VU
Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > > Online teksten
André Lascaris
VERGELDING EN
VERGEVING IN BIJBELS-THEOLOGISCH PERSPECTIEF
Lezing Leuven 1 maart 1995, later met enkele wijzigingen verschenen in:
Roger Burggraeve & Johan de Tavernier,
Terugkeer van de wraak? (Averbode/Baarn:
1996)
Tussen de huizen
werd het laatste nieuws via de ramen uitgewisseld:
"Heb je het gehoord, Gjorg Berisha
heeft Zef Kryeqyqe
gedood."
"Gjorg Berisha heeft
het bloed van zijn broer gewroken."
"Zullen de Berisha's om het vierentwintigurige
bestand vragen?"
"Ja, natuurlijk."
Door de ramen van
de kulla's (torenvormige huizen) was de drukte in de
dorpstraten merkbaar. De avond was nu volledig gevallen. Het licht van de
fakkels werd zwaarder, alsof het stolde. Langzamerhand kreeg het een donkerrode
kleur, als de lava van een vulkaan, zo juist opgeweld uit een mysterieuze
diepte. De vonken spatten in het rond als voorboden van het te vergieten
bloed.
Vier mannen, van
wie één op leeftijd, liepen naar het huis van de dode.
"De bemiddelaars gaan de vierentwintigurige bessa voor de Berisha's
vragen," zei iemand vanuit een raam.
"Zullen ze die geven?"
"Ja, natuurlijk."
Toch namen de leden van de Berisha-clan veiligheidsmaatregelen.
Hier en daar hoorde je stemmen: "Murrash, kom
vlug naar huis. Cen, sluit de deur. Waar is Prenga?"
De deuren van de
huizen van alle nabije en verre verwanten werden gesloten, want vlak na de
moord was een gevaarlijk moment, als de familie van de dode nog geen van de bessa's gegeven had en de Kryeqyqes,
nog verblind door het pas vergoten bloed, krachtens de Kanun
het recht hadden wraak te nemen op welk lid van de Berisha-familie
dan ook.
Deze tekst is een fragment uit het eerste hoofdstuk van
de roman van de Albanese schrijver Ismail Kadare Een breuk in april (van
Gennep, Amsterdam, 1992). De roman heeft als thema de bloedwraak zoals deze nog
in de dertiger jaren van deze eeuw in de bergen van Albanië gebruikelijk was.
Kadare beschrijft een samenleving die in onze ogen macaber en barbaars is. De
bloedwraak is een plicht, vastgelegd in de 'Kanun', de codificatie van het
gewoonterecht. Ze is omgeven door talloze regels. Het slachtoffer moet op de
rug gelegd worden met het geweer bij zijn hoofd. Van de dader wordt verwacht
dat hij de begrafenis van het slachtoffer bijwoont. Er is een vierentwintigurig
bestand, een dertigdaags bestand, er zijn wegen of bepaalde stukken daarvan
waarop volgens een eeuwenoude overleving geen moord mag plaats vinden. Voor
elke bloedwraak moet bloedgeld aan de lokale heerser betaald worden. Er zijn
kleine burchten waarin de bloedwrekers zich levenslang kunnen opsluiten. Het is
mogelijk de bloedwraak te beëindigen: maar er hoeft maar één mannelijk lid van
de familie tijdens de ceremonie 'neen' te zeggen, en de bloedwraak gaat door.
In de roman van Kadare is de bloedwraak al zeventig jaar oud. De familie
Berisha had een vreemdeling geherbergd. Gjorg Berisha's grootvader had hem
uitgeleide gedaan, zich omgedraaid, en toen was de vreemdeling doodgeschoten
door een lid van de familie Kryeqyqe. Omdat de vreemdeling achterover was
gevallen met het gezicht naar het dorp gericht, moest de familie Berisha de
plicht tot wraak overnemen die normaal aan de familie van het slachtoffer
opgelegd was.
De inperking van
de wraak
Hoe gruwelijk de
bloedwraak ook is, zij is een manier om recht te doen. Ze perkt de wraak in en
voorkomt een situatie, waarin iedereen iedereen
vermoordt. Vrouwen en kinderen mogen niet getroffen worden door bloedwraak, er
zijn bepaalde tijden en plaatsen voor de bloedwraak, er zijn zelfs regelingen
om haar te beëindigen. Dit alles maakt de bloedwraak echter tegelijk nog meer
tot een heilige plicht. We mogen oprecht blij zijn dat wij in een maatschappij
leven waarin de bloedwraak niet meer bestaat. Wij hebben een systeem ontwikkeld
waarbij de wraak uit de handen van het slachtoffer wordt genomen en overgenomen
door de staat en zijn rechtbanken. Dit is mogelijk geworden, omdat wij een centraal
gezag hebben dat voldoende greep heeft op minderheden en individuen. Het geweld
dat voortkomt uit de dorst naar gerechtigheid en recht moet gaan scheppen,
wordt niet meer uitgeoefend door een individu of door een familie, maar door
die instantie, die nu het monopolie heeft op het
gebruik van geweld, de staat. In het Nederlands recht is het zo dat het
slachtoffer bij de procesgang nauwelijks een rol speelt; hoogstens kan het
slachtoffer optreden als getuige. In andere landen in West-Europa kan het slachtoffer
vaak een actievere rol spelen. De doodstraf is in West-Europa afgeschaft, of
bestaat alleen nog maar op papier zoals in België. Volgens mij is dit een goede
zaak.[1] Afschaffing
van de doodstraf betekent dat we vinden dat de staat een grens moet stellen aan
het geweld dat toegepast kan worden. De staat heeft hier een voorbeeldfunctie
voor groepen en individuen in de samenleving.
We kunnen zo de
illusie koesteren dat wij beter zijn dan de Albanezen uit de roman van Kadare, meer geciviliseerd, meer christelijk. Wraaknemen is voor ons onaangepast maatschappelijk gedrag.
Het is onchristelijk. We zijn zo gesocialiseerd dat zelfs het hebben van
wraakgevoelens ons schuldgevoelens geeft. We mogen geen kwaad met kwaad
vergelden, en menen vaak dat we dat ook niet doen. Maar onze gevoelens
veranderen op slag, wanneer wij geconfronteerd worden met iets wat ons diep
raakt. Wanneer in Nederland drie stokoude Duitse oorlogsmisdadigers worden
vrijgelaten uit de gevangenis of een voormalige deserteur uit het leger dat tegen
de Indonesiche republiek vocht, op familiebezoek komt
in zijn voormalig vaderland, blijken mensen voelen zich diep gekwetst. Oude
wonden scheuren open. Het gevangen houden van de drie oude mannen en het
weigeren van een visum aan eveneens een oude man lijken onmisbare pleisters te
zijn. De kwestie van amnestie aan de collaborateurs uit de tweede wereldoorlog
roept in België soortgelijk gevoelens op van wraak en vergelding akker. Wanneer
in Engeland twee kinderen een kleuter ombrengen, wordt door een groep inwoners
van Liverpool een poging gedaan de daders te lynchen. De rechter legt de daders
van de moord een zware gevangenisstraf op, iets wat in elke geval in Nederland
niet zou gebeuren. De ervaring dat oorlogsmisdadigers, criminele politici,
terroristen, verkrachters, vandalen, ongestraft blijven, blijkt onverdragelijk te zijn. Er wordt dan geen recht gedaan. De
wereld lijkt dan niet meer in orde. Niet straffen lijkt te onderstrepen dat
uiteindelijk de wet van de sterkste het menselijke leven domineert, een stand
van zaken die toch al dagelijks bevestigd wordt in de vrije markteconomie. In
dit verband spreekt men van 'het rechtsgevoel dat niet bevredigd wordt'.
Geloven in
vergelding
Mochten we als
christenen onze schouders ophalen over het feit dat het rechtsgevoel van
anderen of van ons niet bevredigd wordt, dan stoten we op de laatste regels van
het proefschrift - een proefschrift van 590 bladzijden - van de Amsterdamse
hoogleraar aan de Vrije Universiteit N. Schuman
'Gelijk om Gelijk. Verslag van een discussie over goddelijke vergelding in het
Oude Testament.' (VU Uitgeverij, Amsterdam, 1993). Hij schrijft: 'Wie niet meer
in de vergelding wil geloven, is het niet ter wille van zichzelf, dan toch ter
wille van anderen, heeft alle hoop verloren.' Het gaat in de bijbel om een hoop
op een wereld waarin recht gedaan wordt. Deze wereld is een ideale
werkelijkheid die echter voor de auteurs van het Oude Testament fungeert als
richtpunt en leidraad van handelen. Wie weigert te luisteren naar de stem van de
Wijsheid die zegt dat het kwaad vergolden zal worden, levert zichzelf uit aan
chaos en vernietiging. Vergelding wordt hier dus door Schuman
verdedigd, zelfs aanbevolen, op grond van de Hebreeuwse bijbel.
Schuman heeft gelijk,
meer nog dan uit zijn proefschrift blijkt. Het is de bijbel zelf die om wraak
en vergelding roept, en wel terwille van de
gerechtigheid.[2] God is zowel in het Oude als
het Nieuwe Testament allereerst de God die gerechtigheid doet en het recht
handhaaft. Het geloof in de opstanding van de doden heeft als bron en als
verantwoording het vertrouwen dat God recht doet. Hoe kan er recht zijn in de
wereld, als mensen worden omgebracht omwille van het feit dat zij recht
proberen te doen? Niet geloven in God betekent vanuit de bijbelse
visie de hoop opgeven dat er aan mensen recht gedaan wordt. Zolang wijzelf in
de comfortabele positie zitten dat wij veilig kunnen leven, zal ons dat
misschien onverschillig laten. Maar onze veiligheid is altijd beperkt. Elk
moment kunnen we getroffen worden door onrecht, een overval, verkrachting, of
door een ziekte, die we als een aanslag beleven op ons recht om te leven. We
danken onze betrekkelijk veilige positie van burger in een West-Europees land
mede aan het feit dat wij we op ons recht staan en dat in wetgeving hebben
neergelegd.
