VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
Verschenen in René
Girard, Mimese en geweld.
Beschouwingen over het werk van René Girard, onder redactie van W. van Beek (Kok Agora,
Kampen,1988), pp.155-171.
IN DE ROMAN DE
DONKERE KAMER VAN DAMOKLES VAN W.F.
HERMANS
Wanneer wij,
uitgaande van de analyses van Rene Girard betreffende de mimetische navolging
van een bemiddelaar en de maatschappelijke krisis waarbinnen zich het mechanisme
van de zondebok kan voordoen, speuren naar belangrijke romans in de hedendaagse
Nederlandse letterkunde om daarin wellicht deze thema's te ontdekken, dan
treffen wij deze tot onze verrassing in de roman De donkere kamer van
Damokles van Willem Frederik Hermans.
In De romantische leugen en de romaneske waarheid beschreef Rene
Girard hoe hij ontdekte dat het mimetisch navolgen van een bemiddelaar de rode
draad vormt in de romans Don Quichotte van Cervantes, in Le Rouge et
le Noir van Stendhal, Madame Bovary van Gustave Flaubert, in A la
recherche du temps perdu van Marcel Proust en tenslotte in Herinneringen
uit het ondergrondse van Fjodor Dostojewski. In zijn betoog verwijst
Girard ook regelmatig naar ander
werk van de betreffende schrijvers.
In zijn studie De zondebok verwees hij naar vele teksten uit de
Joods-Christelijke traditie en met name naar teksten uit
Middeleeuwen, zoals bijvoorbeeld die van Guillaume de Machaut.
De roman De donkere kamer van Damokles werd gepubliceerd in 1958
en is zeker een van de belangrijkste romans die W.F. Hermans
heeft geschreven. Voor degene die deze roman niet heeft gelezen of die
zich de inhoud nog maar vaag herinnert, volgt hier een kort overzicht van de
inhoud:
Aan het begin
van de roman blijkt de vader van de 12-jarige Henri Osewoudt door zijn moeder te
zijn vermoord. Henri wordt opgenomen in het gezin van zijn oom Bart, waar hij door zijn
19-jarige lelijke
nichtje meteen wordt verleid. Zijn
moeder wordt ontoerekeningsvatbaar
verklaard en opgenomen in een psychiatrische inrichting. Henri trouwt op zijn
19de met Ria, zet de sigarenwinkel van zijn vader voort en neemt zijn
moeder in huis. Het wordt Mei 1940. De Duitsers vallen Nederland binnen. De
oorlog breekt uit. Op de eerste oorlogsdag komt een man gekleed in het uniform
van luitenant in
het Nederlandse
leger de winkel van Osewoudt binnen en vraagt of hij een rolfilmpje wil
ontwikkelen. De man noemt zich Dorbeck en lijkt sprekend op Osewoudt maar als
een aantrekkelijker en mannelijker uitvoering van hem afgezien van de kleur van
hun haar, dat bij Dorbeck zwart is en bij Osewoudt
bleekblond. Bovendien heeft Osewoudt geen baardgroei en ook nog een hoge
jongensstem gehouden. Uit de zelfverzekerde opmerkingen van Dorbeck kan worden
afgeleid dat hij onmiddellijk in het verzet tegen de Duitsers gaat. Osewoudt
gaat blindelings de opdrachten die Dorbeck hem geeft, uitvoeren: hij ontwikkelt
rolfilms en schiet in Haarlem een NSB-er
dood. Daarna laat Dorbeck vier jaar
lang niets meer van zich horen tot juni
1944. Osewoudt voert opnieuw opdrachten uit
zonder dat altijd duidelijk is of deze afkomstig zijn
van Dorbeck. Hij verbergt een jonge verzetsstrijdster
die uit Engeland is gedropt, vermoordt een NSB-er en zijn vrouw,
wurgt een jonge vrouw die lid is
van de Jeugd-storm, laat zijn
haar zwart verven door de ondergedoken studente Marianne Sondaar maar wordt
gearresteerd. Nadat hij gemarteld is door de Gestapo en in een ziekenhuis wordt
bewaakt door Duitsers, wordt hij zogenaamd bevrijd door verzetsmensen, wat later
in scène blijkt te zijn gezet door de Gestapo in de hoop dat Osewoudt, die
geschaduwd wordt, hen naar de verzetsgroep zal leiden waarmee hij contact heeft.
Dit gebeurt: voor de tweede maal wordt Osewoudt gearresteerd. Inmiddels had hij
als de verzetsman Filip van Druten moeiteloos een liefdesrelatie gekregen met de aantrekkelijke Marianne.
Ook zij is echter gearresteerd. Zij blijkt
zwanger te zijn en om haar te redden
moet Osewoudt ingaan op de chantage van een SS-er: als hij Dorbeck aanwijst zal
Marianne worden vrijgelaten. Osewoudt gaat hier op in, in de hoop dat hij
Dorbeck toch nog zal kunnen waarschuwen. Dit lukt.
In opdracht van Dorbeck vergiftigt hij de SS-er die overigens allang genoeg had
van de oorlog. Dorbeck en Osewoudt ont-vluchten naar een onderduikadres waar
Osewoudt een foto neemt waarop ze beiden naast elkaar in een spiegel kijken.
