Vrije Universiteit > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
Robert Lemm over Joseph de Maistre
Onderstaand artikel vormt de inleiding op het boek De
avonden in Sint-Petersburg, gesprekken over hoe de Voorzienigheid de wereld
bestuurt, Uitgeverij Klement/Pelckmans, Kampen, 2003.
De bewonderaars
In zijn Exercices d'admiration (1986) schrijft de
statenloze filosoof E.M. Cioran, die zich laat typeren als een `mysticus zonder
God', een bewonderend essay over Joseph de Maistre. Wie hij bewondert, is de
stilist, en ook de `reactionair' die hem en onze humanitaire, pacifistische
mentaliteit prikkelt met een politiek uiterst incorrecte denkwijze, maar die
hij, tenslotte, toch verwijt, tegen beter weten in, `een goede God aan te hangen
in een wereld die door het kwaad wordt beheerst.' Voltaire zei het al in zijn Candide
(1759), en sindsdien hebben de verlichters niet afgelaten te roepen: dat rampen
en oorlogen die onschuldigen treffen, bewijzen dat God, indien Hij mocht
bestaan, een brok onverschilligheid of een wreedaard is.
De
reactionair is voor Cioran een `uitbuiter van het verschrikkelijke';zijn denken
is `een belasteren van de tijd'. De `revolutionair' daarentegen, ziet in de
chronologische opeenvolging een verrijking, of een vruchtbare ontwrichting. Voor
de reactionair gaat het alleen om de `eeuwigheid'; geschiedenis is herhaling;
vernieuwing en beweging beschouwt hij als futiel. Theocratie is bij uitstek des
reactionairs. De reactionair speelt op de angst van de mens. Indien - redeneert
Cioran - de eeuwigheid het doel is, wordt ons uiteindelijke lot bepaald door ons
gedrag op aarde, en aldus kan men `s mensen doen en laten verklaren uit vrees
voor straf en verlangen naar beloning. De reactionair verzuimt mee te bouwen aan
een draaglijkere wereld. In het zicht van de werkelijkheid benadrukt hij de
dreiging van het ergste, en vandaar zijn apocalyptische visie, zijn aankondiging
van het einde - waarvan hij in de Revolutie de voorbode zag. Maar, oordeelt
Cioran uit naam van de ganse Moderniteit: de Revolutie was nodig om een eind te
maken aan een niet meer geloofwaardige orde, aan een dood bestel. Dat zulks
alleen met geweld kon, ligt in de aard der dingen; dat zulks het aanschijn van
een terugslag aannam, bevreemdt niet, want sprongen voorwaarts gaan gepaard met
periodieke regressie. De reactionair daarentegen, slaat voortdurend de hoop op
vooruitgang de bodem in door op het ijdele van veranderingen te wijzen, door
politieke omwentelingen als dromen af te doen. Resulteert dat niet
- voor een vrije geest als Cioran die wars is van ideologieën, maar die
de wereld niet wil verzaken - in kiezen voor hetzij de wanhoop, hetzij
opportunisme? Joseph de Maistre vermeed beiden door vast te houden aan de
godsdienst. Cioran noemt hem de Machiavelli van de theocratie. Op grond waarvan
- hamert hij namens de humanistische tijdgeest - veroordeelde hij de guillotine
van de Revolutie en verdedigde hij de brandstapel van de Inquisitie? Het
antwoord luidt dat de Guillotine werkt zonder aanzien des persoons, terwijl de
Brandstapel iedereen met naam en toenaam, na lange verhoren, executeerde, dus de
menselijke individu erkende. Volgt men die redenering, dan kan men genocide
definiëren als het van staatswege, planmatig uitroeien van groepen van anonymi;
hetzij klassen, hetzij ethnisch. En dat is iets nieuws, iets dat begon met de
installatie van de Valbijl - vijfhonderd adellijke onthoofdingen per dag was
technisch mogelijk - en de liquidatie van honderdduizend koningsgetrouwe boeren
in de Vendée. Dat dit systeem leidde tot Auschwitz, de Goelag Archipel, Mao's
Culturele Revolutie en Pol Pots Killing Fields behoort dan tot die fameuze
regressie die we volgens de verlichters en hun napraters maar op de koop toe
moeten nemen, en zo klonk er bij de tweehonderdste verjaardag van de Franse
Revolutie in 1989 nauwelijks een dissonant geluid. We blijven tegen beter weten
in geloven aan de maakbaarheid van de samenleving, en het providentialisme
van een De Maistre vinden we lachwekkend middeleeuws en te achterhaald om
serieus te nemen. Ziedaar onze intelligentsia.
