VU
Blaise
Pascal Instituut > Portal
Studiekring René Girard > >
Online
teksten
Uit:
Jeugd en samenleving 21 (1991)
710-717.
André Lascaris
Naar een klas zonder zondebok
"Opstaan", zei de
klassenleraar.
Hij stond op: zijn pet viel. De hele klas begon te lachen.
Hij bukte zich om zijn hoofddeksel op te rapen. Een buurman stootte hem
met de elleboog aan, zodat de pet nog eens viel; hij raapte die een tweede keer
op.
"Ontlast u zich toch van die pet", zei de leraar die een
geestig man was. Er klonk een bulderend gelach van de zijde van de leerlingen,
waardoor de jongen in verwarring raakte, zodat hij niet wist of hij zijn pet in
de hand moest houden, op de grond moest laten vallen of op zijn hoofd zetten.'
Met deze tekst - 'die ik een weinig heb ingekort - begint een van
de beroemdste romans uit de Europese literatuur: Madame Bovary van
Gustave Flaubert, geschreven in 1857. De lezer weet zo vanaf het begin van de
roman dat het niet goed zal aflopen met Charles Bovary. Pesten in de klas blijkt
van alle tijden te zijn en is niet gebonden aan de moderne samenleving.
In ons land heeft vooral Bob van der Meer met
zijn boek De zondebok in de klas dit verschijnsel opnieuw onder de
aandacht gebracht.[1]
Gemiddeld blijkt één op de twintig jongeren dagelijks last te hebben van
pesten. Bij velen van hen veroorzaakt het een wond, die nooit meer helemaal
geneest. De titel van het boek van Bob van der Meer wijst erop dat hij zich
ervan bewust is dat pesten in de klas slechts een van de vele gestalten is van
het zondebokmechanisme'. Kennis van dit mechanisme is van belang voor het
begrijpen van de werking van onze samenleving en van ons individueel handelen.
In dit artikel[2]
geef ik een aanvulling van antropologische aard op het boek van Bob van der
Meer. Hiervoor ben ik schatplichtig aan de Franse literatuurwetenschapper René
Girard, die door van der Meer wel genoemd wordt maar wiens hypothese door
hem niet ten volle wordt benut.[3]
Wanorde is gewoon
Menselijk leven en samenleven is alleen mogelijk dankzij allerlei
gewoonten die zich gevormd hebben in de loop van kortere of langere tijd. Zelfs
elementaire handelingen als opstaan, eten, drinken en naar bed gaan, hebben een
vaste ordening die ten dele uit onze opvoeding en persoonlijke gewoontevorming
voortkomt, en ten dele het resultaat is van een eeuwenlang civilisatieproces.[4]
Op een nog fundamenteler niveau bevindt zich de taal die, hoe levend en
veranderlijk ook, een erfenis is die we niet kunnen opgeven - behalve met
verlies van onze identiteit. Kinderen worden volwassen door binnengevoerd te
worden in onze taal, denkwijzen en gewoonten, die samen onze cultuur vormen.
Waar de ordening hapert of ontbreekt worden
individuele mensen psychisch ziek en glijden samenlevingen af naar
maatschappelijke chaos. De genezing van een psychisch zieke begint bij het
opnieuw structuur aanbrengen in zijn leven. Samenlevingen worden bijeengehouden
doordat een regering of eventueel een andere groep de orde handhaaft of zo nodig
herstelt. 'De orde herstellen' suggereert dat 'orde' normaal is en dat wanorde,
chaos en entropie uitzonderingen zijn op de regel. De orde is echter nooit
gewoon. Orde wordt altijd kunstmatig opgelegd, door anderen, door traditie, door
onszelf; ze is mensenwerk.
Orde komt voor een groot deel van buitenaf en is nooit
helemaal de orde zoals wij die voor onszelf zouden wensen. Gemakkelijk vallen we
in wanorde terug. Iedere leraar weet uit ervaring dat een op zichzelf
onbetekenend incident de orde in de klas langdurig kan verstoren. We zijn ons er
gewoonlijk niet van bewust hoe precair ons persoonlijk en gemeenschappelijk
leven is, en hoe betrekkelijk gemakkelijk ons leven en samenleven in chaos
kunnen veranderen. Zowel in de politiek als in de psychiatrie zijn hiervan
echter voorbeelden te over. 'In den beginne', aan de oorsprong is er de chaos,
de entropie, de afwezigheid van orde. De oudste teksten van de mensheid - dit
zijn alle religieuze teksten - bevestigen dit. Ook de bijbel, die zo'n grote
invloed heeft uitgeoefend op onze cultuur, begint met te zeggen dat er eerst
chaos was.
