Vrije Universiteit > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
René Girard noemt
in zijn studie over geweld en het heilige (Violence and the Sacred) een paar
keer Joseph de Maistre en diens hier volgende Toelichting bij de
offers. Het ligt voor de hand dat de ideoloog van de Zondebok aanklampt bij
zijn illustere landgenoot. Maar wat Girard over De Maistre zegt, is weinig, en
bovendien is hij het niet met hem eens. De staat van het slachtoffer dat de
goden moet vermurwen, is voor Girard niet belangrijk. Een leven voor leven,
bloed voor bloed, maar wat voor leven, of wat voor bloed, doet er niet toe. De
Maistre daarentegen, benadrukt dat het offerdier zo menselijk mogelijk is
liever een schaap dan een wild zwijn , en als het mens is, dan liefst zo
onschuldig mogelijk Een maagd is te prefereren boven een delinquent. Dat
morele onderscheid is voor Girard van geen belang, net zo min als
uitboeting van belang is. De gewelddadige samenleving is, voor de moderne
beschouwer die Girard is, vooral uit op wraak en afreageren van onbehagen en
geweld.
Hier volgt de
benadering van Joseph de Maistre waarnaar René Girard verwijst, en waaraan hij
wellicht meer ontleent dan hij laat merken. De lezer oordele zelf.
Robert Lemm [
-----------------------------------------------------------------
Joseph de Maistre
(slot van) DE AVONDEN IN SINT PETERSBURG (1821)
TOELICHTING BIJ DE OFFERS
Eerste hoofdstuk
Over offers in het algemeen
Ik
ben geen aanhanger van de goddeloze gemeenplaats dat `angst de goden in de
wereld heeft gebracht'.
Liever vestig ik er de aandacht op dat de mensen door God namen te geven
die zijn grootheid, macht en goedheid uitdrukken en door hem Heer, Meester,
Vader te noemen, voldoende hebben duidelijk gemaakt dat het denkbeeld van
een god onmogelijk uit vrees kon ontstaan. Voorts constateren we dat muziek, poëzie,
dans, alle lieftallige kunsten, altijd de ceremoniën van de eredienst hebben
opgeluisterd; en dat het idee van vreugde steeds zo innig was verweven met dat
van feest dat het laatste overal synoniem werd met het eerste.
Verre van mij is trouwens de mening dat de mensheid God heeft kunnen
uitvinden, als zou Hij minder oud zijn dan de mens.
Wij moeten veeleer, na beaming van het rechtzinnige standpunt, erkennen
dat de geschiedenis ons in alle tijden een mens toont die van de
verschrikkelijke waarheid is doordrongen dat hij onder de plak van een boze
macht leefde, en dat die macht enkel door offers te verwurwen was.
Op het eerste gezicht is het allesbehalve eenvoudig om ideeën die
schijnbaar zo tegenstrijdig zijn te rijmen; maar denkt men er dieper over na,
dan begrijpt men heel goed hoe ze met elkaar samenhangen, en waarom het gevoel
van angst altijd heeft bestaan naast dat van vreugde, zonder dat het ene ooit
het andere heeft kunnen verdringen.
`De goden zijn goed, en alle goeds dat wij hebben komt van hen: wij zijn
ze lof en dank verschuldigd. Maar de goden zijn rechtvaardig en wij zijn zondig:
wij moeten ze tevreden houden, wij moeten onze misstappen goedmaken; en het
krachtigste middel daartoe is het offer.'
Ziedaar het oude geloof, en dat geldt nog steeds, onder verschillende
gedaanten, over de hele wereld. De eerste mensen, aan wie wij allemaal onze
primaire opvattingen ontlenen, wisten zich zondig: de sociale instellingen
vonden allemaal hun grond in deze wetenschap, zodat van eeuwen her de mensen
hebben beleden dat wij in een gevallen staat verkeren. Zoals wij, hebben zij
gezegd dat onze moeders ons in zonde hebben ontvangen; want er is geen
christelijk dogma dat niet wortelt in de menselijke aard, en in een traditie die
even oud is als de mens zelf.
En de wortel van die ontaarding of die staat van verval, het menselijk
tekort, zat in het zinnelijk principe, in het leven, tot in de ziel; de
ziel die de ouden zo zorgvuldig hebben onderscheiden van de geest of de
intelligentie.
Het dier heeft alleen een ziel gekregen; ons is zowel de ziel
als de geest gegeven.
De Oudheid geloofde niet dat tussen de geest en het lichaam ook
maar enig soort band of contact kon bestaan; zodat de ziel, of het
zinnelijk principe, voor hen een soort middenpositie was, een
tussenkracht waarop de geest steunde, zoals zij zelf steunde op het
lichaam.
Lucretius stelde zich de ziel voor als een oog, waarbij de
geest de pupil was, die hij elders de ziel van de ziel noemde; en
Plato noemt hem, naar Homerus, het hart van de ziel, een zegswijze die
Philo sindsdien verder heeft uitgewerkt.
Wanneer Homerus' Jupiter besluit een held de zege te bezorgen, heeft de
god de zaak overwogen in zijn geest; hij is dan een: er kan in hem
geen strijd meer zijn.
Wanneer een mens zijn plicht kent en die in een hachelijke situatie
zonder aarzeling nakomt, heeft hij de zaak gezien als een god, in zijn geest.
Maar indien diezelfde mens lange tijd heen en weer slingert tussen zijn
plicht en zijn passie en op het punt komt een niet te veronschuldigen daad te
begaan, heeft hij beraadslaagd in zijn ziel en in zijn geest.
Soms geeft de geest de ziel een standje en wil hij haar
beschamen vanwege haar zwakte: Heb moed, mij ziel!, zegt hij haar, jij
hebt voor hetere vuren gestaan.
Een andere dichter heeft die strijd vriendelijk verwoord in een dialoog. Ik
kan niet, o mijn ziel!, zegt hij op al je verlangens ingaan: bedenk dat
jij niet de enige bent die wil wat je hartje begeert.
Wat bedoelt men, vraagt Plato, wanneer men zegt dat een mens
zichzelf heeft overwonnen, dat hij zich sterker heeft betoond dan hijzelf?
Men beweert blijkbaar dat hij zowel sterker als zwakker is dan zichzelf; want is
hij de zwakkere, híj is ook de sterkere; want men zegt het ene en het
andere van dezelfde. Was de wil een, ze zou niet met zichzelf in
tegenspraak kunnen zijn, netzomin als een lichaam door twee aan elkaar
tegenstrijdige krachten tegelijk kan worden bewogen; niemand of niets kan immers
twee tegenpolen gelijktijdig verenigen. Indien de mens één was, heeft
Hippocrates voortreffelijk gezegd, zou hij nooit ziek zijn; en de reden
is eenvoudig: want, voegt hij toe, een ziektekiem in iemand die één
is, is ondenkbaar.
Wanneer Cicero schrijft dat wanneer men ons opdraagt onszelf te
beheersen zulks inhoudt dat het verstand heer moet zijn over de hartstocht,
dan ziet hij òf de hartstocht als een persoon, òf hij weet niet wat hij
zegt.
Pascal had zo goed als zeker Plato's ideeën op het oog, toen hij zei: die
dubbelheid van de mens is zo zichtbaar, dat sommigen hebben gedacht dat wij twee
zielen hebben, aangezien een simpel individu hen niet in staat leek tot zulke
plotselinge veranderingen.
Maar met alle respect voor die schrijver, we moeten het er over eens zijn
dat hij de zaak niet helemaal doorgrond heeft, want het gaat er niet alleen om
te weten hoe een simpel individu tot zulke plotselinge veranderingen in staat
is, maar juist om uit te leggen hoe een simpel individu op hetzelfde moment
strijdige dingen kan verenigen; hoe hij het goede en het kwade tegelijk kan
beminnen; hetzelfde kan beminnen en haten; willen en niet willen, etcetera; hoe
een lichaam zich op hetzelfde moment in twee tegenovergestelde richtingen kan
bewegen; kort gezegd, hoe een simpel individu niet simpel kan zijn.
Het idee van twee onderscheiden krachten is, zelfs in de Kerk, tamelijk
oud. `Zij die het aangenomen hebben - zei Origenes - denken niet dat de woorden
van de apostel dat het vlees verlangens heeft die tegen die van de geest
ingaan (Galaten 5:17) alleen op het vlees als zodanig slaan; maar op die
ziel, die in werkelijkheid de ziel van het vlees is; want, zeggen
zij, daar hebben wij er twee van, de ene goed en hemels, de andere laag en
aards; en over die laatste staat geschreven dat haar werken duidelijk zijn
(Ibid. 19), en wij geloven dat die vleselijke ziel zetelt in het bloed.'
Voor de rest laat Origenes, die in zijn opinies de stoutmoedigste en
tegelijk bescheidenste man was die je je kunt voorstellen, deze kwestie met
rust. De lezer, zegt hij moet er maar over denken wat hij wil. We
zien evenwel dat hij die twee diametraal tegenovergestelde bewegingen in een
enkel individu niet kon uitleggen.
Wat is nu eigenlijk die kracht die de mens, of liever gezegd zijn
geweten, zo tegenwerkt? Welke is toch die kracht die hijzelf niet, of
die hij juist helemaal is? Is zij iets stoffelijks als steen of hout? In dat
geval denkt zij niet en voelt zij niet en kan zij bijgevolg de macht niet hebben
de geest bij zijn werk te hinderen. Ik luister vol eerbied en ontzetting naar al
die dreigementen aan het adres van het vlees; maar ik vraag me af wat er hier
aan de hand is.
Descartes, die nergens voor terugschrok, heeft geen enkel probleem met
die dubbelheid van de mens. Volgens hem is er in ons geen hoger en lager deel,
geen redelijke en gevoelsmatige kracht, zoals de gemiddelde mens denkt. De ziel
van de mens is één, en dezelfde substantie is zowel redelijk, als
gevoelsmatig. Wat onze blik bedriegt, zegt hij, is dat de wilsuitingen
die door de ziel en door de levensgeesten van het lichaam worden voortgebracht,
tegengestelde bewegingen opwekken in de pijnappelklier.