Cioran
meende, in navolging van vroege romantici als de dichter William Blake en de
anti-kantiaanse filosoof Johann Georg Hamann, dat de wetenschap de boom des
doods is die ons van de boom des levens beroofde. Hierin stemt hij, zonder dat
hij het in zijn bewonderend essay toegeeft, overeen met De Maistre. Isaiah
Berlin, Maistres andere moderne bewonderaar, acht juist diens scepticisme ten
aanzien van de wetenschap bezwaarlijk. Voor hem is De Maistre een exponent van
een verwerpelijk `irrationalisme'. Berlin is het type van de liberale agnost.
In The Crooked Timber of Humanity staat het betreffende essay dat van
1960 dateert, maar pas in 1991 het licht zag. Onomwonden prijst Berlin zijn
sublieme taal, zijn vlijmscherpe ironie en zijn oorspronkelijkheid - waarin
hij Edmund Burke, vader van het conservatisme, overtreft. Qua stijl doet hij
niet onder voor Voltaire. Maar hij is `de vader van het fascisme'! Dat is De
Maistre, zoals straks zal blijken, pertinent niet. Berlin bespeurt in de
Romantiek die door de Verlichting heen baanbrak, de dageraad van dat gevaarlijke
nationalisme tegen het verstandige universalisme of kosmopolitisme. Van dat
laatste is hij een adept, en in het fascisme proeft hij de uiterste consequentie
van de ontdekking van het `ik' opgeteld bij die van `volk', zoals na de val van
Napoleon in de Duitse contreien onder inblazing van Fichte. Johann Gottlieb
Fichte is zowel de dweper van de 'Rede an die deutsche Nation' (1808) als de
propagandist van het `subjectivisme'. Volgens de irenische Britse filosoof
Betrand Russell krijg je `fascisme' indien je Fichte verbindt met de auteur van On
Heroes and Hero-Worship (1840), Thomas Carlyle. Isaiah Berlins onderkoelde
fascinatie wortelt nu juist in het feit dat hij in De Maistre, naar het
voorbeeld van Carlyle, een `genie' herkent, waarmee je het niet noodzakelijk
eens hoeft te zijn. De genieëncultus, eveneens een product van de Romantiek,
houdt in dat je iemand mag bewonderen, los van zijn geloof. Zo kon de Spaanse
filosoof Unamuno Maarten Luther samen met Ignatius van Loyola tot held
uitroepen, terwijl hij beider volgelingen verachtte. Berlin en Cioran doen iets
dergelijks: ze veroordelen De Maistre omdat hij aan `de verkeerde kant staat':
de kant van de reactionairen, traditionalisten, conservatieven en eventueel
fascisten. Maar wat een denkkracht!, wat een verwoording!, wat een superieure
kijk! Ver torent hij uit boven de trendvolgers en meelopers aan de `goede kant',
die van Verlichting en vooruitgang, van vrijheid, gelijkheid, democratie en
internationale broederschap.
Het
geheim is, dat de bewonderaars - diep in hun hart - Joseph de Maistre gelijk
geven. Maar dat durven ze natuurlijk niet openlijk te bekennen. Een ander geheim
is dat de middelmatigen, die de Publieke Opinie smeden, zich schroomvallig aan
de gevestigde canon houden, domweg de guts missen om een Maistre te savoureren
en bijgevolg hun eigen tijd niet kritisch kunnen beoordelen.