Zoeken naar een verschil
We moeten orde scheppen, zowel in ons samenleven als in ons innerlijk
leven, willen we kunnen bestaan en overleven. We kunnen er niet buiten onze
leefwereld te structureren. Dat doen we door verschillen aan te brengen,
door te zeggen: dit is dit, dat is dat, dit is niet dat.
'Verschillen'
bestaan niet in zichzelf, maar bij de gratie van de aanwezigheid van minstens
twee dingen. De belangrijkste functie van het zondebokmechanisme is dat het een
verschil aanbrengt tussen hij (of ze) en wij. De ander hoeft niet wezenlijk
anders te zijn; een klein verschil - lengte, kleding, al of niet goed kunnen
studeren - is aanleiding genoeg om een onderscheid te maken. Op dit onderscheid
kunnen we vervolgens verder bouwen en onze omgeving (en onszelf) ordenen en
structureren. In beginsel zijn er andere mogelijkheden om het samenzijn
structuur te geven - het zondebokmechanisme kan vermeden worden -, maar de
ervaring wijst uit dat wanneer alle bestaande ordeningen verdwijnen, er altijd
of bijna altijd op dit mechanisme wordt teruggegrepen. Het zondebokmechanisme
komt, voor zover we weten, in alle menselijke culturen voor en wordt van
generatie op generatie doorgegeven.
Het zondebokmechanisme schept orde, brengt mensen
samen, geeft ze een gevoel van verbondenheid. De emotionele betekenis van het
vinden en hebben van een zondebok is groot. Er wordt iemand gezocht op wie de
onzekerheid, angst, agressie en geweld gelegd kunnen worden; emoties die altijd
van kindsaf aan in het menselijk leven sluimerend aanwezig zijn. Het slachtoffer
wordt buiten de groep geplaatst, de groep zelf voelt zich vereend, als herboren,
vitaal. Ze weet: hij is het, hij is de 'stomme', de 'mislukte', de 'schuldige',
of wat er ook gezegd mag worden. Wij zijn dat alles dus niet. Wij horen bij de
groep, wij zijn goed en onschuldig en niet stom. Wij hebben de macht, wij kunnen
de wereld aan, zijn zeker van ons zelf. Wij klitten aan een tegen hem, haar,
hen.
Wanneer de zondebok verdwijnt, dreigt de chaos terug te
komen in de groep en moet er een andere zondebok gezocht worden. Het
zondebokmechanisme kan zich uiten op een relatief onschuldige manier, zoals in
het roddelen, maar ook op een gruwelijke manier zoals in het gezamenlijk
stenigen, waarbij niemand weet wie in feite gedood heeft. Ook kan het mechanisme
zich uiten op een vaak heel traumatiserende manier, zoals het pesten op school.
Navolging
Vanwaar die sterke behoefte bij elkaar te horen? Meer nog dan bij de
dieren, is dit voor mensen noodzaak. Plato maakte ons al attent op een van de
meest fundamentele wetten van het menselijk bestaan: de 'mimesis', de
uitbeelding, nabootsing, navolging, imitatie, reproductie.[5]
Na Plato is het woord mimesis vooral in de esthetiek een
rol blijven spelen, maar bij Plato heeft de mimesis in het derde boek van zijn De
Staat een bredere betekenis dan de esthetische. Hij wil in verband met de
opvoeding van kinderen (jongens) tot volwassenen (soldaten) verhinderen dat zij
worden opgevoed met uitbeeldingen van wat in zijn ogen minderwaardig is: de
mythen die moeders aan hun kinderen vertellen, verhalen over angst voor de dood,
verhalen over moord, geweld en opstand van zonen tegen hun vaders,
voorstellingen van het werk van arbeiders, of de opvatting dat God iemand
opzettelijk laat zondigen. Hij is zich ervan bewust dat kinderen de dragers van
een cultuur zijn en dat ze volwassen worden door zich te identificeren met de
modellen die hen door de samenleving worden voorgehouden. 'Slechte' modellen wil
hij bij de wet verbieden.
