VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > > Online teksten      

 

 

André Lascaris  

 

 

VERGELDING EN VERGEVING IN BIJBELS-THEOLOGISCH PERSPECTIEF

 

Lezing Leuven 1 maart 1995, later met enkele wijzigingen verschenen in: Roger Burggraeve & Johan de Tavernier, Terugkeer van de wraak? (Averbode/Baarn: 1996)

 

 

Tussen de huizen werd het laatste nieuws via de ramen uitgewisseld:
"Heb je het gehoord, Gjorg Berisha heeft Zef Kryeqyqe gedood."
"Gjorg Berisha heeft het bloed van zijn broer gewroken."
"Zullen de Berisha's om het vierentwintigurige bestand vragen?"
"Ja, natuurlijk."

Door de ramen van de kulla's (torenvormige huizen) was de drukte in de dorpstraten merkbaar. De avond was nu volledig gevallen. Het licht van de fakkels werd zwaarder, alsof het stolde. Langzamerhand kreeg het een donkerrode kleur, als de lava van een vulkaan, zo juist opgeweld uit een mysterieuze diepte. De vonken spatten in het rond als voorbo­den van het te vergieten bloed.

Vier mannen, van wie één op leeftijd, liepen naar het huis van de dode.
"De bemiddelaars gaan de vierentwintigurige bessa voor de Berisha's vragen," zei iemand vanuit een raam.
"Zullen ze die geven?"
"Ja, natuurlijk."
Toch namen de leden van de Berisha-clan veiligheidsmaatregelen. Hier en daar hoorde je stemmen: "Murrash, kom vlug naar huis. Cen, sluit de deur. Waar is Prenga?"

De deuren van de huizen van alle nabije en verre verwanten werden gesloten, want vlak na de moord was een gevaarlijk moment, als de familie van de dode nog geen van de bessa's gegeven had en de Kryeqyqes, nog verblind door het pas vergoten bloed, krachtens de Kanun het recht hadden wraak te nemen op welk lid van de Berisha-familie dan ook.

 

 

Deze tekst is een fragment uit het eerste hoofdstuk van de roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare Een breuk in april (van Gennep, Amsterdam, 1992). De roman heeft als thema de bloedwraak zoals deze nog in de dertiger jaren van deze eeuw in de bergen van Albanië gebruikelijk was. Kadare beschrijft een samenleving die in onze ogen macaber en barbaars is. De bloedwraak is een plicht, vastgelegd in de 'Kanun', de codificatie van het gewoonterecht. Ze is omgeven door talloze regels. Het slachtoffer moet op de rug gelegd worden met het geweer bij zijn hoofd. Van de dader wordt verwacht dat hij de begrafenis van het slachtoffer bijwoont. Er is een vierentwintigurig bestand, een dertigdaags bestand, er zijn wegen of bepaalde stukken daarvan waarop volgens een eeuwenoude overleving geen moord mag plaats vinden. Voor elke bloedwraak moet bloedgeld aan de lokale heerser betaald worden. Er zijn kleine burchten waarin de bloedwrekers zich levenslang kunnen opsluiten. Het is mogelijk de bloedwraak te beëindigen: maar er hoeft maar één mannelijk lid van de familie tijdens de ceremonie 'neen' te zeggen, en de bloedwraak gaat door. In de roman van Kadare is de bloedwraak al zeventig jaar oud. De familie Berisha had een vreemdeling geherbergd. Gjorg Berisha's grootvader had hem uitgeleide gedaan, zich omgedraaid, en toen was de vreemdeling doodgeschoten door een lid van de familie Kryeqyqe. Omdat de vreemdeling achterover was gevallen met het gezicht naar het dorp gericht, moest de familie Berisha de plicht tot wraak overnemen die normaal aan de familie van het slachtoffer opgelegd was.  

 

 

De inperking van de wraak

 

 

Hoe gruwelijk de bloedwraak ook is, zij is een manier om recht te doen. Ze perkt de wraak in en voorkomt een situatie, waarin iedereen iedereen vermoordt. Vrouwen en kinderen mogen niet getroffen worden door bloedwraak, er zijn bepaalde tijden en plaatsen voor de bloedwraak, er zijn zelfs regelingen om haar te beëindigen. Dit alles maakt de bloedwraak echter tegelijk nog meer tot een heilige plicht. We mogen oprecht blij zijn dat wij in een maatschappij leven waarin de bloedwraak niet meer bestaat. Wij hebben een systeem ontwikkeld waarbij de wraak uit de handen van het slachtoffer wordt genomen en overgenomen door de staat en zijn rechtbanken. Dit is mogelijk geworden, omdat wij een centraal gezag hebben dat voldoende greep heeft op minderheden en individuen. Het geweld dat voortkomt uit de dorst naar gerechtigheid en recht moet gaan scheppen, wordt niet meer uitgeoefend door een individu of door een familie, maar door die instantie, die nu het monopolie heeft op het gebruik van geweld, de staat. In het Nederlands recht is het zo dat het slachtoffer bij de procesgang nauwelijks een rol speelt; hoogstens kan het slachtoffer optreden als getuige. In andere landen in West-Europa kan het slachtoffer vaak een actievere rol spelen. De doodstraf is in West-Europa afgeschaft, of bestaat alleen nog maar op papier zoals in België. Volgens mij is dit een goede zaak.[1] Afschaffing van de doodstraf betekent dat we vinden dat de staat een grens moet stellen aan het geweld dat toegepast kan worden. De staat heeft hier een voorbeeldfunctie voor groepen en individuen in de samenleving.

 

 

We kunnen zo de illusie koesteren dat wij beter zijn dan de Albanezen uit de roman van Kadare, meer geciviliseerd, meer christelijk. Wraaknemen is voor ons onaangepast maatschappelijk gedrag. Het is onchristelijk. We zijn zo gesocialiseerd dat zelfs het hebben van wraakgevoelens ons schuldgevoelens geeft. We mogen geen kwaad met kwaad vergelden, en menen vaak dat we dat ook niet doen. Maar onze gevoelens veranderen op slag, wanneer wij geconfronteerd worden met iets wat ons diep raakt. Wanneer in Nederland drie stokoude Duitse oorlogsmisdadigers worden vrijgelaten uit de gevangenis of een voormalige deserteur uit het leger dat tegen de Indonesiche republiek vocht, op familiebezoek komt in zijn voormalig vaderland, blijken mensen voelen zich diep gekwetst. Oude wonden scheuren open. Het gevangen houden van de drie oude mannen en het weigeren van een visum aan eveneens een oude man lijken onmisbare pleisters te zijn. De kwestie van amnestie aan de collaborateurs uit de tweede wereldoorlog roept in België soortgelijk gevoelens op van wraak en vergelding akker. Wanneer in Engeland twee kinderen een kleuter ombrengen, wordt door een groep inwoners van Liverpool een poging gedaan de daders te lynchen. De rechter legt de daders van de moord een zware gevangenisstraf op, iets wat in elke geval in Nederland niet zou gebeuren. De ervaring dat oorlogsmisdadigers, criminele politici, terroristen, verkrachters, vandalen, ongestraft blijven, blijkt onverdragelijk te zijn. Er wordt dan geen recht gedaan. De wereld lijkt dan niet meer in orde. Niet straffen lijkt te onderstrepen dat uiteindelijk de wet van de sterkste het menselijke leven domineert, een stand van zaken die toch al dagelijks bevestigd wordt in de vrije markteconomie. In dit verband spreekt men van 'het rechtsgevoel dat niet bevredigd wordt'. 

 

 

Geloven in vergelding

 

 

Mochten we als christenen onze schouders ophalen over het feit dat het rechtsgevoel van anderen of van ons niet bevredigd wordt, dan stoten we op de laatste regels van het proefschrift - een proefschrift van 590 bladzijden - van de Amsterdamse hoogleraar aan de Vrije Universiteit N. Schuman 'Gelijk om Gelijk. Verslag van een discussie over goddelijke vergelding in het Oude Testament.' (VU Uitgeverij, Amsterdam, 1993). Hij schrijft: 'Wie niet meer in de vergelding wil geloven, is het niet ter wille van zichzelf, dan toch ter wille van anderen, heeft alle hoop verloren.' Het gaat in de bijbel om een hoop op een wereld waarin recht gedaan wordt. Deze wereld is een ideale werkelijkheid die echter voor de auteurs van het Oude Testament fungeert als richtpunt en leidraad van handelen. Wie weigert te luisteren naar de stem van de Wijsheid die zegt dat het kwaad vergolden zal worden, levert zichzelf uit aan chaos en vernietiging. Vergelding wordt hier dus door Schuman verdedigd, zelfs aanbevolen, op grond van de Hebreeuwse bijbel.

 

 

Schuman heeft gelijk, meer nog dan uit zijn proefschrift blijkt. Het is de bijbel zelf die om wraak en vergelding roept, en wel terwille van de gerechtigheid.[2] God is zowel in het Oude als het Nieuwe Testament allereerst de God die gerechtigheid doet en het recht handhaaft. Het geloof in de opstanding van de doden heeft als bron en als verantwoording het vertrouwen dat God recht doet. Hoe kan er recht zijn in de wereld, als mensen worden omgebracht omwille van het feit dat zij recht proberen te doen? Niet geloven in God betekent vanuit de bijbelse visie de hoop opgeven dat er aan mensen recht gedaan wordt. Zolang wijzelf in de comfortabele positie zitten dat wij veilig kunnen leven, zal ons dat misschien onverschillig laten. Maar onze veiligheid is altijd beperkt. Elk moment kunnen we getroffen worden door onrecht, een overval, verkrachting, of door een ziekte, die we als een aanslag beleven op ons recht om te leven. We danken onze betrekkelijk veilige positie van burger in een West-Europees land mede aan het feit dat wij we op ons recht staan en dat in wetgeving hebben neergelegd.

