VU Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten 

OVER DE ZONDEBOK, DE ANDER EN DE MASSA

Joanna Korfage  

Literatuurscriptie Culturele Antropologie, Universiteit Utrecht

Begeleiding: Ton Robben

1994  

INLEIDING.. 1

1. ZONDEBOKKEN.. 3

Het zondebokmechanisme van René Girard. 4

De Zondebok. 6

Over De Zondebok. 10

Over zondebokken. 14

2. ANDEREN.. 19

Wie is de Ander?. 19

De Ander in onszelf 25

3. MASSA'S. 29

De Massa. 29

Massa en geweld. 34

CONCLUSIE. 36

LITERATUUR.. 38

BIJLAGE  Vertalingen van gebruikte Engelstalige citaten. 41

INLEIDING

Door een aantal recente gebeurtenissen zoals merkbaar toenemend afweer en geweld jegens allochtonen, maar ook door mijn eigen verblijf in het buitenland, raakte ik geïnteresseerd in het thema "angst voor de Ander". Al lezend en denkend over dit onderwerp, kwam ik tot de conclusie dat het voorbarig zou zijn om negatieve gevoelens ten opzichte van de Ander bij voorbaat als uitingen van angst te zien. Zo verschoof het onderwerp naar "houdingen en gevoelens ten opzichte van de Ander", waarbij ik de vraag in het achterhoofd hield hoe het komt dat (groepen) mensen zich soms opeens met geweld tegen de Ander(en) keren. 

            De Franse historicus en letterkundige René Girard bleek hier een hele theorie over te hebben uitgedacht. In zijn boek De Zondebok legt hij niet alleen uit waarom (groepen) mensen van tijd tot tijd overgaan tot de gewelddadige vervolging van een zondebok, maar ziet hij het mechanisme dat hieraan ten grondslag ligt, het zogenaamde zondebokmechanisme, zelfs als verklarend voor het bestaan van cultuur. Volgens Girard vol­doet het gekozen slachtoffer van vervolging aan een aantal slachtofferkenmerken die hem doen afwijken van de meerderheid. Girard's zondebok is een Ander.

            Girard heeft in de loop der tijd heel wat kritiek over zich heen gekregen. Tegelijkertijd is hij voor velen een bron van inspiratie, in veel gevallen óók voor mensen die hier en daar wat bedenkingen bij zijn uitspraken hebben. In deze scriptie zal Girard's zondebokmechanisme als een soort rode draad fungeren. In hoofdstuk één wordt de eerste helft van Girard's boek De Zondebok, waarin hij zijn theorie uiteenzet, in grote lijnen samengevat. Daarna zal wat van de (vele) kritiek, die Girard op zijn theorie heeft gekregen, worden besproken. Ook wordt aandacht geschonken aan de mening van een aantal andere theoretici, aangaande het fenomeen van de zondebok.

            Inspringend op wat Girard in De Zondebok zegt over de Ander, wordt in het tweede hoofdstuk gekeken naar wie de Ander is, en naar de veranderende houding ten opzichte van de Ander naar gelang tijd en situatie. Van een aantal schrijvers, met name Zygmunt Bauman, Julia Kristeva en Edward C. Whitmont worden de verschillende gedachtengangen over dit onderwerp tegen elkaar afgezet. De Ander als niet-Ik, de Ander als vreemdeling, de Ander als zondebok, de vreemdeling als zondebok en de vreemdeling als iets in onszelf passeren de revue.

            De vervolging van Anderen komt vaak neer op de vervolging van een enkeling of relatief kleine groep door een grote groep of massa. Zo kan bijvoorbeeld volgens Freud het Ik (dat tegenover het niet-Ik, de Ander, staat), zich bundelen tot een collectief Ik, een massa. ­Vanwege de vaak belangrijke rol van de massa in vervolgingsprocessen behandelt hoofdstuk drie in het kort het fenomeen "massa". Aan de hand van theorieën van Elias Canetti en Sigmund Freud wordt naar een aantal aspecten van de massa gekeken; wat is een massa, waardoor wordt zij gedreven, wat is de relatie tussen massa en geweld.

            Tot slot volgt de conclusie. In bijlage 1 wordt de vertaling van gebruikte Engelstalige citaten gegeven.


1. ZONDEBOKKEN

 

Het woord "zondebok" is waarschijnlijk het meest bekend in zijn figuurlijke betekenis van de onschuldige die voor ander­mans problemen opdraait en/of waar anderen zich op afreage­ren. De volgende betekenissen worden door respec­tieve­lijk de Dikke van Dale en het Etymologisch woorden­boek van de Vries en Tollenaere gege­ven:

 

               zondebok (m.) [naar Leviticus 16:8], 1 (eig.) (bij de oude Isra­lie­ten) bok die de woestijn werd ingejaagd, nadat hij met al de onge­rechtigheden van het volk was beladen; 2 (fig.) persoon op wie anderen hun schuld werpen, of die het gestadig voorwerp van hun plagerijen en beschimpin­gen is: hij is altijd de zondebok van 't gezelschap; een zondebok zoeken; als zonde­bok fungeren (1992: 3708).

 

               zondebok `persoon op wie men de schuld schuift', vgl. hd sündenbock (1798) in die fig. bet. zo genoemd naar Levit. 16,21 volg.: Aäron legt zijn beide handen op de kop van een levende bok, belijdt over hem alle zonden Israëls en jaagt het dier vervolgens de woestijn in (1991: 444).

 

Het woord "zondebok" in zijn oorspronkelijke betekenis komt dus uit de bijbel. The Oxford English Dictionary geeft een bijna identieke om­schrijving van het Engelse woord scapegoat[1], maar vermeldt naast de bok die de woestijn in werd gezonden, een tweede die aangewezen werd om geofferd te worden. De om­schrij­ving van het van scapegoat afgeleide woord scapegoating is interes­sant, omdat het aangeeft dat de zondebok haast vanzelf­spre­kend de zwakkere is:

 

               scapegoating

               The action or practice of making a scapegoat of someone; spec. in Psychol., aggressively punitive behaviour directed for whatever reason against other (weaker) persons or groups (1989: 582).


Het zondebokmechanisme van René Girard

 

René Girard (1923- ), oorspronkelijk historicus maar tegen­woordig hoogleraar Franse taal, let­terkunde en cultuur in Californië, heeft in de loop van zijn carrière een bijna allesom­vattende theorie over het menselijk bestaan ontwik­keld. Girard's theorie gaat uit van een aantal grondbegrippen -na­bootsing, begeerte, geweld en zondebok-, waar­van de werking zover wordt door­ge­trok­ken dat hier prac­tisch alles mee te verklaren valt­. In zijn uit 1982 daterende boek De Zondebo­k legt Girard deze grond­begrip­pen uit en besteedt met name veel aan­dacht aan het zogenaamde zondebokme­chanisme.[2] Aan de hand hiervan wil hij laten zien dat er een transcul­tureel schema van collectief geweld be­staat.