De Schrift deelt
in de oermenselijke overtuiging dat menselijk overleven alleen mogelijk is als
er een vertrouwen bestaat, dat er orde geschapen kan worden en recht gedaan
wordt, zodat niet alles op willekeur en toeval berust, al spelen beide volgens
de menselijke ervaring een rol.[3]
Vergelding en dus wraak zijn noodzakelijk.
Dader en daad
Schuman is in zijn
proefschrift in discussie met de Duitse exegeet Klaus
Koch. Deze exegeet heeft - ten onrechte - op de theologie geen grote invloed
gehad: zijn visie is fundamenteel. Volgens Koch bevat het Oude Testament zelden
het beeld van God als rechter en wreker. Er is volgens hem in het Hebreeuws
zelfs geen woord voor 'vergelden'. Mensen roepen zelf met hun daden de gevolgen
ervan op, tot hun voordeel of nadeel. Vele Hebreeuwse woorden duiden tegelijk
de daad aan en het gevolg van deze daad. Een slechte daad brengt ongeluk, zonde
is onheil, gerechtigheid schept de goede verhoudingen (Spr
21:21). Daad en gevolg hangen samen. Zonde is tegelijk straf - het Hebreeuws
kent geen apart woord voor straf - de straf komt niet van buiten, er bestaat
ook geen norm van buitenaf, maar is het effect en de doorwerking van de
slechte daad zelf. Onheil en geweld komen niet van buiten, maar daarin wordt
onthuld en ontplooid wat in de daad daaraan voorafgaande al besloten lag. Het
uitgaan van de begeerte van de vrouw naar de man is het beheerst worden door
hem (Gn 3:16). Voor Hosea
is zaaien in gerechtigheid oogsten in liefde; ploegen in goddeloosheid brengt
als oogst de misdaad (Hos 10:12-13). Ezechiël kan de persoonlijke
verantwoordelijkheid scherp verwoorden, omdat elke daad zijn eigen gevolgen in
zich draagt (Ez 33). Vooral de Wijsheidsliteratuur is
er vol van: een daad is als het zaad van de oogst, groeit op als een boom,
wordt een levensweg (Spr 11:4, 18, 30).
Dit alles wil
echter niet zeggen dat er geen recht wordt gedaan. De overtuiging dat er recht
gedaan zal worden en dat dus menselijk leven mogelijk is, blijkt juist uit de
nauwe relatie die gelegd wordt tussen de handelende persoon en zijn handeling.[4] De mens
verwerkelijkt zich en bevindt zich in zijn daden, hij is wat hij doet en
bestaat niet als een autonoom en onafhankelijk subject naast zijn daden.
Volgens Ps 106:39 verontreinigden de Israëlieten zich
hun daden, en pleegden overspel hun werken (en niet, zoals meestal vertaald
wordt, hun daden en werken). In het Oude Testament wordt deze relatie tussen
daad en dader als zeer eng gezien: het onrecht kleeft aan de handen van de
dader (Ps 7:4; 26:10), het is als een gewaad; geweld
en bedrog komen als water en olie in het binnenste van de geweldpleger (Ps 109:18, 19, 29). God is degene die de wereld zo inricht
dat de bedrijver van onrecht inderdaad met de gevolgen van zijn handelen
geconfronteerd wordt. Doorgaans gebeurt dit door andere mensen. De
wijsheidstraditie beseft dat mensen wijsheid nodig kunnen hebben om de dader de
gevolgen van zijn daad te laten ondervinden; God wordt hier gezien als degene
die deze onderneming zegent.
Mensen scheppen
dus door hun daden een eigen sfeer om zich heen waarin ze opbloeien of
verstikken. Iemand die corrupt is, leeft in een corrupte sfeer en gaat daar
tenslotte zelf aan ten onder. Het bloed dat iemand vergiet, komt op hemzelf
neer. Het kwaad straft zichzelf. Daarentegen, wie goed doet, goed ontmoet.
Daden zijn als zaad dat zijn eigen oogst opbrengt. Boontje komt om zijn
loontje. God draagt slechts zorg voor de realisering van wat in die corrupte,
bloedige en kwade sfeer al ligt opgesloten. God is een vroedvrouw die laat
geboren worden wat de mens verwekt en baart. Men oogst wat men zaait. Neem als
voorbeeld psalm 7: 'Zie, er was een mens boordevol boosheid, van kwaad
zwanger, zijn kind was verraad: een valkuil delft hij, spit steeds dieper en
stort zelf in het graf dat hij groef.'
Ik vul zelf aan
dat de vooronderstelling van de verhouding tussen gevolg en daad en tussen
dader en daad gedeeld wordt door het Nieuwe Testament. Het einde van slechte
daden is de dood (Rom 6:21-23;2 Kor. 5:10). Wie vlees
zaait, zal verderf oogsten, wie de Geest zaait, zal eeuwig leven oogsten (Gal
6:8-9). Het gevolg van een daad maakt er deel van uit, en is datgene wat de
daad tot een eenheid maakt. 'Ieder komt in de chaos door zijn eigen begeerte,
meegetrokken en verlokt als hij is. Vervolgens brengt de begeerte, zwanger
geworden, zonde ter wereld, en de zonde, eenmaal volgroeid, baart de dood' (Jak
1:14-15). Goede en slechte daden (achter)volgen de mens (Apk
14:13). Het evangelie van Johannes staat
geheel in de traditie van het Oude Testament wanneer het stelt dat niet God
veroordeelt, maar dat de mens zichzelf veroordeelt (3:17-18; 5:22; 8:15, 50;
12:48).
De visie van
Koch is niet alleen interessant voor mensen, die zich beroepshalve met het Oude
Testament bezig houden. Ze heeft niet alleen consequenties voor pastores en
predikanten. Ze kan gevolgen hebben voor de discussie over het strafrecht en
voor de wijze waarop politici omgaan met het 'rechtsgevoel' van mensen. Schuman heeft veel kri¬iek op Koch. Die kritiek is vaak overtuigend. Zo wijst hij
er terecht op dat het ontbreken van een woord als 'vergelden' nog niet betekent
dat er geen vergelding is. Je moet woorden altijd in hun samenhang zien. Er
zijn teksten waar God wel degelijk als rechter wordt opgevoerd. Bovendien lijkt
er vaak juist dankzij het optreden van God een ander resultaat uit de boze daad te komen dan we uit de samenhang van daad en
gevolg zouden kunnen verwachten. Zo vernedert God heersers ten inde de kleinen
op te richten. Hier is juist van een contrast sprake, van een spiegeleffect.
Hij vindt de opvatting van Koch nogal mechanistisch. Ondanks zijn kritiek
kruipt hij toch voorzichtig in diens richting. Hij heeft kritiek op de delen en
de som van zijn visie, maar is het eens met de gedachte van een sfeer die door
de daad geschapen wordt. Een resultaat van zijn studie is voor hemzelf dat hij
de vergelding meer serieus is gaan nemen.
De oudste vorm
van gerechtigheid
Waarom is
vergelding zo fundamenteel in het menselijke leven? Vergelding en wraak doen
ons recht. Zonder recht gedaan te worden kunnen we niet leven. Mij schiet hier
een gesprek te binnen dat ik eens had met een klusjesman in een buurthuis in
Amsterdam. Hij vertelde mij dat hij zeer voorzichtig moest zijn, wanneer hij
aan het werk was. De jongeren voor wie het buurthuis voor een goed deel bestemd
was, dromden dan om hem heen, en voor hij het wist, was er een stuk gereedschap
verdwenen. Deze jongeren wilden laten zien dat zij een beetje slimmer waren dan
hij. Elders waren anderen altijd slimmer dan zij. Ze zochten erkenning: dat zij
recht hadden om te bestaan. Recht gedaan te worden is fundamenteel en wordt in
het leven voortdurend gezocht. Tot dit recht behoort het recht op bestaan: 'een
gezicht zien is reeds horen: "ge zult niet doden." En horen "ge
zult niet doden" is horen; 'sociale gerechtigheid"', schrijft E. Levinas.[5] Dit
recht te bestaan impliceert het recht te ontvangen, en het recht te geven.
Recht gedaan worden is aanvaard worden als een mens met dit lichaam en met deze
wijze van leven.
De oudste vorm
van gerechtigheid is die van wederkerigheid. Dit hoeft ons niet te
verbazen. René Girard[6] heeft
ons attent gemaakt op het fundamentele karakter van de nabootsing, imitatie,
navolging, (mimesis) in het menselijke leven. Zoals het biologische niet weg te
denken is uit het menszijn, zo is ook het mimetische
onmisbaar. Girard beweert niet de eerste te zijn die dit heeft gezien. Hij
citeert graag Aristoteles. die zegt: 'Nadoen is eigen aan de kleine mens die
daarin van de andere levende wezens verschilt, dat hij een betere nabootser is
en door het nabootsen zijn eerste kennis verwerft.'[7]
Oorspronkelijk
komt het woord 'mimesis' uit de danskunst. Wanneer ik wil leren dansen is het
verstandig naar een dansschool te gaan. De dansleraar doet dan de dans voor en
ik doe hem na. Ik leer dansen door hem na te doen. Dat betekent niet dat mijn
dans niet mijn dans is. Hoe perfect ik ook de dans nadoen, ik geef die dans
toch een eigen vorm. Want ík dans nu. Misschien zelfs slaag ik erin iets aan
die dans toe te voegen vanuit bijvoorbeeld een andere dans. Dan schep ik een
nieuwe dans. Dus navolging is allereerst uitbeelden. Navolgen sluit niet uit
dat er iets nieuws uitgevonden wordt. Mimesis is dus een herschrijving. Het is
niet zo'n mechanistisch begrip als we op het eerste gezicht misschien denken.