Antoine Arnaud is duidelijk minder komisch. Hij stelt het als een
onbegrijpelijk en desondanks onbetwistbaar mysterie voor `dat het lichaam niet
kan zondigen aangezien het slechts stof is, maar wel aan de ziel kan doorgeven
wat er niet is en er niet zijn kan; en dat de vereniging van die twee aan zonde
ontheven dingen een som oplevert die wèl tot zondigen in staat is, en derhalve zeer
terecht het voorwerp is van Gods toorn.'
Het lijkt erop dat die hardnekkige sektariër nauwelijks over het idee van
het lichaan heeft nagedacht, gezien het feit dat hij zich zo vrijwillig laat
verwarren. Door iets doms voor een mysterie te verkopen vertoont hij de
onoplettendheid of kwaadwilligheid een mysterie voor iets doms te houden.
Een modern fysioloog matigt zich het recht aan omstandig te verklaren dat
het levensbeginsel iets zelfstandigs is. `Noem het kracht of vermogen,
zegt hij, onmiddellijke oorzaak van al onze bewegingen en van al onze gevoelens,
dat beginsel is EEN: het is volkomen onafhankelijk van de denkende ziel, en naar
alle waarschijnlijkheid zelfs van het lichaam; geen enkele oorzaak of
mechanische wet is denkbaar in de uitingen van het levend lichaam' (Nouveaux
éléments de la science de l'homme, M. Barthez, Parijs, 1806).
In wezen lijkt de Heilige Schrift op dit punt overeen te stemmen met de
oude en moderne filosofie, daar zij ons leert dat de mens innerlijk verdeeld
is op al zijn wegen (Brief van Jakobus 1:8) en dat het woord Gods
een levend zwaard is dat zo diep snijdt dat het de ziel van de geest scheidt en
onze diepste gedachten blootlegt (Hebreeën 4:12).
En Sint Augustinus, die God opbiecht dat oude spoken uit zijn vroegere
dromen zijn ziel nog altijd in de klauwen hebben, roept met aandoenlijke
kinderlijkheid uit: Ben IK dat nog, mijn Heer?
Nee, daar is geen twijfel over; dat was HIJ niet meer, en niemand wist
dat beter dan HIJ, die ons op dezelfde plaats zegt: Wat een verschil tussen
MIJZELF en MIJZELF. En dat zegt degene die zo goed het verschil tussen de
twee krachten van de mens heeft gezien wanneer hij bovendien nog, zich tot God
wendend uitroept: O gij!, verborgen brood van mijn ziel, echtgenoot van mijn
intelligentie! Hoe zou ik u niet kunnen beminnen!'
Milton heeft schitterende verzen in de mond gelegd van Satan, die zijn
verschrikkelijke degradatie uitbrult. Diezelfde woorden zou ook de mens, met
gepaste mate, mogen uitspreken:
O foul descent! That I who erst contended
With Gods to sit the highest, am now constrained
Into a beast, and mixed with bestial slime,
This essence to incarnate and imbrute
That to the highth of deity aspired.
Paradise Lost, IX, 163-167.
Waar
kwam ons idee vandaan engelen rond de attributen van onze verering voor te
stellen door groepen van gevleugelde hoofden?
Ik weet best dat de leer van de twee zielen in de oude tijd is
verworpen, maar ik weet niet of dat gedaan is door een terzakekundig
gerechtshof. Ondertussen moeten we het er maar mee doen. Dat de mens de vrucht
is van de vereniging van twee zielen in de zin van twee intelligente
gelijkgeaarde beginselen waarvan het ene goed en het andere slecht is, is voor
zover ik weet de mening die zou zijn verworpen, en die ik eveneens met heel mijn
hart verwerp. Maar dat intelligentie identiek is aan het zintuiglijk beginsel,
of dat dit beginsel dat men ook wel het levensbeginsel noemt, en dat het
leven is, iets materieels kan zijn, volkomen verstoken van kennis en
bewustzijn, is iets wat er bij mij nooit zal ingaan, tenzij men mij erop
attendeerde dat ik mij vergis door de enige kracht die rechtmatig gezag heeft
over het menselijk geloven. In dat geval, zou ik geen sekonde aarzelen, en in
plaats van dat ik op dat moment de zekerheid had gelijk te hebben, zou ik
dan het geloof hebben ongelijk te hebben. Indien ik van andere gevoelens
blijk gaf, zou ik valikant in tegenspraak zijn met de principes die ten
grondslag liggen aan het werk dat ik hier het licht doe zien, en die niet minder
heilig zijn voor mij.
Welk standpunt men ook inneemt over de dubbelheid van de mens, het is op
de dierlijke kracht, op het leven, op de ziel (want al die
woorden betekenen hetzelfde in het oude taalgebruik) dat de algehele vloek
eenduidig rust.
De Egyptenaren, die de Oudheid uitriep tot de enige dragers van de
goddelijke geheimen, waren van die waarheid ten diepste overtuigd, en iedere
dag beleden zij haar in het openbaar opnieuw; want wanneer zij de lichamen
balsemden, na de ingewanden in palmwijn te hebben gewassen, legden zij de weke
delen, ofwel de geslachtsorganen, in een soort kist die zij omhooghieven naar
de hemel, en de ceremoniemeester sprak dan in naam van de dode deze bede uit:
`Zon, opperheer van wie ik het leven heb, verwaardig u mij bij u te
ontvangen. Ik ben trouw de eredienst van mijn ouders nagekomen; ik heb altijd
hen aan wie ik dit lichaam dank in ere gehouden; ik heb niets van de
overlevering geloochend; ik heb nooit gedood. Indien ik andere overtredingen
heb begaan, komt dat niet door mijzelf, maar door deze dingen.' En terstond
wierp men die dingen in de rivier, als oorzaak van alle overtredingen
die de mens had begaan. Daarna ging men over tot het balsemen.
Het staat vast dat de Egyptenaren op het punt van dit ceremonieel
beschouwd kunnen worden als ware voorboden van de bekendmaking waarbij het
vlees werd vervloekt en tot vijand werd verklaard van de intelligentie,
ofwel van God, en waarbij ons nadrukkelijk is gezegd dat allen die geboren
zijn uit het bloed of uit de wil des vlezes nooit kinderen van God zullen worden
(Johannes 1:12-13).
De mens was dus zondig door zijn zinnelijk beginsel, door zijn
vlees, door zijn leven, en daarom kwam de vloek neer op het bloed;
want het bloed was het levensbeginsel, of liever: het bloed was het leven (Genesis
9:4-5).
En het is iets heel bijzonders dat die oude oosterse overleveringen, waar
men allang geen aandacht meer aan schonk, momenteel weer de volle aandacht
genieten van de grootste fysiologen.
Graaf Rosa had geruime tijd geleden in Italië gezegd dat het
levensbeginsel zetelt in het bloed (Gian-Rinaldo Carli-Rubi, Milaan 1790).
Hij heeft dit onderwerp voortreffelijk nageplozen, en hij heeft
opmerkenswaardige dingen naar boven gebracht over de kennis hieromtrent van de
ouden. Maar ik kan nog een bekendere autoriteit aanhalen, de beroemde Hunter
namelijk, de grootste anatoom van de afgelopen honderd jaar, die het oosterse
leerstuk van de levenskracht van het bloed opnieuw heeft belicht.
`Wij verbinden', zei hij `het idee van leven met dat van organisme, zodat
wij de grootste moeite hebben ons een levend sap voor te stellen; maar het
organisme heeft niets gemeen met het leven. Het is alleen maar een
instrument, een machine die, zelfs in mechanistische zin, niets oplevert als er
niet iets inspeelt op een levensbeginsel, namelijk een potentie.
Denkt men goed na over de aard van het bloed, dan aanvaardt men
gemakkelijk de hypothese dat het levend is. Iets anders is nauwelijks denkbaar,
in aanmerking genomen dat elk dierlijk deel bestaat uit bloed, dat wij daaruit
voortkomen (we grow out of it) en dat, indien er geen leven was
voortijdig aan die werking, het minstens heeft moeten opwellen in de
geslachtsdaad, aangezien wij ons niet kunnen permitteren te geloven in het
bestaan van leven in de ledematen of verschillende delen sinds het moment van
hun vorming' (John Hunter, A Treatise on the Blood, Inflammation and Gun-shot
wounds, Londen, 1794).
Naar het schijnt, heeft die mening van de beroemde Hunter postgevat in
Engeland. Het volgde vinden we in de Recherches asiatiques:
`Volgens een zienswijze die minstens even oud is als Plinius, is bloed
een levenssap; maar het was aan de vermaarde fysioloog John Hunter voorbehouden
die zienswijze de status van onbetwistbare waarheid te verlenen.'
De levenskracht van het bloed, of liever de vereenzelving van bloed met
leven, was dus een gegeven waar de Oudheid niet aan twijfelde en waar men in
onze tijd weer bij aanklampt. Even oud als de wereld was ook het geloof dat
de hemel zo boos was op het vlees, en het bloed dat alleen bloed zijn
woede kon stillen; en geen enkel volk heeft betwijfeld dat er in het
vergieten van bloed een louterende kracht school! Het is uitgesloten dat een
dergelijk idee heeft kunnen opkomen, laat staan algemeen ingang kon vinden, door
redenering of dwaasheid. Het wortelt in de diepste krochten van de menselijke
natuur, en de geschiedenis laat op dit punt nergens in de wereld ook maar enig
tegengeluid horen. De hele leer berust op het stuk van het plaatsvervangend
lijden. Men geloofde (zoals men geloofd heeft en altijd zal geloven) dat de
onschuldige kon betalen voor de schuldige; daaruit heeft men geconcludeerd
dat, zo het leven schuldig was, een minder kostbaar leven aangeboden en
aanvaard kon worden in plaats van een ander. Men bood dus het bloed van
dieren aan; en dat aanbieden van een ziel voor een ziel noemden de
ouden antipsychon, vicariam animam; zoals je zou zeggen ziel
voor ziel of ruilziel.
