VU Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
Sonja Pos
Dorbeck is
alles!
Themas,
motieven en compositie in enkele romans en verhalen van
W.F.
Hermans, bezien vanuit de theorie van René Girard over navolging, rivaliteit en
zondebokmechanisme
[samenvatting proefschrift UvA 2007, voor bestellingen
volledige tekst:
Goedbeschouwd kan niemand een voorbeeld voor een ander zijn, hoogstens
een vrijblijvende inspiratie tot navolging. (cursiv. W.F.H.)
W.F. Hermans,
Wittgenstein.
Het sadistische universum 2, 4de druk, p.42.
Het gaat er in dit leven om
onvergelijkelijk te zijn. W.F. Hermans.
Hermans is hier geweest. Drie melodrama's, 9e druk, p.386.
Van groot tot klein,
allemaal eindigen we als bedriegers.
W.F. Hermans, Nooit meer slapen, 21ste
druk, p.143.
'Een ander
niet kunnen evenaren is de erkenning van een nederlaag.' (...)
'Waar haal je
het vandaan!'
W.F. Hermans, Au pair, 1ste druk, p.283.
De duivel fluisterde hem in:Zou dat niet het beste voor je zijn, een
ander worden? (
)
Zou je het niet eens proberen?' (cursiv. S.P.)
W.F. Hermans, Herinneringen van een engelbewaarder, 9de
druk, p.101-102.
Genua, 28 sept. 1965.
Een man zien lopen met een
grafsteen op zijn rug. Wie niet?
Hellebaarden.
Citaten uit het werk van
Willem Frederik Hermans.Verzameld en ingeleid door Frans A. Janssen, 1972.
Het schrijven van deze
studie was mede mogelijk door werkbeurzen, gedurende drie jaar, gevolgd door
een stipendium van het Praemium Erasmianum en van het Bert Schierbeek-Fonds in
het vierde en het vijfde jaar, verleend door het Fonds voor de Letteren. Ik ontving
ook een reisbeurs voor een kort bezoek aan Genève.
Inhoud
Voorwoord 5
1 Inleiding 12
1.1 Uitspraken over navolging door Hermans zelf 12
1.2 Aanwijzingen in het verhaal Een
ontvoogding 19
1.3 Aanwijzingen in de roman Ik
heb altijd gelijk 24
2.1 Inleiding
32
2.2 Navolging van een ver model 35
2.3 Dubbelgangers 41
2.4 Navolging van de begeerte van een ander: de
driehoeksbegeerte 49
2.5 De zondebok
52
2.6 Bijkomende invloeden en verwantschap 58
3 De
donkere kamer van Damokles 66
3.1 De opmaat: wie is Henri Osewoudt?
Slachtofferkenmerken 67
3.1.1 Ontmoeting met Dorbeck 73
3.1.2 Polarisatie gekoppeld aan enkele triggers 75
3.1.3 Contacten met Dorbeck in 1940. Eerste
opdrachten 78
3.1.4 Vergelijkingen en opdrachten. Navolging van een
model? 80
3.1.5 Fotos en eerste liquidatie 83
3.2 Ontwikkeling van de handeling in 1944 86
3.2.1 Gedaanteverandering 88
3.2.2 Een man voor wie de wereld zich buigt. Relatie
tot Dorbeck: tweelingbroer 94
3.2.3 Eerste teken dat Dorbeck een obstakel kan
worden 95
3.2.4 Verwisseling en omkeringen. Ontaarding van
Osewoudt. Mimetische crisis 97
3.3 Aanzet tot bewustwording
inzake de navolging. Vrees voor Dorbeck als triomferende rivaal bij Marianne.
Aanzet van Marianne als mogelijk goed model
100
3.4 Mimetische crisis. Uitvoering van laatste
opdrachten. Vertrek van Dorbeck 106
3.5 Laatste opdrachten: moord
en vermomming. Dorbeck als obstakel. Nog twee moorden 109
3.6 Derde verblijf in
gevangenis. Beschuldiging van landverraad. Het schijnbare demasqué van de
werkelijkheid. Ondergang als zondebok 114
4 Nooit
meer slapen 129
4.1 Inleiding: een patroon met varianten 129
4.2 Navolging in Nooit meer slapen 130
4.2.1 Een vader die op jeugdige leeftijd
verongelukte 133
4.2.2 Navolging van dode vader 138
4.3 Komst van Arne Jordal. Polarisatie 141
4.3.1 Wraak op het noodlot en een dubbele
opdracht 146
4.3.2 Verschijning van een dubbelganger en een aanzet
tot bewustwording 149
4.3.3 Groepsfoto met vader 153
4.4 Crisis
158
4.4.1 Verdwijningen. Conflict met
Arne. Plaats van inslag van meteoriet niet herkend 161
4.4.2 Vondst van dode Arne. Ontreddering 167
4.4.3 Vasthouden aan navolging van tweede jonge
dode 170
4.5 Conclusie
171
5 Resultaten
voortkomend uit de toepassing van het begrippenapparaat van René Girard 178
5.1 Overeenkomsten
en verschillen tussen De donkere kamer
van Damokles en
Nooit meer
slapen 178
5.2 Varianten in een reeks romans 182
5.2.1 Conserve 183
5.2.2 De tranen der
acacias 184
5.2.3 Herinneringen van een engelbewaarder 185
5.2.4 Onder professoren 187
5.2.5 Een heilige van de horlogerie 188
5.2.6 Au pair
190
5.3 Hoofdpersonen behept met
slachtofferkenmerken 192
5.4 Het motief van de metamorfose 194
5.5 Varianten in novellen en verhalen 197
5.5.1 Het behouden huis 200
5.5.2 De blinde fotograaf 203
5.5.3 De electriseermachine van Wimshurst 203
5.5.4 Een wonderkind of een total loss 204
5.5.5 Naar Magnitogorsk 205
5.6 De onbegraven jonge dode 206
6 Conclusie 214
6.1 Twee
werkmethoden 214
6.2 Een
bewustwording inzake het navolgen? 216
6.3 Zondebokken
en slachtoffers 219
6.4 Leiden
verschillende oorzaken tot verschillende eerste fasen
als
aanloop tot een mimetische crisis? 223
6.5 Het
ontvouwen van de composities van romans en verhalen 228
6.6 Een
romantisch of een romanesk oeuvre? 229
6.7 De opstelling van Hermans als schrijver 231
Samenvatting 240
Summary 245
Résumé 250
Bibliografie 257
Samenvatting
Mijn onderzoek komt voort uit de ingeving dat het
dubbelgangersthema in De donkere kamer
van Damokles aangeeft dat het in deze roman handelt om een proces van navolging
door een naïeve hoofdpersoon van een min of meer nabij model. De Franse filosoof
René Girard, die sinds 1961 publiceert over mimesis, te vertalen
als navolging, toonde de bepalende rol aan die dit onder andere speelt bij
dubbelgangers, rivaliteit en bij de ontwikkeling van het zondebokmechanisme
tijdens een crisis in een gemeenschap.
In hoofdstuk 1 belicht ik eerst
de uitspraken die Hermans zelf maakte over navolging en navolgers in artikelen
die hij vanaf 1946 publiceerde en in 1963 bundelde in Mandarijnen op zwavelzuur. Hij verwierp daarin de naoorlogse
schrijvers die hij beschouwde als navolgers van de schrijvers uit de jaren
dertig. In hun teksten zou ook een leidende gedachte ontbreken.
Het eerste verhaal van Hermans, Een ontvoogding, uit 1941, houdt echter
navolging van een nabij en corrupt model in. Alleen in deze tekst van Hermans
doodt de navolger ten slotte zijn model, allengs rivaal en obstakel. De ten
dele autobiografische roman Ik heb altijd
gelijk bevat de bittere klacht van zijn alter ego, Lodewijk Stegman, over
zijn ouders, die hun zoontje feitelijk dwongen tot navolging van zijn oudere
zusje, Debora, als een goed voorbeeld. Dit werd later gevolgd door navolging
van zijn heimelijk corrupte neef. Zuster en neef, beiden verraderlijke
modellen, pleegden zelfmoord in mei 1940 bij het uitbreken van de oorlog.
Ik vermeld kort de invloed van
romans van Franz Kafka en van L.F. Céline, die handelen over uitstoting van
zondebokken. Hermans richtte zich vanaf 1945 ook op het literaire klimaat in
Parijs.
In hoofdstuk
2 zet ik aan de hand van de publicaties van Girard diens gedachtegoed en het
daaruit voortvloeiend begrippenapparaat uiteen. Ik pas ten eerste zijn
bevindingen toe uit Mensonge romantique
et vérité romanesque, 1961. Girard toonde aan dat de hoofdpersonen in Don Quichotte van Cervantes, Le rouge et le noir van Stendhal en Madame Bovary van Gustave Flaubert, een
model navolgen. Na een bewustwording laten zij het navolgen los en sterven. A la recherche du temps perdu van Marcel
Proust bevat de variant dat de navolgende verteller na zijn bewustwording niet
sterft maar zijn grote roman gaat schrijven.
Uit La violence et le sacré, 1972, vertaald als God en geweld, in
plaats van God en het sacrale, was het essay Van mimetische begeerte naar
monsterlijke dubbelganger van grote waarde. Girard onderscheidt daarin de
elkaar opvolgende fasen tijdens het navolgen bij een machtsstrijd tussen broers
(of zusters) en tweelingen, leidend naar moordlustige rivaliteit en doodslag.
In een overzicht bespreek ik verder enkele auteurs die het thema dubbelgangers
in de literatuur al eerder trachtten te benoemen en te verklaren.
Ten derde was Le bouc émissaire uit 1982 voor deze
studie belangrijk in verband met het zondebokmechanisme waardoor onschuldigen
of een minderheid, behept met slachtofferkenmerken, tijdens een crisis in een
gemeenschap worden uitgestoten en vermoord. De leden van de gemeenschap zouden
elkaar spontaan navolgen in het gezamenlijk verstoten van de zondebok. Girard
stelt dat geschiedkundige teksten en vele mythen het vertekende relaas inhouden
van de moordenaars die de moord verhullen. In mythen worden de zondebokken
later als godheden ritueel vereerd. Hermans was deze omslag van
zondebok/slachtoffer naar godheid op het spoor, getuige het eind van het
verhaal Manuscript in een kliniek
gevonden.