 

De Schrift deelt in de oermenselijke overtuiging dat menselijk overleven alleen mogelijk is als er een vertrouwen bestaat, dat er orde geschapen kan worden en recht gedaan wordt, zodat niet alles op willekeur en toeval berust, al spelen beide volgens de menselijke ervaring een rol.[3] Vergelding en dus wraak zijn noodzakelijk.

 

 

Dader en daad

 

 

Schuman is in zijn proefschrift in discussie met de Duitse exegeet Klaus Koch. Deze exegeet heeft - ten onrechte - op de theologie geen grote invloed gehad: zijn visie is fundamenteel. Volgens Koch bevat het Oude Testament zelden het beeld van God als rechter en wreker. Er is volgens hem in het Hebreeuws zelfs geen woord voor 'vergelden'. Mensen roepen zelf met hun daden de gevolgen ervan op, tot hun voordeel of nadeel. Vele Hebreeuwse woorden duiden tegelijk de daad aan en het gevolg van deze daad. Een slechte daad brengt ongeluk, zonde is onheil, gerechtigheid schept de goede verhoudingen (Spr 21:21). Daad en gevolg hangen samen. Zonde is tegelijk straf - het Hebreeuws kent geen apart woord voor straf - de straf komt niet van buiten, er bestaat ook geen norm van buitenaf, maar is het effect en de doorwer­king van de slechte daad zelf. Onheil en geweld komen niet van buiten, maar daarin wordt onthuld en ontplooid wat in de daad daaraan voorafgaande al besloten lag. Het uitgaan van de begeerte van de vrouw naar de man is het beheerst worden door hem (Gn 3:16). Voor Hosea is zaaien in gerechtigheid oogsten in liefde; ploegen in goddeloosheid brengt als oogst de misdaad (Hos 10:12-13). Ezechiël kan de persoonlijke verantwoordelijkheid scherp verwoorden, omdat elke daad zijn eigen gevolgen in zich draagt (Ez 33). Vooral de Wijsheidsliteratuur is er vol van: een daad is als het zaad van de oogst, groeit op als een boom, wordt een levensweg (Spr 11:4, 18, 30). 

 

 

Dit alles wil echter niet zeggen dat er geen recht wordt gedaan. De overtuiging dat er recht gedaan zal worden en dat dus menselijk leven mogelijk is, blijkt juist uit de nauwe relatie die gelegd wordt tussen de handelende persoon en zijn handeling.[4] De mens verwerkelijkt zich en bevindt zich in zijn daden, hij is wat hij doet en bestaat niet als een autonoom en onafhankelijk subject naast zijn daden. Volgens Ps 106:39 verontreinigden de Israëlieten zich hun daden, en pleegden overspel hun werken (en niet, zoals meestal vertaald wordt, hun daden en werken). In het Oude Testament wordt deze relatie tussen daad en dader als zeer eng gezien: het onrecht kleeft aan de handen van de dader (Ps 7:4; 26:10), het is als een gewaad; geweld en bedrog komen als water en olie in het binnenste van de geweldpleger (Ps 109:18, 19, 29). God is degene die de wereld zo inricht dat de bedrijver van onrecht inderdaad met de gevolgen van zijn handelen geconfronteerd wordt. Doorgaans gebeurt dit door andere mensen. De wijsheidstraditie beseft dat mensen wijsheid nodig kunnen hebben om de dader de gevolgen van zijn daad te laten ondervinden; God wordt hier gezien als degene die deze onderneming zegent.

 

 

Mensen scheppen dus door hun daden een eigen sfeer om zich heen waarin ze opbloeien of verstikken. Iemand die corrupt is, leeft in een corrupte sfeer en gaat daar tenslotte zelf aan ten onder. Het bloed dat iemand vergiet, komt op hemzelf neer. Het kwaad straft zichzelf. Daarentegen, wie goed doet, goed ontmoet. Daden zijn als zaad dat zijn eigen oogst opbrengt. Boontje komt om zijn loontje. God draagt slechts zorg voor de realisering van wat in die corrupte, bloedige en kwade sfeer al ligt opgesloten. God is een vroedvrouw die laat geboren worden wat de mens verwekt en baart. Men oogst wat men zaait. Neem als voorbeeld psalm 7:  'Zie, er was een mens boordevol boosheid, van kwaad zwanger, zijn kind was verraad: een valkuil delft hij, spit steeds dieper en stort zelf in het graf dat hij groef.'

 

 

Ik vul zelf aan dat de vooronderstelling van de verhouding tussen gevolg en daad en tussen dader en daad gedeeld wordt door het Nieuwe Testament. Het einde van slechte daden is de dood (Rom 6:21-23;2 Kor. 5:10). Wie vlees zaait, zal verderf oogsten, wie de Geest zaait, zal eeuwig leven oogsten (Gal 6:8-9). Het gevolg van een daad maakt er deel van uit, en is datgene wat de daad tot een eenheid maakt. 'Ieder komt in de chaos door zijn eigen begeerte, meegetrokken en verlokt als hij is. Vervolgens brengt de begeerte, zwanger geworden, zonde ter wereld, en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood' (Jak 1:14-15). Goede en slechte daden (achter)volgen de mens (Apk 14:13).  Het evangelie van Johannes staat geheel in de traditie van het Oude Testament wanneer het stelt dat niet God veroordeelt, maar dat de mens zichzelf veroordeelt (3:17-18; 5:22; 8:15, 50; 12:48).

 

 

De visie van Koch is niet alleen interessant voor mensen, die zich beroepshalve met het Oude Testament bezig houden. Ze heeft niet alleen consequenties voor pastores en predikanten. Ze kan gevolgen hebben voor de discussie over het strafrecht en voor de wijze waarop politici omgaan met het 'rechtsgevoel' van mensen. Schuman heeft veel kri¬iek op Koch. Die kritiek is vaak overtuigend. Zo wijst hij er terecht op dat het ontbreken van een woord als 'vergelden' nog niet betekent dat er geen vergelding is. Je moet woorden altijd in hun samenhang zien. Er zijn teksten waar God wel degelijk als rechter wordt opgevoerd. Bovendien lijkt er vaak juist dankzij het optreden van God een ander resultaat uit de boze daad te komen dan we uit de samenhang van daad en gevolg zouden kunnen verwachten. Zo vernedert God heersers ten inde de kleinen op te richten. Hier is juist van een contrast sprake, van een spiegeleffect. Hij vindt de opvatting van Koch nogal mechanistisch. Ondanks zijn kritiek kruipt hij toch voorzichtig in diens richting. Hij heeft kritiek op de delen en de som van zijn visie, maar is het eens met de gedachte van een sfeer die door de daad geschapen wordt. Een resultaat van zijn studie is voor hemzelf dat hij de vergelding meer serieus is gaan nemen.

 

 

De oudste vorm van gerechtigheid

 

 

Waarom is vergelding zo fundamenteel in het menselijke leven? Vergelding en wraak doen ons recht. Zonder recht gedaan te worden kunnen we niet leven. Mij schiet hier een gesprek te binnen dat ik eens had met een klusjesman in een buurthuis in Amsterdam. Hij vertelde mij dat hij zeer voorzichtig moest zijn, wanneer hij aan het werk was. De jongeren voor wie het buurthuis voor een goed deel bestemd was, dromden dan om hem heen, en voor hij het wist, was er een stuk gereedschap verdwenen. Deze jongeren wilden laten zien dat zij een beetje slimmer waren dan hij. Elders waren anderen altijd slimmer dan zij. Ze zochten erkenning: dat zij recht hadden om te bestaan. Recht gedaan te worden is fundamenteel en wordt in het leven voortdurend gezocht. Tot dit recht behoort het recht op bestaan: 'een gezicht zien is reeds horen: "ge zult niet doden." En horen "ge zult niet doden" is horen; 'sociale gerechtigheid"', schrijft E. Levinas.[5] Dit recht te bestaan impliceert het recht te ontvangen, en het recht te geven. Recht gedaan worden is aanvaard worden als een mens met dit lichaam en met deze wijze van leven.

 

 

De oudste vorm van gerechtigheid is die van wederkerigheid. Dit hoeft ons niet te verbazen.  René Girard[6] heeft ons attent gemaakt op het fundamentele karakter van de nabootsing, imitatie, navolging, (mimesis) in het menselijke leven. Zoals het biologische niet weg te denken is uit het menszijn, zo is ook het mimetische onmisbaar. Girard beweert niet de eerste te zijn die dit heeft gezien. Hij citeert graag Aristoteles. die zegt: 'Nadoen is eigen aan de kleine mens die daarin van de andere levende wezens verschilt, dat hij een betere nabootser is en door het nabootsen zijn eerste kennis verwerft.'[7]

 

 

Oorspronkelijk komt het woord 'mimesis' uit de danskunst. Wanneer ik wil leren dansen is het verstandig naar een dansschool te gaan. De dansleraar doet dan de dans voor en ik doe hem na. Ik leer dansen door hem na te doen. Dat betekent niet dat mijn dans niet mijn dans is. Hoe perfect ik ook de dans nadoen, ik geef die dans toch een eigen vorm. Want ík dans nu. Misschien zelfs slaag ik erin iets aan die dans toe te voegen vanuit bijvoorbeeld een andere dans. Dan schep ik een nieuwe dans. Dus navolging is allereerst uitbeelden. Navolgen sluit niet uit dat er iets nieuws uitgevonden wordt. Mimesis is dus een herschrijving. Het is niet zo'n mechanistisch begrip als we op het eerste gezicht misschien denken.