Zijn leerling en criticus Aristoteles bleef trouw aan
het Platoonse mimesisbegrip. Nadoen is eigen aan de kleine mens die daarin
van de andere levende wezens verschilt, dat hij een betere nabootsen is en door
het nabootsen zijn eerste kennis verwerft."[6]
De mens verschilt dus niet zo zeer van het dier doordat hij origineel en
creatief is, maar vooral doordat hij het nabootsen, dat in de dierenwereld zo'n
grote plaats inneemt, beter verstaat. Dat blijkt uit het gebruik van de taal,
die een mimetisch systeem is. Ook denken is afhankelijk van de mimese; het
mens-zijn is fundamenteel gebonden aan de mimesis. Creativiteit en originaliteit
blijven eveneens binnen de mimese: twee of meer bestaande objecten of vormen van
kennis, die niet eerder met elkaar in verband waren gebracht, worden zo met
elkaar verbonden dat er een nieuwe, extra dimensie ontstaat.[7]
Onze cultuur en al onze methoden om samen te leven,
veronderstellen dit grote vermogen van mensen elkaar na te bootsen. Opvoeden van
kinderen is voor een groot deel hen in een mimetische verhouding brengen tot
onszelf en tot onze cultuur. Evenals Plato houden wij hun daarbij modellen voor.[8]
Een tijd lang zijn ouders voor hun
kinderen het belangrijkste model, maar naast hen zijn er anderen die voor het
kind model worden.
Kinderen hebben minder nog dan volwassenen weerstand
tegen wat hen ter navolging wordt aangeboden. We kunnen kinderen propaganda
laten maken voor Green Peace of voor Jezus, voor Bush of voor Saddam Hussein.
Volwassenen, die worden onderworpen aan de reclame die hen oproept dit of dat
wasmiddel te kopen, hebben vanuit hun verleden meer modellen beschikbaar
waaruit ze kunnen kiezen. Ze hebben evenmin als kinderen de vrijheid verder dan
de mimese te gaan, maar ze hebben meer dan zij de mogelijkheid te kiezen
tussen de verschillende modellen die ter navolging worden voorgehouden. Voor ons
is het belangrijkste in de opvoeding kinderen te leren hoe zij zelf met het
verschijnsel van de mimesis om moeten gaan: dat is opvoeden tot zelfstandigheid.
Het is de verdienste geweest van René Girard dat hij. ons heeft
laten zien dat de mimese ook werkzaam is als wij dingen begeren, verlangen,
willen hebben. Wij begeren niet spontaan, maar begeren wat anderen - onze
ouders, vrienden, collega's, geliefden, mensen die voor ons belangrijk zijn
geworden - begeren. Toch ervaren we onze begeerte als zeer persoonlijk:
het is onze begeerte.
Het
gegeven dat wij elkaar imiteren in onze begeerten, verklaart de oorsprong van de
rivaliteit. Dat begeren van dezelfde oorsprong is als geweld, werd al gezien
door Thomas Hobbes (1588-1679). Hij gaat uit van het moderne beginsel dat 'de
natuur alle mensen in gelijke mate met lichamelijke en geestelijke vermogens
heeft bedeeld'. Geweld ligt dan voor de hand, immers: 'uit deze gelijkheid in
mogelijkheden wordt de gelijke hoop geboren onze doelen te bereiken. En daarom
als twee mensen hetzelfde begeren en daarvan niettemin niet beiden kunnen
genieten, worden zij vijanden; en op hun weg naar hun doel (dat hoofdzakelijk
bestaat in hun zelfbehoud en soms alleen in hun genot) proberen zij elkaar te
vernietigen of te onderwerpend.[9]
Het uitgangspunt van Hobbes verdient enig nader commentaar.