Hoofdstuk 3 bevat een
stapsgewijze analyse van De donkere kamer
van Damokles. Het dubbelgangersmotief
geeft inderdaad aan dat deze roman een proces van navolging van een min of meer
nabij, doch verraderlijk model inhoudt. Henri Osewoudt, naïef en behept met
slachtofferkenmerken, volgt blindelings zijn opdrachtgever/model Dorbeck na,
duidelijk beschreven als een bestaand personage. Ook in andere romans van
Hermans treden dergelijke opdrachtgevers als bestaande personages op. De
handelingen verbonden met het navolgen en met de bijkomende motieven, zoals dat
van de metamorfose, gekoppeld aan spiegelbeelden, structureren het dynamisch
proces binnen de compositie. Bij deze interne bemiddeling wordt
Dorbeck eerst model en daarna ervaren als tweelingbroer. Later wordt hij
gevreesd als mogelijk triomferende rivaal bij de geliefde en uiteindelijk
verandert hij in een obstakel. Osewoudt pleegt naast drie
moorden in opdracht ten slotte ook vier moorden zonder opdracht. Het
zondebokmechanisme verhevigt zich in 1944-1945 tijdens de mimetische crisis
veroorzaakt door de Duitse bezetting. Dorbeck, die, dankzij enige gelijkenis,
Osewoudt vanaf het begin misbruikte als dubbelganger en als vervanger om het
vuile werk op te knappen, was wellicht een landverrader. Hoewel het bewijs voor
zijn landverraad in de tekst ontbreekt, is dit zeer aannemelijk. Hermans maakte
het motief van de zondebok uiterst complex door Osewoudt zowel schuldig aan het
één (moorden) als onschuldig aan het ander (landverraad) te laten zijn. Het
navolgen wordt niet losgelaten. Het eind bevat zowel echte onthulling van de
waarheid als vermeende onthulling. Verwisselbaarheid en vervangbaarheid,
dubbelgangers, polarisatie, de omslag halverwege in het tegenovergestelde,
voorgewende identiteiten en het wegvallen van ordenende verschillen bewijzen
dat het gaat om een mimetische crisis. De nauwgezette weergave van de
toenemende eenvormigheid, leidend tot verwording, toont aan dat de schrijver
inzag hoe zich tijdens een dergelijke sacrificiële crisis extreem geweld
ontwikkelt. Zijn beschrijving, in 1958, komt volledig overeen met de latere
duiding door Girard, in 1972, van een mimetische crisis en van het
zondebokmechanisme. De vergissingen aan het eind door de rechercheurs en door
de psychiater kunnen tot verwarring leiden. Een lezer kan pas na het duiden van
de verhulde feiten de waarheid die de auteur op het oog had, reconstrueren. Het
motief bestaande uit de langdurige ontreddering van de hoofdpersoon, na
verdwijningen, het verlies van de geliefde en de dood van een ander personage,
komt ook voor in andere romans van Hermans. De uitbeelding ervan beslaat in het
hele oeuvre bijna duizend paginas.
In hoofdstuk 4 wordt gewezen op
de mimetische processen in de roman Nooit
meer slapen. Hierin is de
onervaren en naïeve vijfentwintigjarige geoloog Alfred Issendorf in een Noors
gebergte op pad voor veldwerk, bestemd voor zijn proefschrift. Hij wordt
vergezeld door de sportieve en dominante Noorse geoloog, Arne Jordal, een
leeftijdgenoot. De opmerkelijke constanten én varianten op de thematiek houden
in: manipulatie tot navolging van een eerste overleden model, minder extreme
slachtofferkenmerken van de hoofdpersoon, bedrog (door de Noorse machthebbers),
trawanten (twee dubieuze geofysici), wederom metamorfose gekoppeld aan
spiegelbeelden, geen dood van de navolger maar dood van het tweede model (Arne)
en mislukking. De moeder saboteerde ooit Alfreds ideaal (fluitist worden) en
manipuleerde hem tot navolging van de vader die, al bijna hoogleraar, op zijn zevenentwintigste
dodelijk verongelukte. Zij streeft naar wraak op het noodlot. Haar opdracht
bevat de paradox: doe hetzelfde als je vader (hoogleraar worden) en doe niet
hetzelfde als je vader (omkomen). Dit houdt ook het rivaliseren met een jonge
dode in. Tijdens het bergbeklimmen ontstaat tevens rivaliteit met de drie
ervaren Noren. Het tweede model, Arne, wordt tot obstakel waartegen verzet
mislukt. Alfred loopt vooral gevaar, als een dubbelganger, ook te
verongelukken. De crisis is echter geen mimetische crisis en de bedrogen Alfred
wordt geen echte zondebok. Hij is vooral slachtoffer van de manipulatie door
zijn moeder en van zijn eigen falen. Ik geef de fatale vergissingen (het aardmagnetisch
veld niet meten, het omgepoolde kompas) en de fout van Alfred (de niet herkende
plaats van inslag van een meteoriet) aan, die verhuld in de tekst zijn aangebracht.
Alfred laat het navolgen niet los, maar zijn plan om in navolging van zijn
tweede jonge dode model in Noorwegen diens proefschrift te schrijven, gaat niet
door. Hij zit ten slotte, volledig mislukt, weer bij moeder thuis.
Hoofdstuk 5 bevat eerst een
overzicht van de overeenkomsten en de verschillen tussen beide romans. Daarna
licht ik kort toe: Conserve, De tranen
der acacias, Herinneringen van een engelbewaarder, Onder professoren, Een
heilige van de horlogerie en Au pair.
In Conserve en De tranen der acacias zijn al
enkele motieven aanwezig die later zouden worden gestructureerd binnen een proces
van navolging of van mimetische
rivaliteit. De tranen der acacias vormt
ook daardoor een opmaat tot het latere werk. In de andere romans treffen we nieuwe
varianten aan, maar met afzwakking van het thema navolging. Het gaat
achtereenvolgens om manipulatie door een engel en de duivel tot nabootsing en
enige navolging tijdens een crisis; verder een mogelijk goed model, de
Nobelprijswinnaar, dat niet wordt nagevolgd maar uitgedreven. Vaker wordt
mimetische rivaliteit weergegeven en treden corrupte opdrachtgevers op, die
overigens geen modellen zijn. De afloop houdt steeds mislukking of volledige
ondergang in, behalve in de laatste roman Au
pair.
Daarna schets
ik themas en motieven in de verhalen: Het
behouden huis, De blinde fotograaf, De
electriseermachine van Wimshurst, Een
wonderkind of een total loss en Naar
Magnitogorsk. Het handelt soms om navolging tijdens een mimetische crisis,
om enkele zondebokken, om mimetische rivaliteit door interne bemiddeling, maar
steeds vaker om onschuldige slachtoffers van geweld of bedrog. Geweld in het
groot (oorlog, de USSR) en in het klein (de familiekring, een schoolklas) wordt
tot in het surreële verbeeld. Wat een motief is in een roman, vormt soms een
zelfstandig thema in een verhaal of novelle. Slechts een afzonderlijke studie
van alle romans en verhalen, vanuit het perspectief van Girard, kan het geheel
van de varianten recht doen. Tot in de laatste verhalen komt overigens het
thema navolging van een jonge dode, zij het afgezwakt, nog voor.
In de
conclusie, hoofdstuk 6, geef ik aan dat mijn onderzoek twee werkmethoden
oplevert waarmee men ten eerste kan vaststellen of een tekst navolging inhoudt
en ten tweede of personages als echte dubbelgangers functioneren. Hermans heeft
feitelijk drie vormen van navolging verbeeld: navolging uit vrije wil,
afgedwongen navolging en manipulatie tot navolging. Hij was zich bewust van de
verwantschap van zijn al in de oorlog geschreven teksten met toneelstukken van
naoorlogse schrijvers in Frankrijk: Jean-Paul Sartre, Samuel Beckett en Eugène
Ionesco. Hermans werkte die teksten wijselijk om. De verwantschap blijkt te
berusten op sterke overeenkomsten met de thematiek over navolging,
dubbelgangers, rivaliteit, bedrog, geweld tijdens crises, zondebokken en
slachtoffers, ook al legt elke auteur andere accenten.
Een laatste obsessief motief
bestaat eruit dat verschillende hoofdpersonen in romans en verhalen van Hermans vrezen slechts de nummer twee te zijn dan wel een vervangbaar,
inwisselbaar element te worden binnen een reeks, te misbruiken door een
machthebber. Dit houdt dikwijls de vrees in nooit nummer één te worden of de eigen
identiteit niet te kunnen ontplooien. De hoofdpersoon in het verhaal Hundertwasser, honderdvijf en meer,
wilde juist groot worden op eigen kracht, (
), uniek wezen, nieuw en de
eerste. Dit verduidelijkt mijns inziens ook de opstelling van Hermans als
schrijver. Hij voelde zich langdurig miskend en vond dat de essentie van zijn
werk niet werd geduid. Hij stelde in de tekst Het grote medelijden, 1967, onder andere dat hij zijn collegas
niet had gevleid, maar zich had opgesteld als rivaal, wat mede tot zijn
eenzaamheid had geleid.
Hermans geeft de kern van fascisme
aan en dit brengt mij tot een kritische kanttekening bij de visie van Girard op
het spontane navolgen bij het gezamenlijk verstoten tijdens een mimetische crisis.
Ik meen dat de leden van de gemeenschap door manipulatie en terreur worden
gedwongen tot het verstoten en doden van de aangemerkte onschuldigen. Slechts
enkelingen bieden daartegen verzet. Nader onderzoek naar alle factoren werkzaam
bij navolging tijdens terreur, is gewenst.
Naast inzicht in de thematiek
berustend op navolging, mimetische rivaliteit en zondebokmechanisme, komt de
extreme complexiteit van de vormgeving ervan aan het licht. Zonder het
begrippenapparaat van Girard waren al deze aspecten niet op te sporen. Het is
mogelijk dat daardoor deze leidende gedachte in een aanzienlijk deel van zijn
oeuvre, lange tijd niet kon worden opgemerkt. Ik hoop dat mijn studie deze dieperliggende
problematiek in het werk van de grootste Nederlandse schrijver van de
twintigste eeuw beter toegankelijk heeft gemaakt.
Summary
The present
research arose from the intuition that the motif of the double in De donkere kamer van Damokles by Willem
Frederik Hermans indicates that this novel deals with a process of mimesis of a
more or less proximate model, by the naïve, principal character. The French
philosopher René Girard, who has published on the subject of mimesis since
1961, has demonstrated the decisive role this plays in the emergence of
doubles, rivalry and the functioning of the scapegoat mechanism when a
community is in crisis.
Chapter 1 opens with an overview of Hermans' own
statements concerning mimetic behaviour in essays published from 1946 on
(collected under the title Mandarijnen op
zwavelzuur in 1963), in which he rejects the post-war Dutch novelists for
their slavish following of the writers of the 1930s, and also criticizes their
texts for the lack of a 'leading idea'.
Hermans' first story, Een ontvoogding, 1941, however, involves a mimetic relationship
with a proximate and corrupt model. This is the only Hermans text in which the
mimetic principal character actually kills the model, whom he comes to regard
as a rival and in due course as an obstacle. The partially autobiographical
novel Ik heb altijd gelijk contains
the bitter reproach of the author's alter ego, Lodewijk Stegman, that his
parents effectively forced their son to follow the 'good example' of his elder
sister Debora. At a later stage he turned to his secretly corrupt cousin for a
model. Sister and cousin, both treacherous models, had committed suicide in May
1940 after the German invasion of the Netherlands.
I mention the influence of novels by Franz Kafka and
Louis-Ferdinand Céline, both dealing with social exclusion and scapegoats in
their novels. From 1945 on, Hermans also looked to the literary climate in Paris.
Chapter 2 offers a discussion of the concepts and
attendant terminology developed by Girard in his writings. Firstly, I apply his
findings from Mensonge romantique et
vérité romanesque (1961), where he demonstrates that the principal
characters in Cervantes' Don Quichotte, Stendhal's
Le rouge et le noir, and Gustave
Flaubert's Madame Bovary, are in
mimesis with a far model. Once they become aware of their predicament, they
abandon mimesis and die. A la recherche
du temps perdu by Marcel Proust presents a variant form, in that the
mimetic narrator does not die after his illumination, but goes on to write his
great novel.
From La violence
et le sacré, 1972, the chapter titled 'From mimetic desire to the monstrous
double' proved to be of seminal value. In that essay Girard distinguishes the
successive phases of the mimetic mechanism in the course of a power struggle
between siblings and twins, leading to deadly rivalry and eventual murder. I
also review the attempts of a number of earlier scholars to identify and
clarify the doppelgänger motif in literature.