De geleerde Goguet heeft aan de hand van dat ruildogma een goede
verklaring gegeven voor die beruchte wettelijk geregelde hoererijen in de
oudheid, waarvan het bestaan zo lachwekkend is weggewuifd door Voltaire. Ervan
overtuigd dat een vertoornde of kwaadwillige godheid het gemunt had op de
kuisheid van hun vrouwen, kwamen de ouden op het idee hem vrijwillige offers aan
te bieden in de hoop dat Venus zich dan geheel aan haar prooi zou hechten
en de wettelijke verbintenissen niet meer lastig zou vallen: te vergelijken met
een wild beest dat je een lam toewerpt om het van een mens af te houden.
Hierbij dient opgemerkt dat bij de eigenlijke offerhandelingen
vleesetende, domme of schuwe dieren, zoals wildebeesten, slangen, vissen,
roofvogels, etcetera, niet opgedragen werden. Men koos onder de dieren altijd de
kostbaarste, nuttigste, zachtaardigste, onschuldigste, de qua instinct en
gewoonten meest mensvriendelijke. En toen men tenslotte alleen nog een mens kon
opdragen om een mens te redden, koos men uit de dierlijke soort de meest menselijke
offers, als we het zo mogen uitdrukken. En altijd werd het offer geheel of
gedeeltelijk verbrand, om aan te geven dat de natuurlijke straf voor de
overtreding het vuur is, en dat het plaatsvervangend vlees werd verbrand
voor het schuldige vlees.
Zeer bekend in de Oudheid waren het taurobolium en het kriobolium
die hoorden bij de oosterse Mithras-cultus. Dit soort offers moest een volmaakte
zuivering bewerkstelligen, alle ovetredingen uitwissen en de mens een ware
geestelijke wedergeboorte verschaffen. Men groef een kuil op de bodem waarvan
men de wijdeling plaatste; men spreidde boven hem een soort dak waarin een
oneindige hoeveelheid gaatjes waren geboord en daar bovenop werd het offer
geslacht. Het regende dan bloed over de boeteling, die het over al zijn
lichaamsdelen kreeg, en men geloofde dat dat zonderlinge doopsel een geestelijke
wederverwekking bewerkte. Vele bas-reliëfs en inscripties herinneren aan dat
ritueel en het universele leerstuk dat erdoor wordt uitgebeeld.
Niets valt meer op in de mozaïsche wet dan de constante waarschuwing
tegen de heidense ceremoniën, en het afscheiden van het joodse volk van alle
andere volkeren door eigen rituelen. Maar op het stuk van de offers wijkt Mozes
af van zijn systeem en sluit hij aan bij wat onder alle volkeren
gebruikelijk is; en hij sluit er niet alleen bij aan, maar hij overdrijft het
zelfs op gevaar af de nationale identiteit een nodeloze hardheid te geven. Er is
geen enkel voorschrift van die fameuze wetgever, en vooral geen enkele
zuivering, zelfs fysieke, die geen bloed eist.
De wortel van zo'n buitengewoon en zo'n algemeen geloof moet wel heel diep zitten. Was hieraan niets werkelijks of mysterieus, waarom zou God zelf hem dan in de mozaïsche wet hebben vastgelegd? Waar zouden de ouden dat idee van een geestelijke wedergeboorte door bloed vandaan hebben gehaald? En waarom koos men, altijd en overal, om de Godheid te eren, om zijn gunsten te bekomen, om zijn toorn af te wenden, een ritueel waar de rede niet omheen kan en waar het gevoel de grootste moeite mee heeft? We kunnen hiervoor niet anders dan een geheime oorzaak aannemen, en wel een heel machtige.
tweede hoofdstuk
Mensenoffers
De leer
van de vervanging was universeel geldend, en tegen die achtergrond bleef mij
geen enkele twijfel dat hoe gewichtiger de gedupeerde, hoe meer effect een
slachtoffering sorteert. Dit dubbele geloof - in beginsel gerechtvaardigd,
doch geperverteerd door die kracht die alles had geperverteerd - opende alom de
deur voor de afgrijselijke superstitie van de mensenoffers. Tevergeefs hoorde
men zijn verstand zeggen dat men geen enkel recht had op zijn naaste, hetgeen
men zelfs bevestigde door dagelijks dierenbloed te plengen ten einde dat van
soortgenoten te sparen; tevergeefs snelden de medemenselijkheid en de aangeboren
compassie de redeneringen van het verstand te hulp. Tegenover dat meeslepende
bijgeloof stond het verstand even machteloos als het gevoel.
Graag zou je de geschiedenis tegenspreken waar zij ons overal met onze
neus op dat afstotelijke gebruik drukt; maar tot schande van het menselijk
geslacht, valt het met geen mogelijkheid te loochenen; en zelfs de literaire
verzinselen bevestigen het alom geldende ervan.
Hoe heeft men kunnen denken dat het bloed van een onschuldig meisje nodig
was bij de afvaart van een vloot, of voor succes in een oorlog! Waar haalden de
mensen dat idee toch vandaan? En welke waarheid hadden ze verwrongen om op die
weerzinwekkende dwaalweg te geraken? Afdoende is, naar mijn mening, aangetoond
dat alles te maken had met de leer van de vervanging, waarvan het juiste buiten
kijf staat, en die de mens zelfs is ingebakken (want hoe was hij anders op het
idee gekomen?); maar waarvan hij op jammerlijke wijze misbruik maakte. Want,
strikt genomen, neemt de mens de dwaling niet aan. Het enige wat kan, is dat hij
de waarheid niet kent, of dat hij haar verdraait door haar op grond van een
verkeerde gevolgtrekking uit te breiden over gevallen die haar vreemd zijn.
Twee drogredeneringen brengen, naar het schijnt, de mens op een
dwaalspoor. Ten eerste, het belang van diegenen die aan de vloek moesten worden
onttrokken. Men zegt: Als het erom gaat een leger, een stad, eventueel een
vorst te redden, wat doet dan een mensenleven ertoe? Men lette tevens op de
specifieke geaardheid van de twee soorten menselijke offers die al van
staatswege waren getekend, en men zei: Wat doet het leven van een schuldige
of van een vijand ertoe?
Het is zeer waarschijnlijk dat de eerste mensen die men offerde
delinquenten waren die de wet al had veroordeeld; want alle volkeren geloofden
wat de Druïden volgens Julius Caesar (De bello gallico, 50 voor Chr.)
geloofden, namelijk dat het bestraffen van snoodaards de Godheid zeer
welgevallig was. De ouden meenden dat iedere halsmisdaad die begaan was
binnen de Staat, het volk bond, en dat de schuldige heilig was, ofwel de
goden gewijd totdat door het vergieten van zijn bloed hij zowel zichzelf als het
volk had ontbonden.
Men ziet hier waarom het woord heilig (SACER) in het Latijn een
goede en een slechte kant had, waarom hetzelfde woord in het Grieks (OSIOS)
eveneens slaat op zowel wat heilig, als op wat profaan is; waarom ook het woord anathema
betekende wat God aangeboden wordt als gave, alsmede wat overgeleverd wordt aan
zijn wraak; waarom tenslotte men zowel in het Grieks als in het Latijn zegt dat
een mens of een ding ont-heiligd (uitgeboet) is, om uit te drukken dat
men ze van een smet die ze hadden opgelopen had schoongewassen. Dat woord ont-heiligen
(afosioun, expiare) lijkt onlogisch: het niet-geïnformeerde oor zou her-heiligen
verwachten; maar de logica is hier hoogstens in schijn geweld aangedaan, want de
uitdrukking is zeer exact. Heilig betekent, in de oude talen, wat is overgeleverd
aan de Godheid, ongeacht op grond waarvan, en wat aldus is gebonden;
zodat de straf ont-heiligt, uitboet, of ontbindt, precies
zoals de katholieke ab-solutie.
Wanneer de wetten van de Twaalf Tafelen de dood uitspreken, zeggen ze:
SACRE ESTO (dat het geheiligd is)!, ofwel gewijd, of, juister
uitgedrukt, toegewijd; want de schuldige was, strikt gesproken, pas door
zijn terechtstelling ge-wijd.
En wanneer de Kerk bidt voor de gewijde vrouwen
(pro devoto femineo sexu), ofwel voor de nonnen die
daadwerkelijk, echt gewijd zijn, dan is dat nog steeds hetzelfde idee.
Aan de ene kant heb je het vergrijp, en aan de andere kant de onschuld; maar
allebei zijn ze HEILIG.
In Plato's dialoog Enthyphro vinden we een man die op het punt
staat een vreselijke aanklacht bij de rechtbank in te dienen, namelijk tegen
zijn bloedeigen vader. Daarbij verontschuldigt hij zich met de woorden `dat
men net zo'n grote smet op zich laadt door een misdaad te begaan als dat men
rustig degene in leven laat die hem begaan heeft, en dat hij met alle geweld bij
zijn aanklacht blijft om zijn eigen persoon èn de schuldige tegelijk te
absolveren.'
Deze passage is representatief voor het oude systeem dat, vanuit een
bepaald gezichtspunt, het gezond verstand van de ouden tot eer strekt.
Helaas hielden de mensen vast aan het beginsel dat het effect van de
offerande afhangt van hoe belangrijk het slachtoffer is; en van schuldige
naar vijand was nog maar een stap. Iedere vijand heette voortaan schuldig;
en erger nog, iedere vreemdeling werd vijand daar men nood aan
slachtoffers had. Dat verschrikkelijke staatsrecht is maar al te bekend, en
vandaar dat in het Latijn HOSTIS aanvankelijk vijand èn vreemdeling
betekende. De zwierigste der Latijnse schrijvers, Vergilius, wijst doodleuk op
die synonymie; en ik moet voorts opmerken dat Homerus ergens in zijn Ilias
het idee van vijand vervangt door dat van vreemdeling, iets waar zijn
becommentarieerder ons speciaal op attendeert.
Het schijnt dat die noodlottige gevolgtrekking een sluitende verklaring
geeft voor de universele gangbaarheid van die zo weerzinwekkende praktijk; die
verklaart ze, zeg ik, heel menselijk; want het is geenszins mijn
bedoeling - hoe zou een gezond
verstand van enige verlichting dat kunnen? - de werking van het kwaad dat alles
had geperverteerd te bagatelliseren.
