VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
RENÉ GIRARD ONDER DE FILOSOFEN
Wie over het verschijnsel 'geweld' wil
schrijven, kan moeilijk langs René Girard heen. Girard (1923) heeft nooit een
definitie gegeven van wat geweld is, maar hij heeft diepgaand geschreven over
het ontstaan en het mechanisme ervan. Zijn werk is van belang gebleken voor een
grote en diverse groep wetenschappers: literatuurcritici, antropologen,
psychologen, economen, sociologen en theologen. De verscheidenheid van mensen
die hij inspireert, is voor velen een reden hem af te wijzen: deugt een theorie
wel, die zoveel verheldert?
Girard is geen filosoof. Geboren in
Avignon studeerde hij eerst geschiedenis. Hij vertrok in 1948 naar Amerika om
literatuurwetenschap te studeren en daar doceert hij nog steeds. Zijn eigenlijke
belangstelling gaat uit naar hoe mensen met elkaar omgaan. Eén manier om dit te
ontdekken is het lezen van (goede) romans, het kijken naar toneelstukken en, zou
ik willen toevoegen, het zien van films. Het eerste grote boek van Girard gaat
over de roman, het tot nu toe laatste over Shakespeare.[1]
In zijn werken verwijst hij herhaaldelijk naar filosofen en is hij op een zeer
kritische wijze met hen in gesprek. Plato, Aristoteles, F. Hegel, K Marx, F.
Nietzsche - jarenlang was hij een van zijn bewonderaars - M. Heidegger, E.
Levinas, J. Derrida en anderen komen bij hem aan bod, zij het vaak in zeer korte
verwijzingen.
Het geweld was niet het eerste thema van
Girard. Als literatuurcriticus stootte hij uiteraard op het begrip 'mimesis',
navolging, imitatie, dat sinds Plato de kijk op literatuur bepaald heeft. Zoals
onze werkelijkheid een afbeelding is van de wereld van de ideeën, de ene echte
werkelijkheid, zo is voor Plato de literatuur een afbeelding van de onze. In het
tiende boek van De Staat schrijft hij daar uitvoerig over. 'Nabootser noemt gij
dus hem die iets maakt dat op de derde plaats komt, te rekenen vanaf de
oer-natuur', zegt Plato.[2]
Daarmee suggereert Plato tegelijk dat nabootsing iets minderwaardigs is, een
suggestie die nog steeds in onze cultuur krachtig aanwezig is. Girard begint met
zich hiertegen te verzetten. Zo schrijft hij: 'In het menselijk gedrag is niets,
of vrijwel niets, dat niet aangeleerd kan worden; en alles wat men leren kan,
gaat terug op imitatie. Als de mensen ineens zouden ophouden met nabootsen,
zouden alle vormen van cultuur in rook opgaan. Neurologen herinneren ons er vaak
aan, dat het menselijke brein een enorme nabootsingsmachinerie is.'[3]
En het motto van zijn voornaamste boek Wat vanaf het begin der tijden
verborgen was... is ontleend aan Aristoteles, die in zijn Poetica, 4
stelt: 'De mens onderscheidt zich van de andere dieren doordat hij het best in
staat is om na te bootsen'. Het pasgeboren kind is het meest hulpeloze wezen dat
er geboren wordt. Bijna alles moet het aanleren. De taal - en daarmee het denken
- eten, zich aankleden, toiletgang, omgaan met anderen. Dat alles leert het
kleine kind door na te doen, te imiteren, na te bootsen wat het anderen ziet en
hoort doen. Het duurt een lange tijd voordat een mens volwassen wordt, en ook
dan moet hij blijven leren. De suggestie dat nabootsing iets minderwaardigs is,
zet ons op het verkeerde been. De mimesis is een fundamentele menselijke wet.