Dorbeck dwingt hem zich te vermommen als verpleegster en vertrekt. Een dag later
laat hij Osewoudt door een briefje weten dat Marianne in een kliniek ligt
om te bevallen. Daar aangekomen krijgt
Osewoudt Marianne niet te zien
en hun baby is doodgeboren. Radeloos vlucht Osewoudt de straat op en wordt
opgepikt door een SS-er die hem inderdaad voor een verpleegster aanziet. Ze
rijden naar de sigarenwinkel waar Osewoudt zijn
vrouw Ria, die hem bedroog met een NSB-er, hem heeft verraden bij de Gestapo en
zijn halfgekke moeder heeft uitgeleverd aan
de Duitsers, die psychiatrische patiënten doodden, doodsteekt. Met de
SS-er rijdt hij in de richting van bevrijd gebied. Onderweg tracht de SS-er hem
aan te randen en Osewoudt steekt hem neer. Hij ontvlucht naar bevrijd gebied
waar hij onmiddellijke wordt gearresteerd: hij zou een landverrader zijn
die honderden verzetsmensen zou hebben verraden. Het zal Osewoudt niet lukken
zijn onschuld in deze te bewijzen. Dorbeck
is spoorloos verdwenen en vrijwel iedereen met wie hij in aanraking is
geweest, is vermoord door de Duitsers of
omgekomen. Of Marianne die in werkelijkheid de Joodse Mirjam Zettenbaum
is, wellicht nog ontkwam naar een kibboets
in Palestina, blijft onzeker Tijdens een proces van algehele onttakeling
blijkt dat niemand was wie hij of zij voorgaf te zijn en elke gebeurtenis ook
berustte op schijn en bedrog. Osewoudt draait op voor wat Dorbeck, die een
verrader was, heeft misdaan. Half waanzinnig loopt hij het terrein van het
strafkamp af en wordt neergeschoten. Hij bloedt dood. Einde roman.
Deze 'korte'
inhoud moest wel enige uitgebreidheid qua details bezitten
om de hechte structuur, die schuilgaat onder de absurditeit van de vertelde
gebeurtenissen, te kunnen aantonen.
Met de analyses van Rene Girard in gedachten valt het namelijk
niet moeilijk om aan te tonen dat Osewoudt
Dorbeck navolgt in blinde mimetische begeerte naar het 'zijn' van Dorbeck.
Daarbij dienen verschillende aspecten
te worden onderscheiden: ten eerste: wat beoogt Osewoudt specifiek te bereiken
door middel van de navolging van zijn model Dorbeck; ten tweede: wat is de inhoud
van de handelingen die zijn model
hem opdraagt om uit te
voeren; ten derde: wat is de functie van deze mimetische navolging
binnen de structuur van de roman.
Het zijn
deze drie aspecten die ons duidelijk kunnen maken wat
de overeenkomsten zijn tussen
deze roman van W.F. Hermans en de romans van Cervantes, Stendhal,
Flaubert, Proust en Dostojewski die Rene Girard met zoveel verve analyseerde.
Bij deze romans ging het de hoofdpersonen in hun mimetische navolging om
verschillende doeleinden: Don Quichotte wil net zo'n voorbeeldig ridder worden
als zijn model Amadis van Gallie; Julien Sorel wenst politiek en maatschappelijk
te slagen met zijn voorbeeld Napoleon
voor ogen, de liefdesavonturen incluis; Emma Bovary wil het saaie leven aan de
zijde van de dorpsdokter ontvluchten in romantische liefdes naar het voorbeeld
van de romannetjes die ze in haar jeugd las; de verteller in de roman van Proust
verlangt naar het boeiende leven dat te vinden moet zijn
in de mondaine salons van Parijs waar zijn modellen Charles Swann en de baron de
Charlus gevierde gasten zijn. Bij Dostojewski tracht de verblinde hoofdpersoon
tevergeefs te ontkomen aan de fascinatie die rivalen op hem uitoefenen.
Zo trekt Don Quichotte ten strijde
om het goede te doen en het kwaad uit de weg te ruimen, stort Julien Sorel zich
in intriges om aan de macht te komen, gaat Emma Bovary haar liefdesavonturen
aan, laat de verteller bij Proust zich introduceren in de salons en zal de
hoofdpersoon bij Dostojewski tot in den treure de hem vernederende rivaal
opzoeken om ooit de hem aangedane vernedering ongedaan te maken.
Waar gaat het Henri
Osewoudt om? Het gaat hem erom de hem ontbrekende
mannelijkheid te verwerven ten einde een zelfverzekerde aantrekkelijke man te zijn
zoals Dorbeck. Door hem na te doen hoopt hij dit
te bereiken. Omdat Dorbeck en hij op elkaar lijken
zoals de tekst middels een uitspraak van echtgenote Ria vermeldt: 'als het
negatief van dezelfde foto' (blz 22) wil hij ontsnappen aan het feit dat hij maar het negatief is.(1)
Het ontbreekt hem alleszins aan mannelijkheid daar hij het stadium van de
prepuberteit lichamelijk nooit voorbij is gekomen: hij heeft geen baardgroei en
evenmin heeft hij 'de baard' in zijn keel
gekregen, zodat hij nog steeds een hoge jongensstem heeft. Het is zijn
doel om een echte man te worden en de eerste ontmoeting met Dorbeck zet bij hem
- door de vingerknip van de schrijver - de blinde mimetische navolging in
werking. Maar de inhoud van de handelingen die hij moet verrichten om net zo te
worden als Dorbeck verschilt grondig van de min of meer onschuldige
handelingen van de romans die Ren6 Girard bestudeerde. In De donkere
kamer van Damokles gaat het volstrekt niet om een
goedbedoelende dolende ridder of om intriges in liefdesavonturen of in
mondaine salons (Dostojewski even buiten beschouwing
gelaten). Het gaat bij de navolging van Dorbeck om het vermoorden van
personen die door Dorbeck als NSB-ers worden
bestempeld, d.w.z. Nederlanders of Duitsers. In opdracht en omdat het
gaat om verzetswerk in de strijd tegen de vijand, voert Osewoudt uit
wat hem wordt bevolen: hij schiet neer, wurgt, slaat dood, vergiftigt (en steekt
dood). Daarbij komt dat hij zich tot op het allerlaatst geen enkele vraag stelt
over het goed of kwaad van zijn handelingen. Tevens vertrouwt hij Dorbeck met
fatale naïviteit volkomen. De opdrachten worden door hem niet ter discussie
gesteld. Ook voor hem geldt: Befehl ist Befehl. De navolging van Osewoudt
speelt zich ook niet af, zoals bij de voornoemde romans, in min of meer geordende, welvarende maatschappijen, maar tijdens de totale maatschappelijke
ontwrichting die zich voordeed tijdens het laatste oorlogsjaar in
West-Nederland.