 

 

Het zal duidelijk zijn hoe belangrijk de navolging voor ons mensen is. Wij leren door na te doen, na te volgen, te imiteren. We leren een taal door na te doen, we leren natuurkunde door te luisteren wat iemand ons voorkauwt, door te lezen in boeken en door experimenten over te doen. We leren ons 'netjes' te gedragen door de aanwijzingen en het voorbeeld van onze ouders. Wij mensen moeten bijna alles leren voor we kunnen deelnemen aan het volwassen leven. Er zijn dieren die na hun geboorte meteen al weg kunnen vliegen of op hun poten kunnen staan. Wij hebben geen of nauwelijks instincten zoals de dieren. Wij moeten leren. We zijn mens dankzij het geweldige vermogen dat we hebben om anderen na te doen. Niets is zo hulpeloos als een pasgeboren kind. Een paar dingen zijn een kind aangeboren zoals zuigen en knijpen. De rest moet het leren. Dit doen we door navolging, door te herhalen en na te doen. Nadoen, navolgen, imitatie is dus een eigenschap die wij niet kunnen missen als we mens willen zijn.  

 

 

Onrecht is de vroedvrouw van het geweld

 

 

Recht gedaan worden en recht doen hebben een mimetisch karakter. We kunnen dat gemakkelijk vaststellen bij het gedrag van kleine kinderen die rechtvaardig kunnen zijn op een wijze, die grenst aan wreedheid. Wanneer een kind een lollie krijgt moeten moeder en de andere kinderen er ook een hebben. Straf moet gezamenlijk ondergaan worden; een klein kind dat individueel gestraft wordt, voelt zich verongelijkt. Een kind voelt zich bezwaard wanneer het op de schoot van zijn moeder kruipt, terwijl zijn vader eveneens in de kamer zit. Op grond van de mimese heb¬ben kinderen een sterk gevoel van wederkerigheid: ze zullen de behoefte gevoelen het goede dat hun gegeven wordt op een of andere ma­nier terug te betalen, en het kwade dat hun overkomt te vergelden. Het mimetische karakter van de gerechtigheid blijft bestaan, wanneer een kind volwassen wordt. Kinderen beseffen overigens niet hoe rechtvaardig of onrechtvaardig bepaalde daden van hun ouders zijn. Ze worden zich daar pas op latere leeftijd van bewust dankzij de ontmoetingen die zij met andere mensen hebben.

 

 

De Hongaars Amerikaanse gezinstherapeut I. Nagy heeft veel aan­dacht aan geschonken aan de overdracht van rechte en ongerechte verhoudingen.[8] Volgens hem wordt een soort boekhouding bijgehouden en waar de schuld hetzij van het kind aan de ouders en andere gezinsleden hetzij hun schuld aan het kind niet in de kindertijd is vereffend, wordt dit later verhaald op anderen, de partner, de eigen kinderen, op relatief vreemden, die als zondebokken gaan fungeren. Een van de grote thema's van Nagy is dat het onrecht (en het recht) doorgegeven worden van de ene generatie naar de andere. In het gezin is het gelijkwaardig tegen elkaar afwegen van weldaden en kwetsuren een van de belangrijke mechanismen. Op grond van gunsten en weldaden vormen zich onverbreekbare banden. Ondanks dat een vader gruwelijke dingen doet of heeft gedaan ten opzichte van zijn kind, kan dit niet ontsnappen aan de band met zijn vader die het immers het leven heeft geschonken. Deze band is niet allereerst een gevoel, maar bestaat uit een samenhang van rechten en plichten die er onvermijdelijk is tussen ouders en kind en tussen kinderen onderling. Deze band blijft bestaan, ook als ze onzichtbaar wordt. doordat er geen uitdrukking aan wordt gegeven in woord en gebaar. Deze banden worden in het socialisatieproces doorgegeven. Een volwassene die zijn kind slaat, is doorgaans zelf als kind geslagen. Kinderen van mensen die als kind in een gevangenkamp hebben gezeten bij Duitsers of Japanners, hebben vaak therapeutische ondersteuning nodig. Van kinderen van vroegere collaborateurs geldt dit evenzeer. Nagy zal altijd proberen de drie generaties van grootouders, ouders en kinderen bij elkaar te brengen, wanneer er in een gezin grote proble­men zijn ontstaan. In latere leef- en werkverbanden reguleren de ervaringen van recht en gerechtigheid, opgedaan in het gezin en in school, mede het onderling verkeer.

 

 

De problemen in gezin- en werkverbanden worden vaak eenzijdig psychologisch geduid. Ze hebben echter altijd een ethische dimensie. Schuld en straf, de gedachte dat alles een prijs heeft, de behoefte aan herstel van toegebrachte of aangedane schade wortelen in de eerste ervaringen van een mensenkind. Ze zijn antropologisch gezien fundamenteel, omdat ze aan het begin liggen van het ordenen van de mimetische relaties, wanorde overwinnen, structuur aanbrengen, het bestaan van een uniek wezen mogelijk maken. 'De ethische dimensie is zó wezenlijk en funderend dat, als er tussen mensen iets misgaat, het precies in de ethische dimensie misgaat; en van daaruit sijpelen de missers als ver­giftigd grondwater door; wordt de feitelijke werkelijkheid onrecht­matig, de psychische werkelijkheid gestoord en de interactionele werkelijkheid boosaardig: een vicieuze cirkel. Herstel, héélwording, genezing kán dan ook alleen maar uiteindelijk in de ethische dimensie plaats vinden, schrijven twee gezinstherapeuten.[9] In een voordracht voor psychiaters over schuld en gevoelens van schuld zei M. Buber eens: 'Existentiële schuld komt tot stand wanneer iemand een ordening van de mensenwereld aantast, waarvan hij de grondslagen wezenlijk kent en erkent als behorend bij het menselijk bestaan dat hem en allen gemeenschappelijk is.'[10] Wanneer we God zien als degene die het recht handhaaft, hebben 'psychische' problemen niet alleen een ethische maar ook een religieuze dimensie.

 

 

Onrecht en geweld komen zo voort uit eerder ervaren onrecht en geweld. Zij zijn pogingen rechte verhoudingen te scheppen. Het kwaad dat ik onderga, moet rechtgetrokken worden. Als ik het niet kan verhalen op degene die mij het kwaad heeft toegebracht, zal ik het proberen te verhalen op anderen, die zwakker zijn dan ik. Ik verhaal het op mijn partner, of eerder nog op mijn kinderen. Ik weet zelf niet waarom ik het doe, maar ik sla mijn kinderen, hoewel ik mijn vader haat, die mij geslagen heeft. Dat 'hoewel' moeten we echter lezen als een 'omdat'. Dikwijls is het niet mogelijk het ervaren onrecht te verhalen op andere mensen. Ze zijn sterker dan ik, slimmer, bekwamer of eenvoudigweg onbereikbaar. Ze zijn dood, of ze hebben een zo hoge positie dat er geen contact mogelijk is. Wat dan overblijft is het te verhalen op mijzelf.

 

 

Van dit laatste bestaan vele afschuwelijke voorbeelden. Zo zijn op het Vietnam-monument in Washington de namen gegrift van de 58.000 Amerikaanse soldaten die daar zijn omgekomen. Maar van de Amerikaanse veteranen die terugkwamen hebben er 100.000 zelfmoord gepleegd. Zij konden het onrecht niet verwerken, het onrecht dat zij ondervonden hebben, in hun omgeving zagen gebeuren of het onrecht dat zij zelf bedreven hadden en waarvan ze meenden dat het niet meer te herstellen was. Vele overlevenden van de holocaust pleegden zelfmoord - ik denk bijvoorbeeld aan de Italiaanse schrijver Primo Levi - omdat zij het niet konden verdragen dat zij het overleefd hadden. Zij ervoeren dat als hadden zij zelf onrecht bedreven, en zij verhaalden dat onrecht op henzelf.[11] Vrouwen die incestervaringen hebben straffen als volwasse­nen vaak zichzelf. 'Een patiënte biechtte op dat ze in de winter zonder dekens in een koude kamer sliep om zichzelf te straffen. Andere vrouwen vertelden hoe zij zichzelf kastijdden... Incestslachtoffers hebben zo'n strafbehoefte omdat ze als kind dachten dat ze misbruikt werden omdat ze slecht waren, verklaart de therapeute.[12] Zelf geloof ik niet in die verklaring. Ik neig ertoe te denken dat zij op zichzelf verhalen wat zij hun vader niet kunnen aandoen.

 

 

Hoewel de verhouding tussen individu en maatschappij onduidelijk is, meen ik te mogen stellen dat deze individuele ervaringen zich ophopen met die van andere individuen en zo een collectief geheugen vormen. In de twintig jaar dat ik vredeswerk heb gedaan ten behoeve van Noord-Ierland heb ik vaak de 'domme' vraag gesteld wat de oorzaak was van de 'troubles'. Steeds weer werd ik geconfronteerd met verhalen uit het verleden. De Paasopstand uit 1916, de hongersnood van 1846, King Billy, Cromwell, de komst van de Engelsen naar Ierland. De historische betrouwbaarheid van deze verhalen laat te wensen over. Zij zijn voor een goed deel mythen, verhalen, bedoeld om anderen als schuldig aan onrecht aan te wijzen. Van generatie op generatie worden zulke verhalen, gedichten, liederen en symbolen overgeleverd. Dat gebeurt in Ierland, in de Verenigde Staten (de 'burgelijke religie met de groet aan de vlag'), in Nederland (de tachtigjarige oorlog en de tweede wereldoorlog), in Vlaanderen ('in de eerste wereldoorlog kwamen vele soldaten om omdat ze het Frans van hun officieren niet verston­den'), Servië (de verloren slag op het Merelveld in 1389). In dit proces van omgaan met het verleden zijn volkeren en staten, die vaak gewonnen hebben, beter af dan volken, die (te recht of ten onrechte) het gevoel hebben eeuwige verliezers te zijn. Overwinnaars kunnen genereus zijn, zij hebben hun gram gehaald, zij hebben hun recht gekregen. Serviërs en Polen die het gevoel hebben bijna altijd ver­loren te hebben, koesteren hun rancune die in mythen van de ene naar de andere generatie wordt overgegeven.