A third publication by Girard, Le bouc émissaire, 1982, is of importance to the present research
in connection with the scapegoat mechanism, whereby innocent people or a
minority group, who happen to possess 'victimary characteristics', suffer
social exclusion and persecution during a crisis in the community, which
ultimately leads to their murder. The members of a community in crisis, he
argues, spontaneously band together in casting out the scapegoat. Embedded in
historical texts and many myths, he points out, is the distorted version of
events given by the perpetrators seeking to cover up the murder. In a
mythological context, the scapegoat is later ritually worshipped as a deity.
That Hermans was aware of this switch from scapegoat/victim to deity is shown
by the end of the story Manuscript in een
kliniek gevonden.
Chapter 3 contains a step-by-step analysis of De donkere kamer van Damokles. The motif of the double indeed
indicates that this novel involves a process of mimesis of a more or less
proximate, yet perfidious model. Henri Osewoudt, naïve and afflicted with
victimary characteristics, blindly carries out the instructions of his model,
Dorbeck, who is clearly portrayed as existing in the flesh. In other novels of
Hermans, too, such commanding agents occur as existing persons. The actions
linked to the mimetic desire and to subsidiary motifs, such as metamorphosis,
linked to mirror images, structure the dynamic process within the novelistic
composition. In this internal mediation Dorbeck evolves from being the model
into the 'twin brother'. Later on he is feared as a potentially victorious rival in love, and ultimately
becomes an obstacle. Besides
the three murders Osewoudt commits on behalf of his model, he commits four more
murders of his own accord. The scapegoat mechanism gathers momentum in the
final year of the war during the mimetic crisis caused by the German
occupation. Dorbeck is able from the outset, thanks to a certain physical
resemblance, to use Osewoudt as his double to do the dirty work, and he may
well be guilty of high treason. Although there is no evidence of Dorbeck's
treason in the text, this is highly likely. Hermans renders the scapegoat motif
more complex by making his principal character both guilty (of murder) and
innocent (of high treason). Osewoudt does not transcend his mimetic behaviour.
The end of the novel brings both the real and the supposed revelation of the
truth. Interchangeability, replaceability, doubles, polarisation, reversal into
the opposite halfway through, assumed identities and the fading away of the
differences which guarantee social order, prove that the crisis is a mimetic
crisis. The meticulous evocation of increasing uniformity, leading to
depravity, reveal the author's insight into how extreme violence is engendered
during such a 'sacrificial' crisis. His portrayal, dating from 1958, is in
complete accordance with the description given by Girard in 1972 of a mimetic
crisis and of the scapegoat mechanism. The mistakes of the police inspectors
and the consultant psychiatrist at the end may give rise to confusion. The
reader can only reconstruct the truth envisaged by the author by taking the
concealed facts into account. The motif of the protracted bewilderment of the
principal character subsequent to the disappearance of various characters, the
loss of the lover and the death of another character, is also to be found in
other novels by Hermans. Nearly one thousand pages in his oeuvre are taken up
with this motif.
Chapter 4 deals with the mimetic processes in the
novel Nooit meer slapen, in which the
inexperienced and naive twenty-five-year-old geologist Alfred Issendorf joins a
small expedition to the mountains of northern Norway to undertake fieldwork for
his dissertation. Also on the team is the dominant, sporty Norwegian Arne
Jordal, who is the same age. The remarkable constants and variations on the
theme entail: manipulation into mimesis with a first dead model, less obvious
victimary characteristics of the principal character, deceit (by the Norwegian
powers that be), accomplices (two dubious geophysicists), again metamorphosis
linked with mirror images, death (not of the mimetic subject but of the second
model, Arne), and ultimately failure. Alfred's mother, having thwarted her
son's childhood ambition (to become a flautist), pressures him to follow the
example of his father, who fell to his death at the age of twenty-seven when
about to receive a professorship. Her aim is 'a vindication against fate', and
her instruction to her son paradoxical: 'do the same as your father' (become a
professor) and 'don't do the same as your father' (die prematurely in an
accident). This also encompasses rivalry with a young dead person. During the
trek through mountainous country there is likewise rivalry with the three
Norwegians, who are familiar with the terrain. The second model, Arne, becomes
an obstacle, against whom resistance fails. Alfred, as a double, is
particularly at risk to have a fatal accident. The crisis in the novel,
however, is not a mimetic crisis, and the deceived Alfred does not really
become a scapegoat. He is the victim primarily of his mother's manipulation and
of his own failings. I point out the sequence of fatal errors (neglecting to
take magnetic field measurements and the consequently reversed polarity of his
compass) culminating in Alfred's failure to recognise the crater of a meteorite
- circumstances that are suggested but not made explicit in the text. Alfred
does not abandon mimesis, but his plan to follow the example of his second
young dead model - by writing his dissertation in Norway - comes to nothing.
The end of the novels finds him, a failure on all levels, back at home with his
mother.
Chapter 5 opens with a survey of the correspondences
and differences between the two aforementioned novels by Hermans. This is
followed by a brief overview of several other works: Conserve, De tranen der acacias, Herinneringen van een engelbewaarder,
Onder professoren, Een heilige van de horlogerie and Au pair. The first two, Conserve and De tranen der
acacias, already comprise some of the motifs that would later be
structured within a process of mimesis or of mimetic rivalry. In that sense, De tranen der acacias serves as an
overture to the later works. In the other novels we encounter further
variations, albeit with attenuation of the mimetic motif. There is the
imitative behaviour due to manipulation by an angel and the devil, and some
mimesis during a crisis; there is also a possibly 'good' model, the Nobel Prize
winner, who is not followed but driven out. More common is the occurrence of
mimetic rivalry and corrupt commanding agents, who do not in fact function as
models. The end is always failure or utter depredation, except in the last
novel, Au pair.
This survey is followed by an indication of the themes
and motifs in the works titled Het
behouden huis, De blinde fotograaf, De
electriseermachine van Wimshurst, Een
wonderkind of een total loss en Naar
Magnitogorsk. There are some cases of mimetic behaviour during a crisis,
there are a few scapegoats, there is mimetic rivalry by internal mediation, but
increasingly there are innocent victims of violence and betrayal. The portrayal
of violence on a large scale (war, the USSR) and small (the family circle, the
classroom) is taken to surreal extremes. That which constitutes a motif in a
novel can occasionally become an independent theme in a short story or novella.
Only a separate, exhaustive investigation from Girard's perspective of all the
novels and stories can do full justice to the complex of variants. The theme of
mimesis with a young dead person as a model, be it in a weakened form, occurs
even in two of the last short stories written by Hermans.
In my conclusion, Chapter 6, I show that my research
yields two working methods whereby one can establish firstly whether a text
contains an element of mimesis, and secondly whether characters function as
true doubles. Hermans has in effect portrayed three forms of mimesis:
spontaneous, enforced, and manipulated. He was aware of the affinity between
the texts he had already composed during the war and the plays of post-war
authors in France, such as Jean-Paul Sartre, Samuel Beckett and Eugène Ionesco.
The affinity proves to arise from strong similarities with the thematic aspects
of mimesis, doubles, rivalry, betrayal, violence during crises, scapegoats and
victims - though every authors emphasizes other aspects.
A final obsessive motif is to be seen in the fact that
several of Hermans' main characters are afraid of always coming second or of
becoming a replaceable, interchangeable element within a series, a pawn in
someone else's power game. This often implies the fear of never being number
one or never being able to develop ones own identity. The hero of the short
story Hundertwasser, honderdvijf en meer
wanted specifically to 'become great on his own strength, [
] to be unique,
new, and first in line'. This, in my view, sheds light on the attitude of
Hermans as a writer. For many years he felt undervalued and believed that the
essence of his work was not understood. In Het
grote medelijden, 1967, he wrote that he had not flattered his rivals but
that his stance had been that of a rival, thereby contributing to his own sense
of isolation.
Hermans touches upon the core of fascism in his work,
and this brings me to a critical comment on the view put forward by Girard on
the phenomenon of 'spontaneous' communal persecution during a mimetic crisis.
It is my opinion that the members of the community are manipulated by means of
terror into persecuting and killing the singled-out innocents. Instances of
individual resistance to this are rare. Further research into all the factors
operating in mimetic behaviour during a reign of terror is called for.
Besides the insight gained into the thematic
constellations arising from mimetic behaviour, mimetic rivalry and the
scapegoat mechanism, the extreme complexity of the composition comes to light.
Without Girard's conceptual apparatus it would have been impossible to lay bare
all these facets. This may explain why it has taken so long to identify the
'leading idea' in a considerable part of Hermans' oeuvre. I hope my study has
made this underlying thematic of the work of the greatest Dutch author of the
twentieth century more accessible.
Vertaling:
Ina Rilke
Résumé
Le présent ouvrage trouve son
origine dans mon intuition que le motif des doubles dans le roman De donkere kamer van Damokles, trad. La chambre
noire de Damoclès de Willem
Frederik Hermans (1921-1995), puisse indiquer la présence dans ce roman dun
processus de mimésis entre le personnage principal, affligé dune grande
naïveté et un modèle plus ou moins proche. Le philosophe français Rene Girard a démontré dans ses publications depuis
1961, le rôle décisif que joue la mimésis dans le fonctionnement du phénomène
du double, dans la rivalité et dans le développement du mécanisme du bouc
émissaire, quand une communeauté se trouve en crise.
Dans le
premier chapître jexpose dabord les remarques que Hermans a faites lui-même à
propos de la mimésis et des auteurs qui se trouvent impliqués dans un processus
de mimétisme, dans des articles quil a publiés depuis 1946 et quil rassembla
en 1963 dans un recueil intitulé Mandarijnen
op zwavelzuur, trad. Mandarins au vitriol. Il rejeta les
auteurs néerlandais de laprès-guerre quil considéra comme des épigones des
écrivains des années trente. Selon lui leurs textes manquaient en outre dune
idée directive.
Cependant
le premier récit de Hermans lui-même, Een
ontvoogding, trad. La fin dune
tutelle, datant de 1941, contient le processus du mimétisme du personnage
principal avec un modèle proche mais corrompu. Cest le seul texte de Hermans où
le personnage principal tue à la fin son modèle, devenu son rival et
ultérieurement un obstacle. Dans le roman Ik
heb altijd gelijk, un texte partiellement autobiographique, datant de 1951,
on trouve les reproches amères faites par lalter ego de lauteur, nommé
Lodewijk Stegman, à ses parents qui avaient forcé leur fils à suivre docilement
le soi-disant bon exemple, cest-à dire, sa soeur Debora, son aînée de trois
ans. Plus tard Lodewijk, adolescent, entra en mimétisme avec son cousin,
secrètement corrompu. La soeur et le cousin, deux modèles traîtres, se
suicidèrent ensemble en mai 1940 lors de lenvahissement des Pays-Bas par
larmée allemande.
A la fin de
cette introduction je signale linfluence des romans de Franz Kafka et des
romans de Louis-Ferdinand Céline publiés dans les années trente, où sont
évoquées les expulsions de boucs émissaires. A partir de 1945 Hermans suivait
avec une grande attention ce qui se passait dans les milieux littéraires de
Paris.
Dans le
deuxième chapître jexpose par une présentation des publications successives de
Girard, sa théorie et les concepts qui en résultent. Premièrement japplique
les résultats de Mensonge romantique et
vérité romanesque, datant de 1961. Girard démontra que les personnages
principaux de Don Quichotte de
Cervantes, du roman Le rouge et le noir
de Stendhal et du roman Madame Bovary
de Gustave Flaubert, sont en mimésis avec un modèle lointain. Après une prise
de conscience, ils abandonnent leur comportement mimétique et meurent. A la recherche du temps perdu de Marcel
Proust contient la variante que le narrateur, en mimésis avec ses modèles
lointains, ne meurt pas après sa prise de conscience mais se met à écrire son
oeuvre.