Het derde aspect, dat de structuur van de roman betreft, komt duidelijk
naar voren wanneer wij nader bezien hoe de roman is opgebouwd.
Dan blijkt dat navolging het basisthema is dat de structuur van de roman
draagt.
Na de aanzet, van blz. 5 tot blz. 41, die slechts de eerste
oorlogsmaanden betreft, volgt vanaf blz. 41 een reeks gebeurtenissen - vanaf
juni 1944 - die uitmondt in een reflectie van Osewoudt over zijn relatie tot
Dorbeck. Deze begint op blz. 166 en
we zijn dan precies op de helft van de roman (het korte naschrift dat in 1971 is
toegevoegd, buiten beschou-wing gelaten). Dat het bij Osewoudt inderdaad gaat om
een bewustwording betreffende zijn navolging van Dorbeck geeft de tekst op blz.
166 e.v. duidelijk aan:
'Wat heb ik eraan blindelings zijn instructies op te volgen? Het lijkt
verdomme wel of ik hem vereer! Mogelijk
zit hij hoog en droog in Engeland. Hij stuurt boodschappen waar ik niets van
begrijp. Ik heb mijn haar zwart laten verven om mij onherkenbaar te maken maar
het lijkt of ik het gedaan heb om nog gemakkelijker verwisseld te kunnen worden
met Dorbeck Mijn vijanden laten mij opdraaien voor wat hij heeft gedaan en mijn
vrienden zien toch wel met een oogopslag dat ik niet
een man als Dorbeck ben'. (Kursivering S.P.)
Dit geeft het begin van de bewustwording aan en tevens de overgang naar
het tweede deel van de roman. Een verwisseling met Dorbeck wordt aangekondigd
benevens het feit dat Osewoudt door de 'vijanden' zal moeten opdraaien voor de
misdaden van Dorbeck. Bovendien beseft hij dat zijn vrienden al zijn vertoon als
stoere verzetsman wel doorzien. Een belangrijke rol in dit
proces van bewustwording wordt gespeeld door zijn minnares Marianne/Mirjam. De tekst op blz. 171 is veelbetekenend. Wanneer
iedereen van de verzetsgroep zich verheugt over de zojuist gemelde terugtocht
van de Duitsers in Frankrijk, lezen we over Osewoudt:
'....hij werd
treurig onder haar kussen. Want als de Duitsers verslagen zouden zijn,
wat zou een meisje als Marianne dan nog voor
hem kunnen voelen: een onontwikkelde sigarenwinkelier, met ook nog een
ontoonbaar uiterlijk, een man die niet eens een baard had en in een bevrijd
vaderland zelfs niet meer de gelegenheid zou hebben een martelaar of een held te
zijn?' (kursiv.S.P.)
We kunnen hier drie
mededelingen onderscheiden die impliciet het vervolg van de roman aankondigen. Het feit
dat Osewoudt zich niet verheugt over
het feit dat er een eind
aan de oorlog zal komen - hij,
de verzetsman! - komt voort uit
het motief waarom hij de opdrachten
van Osewoudt uitvoert: hij doet een en ander alleen
maar om de mannelijkheid die Dorbeck schijnt te bezitten, ook te
verwerven. Alleen in de rol als verzetsman - zo vreest hij -
kan Marianne van hem houden. Want als de oorlog af gelopen is dan zal hij
vast geen martelaar worden (als hij mocht worden gedood)
of een held (als hij in leven blijft).
Waarom Osewoudt noch een martelaar
noch een held zal worden zal de lezer later ontdekken.
Het gebruik van het woord martelaar zal degeen die het thema van de zondebok volgens Girard kent, al de oren doen spitsen.