Die werking had geen greep op de mens gekregen indien zij hem deze
dwaling als iets afzonderlijks voor ogen had gesteld. Dan was ze zelfs niet
mogelijk geweest, daar de dwaling niets is. Als hij alle voorafgaande idee had
uitgezuiverd, dan zou de mens die zelfs maar had gesuggereerd een ander op te
dragen om de goden gunstig te stemmen, met aller instemming ter dood zijn
gebracht, of als gek gevangen zijn gezet. Iets dat vals is begrijp je pas als je
uitgaat van de waarheid. Dat merk je vooral bij beschouwing van het heidendom
dat blaakt van waarheden, maar allemaal verminkt en uit hun context gerukt, en
wel zo dat ik het eens moet zijn met die theosoof die momenteel stelt dat de
afgoderij een put van bederf was. Kijkt men er van dichtbij naar, dan ziet
men onder de krankzinnigste, ondeugdelijkste, wreedste opvattingen, onder de
monsterlijkste gebruiken die het mensdom het diepst hebben geschandvlekt, er
niet een die wij niet kunnen verlossen van het kwaad (sinds ons de kunst
is gegeven die genade te vragen), om vervolgens de blanke pit bloot te leggen,
die goddelijk is.
Dus door die onomstotelijke waarheden inherent aan de gevallen menselijke
staat, door het oorspronkelijk ding zijn van de mens, door de plicht tot
genoegdoening, door het substitueren van verdiensten en door het
plaatsvervangend uitboeten van lijden zijn de mensen terechtgekomen op die
schrikbarende dwaalweg van de mensenoffers. `Iedere Galliër die door een
ernstige ziekte werd getroffen, of aan de gevaren van de oorlog werd
blootgesteld, droeg mensen op, of beloofde ze op te dragen in de vaste
overtuiging dat de goden slechts te vermurwen waren, en dat het leven van een
mens slechts was los te kopen door een plaatsvervanger. De offerrituelen werden
voltrokken door de Druïden en groeiden mettertijd uit tot openbare en
gerechtelijke instellingen; en wanneer er geen schuldigen voor handen waren,
sloeg men de hand aan onschuldigen. Sommigen vulden de kolossale beelden van hun
goden met levende mensen; ze bedekten ze met buigzame takken, staken die in
brand en zo kwamen de slachtoffers om in de vlammen' (De bello gallico.)
Deze offers hebben in Gallië, alsook elders, bestaan tot het moment waarop het
christendom ingang vond; want zonder dat bleven ze voortbestaan, en alleen
daardoor weken ze.
Het was zover gekomen dat men geloofde dat men nog slechts kon smeken
voor een hoofd tegen de prijs van een hoofd. Dat is niet alles. Daar iedere
waarheid te vinden is, of gevonden moet worden, in het heidendom, maar, zoals ik
zoëven gezegd heb, in een bedorven staat, doet het even troostrijke als
onomstotelijke idee van de katholieke zorg voor de zielen in het vagevuur
zich temidden van de antieke duisternis voor onder de gedaante van een bloedig
bijgeloof; en daar ieder waarachtig offer, ieder verdienstelijk werk, iedere
versterving, ieder vrijwillig lijden echt ten goede kan komen aan de
doden, vergoot het rauwe, door vage en bedorven heugenis ontaarde polytheïsme
mensenbloed om de doden tot bedaren te brengen. Men keelde gevangenen
rond de graven. Waren er geen gevangenen voor handen, dan kwamen er gladiatoren
hun bloed plengen, en die ontaarde wreedheid groeide uit tot een beroep, zodat
die gladiatoren een naam kregen, bustiarii, die je zou kunnen voorstellen
als brandstapelvechters, want rond brandstapels moesten zij hun
levenssap uitstorten. Was er geen bloed van die ongelukkigen of van gevangenenen
beschikbaar, dan kwamen, ondanks de Twaalf Tafelen, vrouwen zich de wangen
openrijten om de brandstapels tenminste een namaakoffer te bezorgen, ten
einde de helse goden te bevredigen, zoals Varro zegt, door het tonen van hun
bloed.
Is het nog nodig de Tyriërs, Feniciërs, Cathagers, de Kanaänieten
erbij te halen? Moeten we er nog aan herinneren dat Athene, in haar
hoogtijdagen, ieder jaar offers opdroeg?; dat Rome, in dreigende gevaren, Galliërs
slachtte? Wie zou dat alles durven ontkennen? We zouden ook nog kunnen wijzen op
het gebruik vijanden en zelfs ambtenaren en dienstboden te doden op het graf van
koningen en grote leiders.
Toen we eind vijftiende eeuw in Amerika belandden, vonden we daar
hetzelfde geloof, maar nog ijzingwekkender. De Azteekse priesters eisten
twintigduizend slachtoffers per jaar; en om die te krijgen, verklaarden ze
willekeurig welk volk de oorlog. Waren er geen offers genoeg, dan droegen ze hun
eigen kinderen op. De offeraar opende de borst van de slachtoffers, en rukte het
er nog kloppende hart uit. De opperpriester perste er het bloed uit dat hij in
de muil van de afgod liet lopen, en alle priesters aten het vlees van de
slachtoffers.
Antonio de Solís (Historia de la conquista de México, 1648)
heeft ons een monumentale getuigenis nagelaten van de goeder trouw van die
volkeren door ons de toespraak te laten horen van Magiscatzin voor Hernán Cortés,
toen deze beroemde Spanjaard te Tlaxcala verbleef. Zij konden zich, zegt
hij, geen idee vormen van een waarachtig offer als er niet een mens stierf
voor het heil van de anderen.
In Peru slachtten ouders hun eigen kinderen. Deze gruwel, inclusief de
menseneterij, heeft zich over de ganse aardbol verspreid en alle continenten
bezoedeld.
Hebben wij vandaag soms, ondanks het overwicht van onze wapens en
wetenschappen, die heilloze misvatting van mensenoffers kunnen uitroeien in
India?
Wat zegt de oude wet van dat land, het evangelie van Hindoestan? Het
offeren van een mens verblijdt de godheid duizend jaar lang, en dat van drie
mensen drieduizend jaar lang.
Ik weet wel dat in later tijd, na die wet, het menselijk gevoel soms
sterker bleek dan de ingeslepen misvatting en het mensenbloed heeft willen
vervangen door een pop van boter of deeg, maar dat neemt niet weg dat de echte
mensenoffers zich eeuwen lang hebben gehandhaafd, en dat er nu nog steeds
vrouwen worden geofferd bij het overlijden van hun echtgenoten.
Dat zonderlinge offer heet Pitrime-dha-Yaga; het gebed dat de
vrouw opzegt alvorens in de vlammen te springen, heet Sancalpa. Alvorens
zich erin te werpen, roept zij de goden aan, de elementen, haar ziel en haar
geweten: En gij, mijn geweten!, wil ervan getuige zijn dat ik achter mijn
man aan ga! En terwijl zij in de vlammenzee zijn lichaam omarmt, roept ze: Satya!,
satya!, satya! (dat woord betekent waarheid.)
Een van haar kinderen, of haar naaste bloedverwant, ontsteekt het vuur
van de brandstapel. Welk een gruwelen spelen zich af in een land waar het een
verschrikkelijke misdaad is een koe te doden, en waar de bijgelovige brahmaan de
worm die aan hem knaagt niet durft te vertrappen.
Toen het bestuur van Bengalen in 1803 onderzocht hoeveel vrouwen er door
dit barbaarse ritueel op de brandstapel van hun echtgenoten waren beland, kwam
men tot het aantal van maar liefst dertigduizend per jaar.
In de maand april van 1802 verbrandden zich nog de twee vrouwen van
Ameer-Jung, regent van Tanjore, op het lichaam van hun echtgenoot. Een detail
van dit offer wekt afschuw: alle moederlijke en dochterlijke liefde was uit de
kast gehaald, alles wat binnen het vermogen van een regering ligt die haar
autoriteit niet wil laten gelden, alles werd tevergeefs aangewend om die wandaad
te verhinderen. De twee vrouwen hielden voet bij stuk.
In sommige provincies van dat uitgebreide werelddeel, en onder de laagste
kasten, legt men geregeld de gelofte af zichzelf vrijwillig te doden indien men
een of andere gunst van de locale afgoden verkrijgt. Degenen die deze geloften
hebben afgelegd, en die hebben verkregen wat ze wensten, stortten zich
neerwaarts op een plaats die Calabharaiva heet, gelegen in de bergen
tussen de rivieren Tapti en Nermada. De jaarmarkt die daar
gehouden wordt is gewoonlijk getuige van acht tot tien van dergelijke, door het
bijgeloof vereiste offers.
Telkens wanneer een Indiase vrouw van een tweeling bevalt, moet zij er
een offeren aan de godin Gonza door hem in de Ganges te werpen. En op
gezette tijden worden er zelfs vrouwen aan die godin geofferd.
In dat zo geroemde India `staat de wet een zoon toe zijn oude vader in
het water te gooien wanneer deze niet meer bij machte is in zijn eigen onderhoud
te voorzien. De jonge weduwe is verplicht de brandstapel van haar man te delen;
men draagt mensen op om de geest van de vernietiging te verzoenen; en de vrouw
die gedurende lange tijd onvruchtbaar is geweest, offert het kind dat zij
zojuist heeft gebaard aan haar god door het de roofvogels of de wilde dieren
voor te leggen, of het door de wateren van de Ganges te laten meevoeren.' Het
merendeel van deze wreedheden vonden nog plechtig plaats, in het bijzijn van
Europeanen, op het laatste Hindoestaanse feest dat gegeven werd op het eiland
Sangor, in de maand december van 1801.
Je vraagt je af: Hoe is het mogelijk dat de Brit, heer en meester over
die gebieden, al die gruwelen kan aanzien zonder orde op zaken te stellen? Hij
huilt wellicht om de brandstapels, maar waarom dooft hij ze niet? Aan strenge
maatregelen, harde wetten en verschrikkelijke terechtstellingen ontbreekt het
het koloniale bestuur geenszins, maar een einde maken aan die gruwelpraktijken,
ho maar! Je zou zeggen dat het ijs van de filosofie in zijn hart de dorst heeft
weggehaald naar die orde die de wezenlijke veranderingen teweegbrengt, in
weerwil van grote obstakels; of dat het despotisme van de vrije landen, het
verschrikkelijkste, te diep op zijn slaven neerziet om zich de moeite te geven
ze te beteren.