Puis
lessai Du désir mimétique au double
monstrueux, faisant partie du recueil La
violence et le sacré, publié en
Ma
recherche a pu profiter aussi des analyses de Girard quíl a publiées en 1982
dans Le bouc émissaire. Il expose dan
ce livre le mécanisme du bouc émissaire par lequel un innocent ou les membres
dune minorité, affligés de caractéristiques victimaires, sont expulsés et
éventuellement assassinés quand une communeauté se trouve en crise. Selon
Girard les membres de la communeauté se réunissent spontanément dans
lexpulsion et le meurtre des innocents, jugés coupables de la catastrophe qui
menace la communeauté. Il démontre que des textes historiques et nombre de
mythes contiennent le récit défiguré des assassins qui essaient de camoufler le
meurtre. Les mythes décrivent en outre le changement ultérieur des victimes
innocentes en déités, vénérees rituellement comme cause de lunité retrouvée.
Hermans a dépisté le renversement de la victime en déité comme le démontre la
fin de son récit Manuscript in een
kliniek gevonden.
Le chapître
3 contient lanalyse minutieuse du roman De
donkere kamer van Damokles, publié en 1958. La traduction française récente, par Daniel Cunin, La chambre noire de Damoclès, a été publiée en 2006 par Gallimard. Le
motif du double indique en effet que ce roman contient un processus mimétique
où le modèle est plus ou moins proche. Le personnage principal, Henri Osewoudt,
affligé de caractéristiques victimaires, exécute aveuglément les ordres de
celui quíl a choisi comme modèle, Dorbeck, qui se présente comme membre dun
groupe de résistance. Il est décrit expressément comme un personnage existant.
Dans dautres romans écrits par Hermans, figurent également de tels
personnages, existant en chair et en os, qui donnent des ordres aux personnages
principaux. Les actes résultant du mimétisme et les motifs secondaires comme
celui de la métamorphose, reliée à des scènes devant un miroir, constituent la
structure du procès dynamique à lintérieur de la composition. Dans cette
médiation interne, Dorbeck figure dabord comme modèle; ensuite Osewoudt le
regarde comme un frère jumeau. Plus tard Osewoudt craint cependant que Dorbeck
puisse triompher comme rival auprès de la femme aimée. Finalement Dorbeck se
transforme en obstacle.
Osewoudt
exécute sur les ordres de Dorbeck trois assassinats, présentés comme des
liquidations commandées par le groupe de résistance mais ensuite il tue
successivement quatre personnes de son propre mouvement. Le mécanisme du bouc émissaire se renforce durant
lannée 1944-1945 pendant la crise mimétique résultant de loccupation
allemande. Dorbeck qui dès le début, grâce à
une certaine ressemblance, a usé de Henri Osewoudt comme dun double et dun
substitut pour faire la sale besogne, a pu avoir commis de la haute trahison.
Bienque la preuve pertinente de sa trahison est absente du roman, elle est très
probable. Hermans a rendu le motif du bouc émissaire très complexe en rendant
Osewoudt coupable (des assassinats) et en même temps innocent (de haute
trahison, quon lui impute) Cependant Osewoudt ne transcend pas le mimétisme
avec son modèle. La fin présente le dévoilement réel dune partie de la vérité,
combiné avec un faux dévoilement. Les facteurs formés par linterchangeabilité,
le remplacement de lun par lautre, les doubles, la polarisation et le
renversement en son contraire qui sopère au milieu du roman, les fausses
identités et la perte successive des différences garantissant lordre social,
prouvent que la crise décrite est bel et bien une crise mimétique. La description minutieuse de la croissance de
luniformité, menant à la dépravation, prouve la compréhension de lauteur des
origines de la violence qui se développe pendant une telle crise
sacrificielle. Sa description, datant de 1958, est
en parfait accord avec la démonstration ultérieure de Girard, faite en 1972,
dune crise mimétique et du mécanisme menant à la désignation du bouc
émissaire. Les erreurs commises à la fin du roman par les inspecteurs de police
et par le psychiatre peuvent duper le lecteur. Celui-ci ne peut reconstruire la
vérité que lauteur a voulu indiquer, quen dépistant les faits que celui-ci a
savamment dissimulés dans le texte. Le motif consistant en le désarroi prolongé
du personnage principal, après la disparition de plusieurs personnages et la
mort dun autre personnage, se trouve aussi dans dautres romans publiés par
Hermans. Les passages contenant ce motif occupent dans loeuvre entière plus de
mille pages.
Dans le
quatrième chapître janalyse en détail les processus mimétiques dans le roman Nooit meer slapen, trad. Au delà du sommeil. Le géologue Alfred
Issendorf, âgé de vingt-cinq ans, naïf et manquant dexpérience, se rend dans
le terrain montagneux du nord de la Norvège pour exécuter des recherches. Les
résultats formeraient la base de sa thèse de doctorat. Il est rejoint par le
norvégien Arne Jordal, sportif et dominant, son cadet dun an. Les constantes
et les variantes sur le thème comportent dabord une manipulation pour entrer
en mimésis avec un premier modèle, déjà décédé. Puis le personnage principal
est affligé comme Osewoudt de caractéristiques victimaires mais moins graves.
En outre le motif de limposture se retrouve chez les puissants universitaires
norvégiens et leurs acolytes, deux géophysiciens de caractère douteux. De
nouveau le motif de la métamorphose, reliée à des scènes où figure un miroir,
est présent. Cette fois-ci ce nest pas le
personnage principal, de nouveau fort mimétique, qui meurt mais le deuxième
modèle, Arne. Ce roman se termine, comme le roman
précédent, par un échec.
La mère
dAlfred a saboté jadis lidéal dAlfred qui voulait devenir flûtiste et la
manipulé pourquil entre en mimésis avec son père, un botaniste, qui, à lâge
de vingt-sept ans, juste avant son professorat à luniversité, est mort dune
chute accidentelle. Elle aspire à prendre sa revanche sur le destin, grâce au
succès éventuel de son fils. Son ordre contient le paradoxe: fais comme ton
père (devenir professeur à luniversité) et en même temps ne fais pas comme
ton père (mourir jeune par un accident fatal). Ceci implique également une
rivalité avec un personnage mort jeune. Pendant le trajet dans la montagne
surgit aussi la rivalité dAlfred avec les trois norvégiens pleins
dexpérience, qui connaissent déjà le terrain.
Le second
modèle, Arne, se transforme en obstacle mais lopposition dAlfred contre lui
échoue. Alfred, le double de son père, court surtout le risque, de mourir comme
lui dune chute accidentelle. Cependant la crise ne se développe pas en une
crise mimétique totale et Alfred, victime de limposture, ne devient pas un
véritable bouc émissaire. Il est avant tout la victime de la manipulation de sa
mère et des erreurs quil commet lui-même et que lauteur a de nouveau
dissimulées soigneusement dans son texte. Je souligne la série des erreurs
fatales commises par Alfred: il oubli de mesurer le géomagnétisme, en outre la
cause de la dépolarisation de sa boussole lui échappe et surtout il ne
reconnaît pas un vallon comme devant être le cratère dun météorite.
Alfred ne
transcend pas son mimétisme mais son projet de compléter les recherches dArne
et décrire la thèse de celui-ci, en norvégien, est bloqué par le professeur
norvégien. A la fin Alfred rentre aux Pays-Bas chez sa mère. Tout a fini par un
échec total.
Dans le
cinquième chapître de ma thèse, je donne dabord un aperçu des correspondances
et des différences entre les deux romans. Ensuite je commente sommairement
quelques autres romans écrits par Hermans: Conserve,
De tranen der acacias, Herinneringen van een engelbewaarder, Onder professoren, Een heilige van de horlogerie et Au pair. Dans les deux premiers romans se trouvent déjà quelques
motifs qui, dans les romans écrits plus tard par lauteur, seront structurés à
lintérieur dun processus mimétique ou dun processus de rivalité. De ce fait De tranen der acacias forme une
ouverture aux textes ultérieurs.
Dans les
autres romans on constate la présence de nouvelles variantes sur la thématique
mais avec un affaiblissement notable ou bien labsence totale de la première
phase du processus mimétique. Il sagit de la manipulation par un ange gardien
et par le diable, dès le début dune crise mimétique, pour que le personnage
principal se conforme, par mimétisme, à leurs recommandations et à leurs
ordres. Ensuite est décrit le cas dun universitaire, lauréat du prix Nobel,
qui pourrait fonctionner comme un bon modèle mais qui est, au contraire,
expulsé par ses étudiants. Dans les derniers romans écrits par Hermans,
celui-ci évoque de plus en plus souvent des personnages sujets à la rivalité
mimétique entre eux. En outre il présente plutôt un personnage dominant et de
nouveau corrompu sans que celui-ci soit un modèle. Celui-ci donne cependant,
comme dans les romans antérieurs, des ordres à un personnage naïf. La fin
implique toujours léchec ou un effondremen total, sauf dans le dernier roman Au pair.
Puis je
donne une esquisse des thèmes et des motifs dans les récits suivants: Het behouden huis, De blinde fotograaf, De electriseermachine van Wimshurst, Een wonderkind of een total loss et Naar Magnitogorsk. On y trouve de
nouveau le thème formé par un processus mimétique pendant une crise, la
présence de quelques boucs émissaires, la rivalité mimétique causée par une
médiation interne mais de plus en plus souvent des innocents, victimes de
violence ou de trahison. La violence à
grande échelle (la guerre, lURSS) et à petite échelle (le cercle de la
famille, une classe de lecole primaire) sont évoquées dans des descriptions
qui prennent des proportions surréalistes. Ce qui formait un motif dans un roman, se retrouve parfois comme thème
principal dans un récit. Seule une étude exhaustive de tous les romans et de
tous les récits, à partir de la perspective girardienne, pourrait rendre compte
de la totalité des variantes sur le thème fomendamental. Je signale que le
thème formé par la situation dun personnage principal qui est impliqué dans un
processus de mimésis avec un jeune, mort auparavant, se retrouve jusque dans
deux des derniers récits écrits par lauteur, soit dans une forme atténuée et
moins dramatique.
Dans ma
conclusion, le chapître 6, jexpose sommairement les deux méthodes résultant de
ma recherche, par lesquelles il est possible de déterminer si un texte contient
un processus mimétique ou si deux personnages fonctionnent réellement comme des
doubles.
Au fond
Hermans a décrit trois formes de mimésis: un processus de mimésis spontané, un
processus de mimésis qui est imposé au moyen de terreur et finalement un
processus de mimésis qui résulte dune manipulation.
En outre
lauteur sest rendu compte de laffinité des textes quil avait écrits comme
étudiant pendant la deuxième guerre mondiale avec les pièces de théâtre des
auteurs de laprès-guerre français: Jean-Paul Sartre, Samuel Beckett et Eugène
Ionesco. Hermans a eu la sagesse de réécrire ces textes. A présent il est
possible de constater que laffinité consiste en une concordance évidente de la
thématique formée par les processus mimétiques, la présence de doubles, la
rivalité mimètique, limposture et la trahison, la violence opérant pendant des
crises, les boucs émissaires et les victimes innocentes. Evidemment chaque
auteur met laccent sur dautres aspects.