De dubbelzinnigheid van de tekst zet zich voort wanneer Marianne, die
volkomen te goeder trouw is, op de vraag van Osewoudt
of zij ook van hem zal houden als de oorlog af gelopen is, antwoordt: 'Waarom
niet?, een antwoord dat op tweeërlei wijze uitgelegd
kan worden. Osewoudt, die vreest dat zij in hem alleen maar houdt van de man op wie hij lijkt, krijgt een
spookachtig visioen:
'Het was vrede, hij
wandelde ergens ver weg hand in hand met Marianne en zij kwamen Dorbeck tegen. Zelfs
zonder van hem afscheid te
nemen, ging zij met Dorbeck mee en liet hem staan. Zij keek niet
eens meer om, of ja, toch eenmaal; om
hem, steeds naast Dorbeck lopend, toe te roepen: Ik wist hoe hij die ik zocht
eruit zag. Neem mij niet kwalijk dat ik een ogenblik gedacht heb dat jij het was. Maar waarom lijk
jij dan ook zoveel op de ware zonder
hem in werkelijkheid te zijn? Het is je eigen schuld. Trouwens, ik was het die
je haar verfde, ik volmaakte je naar de voorstelling die ik mij gemaakt had. Wat
blijft er van je over nu je haar niet
meer zwart is? Een gebleekte rat', (blz.
173).
Even later zegt Marianne in een ander visioen:
'Nu begrijp ik het, jij bent een bedrieger, jij
hebt je altijd uitgegeven voor een
ander'.
Nog steeds op de helft van de roman gaat deze cruciale passage als volgt
verder. Gevangen als Osewoudt is in de polarisatie van het navolgen van Dorbeck
waarin hij wel de mindere moet zijn, vertelt
hij Marianne alles over Dorbeck en oppert dat zij
zelf natuurlijk de
voorkeur gegeven zou hebben aan Dorbeck. In zijn
angst Marianne te verliezen zet Osewoudt de situatie
op scherp: hij maakt zelf van Dorbeck een rivaal. Maar Marianne zegt hem dat zijn
daden toch zijn eigen daden zijn (zij
doelt op zijn verzetswerk), geeft hem de raad om Dorbeck af te zweren en om
zichzelf te zijn.
Pas dan komt de
mimetische aap uit de mouw want Osewoudt ziet ineens helder de aard van zijn
hele gedrag in:
'....ik kan
alleen Dorbeck gehoorzamen en niemand heeft mij daartoe gedwongen. Begrijp toch
wat ik bedoel: voor ik hem kende heb ik feitelijk
helemaal niet geleefd(...) Ik deed niets, ik wilde
niets, ik liet alles aan het toeval over (...) Pas toen ik Dorbeck ontmoet
had, toen pas voor het eerst wilde ik iets, al was het alleen maar als Dorbeck
zijn, al wilde ik alleen maar wat Dorbeck wilde. Maar willen wat een ander wil
is al meer dan helemaal niets willen'.
Vrijwel onmiddellijk na deze passage die de scharnier is waarmee de roman
omklapt naar het tweede deel, wordt Osewoudt voor de tweede keer door de
Duitsers gearresteerd. In de gevangenis zal zijn
zwartgeverfde haar weer tot bleekblond
uitgroeien en hij wordt wat hij zozeer vreesde: een gebleekte rat. Een rat in de
val.
We zien dus hoe de
bewustwording van Osewoudt omtrent zijn navolging van zijn model en de mogelijkheid
om tot zelfaanvaarding te komen en zichzelf te zijn, wat als oplossing
wordt geopperd door zijn geliefde,
wordt afgekapt door zijn arrestatie.
De uitweg uit de tang van de mimetische begeerte wordt door de schrijver
wel aangegeven maar kortgesloten. In het
tweede deel van de roman zullen de konsequenties van de navolging tot in
het absurde worden doorgetrokken. Het thema van de navolging wordt verbonden met
het thema van een algehele ontwrichting, een
krisis, waarbinnen het mechanisme van de zondebok zich kan voordoen.
Osewoudt zit
opnieuw in de gevangenis. Zijn haar groeit
langzaam uit tot bleekblond. Binnen en buiten de gevangenis grijpt de
verwording, zoals die zich tijdens het laatste oorlogsjaar vooral in
West-Nederland voordeed, om zich been. Deze krisis doet zich voor volgens
de wetmatigheden die Rene Girard zo precies aan het
licht heeft gebracht door de nauwkeurige bestudering van de beschrijvingen
van krises in literaire en niet-literaire teksten door de eeuwen heen. Of het nu
gaat om een krisis die wordt veroorzaakt door een pest-epidemie of door een
oorlog, het ontstaan van de maatschappelijke chaos voltrekt zich volgens vaste
wetten. De toenemende indifferentiatie, het wegvallen van de
oude vertrouwde ordening, voltrekt zich door middel
van omkering, het
veranderen van de ene pool in de tegenovergestelde pool, tot in het absurde
doorgetrokken tegenstellingen, die ook weer kruislings verdubbeld kunnen worden
en door directe verdubbelingen: het ontstaan
van dubbelgangers. Wie de analyses van Girard kent, kan zich bij het
proces van de krisis die W.F. Hermans met
grote virtuositeit etaleert
in het tweede deel van de roman, - en
ondanks de rampzaligheid die dit
in werkelijkheid is geweest zoals
schrijfster dezes zich maar al te goed herinnert -in de handen wrijven.