 

 

Een laatste opmerking over de verbondenheid van mimetische weder­kerigheid en gerechtigheid. De wederkerigheid die het kind op grond van de mimesis leert, is niet het laatste woord. Er is nooit een vol­ledige band van wederkerigheid tussen ouder en kind in die zin dat ou­ders minstens voor enige tijd van hun kind niet kunnen en mogen ver­wachten dat het, hulpeloos als het is, hun met gunsten terugbetaalt. Baby's hebben het recht om te leven zonder dat zij daarvoor iets hoeven terug te betalen. Hier wordt de eenvoudige vorm van de mimese, die bestaat in de wederkerigheid, paradoxaal doorbroken. Omdat het voor het kind vanzelfsprekend is dat zijn ouders het te hulp schieten in zijn hulpeloosheid, moet het ouder wordend deze doorbreking van de wederkerigheid leren door zelf geconfronteerd te worden met medemensen in hulpeloze situaties, waaronder bijvoorbeeld de eigen kinderen. Bovendien kan men argumenteren dat de behoefte van de mens uit zichzelf te treden en zich te geven, groter is dan  het verlangen voor elke gave iets terug te ontvangen.[13]

 

 

Geweld in de bijbel

 

 

*** [tot hier bijgewerkt] De auteurs van de bijbel waren zich uitermate goed bewust van zo¬wel de

behoefte aan gerechtigheid als van het mi¬metisch karak¬ter van het

recht. Het nauwe verband dat zij leggen¬ tussen dader, daad en het ge­volg van de daad wijst hier op. Zij weten dat kinderen binnen de ver­hou¬din¬gen leven die ge¬scha¬pen zijn door de daden van hun ouders (Ps

51:7). Ze be¬seffen dat door de mimese goed en kwaad als 't ware be­smette¬lijk zijn. Zo besmeurt Joab door zijn rivalen te doden in vre­des¬tijd overal waar hij gaat en staat alles met bloed (1 K 2:5). De

na¬tuur heeft te lij¬den onder de slechte daden van de men¬sen: het land

treurt over de bloedba¬den die worden aange¬richt, al wat erin woont,

ver¬kwijnt, zowel het ge¬dierte op het veld als de vogels in de hemel,

zelfs de vissen in de zee komen om (Hos 4:1-3; Gn 3:17). Door hun

daden heb¬ben mensen een be¬paal¬de uit¬stra¬ling en in die uitstraling

zijn zij zelf.

Á

 Deze opvatting over de verhouding tussen dader, daad en effect

komt even¬eens buiten Israë-

l voor en is verwant aan het Indische be¬grip

'kar¬ma'. Ie¬dere daad heeft reeds in zich een on¬ver¬mijdelijk effect dat

niet verlo¬ren gaat in de tijd. De hele wereldge¬schie¬denis is zo een

net van verhou¬din¬gen. Iedere ge¬beurtenis is verbon¬den met daden die

eerder ge¬steld zijn. De toekomst wordt be¬paald door daden die nu

volbracht worden. Ze hopen zich op en wor¬den een ge¬woonte, vormen eenÔ

tradi¬tie, die moeilijk te doorbreken is. Elke daad sluit aan op een

voorafgaan¬de, en vormt zo een keten die de hande¬lende mens en de

samenleving waar¬van hij deel uitmaakt, bindt aan het verle¬den. De

navolging of mime¬sis, grondregel van het menselijk be¬staan, doet hier

zich in volle kracht gel¬den. De ene daad roept een soort¬gelijke

(eventueel een tegengestelde) daad op. Geweld roept geweld op, recht

schept recht. Een moeilijkheid bij deze wijze van denken is dat binnen

het aardse le¬ven er vaak niets op wijst dat de onrechtvaardige met

zijn eigen on¬rechtvaardigheid gecon¬fron¬teerd wordt. Waar de rechtvaar­dige dan toch in een kuil valt, is het niet altijd gemakkelijk te zien

dat het de kuil is, die hijzelf gegraven heeft. Is de ellende (straf,

vergelding) van de onrechtvaardige werkelijk het effect is van het

bedreven onrecht? In de Indische tra¬ditie wordt een oplos¬sing van deze

pro¬blemen gezocht in de leer van de reë5

ncarnatie. In de bij¬belse

traditie ont¬wikkelt zich - vrij laat - de ge¬dachte van de op¬stan¬ding

uit de do¬den: God zal ieder mens recht doen over de grenzen van de

dood heen. Voor zowel de Indi¬sche als de bijbelse religiositeit is de

ge¬dachte dat er geen recht gedaan zou worden onver¬dragelijk. Dit zou

be¬tekenen dat wil¬le¬keur het hart is van de menselijke geschiedenis. De

zo¬genaamde vloekpsalmen be¬doelen niet allereerst uit¬drukking te ge¬ven

aan gevoelens van frustra¬tie en haat, maar stellen dezelfde vraag als

geheel de bijbel: of er recht ge¬daan wordt en of God degene is die

recht ver¬schaft. Zoals E. Zenger schrijft: 'Het psalterium beveelt de

onderdruk¬ten niet de on¬derdrukkers broederlijk lief te hebben zodat

zij verder kunnen gaan zoals ze al doen. Neen, het boek van de psalmen

ont¬maskert de on¬der¬drukkingsmechanis¬men en roept God op die situaties

te beë-

indi¬gen.'Ö

 E. Zenger. Mit meinem Gott ÀG

berspringe ich Mauern. EinfÀG

hrungen in

das Psalmenbuch. Freiburg i. Br., 1987, p. 18. …

'Wraak' heeft in de bij¬bel niet de ne¬ga¬tieve bete¬kenis die dit

woord in onze cultuur heeft.Ö

 Koch. o.c.; R.L. Hubbard. Dynamistic and Legal Process in Psalm 7,

in Zeitschrift fÀG

r alttestamentliche Wissenschaft 94(1982) 267-279.

Zie voor een kort overzicht over het hedendaagse denken over de wraak

R. Schwager, Rache-Gerechtigkeit-Religion. Ueberlegungen zu ei¬ner

interdis¬ziplinÀ

ren Forschungsarbeit, in Zeitschrift fÀG

r Katholische

Theolo¬gie 110(1988)284-299.‹

 Het He¬breeuwse woord dat vertaald

wordt met 'wraak' staat dicht bij het be¬grip 'recht¬vaardig¬heid'. Het

drukt de kant van de rechtvaar¬dig¬heid uit, die door de bedrij¬ver van

onrecht er¬varen wordt als straf en wraak. God is de 'God van de

wraak', de God die het recht hoog houdt. God maakt de (mis-)daad van

de mens tot een geheel, door er ga¬rant voor te staan, dat de daad zijn

vol¬tooi¬ing krijgt en het effect heeft dat de daad op¬roept. Voor hen

die machte¬loos zijn en niet kunnen verhopen door ei¬gen kracht of door

rech¬ters en hel¬pers recht ge¬daan te worden, gewro¬ken te worden, is de

God van de wraak de enige waarop zij beroep kun¬nen doen (Ps 31:24;

58:7-12; Spr 25:21; 11:21). In het Oude Tes¬tament heeft men er weet

van dat de bloedwraak tot doel heeft een onge¬ordende en onbeperk¬te

uitbreiding van het moorden in te perken en zo de chaos en totale

onder¬gang te voorko¬men. De bloedwreker ('losser') zorgt dat er recht

geschiedt en dat het be¬gane onrecht - in dit geval een moord - zijn

vol¬tooiing en af¬slui¬ting krijgt. De moordenaar oogst de dood die hij

heeft ge¬zaaid. Een moord kan daarom niet afge¬kocht worden (Nu 35:3ª34). Het woord 'wraak' in de be¬tekenis van 'rechtvaar¬dig¬heid' wordt

ge¬bruikt in Lukas 18:5: de rechter die zich niet om God bekom¬mert en

zich aan geen mens stoort, 'wreekt' de weduwe die bij hem haar be¬klag

doet, d.w.z. hij ver¬schaft haar recht. In Openba¬ring 19:2 'wreekt' God

het bloed van zijn knechten: hen zal recht gedaan worden. Dat er recht

gedaan zal worden blijkt uit de aankondigin¬gen van een god¬delijk

eindoordeel.

Á

Voor de bijbel is de mimetische we¬der¬kerigheid het uit¬gangspunt

van het recht. Dit komt pregnant naar voren in het be¬kende 'oog voor

oog, tand voor tand' (Ex 21:23-36; Lv 24:20; Dt 19:21). Oorspronke­lijk, in de ;

r-bijbelse tijden, is deze regel misschien letterlijkÔ

toegepast. Maar zo¬wel in bijbelse als buiten-bijbelse teksten krijgt

deze regel een minder letterlijke interpretatie. De dader moet de

schade vergoeden die hij heeft toegebracht door bijv een oog te

beschadigen of een tand los te slaan¬; hij hoeft er niet zelf een oog

of tand voor in te leveren. Ve¬rge¬lding be¬te¬kent echter wel de dood van

de dader in het ge¬val van moord, het ver¬wonden met dodelijke afloop en

het af¬leg¬gen van een val¬se eed, die tot de dood van een ander leidt.

Deze regel geldt ook ten opzichte van vrou¬wen, kin¬deren en sla¬ven.Ö

 E. Otto, Zur Geschichte des Talions im Alten Orient und Israel, in

D.R. Daniels, U. Glessner, M. RÀ?

sel (red.). Ernten, was man sÀ

t.

Festschrift fÀG

r K. Koch zu einem 65. Geburtstag. Neukirchen, 1991, pp.