Je signale
quun motif obsédant dans loeuvre de Hermans consiste en la peur ressentie par
plusieurs personnages principaux de nêtre jamais que le numéro deux soit de ne
former quun élément interchangeable et remplaçable à lintérieur dune série
constituée par des éléments identiques, en passe dêtre la victime des
malveillants qui ont le pouvoir. Dans ce contexte il est à noter que le
personnage principal et âgé du récit Hundertwasser,
honderdvijf en meer, relate comment dans sa jeunesse il avait voulu
devenir grand de ses propres forces, (
) être unique, neuf et le premier. A
mon avis ceci explique aussi lattitude de Hermans à légard des milieux
littéraires néerlandais. Il se sentait pendant de longues années méconnu. En
outre il avait dit souvent que personne navait perçu ce qui formait lessence
de son oeuvre. Il écrit dans son texte Het
grote medelijden, quil navait jamais flatté les auteurs qui étaient ses
collègues mais quil sétait positionné comme un rival. Tout ceci avait
contribué à sa solitude.
Hermans a
éclairci lorigine du fascisme sur le plan interdividuel et sur le plan social.
Ceci mamène à faire une remarque critique à propos de la vision de Girard
concernant la spontanéité de lexpulsion unanime pendant une crise des
innocents comme des boucs émissaires. Le résultat de ma recherche montre au
contraire que par la manipulation et par la terreur, exercées par ceux qui ont
le pouvoir, les membres dune communeauté sont forcés à expulser voire à tuer
ceux qui sont considérés comme ayant dû causer la crise. Les personnes qui ont
la force morale de sy opposer, forment une minorité. Il est souhaitable quune
étude plus approfondie soit faite de tous les facteurs menant au comportement
mimétique pendant une crise.
Letude de
la thématique des processus mimétiques, y compris la rivalité mimétique et le
mecanisme victimaire, a révélé davantage lextrême complexité de la composition
romanesque telle que la pratique Hermans. Sans la théorie et les concepts de
Girard il aurait été impossible de déceler ces aspects. Il est possible que
ceci puisse être lune des causes qui aient caché pendant longtemps ce qui
constitue lidée directive dans une grande partie de loeuvre de Hermans. Je
souhaite que ma recherche ait rendu plus accessible cette thématique
sous-jacente mais fondamentale dans loeuvre du plus grand auteur néerlandais
du vingtième siècle.
Bibliografie
1. Bibliografie W.F. Hermans
Romans
1947 Conserve, 1e druk, Amsterdam: W.L.Salm&Co,(najaar)MCMXLVII, 2e druk, Schoorl: uitgeverij.Conserve, dec.1998.
1949 De tranen der acacias. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 22e druk, 1992.
1951 Ik heb altijd gelijk. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1951, 16e herziene druk, 1993.
1958 De donkere kamer van Damokles. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 31e druk, juni 1991.
1966 Nooit meer slapen. Amsterdam: De Bezige Bij, 21e druk, mei 1991.
1971 Herinneringen van een engelbewaarder. Amsterdam: De Bezige Bij, 9e druk, febr. 1993.
1975 Onder professoren. Amsterdam: De Bezige Bij, 11e druk, april 1993.
1981 Uit talloos veel miljoenen. Amsterdam: De Bezige Bij, 4e druk, april 1993.
1987 Een heilige van de horlogerie. Amsterdam: De Bezige Bij, 1e druk.
1989 Au pair. Amsterdam: De Bezige Bij, 1e druk.
Novellen en verhalen
1948 Moedwil
en misverstand. Amsterdam: G.A. van Oorschot. (Een ontvoogding, Atonale,
Loo-Lee, Samen naar Oostende, Elektrotherapie, Inferno, Dokter Klondyke, Emigratie,
Het lek in de eeuwigheid, Ezelsoren, De kat Kilo.)
1953 Paranoia. Amsterdam: G.A. van Oorschot. (Paranoia, Manuscript in een kliniek gevonden, Het behouden huis, Glas, Lotti Furscheim.)
1956 De God Denkbaar Denkbaar De God. Amsterdam: G.A. van Oorschot.
1957 Een landingspoging op Newfoundland. Amsterdam: G.A. van Oorschot.
(Een landingspoging op Newfoundland, Een veelbelovende jongeman, Het fossiel, Laura en de grammofoonplaat, De teddybeer, De blinde fotograaf.)
1957 Drie melodrama's. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1957. (Conserve, De leproos van Molokai, Hermans is hier geweest.)
1973 Het evangelie van O. Dapper Dapper. Amsterdam: De Bezige Bij, 1973.
1967 Een wonderkind of een total loss. Amsterdam: De Bezige Bij. (De elektriseermachine van Wimshurst, Een wonderkind of een total loss, Hundertwasser, honderdvijf en meer, Het grote medelijden.)
(Zijn god was een mens, Leeuw in interieur, Cascaden en riolen, Naar Magnitogorsk, De laatste roker, Levitatie, De nooduitgang, Aan de Noordzee, Het oude kanon, Hoe biefstuk smaakte, Uitgever Oorwurm, In verwarring, Onder verdoving, De schoorsteen, Dood en weggeraakt, Twee gebouwen, twee geleerden, Waarom schrijven, Gedachten over wonen in het buitenland, Afscheid van Canada.)
1991 Gitaarvissen en banjoklokken. Amsterdam: Thomas Rap.
1993 Vier Novellen. Amsterdam: De Bezige Bij.
(Filip's sonatine, Homme's hoest, Geyerstein's dynamiek, De zegelring.)
1993 In de mist van het
schimmenrijk of Madelon in de mist
van het schimmenrijk. Amsterdam: De
Bezige Bij. Boekenweekgeschenk 1993.
1993 De onversleten wandelaar. Amsterdam: De Bezige Bij.
1995 Ruisend gruis. Amsterdam: De Bezige Bij.
2005 Richard Simmillion. Amsterdam: De Bezige Bij.
Essays
1963 Mandarijnen op zwavelzuur. De mandarijnenpers, Groningen, eerste druk
1964 Het sadistische universum 1. Amsterdam: De Bezige Bij, dertiende druk, 1983.
1969 De laatste resten tropisch Nederland. Amsterdam: De Bezige Bij.
1977 Boze brieven van Bijkaart. Amsterdam: De Bezige Bij.
1979 Houten leeuwen en leeuwen van goud. Amsterdam: De Bezige Bij.
1979 Ik draag geen helm met vederbos. Amsterdam: De Bezige Bij.
1970 Het sadistische universum 2. Van Wittgenstein tot Weinreb. Amsterdam: De Bezige Bij, vierde druk, 1979.
1983 Klaas kwam niet. Amsterdam: De Bezige Bij.
1985 De liefde tussen mens en kat. Amsterdam: De Bijenkorf.
1987 Mondelinge mededelingen. Amsterdam: De Bezige Bij.
(Oorlog en Literatuur,Van Duisternis tot Licht en terug,
Schrijven en Auteursrecht, Eerste zinnen van Romans.)
1987 De raadselachtige Multatuli. Amsterdam: Thomas Rap, tweede herziene druk, 1987.
1988 Door gevaarlijke gekken omringd. Amsterdam: De Bezige Bij.
1988 Dinky toys. Amsterdam: De Harmonie.
1990 Vincent literator, Amsterdam: De Bezige Bij.
1990 Wittgenstein. Amsterdam: De Bezige Bij.
1992 Lezen & Schrijven. Met een voorwoord van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Penguin Books Netherlands.
1993 Slechte kritieken gaan
nooit verloren, goede ook niet sinds kort. Amsterdam: De Bezige Bij.
1994 Malle Hugo. Amsterdam: De Bezige Bij.
Postuum
2004 De weerspannige slaper. Parijse notities, gekozen en ingeleid door Arjen Peters. Amsterdam: De Bezige Bij.
2005 Niet uit kwaadaardigheid, De scherpste polemieken. Samengesteld en ingeleid door Max Pam. Amsterdam: De Bezige Bij.
Gedichten
1944 Kussen door een rag van
woorden. In eigen beheer. Herdruk, Amsterdam: De Bezige Bij, 2000.
1946 Horror coeli en andere gedichten. Amsterdam: J.M. Meulenhoff, eerste druk, voorjaar 1946.
1968 Overgebleven gedichten. Amsterdam: De Bezige Bij.
Toneel
1972 King Kong. Amsterdam: De Bezige Bij.
1974 Periander. Amsterdam: De Bezige Bij.
Scenario
1962 De woeste wandeling.
Vertaling
1975 L. Wittgenstein. Tractatuslogico-philosophicus.
Vert., nawoord en aantekeningen W.F. Hermans. Amsterdam: Athenaeum-Polak en
van Gennep, vijfde, ongewijzigde druk, 1989.
Diversen
1969 Fotobiografie. Amsterdam: Thomas Rap.
1991 Het hoedenparadijs. 40 collages van W.F. Hermans. Amsterdam: Thomas Rap. Met een inleiding door Freddy de Vree.
1994 Een foto uit eigen doos. Amsterdam: Thomas Rap.
Correspondentie
2004 Je vriendschap is werkelijk onbetaalbaar. Brieven aan G.A. van Oorschot, Amsterdam. Amsterdam: De Bezige Bij, 2005.
NB De brieven van G.A van Oorschot aan W.F. Hermans verschenen in 2005 te Amsterdam bij uitgeverij Van Oorschot.
Voor nadere informatie, ook over bijkomende publicaties, zie de volledige primaire en secondaire bibliografie op de website van het Willem Frederik Hermans-instituut: www.willemfrederikhermans.nl.
2. Geraadpleegde werken
Achterhuis,
Hans
1988 Het
rijk van de schaarste. Van Hobbes tot Foucault. Amsterdam: Ambo, 5e
druk, 2003
Alphen,
Ernst van
1995 Geschreven realiteit. Willem Frederik Hermans en de fotografie. In: De literaire magneet, Amsterdam: De Bezige Bij, p.178-209. Eerder verschenen in Ernst van Alphen De toekomst der herinnering. Essays over moderne Nederlandse literatuur. Amsterdam: van Gennep, 1993.
Anbeek, Ton
1996 Het donkere hart. Romantische obsessies in de moderne Nederlands-talige literatuur. Amsterdam: Amsterdam University Press.
Anoniem
2003 De
dood van koning Arthur. Amsterdam: Athenaeum-Polak & van Gennep. Vert. door Sander Berg van La mort du roi Arthur (auteur onbekend).
Anspach, Mark Rogin
2002 A charge de revanche. Figures
élémentaires de la réciprocité. La couleur des idées, Paris: éditions du Seuil.
Bailie, Gil
1995 Violence unveiled. New York: Crossroad.
Bakker, Kees de
1988 Over Conserve. De eerste roman van Willem Frederik Hermans. Kritieken en essays, samengesteld door Kees de Bakker. Schoorl: Uitgeverij Conserve, 2edruk, 1998.
Met bijdragen van Ton Anbeek, G.H. Barneveld, F. Bordewijk, Pierre H. Dubois, R. Grüttemeyer, J.J. Overstegen, G.F.H. Raat, S. Vestdijk en J. Weverbergh.
Balk-Smit
Duyzentkunst, Frida
1985 De stijl van Willem Frederik Hermans. In: Bzzletin, 13e jaargang, nr. 126, mei, p. 33-38.
2001 Het onwaarschijnlijke. In: Apollo in Brasserie Lipp. Amsterdam: De Bezige Bij, WFH-instituut, p.119-128.
Baudelaire, Charles
1951 Oeuvres complètes. Edition de Y.G.L. Le
Dantec. Paris: Gallimard. Bibliothèque de la Pléiade. Bevat o.a. Eloge du
maquillage, p. 714-718,Le peintre de la vie moderne, p.1413- 1491 en Quelques caricaturistes français,
p. 544-564.