Maar allereerst, lijkt me dat we van een eervollere, en daardoor alleen
al waarschijnlijkere veronderstelling moeten uitgaan: namelijk
dat het absoluut onmogelijk is op dit punt het hardnekkige vooroordeel van de
Hindoes te breken en dat het willen afschaffen van die afgrijselijke gebruiken
via de wet, alleen maar contraproductief werkt, zonder dat de menselijkheid
ook maar het geringste resultaat boekt.
Ik zie overigens een groot probleem dat om een oplossing vraagt: die
ontstellende offers waar wij zo'n terechte weerzin van hebben, zouden die niet goed
zijn, of althans noodzakelijk voor India? Dankzij die geduchte institutie, is
het leven van een man gegarandeerd door de trouw van zijn vrouwen en alles wat
hun dient. Wat zou er in landen van revoluties, represailles, lage en duistere
misdaden gebeuren indien de vrouwen niets materieels te verliezen hadden bij de
dood van hun man en daarin alleen maar het recht zagen om een andere man te
huwen? Menen wij soms dat de oude wetgevers, die allemaal buitengewone
kwaliteiten bezaten, in die streken geen speciale en dwingende redenen gehad
hebben om dergelijke gebruiken in te voeren? Menen wij werkelijk dat die
gebruiken ingang hadden kunnen vinden door puur menselijke middelen? Alle oude
wetgevingen hebben een lage dunk van de vrouw: ze stellen haar achter, beschamen
haar, mishandelen haar min of meer.
De vrouw, zegt de wet van Menu, zoon van Brahma, hoort in de
kinderjaren onder de knoet van haar vader, in haar jeugd onder die van haar man,
en in haar ouderdom onder die van haar zoon; vrij is zij nooit. De onblusbare
hartstocht van haar temperament, het labiele van haar karakter, het gemis van
iedere loyaliteit en haar ingeboren geneigdheid tot het kwaad, daar zijn geen
voorzorgsmaatregelen tegen gewassen, en zodra haar man haar ook maar even uit
het oog verliest...
Plato wil dat de wetten de vrouw geen sekonde uit het oog verliezen.
`Want', zegt hij `als de wet op dit punt ook maar een steekje laat vallen, zijn
ze niet meer de helft van het menselijk geslacht, maar veel meer dan de helft; en
hoe meer dan de helft ze zijn, hoe minder ze deugen.
Wie kent niet de onvoorstelbare slavernij van de vrouwen te Athene, waar
zij onderworpen waren aan een oneindige voogdij; waar bij de dood van een vader
die slechts een gehuwde dochter achterliet, zijn naaste naamgenoot het recht had
haar bij haar man weg te halen en tot zijn eigen vrouw te maken; waar een man
zijn vrouw als een deel van zijn eigendom kon vermaken aan wie hij ook maar als
opvolger verkoos.
Wie kent niet de harde kanten van de Romeinse wet voor de vrouw. Je zou
zeggen dat met betrekking tot de tweede sekse, de stichters van naties
allemaal in de leer waren geweest bij Hippocrates, die vond dat zij van nature
niet deugde. De vrouw, zegt hij heeft een verdorven aard: haar
neigingen dienen dagelijks te worden onderdrukt, anders spruiten ze naar alle
kanten uit gelijk de takken van een boom. Is haar man afwezig, dan helpt de
familie geen zier bij haar bewaking; je hebt een vriend nodig wiens ijver niet
door sympathie wordt verblind.
Alle wetgevingen, kortom, hebben min of meer strenge voorzorgsmaatregelen
getroffen tegen de vrouw. Nu nog zuchten zij in slavernij onder de Koran, en
onder de Wilde zijn zij niet meer dan dieren. Alleen het Evangelie heeft ze
kunnen verheffen tot het niveau van de man door ze te beteren. Het Evangelie
alleen heeft de rechten van de vrouw kunnen uitroepen na dezen tot bloei
te hebben gebracht, en ze te hebben gevestigd in het hart van de vrouw als het
probaatste middel met het oog op zowel het goede als het kwade. Doof, of verzwak
slechts enigermate, in een christelijk land de invloed van de goddelijke wet,
met instandhouding van de daarmede gepaard gaande vrijheid voor de vrouw, en
meteen zie je die nobele, aandoenlijke vrijheid ontaarden in schandelijke
schaamteloosheid. Dan worden vrouwen onzalige kanalen van een algeheel bederf
dat in weinig tijd de vitale delen van de Staat aantast. Die verrot, en zijn
stinkende ontbinding wekt alom schaamte en afschuw.
Een Turk, een Pers die een Europees bal bijwonen, kunnen hun ogen niet
geloven: ze begrijpen niets van die vrouwen. Ze kennen de wet namelijk niet die
dit soort broeierige samenkomsten toelaat.
De wet
is hier kennelijk de vrijheid. Was er op dit punt een meer en een minder,
dan zou ik zeggen dat vrouwen meer aan het christendom te danken hebben dan wij.
De afschuw die het christendom heeft voor de slavernij - die deze overal waar
het ongeremd zijn gang kan gaan een zachte maar onmiskenbare dood doet sterven -
komt vooral de vrouw ten goede; het christendom mag dan weten hoe makkelijk het
kwaad ingang vindt, het wil niet dat iemand het de wet voorschrijft.
In elk geval moet elke wetgever deze regel in zijn oren knopen: Wil je
het Evangelie afschaffen, sluit dan eerst de vrouwen op, of je moet ze kort
houden door strenge wetten, zoals de Indiase. Vaak hoor je de Hindoes prijzen om
hun zachtaardigheid; maar laat je niets wijsmaken: buiten de wet die
heeft gezegd BEATI MITES (Zalig de zachtmoedigen!), bestaan er
geen zachtaardige mensen. Ze mogen zwak of schuchter zijn,
maar zachtmoedig zijn ze niet. De indolente, de laffe, de luiaard kan
wreed zijn; en dat is hij vaak ook; de zachtmoedige is het nooit. India geeft
daar een mooi voorbeeld van. Nog afgezien van de bijgelovige gruwelgebruiken van
zoëven, is er geen land op de aardbol zo wreed!
Maar wij, die koude rillingen over onze rug voelen bij alleen al het idee
van mensenoffers en kannibalisme, hoe kunnen wij zo blind en tegelijk ondankbaar
zijn om niet te erkennen dat wij die gevoelens verschuldigd zijn aan de wet
van de liefde die vanaf de wieg over ons waakt? Een verlichte natie die de
hoogste graad van beschaving en wellevendheid heeft bereikt, waagde onlangs, in
een vlaag van verbijstering waarvoor de geschiedenis geen antecedent kent, die
wet formeel op te heffen. En wat zagen we, in een enkele oogopslag? De gebruiken
der Algonkins en Irokezen! De heilige wetten van de mensheid met voeten
getreden! Onschuldig bloed op schavotten die heel Frankrijk bedekten! Bloedende
hoofden op pieken, en de mond van vrouwen zelfs met mensenbloed besmeurd!
Ziedaar de natuurmens! Niet dat hij in zich niet de onuitwisbare
sporen van waarheid en deugd draagt. Zijn geboorterecht is onaantastbaar; maar
zonder goddelijke bevruchting leiden die sporen tot niets, of hoogstens tot
halfbakken, morbide creaturen.
Het wordt tijd uit de onweerlegbaarste historische feiten
een overduidelijke conclusie te trekken.
Wij weten uit vier eeuwen ervaring dat overal waar de ware God niet
gekend en gediend wordt, krachtens een uitdrukkelijke openbaring, de mens
steeds weer de mens zal slachtofferen, en vaak nog verslinden ook.
Na ons het offer van Iphigeneia te hebben verteld als een waar gebeurd
feit (want daar stelde men toen, zoals men weet, prijs op), riep Lucretius op
triomfantelijke toon uit:
Wat de godsdienst al niet voor ellende veroorzaakt!
Helaas
zag hij alleen het misbruik, zoals al zijn volgelingen - die oneindig minder te
verontschuldigen zijn dan hij. Hij zag niet dat de gewoonte van de mensenoffers,
hoe erg ook, verbleekte bij de ellende die de absolute goddeloosheid
veroorzaakt. Hij zag niet, of wilde niet zien, dat er geen absoluut valse
godsdienst bestaat, of zelfs bestaan kan; dat de godsdienst van alle beschaafde
volkeren, zoals die in de tijd dat hij schreef, niets meer of minder was dan het
fundament van de Staat; en dat de leerstellingen van Epicurus met de
ondermijning van de godsdienst ook de oude grondslag en het hele bouwwerk van
Rome ondermijnden en door een eindeloos gruwelijke tirannie zouden vervangen.
Laten wij, die in het gelukkig bezit zijn van de waarheid, niet de
onbeschaamdheid hebben de godsdienst te miskennen. God heeft veertig eeuwen lang
een oog kunnen dichtknijpen; maar sinds de nieuwe tijd voor de mens is
aangebroken, valt die onbeschaamdheid niet meer goed te praten. Laat ons, door
nadenken over de kwalijke gevolgen van de valse godsdiensten, de ware uitbundig
vieren en omhelzen, de ware die het religieuze instinct van het menselijk
geslacht heeft verklaard en gerechtvaardigd, de ware die dat algehele bewustzijn
van schandelijke dwalingen en misdaden heeft verlost, de ware die de
aanschijn van de aarde heeft vernieuwd:
WAT VOOR ELLENDE DE GODSDIENST AL NIET RECHTZET!
Dat is
ongeveer wat je, als ik mij niet vergis, zou kunnen zeggen,
zonder
al te ver vooruit te lopen op het verborgen beginsel van de offers, en vooral de
mensenoffers die de ganse mensenfamilie hebben onteerd. Het lijkt me daarom niet
zonder nut om dit hoofdstuk af te sluiten met een beschouwing van de moderne
filosofie over dit onderwerp.