Want niemand met wie Osewoudt in aanraking is geweest, was wie hij of zij
voorgaf te zijn. Niet alleen door de in het verzet gebruikelijke schuilnamen,
maar vooral doordat er slechts schijn en bedrog was (een uitdrukking die de
schrijver elders hanteert). De stoere verzetsman Labare met
zijn waterdichte beveiligingssysteem, klapt onmiddellijk bij zijn
arrestatie in elkaar mede doordat het
systeem niet goed werkt. De blonde Marianne Sondaar is de geblondeerde Joodse
Mirjam Zettenbaum. De 'bevrijding door verzetsmensen' van Osewoudt uit
het ziekenhuis was door de Gestapo in scène gezet in
de hoop dat de geschaduwde Osewoudt hen naar de schuilplaats van de verzetsgroep
zal leiden, wat hij in zijn naïviteit
ook doet. Het huis bij een kromme
straat waarheen Osewoudt eerst naar toe vluchtte,
is later
onvindbaar. In de hele wijk
is geen kromme straat
te vinden. De arrestatie van zijn
vrouw Ria en van zijn moeder, was
eveneens in scène gezet door de boosaardige Ria om zich
van haar schoonmoeder te ontdoen. De uit Engeland gedropte agente, die
daar grondig zou zijn voorbereid op haar verzetswerk in het bezette Nederland, is
een onhandig meisje dat vrijwel onmiddellijk in handen van de vijand
valt. Maar de tegenstellingen
worden diabolischer: de SS-officier Ebernüss heeft sympathieke kanten: hij
heeft schoon genoeg van de oorlog en maakt zich
geen illusies. De ironie van het lot
wil dat hij door Osewoudt zal worden vergiftigd
op het moment dat hij wil deserteren. En nog erger: Osewoudt zal ingaan op zijn
chantage: het aanwijzen van Dorbeck in ruil waarvoor de zwangere Marianne/Mirjam
zal worden vrijgelaten. De radeloze Osewoudt hoopt dat
hij Dorbeck nog zal kunnen waarschuwen, wat inderdaad lukt.
Maar hij riskeert diens arrestatie:
zo verraadt hij in wezen zijn aanbeden
model. En daar zal hij voor boeten, want in een krisis waarin alles en iedereen
in het tegendeel verandert, verkeren ook
vrienden in vijanden.
Met een tot in
het absurde doorgevoerde logica wordt zo elke persoon
met wie Osewoudt kontakt had gehad en elke
gebeurtenis die zich had voorgedaan,
nader bekeken en wordt aangetoond of plausibel
gemaakt dat niets en niemand ontsnapt aan
de regel dat er slechts schijn en bedrog was. In dit démasqué gaat
iedereen ten onder: de krisis doet zich
voor met besmettelijkheid van de agressie waarin iedereen zich keert tegen
iedereen. Osewoudt merkt dit
zelf op:
'Iedereen met
wie ik in aanraking kom, gaat te gronde'.
Alle verzetsmensen worden door de Duitsers vermoord of plegen zelfmoord
om aan marteling te ontkomen. Sommigen verdwijnen spoorloos,
zo ook Dorbeck. Maar wanneer verdwijnt Dorbeck? Nadat hij Osewoudt heeft
gedwongen zich te vermommen als een verpleegster - een omkering: man verandert
schijnbaar in vrouw en tevens blokkade van Osewoudt's rol als man - vertrekt hij
en laat alleen nog via een briefje weten dat
Marianne in een kliniek ligt
om te bevallen. Dorbeck verdwijnt dus
op het moment dat hij kontakt kan hebben met Marianne. Bovendien heeft Osewoudt net een foto van hen beiden gemaakt
waarop ze naast elkaar in een spiegel kijken. Een foto die kan bewijzen dat Dorbeck inderdaad bestaat en dat zij uiterlijk
elkaars dubbelgangers kunnen zijn.
Als Dorbeck Marianne wil inpalmen dan
is dit het moment om zich van Osewoudt
te ontdoen. Inderdaad verdwijnen zowel
Dorbeck en Marianne vanaf dit moment
spoorloos en zal Osewoudt worden gearresteerd door de Nederlandse politie
en aan zijn eind komen als landverrader, wat hij niet was.
Voor het zover is,
zal Osewoudt, besmet als hij is geraakt met de om zich been grijpende agressie, bijna en passant eigen rechter
gaan spelen ten opzichte van zijn
vrouw Ria, die hij doodsteekt, de enige
om wie de lezer niet rouwig kan zijn. Ook de SS-officier die hem dronken en wel
tracht aan te randen, steekt hij neer. En het zijn
deze twee moorden die veroorzaken dat Osewoudt die schuldig zal worden verklaard
aan wat hij niet heeft gedaan - het
verraden van landgenoten - slechts gedeeltelijk
een zondebok zal worden. Hij is zowel schuldig als onschuldig. Bovendien zal zijn
dood geenszins een katharsis veroorzaken,
want ook het einde van de oorlog voorspelt niets goeds. Er komt dan wel een
einde aan de gevechtshandelingen, er zal niet
meer op grote schaal worden gemoord maar zoals, wederom in een omkering,
Hermans het notabene de SS-officier treffend laat formuleren:
'...gelooft
u mij, de oorlog is afgelopen, alleen het verdriet blijft. Er schiet niets anders
op dan medelijden te hebben met elkaar en elkaar te troosten'. (Blz.
232).
In plaats van hem te troosten steekt Osewoudt hem dood.
Terwijl het bewustzijn
over het navolgen niet uitmondt in
zelfaanvaarding, wordt het thema van de zondebok kortgesloten. Het loont de
moeite dit laatste nader te bezien.
Hoe is namelijk de beginsituatie van de roman? We ontdekken hier talrijke
aspecten die transgressie van geboden en taboes inhouden. Het ontbreekt Osewoudt niet aan slachtofferkenmerken:
zijn
halfgekke moeder doodt zijn
vader, hij wordt op zijn
twaalfde (!) jaar verleid door zijn lelijke
volle nicht, een te naaste bloedverwante met wie hij later zelfs trouwt, hij is
behept met een 'ontoonbaar' uiterlijk
en is, zoals hij zelf later
zegt 'een onontwikkelde
sigarenwinkelier'. We treffen hier dus een opeenstapeling aan van
slachtofferkenmerken bij iemand die daardoor in geen enkel opzicht kan voldoen
aan bestaande maatschappelijke normen.