Beckett, Samuel
1951 En
attendant Godot. Paris: Les éditions de Minuit.
1965 Wachten op Godot. Vert. Jacoba van Velde. Amsterdam: De Bezige Bij. (Wachten op Godot, Eindspel, Krapps laatste band, Gelukkige dagen, Spel.)
1965 Fin de
partie, suivi de Acte sans paroles.
Paris: Les Editions de Minuit.
1965 Eindspel. Vert. door Jacoba van Velde van Fin de partie. Amsterdam: De Bezige Bij.
1965 Gelukkige dagen. Vert. door Jacoba van Velde van Oh, les beaux jours. Paris: Les éditions de Minuit. Amsterdam: De Bezige Bij.
Beek, Wouter van (red.)
1988 Mimesis en geweld. Beschouwingen over het werk van René Girard. Kampen: Kok/Agora. Met bijdragen van Roel Kaptein, Pieter Tijmes, Frits de Lange, Lieteke van Vught Tijssen, Hans Achterhuis, Reginald Luijf, Simon Simonse, Jarich Oosten, Wouter van Beek en Sonja Pos.
Benders, Raymond J.
2001 Eenzaamheid, moeder van mij. In: Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans Amsterdam: De Bezige Bij - WFH-instituut, p. 53-65.
Benders, Raymond J. & Smulders, Wilbert (red.)
2001 Apollo in Brasserie Lipp. WFH-instituut, Amsterdam: De Bezige Bij. Lezingen gehouden tijdens het W.F. Hermans-festival, 29 sept. - 1 okt. 2000 te Amsterdam. Met bijdragen van Cees Nooteboom, H.J.A.Hofland, Hans Keller, Raymond J.Benders, Wilbert Smulders, Frans A. Janssen, Freddy de Vree, H.W.Sandberg, Gust Gils, Arjan Peters, Frida Balk-Smit Duyzentkunst, Hella S.Haasse, Frans Ruiter, Wiel Kusters, Annemarie Kets-Vree en Peter Kegel, Carel Alphenaar, Kester Freriks, Willem Brakman, Dirk van Weelden, Graa Boomsma, Stephan Enter.
Berg,
J.H. van den
1963 Leven in meervoud. Een metabletisch onderzoek. Nijkerk: Uitg. G.F. Callenbach. Eerste druk, zevende druk, zonder jaartal.
Boef, A.H.
den
1984 Over Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Amsterdam: Synthese, De Arbeiderspers.
Bordewijk,
F.
1986 Karakter. Amsterdam: Nijgh en van Ditmar, Nimmer Dralend reeks, 25e druk.
Brouwers,
Jeroen
1996 Het
aardigste volk ter wereld. W.F.
Hermans in Brussel. Amsterdam: Atlas.
Calis, Piet
1989 Het ondergronds verwachten. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en 1945. Amsterdam: Meulenhoff.
1993 Speeltuin van de titaantjes. Schrijvers en tijdschriften tussen 1941 en.1948. Amsterdam: Meulenhoff.
1999 De vrienden van weleer. Schrijvers en tijdschriften tussen 1945 en 1948. Amsterdam: Meulenhoff.
2001 Het electrisch bestaan. Schrijvers en tijdschriften tussen 1949 en 1951. Amsterdam: Meulenhoff.
Camus, Albert
1942 L'étranger. Paris: Gallimard.
1976 De vreemdeling. Vert. door A. Morriën van Létranger. Amsterdam: De Bezige Bij, 18e druk.
1948 Lettres à un ami allemand. Paris:
Gallimard.
1956 La chute. Paris: Gallimard.
1982 De val. Vert. door Anne Maclaine Pont van La chute. Amsterdam: De Bezige Bij.
1994 Le premier homme. Paris: Gallimard.
1989 Carnets III, Mars 1951-Décembre 1959,
Paris: Gallimard.
Céline, L.F.
1952 Voyage au bout de la nuit. Paris: Gallimard, Folio.
1968 Reis naar het einde van de nacht. Vert. E.Y. Kummer. Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot.
1952 Mort à crédit. Paris: Gallimard, Folio.
1979
Dood
op krediet. Vert. door Frans van Woerden van Mort à crédit. Amsterdam:
Meulenhoff, 1e druk 1979, 10e druk 2000.
1972 L. F. Céline. Cahier de l'Herne,
Editions de l'Herne, 1963-1965.
Cervantes, M. de
1961 Don Quichotte. Trad. L.Viardot. Paris:
Ed. Granier Frères.
Coillie,
Geert van
2005 Mimese, geweld en differentie. Een antropologische lectuur van de Oud-Griekse en joods-christelijke logos. Dissertatie Katholieke Universiteit Leuven.
Contagion
1991 Journal of Violence, Mimesis and Culture. Greenville, North Carolina, USA East Carolina University, 1991 e.v., nrs. 1-27, uitgave van COV&R, Colloquium on Violence & Religion (René Girard).
Crémieux, Benjamin
1990 Retour de l'URSS par André Gide (Ed. NRF). In: L'esprit NRF, Paris: Gallimard, p. 1069-1072. Zie ook de bespreking door W.F. Hermans in Malle Hugo, op.cit. p. 138-145.
Defoe, Daniel
1985 The life and adventures of Robinson Crusoe.
London: Penguin Books.
Dostojewski, F.
1957 De eeuwige echtgenoot. In: Verzamelde werken, deel IV. Vert. Hans Leerink, Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot.
1989 Aantekeningen uit het ondergrondse. In: Verzamelde Werken, deel IV. Vert. Hans Leerink, Amsterdam: Uitgeverij G.A. van Oorschot, 3e druk.
Dupuis,
Michel
1985 Hermans' Dynamiek. De romanwereld van W.F. Hermans. s-Gravenhage: BZZTôH.
Elias, Michael
1998 Rechterraadsels of De twee gezichten van de zondebok. Proefschrift aan de Universiteit van Utrecht, 1998. Maastricht: Shaker Publishing BV.
Emants, Marcellus
1997 Nagelaten bekentenissen. Amsterdam: Bert Bakker, Pandora.
1983 Op reis door Zweden, Amsterdam: De Arbeiderspers, Privé-domein. Editie gebaseerd op de tweede herziene druk uit 1877. Met een nawoord door Ton Anbeek.
1993 Frisse lucht. Reizen rond de Middellandse Zee. Amsterdam: Cadans.
Emmerik,
Judy van
1978 Prachtig, prachtig, dat Oedipusverhaal. (1978) Interview met W.F. Hermans. In: Frans A. Jansssen Scheppend Nihilisme, op.cit. p. 296-315.
Flaubert, Gustave
1983 Madame Bovary, Paris: Le Livre de Poche.
1973 Correspondance I-IV. Paris: Gallimard, Bibliothèque
de la Pléiade.
1966 Un coeur simple. Paris: Gallimard, La
bibliothèque Gallimard.
Frazer, James G.
1994 The golden bough. London/New York:
Oxford University Press.
Galen Last, H. van
1986 De spoken van W.F. Hermans. Nijmegen: Uitgeverij Vriendenlust.
Gelder,
Henk van
1996 Osewoudt naar de film met Marianne. In: NRC, 15 okt.
Genet, Jean
1967 Les bonnes. Paris: Gallimard, collection
Folio.
1967 De meiden. Vert. door Hans Rooduin. Amsterdam: De Bezige Bij.
(Verzamelbundel waarin ook Onder toezicht, Het balkon, De negers.)
Gids, De
2005 W.F. Hermans. november-december 2005. Met bijdragen van Klaas van Berkel, Koen Deprez, Hugo Brandt Corstius, Wim Hazeu, Jaap van Heerden, Arnold Heumakers, Frans A. Janssen, Rob Molin, Jos de Mul, Bruno Post, Frans W. Saris, Martin Stokhof, Willem Otterspeer en Manon Uphoff. Amsterdam: Uitgeverij Balans voor de Stichting De Gids.
Gillet, Louis
1991 Vers
Magnitogorsk. Vert. in het Frans door Louis Gillet van Naar Magnitogorsk van W.F. Hermans. In: La Nouvelle Revue Française, 466,
1991.
Girard, René
1961 Mensonge romantique et vérité romanesque.
Paris: Grasset, Livre de Poche, 1998.
1986 De romantische leugen en de romaneske waarheid. Vert. door Hans Weigand. Kampen: Kok/Agora.
1976 Deceit, desire and the novel: self and other
in literary structure. Vert. uit het Frans door Yvonne Freccero. Baltimore:
The Johns Hopkins University Press, 1986, paperback.
1980 La violence et le sacré. Paris: Grasset,
1972, Le Livre de Poche
1977 Violence and Sacred. Johns Hopkins University Press,
paperback, rpt, 1991.
1993 God en
geweld. Over de oorsprong van mens en cultuur. Vert. door Michel Perqui. Tielt: Lannoo/Mimesis.
1978 Critique dans un souterrain. Paris:
Grasset. Livre de Poche, 1983. Ned. vert. in Dubbels en demonen. Tielt: Lannoo/Mimesis, 1995.
1978 Des choses cachées depuis la fondation du
monde. Paris: Grasset. Livre de Poche,
1987 Things hidden since the foundation of the
world. London: Athlone. Stanford University Press, 1985.
1990 Wat
vanaf het begin verborgen was. Vert. J. Kleisen, Ben Hoffschulte en J.J.W.
Gunning. Kampen: Kok/Agora,
Kapellen: Pelckmans.
1982 Le bouc émissaire. Paris: Grasset.
1986 De
zondebok. Vert. Ben Hoffschulte. Kampen Kok/Agora.
1988 To double business bound: Essays on literature, mimesis and
anthropology. Boston: Johns
Hopkins University Press.
1985 La route antique des hommes pervers. Paris: Grasset.
1987 Job, the Victim of his people. London: Athlone
Press, Stanford University Press.
1987 De aloude weg der boosdoeners. Vert. Roel Kaptein. Kampen: Kok/ Agora.
1990 Shakespeare, les feux de l'envie. Paris:
Grasset. 1990. Paris: Livre de Poche.
1991 A Theatre of Envy: William Shakespeare.
Oxford: Oxford University Press.
1995 Shakespeare. Het schouwspel van de afgunst. Vert. M. Perqui. Tielt: Lannoo.
1999 Je vois Satan tomber comme l'éclair. Paris: Grasset.
2000 Ik zie
Satan vallen als een bliksem. Vert.
Robert Lemm. Kampen: Kok/Agora, Kapellen: Pelckmans.
2001 Celui par qui le scandale arrive. Paris: Desclée de Brouwer. Bevat ook een recent essay van R. Girard Contre le relativism, gevolgd door Entretiens met Maria Stella Barberi.
2002 La voix méconue du réel. Une théorie des
mythes archaïques et modernes. Vertaling in het Frans door Bee
Formentelli van eerder in het Engels gepubliceerde artikelen, vermeerderd met:
Innovation et répétition. Paris: Grasset.
2004 Les origines de la culture. Entretiens avec Pierpaolo Antonello et João Cezar de Castro Rocha. Paris: Desclée de Brouwer.
Glaudemans,
W.G.
1989 Het lezen van de hollerithkaart. Over de ontwikkeling en samenhang van Hermans' poëtica. In: Verboden toegang. Essays over het werk van Willem Frederik Hermans,. W. Smulders (red.). Amsterdam: De Bezige Bij, p. 9-48.
