld de aan- of afwezigheid van
pharmakos in Phaedros van Plato.
Deze actuele miskenning wordt gezien als een soort
verdedigingsmechanisme à
Tot slot is Girard van oordeel dat we op weg zijn naar het
uiteenvallen van de 19de eeuwse pseudowetenschap, daar deze geheel
gebaseerd is op een gewelddadige uitdrijving van het religieuze, d.w.z. het
christendom. We beginnen te begrijpen dat al wat echt is in de filosofie van de
Verlichting en van de 19de eeuwse wetenschap een nog onvolmaakte kritiek is op
het religieus sacrificiële gebeuren. Dit is deels ook te wijten aan het
christendom zelf dat zich onvoldoende heeft aangepast Als we het christendom
echter beter begrijpen, zien we dat het zich keert tegen de vervormingen en de
sacrificiële aanpassingen ervan. Het christendom is vandaag de dag de zondebok
van haar eigen openbaring.
[H6 par. 3, 4, 5 Guido Heidendal, november 2007]
[samenvatting andere paragrafen/hoofdstukken volgt]
[1][1][1] Vidi ego et expertus sum zelantem parvulum: nondum loquebatur, et
intuebatur pallidus amaro aspectu conlactaneum suum. Quis hoc ignorat?
Expiare se dicunt ista matres atque nutrices nescio quibus remediis. Nisi
vero et ista innocentia est, in fonte lactis ubertim manante atque abundante
opis egentissimum et illo adhuc uno alimento vitam ducentem consortem non
pati.
[2][2][2] In de Nederlandse uitgave Extasen. Een ontcijfering van de heksensabbat (Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1993), p. 203.
[3][3][3] Wat overigens P.J. Reimer in mijn inmiddels vergeelde exemplaar van Prisma Woordenboek der klassieke oudheid (Utrecht: 19612) ook reeds doet, met een verwijzing naar Vondel, Hyppolytus of Rampzalige Kuysheyd.
[4][4][4] L. Set on your foot,
And
with a heart new-fir'd I follow you
To
do I know not what; but it sufficeth
That
Brutus leads me on.
B.
Follow me then. (The
Oxford Shakespeare, 1914).
[5][5][5] Let's be sacrificers but not butchers, Caius. [ ] Which so appearing
to the common eyes, We shall be call'd purgers,
not murderers. Julius Caesar II,
I, 182 ff. (The
Oxford Shakespeare, 1914). Vertaling Willy Courteaux.
[6][6][6] In: The
Conquest of Cool: Business Culture, Counterculture, and the
Rise of Hip Consumerism (University of Chicago Press, 1997).