In zijn tijd waren de mensen niet zo gelijk als hij suggereert. Er waren
vorsten, burgers en boeren. Nog in 1780 klaagt Frederik de Grote, koning van
Pruisen, over de 'abominabele stukken van Shakespeare' waarin doodgravers en
vorsten elkaar doodleuk opvolgen in dezelfde scène.[10]
In Madame Bovary is het nog ongewoon dat een jongen van het platteland
dokter wil worden, maar het kan wel. Wij vinden sinds de Franse revolutie dat in
beginsel ieder kind een maarschalkstaf in zijn ransel heeft. Bij ons wordt
iedereen uitgenodigd het hoogst mogelijke te bereiken.
In de opvatting van wijsgeren en theologen van de vóórmoderne
cultuur is geluk een toestand waarin de begeerte tot stilstand is gekomen, een
tot rust komen van verstand en wil, en uiteindelijk een schouwen van God. Maar
Hobbes beantwoordt beter aan het moderne levensgevoel, wanneer hij schrijft:
'geluk is een voortdurend voortgaan van de begeerte van het ene naar het andere;
het ene wordt bereikt maar is nog maar de weg naar het andere.[11]
Onze kinderen worden met deze voorstelling van geluk opgevoed. Dat heeft
mede ten gevolg dat ze sneller in conflicten zullen geraken en daar- mee sneller
in een staat van chaos. Dit wordt bovendien versterkt doordat ze leven in een
wereld waarin ze van alle kanten bestookt worden met informatie. Ook verder
wordt er veel van ze verwacht: op school mee kunnen, een actief uitgaansleven
hebben, het volgen van de laatste trends.
Tegelijkertijd is het gezin waaruit ze komen vaak
minder stabiel: de ouders kunnen gescheiden zijn, ze hebben weinig tijd, er is
maar één broertje of zusje om mee op te groeien. Hun leven is minder
gestructureerd dan dat van mensen van twee generaties of zelfs één generatie
geleden. Ze zijn vrijer en leven minder onder dwang, maar er moet een prijs voor
betaald worden: meer onzekerheid en onveiligheid, meer kans op wanorde. De
gelijkheid tussen mensen is toegenomen, maar er is daarom meer kans dat mensen
hetzelfde willen hebben en dus is er meer openlijke rivaliteit.
Rivaliteit is zeer mimetisch. Menen de rivalen zelf dat het
duidelijk is waarin ze verschillen, voor een buitenstaander is dat veel minder
duidelijk. Rivalen doen immers, zij het vaak in spiegelbeeld, dezelfde dingen:
vallen aan en verdedigen zich in woord en gebaar, reageren op elkaar, volgen
elkaar na, worden vaak als degenen die zij bestrijden. En het mimetisch karakter
van rivaliteit vermeerdert op haar beurt weer de chaos, zodat begin en einde
zoek raken. Uiteindelijk zal de behoefte aan orde toenemen, waarbij het grijpen
naar het zondebokmechanisme dan voor de hand ligt. Door de grotere gelijkheid in
onze samenleving hebben we weliswaar meer oog gekregen voor dit mechanisme, maar
het is onmogelijk te zeggen of het vroeger vaker of minder vaak voorkwam, en ons
grotere inzicht hoeft nog niet te betekenen dat een oplossing spoedig gevonden
is.
Wat in de klas gebeurt is een klassieke poging tot
samenleven, tot het doen ontstaan van orde. Wanneer kinderen naar school gaan,
komen ze in een chaotische situatie. Ook in de klas geldt dat niet de orde
normaal is, maar de wanorde. Kinderen hebben bovendien sneller angst voor
wanorde dan volwassenen, die al in een min of meer vast patroon leven. Ze hebben
behoefte hun samenzijn te structureren en maken daarbij gebruik van het
zondebokmechanisme.
wilt
U en veiligheid en dus orde, maar als het aan henzelf overgelaten wordt die te
scheppen, zal altijd het zondebokmechanisme van allen tegen één worden
toegepast.
De klas houdt ons als het ware een spiegel voor van
wat er in de samenleving en elders in de school gebeurt. De lerarenvergadering
kan zijn eigen zondebok hebben, het gezin kan op min of meer subtiele wijze
worden samengehouden door toepassing van het zondebokmechanisme. De samenleving
leeft ervan: de wijze waarop mannen en vrouwen met elkaar omgaan, de toepassing
van het recht, de wijze waarop ons land bestuurd wordt, het verschijnsel oorlog
enzovoorts. Kinderen voelen dit feilloos aan en dankzij de mimese heeft het
zondebokmechanisme invloed op de omgang in de klas.