De toorn der goden kan als het ware niet ver zijn.
Hoe zou iemand aan een dergelijke determinatie kunnen ontsnappen?
Het zal Osewoudt
slechts tijdelijk lukken om de zelfverzekerde man te spelen die hij wil zijn. Maar de mislukking zal vanaf de
eerste ontmoeting met Dorbeck inbegrepen zijn: Osewoudt vertrouwt
in den blinde een wildvreemde man van wie hij niets
weet en over wie hij ook later
niets naders te weten zal komen, afgezien van
wat hij uit zijn
zelfverzekerde praatjes afleidt.
Zijn aanbeden model zal dan ook handig
misbruik maken van hun sprekende gelijkenis en hem dubbel verraden. Dorbeck zal
Osewoudt laten opdraaien voor zijn misdaden en zelf spoorloos verdwijnen. Daar de foto die
Osewoudt nam van hen beiden, staand voor een spiegel, zwart is, kan Osewoudt het
bestaan van Dorbeck niet bewijzen. Dorbeck is de kwade genius voor Osewoudt die
tot op de laatste bladzijde van het boek zal blijven uitroepen:
'Ik kom er rond voor uit. Ik ben niets, Dorbeck is alles'.
Kort daarvoor is Osewoudt zich wel bewust geworden van zijn
determinatie. Hij heeft geen berouw over zijn
daden en voegt eraan toe:
'Ik kon
niet anders doen, dan ik heb gedaan'
en stelt dat zijn
gedrag en zijn ongeluk voortkomen uit zijn
uiterlijk.
'In mijn
uiterlijk heb ik mijn hele leven gevangen gezeten, mijn uiterlijk heeft mij
gemaakt tot wat ik ben. Dat is de oplossing van het raadsel'. (Blz. 326).
Wie zichzelf (een
onontwikkelde sigarenwinkelier) en zijn uiterlijk
(ontoonbaar) niet aanvaardt, wie niet weet wat hij met zichzelf en het
leven aan moet vangen, gaat te gronde. Osewoudt wordt neergeschoten en bloedt
dood.
Zijn aanbeden model zal in alle opzichten triomferen. Hij ontkomt maar of
hij wellicht de minnares van Osewoudt heeft ingepalmd, blijft een open vraag.
Wie na De donkere kamer van Damokles de andere romans en verhalen
van W.F. Hermans herleest, herkent her en der de thema's van navolging,
mimetische rivaliteiten en, zij het meer verhuld, aanzetten tot de thematiek van
de zondebok. Met name de romans De tranen der acacia's en Nooit meer
slapen verdienen in dit opzicht een grondige
analyse. Wanneer we ons afvragen hoe bewust de schrijver zich is van
de beschreven problematiek betreffende de navolging van een model, dan
geeft een fragment uit het verhaal 'Het grote medelijden' in de
verhalenbundel Een wonderkind of een total loss een aanwijzing: (blz. 175)
'Er is uit die jaren
niemand die ik heb achternagelopen zonder het
later te moeten bezuren. Niemand. De meesten vermeed ik,
omdat ik niets aan ze had en aan anderen had ik evenmin iets, achteraf bekeken.
Het is goed dat ik zelden meer aan ze denk. Want de verlegenen worden het
slachtoffer van de brutalen. Of: twee
stakkers verenigd door hun stakkerigheid en elkaar verachtend omdat ze
denken: Och, mijn vriend is eigenlijk ook maar een stakker. Dit waren de enige
twee mogelijkheden die voor mij open stonden en niet eens altijd.
Toch dacht ik op mijn zestiende jaar
wel dat er nog eens een ogenblik zou komen waarop ik hen ontmoeten zou, die mijn
leven in een menselijke maatschappij zinvol zouden maken. Zulke ogenblikken zijn
er misschien ook wel geweest, maar ze zijn
voorbijgegaan, want toen had ik ieder talent voor de ontmoeting
allang verloren en was alleen de geconditioneerde reflex,
de kramptoestand overgebleven'.
In hetzelfde verhaal betreurt de schrijver het dat zijn
leermeesters 'Nul, Niks, Niemand en Niemandal heetten, nadat hij vermeldt
heeft dat de leermeester van Italo Svevo niemand minder dan Joyce was, en dat de muziekonderwijzer van Auguste Renoir de musicus Gounod
was.
Er valt ook hier uit af te leiden dat er in het werk van deze schrijver
een vergeefse speurtocht valt te aanschouwen
naar een ware leermeester en dat uit
diepe teleurstelling over de onbenulligheid
van degenen die zich wel als zodanig voordoen, zij aan de kaak
worden gesteld om hun stupiditeit. Wie herinnert zich niet Professor Nummedal uit
de roman Nooit meer slapen?
Er is echter een uitgebreidere studie voor nodig om dit
thema in het werk van W.F. Hermans in al zijn
complexiteit beter aan te kunnen tonen.