Levensschets
Joseph-Marie, Comte de Maistre, werd in 1753 geboren in
Chambéry, hoofdstad van Savoye - dat met Piemonte (Turijn) en het eiland
Sardinië een zelfstandig koninkrijk vormde. Hij was de oudste van tien
kinderen; zijn in 1778 in de adelstand verheven vader was voorzitter van de
Senaat. Zijn opleiding genoot hij bij de jezuïeten, zijn ouders brachten hem
een even intense liefde voor de religie als afkeer voor de achttiende-eeuwse
filosofie bij. Op zijn twintigste deed hij zijn intrede in de magistratuur, zes
jaar later promoveerde hij tot assistent van de landsadvocaat en in 1788
benoemden ze hem, vijfendertig jaar oud, tot senator. In de tijd dat hij carrière
maakte, was hij lid van de vrijmetselarij - iets dat verwondert bij iemand die
zal uitgroeien tot een van de grootste katholieke apologeten van de laatste
eeuwen; maar toentertijd was het tamelijk gewoon dat adel en clerus de loges
platliepen om op de koninklijke macht af te dingen en het wereldraadsel te
doorgronden. In die sfeer moet hij hebben kennisgemaakt met de persoon of het
werk van een voorman der zogeheten `illuminaten', de providentialist Louis
Claude de Saint-Martin (1743-1803) - vertaler van de Duitse theosoof Jakob Böhme
en soms in een adem genoemd met de Zweedse wetenschapper en visionair Emanuel
Swedenborg -, over wie een en ander is te lezen in de Soirées de Saint-Pétersbourg.
In
1789 brak in Frankrijk de Revolutie uit. Heel even had hij gesympatiseerd met
die krachten die koning Lodewijk XVI aanzetten de Staten-Generaal bijeen te
roepen, maar toen tijdens de daarop volgende disputen en chaotische taferelen te
Versailles bleek hoe onder schoonklinkende idealen als vrijheid, gelijkheid,
broederschap en mensenrechten de demonen van de demagogie, de klimdrang, de
corruptie en het sadisme hun ketens hadden afgeworpen, keerde hij zich voor goed
tegen de Revolutie en alles in haar kielzog.
In
1792 vielen de Fransen Savoye binnen. Joseph de Maistre vluchtte naar het
Zwitserse Lausanne, waar hij in diplomatieke dienst van zijn koning bleef, en
hier schreef hij het pamflet waarmee hij direct furore maakte, de Considérations
sur la France, in het Nederlands to-the-point weergegeven met De
Satanische Revolutie. Na enige tijd als verarmde edelman in Venetië te
hebben doorgebracht, benoemde de regering van Sardinië hem in 1799 tot
groot-zegelbewaarder en, een paar jaar later, tot gevolmachtigd minister aan
het Russische hof te Sint-Petersburg. Hier verbleef hij van 1803 tot 1817.
Ofschoon het land dat hij vertegenwoordigde weinig voorstelde, en bovendien door
Napoleon was bezet, was hij een geziene gast in de behoudende en tot mystiek
geneigde kringen rond tsaar Alexander I en Madame de Krüdener. Hier pleitte hij
onder meer voor toelating van de jezuïeten die sinds 1773 door de paus van Rome
waren opgeheven en doelloos, ondergedoken door Europa zwierven en die om hun
know-how een niet te versmaden zegen konden zijn voor het Russische onderwijs.
Terug
in Turijn, bekleedde hij de post van minister van Staat en bewaarder van het
Groot-Zegel tot aan zijn dood op 26 februari 1821.