Het zal
duidelijk zijn hoe belangrijk de navolging voor ons mensen is. Wij leren door
na te doen, na te volgen, te imiteren. We leren een taal door na te doen, we
leren natuurkunde door te luisteren wat iemand ons voorkauwt, door te lezen in
boeken en door experimenten over te doen. We leren ons 'netjes' te gedragen
door de aanwijzingen en het voorbeeld van onze ouders. Wij mensen moeten bijna
alles leren voor we kunnen deelnemen aan het volwassen leven. Er zijn dieren
die na hun geboorte meteen al weg kunnen vliegen of op hun poten kunnen staan.
Wij hebben geen of nauwelijks instincten zoals de dieren. Wij moeten leren. We
zijn mens dankzij het geweldige vermogen dat we hebben om anderen na te doen.
Niets is zo hulpeloos als een pasgeboren kind. Een paar dingen zijn een kind
aangeboren zoals zuigen en knijpen. De rest moet het leren. Dit doen we door
navolging, door te herhalen en na te doen. Nadoen, navolgen, imitatie is dus
een eigenschap die wij niet kunnen missen als we mens willen zijn.
Onrecht is de
vroedvrouw van het geweld
Recht gedaan
worden en recht doen hebben een mimetisch karakter. We kunnen dat gemakkelijk
vaststellen bij het gedrag van kleine kinderen die rechtvaardig kunnen zijn op
een wijze, die grenst aan wreedheid. Wanneer een kind een lollie
krijgt moeten moeder en de andere kinderen er ook een hebben. Straf moet
gezamenlijk ondergaan worden; een klein kind dat individueel gestraft wordt,
voelt zich verongelijkt. Een kind voelt zich bezwaard wanneer het op de schoot
van zijn moeder kruipt, terwijl zijn vader eveneens in de kamer zit. Op grond
van de mimese heb¬ben kinderen een sterk gevoel van
wederkerigheid: ze zullen de behoefte gevoelen het goede dat hun gegeven wordt
op een of andere manier terug te betalen, en het kwade dat hun overkomt te
vergelden. Het mimetische karakter van de gerechtigheid blijft bestaan, wanneer
een kind volwassen wordt. Kinderen beseffen overigens niet hoe rechtvaardig of
onrechtvaardig bepaalde daden van hun ouders zijn. Ze worden zich daar pas op
latere leeftijd van bewust dankzij de ontmoetingen die zij met andere mensen
hebben.
De Hongaars
Amerikaanse gezinstherapeut I. Nagy heeft veel aandacht
aan geschonken aan de overdracht van rechte en ongerechte verhoudingen.[8] Volgens
hem wordt een soort boekhouding bijgehouden en waar de schuld hetzij van het
kind aan de ouders en andere gezinsleden hetzij hun schuld aan het kind niet in
de kindertijd is vereffend, wordt dit later verhaald op anderen, de partner, de
eigen kinderen, op relatief vreemden, die als zondebokken gaan fungeren. Een
van de grote thema's van Nagy is dat het onrecht (en
het recht) doorgegeven worden van de ene generatie naar de andere. In het gezin
is het gelijkwaardig tegen elkaar afwegen van weldaden en kwetsuren een van de
belangrijke mechanismen. Op grond van gunsten en weldaden vormen zich onverbreekbare banden. Ondanks dat een vader gruwelijke
dingen doet of heeft gedaan ten opzichte van zijn kind, kan dit niet ontsnappen
aan de band met zijn vader die het immers het leven heeft geschonken. Deze band
is niet allereerst een gevoel, maar bestaat uit een samenhang van rechten en
plichten die er onvermijdelijk is tussen ouders en kind en tussen kinderen
onderling. Deze band blijft bestaan, ook als ze onzichtbaar wordt. doordat er
geen uitdrukking aan wordt gegeven in woord en gebaar. Deze banden worden in
het socialisatieproces doorgegeven. Een volwassene die zijn kind slaat, is
doorgaans zelf als kind geslagen. Kinderen van mensen die als kind in een
gevangenkamp hebben gezeten bij Duitsers of Japanners, hebben vaak
therapeutische ondersteuning nodig. Van kinderen van vroegere collaborateurs
geldt dit evenzeer. Nagy zal altijd proberen de drie
generaties van grootouders, ouders en kinderen bij elkaar te brengen, wanneer
er in een gezin grote problemen zijn ontstaan. In latere leef- en
werkverbanden reguleren de ervaringen van recht en gerechtigheid, opgedaan in
het gezin en in school, mede het onderling verkeer.
De problemen in
gezin- en werkverbanden worden vaak eenzijdig psychologisch geduid. Ze hebben
echter altijd een ethische dimensie. Schuld en straf, de gedachte dat alles een
prijs heeft, de behoefte aan herstel van toegebrachte of aangedane schade
wortelen in de eerste ervaringen van een mensenkind. Ze zijn antropologisch
gezien fundamenteel, omdat ze aan het begin liggen van het ordenen van de
mimetische relaties, wanorde overwinnen, structuur aanbrengen, het bestaan van
een uniek wezen mogelijk maken. 'De ethische dimensie is zó wezenlijk en
funderend dat, als er tussen mensen iets misgaat, het precies in de ethische
dimensie misgaat; en van daaruit sijpelen de missers als vergiftigd grondwater
door; wordt de feitelijke werkelijkheid onrechtmatig, de psychische
werkelijkheid gestoord en de interactionele
werkelijkheid boosaardig: een vicieuze cirkel. Herstel, héélwording, genezing kán
dan ook alleen maar uiteindelijk in de ethische dimensie plaats vinden,
schrijven twee gezinstherapeuten.[9] In een
voordracht voor psychiaters over schuld en gevoelens van schuld zei M. Buber eens: 'Existentiële schuld komt tot stand wanneer
iemand een ordening van de mensenwereld aantast, waarvan hij de grondslagen
wezenlijk kent en erkent als behorend bij het menselijk bestaan dat hem en
allen gemeenschappelijk is.'[10] Wanneer
we God zien als degene die het recht handhaaft, hebben 'psychische' problemen
niet alleen een ethische maar ook een religieuze dimensie.
Onrecht en
geweld komen zo voort uit eerder ervaren onrecht en geweld. Zij zijn pogingen
rechte verhoudingen te scheppen. Het kwaad dat ik onderga, moet rechtgetrokken
worden. Als ik het niet kan verhalen op degene die mij het kwaad heeft
toegebracht, zal ik het proberen te verhalen op anderen, die zwakker zijn dan
ik. Ik verhaal het op mijn partner, of eerder nog op mijn kinderen. Ik weet
zelf niet waarom ik het doe, maar ik sla mijn kinderen, hoewel ik mijn vader
haat, die mij geslagen heeft. Dat 'hoewel' moeten we echter lezen als een
'omdat'. Dikwijls is het niet mogelijk het ervaren onrecht te verhalen op
andere mensen. Ze zijn sterker dan ik, slimmer, bekwamer of eenvoudigweg
onbereikbaar. Ze zijn dood, of ze hebben een zo hoge positie dat er geen
contact mogelijk is. Wat dan overblijft is het te verhalen op mijzelf.
Van dit laatste
bestaan vele afschuwelijke voorbeelden. Zo zijn op het Vietnam-monument
in Washington de namen gegrift van de 58.000 Amerikaanse soldaten die daar zijn
omgekomen. Maar van de Amerikaanse veteranen die terugkwamen hebben er 100.000
zelfmoord gepleegd. Zij konden het onrecht niet verwerken, het onrecht dat zij
ondervonden hebben, in hun omgeving zagen gebeuren of het onrecht dat zij zelf
bedreven hadden en waarvan ze meenden dat het niet meer te herstellen was. Vele
overlevenden van de holocaust pleegden zelfmoord - ik
denk bijvoorbeeld aan de Italiaanse schrijver Primo Levi - omdat zij het niet
konden verdragen dat zij het overleefd hadden. Zij ervoeren dat als hadden zij
zelf onrecht bedreven, en zij verhaalden dat onrecht op henzelf.[11] Vrouwen
die incestervaringen hebben straffen als volwassenen vaak zichzelf. 'Een
patiënte biechtte op dat ze in de winter zonder dekens in een koude kamer sliep
om zichzelf te straffen. Andere vrouwen vertelden hoe zij zichzelf
kastijdden... Incestslachtoffers hebben zo'n strafbehoefte omdat ze als kind
dachten dat ze misbruikt werden omdat ze slecht waren, verklaart de therapeute.[12] Zelf
geloof ik niet in die verklaring. Ik neig ertoe te denken dat zij op zichzelf
verhalen wat zij hun vader niet kunnen aandoen.
Hoewel de
verhouding tussen individu en maatschappij onduidelijk is, meen ik te mogen
stellen dat deze individuele ervaringen zich ophopen met die van andere
individuen en zo een collectief geheugen vormen. In de twintig jaar dat ik
vredeswerk heb gedaan ten behoeve van Noord-Ierland
heb ik vaak de 'domme' vraag gesteld wat de oorzaak was van de 'troubles'. Steeds weer werd ik geconfronteerd met verhalen
uit het verleden. De Paasopstand uit 1916, de
hongersnood van 1846, King Billy, Cromwell, de komst
van de Engelsen naar Ierland. De historische betrouwbaarheid van deze verhalen
laat te wensen over. Zij zijn voor een goed deel mythen, verhalen, bedoeld om
anderen als schuldig aan onrecht aan te wijzen. Van generatie op generatie
worden zulke verhalen, gedichten, liederen en symbolen overgeleverd. Dat
gebeurt in Ierland, in de Verenigde Staten (de 'burgelijke
religie met de groet aan de vlag'), in Nederland (de tachtigjarige oorlog en de
tweede wereldoorlog), in Vlaanderen ('in de eerste wereldoorlog kwamen vele
soldaten om omdat ze het Frans van hun officieren niet verstonden'), Servië (de
verloren slag op het Merelveld in 1389). In dit proces van omgaan met het
verleden zijn volkeren en staten, die vaak gewonnen hebben, beter af dan
volken, die (te recht of ten onrechte) het gevoel hebben eeuwige verliezers te
zijn. Overwinnaars kunnen genereus zijn, zij hebben hun gram gehaald, zij
hebben hun recht gekregen. Serviërs en Polen die het gevoel hebben bijna altijd
verloren te hebben, koesteren hun rancune die in mythen van de ene naar de
andere generatie wordt overgegeven.