Gogh, Theo
van
1995 Interview met W.F. Hermans. Amsterdam,
januari (niet gepubliceerd).
Golsan, Richard J.
1993 René Girard and myth. New York en London: Garland Publishing.
Graves, Robert
1990 Griekse mythen. Vert. van The Greek Myths, London: Penguin, 1955, door Paul Syrier (1-45) en Kees Helsloot en Leo Huisman (46-171). Houten: De Haan/Unieboek bv.
Groot, Ger
1995 Zelfs liefde is tweedehands. In: De
Volkskrant, 24-11-95. (over René Girards Shakespeare. Het schouwspel van de afgunst. Vertaling Michel
Perqui. Tielt: Lannoo/Mimesis.)
Haasse,
Hella
1971 Doodijs en hemelsteen, Op het spoor van een woeste wandeling. In: Raster, deel 5, afl. 2.
1989 Naar aanleiding van het vrouwelijk 'niemandsland' bij Willem Frederik Hermans in Onder Professoren en Uit talloos veel miljoenen. In: Verboden Toegang. Essays over het werk van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: De Bezige Bij, p.155-169.
Havenaar,
Ronald
2003 Muizenhol, Nederland volgens Willem Frederik Hermans. Amsterdam: G.A. van Oorschot, eerste druk, april 2003.
Hebey, Pierre (red.)
1990 L'esprit NRF, 1908-1940, édition établie
et présentée par Pierre Hebey. Paris: Gallimard.
Heine, Heinrich
1993 Der Doppelgänger. Sämtliche Gedichte in einem Band in zeitlicher Folge, Insel
Verlag, Frankfurt am Main und Leipzig, 1993, Fünfte Auflage, 1997, p. 167, zonder titelvermelding.
Helsloot,
Kees
1990 De maat is vol. W.F. Hermans en zijn critici. Amsterdam: De Beuk.
1986 Willem Frederik Hermans. Grote ontmoetingen. Amsterdam: Manteau.
Hofland,
H.J.A. ( onder het pseudoniem S. Montag)
1995 W.F. Hermans. NRC, Overpeinzing,
29 april
Hoogsteder- Kattenburg Schüler, Nancy
2003 Franz Kafka: Mimesis und Gewalt, 24 Erzählungen im Lichte von René Girards Theorie. z.p. Shaker Publishing. Proefschrift aan de Universiteit van Utrecht.
z.d. Franz
Kafka: Josefine, de zangeres van het muizenvolk. Referaat voor de Studiekring
René Girard aan het Pascal-instiuut van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Hoogteyling, Jaap
1996 Door de achterdeur naar binnen. Over de
wording van Multatulis Max Havelaar. Amsterdam: Thesis Publishers. Proefschrift aan de Open Universiteit.
Ionesco, Eugène
1991 Amédée
ou Comment s'en débarrasser? In: Théâtre
complet. Paris: Gallimard, Bibliothèque de
1991 Le
Rhinocéros. In: Théâtre complet. Paris:
Gallimard, Bibliothèque de
1985 Rinoceros. Vert. uit het Frans door
Remco Campert. Amsterdam:
International Theatre Bookshop.
Jacobs, Stef
z.d. De liefste machine ooit uitgevonden.
Willem Frederik Hermans en de Typemachine. Scryption. z.p.
Janssen, Frans A.
1980 Bedriegers en bedrogenen. Opstellen over het werk van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: De Arbeiderspers, reeks 'Synthese'.
1983 Over De Donkere Kamer van Damokles.
Amsterdam: De Arbeiderspers, reeks 'Synthese'.
1979 Scheppend nihilisme. Interviews met Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Loeb & Van der Velden, eerste druk. 1983, Amsterdam: De Bezige Bij, tweede druk.
1985 Schrijven als een fototoestel? Willem Frederik Hermans en de fotografie. In: Bzzletin, nr 13 (1984-1985) 126, mei, p. 45-48.
Janssen, Frans A. & Rob Delvigne
1972 Bibliografie van de verspreide publikaties van Willem Frederik Hermans. Met een inleiding van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Thomas Rap.
1996 Schrijven is verbluffen. Bibliografie van de verspreide publicaties van Willem Frederik Hermans. Geheel vernieuwde versie van de uitgave van 1972. Amsterdam: Thomas Rap.
Jesssurun
d'Oliviera, H.U.
1965 Scheppen riep hij gaat van 'au'. Amsterdam: Polak & van Gennep.
Jong,
Martien J.G. de
1986 De waarheid (?) omtrent Richard Simmillion of de onvoltooide autobiografie van Willem Frederik Hermans. Baarn: De Prom, Serie Bibliofiel.
Kafka,
Franz
1915 Die Verwandlung. Leipzig: Kurt Wolf, eerste druk in boekvorm.
2003 De gedaanteverwisseling. Vert. G. Meyerink en W. van Toorn. Met een essay van Willem Brakman. Amsterdam: Athenaeum-Polak en van Gennep, Salamander Klassiek.
1935 Der Prozess. Berlin: Shocken Verlag,
eerste druk,1982.
1995 Het proces. Bezorgd door Max Brod. Vert. Ruth Wolf. Met een nawoord door Simon Vestdijk. Amsterdam: Em. Queridos uitgeverij, eerste druk, zesde druk.
1935 Das Schloss. Berlin: Shocken Verlag, eerste druk.
1997 Het slot. Vert. G. Meyerink en W. van Toorn. Amsterdam: Athenaeum-Polak en van Gennep.
1968 Brieven, 1902-1919, 1920-1924. Vert. N. Brunt. Amsterdam: Querido.
1983 Tagebücher. Frankfurt am Main: Fischer
Taschenbuch.
1992 Verzameld Werk. Vert. R. Wolf, G. Söteman en H. Hom. Amsterdam: Querido, vijftiende druk.
Kaleis,
Huug
1987 De God denkbaar verklaard. Essays over W.F. Hermans. Amsterdam: Synopsis, Uitgeverij De Arbeiderspers.
1989 Over helden en heiligen. Een heilige van de horlogerie psychokritisch beschouwd. In: Verboden toegang, p. 170-179.
Kaptein,
Roel & Pieter Tijmes
1986 De Ander als model en obstakel. Kampen: Kok/Agora.
Keyzer,
Nico
1997 Hoop
en wanhoop om het oorlogsstrafrecht. Oratie. Gouda: Quint.
Knowlson, James
1996 Damned to fame. The Life of Samuel
Beckett. New York: Simon & Schuster.
Kojève, Alexandre (A. Kojevnikov)
1947 Introduction à la phénoménologie de l'esprit de Hegel. Paris: Gallimard, eerste druk, tweede druk 1968.
Kok, Auke
1995 De verrader. Leven en dood van Anton van der Waals. Amsterdam: Arbeiderspers.
Koopman
& Van Ommen
1996 Een ontmoeting met de tovenaar. Baarn: De Prom, Bibliofiel.
Kooyman,
Arthur (red.)
2002 Uit de donkere kamer. Essays over en interpretaties van Hermans Donkere kamer van Damokles. Utrecht: Alexandria Editions. Met bijdragen van D. Betlem, C. Bergsma, G.J.P. van Hoeke en C.B.M. Wingen, A. Kooyman en R. Marres.
Krizek, George O.
2000 Is
Doppelgänger phenomenon a result of right-hemisphere brain injury? Psychiatric Times, vol. XVII, issue 10,
1 October.
Lascaris, André & Hans Weigand (red.)
1992 Nabootsing. In discussie over René Girard. Kampen: Kok/Agora. Met een woord vooraf door S. Boonstra. Een verzameling artikelen van H. Weigand, G. Heidendal, M. Elias, P. Alterna, A. van Egmond, A. Lascaris, A. Douwes, M. Leopold, W. de Haas, M. Schoffeleers, R. Luijf, P. Tijmes, R. Kaptein en E. Stern.
Mann,
Heinrich
1918 Der Untertan. Fischer Verlag, eerste druk,
Deutscher Taschenbuch Verlag, okt. 1997, tweede druk maart 2002.
Maupassant, Guy de
1986 Le Horla et autres nouvelles. Bezorgd
door André Fermigier. Paris:
Gallimard, Collection Folio classique.
Meyer,
Ischa
1970 Ik hoef niet meer zo nodig hard van me af te trappen. Interview met W.F. Hermans. In: Frans A. Janssen Scheppend nihilisme, op.cit. p. 211.-222
1970 Het enige geluk is geluk in slavernij. Interview met W.F. Hermans. In: Frans A. Janssen Scheppend nihilisme, op.cit, p.223-234.
Miller,
Alice
1979 Het drama van het begaafde kind. Vert. uit het Duits: Tinke Davids. Houten: Unieboek bv. Oorspronkelijke titel: Das Drama des begabten Kindes, Frankfurt: Suhrkamp, z.j.
2002 In den beginne was er opvoeding, en De gemeden sleutel. Vert. Tinke Davids
en Marcella Howeling, Houten: Unieboek. Oorspronkelijke titels: Am Anfang war
Erziehung, Frankfurt: Suhrkamp, 1980 en Der
gemiedene Schlüssel, idem, 1988.
Mugnier, Jean-Paul
1998 Albert Camus et ses doubles in Les
stratégies de l' indifférence. Le poids du secret dans le discours
familial. Paris: ESF, éditeur, 23, rue Truffaut, 75017, Avant-propos, p.15-23.
Multatuli
1978 Max Havelaar of de koffieveilingen der Nederlandse Handelmaatschappij. Ingeleid en van verklarende noten voorzien door Willem Frederik Hermans. Amsterdam: De Bezige Bij.
Musarra, Ulla
1983 Narcissus en zijn spiegelbeeld: Het
moderne ik-verhaal. Assen: Van
Gorcum, Puntkommareeks 15.
OHenry
z.d. Great stories of OHenry. New York:
Avenel Books.
Oughourlian, Jean-Michel
1982 Un
mime nommé désir. Essai. Paris: Bernard Grasset.
Paardekoper-van Buuren, H.
1971 Wat
stond er op het zegel van de boomvaren? In: Raam 72, p. 34-42.
Palaver, Wolfgang
1998 Die
mythische Quellen des Politischen. Carl Schmitts Freund-Feind Theorie.
(Beiträge zur Friedensethik 27.) Stuttgart: Kohlhammer.
Pawel, Ernst
1985 The
nightmare of reason. A
life of Franz Kafka. New York: Vintage Books, Random House.
Pelckmans,
Paul
1996 De zondebok als romantische leugen. Over The scarlet letter. In: Het labyrinth van het verlangen,
Kapellen: Pelckmans. p. 92-118.
Pelckmans,
Paul & Guido Vanheeswijck (red.)
1996 Het labyrinth van het verlangen. Kapellen: Pelckmans. Met bijdragen van Pieter Tijmes, Johan Elsen en Tony De Smul, Ilse Logie, Paul Pelckmans, Guido Vanheeswijck, GuidoVanheeswijck en Peter van Olmen. Gevolgd door een interview met René Girard: Wie is er bang voor Virginia Woolf?
Perron,
Edgar du
1935 Het land van herkomst. Amsterdam: Querido, eerste druk, G.A. van Oorschot, zestiende druk., 2000.
1937 De man van Lebak. Amsterdam: Querido, eerste druk. Ook in: Verzameld Werk, deel IV, Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1954-1959.
Pos, Sonja
1988 Het thema van bemiddelaar en zondebok in De donkere kamer van Damokles In: René Girard en de werkelijkheid. W. van Beek (red), p.155-171, Kampen: Kok/Agora. Herdrukt in gewijzigde vorm in De literaire magneet. W. Smulders (red), p.155-177 Amsterdam: De Bezige Bij, 1995.
