VRIJE UNIVERSITEIT Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten

Achever Clausewitz 

Een bespiegeling door Stijn Maene (stijn_maene@hotmail.com)

Voordracht gegeven voor de CDW op 3 oktober 2008 over René Girard, Achever Clausewitz. Entretiens avec Benoît Chantre (Paris: Carnets Nord, 2007).

Inleiding

Achever Clausewitz is een rijk boek dat heel veel thema's aansnijdt op een vaak nogal chaotische manier. Het is vooral ook een duister boek. Ik denk dat dat de ervaring is van meerdere lezers en ik zou wat helderheid willen brengen door eerst de drie inhoudelijke en stilistische hoofdthema's van het werk af te bakenen.

Het eerste hoofdthema is de uiteenzetting van Girards gekende mimetische theorie. Hij herhaalt zijn hypothese van het zondebokmechanisme en heeft het over de mimetische rivaliteit die valse verschillen creërt enzovoort. De klemtoon ligt nu echter op de apocalyptische implicaties van het christendom. Door de onschuld van de zondebok te tonen heeft het christendom een ondermijnende werking op de sacrale culturen die steunen op de uitdrijving van zondebokken. Finaal moeten die sacrale culturen instorten door het interne geweld. Dat geweld van allen tegen allen is de apocalyps.   In die hernemingen van zijn vroegere theorie is de tekst van Achever Clausewitz helder en duidelijk en heeft hij een vlot ritme.

Het tweede hoofdthema is de analyse van het essay 'Over de oorlog' van Carl von Clausewitz. Dit thema kan verdeeld worden in drie aspecten.

Ten eerste zijn daar de theoretische analyses van Clausewitz over de oorlog waarvan we zullen zien dat ze vrij goed overeenkomen met de mimetische theorie van Girard en dat is ook de reden waarom Girard zo geboeid geraakte door Clausewitz. Ten tweede is er de analyse die Girard maakt van de mens Clausewitz die gefascineerd was door het model-obstakel Napoleon. Ook dat is overtuigend en het komt overeen met de vroegere theorie van Girard over het mimetische conflict.

Ten derde is er de concrete toepassing van het mimetisme en de inzichten van Clausewitz op de militaire en intellectuele strijd tussen Frankrijk en Duitsland. Ook daar is Girard overtuigend en boeiend, maar die analyse wordt vrij chaotisch gebracht zodat je gegevens van overal in het boek moet samenleggen om tot een helder beeld te komen. Toch zijn er in die mimetische analyse van het Frans-Duitse conflict lacunes, aspecten die niet zo helder zijn uitgelegd. Dat geldt eveneens voor de andere oorlogen en conflicten waar Girard over spreekt. Omdat hij vermoedelijk wel beseft dat het niet zo duidelijk en goed beargumenteerd is, zegt hij o.a. Dat er nog veel moet worden nagedacht over die problemen of dat er nog veel onderzoek moet worden verricht. Wanneer finaal in een epiloog de islam en het terrorisme ter sprake komen, geeft Girard gewoon toe dat hij het niet begrijpt, maar moedigt hij de lezer aan erover na te denken.

Een derde hoofdthema van het boek is het katholicisme. Girard gebruikt een hele reeks voorbeelden om te verdedigen wat we hij het “modèle catholique allemand” (292) noemt, het Duitse katholieke model. Girard ziet in het katholicisme de enige echte manier om tot persoonlijke psychische stabiliteit te komen (224), en veel belangrijker om te komen tot een Europese cultuur van verzoening die zich misschien wereldwijd zou kunnen verspreiden. (301) Een einde van het Frans-Duitse conflict dus, de bakermat van de grote conflicten die over de planeet zijn uitgedeind.  

Een eerste aanzet tot het Duitse katholicisme vinden we in het mooie hoofdstuk over Hölderlin waarbij Girard noteert dat Hölderlin, een protestant, op een bepaald moment beweerd heeft dat hij op het punt stond om katholiek te worden. Tussen haakjes gezegd, een dergelijke anecdote is ook over Proust bekend, en Girard heeft die vroeger al vermeld. Girard beweert ook fijntjes dat Hölderlin als protestant zo triestig was, omdat hij de “katholieke vrolijkheid” niet had.  

De verdediging van het Duitse katholicisme neemt vervolgens een hoge vlucht met de bespreking van het leven en werk van Germaine de Staël. Ik heb Germaine de Staël niet gelezen, maar eerlijk gezegd, gaan beweren van deze in het Frans schrijvende protestante, dat ze religieuze intuïties had die het haar mogelijk maakten te ontsnappen aan het Frans-Duitse conflict en dat dat bepaald werd door haar, al dan niet Duitse, katholicisme, lijkt me serieus bij het haar getrokken. Ook wat Baudelaire aan en over Wagner geschreven heeft, is een voorbeeld van het “idée catholique allemande” volgens Girard.

Maar waar het finaal op uitloopt is een regelrechte verdediging van paus Benedictus XVI en zijn toespraak in Regensburg. Hier geraakt Girard duidelijk gepassioneerd in het boek. Er is een bij momenten bijna vurige toon. De filosoof is verontwaardigd dat men deze en de vorige paus zo slecht begrepen heeft. Hij maakt zijn eigen denken bijna volledig ondergeschikt aan de toespraak van Benedictus in Regensdorf. Maar Girards bespreking van die pauselijke voordracht heeft eigenlijk niets meer te maken met het mimetisme.  