Een laatste
opmerking over de verbondenheid van mimetische wederkerigheid en
gerechtigheid. De wederkerigheid die het kind op grond van de mimesis leert, is
niet het laatste woord. Er is nooit een volledige band van wederkerigheid
tussen ouder en kind in die zin dat ouders minstens voor enige tijd van hun
kind niet kunnen en mogen verwachten dat het, hulpeloos als het is, hun met
gunsten terugbetaalt. Baby's hebben het recht om te leven zonder dat zij
daarvoor iets hoeven terug te betalen. Hier wordt de eenvoudige vorm van de mimese, die bestaat in de wederkerigheid, paradoxaal
doorbroken. Omdat het voor het kind vanzelfsprekend is dat zijn ouders het te
hulp schieten in zijn hulpeloosheid, moet het ouder wordend deze doorbreking
van de wederkerigheid leren door zelf geconfronteerd te worden met medemensen
in hulpeloze situaties, waaronder bijvoorbeeld de eigen kinderen. Bovendien kan
men argumenteren dat de behoefte van de mens uit zichzelf te treden en zich te
geven, groter is dan het verlangen voor
elke gave iets terug te ontvangen.[13]
Geweld in de
bijbel
*** [tot hier
bijgewerkt] De auteurs van de bijbel waren zich uitermate goed bewust van
zo¬wel de
behoefte aan
gerechtigheid als van het mi¬metisch karak¬ter van het
recht. Het nauwe
verband dat zij leggen¬ tussen dader, daad en het gevolg van de daad wijst
hier op. Zij weten dat kinderen binnen de verhou¬din¬gen leven die ge¬scha¬pen zijn door de daden van hun
ouders (Ps
51:7). Ze be¬seffen dat door de mimese goed en kwaad als 't ware besmette¬lijk zijn. Zo
besmeurt Joab door zijn rivalen te doden in vredes¬tijd overal waar hij gaat en staat alles met bloed
(1 K 2:5). De
na¬tuur heeft te
lij¬den onder de slechte daden van de men¬sen: het land
treurt over de bloedba¬den die worden aange¬richt,
al wat erin woont,
ver¬kwijnt,
zowel het ge¬dierte op het veld als de vogels in de
hemel,
zelfs de vissen
in de zee komen om (Hos 4:1-3; Gn 3:17). Door hun
daden heb¬ben
mensen een be¬paal¬de uit¬stra¬ling en in die uitstraling
zijn zij zelf.
Á
Deze opvatting over de verhouding tussen
dader, daad en effect
komt even¬eens
buiten Israë-
l voor en is
verwant aan het Indische be¬grip
'kar¬ma'. Ie¬dere daad heeft reeds in zich een on¬ver¬mijdelijk effect dat
niet verlo¬ren gaat in de tijd. De hele wereldge¬schie¬denis is zo een
net van verhou¬din¬gen. Iedere ge¬beurtenis is verbon¬den met daden
die
eerder ge¬steld zijn. De toekomst wordt be¬paald door daden die nu
volbracht
worden. Ze hopen zich op en wor¬den een ge¬woonte, vormen eenÔ
tradi¬tie, die moeilijk te doorbreken is. Elke daad sluit aan op
een
voorafgaan¬de,
en vormt zo een keten die de hande¬lende mens en de
samenleving
waar¬van hij deel uitmaakt, bindt aan het verle¬den.
De
navolging of
mime¬sis, grondregel van het menselijk be¬staan, doet
hier
zich in volle
kracht gel¬den. De ene daad roept een soort¬gelijke
(eventueel een
tegengestelde) daad op. Geweld roept geweld op, recht
schept recht.
Een moeilijkheid bij deze wijze van denken is dat binnen
het aardse le¬ven er vaak niets op wijst dat de onrechtvaardige met
zijn eigen on¬rechtvaardigheid gecon¬fron¬teerd wordt. Waar de
rechtvaardige dan toch in een kuil valt, is het niet altijd gemakkelijk te
zien
dat het de kuil
is, die hijzelf gegraven heeft. Is de ellende (straf,
vergelding) van
de onrechtvaardige werkelijk het effect is van het
bedreven
onrecht? In de Indische tra¬ditie wordt een oplos¬sing van deze
pro¬blemen gezocht in de leer van de reë5
ncarnatie. In de bij¬belse
traditie ont¬wikkelt zich - vrij laat - de ge¬dachte
van de op¬stan¬ding
uit de do¬den:
God zal ieder mens recht doen over de grenzen van de
dood heen. Voor
zowel de Indi¬sche als de bijbelse religiositeit is de
ge¬dachte dat er geen recht gedaan zou worden onver¬dragelijk.
Dit zou
be¬tekenen dat
wil¬le¬keur het hart is van de menselijke
geschiedenis. De
zo¬genaamde
vloekpsalmen be¬doelen niet allereerst uit¬drukking
te ge¬ven
aan gevoelens
van frustra¬tie en haat,
maar stellen dezelfde vraag als
geheel de
bijbel: of er recht ge¬daan wordt en of God degene is
die
recht
ver¬schaft. Zoals E. Zenger schrijft: 'Het psalterium
beveelt de
onderdruk¬ten
niet de on¬derdrukkers
broederlijk lief te hebben zodat
zij verder
kunnen gaan zoals ze al doen. Neen, het boek van de psalmen
ont¬maskert de on¬der¬drukkingsmechanis¬men en
roept God op die situaties
te beë-
indi¬gen.'Ö
E. Zenger. Mit meinem Gott ÀG
berspringe ich
Mauern. EinfÀG
hrungen in
das Psalmenbuch.
Freiburg i. Br., 1987, p. 18.
'Wraak' heeft in
de bij¬bel niet de ne¬ga¬tieve
bete¬kenis die dit
woord in onze
cultuur heeft.Ö
Koch. o.c.; R.L. Hubbard. Dynamistic
and Legal Process in Psalm 7,
in Zeitschrift
fÀG
r
alttestamentliche Wissenschaft 94(1982) 267-279.
Zie voor een
kort overzicht over het hedendaagse denken over de wraak
R. Schwager,
Rache-Gerechtigkeit-Religion. Ueberlegungen zu ei¬ner
interdis¬ziplinÀ
ren
Forschungsarbeit, in Zeitschrift fÀG
r Katholische
Theolo¬gie 110(1988)284-299.
Het He¬breeuwse
woord dat vertaald
wordt met 'wraak'
staat dicht bij het be¬grip 'recht¬vaardig¬heid'. Het
drukt de kant
van de rechtvaar¬dig¬heid
uit, die door de bedrij¬ver van
onrecht er¬varen
wordt als straf en wraak. God is de 'God van de
wraak', de God
die het recht hoog houdt. God maakt de (mis-)daad van
de mens tot een
geheel, door er ga¬rant voor te staan, dat de daad
zijn
vol¬tooi¬ing krijgt en het effect heeft dat de daad op¬roept. Voor
hen
die machte¬loos
zijn en niet kunnen verhopen door ei¬gen kracht of door
rech¬ters en hel¬pers recht ge¬daan te
worden, gewro¬ken te worden, is de
God van de wraak
de enige waarop zij beroep kun¬nen doen (Ps 31:24;
58:7-12; Spr 25:21; 11:21). In het Oude Tes¬tament heeft men er weet
van dat de
bloedwraak tot doel heeft een onge¬ordende en onbeperk¬te
uitbreiding van
het moorden in te perken en zo de chaos en totale
onder¬gang te voorko¬men. De bloedwreker ('losser') zorgt dat er recht
geschiedt en dat
het be¬gane onrecht - in
dit geval een moord - zijn
vol¬tooiing en af¬slui¬ting krijgt. De moordenaar oogst de dood die hij
heeft ge¬zaaid. Een moord kan daarom niet afge¬kocht
worden (Nu 35:3ª34). Het woord 'wraak' in de be¬tekenis van 'rechtvaar¬dig¬heid' wordt
ge¬bruikt in Lukas 18:5: de rechter die zich niet om God
bekom¬mert en
zich aan geen mens
stoort, 'wreekt' de weduwe die bij hem haar be¬klag
doet, d.w.z. hij
ver¬schaft haar recht. In Openba¬ring 19:2 'wreekt'
God
het bloed van
zijn knechten: hen zal recht gedaan worden. Dat er recht
gedaan zal
worden blijkt uit de aankondigin¬gen van een god¬delijk
eindoordeel.
Á
Voor de bijbel
is de mimetische we¬der¬kerigheid het uit¬gangspunt
van het recht.
Dit komt pregnant naar voren in het be¬kende 'oog
voor
oog, tand voor
tand' (Ex 21:23-36; Lv 24:20; Dt
19:21). Oorspronkelijk, in de vÀ;
r-bijbelse tijden, is deze
regel misschien letterlijkÔ
toegepast. Maar
zo¬wel in bijbelse als buiten-bijbelse
teksten krijgt
deze regel een
minder letterlijke interpretatie. De dader moet de
schade vergoeden
die hij heeft toegebracht door bijv een oog te
beschadigen of
een tand los te slaan¬; hij hoeft er niet zelf een oog
of tand voor in
te leveren. Ve¬rge¬lding be¬te¬kent echter wel de
dood van
de dader in het
ge¬val van moord, het ver¬wonden met dodelijke afloop en
het af¬leg¬gen
van een val¬se eed, die tot de dood van een ander
leidt.
Deze regel geldt
ook ten opzichte van vrou¬wen, kin¬deren en sla¬ven.Ö
E. Otto, Zur Geschichte des Talions im Alten Orient und
Israel, in
D.R. Daniels, U.
Glessner, M. RÀ?
sel (red.).
Ernten, was man sÀ
t.
Festschrift fÀG
r K. Koch zu
einem 65. Geburtstag. Neukirchen, 1991, pp.