Het wijdverbreide idee dat zich het eerst aan de geest voordoet en dat
zichtbaar aan onze beschouwing voorafgaat, is de eer die men de Godheid bewijst,
soms in de vorm van een geschenk. De goden zijn onze weldoeners (datores
bonorum); het eenvoudigste is hun de eerstelingen aan te bieden van dezelfde
goede dingen die wij van hun gekregen hebben: vandaar, de oude plengoffers
en die offerande van eerstelingen waarmee de maaltijden aanvingen:
De eerstelingen van de maaltijd werpt hij in het vuur.
In deze
versregel van Homerus, in die gewoonte, hebben sommigen de oorsprong van de
offers gezien. De ouden boden de goden een deel van hun voedsel aan, waarvan het
vlees van dieren een vast onderdeel vormde. Bekeek men het offer op die manier,
dan school daarin niets schokkends. Maar men zag in het algemene idee van het
offer iets diepers dan een simpele gave.
Het ging hier inderdaad niet alleen om een geschenk, om een gave,
om eerstelingen, of, kort gezegd, om een simpel bewijs van eer en
erkentelijkheid jegens een goddelijk opperleenheer, om het zo uit te
drukken. Want was dat zo geweest, dan hadden de mensen opdracht gegeven vlees
uit de slagerij te halen en vervolgens op hun altaren aan te bieden; dan hadden
zij zich ertoe beperkt in het openbaar, en met gepaste luister, diezelfde
ceremonie te herhalen waarmee zij thuis hun maaltijd begonnen.
Het ging om bloed; het ging juist om het offeren; het ging
erom te verklaren hoe de mensen van alle tijden en alle plaatsen unaniem
geloofden dat er, niet in het aanbieden van vlees (let daar goed op), maar in
het vergieten van bloed een uitboetende werking school waar de mens baat
bij had. Dat is het probleem, en daar heb je niet zomaar een oplossing voor.
Niet alleen waren de offers geen simpele aparches, ofwel
aanbieding van de eerstelingen van de nieuwe oogst die men verbrandde aan het
begin van de maaltijd; maar die aparches waren zelf naar alle
waarschijnlijkheid een soort kleinere offers; zoals wij in onze huizen
bepaalde godsdienstige ceremoniën zouden kunnen houden die eigenlijk plechtig
in het openbaar in onze kerken horen plaats te vinden. Daarover zal men het eens
zijn, hoe weinig men er ook over nadenkt.
In zijn platvloerse Natural History of Religion (1779) praat Hume
het algemene vooroordeel na, dat hij nog op eigen wijze vergiftigt. `Een offer',
zegt hij `wordt beschouwd als een geschenk. Datgene wat je aan God wil geven,
moet je eerst voor jezelf verpesten. Betreft het iets concreets, dan verbrand je
het; is het iets vloeibaars, je stort het uit; gaat het om een dier, je slacht
het. De mens verbeeldt zich, bij gebrek aan iets beters, dat hij zichzelf moet
benadelen om God te bevoordelen; hij meent althans op die manier blijk te geven
van de oprechtheid van zijn gevoelens van liefde en aanbidding; en aldus meent
onze toewijding God te kunnen foppen na zichzelf te hebben gefopt.'
Maar die sarcastische uithaal verheldert niets en maakt het probleem
alleen ingewikkelder. Ook Voltaire laat zich op dit punt niet onbetuigd.
Uitgaande van het algemene idee van offer als een gegeven, buigt hij zich
over de mensenoffers in het bijzonder. `Men zag', zegt hij `in de tempels
slechts voetangels en klemmen, spitten en roosters, keukenmessen, lepels,
of pollepels, kruiken om het vet op te vangen, en wat al niet meer tot
minachting en walging stemt. Niets droeg meer bij aan het vereeuwigen van de
hardheid dan die gruwelijke gebruiken, die de mensen er tenslotte toe brachten
andere mensen, en zelfs hun eigen kinderen te slachtofferen. Maar de
slachtoffers van de Inquisitie waar wij al het nodige over hebben gezegd, waren
honderd maal weerzinwekkender: wij hebben de beulen vervangen door
brandstapels' (Essai sur les moeurs et l'esprit des nations, 1740).
Voltaire heeft beslist nooit een oude tempel betreden; zelfs een
afbeelding ervan heeft hij nooit gezien, want anders kan je je niet voorstellen
hoe hij er het spektakel van een slachthuis en een keuken van maakt. Voorts
miskent hij dat die spitten, roosters, vorken, die lepels en die pollepels,
en nog zoveel andere schrikbarende attributen thans net zo gangbaar zijn als
toen; en ook toen haalde geen enkele moeder, zelfs geen enkele slagersvrouw of
kokkin het in haar hoofd haar kinderen aan het spit te rijgen of in een pan op
het vuur te zetten. Iedereen begrijpt dat die hardheid die voortkomt uit de
gewoonte dierenbloed te vergieten, en dat hoogstens deze of gene specifieke
wandaad kan vergoeden, nooit zal leiden tot het systematisch offeren van de
mens. Je leest overigens niet zonder verbazing bij Voltaire dat woord TENSLOTTE,
alsof mensoffers alleen maar het late resultaat waren van de dierenoffers die
eeuwen daarvoor gegolden hadden: Niets is meer onwaar. Overal en altijd
waar de ware God gekend en aanbeden werd, heeft men de mens geslachtofferd; dat
blijkt uit de oudste historische getuigenissen, en zelfs de fabel getuigt ervan,
en die kun je zeker niet zomaar naast je neer leggen. Wil je dit verschijnsel
verklaren, dan maak je je er niet vanaf door met keukenmessen en vorken
op de proppen te komen.
De passage over de inquisitie, waarmee Voltaire zijn opmerking besluit,
lijkt te zijn geschreven in een vlaag van waanzin. Wat krijgen we nou! De
wettelijke terechtstelling van een klein aantal mensen, verordend door een
wettelijke rechtbank, op grond van een plechtig uitgevaardigde wet en waarbij
ieder slachtoffer volkomen vrij was de beschikkingen te verhinderen, zo'n
terechtstelling zou honder maal verwerpelijker zijn dan de
verschrikkelijke overtreding van een vader en een moeder die hun kind op de
witgloeiende armen van Moloch legden! Welk een gruwelijke waanzin! Welk een
vergeten van iedere redelijkheid, iedere rechtvaardigheid, ieder schaamtegevoel!
De anti-godsdienstige woede brengt hem op het punt dat hij op het eind van zijn
uitval niet precies meer weet wat hij zegt. Wij hebben, zegt hij de
beulen vervangen door brandstapels. Hij heeft het dus, volgens zijn eigen
idee, slechts over dierenoffers gehad, en hij vergeet de zin waarmee hij zojuist
de mensoffers ter sprake heeft gebracht: wat anders moet die tegenstelling van brandstapels
met beulen? Waren die priesters van de oudheid, die hun medemensen de keel
afsneden met een heilig stuk ijzer, soms minder beul dan de
moderne rechters die ze de dood in sturen op grond van de wet?
Maar laten we terugkeren naar het hoofdonderwerp: niets staat zwakker,
zoals we zien, dan de reden die Voltaire aandraagt om de oorsprong van de
mensoffers te verklaren. Dat eenvoudige bewustzijn dan wij gezond verstand
noemen is voldoende om aan te tonen dat er, in deze verklaring, geen schaduw van
wijsheid, geen greintje ware kennis van de mens en van de oudheid schuilt.
Laat ons tot slot luisteren naar Condillac, en zien in wat voor bochten
hij zich heeft gewrongen om de oorsprong van de mensenoffers uit te leggen aan
zijn zogeheten LEERLING, die zich, om het geluk van het volk, nooit wilde laten verheffen:
`Men had er niet genoeg aan zijn beden en geloften tot de goden te
richten; men meende ze de dingen te moeten aanbieden waarvan men dacht dat ze
hun aangenaam waren... vruchten, dieren en MENSEN...(Oeuvres de Condillac,
Parijs, 1798).
Ik zal wel uitkijken om te zeggen dat deze passage een kind niet
misstaat; want er is, Goddank, geen kind zo slecht dat het zoiets neerschrijft.
Welk een verfoeilijke lichtzinnigheid! Welk een minachting voor onze ongelukkige
soort! Welk een lasterlijke rancune tegen zijn natuurlijkste en heiligste
instinct! Ik kan met geen mogelijkheid aangeven wat een walging Condillac hier
mijn geweten en mijn gevoel bezorgt: dat is een van de afschuwelijkste trekken
van die afschuwelijke schrijver.
Derde hoofdstuk
Het is echt waar dat er verscheidene goden en verscheidene heren
zijn, zowel in de hemel als op aarde (1 Korintiërs 8:5-6; 2 Tessalonicenzen
2:4), en dat wij behoren te dingen naar de vriendschap en de gunst van die goden
(Augustinus, Stad van God, hoofdstuk 8, par. 25).
Maar het is even waar dat er slechts een enkele Jupiter is, de oppergod,
de eerste, de grootste; de beste natuur die alle andere naturen, zelfs de
goddelijke overtreft; het wat dan ook dat niets boven zich heeft; de god
niet enkel God, maar GEHEEL EN AL GOD; de gangmaker van het universum; de
vader, de koning, de albeheerser; de god der goden en der mensen; de
almachtige vader.
Het is ook echt waar dat Jupiter slechts gepast aanbeden kan
worden samen met Pallas en Juno; de eredienst van die drie machten
die qua natuur ondeelbaar waren.
Het is echt waar dat indien wij wijs redeneren over de God, baas van
de dingen van nu en van straks, en over de Heer, vader van de baas en van de
oorzaak, wij daarin helder zullen zien hoeveel de gelukkigst begiftigde mens is
gegeven.
Het is echt waar dat Plato, die het voorafgaande heeft gezegd, slechts
met de grootste achting te corrigeren is, wanneer hij elders zegt: Dat de
grote koning zich te midden der dingen bevindt, en alle dingen voor hem zijn
gemaakt daar hij de maker van alle goeds is, en dat de tweede koning zich
temidden van de secundaire dingen bevindt, en de derde temidden van de dingen
die op de derde plaats komen, hetgeen evenwel niet op een duidelijkere manier
mocht worden opgeschreven om te verhinderen dat indien het geschrevene verloren
zou gaan door een overstroming of aardbeving, het gevonden werd door iemand die
er niets van begreep.
