VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
Korte SAMENVATTING van de redevoering van R.GIRARD (volledige Franse tekst) bij zijn opname in de Académie française op 15 december 2005
voor de bijeenkomst van 13 januari 2006
(De
traditie schrijft voor dat een nieuw lid bij zijn intrede een
rede houdt ter ere van zijn voorganger.)
Girard
vindt dat hij bij de Académie buitengewoon in het krijt staat: het eerste boek
van hem dat zij heeft bekroond, is ook het eerste dat hij had gepubliceerd. Hij
bezet zetel 37 die J. Bossuet (1627-1704) als tweede bezet heeft en pater
Ambroise-Marie Carré (1909-2005) als laatste. Pater Carré is een van de twee
gewone leden van de clerus die ooit gekozen zijn tot leden van de Académie
de ander was pater H.-D. Lacordaire (1802-1861). Beiden waren dominicaan en zij
verzorgden beiden met groot succes de preken in de veertigdagentijd in de Notre
Dame van Parijs. Girard heeft pater Carré, een tengere man, nooit persoonlijk
gekend.
Pater
Carré was een ijverig predikant die preekte in theaters, casinos en
bioscopen, waartoe hij toegang had dankzij zijn vriendschap met talrijke
artiesten. In zijn leven besteedde hij veel tijd aan zieken en stervenden,
vooral aan die in de kring van toneelspelers en artiesten; hij was hun officiële
aalmoezenier. Hij schreef vele werken in de categorie spiritualiteit, vele
gelegenheidsgeschriften, begrafenisreden, voorwoorden en een inleiding op de Geestelijke
Geschriften van kardinaal de Richelieu. Nooit sprak hij over politiek. In de
oorlog speelde hij een roemvolle rol in het verzet. Verschillende keren
ontsnapte hij op het nippertje aan arrestatie. Vóór het Tweede Vaticaans
Concilie schreef hij ten gunste van de hervormingen die later door dit Concilie
werden aanvaard. Maar verder was hij gezagsgetrouw en zeer terughoudend wat het
geven van kritiek betreft.
De
belangrijkste tekst die hij ons over zichzelf heeft nagelaten staat aan het
begin van zijn boek Chaque Jour je commence, gepubliceerd in 1975. Hij
verwijst daarin naar een ervaring in zijn jeugd toen hij woonde in Neuilly. Hij
was misschien 14 jaar oud. Op een avond voelde hij met een ongelooflijke kracht
dat God van hem hield en dat het leven een wonderbare gave was. Vol geluk
knielde hij neer. De herinnering hieraan is hem heel zijn leven bijgebleven.
Niets heeft later die vreugde kunnen overtreffen. Deze gebeurtenis heeft hem
bevestigd in zijn geloof. Hij trad als jonge man in bij de dominicanen.
Girard
interpreteert deze gebeurtenis als een mystieke ervaring. Pater Carré heeft
heel zijn leven gewacht op een nieuwe mystieke ervaring. Maar deze kwam niet.
Daar heeft pater Carré zeer onder geleden. Vandaar zijn voorkeur voor heiligen
die hetzelfde ervaren hadden. Hij voelde zich onder de druk staan van een wereld
die voortdurend van hem vroeg zijn geloof te verantwoorden. Hij zelf had het
gevoel dat hij de vurigheid van het geloof van zijn jeugd had verloren, maar hij
gaf de ervaring in Neuilly niet op en daarom evenmin zijn geloof ondanks zijn
geloofstwijfels.
Na
een halve eeuw moest pater Carré vaststellen dat het hoogtepunt van zijn
godsdienstige leven achter hem lag en niet vóór hem. Hij probeerde toen echt
aan te knopen bij die ervaring uit zijn jeugd die soms negatief, maar vooral
positief, zijn leven beheerst had. Toen kwam ook de ervaring in Neuilly weer
naar boven, stralender dan ooit. Hij citeert in deze context Julien Green die
had geschreven: De herinnering aan een genadegave uit het verleden kan een
nieuwe genadegave zijn.. Hij zag in dat zijn koortsachtig verlangen naar een
soortgelijke ervaring hem onvruchtbaar had gemaakt en dat zijn eigen ambitie hem
in onzekerheid had gestort. In zijn late geschriften keert hij terug tot zijn
ervaring als kind. Lang was hij een gefrustreerde en ontmoedigde mysticus
geweest. De tijd van zijn hoge ouderdom was naast zijn jeugd zijn meest
gelukkige levensfase. Kort voor zijn dood schreef hij dat God hem overladen had
met zijn genadegaven en hem ongetwijfeld zo lang bewaard had in het zoete
koninkrijk van de aarde om het dienstwerk te verrichten van de hoge leeftijd,
namelijk gebed en voorbede.
Zijn
collegas van de Académie hebben aan dat geluk veel bijgedragen. Wanneer in
de zomervakantie de Académie was gesloten, was het niet zozeer het werk dat hij
miste, maar de leden van de Académie. Zij waren erg op hem gesteld. Girard
hoopt dat hij Carré recht heeft gedaan en dat anderen verder zullen gaan in het
onderzoeken van zijn mystieke geschriften.
(P.S.
Zelf heb ik kort pater Carré ontmoet in 1970 via zijn neef, eveneens
dominicaan, die ik had begeleid in het jaar dat hij in Oxford verbleef. A.L.)