101-130.é
Moord, als diep¬tepunt van on¬recht, ver¬nietigt wat an¬ders is, het an¬dere lichaam, en schept cha¬os; cha¬os is het ver¬dwij¬nen van alle verschil¬len, van
alle on¬derscheidin¬gen,
van de orde¬ning zon¬der welke
mense¬lijk leven niet
moge¬lijk is.
Vergeving
Ã
Recht doen
brengt in vele ge¬val¬len met zich mee dat het ge¬weld door
ge¬weld tot een einde wordt gebracht. Deze wederkerig¬heid vol¬doet aan
een diepe behoefte
van mensen: zonder aanspraak te maken op deze mo¬gelijk¬heid van vereffening, wordt hun recht te bestaan aange¬tast. Het
gaat daarbij
niet om het voldoen aan gevoelens van wraak, de inzet is
het be¬hoeden van de gerechtigheid en de zinvolle ordening van
onze
wereld. Vele
teksten in het Oude Testament waarin geweld voorkomt,
moeten ge¬lezen
en begrepen wor¬den vanuit de overtuiging dat er
recht
gedaan moet
worden, wil menselijk samenle¬ven mogelijk blij¬ven,
en
vanuit het besef
dat de gevolgen van on¬recht, respectieve¬lijk recht,
volgens de
grondregel van het menselijk bestaan mime¬tisch uit
hun
oorsprong
voort¬vloeien. God is daar¬om de God van de wraak.
Á
Het is mogelijk
af te zien van wraak, te verge¬ven. In en na de
bal¬lingschap wordt het vertrouwen dat God zon¬den ver¬geeft
een centraal
gege¬ven in het
ge¬loof van Israë-
l - de
oor¬sprong hier¬van blijft
onduide¬lijk.Ö
K. Koch. Spuren des Hebraë5
schen Denkens. Neukirchen, 1991, pp.
184-205.W
r de bal¬ling¬schap is er zelden sprake van vergeving, er wordt
ge¬hoopt dat God aan de zonden voorbij gaat en ze niet
meer ge¬denkt.
Na de ballingschap wordt de Grote Verzoendag in toenemende mate een groot fees¬t. In het huidige jodendom is het de belangrijkste
dag van het jaar gewor¬den. De vergevende partij en
de vergeving ontvangen¬de partij er¬ken¬nen daarin
dat het menselijk leven
geordend moet
zijn op grond van de recht¬vaar¬digheid. De schuldige
partij erkent haar schuld aan de ver¬sto¬ring van
die orde en de inbreuk op
het recht te
bestaan van de ande¬re partij. De vergevende par¬tij laat
het recht te be¬staan van de schuldi¬ge
onverlet en schept zo de mo¬gelijkheid van ¬een
nieuw begin, ook voor haar zelf.
Á
De mogelijkheid
van vergeving is uiterst belangrijk. Verge¬ving
maakt zowel voor
het slachtoffer als voor de dader een nieuw begin mogelijk. Er wordt een halt
toegeroepen aan de gang van het onrecht. Het
kwaad wordt van
generatie op generatie overgedragen. Het bedrijven van
kwaad werkt door
in de generaties die na de dader komen. De dader
heeft het
levensklimaat rond zichzelf vergiftigd en zijn nageslacht
moet daarin
op¬groeien. Het onder¬ga¬ne kwaad werkt evenzeer
door. Het
onder¬ga¬ne leed wordt op een of ande¬re
manier doorgegeven, minstens tot
in het derde en
vier¬de ge¬slacht. Het leed blijft om betaling vragen,
om ver¬gel¬ding,
om wraak in de zin van een¬ roep om recht gedaan te
worden. Wanneer
er wraak genomen wordt, zal de partij die haar
ondervindt dit
vaak weer als onrecht ervaren. Er ontstaat een onheilsgeschiedenis, waar¬van
elke nieu¬we genera¬tie de
ge¬vol¬gen ondervindt, op
haar beurt
pro¬beert door nieuw onrecht het ou¬de onrecht te
herstellen
en zo een erfe¬nis van nieuw on¬recht
ach¬ter¬laat voor de volgende
generatie.
Vergeving onderbreekt deze onheils¬geschie¬denis. VergevingÔ
schept nieuwe verhou¬dingen. Vergeving betekent een nieuw begin.
Vergiffenis
schenken is de meest scheppende daad die er bestaat. Er is
geen grotere
creativiteit dan¬ die van mensen die verge¬ving schenken
voor onrecht hen
aangedaan. Á
Ver¬geving is niet allereerst een ge¬voel. Het is een actief
herstel van recht¬vaardige ver¬houdingen tussen mensen. Het is het scheppen
van¬ een nieu¬we leefwereld. Het gevoel kan daarbij wel eens naijlen.
Pas als ook¬ het
gevoel vrede heeft gevonden, is het proces van de
vergeving een
ge¬heel¬¬¬ ¬geworden. Het kunnen vergeven geeft het slachtoffer zijn plek in
de¬ wereld terug dat het door het bega¬ne onrecht
ontnomen was.
Door te ver¬geven wordt het slachtoffer van een niemand
iemand. Het
wordt her¬scha¬pen en geeft de da¬der de mogelijk¬heid
zich te
laten
herscheppen. Ver¬ge¬ven wor¬den hoeft niet te bete¬ke¬nen dat de
slechte daad
geen effec¬ten meer heeft. Maar te¬genover het onrecht
staat nu een
scheppende daad van vergeving en barmhartigheid die
effecten heeft
tot in het dui¬zendste
geslacht (Ex 20:6).
Á
In het Oude
Testament is deze vergeving gebonden aan voorwaarden:
er moet al¬tijd
iets te¬gen¬over staan, want er moet recht ge¬daan
worden.
De schul¬di¬ge moet zijn schuld
toegeven, de schade geheel her¬stel¬len en
nog À)
n vijfde daaraan
toevoegen; de re¬gel van mi¬me¬tische we¬derkerigheid blijft van kracht. De vergeving door God ge¬schiedt ver¬vol¬gens
con¬creet in het vol¬trek¬ken van de riten die daar¬voor in de
cultus zijn
voor¬geschreven
(Lv 6:1-7). Jozef ver¬geeft zijn broe¬ders (Gn 49), maar
niet zon¬der
eerst zijn broers op de proef gesteld te heb¬ben ten
aanzien van hun
trouw aan hun broer Benja¬min. God is in de ogen van
Israë-
l barm
hartiger dan de
men¬sen¬: David meent be¬ter in de han¬den van
God te kun¬nen vallen dan in die van de mensen (2 S 24:14).
Onvoorwaardelijke
vergeving
Wat is het
nieuwe van het Nieuwe Testament? Onderzoek naar de histo¬rische figuur van Jezus heeft opvattingen doen verouderen
dat Jezus zich
tegen de wet ge¬keerd zou hebben. De kritiek van zijn tijdgenoten was
gericht op het
feit dat Jezus tollenaars en andere bedrijvers van
onrecht
ver¬tel¬de dat God van hen hield. Hij ging zelfs zo ver dat hij
andere men¬sen¬
zei dat zij en andere zondaars het koninkrijk van God
zouden bin¬nen¬gaan vÀ;
r hen.
E.P. Sanders. The Historical Figure of Jesus. The Penguin Press,
Lon¬den, 1993.\
In de tijd van Jezus gaf het woord
'zon¬daar' een
maat¬schap¬pelijke rela¬tie aan; zondaars zijn poli¬tieke
collabora¬teurs, ge¬weld¬plegers,
uitzuigers, prostituÀ)
es en derge¬lijke.
Nie¬mand had er
ui¬ter¬aard bezwaar tegen, dat zondaars zich bekeer¬den en
een nieuwe
relatie aan¬gin¬gen met de niet-zondaars. Zij moesten dan
voldoen aan de
voor¬waar¬den die daar¬aan gesteld werden. Wat Je¬zus de
zondaars aange¬boden heeft, is de toetre¬de
tot zijn kring (en daar¬mee
uitzicht op het toebeho¬ren aan het rijk van God) zon¬der van hen te
eisen dat zij
zich zouden bekeren in de 'gewone' zin van het woord,
namelijk door
het herstel van de schade, het geven van À)
n vijfde van
de waarde van de
schade, en het brengen van een offer. Het enige wat
hij vraagt is
hem te volgen, wat concreet bete¬kende dat zij zich moesten aansluiten bij
zijn groep (zon¬der dat dit altijd bete¬kende dat zij
met hem
meetrok¬ken) (Mc 2:13-17). Hij nodigt hen uit te vergeven zoals
hij
vergeeft.
Á
Voor zover vast
te stellen is deze vergeving zonder voorwaarden
vooraf het enige
waarin Jezus afwijkt van het Oude Testa¬ment en van
de
inter¬pretaties van zijn tijd¬genoten van de praktijk van de
zondever¬geving.Ö
E.P.
Sanders. Jesus and Judaism. Londen, 1985, pp. 174-211.H
Jezus handelde niet uit laksheid. Hij was uit
op het herstel
van Isra‘-
l. Hij wilde het
voorbereiden op de dag die komen ging waarop
Gods re¬gering,
Gods koninkrijk, zou doorbreken. De keuze van de twaalfÔ
sym¬boli
seerde het begin van
dit nieuwe Israë-
l. Jezus zag
echter
mensen, die niet
konden vol¬doen aan de voorwaarden van Lv 6. Hoe de
grote fi¬nanci¬ë-
le schade te¬rugbetalen die je had aangericht? Hoe je
leven als prostituÀ)
e opgeven waarin
je mis¬schien ge¬ko¬men was omdat je
man je verstoten
had. Wat bleef er an¬ders
over voor een vrouw dan om
prostituÀ)
e te worden?
Voor hen kon het volgen van Jezus concreet
betekenen
opgevangen wor¬den in een groep die opkwam voor hun
levensonderhoud.