Girard heeft nog een tweede bezwaar tegen
de platoonse mimesis: ze is te beperkt. 'De voorbeelden die hij (Plato) ons
voorlegt hebben alleen betrekking op...altijd representaties,
uitingsvormen. In de manier waarop Plato het stelt, is nóóit sprake van
gedrag dat zich richt op bezitten. Welnu, het is duidelijk, dat het toeëigeningsgedrag,
dat bij de mensen, zoals trouwens bij àlle levende wezens, een enorm grote rol
speelt, zich leent tot navolging. Er is geen enkele reden om dit buiten
beschouwing te laten; toch rept Plato hier met geen woord van; en deze omissie
ontgaat ons, doordat allen die na hem kwamen, te beginnen met Aristoteles,
hem hierin zijn gevolgd.'[4]
Dit is de grote ontdekking van Girard: ook het menselijk toeëigeningsgedrag, de
menselijke begeerte, is mimetisch. Wij begeren niet spontaan, maar we
begeren via een ander, een voorbeeld of model, dat reeds vóór ons bezit of
begeert. Girard is tot deze ontdekking gekomen toen hij ontdekte dat het verhaal
van Anselmo, Lothario en Camilla in Don Quichot van Cervantes dezelfde structuur
heeft als dat van 'De eeuwige echtgenoot' van Dostojewski. In beide gevallen
gaat het erom dat een man verliefd wordt op een vrouw via een andere man. Het is
iets wat wij in onze eigen ervaring onmiddellijk herkennen. Girard deed er niet
lang over om telkens weer in de grote schrijvers van onze westerse cultuur
hetzelfde verschijnsel waar te nemen. In Cervantes, Shakespeare, Stendahl,
Flaubert, Dostojewski en Proust komt het thema van te begeren via een ander in
steeds wisselende en verrassende vormen terug. Als de mimese zo fundamenteel is
voor het menselijk bestaan, is het niet vreemd dat zij ook doorwerkt op het zo
belangrijke gebied van het willen hebben. 'Plaats een aantal geheel identieke
stukken speelgoed met hetzelfde aantal kinderen in een lege ruimte, en de kans
is groot dat het verdelen niet zonder ruzie gaat. Bij volwassenen zal men zoiets
zelden zien. Dat wil niet zeggen dat het mimetisch rivaliseren bij hen niet vóórkomt;
misschien komt het bij hen méér voor, maar zij hebben, net als de apen,
geleerd om het te wantrouwen en om die gevoelens te bedwingen.'[5]
Het 'willen hebben' bij mensen moeten we niet tekenen als een rechte lijn tussen
subject en object, waarbij of het subject een aangeboren lust heeft in het
object, of het object een magnetische invloed uitoefent op het subject. We
moeten de menselijke begeerte tekenen als een driehoek met aan de basis subject
en object en aan de top het model, dat eerder begeert dan het subject. Het
subject begeert het object en verleent waarde aan het object, omdat het het
model navolgt dat dit reeds doet.
In het laatste citaat is al een term
gevallen dat ons naar het verschijnsel 'geweld' leidt. Op het eerste gezicht
ziet het driehoekige model van de begeerte er onschuldig genoeg uit. Maar
Lothario wordt verliefd op Camilla, omdat zij de vrouw van zijn vriend is. Hij
betaalt voor zijn liefde met de dood. De 'eeuwige echtgenoot' kan slechts van
een vrouw houden, die begeerd wordt door een ander, maar deze is daardoor
tegelijk zijn rivaal. Bij consumptiegoederen wordt onze begeerte door
advertenties opgeroepen, maar de hoeveelheid van goederen voorkomt de
rivaliteit. Maar als ik minister-president wil worden omdat ik de huidige
minister-president en zijn voorgangers zo bewonder, dan is er een probleem. De
zittende functionaris is mijn obstakel. Modellen kunnen altijd obstakels
worden, omgekeerd, zijn obstakels altijd modellen ter navolging. Niet voor
niets hebben we tegenover onze ouders een wat ambigue houding: wij beminnen
hen, zij zijn in vele opzichten ons model, en tegelijk zijn we blij dat we op
een gegeven moment afstand kunnen bewaren. We haten onze vijanden, maar de
oplettende buitenstaander zal het spoedig opvallen, hoezeer wij onze vijand
imiteren door hetzelfde of precies het omgekeerde te doen.