Werken
In 1790 nationaliseerde de Franse staat de kerkelijke
bezittingen, priesters moesten de eed op de grondwet afleggen en werden
staatsambtenaren; wie dat niet wilde, ging ondergronds, of emigreerde. Een paar
jaar later vond de geruchtmakende moord op de karmelieten plaats die trouw waren
gebleven aan Rome. In 1793 trad het zogeheten Comité van het Openbaar Welzijn
in werking, ofwel de arbitraire staatsterreur onder leiding van de wrokkige
advocaat Robespierre - een hels genie volgens Maistre, die evenwel kort daarop
door de krachten die hij zelf had ontketend zou worden meegesleurd. De conclusie
dat de Revolutie haar eigen kinderen verslindt, treft men in de Considérations
sur la France van 1794. In de als satanisch betitelde omwenteling herkent
Joseph de Maistre een straf voor de ontaarding door de Verlichting, door de
sofisten die uit zelfhaat aan de Engelse ziekte leden, ofwel een regeringssysteem
met meer verdeling van de macht ambieerden. Ze vergaten, aldus Maistre, dat het
woord `burger' eerder in Frankrijk dan in Engeland bestond. Ergerlijk nog is de
`gelijkheidsfilosofie'. De mensen zijn namelijk niet gelijk; voor de wet
weliswaar, maar niet qua talenten en middelen. Dat de belangrijkste ambten voor
een simpel burger moeilijk te bereiken waren, was zeer redelijk - stelt Maistre:
er is te veel beweging in de staat, en te weinig dienstbaarheid wanneer allen op
alles aanspraak kunnen maken; als ambten voor iedereen toegankelijk worden,
dalen ze in waarde en vernobelen ze hun bekleders niet langer. In de gelijkheidsdrang,
met bijbehorende mentale inflatie, peilt Maistre het ressentiment, waarvan
Jean-Jacques Rousseau de vader is. Diens halve waarheden legt hij meedogenloos
op de snijtafel. Gelijkheid is onnatuurlijk; het geluk van de meerderheid willen
aanzwengelen via representatieve vertegenwoordiging, is pure verbeelding, louter
papier. Dat vrijheid en deugd zouden kunnen samengaan, is een grove miskenning
van de menselijke natuur. Dat vrede al evenmin iets meer is dan fantasie,
bewijst de geschiedenis. Want oorlog is de gebruikelijk toestand, en vrede
hoogstens een korte adempauze. Oorlog corrigeert, zuivert, snoeit onophoudelijk
de mensenboom, en dat alles moet om ongestrafte overtredingen uit te boeten
doordat liefst schuldelozen het lijden vrijwillig op zich nemen. Wereld betekent
`warre-old', `old in wars'; wereld is synoniem met oorlog; de aarde is een
permanent altaar van bloed. Onschuld boet voor misdaad, ziedaar de grondgedachte
van Maistres wereldbeschouwing.
`Alle
grote mensen zijn intolerant geweest, en dat is maar goed ook.' Met dat citaat
opent de graaf zijn Brieven aan een Russisch edelman over de Spaanse
Inquisitie uit 1815. Dat gevreesde instituut was in 1812 in Cádiz
afgeschaft door Spaanse verfransten die met behulp van Britse vrijdenkers
Napoleon bestreden. Verderfelijk waren de Franse ideeën van de Achttiende Eeuw,
verderfelijk was het daaruit voortgekomen liberalisme, een stroming die de
Waarheid overliet aan het privé-oordeel en aldus een arrogante, door de
filosofen Francis Bacon en David Hume opgestarte twijfelzucht deed bezinken in
de breinen van lagere opiniemakers. Tegen hun goddeloze kilte prijst Maistre het
Heilig Officie dat de religie beschermde tegen de drogredeneringen, en dat
daarbij soms onschuldige slachtoffers vielen rekent hij de Staat aan, veeleer
dan de Kerk. Wat de joden betreft, die zaten nooit ergens veiliger dan onder de
vleugels van Rome. Montesquieu en Voltaire, voorvechters van de onvolprezen
Tolerantie, hebben van de Inquisitie een karikatuur gemaakt zonder dat zij zich
in de betreffende historische omstandigheden verdiepten. `Er zijn in alle eeuwen
bepaalde ideeën geweest die de mensen slikten en die niet ter discussie
stonden: die moet je òf het mensdom in het algemeen verwijten, òf je moet ze
niemand verwijten', stelt Maistre droog vast. Het door de Franse intellectuelen
ziekelijk geadoreerde Engeland vervolgde de Geopenbaarde Waarheid, terwijl
Spanje ervoor bloedde. Engeland was alleen geïnteresseerd in handel en materiële
welvaart. Maistre waarschuwt het Russische hof niet voor de liberale mode te
zwichten.