Het hoofdstuk over Hölderlin bevatte nog overtuigende mimetische analyses van leven en werk van de dichter. Ook de citaten van Germaine de Staël en Baudelaire zijn interessant vanuit mimetisch oogpunt, maar de poging om kost wat kost daar een verdediging van het katholicisme in te zien is ronduit ongeloofwaardig en maakt de zaak duister. Misschien dat Girard dat ook wel aanvoelde, want zijn manier van spreken lijkt me, behalve dan als het over de paus gaat, veel aarzelender dan wanneer hij spreekt over het zondebokmechanisme. Hij heeft het ook veel over intuïties en minder over zekerheden.  

Naast deze drie hoofdthema's, worden er nog een aantal andere denkers besproken. Benoît Chantre, de gesprekspartner van Girard, is duidelijk een bewonderaar van Levinas. Persoonlijk vond ik de vergelijking tussen Levinas en Girard niet zo interessant. Daarnaast wordt er ook op gewezen dat de dialectiek van Hegel veel irrealistischer is dan de analyses die Clausewitz toelaat te maken van het verloop van de geschiedenis. Ook naar Pascal wordt er verwezen, met name naar de strijd die de waarheid en het geweld voeren, en naar de drie ordes: ordre de la chair, de l'esprit et de la charité. Dat zijn drie bestaanswijzen. Het boek staat bovendien vol van de geschiedkundige en andere feiten, en soms leuke mimetische inzichten, wat wel een plezant is voor de lezer. 

“Achever Clausewitz” is ook een erg persoonlijk boek. Girard haalt herinneringen op aan zijn vader. Hij spreekt over zijn liefde voor Chopin, zijn romantische kant, zijn ontroering bij het bezoek aan de toren van Hölderlin, zijn ontroerende ontmoeting met Robert Schumann, de opwinding en neerslachtigheid die hij ondervond hij het schrijven van Mensonge romantique et vérité romanesque. Dat zijn natuurlijk allemaal gegevens die, alhoewel ze interessant zijn, niet kenmerkend zijn voor de strengere wetenschappelijke toon zoals die in zijn werken te vinden is van voor zijn emeritaat.  

Clausewitz

Ik zou nu het tweede hoofdthema meer in detail willen bespreken. Wie in het eerste hoofdthema, namelijk het zondebokmechanisme en de apocalyps geïnteresseerd is, kan misschien het best Des choses cachées depuis la fondation du monde herlezen. Over Von Clausewitz dus.

Laten we beginnen met eens te kijken naar de tekst van von Clausewitz zelf. Hoe omschrijft hij in zijn essay Vom Kriege de oorlog? Ik heb een paar passages gekopiëerd uit een Nederlandse vertaling. Ik citeer:  

“Wij zullen ons hier niet wagen aan een moeizame publicistische definitie van wat oorlog is, maar ons voorlopig bepalen tot het element van de zaak, tot de tweekamp. Oorlog is niets anders dan een tweekamp op uitgebreide schaal. Indien wij ons het grote aantal afzonderlijke tweegevechten, waaruit de oorlog bestaat, willen voorstellen als een eenheid, dan kunnen wij dit het beste doen met het beeld van twee worstelaars. Elk van beiden probeert de ander door middel van fysiek geweld te dwingen zijn wil te doen; zijn eerste doel is de tegenstander op de knieën te krijgen en deze daardoor onmachtig te maken nog verder verzet te bieden.” (34)  

“ (...) oorlog is een daad van geweld, en er zijn geen grenzen gesteld aan de aanwending ervan; op deze wijze schrijft elk van beide partijen de ander de wet voor, er ontstaat een wisselwerking die in theorie tot het uiterste moet leiden. Dit is de eerste wisselwerking waarop wij stuiten.” (36)  

“ Zo lang ik mijn tegenstander niet op de knieën gekregen heb, moet ik er beducht voor zijn dat hij mij op de knieën krijgt, ik ben dus niet meer eigen meester, maar hij schrijft mij de wet voor, zoals ik het hem doe. Dit is de tweede wisselwerking, die tot het tweede uiterste voert.”(37)  

 “Gesteld dat wij op deze wijze het weerstandsvermogen van de tegenstander met een redelijke mate van waarschijnlijkheid kunnen schatten, dan kunnen wij daaraan onze inspanningen afmeten en deze ofwel zo groot maken dat ze tot een overwicht leiden, ofwel, in het geval dat wij daartoe niet bij machte zijn, zo groot mogelijk. Maar hetzelfde doet de tegenstander; dus opnieuw een opvoeren van beide kanten, dat zuiver begripsmatig gezien wederom een streven naar het uiterste in zich moet hebben. Dit is de derde wisselwerking en een derde uiterste waarop wij stuiten. “(38)

Iemand die vertrouwd is met de mimetische theorie, zal begrijpen waarom Girard geïnteresseerd geraakte door deze definitie en logica. Zelf heeft Girard de strijd geanalyseerd als twee partijen die elkaar nabootsen in het geweld. Als we Clausewitz voorbeeld van de twee worstelaars als archetype van de oorlog hernemen, begrijpen we dat de ene worstelaar de slag die hij ondergaat zal imiteren door een slag terug te geven die net iets heviger is. Zo ontstaat er een escalatie, een “streven naar het uiterste” in een “wisselwerking”. Verrassend genoeg spreekt Clausewitz zelf wel nooit over imitatie, merkt Girard op.  