Het is echt waar dat Minerva uit het hoofd van Jupiter is
gesproten. Het is echt waar dat Venus oorspronkelijk uit het water
werd geboren; dat ze er terugkeerde in de tijd van die vloed gedurende welke alles
zee werd en de zee haar oevers verloor, en dat zij toen in slaap viel op de
bodem van de wateren; en zegt men erbij dat ze weer opdook onder de gedaante van
een duif, die beroemd werd in het hele Oosten, dan zit men niet ver bezijden de
waarheid.
Het is echt waar dat ieder mens een genius heeft die hem leidt
en inwijdt, die hem door de mysteriën van het leven loodst.
Het is echt waar dat Hercules pas op de Olympus kan komen
om daar met Hebe te huwen na op de berg Oite alles in het vuur te
hebben verteerd wat hij aan menselijks had.
Het is echt waar dat Neptunus het bevel voert over de winden
en de zee en dat hij ze angst inboezemt.
Het is echt waar dat de goden zich voeden met nectar en
ambrozijn.
Het is echt waar dat de helden die heel wat voor de mensen hebben
gedaan, vooral de stichters en de wetgevers, terecht op wettelijke
basis tot goden worden verheven.
Het is echt waar dat, wanneer iemand ziek is, je voorzichtig moet
proberen het kwaad te bezweren met toverwoorden, zonder evenwel
enig regulier geneesmiddel onbenut te laten.
Het is echt waar dat geneeskunde en waarzeggerij alles met elkaar te
maken hebben.
Het is echt waar dat de goden somtijds aan tafel kwamen zitten bij
rechtvaardige mensen, en dat ze ook wel eens naar de aarde kwamen om het
ondeugdelijke van diezelfde mensen te onderzoeken.
Het is echt waar dat volkeren en steden schutspatronen hebben, en
dat over het algemeen Jupiter een oneindige hoeveelheid dingen in deze
wereld tot stand brengt door middel van geesten.
Het is echt waar dat zelfs de elementen, die rijken zijn, zoals rijken
worden beheerst door bepaalde godheden.
Het is echt waar dat de vorsten der volkeren naar de
raadsvergadering van de God van Abraham worden geroepen, want de machtige
goden van de aarde zijn belangrijker dan men aanneemt.
Maar het is ook waar dat er onder al die goden niet een is die
opkan tegen de HEER, niet een wiens werken de Zijne benaderen.
De hemel herbergt immers niets dat met Hem is te vergelijken; en onder
de zonen van God heeft God zelf zijn gelijke niet; en Hij is de enige die
wonderen verricht (Psalm 86:8).
We mogen dus zeggen dat het heidendom niet heeft kunnen miskleunen
omtrent zo'n universeel en zo'n fundamenteel denkbeeld als dat van offers, ofwel
van verlossing door bloed. Het menselijk geslacht kon niet vermoeden dat
het bloed behoefde. Welke aan zichzelf overgelaten mens kon ook maak enig
vermoeden hebben van het overweldigende van de zondeval en het overweldigende
van de weergoedmakende liefde? Toch heeft elk volk, door min of meer expliciet
die zondeval aan te nemen, tevens erkend dat het hulp nodig had, en wel door een
bepaald middel.
Zo is bij voortduring het geloof van alle mensen geweest. Het heeft zich
in de praktijk aangepast aan de aard van ieder volk en iedere godsdienst
afzonderlijk; maar het is in beginsel alom tegenwoordig! En in het bijzonder
vindt men onder alle volkeren eensgezindheid over het wonderdadige effect van
een onschuldige die zich vrijwillig overlevert en toewijdt aan de Godheid als
zoenoffer. Altijd hebben de mensen een onschatbare waarde gehecht aan deze
onderwerping van de rechtvaardige die het lijden op zich neemt; daarom is het
dat Seneca, na zijn beroemde uitspraak Ecce par Deo dignum! vir fortis cum
mala fortuna compositus (Ziedaar de sterke man, God waardig omdat hij onheil
aankan), er meteen bij zegt: UTIQUE SI ET PROVOCAVIT (hoezeer hij het ook heeft
opgeroepen).
Toen de onbehouwen cipiers van Lodewijk XVI, die in de Temple gevangen
zat, hem een scheermes weigerden, zei de trouwe dienaar die ons de
indrukwekkende geschiedenis van diens lange en afschuwelijke gevangenschap heeft
overgebriefd tot hem: Sire, laat U aan de Nationale Raad zien met die lange
baard, zodat het volk inziet hoe ze u hebben behandeld.
De koning antwoordde: IK MAG MIJN LOT NIET MEER BEïNVLOEDEN.
Wat ging er om in dat reine, gedweëe, gerede hart? De doorluchtige
bloedgetuige lijkt bevreesd zijn offer te ontlopen, of aan zijn uitlevering
afbreuk te doen. Welk een berusting! En wat verdient hij daar niet mee!
Men kan op dit punt de ervaring inroepen ter ondersteuning van de theorie
en de traditie; want de gelukkigste veranderingen die zich onder de volkeren
voordoen zijn bijna altijd betaald met bloedige rampen waarbij de onschuld het
slachtoffer is. Het bloed van Lucretia verdreef de tirannieke Tarquinius
Superbus en consorten, en dat van Verginia verdreef de decemviri
(tienmannen). Wanneer twee partijen elkaar in een revolutie bekampen, en men
ziet aan de ene kant kostbare slachtoffers vallen, kun je er donder op zeggen
dat die partij de overhand zal krijgen, ook al wijst de schijn op het
tegenovergestelde.
Zouden wij de geschiedenis van de families net zo goed kennen als die van
staten, dan ontleenden we daaraan veel vergelijkbare kennis; men kwam er dan,
bijvoorbeeld, achter dat de langlevendste families
die zijn welke de meeste leden verloren hebben in de oorlog. Iemand uit de
Oudheid zou zeggen: `Voor de aarde, voor de onderwereld zijn die slachtoffers
voldoende' (Juvenalis, Satire 8, 257). Meer ontwikkelde mensen zouden
kunnen zeggen: De rechtvaardige die zijn leven offert, is een lang nageslacht
beschoren (Jesaja 53:10).
En de oorlog, onuitputtelijke bron van overwegingen, toont dezelfde
waarheid nog onder een ander gezicht; de annalen van alle volkeren hebben maar
één kreet om ons te laten horen hoe het woedende geweld van die vreselijke
plaag altijd strikt in verhouding staat tot de graad van ondeugdelijkheid van
naties, zodat waneer er een overvloed aan misdaden is, er steeds ook een overvloedig
bloedvergieten is: Sine sanguine non fit remissio;; ofwel zonder
bloed, geen vergeving, Hebreeën 9:22.
Loskoping, inlossing is, zoals we in de Avonden hebben gezegd, een
universeel idee. Altijd en overal heeft men geloofd dat onschuld kon betalen
voor de schuldige (utique si et provocaverit). Maar het christendom heeft
dat idee rechtgezet, zoals het met duizenden andere ideeën heeft gedaan;
omzetting van het negatieve in positief heeft het christendom op voorhand het
meest doorslaggevende getuigenis bezorgd. Onder de heerschappij van zijn
goddelijke wet tracht de rechtvaardige - die zichzelf allesbehalve rechtvaardig
vindt - zijn model op het punt van het lijden te benaderen. Hij onderzoekt
zichzelf, hij zuivert zich, hij tuchtigt zichzelf op een wijze die het
menselijke te boven lijkt te gaan ten einde de genade te bekomen te kunnen teruggeven
wat hij niet gestolen heeft.
Het christendom zegt wel dat het dogma waar is, maar legt het niet uit,
althans niet in het openbaar; en wij zien dat de geheime wortels van die
zienswijze de eerste ingewijden van het christendom intens hebben
beziggehouden.
Vooral Origenes, die veel over dit onderwerp heeft nagedacht, moet
hierbij worden inbegrepen. Zijn welbekende opvatting luidde: `Dat het bloed dat
op de Calvarieberg vergoten was niet alleen de mensen tot nut had gestrekt, maar
ook de engelen, de hemellichamen en alle geschapen wezens; hetgeen niemand zal
verbazen die bedenkt wat Sint Paulus heeft gezegd: Dat het God heeft behaagd
alle dingen te verzoenen door Hem die het begin van het leven is, en de Eerste
onder de doden, die vrede heeft gebracht met het bloed dat Hij aan het kruis
heeft vergoten voor zowel wat op aarde is, als wat is in de hemel (Kolossenzen
1:20). En wanneer alle schepselen in barensweeën zuchten (Romeinen
8:22), in navolging van de leer van diezelfde apostel, waarom zouden ze dan niet
ook allemaal getroost worden? De grote en heilige tegenstander van
Origenes verklaarde dat men bij aanvang van de Vijfde Eeuw van de Kerk nog
meende dat de verlossing zowel de hemel als de aarde betrof; en de
heilige Johannes Chrysostomos wist zeker dat hetzelfde offer, dat voortgang vond
tot aan het einde der tijden, en dat dagelijks werd opgedragen door de
rechtmatige bedienaren, dezelfde uitwerking had voor gans het universum (Homilie
LXX, in Joh.).
In deze overweldigende reikwijdte beschouwde Origenes de uitwerking van
dat grote offer. `Maar dat deze zienswijze', zegt hij `hemelse verborgenheden
betreft, is iets wat de apostel ons zelf verklaart wanneer hij zegt: Noodzakelijk
moest wat slechts figuur van de hemelse dingen was, gereinigd worden door het
bloed van dieren; maar de hemelse dingen zelf moesten gereinigd worden
door betere offers dan de eerste (Hebreeën 9:23). Beziet men de
uitzuivering van heel de wereld, ofwel van de hemelse, aardse en
onderaardse regionen, dan begrijpt men hoeveel offers daartoe nodig waren!...Alleen
het Lam heeft de zonden van de hele wereld kunnen wegnemen, etc., etc. (Origenes,
Homilie XXIX, in Num.).
Het is overigens, ofschoon
Origenes een groot auteur was, een groot mens, en een van de
voortreffelijkste theologen die de Kerk ooit heeft verlicht (Bossuet dixit),
niet zo dat ik iedere zin uit zijn verhandelingen onderschrijf; voor mij is het
voldoende om met de Kerk van Rome te zingen:
Alle wezens zijn schoongewassen door dat bloed.