Afstand houden, het onderscheid tussen
subject en model/obstakel bewaren is van wezenlijk belang. Vervaagt dit
onderscheid, dan begint de rivaliteit, die uit zichzelf uiteraard ook mimetisch
van karakter is. We proberen ons toe te eigenen wat het model reeds heeft of
begeerde vóór ons. Het model wordt ons obstakel. Het zal zich verzetten
tegen onze begeerte. Subject en model worden rivalen, concurrenten. Wij lopen
samen tegen elkaar ('concurrere'), we bewonen de oevers ('rive') van dezelfde
kronkelende rivier. In het proces van deze rivaliteit werkt de mimese
voortdurend door. De een doet na wat de ander doet, en doet daar dan net iets
bij om de ander te overtroeven en de overwinning te behalen. Steeds harder slaan
de rivalen op elkaar in. Elke rivaal krijgt steun vanuit zijn of haar achterban,
steeds meer mensen worden erbij betrokken. Wat eerst een incident leek - de
moord op de president van Rwanda - loopt uit op een bloedbad waarbij miljoenen
betrokken zijn. Rivaliteiten escaleren en zijn besmettelijk. De rivalen geraken
gefascineerd door elkaar, vergeten al het andere, verliezen vaak ook de reden of
aanleiding van hun rivaliteit uit het oog. Zij worden dubbelgangers en
spiegelbeelden van elkaar. Omdat we geboren worden in een wereld, waarvan de
geschiedenis wordt gemarkeerd door steeds nieuwe rivaliteiten en daden van
geweld, hoeft er niet zoveel te gebeuren om ook ons mee te slepen in tomeloos
geweld.
Hoewel Girard geen definitie geeft van
geweld, is het wel duidelijk wat geweld hier betekent. Het is de teloorgang van
elke afstand, elk onderscheid, elk verschil. De verschillen tussen de lichamen
verdwijnen, de geweldenaar eigent zich het lichaam van de ander toe en maakt
inbreuk op het andere, op de integriteit van het lichaam van de ander. Moord,
verkrachting, incest, maar ook beschuldigingen van incest, verbaal geweld,
psychische intimidatie zijn even zovele vormen van het opgeven van afstand,
onderscheid verschil.
Mensen hebben in de loop van de
geschiedenis steeds weer geprobeerd afstand te houden van elkaar: verboden van
velerlei soort, het gender systeem met een mannelijk en een vrouwelijk domein,
adel en niet-adel, en verder door riten, waarin de mimetische crisis wordt
uitgevierd
en in het proces ontdaan van zijn gewelddadig karakter, mede door het offer van
een mens of dier dat de rite doorgaans besluit. Voor ons is carnaval
waarschijnlijk de bekendste en meest nabije voorbeeld van de rite. We begeven
ons bewust in de chaos en het gewoel, we verliezen onze eigen identiteit in het
gebeuren, waarin naar boven komt, wat in het gewone leven niet naar boven mag
komen. Carnaval eindigt in de grote carnavalsplaatsen met het begraven of
verdrinken van 'carnaval'. Het is echter zeker dat oorspronkelijk carnaval
eindigde met de executie van degene die we nu 'prins carnaval' noemen. Door
zich vrijwillig in het kwaad te begeven, hopen mensen het kwaad te voorkomen.