Uiteindelijk moet elke reële oorlog uitmonden in een soort absolute oorlog. Clausewitz, als echte militair, betreurt in zijn verhandeling dat dat eigenlijk niet het geval is. Dat komt omdat er geen eenheid van plaats en tijd is waardoor de legers in een soort absolute schok tegenover elkaar staan. Anders geformuleerd er zijn veschillen die het absolute gewelddadige mimetisme van de “opgang naar het uiterste” afremmen. Het concept van de absolute oorlog komt dus eigenlijk niet overeen met de realiteit. En Clausewitz noemt het zelfs een “fantaisie logique”(33) , een logische fantasie.  

De begrippen van Clausewitz laten Girard toe om het thema van de apocalyps aan te snijden. De absolute oorlog die het gevolg is van mimetische escalatie kan tot de vernietiging van de mensheid leiden. Girard wil dus Clausewitz voltooien, Achever Clausewitz. Dat wil zeggen dat hij de mimetische apocalyptische gedachtengang van Clausewtiz wil verder denken. Want opmerkelijk genoeg geeft Clausewitz na de mimetische intuïties zijn essay de toon van een technische en geleerde tekst waarin die intuïties weer verdwijnen. Clausewitz is daardoor een denker van twee tijdperken. Hij heeft in zich de traditie van de rationele verlichting, maar ontdekt de irrationaliteit van de absolute oorlog. Girard keert regelmatig terug op het idee dat de rede van de achttiende eeuw en het latere positivisme het irrationele gewelddadige mimetisme niet kunen begrijpen en daardoor te beperkt zijn. (214) We hebben volgens Girard dus nood aan een nieuw soort rationaliteit. Op dat vlak is hij erg pessimistisch. Wanneer zijn gesprekspartner Benoît Chantre suggereert dat Girard misschien overdrijft in zijn globale apocalyptische prognoses en dat we onze weerstand niet zomaar mogen opgeven, geeft de académicien een merkwaardig emotioneel antwoord. (192-193) Hij geeft toe dat hij misschien een fout maakt, dat het zijn romantische kant is die naar boven komt, met name Chopin, dat het om het intellectuele plezier gaat dat hij vindt bij Clausewitz, maar ook dat het christelijk perspectief hem toelaat de zaken diepgaand en vanop afstand te bekijken. Eigenlijk is het in dit opzicht opvallend dat de scheiding die er bij Clausewitz bestaat tussen het concept van de absolute oorlog en de praktijk, ook bij Girard aanwezig is. Er is in Girards denken een soort kloof tussen de logica van de apocalyps zoals die uit de evangelies blijkt en de werkelijkheid van onze actuele oorlogen. De vraag die menig lezer zich zal stellen is natuurlijk: in welke mate vallen theorie van apocalyps en absolute oorlog met de realiteit samen? Girard zegt dat weerstand tegen de komst van de apocalyps mogelijk is in de mate dat er goede voorbeelden zijn, maar dat die, Pascal citerend, eigenlijk onzichtbaar zijn. (193) Op het einde van Achever Clausewitz zegt hij echter dat we vooral niet moeten geruststellen. “Vouloir rassurer, c'est toujours contribuer au pire.”(364)  

Laten we nu eens kijken naar de persoon van Clausewitz zodat we zijn denken over de absolute oorlog beter kunnen plaatsen.  

Leven van Clausewitz

Carl von Clausewitz werd in 1780 geboren in een familie van Pruisische militairen. Op twaalfjarige leeftijd, in 1792 dus, is hij vaandeldrager bij de slag te Valmy tussen de Franse revolutionaire troepen die een leger van Pruisen, Oostenrijkers en anti-revolutionaire Fransen verslaan. Clausewitz leefde dus van jongs af aan voor het leger. Hij gaat vervolgens naar de Berlijnse krijgsacademie waar hij onder andere Kant bestudeert. En in 1806 wordt hij gevangen genomen door de Fransen die onder leiding van Napoleon het Pruisische leger vernietigend verslaan bij Jena. Daarop verblijft hij enige tijd in gevangenschap te Parijs. In die tijd is het koninkrijk Pruisen onderworpen aan Napoleon. Clausewitz vlucht na zijn gevangenschap in Parijs echter naar Rusland waar hij met het Russische leger strijdt tegen Napoleon. Na de afzetting van Napoleon wordt hij gepromoveerd en wordt directeur van de Berlijnse krijgsacademie. Hij werkt aan zijn essay Over de oorlog. Wanneer er een opstand uitbreekt in Russisch Polen krijgt hij een leidende functie, maar hij sterft echter kort daarop in 1831 aan de cholera.

