Vrije Universiteit > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
Robert Lemm, Recensie van: René Girard, Je vois Satan tomber comme l'éclair. Essai (Paris: Grasset; Franse tekst hoofdstuk 1).
Nederlandse vertaling (door Robert Lemm) Ik zie Satan vallen als een bliksem (Kampen/Kapellen: Kok/Agora, 2000). - Volledige (Nederlandse) tekst hoofdstukken 1 t/m 3. - Engelse vertaling I See Satan Fall Like Lightning (New York: Orbis Books, 2001).
Als zich rampen voordoen
- epidemieën, misoogsten en hongersnood, overstromingen, aardbevingen,
misdaden, etcetera - zoekt men naar de oorzaak. Omdat er meestal geen duidelijke
oorzaak valt aan te wijzen, zoekt met naar een zondebok. Is die zondebok een
mens, of een groep mensen, dan bevinden we ons in de mythologische situatie, of
in de periode van het heidendom. De slachtoffers die als zondebok fungeren,
dienen om de goden te verwurwen, in de hoop dat daardoor aan de ramp een eind
komt, of dat de overtreding wordt vergeven. Het slachtoffer draagt - vaak ten
onrechte - de schuld, maar door zijn offerdood kan hij de status van heilig, of
zelfs goddelijk krijgen. Degenen die hem opofferen beschouwen zichzelf -ten
onrechte - als vrij van schuld. In sommige gevallen heeft het slachtoffer niets
met de ramp of de overtreding te maken. Maar er zijn ook gevallen waarin hij
niet, of niet geheel, vrijuit gaat. Oedipus bijvoorbeeld, had zijn vader
vermoord en was met zijn moeder getrouwd. Hoewel hij dat niet wist, lagen de
feiten daar. Het gevolg was een pestepidemie. En om die te bezweren, offerde
Oedipus zich op, nadat zijn ogen voor de waarheid waren opengegaan. Maar het kan
ook gebeuren dat het volk een willekeurig slachtoffer grijpt om een
onverklaarbare misdaad op te lossen. Hoe het ook zij, mensenoffers horen bij de
mythologische of heidense tijd.
Met het jodendom kwam er
een eind aan de mensenoffers. De joden introduceerden de letterlijke zondebok,
een dier dat beladen met de overtredingen van het uitverkoren volk de woestijn
in werd gestuurd. De joden brachten alleen dierenoffers. Hun God was anders dan
de heidense goden. Hij wilde geen mensenoffers. Maar de joden konden zich
vergrijpen aan hun eigen profeten, als ze dingen zeiden die slecht vielen bij de
heersende groep. Later werden die profeten geëerd, in zekere zin heilig
verklaard. Zo kon Jezus tegen de farizeëers zeggen: Jullie vereren de graven
van profeten die door jullie voorouders zijn vermoord. Hiermee bracht hij niet
alleen hun inconsequente gedrag aan het licht, maar voorspelde hij bovendien
zijn eigen slachtofferdood door de hand van zijn gesprekspartners. Hoe eeuwig
waar de woorden van Jezus zijn, blijkt uit het feit dat ook na zijn kruisdood de
slachtoffercultus bleef bestaan. Van de martelaren kan men nog zeggen dat ze
door heidenen werden opgeofferd, maar ook na de invoering van het christendom
kon de Kerk mensen heiligverklaren die in hun eigen tijd door diezelfde Kerk
waren vervolgd, en soms zelfs gedood. Maar dat zijn uitzonderlijke gevallen.
Over het algemeen mag worden gezegd dat met het voortschrijden van het
christendom de slachtoffers in bescherming werden genomen.
Het offer van Jezus
Christus was ook bedoeld om aan het slachtofferen van mensen een eind te maken.