Hoe kunnen we de toepassing van
het zondebokmechanisme op onze scholen voorkomen en waar nodig wegnemen. Ter
voorkoming is het noodzakelijk dat structuren helder zijn. Er moeten verschillen
zijn die - een paradox - niet discrimineren. Het moet zowel in de school als
geheel als in de klas duidelijk zijn wie voor wat verantwoordelijk is, wie waar
en wanneer macht heeft; die verantwoordelijkheid moet gedragen worden, de macht
gecontroleerd. Het beleid van de school moet door alle betrokkenen uitgevoerd
worden, dient op democratische wijze tot stand te komen en op democratische
wijze gewijzigd te worden. Dan is het gevaar dat er slachtoffers worden gemaakt
en zondebokken worden aangewezen het geringst.
De docent moet boven de vigerende (informele) normen van de
klas staan, door trouw te blijven aan zijn eigen waarden en normen. Als hij laat
merken dat hij partij kiest voor de zijns inziens belangrijkste groep - dat
hoeft niet altijd de sterkste te zijn -, voor haar wijze van kleden,
stijl van spreken, muziek, normen van sociale omgang, haar al of niet politieke
en kerkelijke betrokkenheid, dan loopt hij gevaar zijn vrijheid te verliezen en
onderdeel te worden van de machtsstrijd in de klas. Een zekere afstand tot de
leerlingen is noodzakelijk; de leraar is geen leerling. De orde in de les wordt
bevorderd als de leerstof centraal blijft staan en zo een afstand schept tussen
de kinderen onderling en tussen de klas en de leraar. Niet de persoon van de
leraar of die van een andere leerling is dan een model ter navolging (of
rivaal), maar datgene wat door de leraar zakelijk wordt aangeboden, zodat
persoonlijke confrontaties vermeden worden.
Kinderen kunnen leren thuis, op hun clubs en op school
zich niet steeds met elkaar te vergelijken, elkaar niet eindeloos te imiteren in
bij voorbeeld kleding, elkaar niet te waarderen louter op grond van
intellectuele en fysieke prestaties, niet over een ander te praten
wanneer deze er niet bij is. Het docentencorps moet deze vuistregels mutatis
mutandis zelf consequent toepassen, want de stijl van omgang binnen het corps
heeft door de mimese invloed op die van de leerlingen.
Ook is het raadzaam op school een onafhankelijke
medewerker als 'uitlaatklep' te hebben, bij wie leerlingen in een vroeg stadium
hun onlustgevoelens kunnen spuien waardoor ze minder behoefte zullen hebben aan
een zondebok om zich op af te reageren. In Amstelveen bij voorbeeld is er een
middelbare school die beschikt over een gezellig ingerichte ruimte waar een paar
dagen in de week een oudere man - geen leraar, maar een gepensioneerde pastor
met veel ervaring met jonge mensen - aanwezig is. Leerlingen kunnen daar alles
kwijt wat ze op hun hart hebben, wetende dat alles binnen de muren van de kamer
blijft. Deze kamer vormt binnen de school een 'vrije' ruimte, buiten de
conflicten die er op de school en in een klas kunnen zijn.
Het
doorbreken van het zondebokmechanisme is veel moeilijker. Veelal zullen we niet
verder komen dan het verplaatsen van het probleem: het zondebokmechanisme wordt
gehandhaafd, maar er wordt een slachtoffer gekozen dat verder weg is zodat de
schade minder groot is. De klas wordt bij voorbeeld verenigd in een wedstrijd
tegen een andere school, die dan de rol van gemeenschappelijke vijand krijgt
toegewezen. De rivaliteit is nu gereguleerd en betrekkelijk onschuldig, zolang
de regels wederzijds worden erkend. Het zondebokmechanisme zelf blijft echter in
stand, en zo bestaat er altijd het gevaar dat de gereguleerde rivaliteit alsnog
uit de hand loopt, met vandalisme en andere vormen van geweld als gevolg.