Die slag bij Valmy die Clausewitz op twaalfjarige leeftijd bijwoonde, was een merkwaardige gebeurtenis. Voor het eerst stonden er geen twee beroepslegers tegenover elkaar die gecommandeerd werden door een koning of hoge edelman, maar werden de Pruisen en Oostenrijkers geconfronteerd met een Frans beroepsleger dat versterking gekregen had van gewone burgers. De Pruisische bevelvoerder, de hertog van Brunswick, rekende erop dat de Fransen voor zijn numerieke meerderheid zouden wijken. De Franse revolutionairen getuigden echter van zoveel razernij en bloeddorstigheid, en maakten zoveel lawaai, dat na een aantal kanonnades de Pruisen de aftocht blaasden. Velen hebben zich daarover verbaasd en Goethe die bij de veldslag aanwezig was vertelde sommige van zijn Pruisische kameraden: “Vanaf deze plaats, vanaf deze dag begint een nieuw tijdperkt in de geschiedenis van de wereld en jullie kunnen allemaal zeggen dat jullie aanwezig waren bij zijn geboorte.” [1] (267)

Voor de Franse revolutie, in de achttiende eeuw, was oorlogvoeren een gecodificeerde zaak. De oorlog was een institutie.  Beroepslegers onder het nominale bevel van koningen stonden tegenover elkaar. Er waren regels over hoe de oorlog gevoerd moest worden. Er waren erecodes en rechten voor de overwonnenen. Girard gebruikt daarvoor de term “la guerre en dentelles” van de achttiende eeuw. Deze term, letterlijk gebaseerd op het feit dat de edelen in kant gekleed naar de oorlog gingen, suggereert figuurlijk dat de strijd niet zo hevig was. 

Met de Franse revolutie wordt de dienstplicht ingevoerd. Het beroepsleger wordt vervangen door het gewapende volk waarvan de mimetische energie kan gebruikt worden, zoals de slag bij Valmy illustreert. Men houdt zich niet meer mooi aan de regels en erecodes.

Clausewitz was getuige van die radicale mutatie in de geschiedenis, van die metabletische verandering. Zolang de oorlog een institutie was, beperkten de regels de escalatie van het geweld. Reële verschillen stonden de indifferentiatie van het absolute geweld in de weg. Maar met de Franse revolutie wordt die institutie sterk afgebroken. De daarop volgende oorlogen worden steeds massaler en gewelddadiger. Die evolutie ligt ongetwijfeld aan de basis van Clausewitz' intuïtie over de absolute oorlog.

Het Frans-Duitse conflict

De absolute oorlog kennen we nog niet. Maar als concrete toepassing van de opgang naar de uitersten en de gewelddadige wisselwerking, analyseert Girard in Achever Clausewitz het Frans-Duitse conflict dat in de achttiende eeuw begon. Girards essay bevat dan ook heel veel geschiedkundige feiten en analyses. Terug naar het verleden dus!

De staat Pruisen ontstond in noord-Duitsland door de vereniging van het hertogdom Pruisen (later Oost-Pruisen genoemd en nu deel van Polen en Rusland) en Brandenburg met hoofdstad Berlijn. Slechts op het einde van de zeventiende eeuw kreeg de Pruisische vorst van de Duitse keizer na lange onderhandelingen het recht op de koningstitel. Om het met Girard te zeggen: “de Pruisen, in feite, waren mensen die zichzelf heel recent gefabriceerd hadden.” (165) De opgang van Pruisen kwam er vooral onder het bestuur van Frederik II de Grote die de welvarende provincie Silezië op de Oostenrijkers veroverde. Deze Frederik II was in zijn jeugd vooral geboeid door muziek, maar de druk van zijn vader maakte hem tot een militaire vorst met een mimetische fascinatie voor Frankrijk en de Franse cultuur. Zo verbleef Voltaire aan zijn hof en na een ruzie sloeg de filosoof op de vlucht met de Franse gedichten van de koning om de Parijzenaars er eens mee te laten lachen. De koning die het door had, slaagde er evenwel in om hem te laten grijpen voor hij in Frankrijk was en de gedichten te recupereren. Clausewitz was volgens Girard op de hoogte van die episode. (164)

In het prestigeduel Frankrijk-Pruisen, voerden de Fransen niet alleen door hun 'esprit' en intellectuele dominatie  de boventoon. Ze hadden ook de reputatie het meest krijgshaftige volk te zijn. Het militaristische Pruisen spiegelde zich reeds in de achttiende eeuw aan de Fransen. Maar toen de Pruisen in 1806 te Jena vernietigend verslagen werden door Napoleon, nam de fascinatie voor het skandalon Frankrijk enorm toe. De vernederende slag die het Pruisische koninkrijk toegebracht werd, vroeg om een imitatieve terugslag.  En militairen als Clausewitz begonnen te dromen van een hervorming van Pruisen om die revanche in de praktijk te brengen. Dat ressentiment tegenover Frankijk en vooral de mimetische fascinatie voor Napoleon waren bij Clausewitz zeer intens.  

Wat is het verdere verloop van de geschiedenis? Na de inval in Rusland in 1812 was het Grande armée van Napoleon van 500 000 soldaten gedecimeerd tot enkele tienduizenden. Clausewtiz die met de Russen meegestreden had, lag dan aan de basis van de coaltie van Russen, Pruisen, Engelsen en Oostenrijkers die Napoleon definitief wouden verslaan. Napoleon trok zich terug op het Franse grondgebied en werd in 1814 geconfronteerd met drie binnenvallende legers. Bonaparte was echter zo geniaal dat hij erin slaagde de vijandige troepen te verdelen, afzonderlijk verliezen toe te brengen, en finaal lukte het hem zelfs het Pruisische leger onder Blücher te demoraliseren.