101-130.é

Moord, als diep¬tepunt van on¬recht, ver¬nietigt wat an¬ders is, het an¬de­re lichaam, en schept cha¬os; cha¬os is het ver¬dwij¬nen van alle ver­schil¬len, van alle on¬derscheidin¬gen, van de orde¬ning zon¬der welke

mense¬lijk leven niet moge¬lijk is.  

 

Vergeving“

Ã

Recht doen brengt in vele ge¬val¬len met zich mee dat het ge¬weld door

ge¬weld tot een einde wordt gebracht. Deze wederkerig¬heid vol¬doet aan

een diepe behoefte van mensen: zonder aanspraak te maken op deze mo¬ge­lijk¬heid van vereffening, wordt hun recht te bestaan aange¬tast. Het

gaat daarbij niet om het voldoen aan gevoelens van wraak, de inzet is

het be¬hoeden van de gerechtigheid en de zinvolle ordening van onze

wereld. Vele teksten in het Oude Testament waarin geweld voorkomt,

moeten ge¬lezen en begrepen wor¬den vanuit de overtuiging dat er recht

gedaan moet worden, wil menselijk samenle¬ven mogelijk blij¬ven, en

vanuit het besef dat de gevolgen van on¬recht, respectieve¬lijk recht,

volgens de grondregel van het menselijk bestaan mime¬tisch uit hun

oorsprong voort¬vloeien. God is daar¬om de God van de wraak. 

Á

Het is mogelijk af te zien van wraak, te verge¬ven. In en na de

bal¬lingschap wordt het vertrouwen dat God zon¬den ver¬geeft een centraal

gege¬ven in het ge¬loof van Israë-

l - de oor¬sprong hier¬van blijft

onduide¬lijk.Ö

 K. Koch. Spuren des Hebraë5

schen Denkens. Neukirchen, 1991, pp.

184-205.W

r de bal¬ling¬schap is er zelden sprake van verge­ving, er wordt ge¬hoopt dat God aan de zonden voorbij gaat en ze niet

meer ge¬denkt. Na de ballingschap wordt de Grote Verzoendag in toene­mende mate een groot fees¬t. In het huidige jodendom is het de belang­rijkste dag van het jaar gewor¬den. De vergevende partij en de verge­ving ontvangen¬de partij er¬ken¬nen daarin dat het menselijk leven

geordend moet zijn op grond van de recht¬vaar¬digheid. De schuldige par­tij erkent haar schuld aan de ver¬sto¬ring van die orde en de inbreuk op

het recht te bestaan van de ande¬re partij. De vergevende par¬tij laat

het recht te be¬staan van de schuldi¬ge onverlet en schept zo de mo¬ge­lijkheid van ¬een nieuw begin, ook voor haar zelf.

Á

De mogelijkheid van vergeving is uiterst belangrijk. Verge¬ving

maakt zowel voor het slachtoffer als voor de dader een nieuw begin mo­gelijk. Er wordt een halt toegeroepen aan de gang van het onrecht. Het

kwaad wordt van generatie op generatie overgedragen. Het bedrijven van

kwaad werkt door in de generaties die na de dader komen. De dader

heeft het levensklimaat rond zichzelf vergiftigd en zijn nageslacht

moet daarin op¬groeien. Het onder¬ga¬ne kwaad werkt evenzeer door. Het

onder¬ga¬ne leed wordt op een of ande¬re manier doorgegeven, minstens tot

in het derde en vier¬de ge¬slacht. Het leed blijft om betaling vragen,

om ver¬gel¬ding, om wraak in de zin van een¬ roep om recht gedaan te

worden. Wanneer er wraak genomen wordt, zal de partij die haar

ondervindt dit vaak weer als onrecht ervaren. Er ontstaat een onheils­geschiedenis, waar¬van elke nieu¬we genera¬tie de ge¬vol¬gen ondervindt, op

haar beurt pro¬beert door nieuw onrecht het ou¬de onrecht te herstellen

en zo een erfe¬nis van nieuw on¬recht ach¬ter¬laat voor de volgende

generatie. Vergeving onderbreekt deze onheils¬geschie¬denis. VergevingÔ

schept nieuwe verhou¬dingen. Vergeving betekent een nieuw begin.

Vergiffenis schenken is de meest scheppende daad die er bestaat. Er is

geen grotere creativiteit dan¬  die van mensen die verge¬ving schenken

voor onrecht hen aangedaan. Á

Ver¬geving is niet allereerst een ge¬voel. Het is een actief her­stel van recht¬vaardige ver¬houdingen tussen mensen. Het is het scheppen

van¬ een nieu¬we leefwereld. Het gevoel kan daarbij wel eens naijlen.

Pas als ook¬ het gevoel vrede heeft gevonden, is het proces van de

vergeving een ge¬heel¬¬¬ ¬geworden. Het kunnen vergeven geeft het slachtof­fer zijn plek in de¬ wereld terug dat het door het bega¬ne onrecht

ontnomen was. Door te ver¬geven wordt het slachtoffer van een niemand

iemand. Het wordt her¬scha¬pen en geeft de da¬der de mogelijk¬heid zich te

laten herscheppen. Ver¬ge¬ven wor¬den hoeft niet te bete¬ke¬nen dat de

slechte daad geen effec¬ten meer heeft. Maar te¬genover het onrecht

staat nu een scheppende daad van vergeving en barmhartigheid die

effecten heeft tot in het dui¬zendste geslacht (Ex 20:6).

Á

In het Oude Testament is deze vergeving gebonden aan voorwaarden:

er moet al¬tijd iets te¬gen¬over staan, want er moet recht ge¬daan worden.

De schul¬di¬ge moet zijn schuld toegeven, de schade geheel her¬stel¬len en

nog À)

n vijfde daaraan toevoegen; de re¬gel van mi¬me¬tische we¬derke­righeid blijft van kracht. De vergeving door God ge¬schiedt ver¬vol¬gens

con¬creet in het vol¬trek¬ken van de riten die daar¬voor in de cultus zijn

voor¬geschreven (Lv 6:1-7). Jozef ver¬geeft zijn broe¬ders (Gn 49), maar

niet zon¬der eerst zijn broers op de proef gesteld te heb¬ben ten

aanzien van hun trouw aan hun broer Benja¬min. God is in de ogen van

Israë-

l barm

hartiger dan de men¬sen¬: David meent be¬ter in de han¬den van

God te kun¬nen vallen dan in die van de mensen (2 S 24:14).

 

Onvoorwaardelijke vergeving

Wat is het nieuwe van het Nieuwe Testament? Onderzoek naar de histo¬ri­sche figuur van Jezus heeft opvattingen doen verouderen dat Jezus zich

tegen de wet ge¬keerd zou hebben. De kritiek van zijn tijdgenoten was

gericht op het feit dat Jezus tollenaars en andere bedrijvers van

onrecht ver¬tel¬de dat God van hen hield. Hij ging zelfs zo ver dat hij

andere men¬sen¬ zei dat zij en andere zondaars het koninkrijk van God

zouden bin¬nen¬gaan ;

r hen.

 E.P. Sanders. The Historical Figure of Jesus. The Penguin Press,

Lon¬den, 1993.\

 In de tijd van Jezus gaf het woord

'zon¬daar' een maat¬schap¬pelijke rela¬tie aan; zondaars zijn poli¬tieke

collabora¬teurs, ge¬weld¬plegers, uitzuigers, prostituÀ)

es en derge¬lijke.

Nie¬mand had er ui¬ter¬aard bezwaar tegen, dat zondaars zich bekeer¬den en

een nieuwe relatie aan¬gin¬gen met de niet-zondaars. Zij moesten dan

voldoen aan de voor¬waar¬den die daar¬aan gesteld werden. Wat Je¬zus de

zondaars aange¬boden heeft, is de toetre¬de tot zijn kring (en daar¬mee

uitzicht op het toebeho¬ren aan het rijk van God) zon¬der van hen te

eisen dat zij zich zouden bekeren in de 'gewone' zin van het woord,

namelijk door het herstel van de schade, het geven van À)

n vijfde van

de waarde van de schade, en het brengen van een offer. Het enige wat

hij vraagt is hem te volgen, wat concreet bete¬kende dat zij zich moes­ten aansluiten bij zijn groep (zon¬der dat dit altijd bete¬kende dat zij

met hem meetrok¬ken) (Mc 2:13-17). Hij nodigt hen uit te vergeven zoals

hij vergeeft. 

Á

Voor zover vast te stellen is deze vergeving zonder voorwaarden

vooraf het enige waarin Jezus afwijkt van het Oude Testa¬ment en van de

inter¬pretaties van zijn tijd¬genoten van de praktijk van de zondever¬ge­ving.Ö

 E.P. Sanders. Jesus and Judaism. Londen, 1985, pp. 174-211.H

 Jezus handelde niet uit laksheid. Hij was uit op het herstel

van Isra‘-

l. Hij wilde het voorbereiden op de dag die komen ging waarop

Gods re¬gering, Gods koninkrijk, zou doorbreken. De keuze van de twaalfÔ

sym¬boli

seerde het begin van dit nieuwe Israë-

l. Jezus zag echter

mensen, die niet konden vol¬doen aan de voorwaarden van Lv 6. Hoe de

grote fi¬nanci¬ë-

le schade te¬rugbetalen die je had aangericht? Hoe je

leven als prostituÀ)

e opgeven waarin je mis¬schien ge¬ko¬men was omdat je

man je verstoten had. Wat bleef er an¬ders over voor een vrouw dan om

prostituÀ)

e te worden? Voor hen kon het volgen van Jezus concreet

betekenen opgevangen wor¬den in een groep die opkwam voor hun levenson­derhoud.