Á
Het verzet
te¬gen dit han¬delen van Je¬zus kwam niet voort uit
gekwets¬te vrome gevoe¬lens, maar ten diepste uit
een vermoeden dat hier
de or¬dening van de samenle¬ving teniet werd ge¬daan,
en dat te¬gelijk God
te¬kort werd ge¬daan, die het recht moet handha¬ven.
Ik denk dat de
inter¬pretatie van de tegen¬standers van Jezus juist was. Het han¬delen
van Je¬zus is
geen (ver¬geeflij¬ke) laksheid maar bete¬kent een
verregaande her¬in¬terpre¬tatie
van en in die zin een breuk met het Oude Testa¬ment.
VÀ;
r Jezus ¬moest
het 'geweld' (de zon¬de) van de zondaar mimetisch ver¬effend
wor¬den¬ door het geweld van het of¬fer en van de eis
tot schade¬ver¬goeding. Het onder¬scheid dat de orde¬ning
van het leven
waar¬borgt en
dat door de zonde ongedaan¬ was ge¬maakt, moest hersteld.
Dat kon niet dan
door een vorm van plaatsvervangend ge¬weld. Door dit
laat¬ste werd de zondaar weer toe¬gela¬ten
tot de door de Tora ge¬ordende
sa¬menleving, en werd God erkend als de stichter, wetge¬ver,
en garant
van deze samen¬le¬ving. Door de ¬zondaar toe te laten tot de gemeenschap
rond hemzelf -
een gemeen¬schap die ge¬zien werd als een groep binnen
het joodse reli¬gieus en maat¬schap¬pelijk verband - , stelde Jezus de
grenzen van dit
verband zelf ter dis¬cussie. Impliciet werd het beeld
van God ver¬anderd als de rechtvaardige rechter.
Á
Jezus bracht een
'minimal change' te weeg. Ik ontleen deze term
aan de moderne
natuurkunde. Daarin is aangetoond dat soms minimale
ver¬schil¬len een heel systeem in een andere richting kunnen sturen.
Voor ons in de
lage landen is het beste voorbeeld het weer. Een
minimale verande¬ring in een luchtstroom kan voor ons het verschil
betekenen tussen
zon en regen. De 'minimal change' van de onvoorwaardelijke
vergeving die Je¬zus aanbood werd de bron van een nieuwe
religie. Jezus
en zijn tijdgeno¬ten waren zich niet bewust van al de
con¬se¬quenties van zijn handelen. De
oorsprong van het on¬der¬scheid
tussen de jon¬ge
gemeente en de ande¬re joodse groepe¬ringen
die later
tot een breuk
werd, is echter al bij dit op¬treden van Jezus aan te
wijzen. Vanuit
de latere ontwikkeling kunnen we zeggen dat het niet
ver¬plichten van
de heidenen tot de Tora zich hier al aankondigt. De
steeds groeiende
na¬druk in het Nieuwe Testament op de verbondenheid
van Je¬zus met
God heeft even¬eens hier zijn bron. Immers alleen God kon
in de ogen van
de tijdgenoten van Jezus zonden verge¬ven: wie zich
eenmaal gevan¬gen had gegeven aan de zonde, zat vast
aan de mimetische
gevolgen
daar¬van (Mc 2:7). Op eigen kracht ont¬snappen aan
deze
duivels¬kring
was on¬mogelijk. Daarvoor was een 'won¬der' nodig,
een
ingreep van
buiten, een daad van God. Wat Jezus deed, ging in de ogen
van zijn
tijd¬genoten het menselijk gezag te boven.
Á
Het gebruik
maken van het positieve recht om zijn recht te halen
wordt door Jezus
(en/of de vroege kerk) af¬geraden. In Mt 5:25 wordt
de
volgeling van
Je¬zus aangeraden te voorkomen dat hij door een conflict
voor de rech¬ter ge¬sleept wordt, 'op¬dat uw te¬genpartij u niet
aan de
rechter overle¬vert en de rechter aan
zijn dienaar en u in de gevangenis wordt gewor¬pen.'
Het recht steunt kennelijk de tegenpartij,
die in
tegen¬stel¬ling met de leerlin¬gen
van Jezus tot de dra¬gers van de
maat¬schappij be¬hoort. In Mt 5:38 wordt
minstens impli¬ciet
ingegaan opÔ
de grondslag van
het recht: 'Gij hebt ge¬hoord, dat er ge¬zegd is: Oog
om oog en tand
om tand. Maar ik zeg u de boze niet te weer¬staan
(met
geweld)...'.
Vanuit zijn wei¬gering ge¬weld te ge¬bruiken door¬ziet Jezus
het fun¬cti¬o¬ne¬ren
van het positie¬ve recht. Dit recht gaat immers terug
op het geweld
van de staat. Hij wei¬gert rech¬ter
te zijn (Lc 12:14) en
zegt zijn leer¬lingen niet te oor¬de¬len (Mt 7:1).
Á
J¬ezus heeft vanuit de liefde gezien dat de dader even¬zeer
slachtoffer is
en onmachtig is zich te bevrijden uit zijn gevangen
zitten in een
net¬werk van be¬scha¬digde
relaties. Hij ontheft hem van
zijn verplich¬ting zijn schuld te veref¬fenen. Daarmee knoopt hij
mijns
inziens aan bij
het antro¬pologische
gegeven dat heel kleine kinderen
die van hun
ouders het le¬ven krijgen, deze schuld niet hoeven te
vereffenen; zij
kunnen dit niet. Ge¬nade gaat¬ hier boven recht.
Bovendien doet
hij zo recht aan de behoef¬te van de mens zich uit te
drukken en zich
te geven. De genadigheid ten opzichte van het kind
bewijst hij ook
aan hen die medemen¬sen geweld aandoen. Hij maakt het
voor hen mo¬gelijk een nieuw begin te ma¬ken.
Á
Vanuit de
traditie van het Oude Testament heeft Levinas protest
aan¬ge¬tekend tegen de onvoor¬waardelijke vergeving. Voor hem kan het
kwaad slechts
door geweld ver¬nietigd worden. 'De ver¬nietiging van het
kwaad door het
geweld betekent dat het kwaad serieus wordt genomen en
dat de
mogelijkheid van een onbeperkte verge¬ving een
uitnodiging is
tot het on¬beperkt bedrijven van kwaad. De goed¬heid
van God komt
dialectisch naar
ons toe als een boosaardigheid van God. Dat is niet
moeilijker voor
waar aan te¬ nemen dan veel van de chris¬te¬lij¬ke¬ mysteries. Dat het god¬delijk
geduld ten¬ einde kan zijn, dat er vol¬tooi¬de
zon¬den bestaan
- dat is de voorwaarde van het respect dat God¬ heeft
voor de mens die
vol¬le¬dig ver¬antwoordelijk is. Zonder die eindig¬heid
van het
goddelijk geduld zou de vrijheid van de mens slechts voorlopig
en be¬spottelijk zijn, en de ge¬schiedenis een spelletje. Men moet de
vol¬was¬se¬nheid van de mens er¬ken¬nen. Bestraffing toelaten is respect
hebben voor
zelfs de persoon van de schuldige.'Ö
E. Levinas. Difficile LibertÀ)
. p. 168. 7
En verder: 'Het
kwaad is niet
een mystiek be¬ginsel dat
men ritueel kan uitwissen, het
is een vergrijp
van de ene mens ten op¬zichte van de ande¬re. Niemand,
zelfs niet God,
kan de plaats inne¬men van het slachtoffer. De wereld
waar de
vergeving almachtig is, wordt on¬men¬se¬lijk.'Ö
Idem. p. 37.
God kan dus
niet het onrecht
vergeven dat de men¬se¬n elkaar aan¬doen. De Grote
Verzoendag geeft de mogelijkheid vergeving te ontvan¬gen
voor de misstappen bedre¬ven ten opzichte van God
zoals over¬tredin¬gen van riten en
geboden, de
wanhoop, de afgoderij van geld en kunst. Ze worden
vergeven door
mijn gebed. 'Mijn misstappen ten opzich¬te van God
worden
vergeven zonder
dat ik afhang van Zijn goede wil! God is in ze¬kere
zin
de ander bij
uit¬stek, de ander als ander, de absoluut an¬dere - en toch
hangt mijn verge¬lijk met deze God slechts van mij af. Het instru¬ment
van de vergeving
ligt in mijn handen. Daarentegen is in zekere zin de
naas¬te, mijn
broeder, de mens, oneindig minder een ander dan de ab¬soluut andere, meer anders dan God: om zijn vergeving te
verkrijgen op
de Grote
Verzoendag, moet ik van te voren van hem verkrijgen dat hij
zich verzoent.
En als hij wei¬gert? Omdat men met zijn tweeë-
n is, is
alles in gevaar.
De ander kan de vergeving weigeren en mij voor altijd
onver¬geven
laten.'Ö
E. Levinas. Quatre Lectures Talmudiques. Parijs, 1968, pp. 36-37.N
In de
christelijke gemeente werd de eis volgens de Tora te
leven
te¬niet gedaan
en verdween het offer. Daarmee zijn inderdaad be¬paalde
gren¬zen wegge¬vaagd. De beperking van een systeem van gebo¬den
en verboden is opge¬geven, de mogelijkheid zich met
elkaar À)
n te voelen en
solidair te zijn
rond het offer is opgehe¬ven. Het wegvallen van dezeÔ
grenzen heeft
blijkens de geschiedenis van het chris¬tendom en van de
cul¬tuur die het
beë5
nvloed en overheerst
heeft, aan het geweld meer
ruim¬te gegeven.
Niet alle grenzen zijn verdwenen: er is een be¬paalde
grens ge¬bleven,
in zekere zin zelfs een nieuwe grens getrokken,
namelijk die tus¬sen het gebruik van geweld en het leven vanuit de geweldloosheid.