            Het zondebokmechanisme komt heel in het kort hier op neer: mensen hebben de neiging elkaar te imiteren, en dus ook dezelfde dingen te begeren (Girard gebruikt de term mimese, dat nabootsing betekent). Dit brengt afgunst en strij­d, waar­door op een gegeven moment in een samenleving een situa­tie van wanorde en ondui­delijkheid ontstaat. Mensen weten niet meer waar ze aan toe zijn, ze schuiven de schuld van de ont­stane chaos af op een zonde­bok en gaan over tot zijn vervol­ging. De zondebok kan een een­ling zijn maar ook een groep. Hoewel hij onschuldig is, is hij dat in de ogen van de vervol­gers niet. De zondebok wordt vermoord. Wanneer de orde zich vervolgens her­stelt, brengt men de zonde­bok en het orde­her­stel met elkaar in ver­band en komt men tot de conclusie dat de herstelde orde aan de zondebok te danken is. Hierdoor wordt de zondebok heilig en men gaat over tot zijn verering. Wanneer echter na verloop van tijd weer een situatie van chaos ont­staat herin­nert men zich hoe de vorige keer de orde her­steld werd en wordt opnieuw tot vervolging van een zondebok overge­gaan.

            Dat dit geheel deel uitmaakt van een zich steeds herha­lend proces, conclu­deert Girard uit de bestudering van aller­lei mythen. In de mythen wordt verteld over de ge­beurte­nissen die hebben plaatsgevonden en die resulteerden in een collec­tieve moord, niet door dit letter­lijk te vertellen, maar door het in verdraaide vorm door te geven. Belangrijk is dat de motiverin­gen die aan het hele proces ten grond­slag liggen onbe­wust zijn. Het proces kan pas doorbro­ken worden op het moment dat men het doorziet. Girard ziet in de Evangeliën de grote doorbraak, omdat zij het zondebokmechanis­me openbaren. Zij tonen duidelijk dat het vervolgde slachtof­fer onschuldig is, en dat de vervol­gers niet weten wat ze doen. De tweede helft van De Zondebok wijdt Girard aan de uitleg van allerlei episodes uit de Evangeliën, die zijn denkbeelden moeten illus­treren. Het evangelische gedeelte van De Zondebok zal ik hier verder niet behan­delen.

            Bij het vormen van zijn denkbeelden ba­seert Girard zich op uiteenlo­pende bronnen; op de litera­tuur­weten­schap en ge­schie­denis, maar ook op de an­tropologie, theologie, filosofie, sociolo­gie en psychologie. Om wat meer zicht te krijgen op de materie die Girard behan­delt en op welke wijze hij dit doet, volgt nu een samen­vatting van de eerste helft van zijn boek De Zondebok.


De Zondebok

 

               Zondebok duidt tegelijk de onschuld van de slachtoffers, de collec­tieve polarisatie die zich op hen richt en de collectie­ve doelge­richtheid van deze polarisatie aan (Girard 1993: 53).

 

Aan de hand van een middeleeuws gedicht waarin een grote ramp, gevolgd door een jodenvervolging voorkomt, voert Girard een plei­dooi voor het hechten van geloof aan zogenaamde `ver­vol­gings­tek­sten'. De bedoeling hierbij is oude teksten waarin vervol­gin­gen voorko­men, zodanig te analyseren dat duidelijk wordt wat zich in het echt heeft afgespeeld. Vol­gens Girard is het niet moeilijk bij dit soort teksten te onderscheiden wat waar en wat onwaar is, omdat dit vrij stereotiep wordt aange­geven. Hij geeft vier stereoty­pen­ die veelvuldig in teksten voorkomen en kenbaar maken dat het hier om een vervolging gaat; als eerste de stereotype van de crisis, als tweede bepaalde voor collec­tieve vervol­gingen karakte­ristieke be­schuldigingen, als derde alge­mene kenmer­ken voor het kiezen van de slachtoffers, en als laatste het ge­weld.

            Op een gegeven moment ontstaat door het verdwijnen van alle verschillen (de indif­fe­rentia­tie), als gevolg waarvan ook het culturele leven ver­dwijnt, een crisis. Mensen neigen er dan toe de crisis uit socia­le en morele oorzaken te ver­klaren en de schuld te geven aan hetzij de maatschappij als geheel, hetzij aan andere mensen die hun schadelijk lijken. Volgens Girard bestaat er een aantal be­schul­digingen, dat karakteris­tiek is voor collectieve vervol­gingen. Hieronder vallen met name de beschuldiging van geweldsmis­drijven ten opzichte van diegenen, waarvan dit juist het ergst wordt gevonden en de sexue­le zowel als religieuze misdrijven die de strengste taboes schenden. Men denke hierbij aan bijvoorbeeld kindermis­hande­ling, vader- of koningsmoord, incest, sodomie en heilig­schennis. Kortom, allerlei misdrijven die de sociale banden binnen de samenleving kapot maken.

 

               De vervolgers zijn er tenslotte altijd van overtuigd dat een klein aantal individuen, of zelfs een enkeling, voor de ge­meenschap als geheel uitzon­derlijk schadelijk kan worden, niettegenstaande zijn betrekkelijke zwak­te (Gi­rard 1993: 23).

 

            De algemene verwarring die ontstaat na het verdwijnen van het culturele leven leidt tot massavorming. Deze massa neigt altijd tot vervolging, zoekt per definitie actie en zoekt een bereikbare oorzaak die haar zucht naar geweld kan bevredigen. De natuurlijke oorzaken van haar ongerustheid interesseren haar hierbij niet. De massa heeft sterk de neiging een vijand aan te wijzen. De mobilisatie van de massa vindt dan ook niet plaats zonder dat een vijand aangewezen is of spoedig aangewezen wordt. De leden van een massa zijn volgens Girard altijd potentiële vervolgers, want zij willen de gemeenschap zuiveren van wat zij als haar onreine elementen zien. Als direct verantwoordelijke voor de vervolging van de zondebok ziet Girard altijd de massa.[3]

            De slachtoffers van een massa behoren tot bepaalde cate­gorieën die in bijzondere mate aan vervolging bloot staan: etnische en religieuze minderheden, mensen die lichamelijk abnormaal zijn en mensen die op een ander -bijvoorbeeld soci­aa­l- vlak abnor­maa­l zijn. Naast de marginali­teit van de behoeftigen, of die van de buitenstaanders, kunnen in perioden van crisis ook juist de bevoorrechten, de rijken en de mach­ti­gen, margi­naal worden.