Á

Het verzet te¬gen dit han¬delen van Je¬zus kwam niet voort uit ge­kwets¬te vrome gevoe¬lens, maar ten diepste uit een vermoeden dat hier

de or¬dening van de samenle¬ving teniet werd ge¬daan, en dat te¬gelijk God

te¬kort werd ge¬daan, die het recht moet handha¬ven. Ik denk dat de

inter¬pretatie van de tegen¬standers van Jezus juist was. Het han¬delen

van Je¬zus is geen (ver¬geeflij¬ke) laksheid maar bete¬kent een verre­gaande her¬in¬terpre¬tatie van en in die zin een breuk met het Oude Tes­ta¬ment. ;

r Jezus ¬moest het 'geweld' (de zon¬de) van de zondaar mi­metisch ver¬effend wor¬den¬ door het geweld van het of¬fer en van de eis

tot schade¬ver¬goeding. Het onder¬scheid dat de orde¬ning van het leven

waar¬borgt en dat door de zonde ongedaan¬ was ge¬maakt, moest hersteld.

Dat kon niet dan door een vorm van plaatsvervangend ge¬weld. Door dit

laat¬ste werd de zondaar weer toe¬gela¬ten tot de door de Tora ge¬ordende

sa¬menleving, en werd God erkend als de stichter, wetge¬ver, en garant

van deze samen¬le¬ving. Door de ¬zondaar toe te laten tot de gemeenschap

rond hemzelf - een gemeen¬schap die ge¬zien werd als een groep binnen

het joodse reli¬gieus en maat¬schap¬pelijk verband - , stelde Jezus de

grenzen van dit verband zelf ter dis¬cussie. Impliciet werd het beeld

van God ver¬anderd als de rechtvaardige rechter.

Á

Jezus bracht een 'minimal change' te weeg. Ik ontleen deze term

aan de moderne natuurkunde. Daarin is aangetoond dat soms minimale

ver¬schil¬len een heel systeem in een andere richting kunnen sturen.

Voor ons in de lage landen is het beste voorbeeld het weer. Een

minimale verande¬ring in een luchtstroom kan voor ons het verschil

betekenen tussen zon en regen. De 'minimal change' van de onvoorwaar­delijke vergeving die Je¬zus aanbood werd de bron van een nieuwe

religie. Jezus en zijn tijdgeno¬ten waren zich niet bewust van al de

con¬se¬quenties van zijn handelen. De oorsprong van het on¬der¬scheid

tussen de jon¬ge gemeente en de ande¬re joodse groepe¬ringen die later

tot een breuk werd, is echter al bij dit op¬treden van Jezus aan te

wijzen. Vanuit de latere ontwikkeling kunnen we zeggen dat het niet

ver¬plichten van de heidenen tot de Tora zich hier al aankondigt. De

steeds groeiende na¬druk in het Nieuwe Testament op de verbondenheid

van Je¬zus met God heeft even¬eens hier zijn bron. Immers alleen God kon

in de ogen van de tijdgenoten van Jezus zonden verge¬ven: wie zich een­maal gevan¬gen had gegeven aan de zonde, zat vast aan de mimetische

gevolgen daar¬van (Mc 2:7). Op eigen kracht ont¬snappen aan deze

duivels¬kring was on¬mogelijk. Daarvoor was een 'won¬der' nodig, een

ingreep van buiten, een daad van God. Wat Jezus deed, ging in de ogen

van zijn tijd¬genoten het menselijk gezag te boven.

Á

Het gebruik maken van het positieve recht om zijn recht te halen

wordt door Jezus (en/of de vroege kerk) af¬geraden. In Mt 5:25 wordt de

volgeling van Je¬zus aangeraden te voorkomen dat hij door een conflict

voor de rech¬ter ge¬sleept wordt, 'op¬dat uw te¬genpartij u niet aan de

rechter overle¬vert en de rechter aan zijn dienaar en u in de ge­vangenis wordt gewor¬pen.' Het recht steunt kennelijk de tegenpartij,

die in tegen¬stel¬ling met de leerlin¬gen van Jezus tot de dra¬gers van de

maat¬schappij be¬hoort. In Mt 5:38 wordt minstens impli¬ciet ingegaan opÔ

de grondslag van het recht: 'Gij hebt ge¬hoord, dat er ge¬zegd is: Oog

om oog en tand om tand. Maar ik zeg u de boze niet te weer¬staan (met

geweld)...'. Vanuit zijn wei¬gering ge¬weld te ge¬bruiken door¬ziet Jezus

het fun¬cti¬o¬ne¬ren van het positie¬ve recht. Dit recht gaat immers terug

op het geweld van de staat. Hij wei¬gert rech¬ter te zijn (Lc 12:14) en

zegt zijn leer¬lingen niet te oor¬de¬len (Mt 7:1).

Á

ezus heeft vanuit de liefde gezien dat de dader even¬zeer

slachtoffer is en onmachtig is zich te bevrijden uit zijn gevangen

zitten in een net¬werk van be¬scha¬digde relaties. Hij ontheft hem van

zijn verplich¬ting zijn schuld te veref¬fenen. Daarmee knoopt hij mijns

inziens aan bij het antro¬pologische gegeven dat heel kleine kinderen

die van hun ouders het le¬ven krijgen, deze schuld niet hoeven te

vereffenen; zij kunnen dit niet. Ge¬nade gaat¬ hier boven recht.

Bovendien doet hij zo recht aan de behoef¬te van de mens zich uit te

drukken en zich te geven. De genadigheid ten opzichte van het kind

bewijst hij ook aan hen die medemen¬sen geweld aandoen. Hij maakt het

voor hen mo¬gelijk een nieuw begin te ma¬ken.

Á

Vanuit de traditie van het Oude Testament heeft Levinas protest

aan¬ge¬tekend tegen de onvoor¬waardelijke vergeving. Voor hem kan het

kwaad slechts door geweld ver¬nietigd worden. 'De ver¬nietiging van het

kwaad door het geweld betekent dat het kwaad serieus wordt genomen en

dat de mogelijkheid van een onbeperkte verge¬ving een uitnodiging is

tot het on¬beperkt bedrijven van kwaad. De goed¬heid van God komt

dialectisch naar ons toe als een boosaardigheid van God. Dat is niet

moeilijker voor waar aan te¬ nemen dan veel van de chris¬te¬lij¬ke¬ mys­teries. Dat het god¬delijk geduld ten¬ einde kan zijn, dat er vol¬tooi¬de

zon¬den bestaan - dat is de voorwaarde van het respect dat God¬ heeft

voor de mens die vol¬le¬dig ver¬antwoordelijk is. Zonder die eindig¬heid

van het goddelijk geduld zou de vrijheid van de mens slechts voorlopig

en be¬spottelijk zijn, en de ge¬schiedenis een spelletje. Men moet de

vol¬was¬se¬nheid van de mens er¬ken¬nen. Bestraffing toelaten is respect

hebben voor zelfs de persoon van de schuldige.'Ö

 E. Levinas. Difficile LibertÀ)

. p. 168. 7

 En verder: 'Het

kwaad is niet een mystiek be¬ginsel dat men ritueel kan uitwissen, het

is een vergrijp van de ene mens ten op¬zichte van de ande¬re. Niemand,

zelfs niet God, kan de plaats inne¬men van het slachtoffer. De wereld

waar de vergeving almachtig is, wordt on¬men¬se¬lijk.'Ö

 Idem. p. 37.

 God kan dus

niet het onrecht vergeven dat de men¬se¬n elkaar aan¬doen. De Grote Ver­zoendag geeft de mogelijkheid vergeving te ontvan¬gen voor de misstap­pen bedre¬ven ten opzichte van God zoals over¬tredin¬gen van riten en

geboden, de wanhoop, de afgoderij van geld en kunst. Ze worden

vergeven door mijn gebed. 'Mijn misstappen ten opzich¬te van God worden

vergeven zonder dat ik afhang van Zijn goede wil! God is in ze¬kere zin

de ander bij uit¬stek, de ander als ander, de absoluut an¬dere - en toch

hangt mijn verge¬lijk met deze God slechts van mij af. Het instru¬ment

van de vergeving ligt in mijn handen. Daarentegen is in zekere zin de

naas¬te, mijn broeder, de mens, oneindig minder een ander dan de ab¬so­luut andere, meer anders dan God: om zijn vergeving te verkrijgen op

de Grote Verzoendag, moet ik van te voren van hem verkrijgen dat hij

zich verzoent. En als hij wei¬gert? Omdat men met zijn tweeë-

n is, is

alles in gevaar. De ander kan de vergeving weigeren en mij voor altijd

onver¬geven laten.'Ö

 E. Levinas. Quatre Lectures Talmudiques. Parijs, 1968, pp. 36-37.N

In de christelijke gemeente werd de eis volgens de Tora te leven

te¬niet gedaan en verdween het offer. Daarmee zijn inderdaad be¬paalde

gren¬zen wegge¬vaagd. De beperking van een systeem van gebo¬den en ver­boden is opge¬geven, de mogelijkheid zich met elkaar À)

n te voelen en

solidair te zijn rond het offer is opgehe¬ven. Het wegvallen van dezeÔ

grenzen heeft blijkens de geschiedenis van het chris¬tendom en van de

cul¬tuur die het beë5

nvloed en overheerst heeft, aan het geweld meer

ruim¬te gegeven. Niet alle grenzen zijn verdwenen: er is een be¬paalde

grens ge¬bleven, in zekere zin zelfs een nieuwe grens getrokken,

namelijk die tus¬sen het gebruik van geweld en het leven vanuit de ge­weldloosheid. Wetten en offers worden in het Tweede Testament on¬der­kend als po¬gin¬gen het kwaad met geweld te ver¬nietigen. De liefde die

erkent dat de an¬der is als ik en precies daarin de ander bevestigt in

zijn anders zijn, wordt nu de kracht die de menselij¬ke relaties in het

rechte spoor houden, recht maakt wat krom is ge¬trokken, en wonden ge­neest. L¬even in en van¬uit de geweld¬loosheid van de onvoorwaardelijke

ver¬ge¬ving is zo nieuw dat de vormen die er¬ voor gevonden werden,

telkens weer bezwijken onder de stormloop van het geweld. Het is de

vraag of de weg van verboden en offers in de praktijk niet effectiever

is om het ge¬weld in te dammen. Het geweld met (minder) geweld bestrij­den houdt ech¬ter wel het geweld in stand.