 Maar in plaats van de Pruisen tot over de Rijn terug te drijven, richtte Napoleon dan zijn aandacht op het Oostenrijkse leger. Clausewitz beschrijft die campagne van Napoleon. In zijn bijna literaire tekst is het mimetisme ten overstaan van Napoleon zo sterk dat hij zich gedraagt als een soort raadgever van Napoleon, als een soort super-Napoleon op papier. In zijn essay  argumenteert Clausewitz dat als Napoleon had  willen winnnen, hij al zijn aandacht had moeten blijven richten op de Pruisen, en de Oostenrijkers, waar veel Pruisische militairen wat op neerkeken, had moeten negeren. Had Napoleon de Pruisen maar definitief verslaan dan had hij gewonnen! lijkt Clausewitz te redeneren. Uit Clausewitz' tekst blijkt zijn fascinatie en identificatie met het skandalon Napoleon. Girard heeft het op dat vlak over de mimetische blokkade (232) die ontstaat wanneer iemand volledig in de ban geraakt van één model dat die persoon kost wat kost wil overtreffen in zijn haat. Een gezonde houding bestaat er volgens Girard in om soepel van het ene model naar het andere te kunnen overgaan. Dit is een gedachte die ik uit vorige werken van Girard niet ken. In Mensonge romantique et vérité romanesque wijst Girard er eigenlijk op dat naarmate de ontologische ziekte toeneemt ook het aantal gehate modellen toeneemt, en dat Don Quichote met zijn unieke externe model Amadis eigenlijk nog de gezondste van de bestudeerde helden is.

Na de inname van Parijs werd Napoleon verbannen naar het Italiaanse eiland Elba. Honderd dagen later stond hij echter alweer op Franse bodem en volgde de slag bij Waterloo in 1815 die het definitieve einde van Napoleon betekende als keizer van Frankrijk. Hij was volgens Girard tot een  zondebok geworden van heel Europa en op zijn uitdrijving werd een nieuwe staatkundige structuur voor het continent gebouwd.

Het duel Frankrijk-Duitsland  was met Napoleon echter niet voorbij, maar slechts intenser geworden. In tegenstelling tot andere Duitse gebieden zoals Saksen en Beieren, was Pruisen nu nog meer gefascineerd door de Fransen en zou het niet rusten alvorens de vernedering door Napoleon gewroken was. In de complexe mimetische strijd, werd een terugslag van Pruisen voorbereid. Het zou de politiek van de ijzeren kanselier Bismark zijn om Pruisen klaar te stomen voor de wraak. Die kwam er in 1870.

Op dat moment is in Frankrijk Napoleon de derde aan de macht. De strijd ontbrandde en de Franse troepen waren geen partij voor de Pruisen die Parijs gingen belegeren. En in de spiegelzaal van Versailles riep Bismark de Pruisische koning uit tot keizer van het nieuwe Duitse rijk. De andere Duitse vorsten werden gedwongen zich daarbij neer te leggen.

(Ik kan hier misschien nog een anecdote vermelden. Zo kreeg de excentrieke koning Ludwig II van Beieren een brief voorgelegd die hij moest ondertekenen. Die brief bevatte felicitaties voor de nieuwe keizer en de belofte van Beieren om zich te onderwerpen aan het nieuwe keizerrijk. Ludwig II liet de gezant van de Pruisen echter lang wachten in zijn paleis onder het voorwendsel van al dan niet terechte tandpijn, maar finaal kon hij niets anders dan de brief tekenen.) De Duitse eenheid realiseert zich dus door de revanche op vijand Frankrijk.

Het voordeel van de verdediging

Tot nu toe hebben we het gehad over de wisselwerking in de oorlog om met Clausewitz te spreken, of over het gewelddadige mimetisme om met Girard te spreken. Het is interessant om een andere gedachte van Clausewitz bij het verhaal te betrekken, namelijk het zogenaamde voordeel van de verdediging op de aanval. Clausewitz beweert dat de verdediging in het voordeel is. Die stelling breidt de Pruisische strateeg uit door te zeggen dat de aanvaller eigenlijk steeds de vrede wil om zijn dominantie te vestigen en dat de verdediger de oorlog wil.

Ik weet niet precies welke argumenten Clausewitz daarvoor aanvoert in zijn essay. Girard legt het voordeel dat de verdeding heeft ook niet echt uit. Hij vermeldt wel dat de aanval veelal een  vorm van toeëigeningsmimetisme is. Dat laat ons echter toe om zelf een hypothese te formuleren. De aanvaller heeft eigenlijk geen sterk mimetisch model waaruit hij mimetische energie kan halen. De verdediger daarentegen kan zijn kracht halen uit de agressie van de aanvaller. De terugslag is steeds sterker en heviger dan de eerste slag. We kunnen ook aan de wielersport denken. De sprinter die de wedstrijd wint, is meestal niet degene die op kop begint te sprinten maar hij die juist achter de kopsprinter zit, omdat hij uit het voorbeeld van de inspanning van de ander enorm veel kracht kan putten. Tegenover het toeëigeningsmimetisme van de aanvaller, staat het hevigere antagonistische mimetisme van de verdediger. Toegepast op het Frans-Duitse conflict begrijpen we de kracht en snelheid van de Duitse aanval in 1870 als wraak op Napoleon.  