Nadat ik het voorgaande had geschreven, verscheen in October 1987 een
nieuwe roman van W.F. Hermans: De heilige van de horlogerie. Hoewel het
zorgvuldig doorlichten van deze roman meer tijd
en langduriger reflectie vereist dan zo kort na verschijning op dit
moment mogelijk is, kunnen enige belangrijke overeenkomsten
en verschillen met De donkere kamer van Damokles
worden opgemerkt.
Ten eerste valt op dat ook in
deze roman een perfide bemiddelaar optreedt
die de hoofdpersoon opdraagt om datgene te doen wat hem ten
gronde zal richten. De wederom sukkelige hoofdpersoon, Constantijn Bruegel
genaamd, die in een half verwaarloosd paleis
in Frankrijk een curieuze klokkenverzameling dag in dag uit
controleert om alle klokken, bijna 1500 stuks, op tijd
te laten tikken en slaan, meent zich
voor de opdracht uit te voeren van de
communistische doch rijke wethouder om
een rapport naar de gemeenteraad te sturen waarin alle mankementen van het
paleis worden vermeld. Tevens kunnen daarin
suggesties worden gedaan ter uitbreiding van de collectie klokken. De
bedoeling van de korrupte wethouder is echter om dat rapport te gebruiken om het
paleis te doen afbreken om op dezelfde
plaats een appartementenkomplex te laten bouwen door zijn broer, een groot aannemer.
Rampzaliger voor Constantijn is echter dat deze wethouder zijn
rivaal is in zijn relatie met
de beeldschone secretaresse Louise, een dubbelgangster van Louise Brooks,
de beroemde filmster uit de twintiger jaren die door Constantijn in zijn
jongensjaren werd aanbeden als de ware doch onbereikbare geliefde.
Evenals in De donkere kamer van Damockles treedt de rivaal als zodanig
pas ongeveer halverwege de roman op maar ditmaal verdwijnen geliefde en rivaal
niet spoorloos maar suizen zij in een
open sportauto langs de bus waarin Constantijn het nakijken
heeft. Bovendien heeft Louise nooit werkelijk enige
belangstelling voor hem gekoesterd maar is ze door de
wethouder op hem afgestuurd om zijn functie als klokkenmaker en beheerder te
saboteren.
Hoewel er in deze roman geen sprake is van een oorlog, doet een 'ramp'
die een tijdelijke verstoring teweegbrengt, zich toch voor,
namelijk in de vorm van een overstroming veroorzaakt door zware regenval.
De bewoners van een ondergelopen buitenwijk worden tijdelijk
onder dak gebracht in het paleis, evenals een groep kampeerders en tijdens de
daardoor ontstane chaos worden talloze klokken gestolen of vernield. Het is dus
wederom het a-sociale gedrag van een vrij
willekeurige groep mensen tijdens een -
weliswaar milde - krisis die er mede de oorzaak van is dat de hoofdpersoon alles
verliest. Ditmaal voert een en ander niet naar zijn
dood. Moord of doodslag zijn hier
volkomen afwezig.
Opvallend is echter dat er ook in deze laatste roman een zeer uitgewerkte
sleutelscène aanwezig is, die een variant kan worden genoemd van hetzelfde
motief. Het gaat hier om de scène waarbij de hoofdpersoon en een van de
protagonisten tegelijkertijd in dezelfde
spiegel kijken. In De donkere kamer van Damokles kijken Osewoudt
en Dorbeck, naast elkaar staande, in een spiegel waarna Osewoudt een foto
maakt van het tafereel in de spiegel. In de laatste roman kijken Constantijn en
Louise in een spiegel op het moment dat Louise haar sexy zwartleren rokje heeft
opgetrokken in een valse poging Constantijn te verleiden. Constantijn omvat haar
in een erotische omhelzing maar ditmaal wordt er geen foto gemaakt. De
overeenkomst tussen beide passages is dat beide keren de hoofdpersoon in een
spiegel kijkt met iemand die hem bedriegt: geen alledaagse gebeurtenis.
Tevens is de bedriegende persoon een
dubbelganger: Dorbeck is de dubbelganger van Osewoudt; Louise is de dubbelgangster van het aanbeden ideaal uit
de jongensjaren van Constantijn.
Een verschil tussen beide romans is echter dat de twintigjarige Osewoudt
tenminste nog een kortstondig geluk heeft gekend met Marianne, terwijl
Constantijn vanaf het begin al door Louise wordt bedrogen.
Haar belangstelling is geveinsd: het gaat haar om de wethouder en tevens
om de fraaie antieke leren beugeltas waarin
Constantijn zijn gereedschap meezeult en
die zij graag als handtas wil hebben, wat haar ook lukt. Ze steelt hem
gewoon.
Er liggen bijna dertig jaar tussen de publicaties van beide romans.
De heftigheid en de rampzaligheid van de gebeurtenissen in de eerste roman zijn nu
teruggebracht tot de mildere vorm van een tijdelijke
en bijna belachelijke verstoring door een overstroming in vredestijd. Evenmin
wordt aan het einde van de laatste roman de hoofdpersoon doodgeschoten maar gaat
hij cynisch op weg naar Parijs op zoek naar een prostituée die op Louise lijkt zoals het einde van de roman zegt: 'Louise Brooks... . Haar
type kwam weer in de mode, 't Soort film waarin ze mannen niet gelukkig
maakte, blijkbaar ook'. Terwijl de twintigjarige Osewoudt zich
bleef vastklampen aan zijn liefde voor Marianne, berust de veertigjarige
Constantijn in zijn vernedering. Hij
houdt echter op een andere manier toch vast aan zijn liefde: hij hoopt er op
zijn liefde althans in zijn fantasie
en weliswaar tegen betaling toch te beleven zoals sommige mannen dat doen bij
een prostitu6e. Is dat de visie van de schrijver Hermans nu: dat wie vasthoudt
aan zijn jongensfantasieën altijd
bedrogen uitkomt? De lezer kan slechts vaststellen dat het bij de onvolwassen
mannen die hij beschrijft in deze romans inderdaad het geval is. In een
voorlopige konklusie kan echter gesteld worden dat beide romans een variant zijn
op min of meer dezelfde basisthematiek.