De rite is bij Girard van bijzonder
belang. Deze onthult ons de manier waarop wij in een mimetische crisis tot vrede
pogen te komen. In de chaos, waarin alle onderscheidingen dreigen te verdwijnen
en iedereen iedereen rivaliserend imiteert en tegelijk naar vrede snakt, hoeft
iemand maar een ander aan te wijzen als de oorzaak van de chaos om de orde te
herstellen, of liever, een nieuwe orde te vestigen. De aanwijzing kan volstrekt
willekeurig zijn, hoewel het helpt als de aangewezene in iets afwijkt van de
anderen, zoals Oedipus met zijn horrelvoet. Op het moment dat iemand is
aangewezen, richten de blikken van allen zich op de aangewezene: er ontstaat
plotseling als bij een wonder een nieuwe orde. De vrede daalt neer: we weten wie
de oorzaak is van onze chaos, we werpen hem of haar uit. In en door het aanwijzen,
komt een nieuw onderscheid, een verschil, tot stand: tussen 'wij' en 'de
schuldige'. Op grond van Leviticus 16 noemt Girard dit 'het zondebokmechanisme'.
Dit mechanisme brengt in onze menselijke geschiedenis mensen bij elkaar. Een
avondje roddelen schenkt ons een gezelligheid die nauwelijks te overtreffen
valt. Niet alleen Girard, maar ook Hannah Arendt wijst erop dat zowel in de
bijbel als in de mythe van de stichting van Rome de stichter van de stad, de
samenleving, een broedermoordenaar is.[6]
Groepen vormen zich door het aanwijzen van een zondebok. Pesten in de klas, ons
afzetten tegen Duitsers, lachen om christenen of moslims, zijn typische vormen
van het zondebokmechanisme. Wie de bril van Girard opzet, zal mechanismen en
verschijnselen zien in de betrekkingen tussen individuen en
in die tussen groepen, die hem eerder ontgaan waren. Dit 'wonder' kan ertoe
leiden de theorie als te fantastisch af te wijzen, maar wie dit niet doet, zal
zich verbazen over de grote werking van zijn visie. De lengte van dit artikel
staat me niet toe meer dan alleen dit skelet van de theorie van Girard aan te
bieden.
Ik wijs hier er alleen nog op dat de religie voor
Girard van grote betekenis is. Zij bewaart de vrede in de samenleving door
middel van het (mindere) geweld van het offer, dat een geritualiseerde vorm is
van de zondebokuitdrijving. Alle religies pogen overigens dit geweld te
verminderen. Het passieverhaal van Jezus wordt door Girard geïnterpreteerd
als een verhaal van een gezamenlijke lynchpartij. Het wonderlijke van dit
verhaal is echter dat de schrijver niet gelooft in de schuld van de vervolgde,
integendeel de vervolgers zijn degenen die schuldig zijn en geweld gebruiken.
Het onderscheid dat ontstaat door het aanwijzen van een zondebok, is de
grondslag van de cohesie van een groep. Het passieverhaal kiest echter voor het
slachtoffer en tegen de groep. Dit verhaal is een van de bronnen geworden van
het moderne individualisme.[7]
De ontdekking van het passieverhaal heeft Girard ertoe gebracht christen te
worden. In de zestiende eeuw heeft een groot deel van het christendom echter met
zijn 'kruistheologie' weer gekozen voor het zondebokmechanisme.[8]
Girard wijst erop dat onze tijd bijzonder
veel waarde hecht aan de oude Griekse mythen van Oedipus (Freud) en Dionysius (Nietzsche).