Á

De mogelijkheid van de onvoorwaardelijke vergeving is de grote

ga¬ve ¬van Jezus aan zijn volgelingen. Later is in het christendom zeer

sterk benadrukt dat wij allen schuldig staan tegenover God en dat God

ons niettemin vergeeft. Ik meen het accent anders te moeten leggen.

God aan¬vaardt ons onvoorwaardelijk zoals we zijn, of we nu al of niet

schuldig¬ tegenover God staan. De diepste christelijke ervaring is niet

dat wij ver¬geven wor¬den en kenne¬lijk dus schuldig zijn, al heb¬ben we

misschien geen idee waarom. Cen¬traal staat in het Nieuwe Testament dat

volgelingen van Jezus zich door hem aanvaard weten en van daaruit de

kracht ont¬van¬gen on¬voor¬waardelijk te ver¬geven. Dit opent hun ogen voor

hun eigen falen en vraagt bovendien om een her¬in¬ter¬pretatie van ¬de

geschie¬denis en het men¬selijk be¬staan. Vol¬gens de christe¬lijke tra¬di­tie zijn mensen in tegen¬stel¬ling tot Levinas niet 'vol¬ledig ver¬ant­woor¬de¬lijk' voor wat zij doen; ze zijn even¬zeer slacht¬offer van de

geweld¬dadige wereld waarin¬ zij geboren wor¬den. De 'erfzon¬de' is dan

ook een typisch christe¬lijk be¬grip. Dit woord 'erfzon¬de', door Augus­tinus vanaf 397 ont¬wikkeld, heeft rampen veroor¬zaakt. Het heeft mensen

het gevoel gege¬ven schuldig te zijn aan de dood van Jezus, maar het

be¬schrijft wel de wer¬kelijkheid: wij wor¬den ge¬boren in een we¬reld

waarin het geweld reeds aanwezig is, en waar¬in ieder mens wonden op­loopt. On¬recht en ge¬weld blijven niet buiten ons staan, ze wor¬den een

deel van onszelf. We worden ons ervan bewust dat het kwaad niet

slechts buiten ons is, in de ander, of slechts binnen ons, wij allen

maken deel uit van een ge¬schiedenis van heil en onheil. Niet 'volle¬dig

verantwoor¬delijk' bete¬kent niet 'niet verant¬woorde¬lijk'. Maar de ver­ant¬woordelijkheid ver¬schilt van per¬soon tot per¬soon. Ook in het Oude

Testa¬ment moet het on¬recht aan mensen be¬dre¬ven door de slachtoffers

verge¬ven worden. God vergeeft niet buiten de mensen om. Vergeving is

niet iets abstracts, iets inner¬lijks, het is het her¬stel van de rechte

verhou¬dingen, en dit kan op aller¬lei manieren in inter¬persoonlijke en

maat¬schap¬pelijke verhoudingen con¬creet worden.

 Á

Mensen kun¬nen wei¬geren te ver¬geven (Joh 20:23). Zij kun¬nen niet

ver¬plicht worden te vergeven. Ver¬ge¬ven, zeker onvoorwaardelijk verge­ven is geen plicht, maar een gave, een kracht. Ver¬ge¬ving weige¬ren

bete¬kent ech¬ter voor zo¬wel da¬der als slacht¬offer dat zij blijven leven

in de on¬vrij¬heid van kromme verhoudin¬gen. Vandaar dat Jezus Petrus

zegt ze¬ventig zeven maal, dus altijd, te verge¬ven (Mt 18:21-22). Wie

niet ver¬geeft, hoe¬wel God vergeving aan¬biedt, wordt gefolterd door

zijn eigen daad (Mt 18:23-35). Jezus legt hier niet een morele ver­plichting op van bui¬ten af, maar geeft een antropolo¬gische waarheidÔ

weer. De verant¬woor¬delijk¬heid voor on¬recht en voor ver¬ge¬ving ligt bij

de men¬sen, al wordt ze eni¬germate ingeperkt door het ver¬leden waar¬in

men¬sen staan. De kracht om te verge¬ven komt in het Nieuwe Tes¬tament

ech¬ter vanuit het le¬ven in navolging (mimese) van Jezus, van¬uit zijn

Geest. Deze kracht heeft immers niemand uit zichzelf, want mede door

het on¬recht hem aan¬gedaan, is ie¬der mens reeds in de chaos van het

geweld. Slechts door de Geest van liefde er¬kent het slacht¬offer de

dader als aan zichzelf gelijk, en kan hij of zij het aange¬dane kwaad

ver¬geven, de ander ontheffen van zijn plicht tot veref¬fe¬ning door

vooraf aan de vergeving een positie¬ve daad te stellen. Kinde¬ren kun¬nen

hun ouders vergeven en hun niet langer de eis tot er¬kenning stellen;

ouders kunnen afzien van hun vraag aan hun kinderen¬ om be¬langstelling

en zorg; vol¬wassen mensen kunnen besluiten elkaar het verle¬den niet na

te dragen. Vergeving doet recht, omdat in de vergeving erkend wordt

dat wij allen ten diepste met elkaar verbonden zijn, en dat het

afsnij¬den van relaties met iemand ten koste gaat van de rechte ver¬hou­din¬gen en het goede le¬ven.

Á

Door de onvoorwaardelijke vergeving verdwijnt de behoefte aan

ver¬gel¬ding en wraak. Het slachtoffer dat vergeeft erkent dat het

scheppen van nieuwe ver¬hou¬dingen herstel van de oude verhou¬din¬gen

overbodig maakt. Daarmee verdwijnen vergelding en wraak.

Á

Een lange weg

Vergeven kan ploteling en onverwacht gegeven worden, maar de weg

daartoe is door¬gaans lan¬g. Daders hebben grote moeite hun da¬den onder

ogen te zien.Ö

 Zie: W. Alting von Geusau, Vergeving. Eindpunt van een lange weg,

en J. Dobbelaer, De daders in de gewelddadige samenleving,  in H.

J.Ach¬ter¬huis, W. A. M. Alting von Geusau, J. J. M. Dobbelaer, R. J.

Kle¬ber en J. C. M. Leijten. De gewelddadige samenleving. Ambo, Baarn,

1994, resp. pp. 61-73 en pp. 74-85.A

 Slachtoffers hebben soms moeite te er¬kennen dat hun

wer¬kelijk onrecht is aangedaan. We moe¬ten leren te er¬kennen dat het

kwaad dat ons is aan¬gedaan, deel uit¬maakt van ons ei¬gen wezen en dat

dit leidt tot het projec¬teren van het¬ kwaad op ande¬ren en het schep¬pen

van vij¬andbeel¬den.Ö

 L. Basset heeft in dit verband een interessante interpretatie van

Jes 52: 13-53:12. L. Basset. Le pardon originel. De l'abÀ5

me du mal au

pouvoir de pardonner. Labor et Fides, GenÀ/

ve, 1994, pp. 271-330.Û

Verge¬ving begint met te er¬ken¬nen dat er kwaad ge¬beurd is. Ze is

een confrontatie met het onrecht. Ze heeft er ech¬ter weet van dat wij

allen deel uitmaken van een onheilsgeschi¬ede¬nis en dat deze geschiede­nis al¬leen doorbroken wordt door de vergeving. Verge¬ven ge¬beurt niet

op rati¬onele gronden, zelfs niet op het inzicht dat verge¬ving zowel

slachtof¬fer als dader vrij maakt, maar is een kracht die van buiten

komt. Vergeving maakt het mogelijk de ander te zien als de mens die

wij zelf zijn. Zij be¬vrijdt het¬ slach¬toffer van ¬rancu¬ne en bitter¬heid.

Ze ¬geeft het slachtoffer zijn waar¬dig¬heid als men¬s te¬rug. De dader kan

door het uitzicht op ver¬ge¬ving zijn¬ da¬den onder ogen zien. Hij heeft

geen recht op verge¬ving. Het Nieuwe Tes¬ta¬ment zegt ech¬ter dat God in

Jezus onvoor¬waardelijke verge¬ving aanbiedt en wekt men¬sen op God in

deze na te volgen. Verge¬ving is het enige tegengif tegen on¬rech¬t en

ge¬weld.

Á

Vergeving is altijd persoonlijk en individueel. Samenlevin­gen en groe¬pen kunnen als zodanig niet vergeven. Maar wanneer er

mensen zijn in die samenlevingen die vergeven, kan hun daad een

aanste¬kelijke wer¬king hebben¬. Hu¬n voorbeeld kan wervend zijn en een

draagvlak moge¬lijk ma¬ken waar¬door een samenleving haar rancunes,

tradities  en mythen heelt. Door dit genezingsproces van het individu­ele en collectieve geheu¬gen wordt voorkomen dat de geschiedenis van

geweld en onrecht voort¬ge¬zet wordt en dat een ¬toekomstige generatie

weer de wapens opneemt. Het lijkt mij bij uitstek het werk van

christelijke vredesbewegingen om dit gene¬zings¬proces te bevorderen en

curatief en preventief aan vrede te werken. Á

Alleen het slachtoffer kan vergeven. Verge¬ving ge¬beurt tussenÔ

men¬sen die el¬kaa¬r onrecht aandoen. De plaatsen van vergeving zijn bij

uit¬stek, de keu¬ken¬ta¬fel, het bed, de werkvloer. Onrecht tegen het

indivi¬du tast de ge¬meen¬s¬chap aan. Vergeving heelt de gemeenschap, al

kunnen de effecten van het kwaad nog hun werking laten gelden. Het

slachtoffer kan iemand tot zijn plaats¬bekleder in deze be¬noemen, zodat

er bijvoor¬beeld na de dood van¬ het slachtoffer toch vergeving mogelijk

is voor de dader.Ö

lle. Plaatsbekleding. Ten Have, Amsterdam, 1965 (Stuttgart,

1965).X

 Men¬sen kun¬nen God ma¬ken tot hun plaatsbekleder in

deze, of Jezus, of de gelovige gemeen¬schap. Je zou kunnen zeggen dat

mensen die christen worden, dit in feite doen.