1994 Wie volgt wie na? Lezing over de roman Nooit meer slapen, gehouden tijdens een symposium over het oeuvre van W.F. Hermans, georganiseerd door W. Smulders en F. Ruiter aan de Universiteit van Utrecht in 1994.
1995 Over de oorsprong van geweld volgens René Girard. In: Lust en Gratie 45. Themanummer over oorlog. Lente. (Ook als online-tekst op www.girard.nl.)
1998 Wees jezelf, zei Marianne/Mirjam. Het goede model in het oeuvre van W.F. Hermans. Lezing gehouden in het Joods Historisch Museum te Amsterdam.
1999 L'enfer, c'est les Autres. Doubles et modèles-obstacles dans le théâtre de J.P. Sartre, J. Genet et S. Beckett. Lezing gegeven tijdens de COV&R-conferentie te Saint-Denis in juni 1999.
2001 Navolging in enkele romans van W.F.
Hermans. Lezing gehouden tijdens een symposium aan de Universiteit van Tilburg,
georganiseerd door Hans Weigand. Opgenomen in Na-apers en zondebokken. Over waarheid en leugen in de roman. Hans Weigand (red)., ICS-Cahiers deel 36,
jaargang 15, nr. 2, dec. 2001, p.56-75.
Proust, Marcel
1954 A la
recherche du temps perdu. I, II, III, Paris. Bibliothèque de la Pléiade.
Raat, G.F.H.
1985 De vervalste wereld van Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Huis aan de drie grachten, Kritische Studies, Proefschrift aan de Katholieke Universiteit Nijmegen.
1989 Alfred en zijn spiegelbeeld. Over de vertelsituatie in Nooit meer slapen. In: Verboden toegang, essays over het werk van Willem Frederik Hermans, gevolgd door een vraaggesprek met de schrijver. Bezorgd door Wilbert Smulders. Amsterdam: De Bezige Bij, p.204-228.
Rank, Otto
1925 Der Doppelgänger. Leipzig/Wien/Zürich:
Internationaler Psychoanalytischer Verlag.
Reichelberg, Ruth
1999 Don Quichotte ou le roman d'un juif masqué.
Paris: Ed. du Seuil, pour le Livre de Poche, juin.
Ruiter,
Frans & Wilbert Smulders (red.)
1989 Verboden Toegang. Essays over W.F. Hermans gevolgd door een vraaggesprek van W. Smulders met de schrijver. Bezorgd door W. Smulders. Amsterdam: De Bezige Bij. Met bijdragen van W. Glaudemans, M. Dupuis, H. Kaleis, H. Haasse, G.F.H. Raat, F. Ruiter, W. Smulders en K. Vermeiren.
Ruiter,
Frans
1989 Postmodernistische tatoeëerkunst, hernieuwde
poging tot ontcijfering van De God
Denkbaar Denkbaar De God. In: Verboden
Toegang, op.cit. p. 49-83.
Ruiter,
Frans & Wilbert Smulders
1992 De demobilisatie van de moderne schrijver. Waarom de naoorlogse Grote Drie niet opgevolgd zullen worden. In: Maatstaf, nr. 4, april, p 1-26.
1995 De literaire magneet. Essays over Willem Frederik Hermans en de moderne tijd. Samenstelling F. Ruiter en W. Smulders. Amsterdam: De Bezige Bij. Met bijdragen van Frans Ruiter, Jeroen Steenbakkers, Wilbert Smulders, Karel van Steenwijk, Ernst van Alphen, Ivo Weijers en Sonja Pos.
Ruiter,
Frans & Wilbert Smulders
1996 Literatuur en moderniteit in Nederland, 1840-1990. Amsterdam: De Arbeiderspers.
Sartre, Jean-Paul
1948 Huis clos, suivi de Les mouches. 1945. Paris: Gallimard.
Schoffeleers, J.M.
1991a Waarom
God maar één been heeft. Naar een post-structuralistische antropologie van
de religie. Intreerede,
Universiteit van Utrecht.
1991b Twins and unilateral figures in central and Southern Africa, Symmetry and Asymmetry in the symbolization of the sacred. In: Journal of Religion in Africa 21, 4, p. 345-372. (Ook als tekst online op de website www.girard.nl.)
Scubla, Lucien
1998 Lire Lévi-Strauss. Le déploiement d'une
intuition. Paris: Ed. Odile Jacob.
1982 Contribution
à la théorie du sacrifice. In: René
Girard et le problème du mal. Textes rassemblés par Michel Deguy et
Jean-Pierre Dupuy. Paris: Bernard Grasset, p.103-167.
Simonse, Simon
1994 Kings of disaster. Dualism, Centralism and the Scapegoat King in south-eastern Sudan. Leiden: Brill. Proefschrift.
2004 Bespreking van R. Girard Les origines de la culture. In: The Bulletin of the Colloqium on Violence and Religion, COV&R,
april, p.10-11.
Smulders,Wilbert
1983 De literaire misleiding in De donkere kamer van Damokles. Utrecht, HES. Proefschrift aan de Universiteit van Utrecht.
1989a (red) Verboden toegang. Essays over het werk van Willem Frederik Hermans, gevolgd door een vraaggesprek met de schrijver. Amsterdam: De Bezige Bij.
1989b Met de linker- en rechterhand geschreven, Willem Frederik Hermans en de literaire conventies. In: Verboden toegang, op.cit. p. 84-121.
1989c Als een kei in je ziel. Een vraaggesprek met Willem Frederik Hermans. In: Verboden toegang, op.cit. p. 229-227.
1995a (red) De literaire magneet. op.cit. Woord vooraf F .Ruiter en W. Smulders, p. 7-13.
1995b Succesvolle mislukkingsmachines. Het thema 'machine' in het werk van W.F. Hermans. In: De literaire magneet, op.cit. p.66-127.
2005 Paulina
(Au Pair): Versierd of misbruikt In:
Nederlandse Letterkunde. Jaargang 10, nr. 3, sept.
Spinoza,
Baruch
1979 Ethica. Vert. N.van Suchtelen, Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Steenbakkers,
J.
1995 Hermans en Céline. In: De literaire magneet, op.cit. p. 38-65.
Steenwijk,
K. van
1995 De nieuwe pijnappelklier.Manuscript in een
kliniek gevonden, als allegorie van een dualistisch wereldbeeld. In: De
literaire magneet, op.cit. p. 128-154.
Stendhal
1983 Le rouge et le noir. Paris: Librairie Générale Française. (Getrouwe weergave van de oorspronkelijke uitgave uit 1830.)
2002 Het
rood en het zwart. Vert. Hans van Pinxteren, Amsterdam: Pandora, vierde
druk.
Straten,
Hans van
1995 Ze zullen eikels zaaien op mijn graf. Teruggevonden gesprekken met Willem Frederik Hermans. Amsterdam: Bas Lubberhuizen. De Nieuwe Engelbewaarder, okt.
Swift,
Jonathan
1985 Gullivers
Travels. London: Penguin
Classics.
Tirade
1981 Jaargang 25, december. Nummer volledig gewijd aan het werk van W.F. Hermans. Bevat een interview met Hermans door R. Benders. Voorts bijdragen van Gerard Reve, F. de Vree. A. van der Veen, D. Cumps, G.F.H. Raat, A. Morriën, H. Kaleis, C. Peeters, J. Goedegebuure, A. Hermus en H. Verhaar.
Thomése,
P.F.
1996 Willem
Frederik Hermans, ter herinnering. Met een woord vooraf door P.F. Thomése. Amsterdam: Thomas Rap, jaarwisseling
1995/1996.
Tréguer, Michel
1994 René Girard. Quand ces choses commenceront. Entretiens.
Paris: Arléa.
Troubetzkoy,Vladimir
1996 Lombre et la différence. Le double en
Europe. Paris: Presses
Universitaires de France.
Vanheeswijck,
Guido
1996 Hoe gelukkig is de schizo? Dubbels en demonen in het werk van Gerrit Komrij. In: Het labyrinth van het verlangen. Zes opstellen. Bijdragen van René Girard, Pieter Tijmes, Johan Elsen & Tony de Smul, Ilse Logie, Paul Pelckmans, Guido Vanheeswijck, Guido Vanheeswijck en Peter van Olmen. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans, p.119-132.
2001 De plaats van René Girard in de hedendaagse filosofie. In: Filosofie, 11: 4, p. 6-15.
2004 Idolen en demonen bij Umberto Eco. Een girardiaanse analyse van Het eiland van de vorige dag. In de bundel De dag van de filosofie. KUB, 2004, p. 151-169.
Vermeiren,
Koen
1989 De strikken van het woordenweb. Hermans en Wittgenstein. In: Verboden toegang, op.cit, p.180-203
2000 De spiegel van Narcissus. Omtrent het mensbeeld in de romanwereld van Willem Frederik Hermans. Uitgave van Kreatief. Driemaandelijks literair en kunst-kritisch tijdschrift, 3/4, derde trimester, Wevelgem, België.
Vree,
Freddy de
1981 Over verbindbaarheid. Tirade, december-jaargang 25, p. 611-623.
1991 Het hoedenparadijs. Voorwoord bij 40 collages van Willem Frederik Hermans, W.F. Hermans/Freddy de Vree. Den Haag: p/a Letterkundig Museum.
2002 De aardigste man ter wereld. Amsterdam: De Bezige Bij.
Vries,
Saskia de
1984 De onkenbaarheid van De donkere kamer:
Het scenario van Willem Frederik Hermans. In: Literatuur, 1, (november-december)
p. 304-311.
Webb,
1993 The Self between. From Freud to the New
Social Psychology of France. Seattle and London, University of Washington Press.
Weijers, I.
1991 Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers
en wetenschappers in de jaren vijftig. Amsterdam: Sua. Bewerking van
proefschrift Rotterdam.
Wieviorka, Michel
2004 La violence. Paris: Editions Balland.
Wittgenstein,
Ludwig
1977 Over zekerheid. Vert. S. Terwee, Meppel: Boom.
1975 Tractatus-logicophilosophicus. Vertaling, nawoord en aantekeningen W.F. Hermans. Amsterdam: Athenaeum-Polak & van Gennep, vijfde, ongewijzigde druk, 1989.
Uitgaven van het WFH-instituut
2000 Het bibliografisch universum van Willem Frederik Hermans.
Bibliografie van de afzonderlijk verschenen werken.
Samengesteld door Frans A. Janssen en Sonja van Stek. Amsterdam, 2000.
Zie ook het project:
Volledige werken Willem Frederik Hermans, uitgave die wordt bezorgd door dr. A. Kets-Vree en prof.dr. H.T.M. van Vliet, voor het Willem Frederik Hermans-instituut.in samenwerking met De Bezige Bij.
2005 Deel I.(Conserve en De tranen der acacias).
2006 Deel VII (Moedwil en misverstand, Paranoia en Een landingspoging op Newfoundland)
2006 Deel XII ( Boze brieven van Bijkaart en Houten leeuwen en leeuwen van goud)
2007 Deel II (Ik heb altijd gelijk, De God Denkbaar Denkbaar De God en Drie melodramas)
Website: http://www.knaw.nl/CHI
Zie ook:
www.willemfrederikhermans.nl (WFH-instituut).
www.lm.nl (Letterkundig Museum).
www.wfhermans.net (de website van Nico Bennemeer).
E-mail adres soniapos@xs4all.nl
|
|