Waarover ik me maar niet genoeg kan verbazen, zijn de curieuze
bedenkingen van sommige theologen tegen de mogelijkheid van vele werelden uit
angst dat daardoor het leerstuk van de verlossing zou komen te vervallen; en dat
komt erop neer dat wij, volgens hen, dienen te geloven dat de mens die op zijn
treurige planeet door de ruimte reist, ellendig beschaamd tussen Mars
en Venus, het enige intelligente wezen van het zonnestelsel zou zijn, als
waren de andere planeten slechts levenloze bollen zonder charme
die de Schepper uit louter speelsheid de ruimte in had geworpen. Nooit heeft een
bekrompener idee de menselijke geest bezocht! Democritus heeft eens in een
beroemd gesprek gezegd: O mijn dierbare vriend!, hoed u er toch voor in uw
geest de natuur omlaag te halen, want die is zo groot! Nemen wij die raad
ter harte, dan zijn wij niet te verontschuldigen; wij leven immers midden in het
licht welks helderheid ons zicht geeft op het `opperste intellect'- in plaats
van die ijdele natuur. Laat ons het Oneindige Wezen niet verkleinen door
lachwekkende grenzen te stellen aan zijn macht en aan zijn liefde. Valt er soms
iets af te dingen op de uitspraak: Alles is gemaakt door en voor de
intelligentie? Kan een zonnestelsel iets anders zijn dan een systeem van
intelligenties, en kan iedere planeet afzonderlijk iets anders zijn dan
verblijfplaats van een van die families? Wat hebben de materie en God gemeen? Kan
het stof U loven? (Psalm 30:10) Indien de bewoners van de andere planeten
niet even schuldig zijn als wij, behoeven ze evenmin dezelfde remedie. Behoeven
zij daarentegen dezelfde remedie, vrezen de voornoemde theologen dan soms dat de
kracht van het offer dat ons heeft gered de maan niet kan bereiken? Het oordeel
van Origenes is heel wat indringender en veelomvattender wanneer hij
zegt: Het altaar stond in Jeruzalem, maar het bloed van het slachtoffer baadt
het heelal (Hom. I, in Levit.3).
Hij achtte zich evenwel niet bevoegd over dit punt alles te publiceren
wat hij wist: `Om te spreken', zei hij `van dat offer van de genadewet dat is
opgedragen door Jezus Christus, en om een waarheid bevattelijk te maken die het
menselijk verstand te boven gaat, heb je een volmaakt mens nodig, die
geoefend is in het onderscheiden van goed en kwaad, en die het recht heeft om,
aangeraakt door de wind van de waarheid te zeggen: Wij preken de wijsheid AAN DE
VOLMAAKTEN (1 Korintiërs 2:6). Hem van wie Sint Johannes heeft gezegd: Ziedaar
het Lam Gods dat wegneemt de zonden der wereld...heeft tot uitzuivering
gediend naar bepaalde mysterieuze wetten van het universum, en heeft zich aan de
dood willen onderwerpen uit liefde tot de mensen, om ons eens door zijn bloed
los te kopen uit handen van degene die ons had verleid, en aan wie wij verkocht
waren door de zonde (Romeinen 7:14).
Van die alghele verlossing die is verkregen door dat grote offer, stapt
Origenes over op die afzonderlijke verlossingen die je miniaturen zou
kunnen noemen, maar die aan hetzelfde beginsel beantwoorden. `Andere offers',
zegt hij `staan dat ene nader...Ik heb het over de edelmoedige martelaren die
eveneens hun bloed hebben gegeven: maar waar is de wijze om deze wonderbaarlijke
dingen te begrijpen; en wie heeft het inzicht om ze te doorgronden? (Hosea
14:10) Diepgaande onderzoeken zijn nodig om zich zelfs maar een vaag idee te
vormen van de wet op grond waarvan dit soort offers diegenen zuiveren voor wie
ze zijn opgedragen...Een ijdel schijnbeeld van wreedheid zou zich willen hechten
aan het Wezen waaraan men ze offert voor het heil van de mensen; maar een
verheven en energieke geest kan de tegenwerpingen wegdrukken die men aanvoert
tegen de Voorzienigheid, zonder nochthans de laatste geheimen te onthullen:
want de raadsbesluiten van God zijn ondoorgrondelijk; ze laten zich met de
grootste moeite verklaren; en veel zwakke zielen zouden daarbij een gelegenheid
vinden om ten val te komen; maar goed, aangezien het voor de volkeren vaststaat
dat een groot aantal mensen zich vrijwillig aan de dood kan prijsgeven voor het
algemeen heil, in gevallen van bijvoorbeeld pestepidemieeën, en aangezien men
weet dat het effect van hun toewijding bekrachtiging vindt in het geloof zelf
van de Schriften door die getrouwe Clemens, aan wie Sint Paulus zo'n mooi
getuigenis heeft gegeven, besluit degene die in de verzoeking zou komen die
geheimenissen die het gewone bereik van de menselijke geest ontstijgen, te
vervloeken, in de martelaren iets te herkennen dat verschillend en toch
gelijkend is...
Wie een giftig dier doodt, heeft ongetwijfeld verdiensten voor al
diegenen die dat dier had kunnen treffen als het niet was gedood. Laat ons
geloven dat er iets dergelijks gebeurt door de de zeer heilige martelaren, wier
dood boosaardige invloeden neutraliseert en een groot aantal mensen wonderdadige
bijstand verleent op grond van een onnoembare kracht.' Tot zover Origenes.
De twee verlossingen verschillen dus niet qua natuur, maar alleen qua
graad en resultaat, naar gelang de verdienste en de invloed van wie ze tot stand
brengen. Ik memoreer hier hetgeen in de Avonden is gezegd over de
goddelijke en de menselijke intelligentie. Deze kunnen slechts verschillen
inzover ze op elkaar lijken, namelijk qua proportie.
Laat ons tot slot de schoonste der analogieën beschouwen. De schuldige
mens kon alleen maar worden losgekocht door het bloed van slachtoffers: was dit
bloed dus de band van de verzoening, dan bestond de dwaling eruit te menen dat de
goden overal daarheen snelden waar er op altaren bloed vloeide; wat onze
eerste kerkvaders zelfs niet weigerden te geloven door op hun beurt te geloven dat
de engelen overal daarheen snelden waar het ware bloed van het ware offer
vloeide (Johannes Chrysostomos, Hom. III in Ep. ad Ephes., orat.
de Nat. Chr.; Hom. III, de Incomp. Nat. Dei. Augustinus, Serm.
LXXXVII.).
Door een reeks vergelijkbare ideeën over de natuur en de uitwerking van
offers, zagen de ouden nog iets geheimzinnigs in de omgang met lichaam en
bloed van de slachtoffers. Die vervulde, volgens hun, het offer en de
religieuze eenheid; zodat, gedurende lange tijd, de christenen hebben geweigerd
offervlees te eten, uit angst voor gemeenschap daarmee (1 Korintiërs
10:17).
Maar dat universele idee van gemeenschap door bloed, ofschoon
geperverteerd in zijn toepassing, was niettemin juist en profetisch in beginsel,
net zoals dat waarvan het was afgeleid.
Het lag in de ondoorgondelijke beschikkingen van de almachtige liefde om
tot aan het einde van de wereld, en langs wegen die onze zwakke verstand verre
te boven gaan, het offer te vereeuwigen dat stoffelijk eens is opgedragen voor
het heil van het menselijk geslacht. Het vlees dat de mens van de hemel
gescheiden had, met dat vlees bekleedde God zich om zich te verenigen met de
mens door hetgeen hem van Hem scheidde. Maar dat was nog niet genoeg voor een
overweldigende goedheid die een overweldigende ontaarding te lijf ging. Dat
vergoddelijkte en voor eeuwig opgedragen vlees wordt de mens aangeboden onder de
uiterlijke gedaante van zijn bevoorrechte voedsel: en wie daarvan weigert te
eten, zal niet leven. Zoals het woord, dat in de materiële orde slechts een
opeenvolging van trillingen in de lucht is, te vergelijken met de rimpelingen
welke wij waarnemen op het wateroppervlak wanneer ergens iets daartegen
aanslaat; zoals dat woord, zeg ik, evenwel komt in heel zijn geheimvolle
heelheid, voor elk oor dat op elk punt van het bewogen fluïdum is geraakt, zo
treedt ook het lichamelijke wezen van hem die Woord heet, stralend vanuit
het middelpunt van de almacht, die overal is, geheel binnen in iedere mond, en
vermenigvuldigt zich tot in het oneindige zonder zich te verdelen. Sneller dan
de lichtflits, doeltreffender dan de bliksem, doordringt het theandrische
bloed de zondige ingewanden om er het vuil te verslinden. Het bereikt de
ongekende begrenzingen van die twee onverzoenlijk verenigde krachten waar de harteroerselen
de intelligentie bestoken en verwarren. Door een ware goddelijke genegenheid
maakt het zich meester van de elementen van de mens en transformeert ze zonder
ze op te heffen. `Men verbaast zich er beslist terecht over dat de mens kan
opklimmen tot God. Maar er is hier nog een ander wonder! Het is God die afdaalt
naar de mens. En als was dat nog niet genoeg, treedt Hij, om zijn geliefde
schepsel van dichtbij toe te behoren, bij de mens binnen, en zo is deze
inderdaad een door de Godheid bewoonde tempel (Seneca, Epist. LXXIV, Epist.
XLI). Dit is een onbevattelijke wonder, zeker, maar tevens een oneindig
aannemelijk, dat het verstand bevredigt door het te verpletteren. Er is in heel
de geestelijke wereld geen magistralere analogie, geen frappantere verhouding
van bedoelingen tot middelen, van gevolg tot oorzaak, van kwaal tot medicijn. Er
is niets dat op waardigere wijze van God aantoont wat de mensheid altijd heeft
beleden, zelfs voordat ze het leerde: haar radicale ontaarding, het inlossende
van verdiensten van de onschuld die betaalt voor de schuldige, en HET HEIL DOOR
HET BLOED.
E-mail vertaler: robertlemm@hotmail.com