            Terwijl de slachtoffers worden beschuldigd van misda­den die de crisis zouden hebben veroorzaakt, wordt de werke­lijke reden van hun vervolging gevormd door hun slacht­of­fer­kenmer­ken.

 

               Het is nooit hun verschillend-zijn zelf dat men de reli­gieuze, etnische en nationale minderheden verwijt. Het punt is dat zij niet verschillen zoals het hoort, uitein­delijk dat ze hele­maal niet verschillen (Girard 1993: 31).

 

            Als het vervolgingsschema univer­seel is, zou men het overal moeten kunnen terugvinden. Vol­gens Girard is dit ook het geval, maar kunnen we de beschikbare docu­menten niet ontcijfe­ren. Die beschikbare documenten zijn de mythen. Girard oppert de hypo­these van een werkelijk slachtoffer van een werkelijk collec­tief geweld als oorsprong van de mythe. Al­leen de speci­fieke stereotypen van de vervolgers geven dan aan dat een tekst ook op een werkelijke ver­volging is geba­seerd. Als men hier niet vanuit gaat, zo vraagt Girard zich af, hoe kan men dan ver­klaren hoe en waarom dezelfde thema's steeds weer terugko­men en in een bepaalde samenhang?

            Ook in mythes die met betrekking tot de ver­vol­gings­voor­stellingen niet exem­plarisch zijn, kan men de vervolgings­stereotypen vaak toch gemakke­lijk vinden, zij het in een sterk veran­derde vorm. Alle stereotypen en slachtofferken­merken komen in de mythen voor, hoewel niet allemaal in elke mythe. De slacht­offers die behoren tot etni­sche of religieuze minder­he­den ziet men terug in de mytho­logie in het thema van de vreem­deling die collectief wordt verjaagd of vermoord.

            Hoewel er sprake is van een en hetzelfde principe van ver­draai­ing van het voorgestelde, is de verdraaiing in de mytho­logie sterker dan in de geschiedenis. Volgens Girard worden de ver­draaiingen van de vervolgers minder als men van de mythen overgaat naar de westerse vervol­gingen.

            Een dimensie van de mythen die vrijwel afwezig lijkt te zijn in de histo­rische vervolgingen is de dimensie van het heilige. Girard toont aan dat er tòch sporen van het heilige in de vervolgingsteksten be­waard zijn geble­ven en dat die kloppen met de verwachtingen, als men, zoals Girard doet, er vervallen en half uiteenge­val­len mythen in her­kent. Zo moet men in de stereotype van de beschuldi­ging (bijvoor­beeld van hekserij) een echt geloof herkennen; een waandenk­beeld van socia­le aard dat wordt gedeeld door een groot aantal mensen.

 

               Dankzij het mechanisme van de vervolging vinden de collectieve angst en teleurstellingen een plaatsvervangende genoegdoening in de slacht­offers die gemakkelijk de eensgezindheid tegen zich oproe­pen omdat ze behoren tot slecht geïntegreerde min­derheden e.d.(Girard 1993: 53).

 

            In een crisis richten alle verden­kingen van wat is misge­gaan­ in de samenle­ving zich op het slachtoffer. De vervolgers zien nooit dat de feiten voor hun beschuldigingen ontbreken. Girard benadrukt dat de vervol­gers werkelijk over­tuigd zijn van de kwaad­aardige macht van hun slacht­of­fers. Hierbij speelt hun onbe­wus­te mee, dat op ver­volging uit is. Het idee ontstaat dat de samen­le­ving be­vrijd moet worden van wat haar­ vergiftigd heeft. In de mytho­logie ziet men dan hoe na deze "bevrijding" de orde zich herstelt. Hoewel de zondebok niet de werkelijke rampen oplost, worden via hem de menselijke betrekkingen hersteld. De manier waarop deze betrekkingen worden aangetast, ziet Girard als belan­g­rijk­ste dimensie van elke crisis. De zondebok komt symbool te staan voor de her­stelde orde, men gaat geloven in zijn almacht en zo veran­dert hij in steun­pilaar van de samen­le­ving. De oor­spron­ke­lijke crisis wordt vanaf nu in de rite ­mimetisch herha­ald.

 

               Alle ver­volgers kennen hun s­lachtof­fers een schade­lijk­heid toe die gemakkelijk omslaat in positi­viteit en omgekeerd (Girard 1993: 62).

 

            Volgens Girard zijn er  twee momenten in de mythen, die over het algemeen niet goed onderscheiden worden. Ten eerste de beschuldiging van het nog niet heilig gemaakte slachtoffer, waartegen alle woede zich richt, gevolgd door de positieve sacraliteit die wordt opgeroepen door de verzoe­ning van de samenleving. Girard stelt dat ook tegen­woordig het collectieve geweld nog als mechanisme voor de produk­tie van mythen functi­oneert, hoewel steeds minder goed. Zo is de tweede mythi­sche verande­ring bijna hele­maal verdwenen.

            Er bestaat zoiets als een geschiedenis van de mythologie; een mythe kan overgaan in een nieuwe vorm, waarbij de collec­tieve moord bijvoorbeeld verdwijnt, maar zal daarna nooit naar de oude vorm terugke­ren. Verdwijnt de moord, dan komt er onbehagen voor in de plaats. De evolutie van de mytholo­gie wordt be­heerst door de wil de voor­stellin­gen van het geweld te laten verdwijnen en de goden te ideali­seren. Niet alleen het geweld, maar ook de andere vervol­gings­stere­o­typen worden geleidelijk aan uitgewist. Dit kan op verschillende manieren gebeuren; de misdaden van het slachtoffer blijven staan, maar worden als ongewild afge­schilderd, of de schuld gaat over in beperkte of verdwenen schuld. Girard ziet het proces van uitwissing als te constant om toevallig te kunnen zijn. Hij verwijt dan ook bijna ieder­een geen enkel belang aan de col­lec­tieve moord te hechten.

            Girard beëindigt het eerste deel van De Zondebok met een herhaald pleidooi voor de toepassing van de hypothese van de vervol­gingsvoor­stelling op de mythen, net zo lang totdat deze even natuur­lijk wordt als op de historische vervolgingen.