Wetten en offers worden in het Tweede Testament on¬derkend als po¬gin¬gen het kwaad met geweld te ver¬nietigen. De liefde die
erkent dat de an¬der is als ik en precies daarin de ander bevestigt in
zijn anders
zijn, wordt nu de kracht die de menselij¬ke relaties in het
rechte spoor
houden, recht maakt wat krom is ge¬trokken, en wonden geneest. L¬even in en
van¬uit de geweld¬loosheid van de onvoorwaardelijke
ver¬ge¬ving is
zo nieuw dat de vormen die er¬ voor gevonden werden,
telkens weer
bezwijken onder de stormloop van het geweld. Het is de
vraag of de weg
van verboden en offers in de praktijk niet effectiever
is om het ge¬weld in te dammen. Het geweld met (minder) geweld bestrijden
houdt ech¬ter wel het geweld in stand.
Á
De mogelijkheid
van de onvoorwaardelijke vergeving is de grote
ga¬ve ¬van Jezus aan zijn volgelingen. Later is in het
christendom zeer
sterk benadrukt
dat wij allen schuldig staan tegenover God en dat God
ons niettemin
vergeeft. Ik meen het accent anders te moeten leggen.
God aan¬vaardt ons onvoorwaardelijk zoals we zijn, of we nu al of
niet
schuldig¬
tegenover God staan. De diepste christelijke ervaring is niet
dat wij
ver¬geven wor¬den en kenne¬lijk
dus schuldig zijn, al heb¬ben we
misschien geen
idee waarom. Cen¬traal
staat in het Nieuwe Testament dat
volgelingen van
Jezus zich door hem aanvaard weten en van daaruit de
kracht ont¬van¬gen on¬voor¬waardelijk te ver¬geven. Dit opent hun ogen voor
hun eigen falen
en vraagt bovendien om een her¬in¬ter¬pretatie van
¬de
geschie¬denis en het men¬selijk be¬staan. Vol¬gens de christe¬lijke tra¬ditie zijn mensen in tegen¬stel¬ling
tot Levinas niet 'vol¬ledig ver¬antwoor¬de¬lijk'
voor wat zij doen; ze zijn even¬zeer slacht¬offer van de
geweld¬dadige wereld waarin¬ zij geboren wor¬den.
De 'erfzon¬de' is dan
ook een typisch christe¬lijk be¬grip. Dit woord 'erfzon¬de', door Augustinus vanaf 397 ont¬wikkeld, heeft rampen veroor¬zaakt. Het heeft mensen
het gevoel
gege¬ven schuldig te zijn aan de dood van Jezus, maar het
be¬schrijft wel de
wer¬kelijkheid: wij wor¬den ge¬boren in een we¬reld
waarin het
geweld reeds aanwezig is, en waar¬in ieder mens wonden oploopt. On¬recht en ge¬weld blijven niet
buiten ons staan, ze wor¬den een
deel van
onszelf. We worden ons ervan bewust dat het kwaad niet
slechts buiten
ons is, in de ander, of slechts binnen ons, wij allen
maken deel uit
van een ge¬schiedenis van heil en onheil. Niet
'volle¬dig
verantwoor¬delijk' bete¬kent niet 'niet verant¬woorde¬lijk'. Maar de verant¬woordelijkheid
ver¬schilt van per¬soon tot per¬soon.
Ook in het Oude
Testa¬ment moet het on¬recht aan mensen be¬dre¬ven door de slachtoffers
verge¬ven worden. God
vergeeft niet buiten de mensen om. Vergeving is
niet iets
abstracts, iets inner¬lijks, het is het her¬stel van
de rechte
verhou¬dingen, en dit
kan op aller¬lei manieren in inter¬persoonlijke
en
maat¬schap¬pelijke verhoudingen con¬creet worden.
Á
Mensen kun¬nen wei¬geren te ver¬geven (Joh 20:23). Zij kun¬nen niet
ver¬plicht
worden te vergeven. Ver¬ge¬ven, zeker onvoorwaardelijk vergeven is geen
plicht, maar een gave, een kracht. Ver¬ge¬ving weige¬ren
bete¬kent ech¬ter voor zo¬wel da¬der als slacht¬offer dat zij blijven
leven
in de on¬vrij¬heid van kromme verhoudin¬gen. Vandaar dat Jezus Petrus
zegt ze¬ventig zeven maal, dus altijd, te verge¬ven
(Mt 18:21-22). Wie
niet ver¬geeft,
hoe¬wel God vergeving aan¬biedt, wordt gefolterd door
zijn eigen daad
(Mt 18:23-35). Jezus legt hier niet een morele verplichting
op van bui¬ten af, maar geeft een antropolo¬gische waarheidÔ
weer. De verant¬woor¬delijk¬heid voor on¬recht en voor
ver¬ge¬ving ligt bij
de men¬sen, al
wordt ze eni¬germate
ingeperkt door het ver¬leden waar¬in
men¬sen staan.
De kracht om te verge¬ven komt in het Nieuwe Tes¬tament
ech¬ter vanuit het le¬ven in navolging (mimese) van
Jezus, van¬uit zijn
Geest. Deze
kracht heeft immers niemand uit zichzelf, want mede door
het on¬recht hem aan¬gedaan, is ie¬der mens reeds in de chaos
van het
geweld. Slechts
door de Geest van liefde er¬kent het slacht¬offer de
dader als aan
zichzelf gelijk, en kan hij of zij het aange¬dane kwaad
ver¬geven, de
ander ontheffen van zijn plicht tot veref¬fe¬ning door
vooraf aan de
vergeving een positie¬ve daad te stellen. Kinde¬ren kun¬nen
hun ouders
vergeven en hun niet langer de eis tot er¬kenning
stellen;
ouders kunnen
afzien van hun vraag aan hun kinderen¬ om be¬langstelling
en zorg;
vol¬wassen mensen kunnen besluiten elkaar het verle¬den
niet na
te dragen.
Vergeving doet recht, omdat in de vergeving erkend wordt
dat wij allen
ten diepste met elkaar verbonden zijn, en dat het
afsnij¬den van
relaties met iemand ten koste gaat van de rechte ver¬houdin¬gen
en het goede le¬ven.
Á
Door de
onvoorwaardelijke vergeving verdwijnt de behoefte aan
ver¬gel¬ding en
wraak. Het slachtoffer dat vergeeft erkent dat het
scheppen van
nieuwe ver¬hou¬dingen herstel van de oude verhou¬din¬gen
overbodig maakt.
Daarmee verdwijnen vergelding en wraak.
Á
Een lange weg
Vergeven kan ploteling en onverwacht gegeven worden, maar de weg
daartoe is
door¬gaans lan¬g. Daders hebben grote moeite hun
da¬den onder
ogen te zien.Ö
Zie: W. Alting von Geusau, Vergeving. Eindpunt
van een lange weg,
en J. Dobbelaer, De daders in de gewelddadige samenleving, in H.
J.Ach¬ter¬huis, W. A.
M. Alting von Geusau, J. J. M. Dobbelaer, R. J.
Kle¬ber en J. C. M. Leijten. De
gewelddadige samenleving. Ambo, Baarn,
1994, resp. pp.
61-73 en pp. 74-85.A
Slachtoffers hebben soms moeite te er¬kennen
dat hun
wer¬kelijk onrecht is aangedaan. We moe¬ten leren te er¬kennen
dat het
kwaad dat ons is
aan¬gedaan, deel uit¬maakt van ons ei¬gen wezen en dat
dit leidt tot
het projec¬teren van het¬ kwaad op ande¬ren en het schep¬pen
van vij¬andbeel¬den.Ö
L. Basset heeft in dit verband een
interessante interpretatie van
Jes 52: 13-53:12. L. Basset. Le pardon originel. De l'abÀ5
me du mal au
pouvoir de
pardonner. Labor et Fides, GenÀ/
ve, 1994, pp.
271-330.Û
Verge¬ving begint met
te er¬ken¬nen dat er kwaad ge¬beurd
is. Ze is
een confrontatie
met het onrecht. Ze heeft er ech¬ter weet van dat wij
allen deel uitmaken
van een onheilsgeschi¬ede¬nis en dat deze geschiedenis
al¬leen doorbroken wordt door de vergeving. Verge¬ven
ge¬beurt niet
op rati¬onele gronden, zelfs niet op
het inzicht dat verge¬ving zowel
slachtof¬fer als dader vrij maakt, maar is een kracht die van buiten
komt. Vergeving
maakt het mogelijk de ander te zien als de mens die
wij zelf zijn.
Zij be¬vrijdt het¬ slach¬toffer van ¬rancu¬ne en bitter¬heid.
Ze ¬geeft het
slachtoffer zijn waar¬dig¬heid
als men¬s te¬rug. De dader kan
door het
uitzicht op ver¬ge¬ving zijn¬ da¬den onder ogen zien. Hij heeft
geen recht op verge¬ving. Het Nieuwe Tes¬ta¬ment zegt ech¬ter dat God in
Jezus onvoor¬waardelijke verge¬ving aanbiedt en wekt men¬sen op God in
deze na te
volgen. Verge¬ving is het enige tegengif tegen on¬rech¬t en
ge¬weld.
Á
Vergeving is
altijd persoonlijk en individueel. Samenlevingen en groe¬pen
kunnen als zodanig niet vergeven. Maar wanneer er
mensen zijn in
die samenlevingen die vergeven, kan hun daad een
aanste¬kelijke wer¬king
hebben¬. Hu¬n voorbeeld kan wervend zijn en een
draagvlak
moge¬lijk ma¬ken waar¬door een samenleving haar rancunes,
tradities en mythen heelt. Door dit genezingsproces van
het individuele en collectieve geheu¬gen wordt
voorkomen dat de geschiedenis van
geweld en
onrecht voort¬ge¬zet wordt en dat een ¬toekomstige generatie
weer de wapens
opneemt. Het lijkt mij bij uitstek het werk van
christelijke
vredesbewegingen om dit gene¬zings¬proces te
bevorderen en
curatief en
preventief aan vrede te werken. Á
Alleen het
slachtoffer kan vergeven. Verge¬ving ge¬beurt tussenÔ
men¬sen die el¬kaa¬r onrecht aandoen. De plaatsen van vergeving zijn bij
uit¬stek, de
keu¬ken¬ta¬fel, het bed, de werkvloer. Onrecht tegen
het
indivi¬du tast de
ge¬meen¬s¬chap aan. Vergeving heelt de gemeenschap,
al
kunnen de
effecten van het kwaad nog hun werking laten gelden. Het
slachtoffer kan
iemand tot zijn plaats¬bekleder in deze be¬noemen,
zodat
er bijvoor¬beeld
na de dood van¬ het slachtoffer toch vergeving mogelijk
is voor de dader.Ö
lle.