Du
Pape (Over de Paus), dat tussen 1817 en 1820 ontstond, beleefde
verscheidene, aangevulde herdrukken in de tijd van de Heilige Alliantie, het
verbond van Europese vorstenhuizen dat zich na het Congres van Wenen (1815)
keerde tegen het Britse liberalisme met z'n vrijhandel, z'n parlementair
stelsel, z'n overlaten van de godsdienst aan ieder persoonlijk - alhoewel
georganiseerd binnen een door de staat gedomineerde kerk. Maistre bepleit de
supervisie van de paus van Rome over de verschillende staten. De godsdienst mag
niet afhankelijk worden van plaatselijke grondwetten en regeringen; dus geen
Anglicaanse, geen Lutherse, geen Nederlands-Hervormde en ook geen Galllicaanse
kerk. Ultramontaans, `ultra montes' of `overbergs' dient de Kerk te zijn,
zoals in de Middeleeuwen. Katholiek is universeel, niet nationaal. Het type
`universalisme' dat Isaiah Berlin aanhangt, het kosmopolitisme van Goethe en
andere supermensen kristalliseerde mettertijd uit in achtereenvolgens de
Volkerenbond en de Verenigde Naties. Scheiding van kerk en staat wilde in de
gang daarheen iedereen, maar volgens Maistre is die scheiding tegennatuurlijk,
en daarin galmen twee profetische geesten hem na, de Spanjaard Juan Donoso Cortés
in Katholicisme, liberalisme, socialisme uit 1850 en de Rus Wladimir
Solowiew in Rusland en de universele Kerk uit 1889. De Kerk heeft de
wereld verzacht en waar zij moet terugtreden, zullen het oerwoud van de
zelfzucht en de verslaving aan de staat elkaar afwisselen. Is God een
particuliere aangelegenheid, wat is dan de openbare, algemene aangelegenheid,
datgene wat ons allen bindt? Dat is het Geld, het economisme. Hoewel tegen die
verwording de fijnzinnigsten in de Negentiende Eeuw hun stem verhieven, voelden
de meesten weinig voor Rome, en de term ultramontaans kreeg een negatieve
bijsmaak, heette `paaps'. Ontegenzeggelijk is anderzijds dat de rol van de
nationale kerken met het vorderen der jaren in betekenis afnam en dat de
Wereldraad van kerken die tenslotte parallel aan de Verenigde Naties opdoemde,
een wassen neus is.
De
avonden in Sint-Petersburg (Les soirées de Saint-Pétersbourg) uit 1821 is
zonder enige twijfel Maistres meesterwerk, ofschoon het door zijn dood
onvoltooid bleef. Dieper dan in zijn voorafgaande boeken, komt hier de grond van
het verval aan de orde. De verlichte, liberale, democratische mens, de nieuwe
mens die uit de Revolutie van 1789 is opgerezen, gelooft niet meer - in het
algemeen althans, voor zover hij representatief is, de Staat vertegenwoordigt -
in de bovennatuurlijke werkelijkheid. Hij probeert de natuur uit de natuur te
verklaren. Het extreme rationalisme en materialisme - te zien in de verafgoding
van technologie en economie - heeft als reactie via de Romantiek een golf van
occultisme, spiritisme, piëtisme, escapisme en gevoelschristendom
teweeggebracht. Rationalisme lokt irrationalisme uit, ongeloof leidt tot
bijgeloof. Wat inboet, is het Ware Geloof gebaseerd op redelijke grondslag, het
christendom zoals dat in de loop der eeuwen via de kerkvaders en de scholastieke
filosofie tot een hecht bouwwerk is uitgegroeid. De Negentiende Eeuw geeft
enerzijds positivistische agnosten te zien, anderzijds zweverige, christelende
theosofen. Tegenover een steeds platvloerser sciëntisme manifesteert zich een
steeds ongebondenere, antidogmatische en voor alles openstaande religiositeit -
tot en met de huidige spiritualiteit en new age. Wat afbrokkelt, is de
christelijke staat. Ongeloof en bijgeloof zijn de twee sociale ellenden die
Joseph de Maistre bestormt.