In de Evangeliën tenslotte vindt Girard het funde­rende princi­pe terug van de uitdrijving van het geweld door het geweld; het zondebokme­chanisme. Hij vindt het belangrijk om te laten zien hoe gemakkelijk de mensheid als geheel voor de verleiding bezwijkt zondebok­ken te maken. Als het mechanisme eenmaal onthuld is, heeft het bijna geen belang meer. Volgens Girard zijn de Evangeliën juist geïnteres­seerd in de mogelijkheden voor de mensheid ná deze onthul­ling, en dus na het einde van het "satanische mechanis­me". Het antwoord op de volgende vraag ligt voor Girard dan ook in de evangelische tekst:

 

               De mensheid heeft altijd boven de ver verwijderde en ontoegan­kelijke natuurlijke oorzaken de voorkeur gegeven aan oorzaken die betekenis hebben op het vlak van de menselijke betrekkin­gen en die correctieve interventie toelaten, anders gezegd: slachtoffers.

                              Om de mensen te richten op de geduldige verkenning van natuur­lijke oorzaken moeten ze eerst worden afgewend van hun slachtoffers en hoe kan men hen anders van hun slachtoffers afwenden dan door hun te tonen, dat de vervolgers nu haten zonder reden en zonder aanvaard­baar resultaat? (Girard 1993: 239-240)


Over De Zondebok

 

Wat ik zelf belangrijk vind aan De Zondebok is het mecha­nisme dat Girard laat zien; het feit dat vervolgingen in het alge­meen ontstaan in tijden van crisis en dat degene die ver­volgd wordt een on­schul­dig slachtoffer is, een zwakke­re, die boven­dien op de een of andere manier als afwijkend wordt gezien. Deze visie vind ik overtuigend -overtuigender dan de manier waarop Girard hem soms onderbouwt-, en het proces intri­gerend -evenals de manier waarop Girard schrijft.

            Veel negatieve reacties op zijn uitgangspunten en redene­ringen noemt Girard zelf al in De Zondebok, zoals de arrogan­te zelf­overschatting en het reductionisme die hem, overigens niet geheel ten onrechte, verweten wor­den.

 

               Wat men óók tegen mij inbrengt is de ,,falsificatie'' van Popper en meer van die leuke dingen die tot ons komen uit Oxford, Wenen en Harvard. Voor het scheppen van zekerheid is het, zegt men mij, nodig aan dermate draconi­sche voorwaarden te voldoen, dat zelfs de ,,hard­ste'' wetenschap­pen daar niet in slagen (Girard 1986: 120).

 

            Uit bovenstaand citaat blijkt al dat Girard nogal minach­tend kan doen over andere wetenschappers; zij verdoen hun tijd met het zich afvragen van de verkeerde din­gen, bedrijven kunstgrepen en zien de waarheid in feite niet onder ogen. Girard's houding ten opzichte van de weten­schap en de zoge­naam­de wetenschappelijke metho­den is echter wat tweeslachtig, aange­zien hij wel veel moeite doet de "nood­zake­lijke weten­schappe­lij­ke status" van zijn methoden aanneme­lijk te maken.

            Bovendien kan Girard zich niet vinden in het standpunt van "de critici" dat men bij het inter­prete­ren van een tekst het minst waar­schijnlijke gegeven van de tekst als uit­gangs­punt moet nemen voor de waar­schijnlijkheid van de hele tekst. Om die reden zou Girard op mythen niet zomaar dezelf­de soort inter­preta­tie toe mogen passen als op his­tori­sche tek­sten (Girard 1982: 37-41). Ook doet Girard vaak zelf wat hij ande­ren, bijvoor­beeld de psycho-analytici, ver­wijt; alleen die facetten bena­drukken die de eigen theo­rie kunnen bevesti­gen. Verder geeft Girard sterk de indruk dat, mocht hij niet geac­cep­teerd of begrepen worden, dat komt omdat hij zijn tijd en collega's ver vooruit is.

            Bij de inhoudelijke kant van zijn theorie kunnen ook wat vraagtekens geplaatst worden. Zo is Girard erg functio­nalis­tisch, hij heeft precies voor ogen wat in welke volgorde waarom gebeurt. Hij is ervan overtuigd dat de processen die hij beschrijft overal en altijd op dezelf­de manier plaats­vinden. De werking van de mimetische begeerte trekt hij hier­bij tot in het extreme door.

            Bovendien gaat Girard ervan uit dat een toe­stand van even­wicht de norma­le situatie van een samen­leving weer­geeft. Als deze samenle­ving onverhoopt uit even­wicht raakt, herwint ze haar even­wicht pas weer na het elimi­neren van een zonde­bok. De vraag is òf een samenle­ving in even­wicht moet zijn om te kunnen voortbe­staan. Bovendien zou uit bovenstaande gedachten­gang de conclu­sie kunnen worden getrok­ken dat het nodig is om een zondebok te offeren om de orde te herstellen. En hoewel Girard dit zelf absoluut niet doet, kan op deze manier de vervolging van zonde­bok­ken goed gepraat en zelfs ge­ïnstitutionali­seerd wor­den.

            Geweld kan ook andere functionalistische oorzaken heb­ben dan die Girard geeft. Geweld kan een posi­tief of regule­rend effect hebben. Anthony Storr[4] (ge­noemd in Yamaguchi 1988: 185) bijvoorbeeld ziet agressie niet als alleen negatief; het principe van de tegen­stelling supe­rieur/infe­rieur kan volgens hem stabili­teit binnen een samen­leving bren­gen. Storr laat zien dat het potentiële conflict bestaande binnen een groep, kan worden opgelost wanneer de agressie naar buiten wordt gericht, en dat een drei­ging van buitenaf vaak het ver­dwijnen van de interne verdeeeldheid tot gevolg heeft. Aan de andere kant kan een te groot identifice­ren met elkaar door de leden van een groep oorzaak van twee­spalt zijn.

            Geweld en het zoeken van een zonde­bok werken niet zo eenvoudig als Girard aanneemt. Hij stelt dat een geweldscy­clus doorbroken kan worden op het moment dat men het zonde­bokme­chanisme doorziet; op het moment dat het hele proces niet langer onbewust is. Ervan uitgaande dat wat Girard zegt klopt, rest de vraag nog of men de werking ook wíl doorzien. Men vindt het, meer of minder bewust, niet altijd even wenselijk achter de waarheid te komen. Wanneer men dan bedenkt dat het mechanisme nu door Girard onthuld is, zou het dan niet moeten ophouden te functioneren? Een bijko­mend pro­bleem van Girard's behandeling van het onbe­wuste is, dat hij ervan uitgaat dat aange­zien iets onbewust gebeurt, het ook niet zichtbaar ge­maakt of aange­toond kan worden.