Plaatsbekleding. Ten Have, Amsterdam, 1965 (Stuttgart,
1965).X
Men¬sen kun¬nen God
ma¬ken tot hun plaatsbekleder in
deze, of Jezus,
of de gelovige gemeen¬schap. Je zou kunnen zeggen dat
mensen die
christen worden, dit in feite doen.
Kerkelijke veergeving in een crisisÁ
In alle chris¬telij¬ke
kerken is de vie¬ring en¬ vorm¬geving
van de vergeving in een cri¬sis. Al in de kerk van
de tweede eeuw met haar
praktijk van een
openbare ker¬ke¬lijke boete wordt de vergeving aan
voorwaarden
ver¬bonden. Zo is deel¬na¬me aan deze viering maar eenmaal in
het leven mo¬gelijk. In de ka¬tholie¬ke kerk begonnen vanaf de elfde eeuw
bisschoppen en pries¬ters de ver¬ge¬ving van
kwaad als een eigen privilege naar zich toe¬ te trek¬ken. Voor¬heen was het altijd
mogelijk kwaad
dat niet
publieke¬lijk was bedre¬ven, te biechten bij een monnink of in
noodgevallen aan
een leek. Zelfs nog in de veer¬tiende eeuw, toen
Europa
geteisterd werd door de zwarte pest, wer¬den de
zie¬ken door de
kerkelijke
leiding aangespoord om bij afwezigheid van een pries¬ter
toch vooral hun
zonden te biechten aan een leek, een man, des¬noods
(sic!) aan een
vrouw. Ten tijde van de Hervorming was het ho¬ren van
de
biecht
uitsluitend aan priesters en bis¬schoppen voorbehou¬den.
De
praktijk van de
kerkelijke vergeving kreeg een sterk juridisch
karakter. De
biecht werd min of meer een gerechtelijk pro¬ces. Het ontvangen van de verge¬ving werd afhankelijk gemaakt van de opgelegde boete.
Á
Ik ben het hier
van harte eens met J. Moingt, die schrijft: 'Uit
vrees dat een te
grote toegankelijkheid tot de sacramenten zou
bijdragen aan
het verachten van Gods gave of dat daarentegen luiheid
mensen er¬van
zou afhouden tot hen te naderen, heeft de Kerk haar
toevlucht geno¬men tot de herhaling van verplichtingen en
bedreigingen,
die voor veel
men¬sen de vergeving door God onzeker en tot een zware
last maakt. De
Kerk legt hoe dan ook haar bemiddeling op en plaatst
haar tussen de verge¬ving en hen voor wie zij bedoeld is, zodat zij
slechts door
haar en op haar voor¬waarden te verkrijgen is.'Ö
J. Moingt, L'impresciptible
fondement, in J. Lambert, F. SmythªFloren¬tin, Ph. Secretan e.a., Pardonner.
Brussel, 1994, pp. 97-98.
De
impliciete
ontkenning dat men¬sen elkaar onderling kunnen vergeven en
het verbinden
van de ver¬ge¬ving aan haar voorwaarden heeft het zicht op
de
onvoorwaardelijk ver¬ge¬ving, die Jezus aanbiedt als tegengif van de
gewelddadige
wraak, ver¬duisterd. Boven¬dien zijn we ons ervan
bewust
geworden dat de
gemeenschap die geschaad wordt, niet aller¬eerst de
ker¬kelijke is, maar de men¬selij¬ke. Wie kunnen er plaatsbe¬kle¬dend in
onze
maatschappij het on¬recht verge¬ven,
bijvoorbeeld aan men¬sen die
daardoor
omgekomen zijn? Als we op vragen als deze gee¬n ant¬woord vinden en niet in staat blijken de kerkelijke
tra¬ditie radicaal te
vernieuwen
blijft de crisis in de vergeving bestaan, niet alleen in de
kerk, maar ook
in de maat¬schappij.Ã
Ik ben van
mening dat de nieuwe praktijk in Nederland en elders
van het vieren
van de vergeving in een zo¬ge¬naamde 'boeteviering'
(wel
een onge¬lukkig woord) meer
beantwoordt aan de geest van het Nieuwe
Testa¬ment dan de
traditionele praktijk van de privÀ)
biecht. In deze
viering wordt de
vergeving verkondigd, ieder wordt door de voorganger
de handen
opgelegd en er wordt over hem of¬ haar, en vervolgens over
heel de aan¬wezige gemeenschap gebeden. Daarna volgt een onderlingeÔ
uitwisseling van
de vredesgroet. Er wordt geen 'boete' opgelegd als
voorwaarde voor
de vergeving. In het kader van zo'n ge¬beuren zou het
mogelijk zijn
dat pu¬blieke mis¬da¬digers - ik denk daarbij het meest aan
misdadige
politici - in het openbaar naar vo¬ren treden en een
publieke
verkla¬ring afleg¬gen,
waarin zij hun kwaad bekennen en hun slachtoffers
- doden en
levenden - om vergeving vragen. De aanvaarding van zo'n man
door de
gemeenschap zou een zuive¬rend
en heilbrengend effect kun¬nen
hebben op zowel
de misdadiger als op de slachtoffers aan wie hij zich
vergre¬pen heeft.
Á
Mede omdat de
kerk zelf het spoor is kwijtgeraakt van de onvoorwaardelijke vergeving, heeft
de grote gave van het Nieuwe Testament
niet of
nauwelijks invloed uitgeoefend op de rechtspraktijk. Berouw en
verge¬ving spelen
daarin geen rol van enig belang. De bronnen van ons
westers
rechtssysteem zijn overwegend heidens en slechts heel indi¬rect
is er in¬vloed
op geweest vanuit het evangelie. De kritische houding
van Je¬zus in Mt 5 ten opzichte van het positieve recht moge ook de
onze zijn.
Van¬uit het voorafgaande weten we dat slachtoffers daders
kunnen worden
die weer slachtoffers maken. Onderzoek heeft uitgewezen
dat het zeer
wil¬le¬keurig is of iemand al of niet door ons
rechtssysteem gestraft wordt.Ö
S. Box.
Power, Crime and Mystification. Londen, 1983.B
Bezoeken aan de politie in Noord-Ierland
en
gesprekken met
de politie in Nederland hebben mij duidelijk gemaakt,
hoe poreus de
grens is tussen politieman en crimineel en tussen
'rechtmatig' en
'onrechtmatig' geweld. Wat te denken van de politieman
die als
'undercover' werkt, en de crimi¬neel
die de politie infiltreert? De stemmen die in de jaren zeventig en tachtig
pleitten voor
de af¬schaf¬fing van de gevangenis en misdaden wil¬den herinterpreteren
als con¬flicten tussen twee partijen,
zijn verstomd.Ö
H. Bianchi.
Basismodellen in de kriminologie. Deventer, 1980.J
De laatste
vijftien jaar is
in Ne¬der¬land de criminaliteit niet toegenomen. Er
wordt wel door
de rechters har¬der gestraft. De roep om terugkeer van
de wraak klinkt
alom luid. Blijven christenen en hun kerken zwijgen?
Of zul¬len ze in herinnering roepen dat er vergeving is, zelfs onvoorwaarde¬lijke vergeving?
Zullen wij wegen weten te vinden om de kracht
van het wonder,
dat de verge¬ving altijd is, door te laten werken in
de wijze waar¬op onze maatschappij omgaat met daders en slachtoffers?
|
|
[1] Ik neem hier stelling in een debat dat weer opnieuw gevoerd
wordt. Zie: L. Stilma. De dood als straf. Ten Have,
Baarn, 1994.
[2] Veel in dit artikel is een herhaling en verdere uitwerking van
wat ik schreef in mijn boek Het Soevereine Slachtoffer. Een Theologisch
Essay over Geweld en Onderdrukking, Ten Have, Baarn, 1993.
[3] H. Schmid, Altorientalische Welt in der alttestamentlichen
Theologie,. Zürich, 1974.
Wat Israël betreft, moeten we niet denken in termen van 'wereldorde' zoals Schmid doet; het gaat om een orde binnen Israël waardoor
het in deze wereld kan bestaan.
[4] K. Koch, "Gibt es ein Vergeltungsdogma im Alten Testament",
in Zeitschrift für Theologie und Kirche 52 (1955)1-42.
[5] E. Levinas, Difficile Liberté, Parijs,
1963, p. 21.
[7] Poetica IV, 2.
[8] Zie hiervoor en het volgende: I.B. Boszormenyi Nagy en G. Spark. Invisible loyalties.
New York, 1973.
[9] H. Meulink-Korf en M.A. van Rhijn, "Kontekstuele therapie en kontekstueel
pastoraat. Over het belang van het familietherapeutisch koncept
van Ivan Boszormenyi-Nagy
voor het pastoraat", in Praktische Theologie 18 (1991) 3-15.
[10] M. Buber, "Schuld und Schuldgefühle", in Werke,
I, München, 1962, p. 481.
[11] Zie: A. van Harskamp, Primo Levi: 'Wij die reeds verdronken
waren', in Breuklijnen. Grenservaringen en zoektochten. H. Nelissen, Baarn, 1994, pp. 213-227.
[12] Renée Braams, "Krassen in eigen vlees", in NRC-Handelsblad 2 juli 1994, p. 5.
[13] Vgl. J. Lambert, "L'hostie, l'hôte et
l'hostile: mythologiques du pardon", in J. Lambert, F. Smyth-Florentin,
Ph. Secretan e.a., Pardonner. Brussel, 1994, p. 34.