In theorie kan het slachtoffer zelf het gemakkelijkst het
zondebokmechanisme doorbreken. Het is altijd gemakkelijker jezelf te veranderen
of één persoon dan een hele groep. Gezien de fundamentele rol die de zondebok
speelt in de totstandkoming van de 'orde' van de klas, verandert in
beginsel alles als de zondebok zijn positie wijzigt, hetzij door klas en school
te verlaten, hetzij door de rol van zondebok van zich af te schudden. Het is
duidelijk dat dit laatste in de praktijk zonder hulp uiterst moeilijk is. Het
kan wel lukken als 'de zondebok' hiervoor het advies en de steun van een ander
krijgt, al zal hij de beslissende actie zelf moeten uitvoeren. Het slachtoffer
moet namelijk leren de mimesis waarin hij met de anderen gevangen zit te
doorbreken. Dat vereist creativiteit en de innerlijke moed het risico te lopen
dat de poging kan mislukken.
Als jongen op de middelbare school vond ik zelf eens een
goede oplossing. Bij het begin van het tweede schooljaar bood een knaap, groter
dan ik uiteraard, mij een chocolaatje aan. Ik stak het in de mond, wat verrast
over deze vriendelijkheid, en ontdekte dat het zeep was. In plaats van te
reageren op dit gegeven, reageerde ik op zijn verzekering dat het chocolade was.
'Dank je wel, het is erg lekker.' De jongen droop teleurgesteld af, en ik kon
daarna de viezigheid uit mijn mond nemen. Ik kan me niet herinneren dat ik
daarna nog ooit in de positie van slachtoffer ben gebracht.
Soms is er nog een tweede reden waarom het slachtoffer
moeilijk zijn rol kan opgeven: hij kan deze positie zelf gekozen hebben.
Zondebok zijn is weliswaar een pijnlijke zaak, maar tegelijk is het een manier
om 'erbij te horen', zij het op de wijze van de zondebok. Bovendien plaatst het
slachtoffer, doorgaans zonder zich dat helder bewust te zijn, zich in het
centrum van de aandacht: hij is degene die de groep bij elkaar houdt. In een
milde vorm zie ik dit gebeuren bij het zoontje van een bevriend echtpaar, die op
de lagere school erg gepest wordt met zijn zeer grote oren. Nu hij de leeftijd
heeft bereikt waarop zijn oorschelpen verkleind kunnen worden, weigert hij
resoluut zo'n ingreep te ondergaan: nu weten ze op school allemaal wie ik
ben'. Naar hem kijkend, denk ik dat hij waarschijnlijk in de toekomst zal leren
gebruik te maken van zijn gevoel voor humor om, wijzende op zijn te grote oren,
geaccepteerd te worden in de groep zonder daarvan de zondebok te worden. Uit de
wereld van de therapie zijn gevallen bekend waarin het
aanvaarden van de rol van zondebok tot grote psychische problemen leidt,
die overigens soms kunnen worden weggenomen door het toepassen van een
'paradoxale benadering', die in beginsel niet zo verschillend is van mijn eigen
reactie en van wat het kind met de grote oren waarschijnlijk zal doen.[12]
Een derde moeilijkheid ten slotte is dat een kind
heeft geleerd op een bepaalde manier te reageren en zichzelf daarin voortdurend
navolgt. Een verhuizing naar een andere school helpt daarom vaak niet. Het is
niet voldoende om het slachtoffer uit zijn positie te bevrijden; het hele
systeem van relaties in de klas moet veranderen. Wanneer dit in
beweging komt, zal aanvankelijk het gevoel, van onveiligheid toenemen en
de wanorde groter worden. De kans dat in die beginfase iemand anders binnen of
buiten de groep zondebok wordt en er alleen een verplaatsing van de problematiek
plaatsvindt, is groot. De 'pesters' veranderen is moeilijk. We moeten bedenken
dat de pesters waarschijnlijk degenen zijn die zich het meest onveilig voelen.
Zij pesten opdat zij zelf niet gepest zullen worden, ze proberen een ander als
zondebok aan te wijzen om er zo zelf aan te ontkomen.