Jezus was de zondenloze bij uitstek, voorafschuwd door Jozef. Jozef was door
zijn broers aan de heidenen verkocht en door zijn afwijzing van een Egyptische
vrouw in de gevangenis beland. Jozef was niet alleen onschuldig, maar zag
bovendien af van vergelding. Toen hij onderkoning van Egypte was geworden, en
zijn broers voor hun voedsel op hem waren aangewezen, verzoende hij zich met
hen. Daardoor maakte hij een eind aan de spiraal van geweld. Jezus, God zelf,
wilde zich offeren om de schuldige mensen met zich, God, te verzoenen. Daarmee
droeg hij de mensen op elkaar te vergeven, dus een eind te maken aan de keten
van wraak.
De keten van wraak
typeert Satan, de Vorst van de wereld, de
tegenspreker, de aanklager, de prins van de duisternis. Toen er een einde was
gekomen aan het heidense tijdperk, en de mensen hun geloof in de bloedeisende
goden hadden ingeruild voor het geloof in de enige ware God die in Jezus
Christus mens was geworden, moest de Satan een nieuwe strategie bedenken om zijn
heerschappij op de wereld te handhaven. Hij begon zich als heilig voor te doen,
en onder het mom van heiligheid begon hij de mensgeworden God te imiteren. Hij
wierp zich op als onschuldig slachtoffer. Werden zijn handlangers vervolgd en
gedood, dan kon hij het algemene geweten gijzelen en zijn vervolgers met een
schuldgevoel belasten, en zo tot wanhoop te drijven.
Satan is de
gepersonifieerde nabootsing, de boze geest die de
meuten opzweept om zich aan onschuldige slachtoffers te vergrijpen. Hij schept
schandaal. `Satan of de duivel is het slachtoffer-mechanisme voor zover hij de
goden van het polytheïsme in het
leven roept', en daarom spreken de Evangeliën van `duivels' als het gaat om
veelgodendom. `Volken vinden hun goden niet uit, zij vergoddelijken hun
slachtoffers.' En de slachtoffers kunnen de joden zijn, de melaatsen,
vreemdelingen, zwakken, marginalen. Zij worden opgeofferd aan de volkswoede, of
aan het algehele onbehagen, in de tijden dat het slecht gaat, wanneer er
behoefte is aan een zondenbok. Achter die slachtofferscultus gaapt het oude
heidendom, dat door het vernis van het christendom heen blijft steken. Vooral in
de Middeleeuwen, toen men graag heksen en andersdenkenden vebrandde of aan
publieke schandpalen nagelde. Maar in de oudheid was dat heel gewoon, en dat is
iets wat moderne entnologen en antropologen vaak vergeten. Ze zien niet dat
achter de mythen van de door hen zo gewaarde beschaving - die ze op één lijn
stellen met het christendom, of soms zelfs hoger aanslaan -de
mensenbloed-eisende cultus schuilt - die ze bij hun heldere verstand zouden
veroordelen. Voor Girard is deze blindheid een schande van de moderniteit, die
in haar afkeer van het christendom hoog opgeeft van allerlei niet-christelijke
beschavingen. Athene en Rome zijn gebouwd op bloed. Hun goden waren de
marionetten van de Satan.
Beschaving, of cultuur,
is een product van misdaad. Uit vele
stichtingsmythen kan men de conclusie trekken dat er mensenbloed moest vloeien
om ze op te trekken. Kaïn, de doodslager van zijn broer, was een landbouwer, en
landbouw - in tegenstelling tot veeteelt - is de basis van het sedentaire
bestaan, van de stad, de beschaving dus. Ook Rome gaat terug tot een
broedermoord. Achter die bloedige stichtingsmythen zit Satan, die via zijn
`goden' slachtoffers eist. Ten onrechte denkt men sinds de Verlichting dat de
mensheid geleid wordt door de Rede. In werkelijkheid, betoogt Girard, zijn de
menselijke instituties die de beschaving maken voortgekomen uit de religie.
Beschaving schept
`staten', organisaties van aardse macht. Dat
aardse macht het instrument is van de Satan, via het slachtoffermechanisme en de
goden, wisten de evangelisten. In de tijd van Jezus had Rome de macht. `Ook al
worden de aardse machten met Satan in verband gebracht, en zijn die machten hem
schatplichtig, ze zijn op zichzelf niet satanisch.' Het satanische is `de
transcendentie waarop zij berusten.' De aardse machten spelen een rol in het
plan van God, en daarom `is Paulus realistisch genoeg om zich er niet tegen te
keren. Hij beveelt de christenen zelfs aan ze te respecteren en te eren, voor
zover zij tenminste niets eisen dat tegen het ware geloof indruist.' Daarom kon
Jezus zeggen: geef Caesar wat Caesar toekomt.