            In plaats van via het bestuderen van mythen iets over de werkelijkheid te leren, kan men ook direct naar de werkelijk­heid kijken. Als Girard's mythe-analyse klopt, zou men het­zelf­de proces moeten kunnen ontdekken in gevallen van geweld van velen tegen weinigen in de tegenwoordige tijd en/of het recente verleden. Het zondebokme­chanisme kan ook in de mythen gecreëerd worden.

            Bij het lezen van De Zondebok vroeg ik me af waar­om, als iedereen altijd de collec­tieve moord uit heeft willen wissen, deze ooit in de mythes ver­sche­nen is. Tenslotte had men het gebeurde ook meteen onder het kleed kunnen ­schui­ven. Aan de andere kant; als de moord op de zonde­bok zo'n positief en stabi­liserend effect op de samenle­ving zou hebben (gehad), waarom zou men dan niet openlijk en trots over het gebeur­de kunnen vertellen? Waarom probeert men de collec­tie­ve moord aan de ene kant te verdoezelen, en blijft men hem aan de andere kant voort­durend herhalen in de rite?

            Vanwege de al dan niet weten­schappelij­ke waarde en de christe­lijke inslag schijnt Girard's werk, vooral in Frank­rijk, nogal om­stre­den te zijn. In het nawoord van de Neder­landse uitgave van De Zonde­bok[5] aan de hand van J.M.M. de Valk, wijst deze op het feit dat een theorie die zo'n enorm kennis­ge­bied be­strijkt zichzelf al kwets­baar maakt. Speci­alisten op elk van de deel­ge­bieden van dit kennis­gebied wijzen Girard dan ook op onvol­komenhe­den. De Valk stelt dat dit nog niet Girard's visie weerlegt en dat het bovendien een feit is dat wanneer men eenmaal Girard's visie ­aan­vaardt, veel onbe­grijpe­lijke ver­schijnse­len zin krij­gen. De Valk conclu­deert dan ook dat hoewel veel losse elemen­ten van de ideeën van Girard niet nieuw zijn, hij deze toch tot een redelijk over­tuigende per­soonlijke these heeft samengesmeed.

            Ook Jarich Oosten heeft in zijn bijdrage aan de bundel Mimese en geweld: Beschouwingen over het werk van René Girard (van Beek (red­.) 1988) nogal wat kritiek op Girard. Girard's mythe-analy­ses vindt Oosten niet over­tui­gend. Het herleiden van alle mythen en riten tot één basispatroon doet geen recht aan hun rijke gevarieerdheid, waar de antropoloog juist wèl in geïnteresseerd is. Oosten denkt dat hoewel Girard's werk een aantal zinvolle aanknopingspunten biedt, zijn etnografi­sche basis te zwak is en zijn aandacht voor verschillen te klein om door de antropo­logie serieus genomen te worden.

            In dezelfde bundel schreef Wouter van Beek een artikel onder de titel De zondebok en het kwaad. Een ethnografische kritiek. Hierin zegt hij na te willen gaan of de analyse van Girard op etnografisch mate­riaal pro­fijtelijk toe te passen is. Van Beek is van mening dat Girard's benadering als oor­sprongs­theorie onvoldoen­de wordt gesteund, maar dat zijn hypothese wel nieuw inzicht kan ver­schaffen in schrift­loze religies, zonder daar­bij echter andere theorieën te ver­vangen. Als belangrijke tekortkoming van de hypothese ziet hij het gebrek aan aandacht voor de socia­le basis van rituelen. Als interpreta­tiesche­ma noemt van Beek Girard's theorie belang­rijk, met name met be­trekking tot de volgende punten; gewelds­regu­latie, het mecha­nisme van substi­tutie binnen beschouwingen over het offer en noties over het kwaad:

 

               Zo heeft Girard belang­rijke inzichten gegenereerd in zowel de donkere zijden van het menselijk bestaan als de mechanismen tot ver­hulling ervan (van Beek (red.) 1988: 245).      

 

            Opvallend is dat veel critici van Girard, hoewel ze opmerken niet alles wat hij beweert overtuigend te vinden, toch door zijn werk geïnspi­reerd raken. In zijn boek over christelijk geloof en maatschappijkri­tiek maakt van Bladel (1980: 93) bijvoorbeeld melding van Girard's "merk­waar­dige cul­tuur­filo­so­fie", maar ziet hij Girard's theorie tevens als een "funda­men­tele hypo­these omtrent geweld, reli­gie, cultuur en chris­ten­dom"(1980: 98).

            In de manier waarop Girard alles met zo veel stelligheid po­neert en al het moge­lijke met één theo­rie probeert te ver­kla­ren doet Girard me aan Marvin Harris denken. Evenals in het geval van Girard heeft Harris veel kritiek te verduren (gehad) en zijn zijn theo­rieën toch op een bepaalde manier aantrekke­lijk, mis­schien júist omdat ze overal een ant­woord op hebben. In Girard's geval wekt dit zowel fasci­natie en bewon­dering alsook afkeu­ring en irritatie op.

            Ik heb zelf de indruk dat het Girard niet zozeer gaat om alle feiten en metho­des pre­cies klop­pend te krijgen, maar meer om een overtuigende totaaltheo­rie te creëren. Dit is misschien de reden waarom hij zo geïrri­teerd op al die, in zijn ogen piet­luttige, kri­tiek rea­geert; hij wil dat naar het geheel wordt gekeken. Tot slot van deze paragraaf nog een voor­beeld van Girard's ­kunnen, waar het redeneren betreft:

 

               Op de vragen die onze tekst opwerpt kan men altijd een mime­tisch antwoord vinden en dat is ook altijd het beste (Girard 1986: 217).


Over zondebokken

 

Girard is natuurlijk niet de enige noch de eerste, die zich bezig heeft gehouden met het fenomeen "zondebok". In het artikel Towards a Poetics of the Scapegoat geeft Masao Yamagu­chi (1988: 179-191) een zogenaamde "Genealogie van de Zonde­bok Theorie". Yamaguchi heeft zelf het onderwerp benaderd in een artikel[6] waarin hij bepleit dat het zondebok­feno­meen een mechanisme vormt dat een cultuur van haar basisvita­liteit verzekert. Wat betreft het enorme belang dat hij aan dit fenomeen toekent, komt hij in de richting van Gi­rard.