In
een sfeer van veiligheid kunnen de pesters met hun zondebok-angst en hun
pest-reactie daarop geconfronteerd worden. Uiteindelijk moeten kinderen en
volwassenen leren als vrije mensen te leven. Al zijn we onderworpen aan de
wetmatigheid van de mimese, we kunnen wel beslissen - zij het binnen onder
andere historische grenzen - welke waarden, idealen en personen we onszelf en
anderen als model ter navolging voorhouden. De beste modellen zijn die ons
daadwerkelijk behoeden voor de rivaliteit met onze medemensen en die ons vrij
tegenover hen doen staan. Dat zullen altijd modellen blijken te zijn die ons
leren verantwoordelijkheid te nemen voor onszelf en voor anderen. We ontkomen er
daarbij niet aan om, zonder romantisch terug te verlangen naar het repressieve
verleden, kritisch te staan tegenover verschillende doeleinden van onze moderne
samenleving.
In Madame Borary kiest de leraar partij voor de
pesters, ongetwijfeld uit angst de greep op de klas te verliezen en zelf gepest
te worden. De klas lacht, hij maakt een grap, de klas lacht harder en voelt zich
één met zijn leraar. Lachen kan, naar we sinds Henri Bergson weten,
een manier van de zondebok buitensluiten zijn.[13]
Voor elke leraar zal het van belang zijn te weten door wie er om wie in de klas
gelachen wordt. Maar bovenal om wie en wat hij zelf lacht. Het pesten zit als
mogelijkheid in ieder mens.
[1]
Bob van der Meer, De zondebok in de klas. Nijmegen 1988. Voor verdere
literatuur zie ook: School en god dienst44 (1990) nr. 7,'Zondebok'.
[2]
Dit artikel is een bewerking
van een voordracht die ik heb gehouden op een studiemiddag voor docenten in
het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs over het thema
'Pesten op school: problemen rondom het zondebok- fenomeen', op 26 maart
1991 in Musis Sacnum Arnhem.
[3] Van René
Girard: Critique dans un souterrain. Lausanne 1976; 'To double bussiness bound', in: Essays
on Literature, Mimesis and Antbropology. Baltimore
1978; De romantische leugen en de romaneske waarheid. Kampen 1986;
De zondebok. Kampen 1986; De aloude weg der boosdoeners. Kampen
1987; Wat vanaf het begin der tijden verborgen was... Kampen 1990; Shakespeare. Les feux de l'envie. Parijs
1990. Ter inleiding: W. van Beek e.a. (redactie), Mimese en geweld.
Beschouwingen over het werk van René Girard. Kampen 1988; R.
Kaptein en P. Tijmes, De ander als model en obstakel. Een
inleiding in het werk van René Girard. Kampen 1986; A. Lascaris, Advcaat
van de zondebok. René Girard en het evangelie van
Jezus. Hilversum 1987.
[4]
N. Elias, Het civilisatieproces. Sociogenctische en psychogentische
onderzoekingen. Utrecht 1982.
[5]
H.
Koller, Die Mimesis in der Antike. Nachahmung,, Darstellunq, Ausdruck.
Bern 1954; W.J. Ver-
denius,
Plato's doctrine of artistic imitation and its meaning to us. Leiden 1962; S. Agacinski e.a. (redactie), Mimesis. des
articulations. Parijs 1975; S. IJsseling, Mimesis.-
over schijn en zijn. Baarn 1990.
[6]
Politica IV, 2.
[7] G. Bateson, Mind and Nature. A necessary unity.
Glasgow 1980.
[8] W.W. Hartup en B. Coates, 'The Role of Imitation in
Childhood Socialization', in: R. Hoppe e.a. (redactie), Early Experiences
and the Process of Socialization.
New York 1970.
[9] Leviathan
1, XIII.
[10]
Geciteerd bij N. Elias, a.w., p.34.
[11]
Leviathan 1, XI.
[12]
Zie 'Ernesto' in het boek van M. Selvini Palazzoii e.a. (redactie), Paradox
en tegenparadox. Een nieuwe vorm van gezinsbehandeling. Alphen aan den
Rijn 1979.
[13] H. Bergson,
Le Rire. Essai sur la signification du comique. Parijs 1936,
42e druk.
E-mail adres auteur a.lascaris@hetnet.nl - Dominicaans Studiecentrum