Met de triomf van het
Kruis kwamen de aardse machten in een
ander daglicht te staan. Daarmee begint de christelijke beschaving, die
humanisme en humanitarisme zou voortbrengen. Dat werd te weinig gewaardeerd door
de etnologen. Die probeerden aan te tonen, in hun haat tegen het christendom,
dat de Klassieke Beschaving even goed, zoniet superieur was. Dat deden zij door
op de overeenkomsten te wijzen tussen de mythen en de Bijbel, tussen de
klassieke offercultus en het offer van Christus. Achter die gelijkschakeling zit
de Satan, die uit afgunst imiteert, nadoet. Oedipus zou vergelijkbaar zijn met
Jozef. Maar de mythen veroordelen de slachtoffers en stellen hun beulen en de
woedende meutes in het gelijk. De Bijbel daarentegen kiest de kant van het
slachtoffer, die onschuldig is, en veroordeelt de schuldige slachtofferaars. De
Bijbel veroordeelt het collectieve geweld tegen eenlingen. `De Bijbel weigert de
slachtoffers van de bloedeisende menigten te demoniseren of te vergoddelijken.
De ware verantwoordelijken voor de uitdrijvingen zijn niet de slachtoffers, maar
hun vervolgers, de meuten, de jaloerse broers van Jozef, de Egyptenaren. De
mythen, die leugens zijn, maken het goddelijke en de menigte tot een in haar
recht staand front tegen het slachtoffer. De mythen bevorderen het
totalitarisme. Maar `de gelijkenissen tussen het christendom en de mythen zijn
te volmaakt om niet de verdenking van een terugval in het mythologische te
wekken.'
Want Jezus is ook een
slachtoffer. `En hoe te geloven dat zijn
godheid iets anders is dan die van de mythologische godheden?' Daartoe is louter
de antropologie niet voldoende. Dat Jezus God zelf is, de maker van het
universum, is niet vanuit de antropologie te bewijzen. Te bewijzen is wèl dat
het jodendom niet aan mensenoffers deed. Maar hoe het offer van Jezus op te
vatten? Vanuit wetenschappelijk standpunt lijkt het offer van Jezus op de offers
van de mythen. Dat Jezus onschuldig is, is niet overtuigend genoeg. Er werden in
de Klassieke Oudheid andere onschuldigen geofferd. En Girard moet constateren
`dat er een proces van ontchristelijking gaande is, dat steeds sneller gaat. Het
zijn geen geïsoleerde individuen meer die voortaan hun Kerken verlaten, het
zijn hele Kerken, met hun clerus aan het hoofd, die met wapens en bagage
overgaan naar het kamp van het "pluralisme", ofwel een relativisme dat
pretendeert "christelijker" te zijn dan de trouw aan het dogma.'
Girard moet bewijzen dat
Jezus God is, en daartoe doet hij een
beroep op `de structuur van de christelijke openbaring', die `uniek' is. Een van
de wezenskenmerken van die unieke openbaring is het geloof in de Satan als
oorzaak van de bloedeisende slachtoffercultus. Een ander belangrijk
wezenskenmerk is dat het optreden van Jezus in het verlengde ligt van het Oude
Testament, waarin de mensenoffers zijn afgeschaft.
`Het Kruis en de
satanische oorsprong van de valse religies en
de aardse machten zijn slechts een en hetzelfde verschijnsel, geopenbaard in het
eerste geval, ontveinsd in het andere. Daarom heeft Dante, in de diepte van zijn
Hel, Satan uitgebeeld als genageld aan het Kruis.' Het christendom onthult de
Satan als de machthebber van deze wereld die, uit afgunst, Christus imiteert.