Posthuum,
in 1836, verscheen zijn Onderzoek naar Bacons filosofie. In de Engelse
staatsman Francis Bacon (1561-1626) met zijn overwaardering van het
proefondervindelijk experimenteren, zijn scepticisme - Wat is waarheid?,
vraagt hij, met Pilatus, in het eerste van zijn Essays - en zijn pre-maçonnieke
aanjagen achter een, zogenaamd door de rooms-katholieke Kerk verdonkeremaand
oerweten herkent Joseph de Maistre de heraut van de achttiende-eeuwse deïsten
en encyclopedisten. De Verlichting verafschuwt hij uit de grond van zijn hart,
en daarvan is de Reformatie de baarmoeder. Het protestantisme is voor hem niet
alleen een godsdienstige, maar bovendien een politieke en een filosofische
ketterij.
De ontvangst
Toch zaten de katholieken helemaal niet op deze apologeet
te wachten, iets wat hij zelf trouwens voorzag. De katholieken waren namelijk al
in zijn tijd op weg wereldvreemde angsthazen te worden. Vooral wie met de
scheiding van Kerk en Staat genoegen namen, of probeerden het katholicisme te
koppelen aan achtereenvolgens het liberalisme, het socialisme en het modernisme
zijn niet blij met Joseph de Maistre. De echt groten omhelsden hem: Balzac,
Baudelaire en Bloy voorop. De mindere goden misbruikten zijn ideeën, zoals
Charles Maurras, de man van de katholiek-nationalistische - en door paus Pius XI
veroordeelde - Action française, en de ideoloog van de Duitse
nationaal-socialistische staat Carl Schmitt. Degenen die, zoals Isaiah Berlin,
Maistre aanwrijven de grondlegger van het fascisme te zijn, vergeten dat voor
hem de godsdienst centraal stond, en dat hij bovendien een hartstochtelijk
verdediger was van de monarchie met erfopvolging. Haal je God en Koning weg, en
beroep je je vervolgens op een eenmansgezag - Napoleon was voor hem weliswaar
een heilzame straf van de hemel, maar als persoon niet meer dan een Corsicaanse
gendarme, een parvenu, illegaal dus -, dan kun je inderdaad zoiets als fascisme
krijgen, maar wie daartoe dan Maistre als ideoloog claimen, doen hem wel heel
veel geweld aan. Joseph de Maistre, en ook zijn Spaanse evenknie Juan Donoso
Cortés, staan voor het traditionele gezag gebaseerd op providentiële
religieuze legitimiteit, zoals met overtuiging is aangetoond door Alberto
Spektorowski in Maistre, Donoso Cortés, and the Legacy of Catholic
Authoritarianism. Schmitt koppelt het leger los van de Voorzienigheid Gods
om het te verbinden met contra-revolutie en onwettigheid. Zonder God is geen
enkele politiek te rechtvaardigen. Schmitt beroept zich op Donoso Cortés'
gedogen van dictatuur, maar hij ziet over het hoofd dat voor de Spanjaard de
dictator opereert namens een zwakke monarch, en dat gold zowel voor Espartero
als voor Primo de Rivera en voor Franco. Alle drie de dictators respecteerden de
koninklijke, uiteindelijk van God gegeven autoriteit. De traditionalistische
dictatuur is een samengaan van leger, altaar en troon. Dat is iets anders dan
Hitler of Mussolini, die de laatste twee componenten missen. Joseph de Maistre
en Juan Donoso Cortés wijzen vooruit naar een situatie waarin, concludeert
Spektorowski, de keuze niet is tussen liberalisme en tirannie, maar veeleer
tussen een autoritaire legitieme bestuursvorm en totalitaire tirannie in de vorm
van volksdemocratie, socialisme of fascisme.