De Franse revanche?

Na de nederlaag van 1870 moet Frankrijk het gebied Elzas-Lotharingen afstaan aan het Duitse keizerrijk. Frankrijk is vernederd en zal zich dus voorbereiden op een terugslag, opnieuw volgens de logica van de mimetische wisselwerking. De Fransen hebben het na 1870 over de 'revanche'. De spanningen tussen de buurlanden lopen in de komende decennia hoog op. In 1905 komt het bijna tot een oorlog, maar finaal is het in 1914 dat de eerste wereldoorlog uitbreekt.

De Fransen winnen de oorlog en nemen het betwiste object, het gebied Elzas-Lotharingen, terug in bezit. De terugslag van de Fransen is echter een pyrrhusoverwinning. Girard citeert de cijfers van het aantal gevallen soldaten tijdens de eerste wereldoorlog. De Duitsers hebben slechts 900 000 slachtoffers gehad, terwijl de Fransen er 1 300 000 hadden en de Engelsen 600 000. (311) Het resultaat van die analyse is dat de Fransen eigenlijk het meest geleden hebben. En de Duitsers hebben de eerste wereldoorlog eigenlijk niet op het slagveld verloren, maar vooral omdat ze bevoorradingsproblemen hadden en daardoor gedwongen waren zich terug te trekken.

Frankrijk is na de eerste wereldoorlog uitgeput. Het zal kost wat kost proberen om wat Girard de “onwaarschijnlijke overwinning” (315) noemt te behouden. De Fransen zijn moe. Ze willen eigenlijk niet meer vechten en ze nemen een pacifistische houding aan.  De Duitsers onder Hitler, die zelf als soldaat in 1918 wou verdervechten, bereiden echter een nog gewelddadigere terugslag voor, eerst op geestelijk vlak door massale propaganda als een soort uitgesteld antwoord op de vroegere esprit van de Fransen, vervolgens op militair vlak. Het pacifisme van de Fransen zorgt dus niet voor een verzoening met Duitsland. Hoe is het mogelijk dat  pacifisme oorlog oproept?

We kunnen ons eerst opnieuw tot Clausewitz richten om te proberen dat raadsel op te lossen. Clausewitz beweert dat er in het ideale theoretische geval een absolute oorlog moet zijn waarbij beide partijen, als worstelaars, elkaar voortdurend slagen uitwisselen. Maar in de praktijk gebeurt dat meestal niet. Het is mogelijk dat er een soort omgekeerde wisselwerking van matiging ontstaat. Ik citeer Clausewitz:

“Hetgeen een van de beide tegenstanders uit zwakheid nalaat, wordt voor de ander een werkelijke objectieve reden tot matiging, en zo wordt door deze wisselwerking het streven naar het uiterste teruggebracht tot een bepaalde mate van inspanning.”(41)

De vijand wordt dus geïmiteerd in zijn matiging. Ik citeer nog een passage van Clausewitz die daarbij aansluit:

“Uit het karakter van de tegenstander, zijn organisatie, zijn situatie en de omstandigheden waarin hij verkeert, zal elk van beide partijen aan de hand van de wetten van de waarschijnlijkheid zijn conclusies trekken aangaande het handelen van de andere en het eigen handelen daarop afstemmen.”(42)

Deze hypothese van de wederzijdse matiging lijkt mij echter niet in staat te verklaren waarom de Fransen zo passief zijn in 1940. Persoonlijk stel ik een analogie voor met de interdividuele psychologie als verklaringsmodel. De Fransen zijn in 1940 defaitistisch. Om het op individueel vlak te zeggen, ze hebben een depressie. Een mens die teveel uitzichtloze conflicten heeft in zijn leven, waarvoor er geen arbiter is die ze tot een oplossing kan brengen, en daardoor eindeloos veel stress gehad heeft en tevens enorm veel inspanningen heeft moeten leveren om te strijden tegen zijn concurrenten, kan terecht komen in een toestand van moedeloosheid. De houding die zo iemand aanneemt is er meestal niet een van blije vergevingsgezindheid, van opoffering van zichzelf, maar eerder een soort onderdrukte irritatie, een gespannen defensieve attitude, dat wat psychiaters passieve agressie noemen.

De Fransen gedragen zich na 1918 volgens Girard met de “arrogantie van kleine overwinnaars”. (310) Ze willen eigenlijk vrede, maar toch bouwen ze heel wat fortificaties. Als de oorlog finaal uitbreekt, zegt Girard afgaande op zijn persoonlijke herinneringen, heerste er een bijna kafkaïaanse toestand van verlamming. Als je literatuur leest over die periode, bij voorbeeld Un balcon en forêt van Julien Gracq of de  beschrijvingen van Claude Simon over de gevechten in 1940, krijg je een idee van die moedeloosheid.