Bij sommige Griekse
kerkvaders speelt de Satan de rol van het
`slachtoffer' van het Kruis, en daarmee van de machthebber van deze wereld. In
de westerse theologie neigt men ertoe de Satan te elimineren. Er bestaat geen
kwade macht, het kwaad steekt in onszelf, en daarmee vallen onze filosofen en
psychologen terug in het heidendom. De Griekse vaders zagen dat Satan de
mystificeerder van het Kruis is, want door het Kruis verloor hij zijn macht, en
om die te behouden poseert hij als gekruisigde, als slachtoffer. `Satan
verandert zelf zijn eigen mechanisme in een val waar hij zelf invalt. Dat God
zich laat kruisigen voor de mensen, is iets wat Satan absoluut niet kan
bevatten.'
Naarmate het christendom
voortschreed, trad de slachtoffercultus terug. Humanisme en humanitarisme zijn
sinds de Verlichting het bewijs, maar tegelijk verliest het christendom terrein,
en daardoor keren de `mimetische rivaliteiten' terug. Toch ziet Girard in de
democratieën van de negentiende en twintigste eeuw een zekere vooruitgang,
gezien de globalisatie en de mensenrechten. Slachtoffers blijven er, maar die
nemen wij in bescherming, zoals het christendom voorstaat. Overal zijn
instanties waar slachtoffers op verhaal kunnen komen en waar men rechten
inroept. In de zorg voor het slachtoffer ziet Girard het bewijs dat het
christendom toch is doorgedrongen, en dat is te zien in dat deel van de wereld
dat christelijk is. Armenzorg, ziekenzorg, opkomen voor zwakken en onderdrukten.
Er is evolutie. `Onze wereld heeft de compassie niet uitgevonden, maar heeft
haar wel universeel gemaakt.'
Wat dan te denken van de
moord op zes miljoen joden, de grootste
genocide uit de geschiedenis? Die verklaart Girard vanuit een nieuw heidens
denken, dat zijn moderne oorsprong heeft in Nietzsche. Nietzsche prefereerde
Dionysos boven Christus, en daarmee ging de deur open naar hetzelfde collectieve
geweld dat de pre-christelijke Oudheid kenmerkte. Nietzsche minachtte de zorg
voor de zwakken, hij veroordeelt iedere maatregel ten gunste van de ontheemden.
Nietzsche hekelt de christelijke `slavenmoraal' en roept de herenmoraal op die
met het nazisme het wereldtoneel betreedt. En sinds de Tweede Wereldoorlog is de
betovering van Nietzsche onloochenbaar. Grote delen van het academische
establishment zien in hem de profeet van de moderniteit, uitgedragen door zijn
acoliet Heidegger. Alle tegenwoordige debatten over abortus en euthanasie
bijvoorbeeld, zijn herleidbaar tot het neopaganistische denken dat met Nietzsche
baanbreekt. De relativering van de slachtofferzorg verraadt niet eens een echt,
maar een pseudo-nihilisme. De victimisering van het hele joodse volk in 40-45 is
daarvan het meest saillante voorbeeld. Maar nog niet alles is verloren. Zolang
de internationale organen de zorg blijven behartigen van zwakken, invaliden,
onderdrukten, etcetera, blijft daarin het christendom zichtbaar, en heeft de
Antichrist nog niet alles in zijn macht. Toch moet Girard constateren dat het
hedonisme alom heerst, en daarmee de euthanasie, de abortus, de vrije seks, de
onverschilligheid, thans vermomd achter electronica en technologie.
`Vlak voor zijn arrestatie, zag Christus Satan "uit de hemel vallen als een flits". Het is zonneklaar dat hij op aarde viel en dat hij daar niet passief blijft. Het is niet het onmiddellijke einde van Satan dat Jezus aankondigt, het is het einde van zijn leugenachtige transcendentie, van zijn macht, van zijn herordening.' De Heilige Geest is de kracht die Satan in toom houdt. Hij is de Voorspreker die de Tegenspreker neutraliseert. En de Heilige Geest neemt het op voor de slachtoffers.
E-mail auteur: robertlemm@hotmail.com