Zowel
traditionalistische als progressieve katholieken hebben moeite met Maistre. De
eersten wantrouwen überhaupt iedere kennis. Sinds de filosofen van de
Verlichting de godsdienst diskwalificeerden, heeft Rome de wetenschap, vooral
de speculatieve, niet bepaald hoog in het vaandel gehad. De Engelse kardinaal
John Henry Newman is met zijn Idea of a University (1852) niet als een
held de Moederkerk binnengehaald. Geleerdheid kenmerkte heel wat heiligen tot en
met de zestiende eeuw; de laatste paar eeuwen bewogen verreweg de meeste
voorbeeldfiguren zich louter op het sociale vlak. Geleerdheid is niet alleen
niet gewenst, maar zelfs verdacht. In zijn Onderzoek naar Bacons filosofie
poneerde Maistre dat het gezag, en in het bijzonder het kerkelijk, zich
onbevreesd tegen nieuwlichterijen moet verzetten zonder de angst daardoor de
ontdekking van een paar waarheden te vertragen, wat een voorbijgaand en tamelijk
onbelangrijk ongemak is vergeleken met het verzwakken van bestaande instituties
en gevestigde opinies. De taak van de katholieke intellectueel is dus het
geloofsgoed te bewaken en te verdedigen. Maar dan moet men doorkneed zijn in de
leer van de Kerk en daarmee de wereldse ideologieën en theorieën doorlichten.
De
katholieke Kerk is echter in toenemende mate meegegaan met de wereld, tot in de
diepte van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-66), waarmee heel veel van wat
ooit heilig heette overboord is gezet. Pius IX verzette zich nog met zijn Syllabus
errorum (1864) tegen liberalisme en socialisme; vanaf Leo XIII (De rerum
novarum, 1891) bevindt het katholicisme zich - met de korte onderbreking van
Pius X, die begin vorige eeuw het modernisme veroordeelde - op het hellend vlak;
na de waarde van de arbeid, kwam de waardigheid van de mens, en daarmee de
vrijheid van godsdienst en tenslotte beweerde Rome wat de humanisten al honderd
jaar eerder beweerden. In plaats van heroïsch in de oppositie gaan, deed men
water in de wijn om toch maar aan het beetje overgebleven macht vast te houden.
De
moderniserende katholieken, van de andere kant, deden iets nieuws. Doorgaans
hebben in het verleden alle heterodoxen geprobeerd aan te tonen dat de
godsdienst de kerk niet nodig heeft, en wat je dan kreeg waren alternatieve
kerken, sekten. De modernisten van de jaren zestig van de vorige eeuw traden
niet uit de Kerk, maar probeerden de Kerk naar hun eigentijdse hand te zetten,
en gezien het Tweede Vaticaans Concilie zijn ze daarin aardig geslaagd. Joseph
de Maistre was voor hun voorlopers al onaanvaardbaar. De neo-thomisten - paus
Leo XIII had Sint Thomas van Aquino in 1879 tot patroon van de katholieke
wijsbegeerte uitgeroepen - konden geen enthousiasme opbrengen voor Maistre als
kanon tegen de atheïstische en deïstische filosofen. In hun streven het geloof
op droge logica te gronden, voelden de academische theologen zich verheven boven
een Maistre die in hun ogen nog te veel romanticus in de trant van Chateaubriand
was, zo iemand die ze meenden te kunnen bezweren door hem bij `alleen maar de
vroomheid van het hart' in te delen. Ze vonden hem bovendien `pessimistisch', en
konden niet uit de voeten met dat ultramontaanse. Zeker in Nederland,
waar de eeuwen lang onderworpen katholieken bezig waren te emanciperen en
daarbij, tegen de liberalen, de steun van de protestanten behoefden, was ultramontaans
een vies en gevaarlijk woord, net zo erg als `jezuïtisch', of `caesaro-papisme'.