Tot slot enige opmerkingen betreffende de periode waarin De donkere
kamer van Damokles werd gepubliceerd. De roman dateert uit 1958. De roman
was en blijft een belangrijk, na-oorlogs kunstwerk. Wie de na-oorlogse Franse
letterkunde echter be-schouwt, zal daarbij overeenkomsten opmerken met enige
geruchtmakende Franse romans en toneelstukken. Wanneer we in gedachten houden
dat Girard had opgemerkt dat er in de moderne literatuur, dat wil zeggen na het
meesterwerk van Marcel Proust, geen romans meer zijn verschenen waarin de door
hem aangetoonde structuren aanwezig zijn, dan kunnen we konstateren dat er iets
anders aan de orde is. Inderdaad is er in moderne romans geen sprake meer van
beschrijvingen die leiden naar het loslaten van
mimetische begeerte en het transcenderen hiervan in ware liefde of in een
sublimatie door middel van het kunstenaarschap. Er is mijns inziens iets anders
aan de hand, wat een grondige studie
rechtvaardigt.
In Frankrijk blijken de scherpzinnigste schrijvers namelijk zowel
toneelstukken als romans te hebben geschreven waarin evenals bij Hermans sprake
is van een heftige pre-occupatie met de functie van de bemiddelaar en met name
van een of meerdere perf ide bemiddelaars waarmee de hoofdpersoon door middel van de mimetische
begeerte in heftige strijd is gewikkeld. Deze situaties worden geplaatst binnen krisissituaties die beantwoorden aan het model
dat Girard hiervan heeft gegeven. Bovendien zijn
deze perfide bemiddelaars veelal rivalen in
relatie tot een geliefde of begeerde
derde. In het beroemde toneelstuk van Jean-Paul Sartre: Huis
Clos (1944) (Achter gesloten deuren) zijn de drie protagonisten,
die in de hel zijn beland door hun wandaden op aarde, beurtelings, onontkoombaar en voor eeuwig de valse bemiddelaar ten
opzichte van de twee anderen. Zodra er tussen twee van de drie personen
vriendschap of liefde lijkt te ontstaan, wordt dit door de derde geridiculiseerd en geblokkeerd. Dit is de hel waar-op
de beroemde en beruchte zin: 'De hel, dat zijn
de Anderen', slaat.
Ook in de roman: L'invitee (1943) van Simone de Beauvoir wordt
een 'helse' situatie beschreven, namelijk die van twee met elkaar rivaliserende vrouwen die dezelfde man beminnen. Aan het eind
van de roman wordt de slapende rivale door de hoofdpersoon uit de weg
geruimd door het heimelijk openzetten van de gaskraan.
Zeer complexe krisissituaties worden beschreven door Jean Genet - over
wie Sartre een lijvige biografie schreef met de veelzeggende
titel: Jean Genet, Saint et Martyr (heilige en martelaar) - in
zijn romans en toneelstukken waarin mijns inziens sprake is van een dubbele
omkering: degene die door de maatschappij
wordt verguisd: een dienstbode, een misdadiger, een homofiel,
een neger, wordt hier de aanbeden
bemiddelaar die de corruptie van de
zogenaamde 'normale' maatschappij onthult. Men denke aan Les Bonnes (De Meiden), Le Miracle de la Rose (Het
wonder van de roos), Les Negres (De nikkers). Soms is
er hier sprake van al of niet met elkaar rivaliserende 'dubbels' die gezamenlijk
aan het moorden slaan, zoals in het toneelstuk Les Bonnes.
Treffend is ook dat in de beroemde korte roman van Albert Camus L'etranger
(De vreemdeling) een man wordt getoond die zich
in wezen aan elke mimetische begeerte heeft onttrokken. Hij doet niet
meer mee maar juist vanuit deze
onverschilligheid is het hem om het even waarom hij een man heeft doodgeschoten.
Moeten we deze roman beschouwen als een 'variant' op deze thematiek?
Grondige studie van vele na-oorlogse romans is echter noodzakelijk om de
hier geschetste thematiek nader uit te werken. Ongetwijfeld is ook het genre van
de moderne roman zo rijk geschakeerd geworden qua taalstructuren en thema's, dat
de onderhavige problematiek wellicht slechts één ontwikkeling naast
verschillende andere inhoudt. Wanneer de thematiek van 'de valse bemiddelaar'
inderdaad een belangrijk thema blijkt te zijn in de
na-oorlogse letterkunde, dan sluiten de romans van W.F. Hermans feilloos
bij deze ontwikkeling aan. Bovendien wordt de kracht van de stellingen
van Rene Girard op mijns inziens verrassende wijze aangetoond waarbij de verre
geïdealiseerde bemiddelaar zoals die werd beschreven in de roman van Cervantes
door de eeuwen heen diabolisch is
veranderd in een boosaardige, nabije, valse bemiddelaar die de
hoofdpersoon in het ongeluk stort.