Ik weet niet of Clausewitz expliciet getheoretiseerd heeft over een dergelijke situatie. Ik heb nog te weinig van zijn tekst gelezen om daarover te spreken. Girard meent dat de term “gewapende observatie” van Clausewitz van toepassing is. Hij citeert ook Clausewitz begrip van de “kracht van de inertie” om de situatie in 1940 in Frankrijk weer te geven. (315) Ik heb daar een voorzichtige twijfel bij, en zoals gezegd zou ik het moeten nakijken in de tekst van de strateeg.

Er is nog een element dat de “étrange défaite” van Frankrijk verklaart. In 1936 trekt Hitler met zeer zwakke troepen het gedemilitariseerde Rijnland binnen. Het is zijn eerste slag tegen Frankrijk en breekt daaroor met het verdrag van Versailles dat na de eerste wereldoorlog gesloten was. Op dat moment hadden de Fransen kunnen reageren en hadden ze ongetwijfeld gemakkelijk de overwinning gehaald. De Franse president Sarraut kon daar echter niet toe besluiten omdat de Engelsen en vooral de Amerikanen blij waren met de economische heropstanding van Duitsland na de crisisjaren en geen nieuwe oorlog wouden. De Fransen zaten dus gevangen in een double bind.

Na de tweede wereldoorlog komt er echter een authentieke verzoening tussen Frankrijk en Duitsland, waarvan het symbool de ontmoeting is tussen Konrad Adenauer en Charles de Gaulle in 1958. Het is een ontmoeting die wederzijdse vergeving uitdrukt. Girard brengt het idee van de Europese verzoening  expliciet in verband met het katholicisme.

Achever Clausewitz is een erg rijk boek. Dus ik zou nog heel wat elementen van Clausewitz' theorie en voorbeelden van Girard kunnen aanhalen, maar ik stel voor het slagveld even te verlaten voor de toren van Hölderlin in Tübingen.

Hölderlin

Het hoofdstuk over Hölderlin, “Tristesse de Hölderlin” genoemd, is erg mooi. Het getuigt van een zekere ontroering. En het lijkt me interessant om de parellel die Girard trekt tussen Nietzsche en Hölderlin wat uit te diepen.

Wie in de biografie van Janz over de waanzin van Nietzsche leest en ook een verslag ter hand neemt van het geestelijk lijden van Hölderlin, zal grote overeenkomsten merken. Nietzsche en Hölderlin schreven allebei voor hun instorting over de hevige emoties van de manische depressiviteit. Beiden vielen uiteindelijk allebei op straat op door hun vreemde gedrag. Een bezorgde vriend raakte telkens gealarmeerd en de zieke werd in een reiswagen naar een psychiatrische inrichting gebracht waar hij een tijd geobserveerd werd. In beide gevallen is de vader reeds gestorven en de moeder betrokken bij het verhaal. In het geval van Nietzsche gaat die moeder en daarna de zuster hem verzorgen. Hölderlin wordt door de meubelmaker Zimmer in diens torenwoning liefdevol verzorgd. Zowel Nietzsche als Hölderlin zijn veel met de piano bezig, zijn vaak onrustig en zwijgen lange tijd.

Maar het zal weinig lezers ontgaan dat er ook een groot verschil is tussen de dichter en de filosoof. Daar waar Nietzsche voor de instorting volledig opgaat in zijn met name extreme politieke hoogmoed, is van Hölderlin geweten dat hij steeds op straat herhaalde dat hij geen jacobijn wou zijn. Hölderlin had heftige nationalistische gedichten geschreven die een mimetisch antwoord waren op de Franse revolutie. Maar juist voor zijn crisis, strijdt hij tegen zijn eigen nationalisme.

Net zoals Nietzsche had Hölderlin gedweept met de Griekse goden, maar merkwaardig genoeg duikt in de gedichten van juist voor zijn crisis, gedichten die hij vaak herschreven heeft, de figuur van Christus op.

Daar waar de biograaf Janz en anderen er geen twijfel laten over bestaan dat Nietzsche echt waanzinnig was, heerst er over Hölderlin op dat vlak bij de critici grote twijfel. Hölderlin had in de 36 jaar die hij in Tübingen, na ontslagen te zijn uit de psychiatrische kliniek, in de torenwoning doorbracht een zeer ceremonieuze manier om de bezoekers te begroeten. Hij sprak ze aan met “Heer baron” “Uwe heiligheid” enz. De vertaler van Hölderlins gedichten Ad den Besten, suggereert dat Hölderlin daarmee een afstand wou handhaven en  zegt zelf ook die afstand te willen eerbiedigen ten overstaan van Hölderlin. Dat respect nu voor de mens Hölderlin vinden we ook terug bij Girard die voor het schrijven van Achever Clausewitz de toren van Hölderlin in Tübingen bezocht heeft. Het mimetisme dat Hölderlin teweegbrengt bij deze twee navolgers is er een van ontroering en respect, wat veel zegt over het model Hölderlin.

Het woordt afstand levert ons hier een sleutel voor het probleem. In La violence et le sacré heeft Girard een analyse gemaakt van de Bacchanten van Euripides. Daar verschijnt Dionysus zelf op het toneel. Er is met andere woorden geen afstand meer tussen de heidense godheid en de mensen. Hoe kunnen we dit met Girards theorie begrijpen? Als in een sacrale cultuur een groep mensen in een mimetische crisis terecht komt, zal die crisis tot een oplossing komen door de uitdrijving van een zondebok, die als de rust is weergekeerd, vergoddelijkt wordt. Die vergoddelijkte zondebok wordt gezien als aanstichter en als bevrijder van het geweld. Wanneer die mensen opnieuw in een gewelddadige crisis terecht komen zullen ze het idee hebben dat de godheid-zondebok hen opnieuw bezoekt, hen komt straffen. Dat is de gewelddadige nabijheid van de heidense godheid.