Mede in hun naam wordt het christendom uitgedreven. Hij verwijt de westerse
filosofie dat zij blijft vertrouwen op de redelijkheid als het beginsel volgens
welke de wereld is ingericht. Het is dezelfde redelijkheid als die van de
hogepriester Kajafas, die meende dat het beter was één mens op te offeren dan het volk ten
onder te laten gaan (Joh. 11,50). De westerse filosofie heeft over het algemeen
het geweld eerder bedekt dan onthult. Ikzelf wijs erop dat het geweld pas vorig
eeuw expliciet een thema wordt in de filosofie en dan tot ver in onze eeuw door
haar meer wordt verheerlijkt dan bekritiseerd.[9]
Wanneer nu de postmoderne filosoof J. Derrida de theorie van de mimesis bij
Plato bekritiseert[10],
laat hij zien dat Plato het schrijven afwijst als een derderangs mimese, maar
tegelijk het schrijven niet kan missen zo gauw er een onderscheid gedacht moet
worden. Plato wijst het schrijven af dat in de mythe gepresenteerd wordt als
een gift, een geneesmiddel ('pharmakon') voor het geheugen, maar door hem als
een vergif ('pharmakon') voor het echte kennen wordt ontmaskerd. Derrida
merkt op dat 'pharmakon' ook 'zondebok' betekent, maar het belang ervan
ontgaat hem.[11]
Hij pleit voor spaarzaamheid bij het gebruik van geweld, maar ziet niet, zoals
Girard dat wel doet, dat alles is gestoeld op het onderscheid met het slachtoffer,
de zondebok. Wie een weg zoekt uit het geweld, ga liever bij Girard te rade dan
bij Derrida.
Dr. A.F. Lascaris (Amsterdam, 1939) is dominicaan. Hij promoveerde in 1979 in Oxford, doceerde in Hammanskraal (Zuid-Afrika), Nijmegen en Amsterdam, was redactiesecretaris van het weekblad De Bazuin, vervulde bestuurlijke functies in zijn orde en is nu lid van de staf van het Dominicaans Studiecentrum voor Theologie en Samenleving te Nijmegen. Hij was bijna twintig jaar betrokken bij vredeswerk voor Noord-Ierland. Publikaties onder meer: Het soevereine slachtoffer. Een theologisch essay over geweld en onderdrukking, Baarn, 1993, en Mag ik 'wij' zeggen. Een ontmoeting van de Barmhartige Samaritaan met drie postmoderne filosofen, in M. Kalsky, E. Borgman en M. Merkx, Herfsttij van de moderne tijd. Theologische visies op het postmoderne, De Horstink, Zoetermeer, 1995, 51-69.
NOTEN
[1].
De romantische leugen en de romaneske waarheid, Kampen, 1986
(Parijs,
1961) en Shakespeare. A Theater of envy, Oxford, 1991. Zijn
belangrijkste andere werken zijn: God en geweld, Tielt, 1993 (Parijs,
1972; Wat vanaf het begin der tijden verborgen was..., Kampen, 1990
(Parijs, 1978); De Zondebok, Kampen, 1986 (Parijs, 1982); De
aloude weg der boosdoeners, Kampen, 1987 (Parijs, 1985). Met film
heeft Girard zich bij mijn weten nooit bezig gehouden; hij behoort wat dit
betreft duidelijk tot een oudere generatie. Wel heeft P.N. Livingstone een
interessante studie gemaakt
van de films van I. Bergman aan de hand van Girard: The Snakeskin: Ingmar
Bergman and the Rituals of Art, Baltimore, 1983.
[2].
Plato, De Staat, X, 597e, vertaling X de Win, Plato. Verzameld
Werk, Haarlem, 1962.
[3].
Wat vanaf het begin der tijden verborgen was..., 17-18
[4].
Idem, 18-19.
[5].
Idem, 19.
[6]. H.
Arendt, On Revolution, Harmondsworth, 1979 (1963).
[7].
Vgl. M. ter Borg, Een uitgewaaierde eeuwigheid. Het menselijk tekort in
de moderne cultuur, Baarn, 1991.
[8].
A. Lascaris, Het soevereine slachtoffer. Een theologisch essay over
geweld en onderdrukking, Baarn, 1993, 200-215.
[9]. Zie
voor een overzicht J. Chanteur, From War to Peace, Oxford, 1992.
[10]. J.
Derrida, La pharmacie de Platon, in La dissémination,
Parijs, 1972, 71-197.
[11].
Zie voor de overeenkomsten en verschillen tussen J. Derrida en R. Girard: A.
J. McKenna, Violence and Difference. Girard, Derrida, and Deconstruction, Chicago, 1982.
E-mail adres auteur a.lascaris@hetnet.nl - Dominicaans Studiecentrum