De katholieken distantieerden zich maar liever van De Maistre, ze stonden
sociaal te zwak om zich bewondering te kunnen veroorloven. De protestantse
voormannen, Groen van Prinsterer en Abraham Kuyper, konden Maistre waarderen om
zijn anti-revolutionaire elan, maar waar hij de Revolutie in het verlengde van
de Reformatie zag, moesten ze natuurlijk afhaken; ze hadden dan meer aan Edmund
Burke. Utopische socialisten als Proudhon, Fourier, Saint-Simon en Lamennais
dweepten soms met De Maistre vanwege zijn afkeer van het liberalisme en het
daarmee gepaard gaande vrije ondernemerschap en de ongecontroleerde
kapitaalstroom. Een goed georganiseerde maatschappij is voor de zwakken
onontbeerlijk.
Conservatief
kun je Joseph de Maistre niet noemen. Benamingen als anti-revolutionair,
reactionair, traditionalist schieten eveneens te kort. Providentialist is hij.
Een profeet dus. Wie hem bijzonder daarin heeft nagevolgd, is Léon Bloy
(1846-1917). De oorlog als een satanische uitzuivering en de duiding van de
Geschiedenis als een geheimschrift waarvan de diepere bedoelingen binnen Gods
plan ons ooit zullen worden geopenbaard, zijn onderdeel van een visie die tot
tal van gissingen mag leiden, maar die in het huidige postmoderne klimaat van
troost zoeken bij mini-idealen, verkokering en vakidioterie, van steeds meer van
steeds minder weten, relativisme en subjectivisme een gezonde correctie kan
zijn. Joseph de Maistre was wellicht de eerste theoloog van de politiek in de
moderne tijd, en in die functie kan hij een gids zijn in de duisternis van het
huidige pluralistische, multiculturele labyrint waarin de meest verantwoordelijken
tevergeefs speuren naar normen en waarden zonder dat zij schijnen te beseffen
dat die wortelden in het christendom, in het universele dus katholieke
christendom dat de belangrijkste pijler is van de westerse beschaving, een
beschaving die volgens De Maistre niet moet stuklopen in een uniform Europa,
maar openbloeien in een divers Europa waar ieder volk zijn eigen ontwikkeling
volgt. Want voor God vertegenwoordigt iedere natie iets unieks, als een letter
zonder welke het alfabet niet compleet is.
Vertaling
De Nederlandse vertaling van Les soirées de Saint-Pétersbourg
is geen integrale. Uitweidingen die te veel verklarende noten hadden gevergd in
verband met schrijvers en zaken die onze tijd niet veel meer zeggen, zijn
weggelaten. Ook zijn passages die voorbeelden geven bij stellingen, vooral
wanneer ze te uitvoerig werden, overgeslagen. Waar nodig, zijn de delen
overbrugd door navertelling van het tussenliggende. De betoogtrant blijft, waar
het hoofdzaken betreft, ononderbroken overeind. Al te retorische omhaal hier en
daar in de oorspronkelijke tekst is in het Nederlands zodanig versoepeld dat de
lezer de inhoud, de boodschap ongestoord tot zich kan nemen.
Robert Lemm, Amsterdam, januari 2003
Summiere bibliografie
- Joseph de Maistre. An Intellectual Militant,
Richard Lebrun, McGill-Queen's University Press, Kingston/Montreal, 1988.
- Joseph de Maistre, De la souveraineté du peuple. Un
contrat anti-social, Jean-Louis Darcel, Presses Universitaires de France,
1992.
- Maistre, Donoso Cortés and the Legacy of Catholic
Authoritarianism, Alberto Spektorowski, Journal of History of Ideas, Tel
Aviv University, 2002.
- Een moderne kritische uitgave van Les soirées de Saint-Pétersbourg verscheen bij uitgeverij Slatkine te Genève in 1993 van de hand van Jean-Louis Darcel.
-
Een Nederlandse vertaling
van Les considérations sur la France maakt deel uit van de serie
Maatstaf van uitgeverij Aspekt, ingeleid en vertaald door Roeland Audenaerde
onder de titel De Satanische Revolutie, 2003.