Maar in de mimetische crisis is er nog een tweede vorm van nabijheid of gebrek aan afstand die daar mee samengaat en namelijk die tussen de mensen onderling. In het geweld van de mimetische crisis is iedereen aan elkaar gelijk. De afstand van het betekenisvolle verschil die de vreedzame omgang mogelijk maakt, is verdwenen. Gebrek aan afstand tussen de mensen houdt dus de aanwezigheid van de sacrale godheid in.

Het christendom en de evangelische Vader onderscheiden zich echter fundamenteel van Dionysus en de heidense sacraliteit. De imitatie van Christus zorgt er volgens Girard voor dat we op de juiste afstand komen van onze medemens, en dat we tevens de juiste afstand hebben ten overstaan van de godheid, namelijk de Vader. (220) De houding van Christus, zegt Girard, is er een van terugtrekking.

Nietzsche koos voor het Griekse heidendom en Dionysus tegen het christendom. Hölderlin daarentegen kiest finaal, ondanks de classicistische mode van zijn tijd, voor Christus. De dichter had begrepen dat je het Griekse heidendom niet moet gebruiken om het christendom aan te vallen, maar dat je beiden samen moet houden en bovenal dat het Christendom het heidendom definitief getransformeerd had. (223) Daardoor voorvoelde Hölderlin de waarheid, namelijk dat Dionysus het geweld was en Christus de vrede.(229) Wat betekende dat op existentieel vlak voor Hölderlin? De keuze voor Christus zorgt er uiteindelijk voor dat de mens Hölderlin ontsnapt aan de emotionele schommelingen waar hij heel zijn leven last van gehad heeft, vooral door zijn rivaliteit met en fascinatie voor Schiller en Goethe, beiden zowel model voor het dichterschap als obstakels op weg naar de roem. De dichter vindt echter finaal rust in de torenwoning te Tübingen door zijn imitatie van Christus.

Girard citeert onder andere de beroemde eerste regels van het gedicht Patmos van Hölderlin. Patmos is een Grieks eiland waar volgens de overlevering de evangelist Johannes het boek Apocalyps zou geschreven hebben. Girard vertelt dat feit niet, maar het is natuurlijk een leuk verband als je zelf een boek schrijft over de Apocalyps.

Dit zijn de eerste regels van het gedicht, eerst in het Duits en dan in het Nederlands in de vertaling van Ad den Besten.

“Nah ist

Und schwer zu fassen der Gott.

Wo aber Gefahr ist, wächst

Das Rettende auch.” (314)

 

“Nabij is

en moeilijk te vatten de god.

Waar echter gevaar is, groeit

het reddende ook.”(315)

Deze regels gaan over een nabije, maar moeilijk te vatten god. Girard beweert dat deze op tegenstelling berustende versregels niet de komst van Dionysus aankondigen, maar veeleer de terugkeer van Christus, omdat ze de relatie van teruggetrokkenheid en afstand uitdrukken die kenmerkend is voor de christelijk godheid. Als er een aanwezigheid van een godheid mogelijk is, dan moet dat wel een aanwezigheid zijn op de juiste afstand, en Christus zorgt voor die juiste afstand ten overstaan van het goddelijke. (223-224)

De volgende twee regels verklaart Girard als volgt: op het moment dat het gevaar het grootst is, het geweld en de waanzin dus, neemt ook de kans op redding door Christus toe. (229)

Girard citeert nog uitgebreid het gedicht “De enige” van Hölderlin waarin deze de dialoog tussen heidendom en christendom laat uitmonden in een keuze voor Christus. Het kan ook eens interessant zijn om te kijken naar de gedichten en brieven die Hölderlin geschreven heeft in de periode die hij in afzondering, in terugtrekking, doorbracht en waar Girard niet over spreekt. Ze maken, mijns inziens, duidelijk dat Hölderlin niet waanzinnig was. Ze vallen op door de bijna volkomen afwezigheid van de Griekse mythologische thema's en door de stille intimistische toon die wijst op een innerlijke rust . Ik vind ze erg mooi en ze getuigen van wat ik 'blije melancholie' zou durven noemen, of zelfs blije vrede.  Ik heb de indruk dat Hölderlin bewust afstand genomen had op dat moment van de emotionele opwinding.

Dank u voor uw aandacht.

-----------------------------------------------------------------------

Bibliografie

De paginanummers verwijzen naar de volgende uitgaven:

Clausewitz Carl von, Over de oorlog, vertaald door Hans Hom, Het werldvenster, 1982, Bussum;

Girard René, Achever Clausewitz, Entretiens avec Benoît Chantre, carnetsnord, 2007, Paris.

Hölderlin Friedrich, Gedichten, vertaald, ingeleid en toegelicht door Ad den Besten, de Prom, 1988, Baarn.



[1]    http://en.wikipedia.org/wiki/Battle_of_Valmy 

   SITEMAP Girard Studiekring