            Volgens Yamaguchi was het James Frazer, die het zonde­bokpro­bleem in de etnolo­gie introduceerde. Zijn voor­naamste theorie was die van regicide; in een samenle­ving met zogenaamd "goddelijk ko­ningschap" wordt het universum ver­nieuwd door de vertegen­woordi­ger van dit universum, de koning, ritueel te ver­moor­den. Dat in perioden van crisis ook juist de rijken en machtigen marginaal kunnen worden, zagen we al bij Girard. Frazer beschouwde de koning als meta­foor, en zocht in de folk­lo­re naar verge­lijk­bare voorbeelden. Hierbij was hij met name geïnte­res­seerd in omke­rings­rituelen. Zo onder­zocht hij onder andere het mogelijk verband tussen de zonde­bok en het carna­val, met zijn losbandi­ge pseu­do-koning die aan het eind van het feest wordt wegge­jaagd.

            Mircea Eliade liet zien dat de meeste samenlevingen een cycli­sche tijdsbele­ving kennen. Vanuit deze beleving wordt ge­dacht dat na een periode, gedurende welke negatieve energie zich opstapelt, de tijd gewoon op is. Om van tijd tot tijd haar energie weer op te wekken, moet een samenleving iemand uitsto­ten die beladen is met al het slechte en alle vervui­ling van het voorafgaande jaar.

 

               The cyclical and seasonal ritual of the scapegoat contributes to the punctuation of time by causing the negative image of society to appear. In nume­rous societies, in which homo­geneous time is thought to be the cause of inertia, the appearance of the negative elements which have accumula­ted during the course of the year is felt to be necessary in order to dispel them thereafter (Yamaguchi 1988: 181).

 

Hier wordt de zondebok dus gezien als de verpersoonlijking van al het aangekoekte vuil, en zijn uitstoting als de noodzake­lijke jaarlijkse grote schoonmaak. Zoals bij Girard de uitsto­ting van de zondebok de orde terug doet keren na de ontstane chaos, zo brengt bij Eliade een flinke schoonmaak de orde en rust terug in het huis of de gemeenschap.

            Volgens Kenneth Burke produceert de samenleving zonde­bokken op twee manie­ren. Mensen hebben de neiging degenen die bovenaan de politieke ladder staan te haten, maar deze haat te ver­plaatsen naar degenen onder zich. Dit leidt tot veel uit­zicht­loze onvrede die de samenleving probeert op te lossen door deze negatieve energie om te buigen naar de top van de hiërar­chie. De persoon aan de top wordt symbolisch vernietigd. Symbolische vijandig­heid wordt door de top echter weer gericht op mensen die zich hele­maal aan de onderkant van de samenle­ving bevinden. Ook hier weer het beeld van de allerzwaksten èn de allersterksten die zondebok kunnen worden.

            Alexandre Mitcherlich heeft de zonde­boktheorie op het gebied van de sociale psychologie ontwik­keld; hij ziet de zondebok als het ideale beeld van negativi­teit in een samenle­ving. Iemand als zondebok te stigmatiseren impliceert de onmogelijk­heid van zijn aanpassing, maar in feite wordt het hem ook verboden zich aan te passen.[7]

 

               The image of the negative (...) is used, when a problem arises, to identify the element conceived as threatening the indivi­dual or collec­tive identity (Yamaguchi 1988: 183).

 

Naar mijn mening wordt hier mee gezegd dat zo lang er proble­men zijn, men naar een zonde­bok zoekt. Dit zou betekenen dat de zondebok niet een bepaalde persoon of groep is, maar veel­eer een func­tie, die door een persoon of groep vervuld wordt. In principe kan dit echter iedereen zijn. Juist het feit dat iedereen de zondebok kan worden, houdt het fenomeen mede in stand. Zo lang we anderen tot zondebok maken, vermijden we er zelf een te worden. Tegelijkertijd verhult het idee van "de zondebok" het feit dat geweld zich tegen eenieder in de samen­leving kan richten.

            Met betrekking tot de zondebok­kwestie noemt Yamaguchi nog de psycho-etnologi­sche analyses van Anthony Storr. Storr suggereert dat intolerantie het tegenstrijdige feit zou kunnen verklaren dat minderheden als potentieel sterk gezien worden, terwijl ze dat in feite niet zijn. Volgens Yamaguchi hebben minderheden, hoewel sociaal gezien zwak, op het symbo­lische vlak -zonder het zelf te weten- een heel sterke provo­cerende macht. De macht van de zwakken ten opzichte van de overheer­sen­den wordt gevormd door het beeld van negativiteit, onder­steund door de kracht tot provo­catie.

            Wat is nu de oorzaak van de provocerende macht van de zonde­bok? Volgens Yamaguchi is dit de wan­orde die de zonde­bok veroorzaakt en die de vitale energie bedreigt die de wereld- en groepsorde in stand houdt. Wat de positie van provoce­rende elementen ambigu maakt, is naar Yamaguchi's mening het feit dat op het verborgen vlak cultuur juist afhangt van hetgee­n zij uitsluit. 

 

               The identity of a community is ensured by the existence within it of heterogeneous elements and by the feeling that the interest of the community is not always shared by these elements (Yamaguchi 1988: 188).

 

Zo zijn een gemeenschap en haar zondebokken onderling afhanke­lijk van elkaar. Het voort­bestaan van de gemeenschap vereist zonde­bokken, terwijl de zondebok, al dan niet bewust, de gemeen­schap blijft provoceren door semiotische buitensporig­heid. Yamaguchi gaat ervan uit dat de provo­cerende elementen van een cultuur altijd tot zondebok worden gemaakt. Tegelij­kertijd maken deze elementen cultuur juist dyna­misch.

            Yamaguchi's standpunt dat voor het voortbestaan van een samenleving zondebok­ken nodig zouden zijn, is in feite gevaar­lijk. Hiermee kan tenslotte, net als in Girard's geval, aan de vervolging van zondebokken een legitimering gegeven worden.

            In zijn artikel Founding Violence and Divine Referent plaatst Henri Atlan (1988: 192-208) zijn vraagtekens bij twee aannames van Girard, die volgens hem altijd als van­zelfspre­kend worden gepresenteerd. Atlan gelooft dat het mogelijk is voor deze theses alternatie­ven aan te dra­gen, die kloppen met Girard's vooron­derstellingen en tevens zijn antropo­logische hypothese intact laten.

            Het antropo­lo­gische aspect (het zondebokmechanisme als verklaring voor de verscheidenheid aan samenlevingen) van Gi­rard's werk accepteert Atlan volledig. Het christe­lijke as­pect, dat volgens Girard uit dit antropo­logische aspect volgt, hoeft er volgens Atlan niet uit te volgen. Girard gaat uit van een God van de lief­de, die tegen geweld is en de mens het middel reikt om geweld te doen onderdrukken of te stoppen. Atlan vindt het verbazingwekkend dat Girard's theorie er tege­lijker­tijd van uitgaat dat alle menselijke samenlevingen gebouwd zijn op mimetisch geweld, waarbij de redding bovendien in het zonde­bokmechanisme ligt.