 

Kerkelijke veergeving in een crisisÁ

In alle chris¬telij¬ke kerken is de vie¬ring en¬ vorm¬geving van de ver­geving in een cri¬sis. Al in de kerk van de tweede eeuw met haar

praktijk van een openbare ker¬ke¬lijke boete wordt de vergeving aan

voorwaarden ver¬bonden. Zo is deel¬na¬me aan deze viering maar eenmaal in

het leven mo¬gelijk. In de ka¬tholie¬ke kerk begonnen vanaf de elfde eeuw

bisschoppen en pries¬ters de ver¬ge¬ving van kwaad als een eigen privile­ge naar zich toe¬ te trek¬ken. Voor¬heen was het altijd mogelijk kwaad

dat niet publieke¬lijk was bedre¬ven, te biechten bij een monnink of in

noodgevallen aan een leek. Zelfs nog in de veer¬tiende eeuw, toen

Europa geteisterd werd door de zwarte pest, wer¬den de zie¬ken door de

kerkelijke leiding aangespoord om bij afwezigheid van een pries¬ter

toch vooral hun zonden te biechten aan een leek, een man, des¬noods

(sic!) aan een vrouw. Ten tijde van de Hervorming was het ho¬ren van de

biecht uitsluitend aan priesters en bis¬schoppen voorbehou¬den. De

praktijk van de kerkelijke vergeving kreeg een sterk juridisch

karakter. De biecht werd min of meer een gerechtelijk pro¬ces. Het ont­vangen van de verge¬ving werd afhankelijk gemaakt van de opgelegde boe­te.

Á

Ik ben het hier van harte eens met J. Moingt, die schrijft: 'Uit

vrees dat een te grote toegankelijkheid tot de sacramenten zou

bijdragen aan het verachten van Gods gave of dat daarentegen luiheid

mensen er¬van zou afhouden tot hen te naderen, heeft de Kerk haar

toevlucht geno¬men tot de herhaling van verplichtingen en bedreigingen,

die voor veel men¬sen de vergeving door God onzeker en tot een zware

last maakt. De Kerk legt hoe dan ook haar bemiddeling op en plaatst

haar tussen de verge¬ving en hen voor wie zij bedoeld is, zodat zij

slechts door haar en op haar voor¬waarden te verkrijgen is.'Ö

 J. Moingt, L'impresciptible fondement, in J. Lambert, F. SmythªFloren¬tin, Ph. Secretan e.a., Pardonner. Brussel, 1994, pp. 97-98.

 De

impliciete ontkenning dat men¬sen elkaar onderling kunnen vergeven en

het verbinden van de ver¬ge¬ving aan haar voorwaarden heeft het zicht op

de onvoorwaardelijk ver¬ge¬ving, die Jezus aanbiedt als tegengif van de

gewelddadige wraak, ver¬duisterd. Boven¬dien zijn we ons ervan bewust

geworden dat de gemeenschap die geschaad wordt, niet aller¬eerst de

ker¬kelijke is, maar de men¬selij¬ke. Wie kunnen er plaatsbe¬kle¬dend in

onze maatschappij het on¬recht verge¬ven, bijvoorbeeld aan men¬sen die

daardoor omgekomen zijn? Als we op vragen als deze gee¬n ant¬woord vin­den en niet in staat blijken de kerkelijke tra¬ditie radicaal te

vernieuwen blijft de crisis in de vergeving bestaan, niet alleen in de

kerk, maar ook in de maat¬schappij.Ã

Ik ben van mening dat de nieuwe praktijk in Nederland en elders

van het vieren van de vergeving in een zo¬ge¬naamde 'boeteviering' (wel

een onge¬lukkig woord) meer beantwoordt aan de geest van het Nieuwe

Testa¬ment dan de traditionele praktijk van de privÀ)

biecht. In deze

viering wordt de vergeving verkondigd, ieder wordt door de voorganger

de handen opgelegd en er wordt over hem of¬ haar, en vervolgens over

heel de aan¬wezige gemeenschap gebeden. Daarna volgt een onderlingeÔ

uitwisseling van de vredesgroet. Er wordt geen 'boete' opgelegd als

voorwaarde voor de vergeving. In het kader van zo'n ge¬beuren zou het

mogelijk zijn dat pu¬blieke mis¬da¬digers - ik denk daarbij het meest aan

misdadige politici - in het openbaar naar vo¬ren treden en een publieke

verkla¬ring afleg¬gen, waarin zij hun kwaad bekennen en hun slachtoffers

- doden en levenden - om vergeving vragen. De aanvaarding van zo'n man

door de gemeenschap zou een zuive¬rend en heilbrengend effect kun¬nen

hebben op zowel de misdadiger als op de slachtoffers aan wie hij zich

vergre¬pen heeft.

Á

Mede omdat de kerk zelf het spoor is kwijtgeraakt van de onvoor­waardelijke vergeving, heeft de grote gave van het Nieuwe Testament

niet of nauwelijks invloed uitgeoefend op de rechtspraktijk. Berouw en

verge¬ving spelen daarin geen rol van enig belang. De bronnen van ons

westers rechtssysteem zijn overwegend heidens en slechts heel indi¬rect

is er in¬vloed op geweest vanuit het evangelie. De kritische houding

van Je¬zus in Mt 5 ten opzichte van het positieve recht moge ook de

onze zijn. Van¬uit het voorafgaande weten we dat slachtoffers daders

kunnen worden die weer slachtoffers maken. Onderzoek heeft uitgewezen

dat het zeer wil¬le¬keurig is of iemand al of niet door ons rechtssys­teem gestraft wordt.Ö

 S. Box. Power, Crime and Mystification. Londen, 1983.B

 Bezoeken aan de politie in Noord-Ierland en

gesprekken met de politie in Nederland hebben mij duidelijk gemaakt,

hoe poreus de grens is tussen politieman en crimineel en tussen

'rechtmatig' en 'onrechtmatig' geweld. Wat te denken van de politieman

die als 'undercover' werkt, en de crimi¬neel die de politie infil­treert? De stemmen die in de jaren zeventig en tachtig pleitten voor

de af¬schaf¬fing van de gevangenis en misdaden wil¬den herinterpreteren

als con¬flicten tussen twee partijen, zijn verstomd.Ö

 H. Bianchi. Basismodellen in de kriminologie. Deventer, 1980.J

 De laatste

vijftien jaar is in Ne¬der¬land de criminaliteit niet toegenomen. Er

wordt wel door de rechters har¬der gestraft. De roep om terugkeer van

de wraak klinkt alom luid. Blijven christenen en hun kerken zwijgen?

Of zul¬len ze in herinnering roepen dat er vergeving is, zelfs onvoor­waarde¬lijke vergeving? Zullen wij wegen weten te vinden om de kracht

van het wonder, dat de verge¬ving altijd is, door te laten werken in de wijze waar¬op onze maatschappij omgaat met daders en slachtoffers?

    SITEMAP Girard Studiekring

counter

counter

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] Ik neem hier stelling in een debat dat weer opnieuw gevoerd wordt. Zie: L. Stilma. De dood als straf. Ten Have, Baarn, 1994.

[2] Veel in dit artikel is een herhaling en verdere uitwerking van wat ik schreef in mijn boek Het Soevereine Slachtoffer. Een Theologisch Essay over Geweld en Onderdrukking, Ten Have, Baarn, 1993.

[3] H. Schmid, Altorientalische Welt in der alttestamentlichen Theologie,. Zürich, 1974. Wat Israël betreft, moeten we niet denken in termen van 'wereldorde' zoals Schmid doet; het gaat om een orde binnen Israël waardoor het in deze wereld kan bestaan.

[4] K. Koch, "Gibt es ein Vergeltungsdogma im Alten Testament", in Zeit­schrift für Theologie und Kirche 52 (1955)1-42.

[5] E. Levinas, Difficile Liberté, Parijs, 1963, p. 21.

[6] Klik hier voor zijn belangrijkste boeken.

[7] Poetica IV, 2. 

[8] Zie hiervoor en het volgende: I.B. Boszormenyi Nagy en G. Spark. Invisible loyalties. New York, 1973.

[9] H. Meulink-Korf en M.A. van Rhijn, "Kontekstuele therapie en kontekstueel pastoraat. Over het belang van het familietherapeutisch koncept van Ivan Boszormenyi-Nagy voor het pastoraat", in Praktische Theologie 18 (1991) 3-15.

[10] M. Buber, "Schuld und Schuldgefühle", in Werke, I, München, 1962, p. 481.

[11] Zie: A. van Harskamp, Primo Levi: 'Wij die reeds verdronken waren', in Breuklijnen. Grenservaringen en zoektochten. H. Nelissen, Baarn, 1994, pp. 213-227.

[12] Renée Braams, "Krassen in eigen vlees", in NRC-Handelsblad 2 juli 1994, p. 5.

[13] Vgl. J. Lambert, "L'hostie, l'hôte et l'hostile: mythologiques du pardon", in J. Lambert, F. Smyth-Florentin, Ph. Secretan e.a., Pardon­ner. Brussel, 1994, p. 34.