            Voor Girard is het vanzelfsprekend dat het crisis-oplos-mecha­nisme alleen kan werken zolang degenen die het beïnvloe­den niet weten hoe het werkt; zo gauw men het begrijpt, stort het in en kan het de gemeenschap niet langer binden. Atlan betwijfelt, naar mijn idee terecht, of alleen het zich bewust worden van een verbor­gen fenomeen al genoeg is om het fenomeen te doen verdwijnen.

            Als alternatief biedt Atlan de God van het geweld. Omdat geen enkele samenleving zonder het zondebokmechanisme kan bestaan, moet de strijd tegen het geweld ge­voerd worden door het mecha­nisme om te buigen en te misleiden. Atlan ziet, geïnspireerd door de Joodse traditie, in de vergeving een manier om een eind aan dit mecha­nisme te maken. Hierbij kan dan het principe van "oog om oog, tand om tand" ge­trans­for­meerd worden, van een letterlijke interpre­tatie naar één in termen van economische compensatie.

            Ook Gordon Allport behandelt in zijn boek The Nature of Preju­dice het probleem van de zondebok (1958: 235-250, 330-333). Hij is vooral geïnteresseerd in de socio­cul­tu­rele facto­ren die in het spel zijn bij de keuze van zonde­bok­ken. Allport stelt dat hoewel bepaalde psychologi­sche princi­pes wel wat licht werpen op het proces van vooroor­deel, ze niet ver­klaren waar­om de ene groep wèl en de andere niet tot zondebok wordt geko­zen. Hoewel Allport ook de occasional scapegoat behandelt, gaat hij toch vooral van groepen uit, die in hun geheel tot zondebok worden gemaakt:

 

               The nearest to the all-duty scapegoat then is a religi­ous, ethnic, or racial group. Having perma­nence and stability, they can be given a definite status and stere­otyped as a group ­(Allport 1958: 238).

 

            In zijn uiteenzetting van The Scapegoat Theory meldt All­port dat er in feite twee versies van deze ­theo­rie bestaan. In de bijbelse versie begint het proces bij persoon­lijk wange­drag dat via het schuldgevoel hierover tot displace­ment leidt. Onder dis­placement verstaat men een verschuiving van agres­sie, weg van de eigenlijke oorzaak van de agressie naar iets of iemand anders. Ik zal hiervoor de term "verschuiving" gebrui­ken.

            In de tweede versie begint het proces bij frustratie en loopt via agressie naar verschuiving. Deze theorie, de frust­ration-aggression-displacement theory, gaat uit van drie etap­pes:

            1. frustratie wekt agres­sie op,

            2. agressie wordt verschoven naar relatief weerloze "bokken",

            3. deze verschoven vijandigheid wordt gerationaliseerd en gerechtvaardigd door schuldafschuiving, projectie en stereotypering.

Allport is het eens met deze volgorde, maar noemt (1958: 333) een aantal punten om in gedachten te houden:

1. Frustratie leidt niet altijd tot agressie.

2. Agressie wordt niet altijd verschoven, maar kan ook naar binnen gericht zijn, of              op de werkelijke bron van frustratie.

3. Verschuiving neemt het gevoel van frustratie niet weg. De voortdurende frustratie            blijft nieuwe agressie opbouwen.

4. De keuze van zonde­bokken heeft met het verschuivingsproces zelf niets te                     maken.

5. Voor verschuivingsdoeleinden worden niet altijd weerloze minderheden                         gekozen. Individuen en meerderhe­den kunnen ook zondebokken worden.

6. De theorie houdt geen rekening met de mogelijkheid van reëel sociaal conflict.        Bovendien gaat het ervan uit dat het individu een hoop onbewust mentaal werk         verricht.

            Ook Robert LeVine & Donald Campbell (1972: 117-135) behandelen de frustrati­on-aggression-displacement theory. Volgens hen vallen hier bijna alle theorieën sinds 1930 onder, die vooroordeel verklaren uit psychologische factoren, opere­rend binnen een sociale context. Het is dus geen puur psycho­logische theorie, aangezien het ook aanna­mes maakt over socia­le structuur en culturele tradities. Mac­Crone (1937, geciteerd in Levine and Campbell 1972: 117) vat de theorie als volgt samen:

 

               The greater the discipline of group life, its repressi­ons, privati­ons, and exactions either in the form of moral, religi­ous, or econo­mic sanction, the greater we can expect its aggressiveness to become at the expense of some other group or groups.

 

            Volgens MacCrone beschermt het bestaan van een andere groep (outgroup) de eigen groep (ingroup) tegen interne con­flicten en aggressie. Als zo'n andere groep niet zou bestaan, zou het noodzakelijk worden er een te verzinnen, al was het maar om de leden van de eigen groep in staat te stellen om te gaan met (interne en externe) conflicten, zonder de eigen groep te ontwrichten.

            In De Zondebok noemde Girard al be­paalde kenmerken, waardoor bepaalde (groepen) mensen eerder voor de rol van slachtoffer in aanmerking komen dan andere. LeVine en Campbell doen dit in het geval van verschuiving: 

 

               The­­­ best displace­ment out­group has "visibility" (Young, 1932), and can readily be distin­guished from the ingroup. Uniforms, costu­mes, body mutilations, and customs are functional for this purpose as well as skin color (LeVi­ne & Camp­bell 1972: 120).

 

Ook hier lijkt het om mensen te gaan, die op de een of andere manier afwijken van de meerderheid; om Anderen. De Ander wordt kennnelijk veelal gezien als de potentiële zondebok. Maar wie is de Ander, of is iedereen een Ander? En als iedereen een Ander is, is dan niet iedereen een potentiële zondebok?


2. ANDEREN

 

Wie is de Ander?

 

Hoewel het soms lijkt of Girard's zondebok een volledig wille­keurig gekozen persoon of groep kan zijn, wijzen de slachtof­ferkenmerken die Girard geeft op het feit dat de zondebok een Ander is, afwijkend van de rest.[8] De rest echter bestaat ook weer uit Anderen.

            Over de onderlinge relatie tussen de samenleving en de Ander verscheen van Bernard McGrane in 1989 het boek Beyond Anthro­po­logy: Society and the Other. McGrane benadrukt in dit boek de beeldvorming over de Ander, en niet de Ander zelf te behan­delen. Hij doet dit door min of meer chronologisch het veranderende beeld van de Ander te bekijken in de periode vanaf de tijd van de ontdekkingsreizen tot en met de 19e eeuw.     

            De Ander kan voor de een iedereen buiten hemzelf zijn, terwijl hij voor de ander de vreemde/onbekende is, degene die anders is of degene die uit een andere streek of een ander land komt. Naar mijn idee is de Ander iemand, waarvan door anderen wordt vastgesteld dat hij anders is, zonder dat hij hiervoor kiest. Wel kan hij er, afhankelijk van de context, onder bepaalde omstandigheden voor kiezen anders te blijven. Dit is heel verschillend van degene die bewust anders wil zijn en zich zo vanaf een bepaald moment gaat profileren.

            Zonder dit expliciet te noemen, is voor McGrane de Ander de niet-Europese Ander, en het beeld van de Ander het beeld dat de Europeaan heeft. Zoals de onder­titel van het boek, Society and the Other, aangeeft, gaat het om de wisselende houding van de samenleving als geheel ten opzichte van de Ander. McGrane beschrijft hier inderdaad houdingen en over­tuigingen alsof ze altijd door alle leden van een samenle­ving gedeel­d worden. Hij illus­treert dit echter aan de hand van individuele voor­beelden uit de litera­tuur. Achtereenvolgens behandelt McGrane de Renaissance met het beeld van de Ander als niet-Christen dus potentiële Christen, de Verlichting met het idee van de Ander als staande op een lagere trap van de evolutieladder en de Ander van eind 19e/be­gin 20e eeuw als cultureel verschillend (anders).

            Julia Kristeva, zelf Française van Bulgaarse afkomst, ziet de vreemdeling als belichaming van de haat en van de Ander (Kristeva 1991: 11). In haar boek De vreemde­ling in ons­zelf houdt zij zich bezig met de vraag wie deze vreemdeling is en wat zijn plaats is in de westerse cultuur. Daarnaast vraagt zij zich af wat moreel gezien de juiste houding van een samen­leving is ten opzichte van de vreemde­ling. Kristeva, die vrij sterk beïnvloed is door Freud, con­cludee­rt dat de vreem­deling zich (in­der­daad) in onszelf be­vindt. Alvo­rens dit te doen door­loopt zij de geschie­de­nis van de vreemde­ling op een heel eigen wijze. Zo begint haar boek als volgt:

 

               Vreemdeling: gesmoorde woede diep in mijn keel, zwarte engel die de helderheid vertroebelt, duister, ondoorgron­delijk spoor (Kristeva 1991: 11).

 

            Kristeva spreekt over de vreemdeling als over een goede bekende. Van zijn ge­drag, gedachten en be­weegre­denen lijkt zij persoonlijk op de hoogte te zijn, evenals van de reacties op de vreem­deling. Hoewel Kristeva zijn gevoelens uitvoerig beschrijft, zegt zij niet letterlijk wie de vreemde­ling is. Duide­lijk is dat zij de vreem­deling als een enke­ling tussen vreem­den ziet, als de enige die af­wijkt ten opzichte van een homo­gene groep, altijd op de vlucht of on­derweg.

 

               Toebe­horen aan geen enkele plaats, geen enkele tijd, geen enkele liefde (Kristeva 1991: 18).

 

            Op het eerste gezicht lijkt haar boek onmogelijk samen te vat­ten, aangezien het uit gedachtenflarden en overpeinzingen is opgebouwd. Gaandeweg wordt het wat verhalender en chronolo­gi­scher. Kristeva schrijft over de vreemde­ling in het alge­meen en over vreemdeling zijn in Frank­rijk, maar ook over veel beroemde vreem­delingen uit de litera­tuur, bijvoorbeeld die van Albert Camus.[9]

            Over de positie van de vreemdeling sprak ook Hans Magnus Enzens­berger in 1992 in zijn lezing Die Grosse Wande­rung[10]. Enzensber­ger bedoelt met deze "Grote Trek" de volksver­huizing die de huidige discus­sie in Europa be­heerst (Enzens­ber­ger 1992: 5). In zijn lezing betoogt hij dat elke migra­tie hoe dan ook tot con­flic­ten leidt, aangezien groep­sego­ïsme en vreem­de­lingen­haat antro­pologi­sche con­stanten zijn die ten alle tijde aan elke moti­vering voor­afgaan.

              

               Om ze [=deze constanten] in te dammen (...) hebben oude samenlevin­gen de taboes en de rituelen van de gastvrij­heid bedacht. Die voor­zorgs­maatre­gelen heffen de status van de vreemde­ling echter niet op. Integendeel: ze beschouwen hem als onver­ander­lijk. De gast is heilig maar hij mag niet blij­ven.(Enzensberger 1992: 12)

 

            Terug naar Kristeva, die de recht­sposi­tie van vreemdelin­gen bekijkt. Wanneer is men burger en mens, en wanneer niet? Burger­rechten worden in het algemeen ver­leend op grond van geboorte­plaats en af­komst of bloed­band. Kristeva laat zien hoe we gewend zijn geraakt aan de situatie dat niet al onze mede­burgers dezelfde rechten hebben. Naast het feit dat vreem­de­lingen over het algemeen geen stemrecht hebben, zijn de wetten die hun rechten en plichten vast­leggen voor hen ook anders. Deze wetten veran­deren naar gelang de politiek van een land veran­dert, dus veel sterker dan de "gewo­ne" wetten.

            Uit al die gedachtes en uitspraken over de Ander blijkt dat de Ander zowel afschrikt als fascineert. Onbekend maakt niet altijd onbemind, onbekend maakt ook nieuw­s­gierig. In sommige gevallen kan deze nieuwsgierigheid vrij snel bevre­digd worden:

 

               Toch was ik natuurlijk de 'foreigner', en als zodanig kon ik hier alles zijn. Voor Sarah was ik de poor refugee, voor de kelner daar­straks, zelf uit China, een 'Dane maybe?', en de man in de drugstore, eerder die dag, bazig, somber, zijn hemdsmouwen opge­rold, had geen tegen­spraak geduld: ik kwam uit Oosten­rijk, Wenen. Hij hoorde het onmiddellijk, zei hij, en hij had zich alweer van me afgesloten, ik was ingedeeld (Veen 1969: 15).

 

In andere gevallen daarentegen blijft de Ander een aparte positie behouden, juist omdat hij maar niet ingedeeld kan worden in de bestaande groepen. Zo opent Zygmunt Bauman zijn artikel Modernity and Ambivalen­ce (1990: 143-169) meteen met de volgende uitspraak: 

 

               There are frie­nds and ene­mies. And there are strangers.

 

Volgens Bauman staan vrienden en vijanden tegenover elkaar en is deze tegenstel­ling heel bepa­lend: zij zorgt voor het onder­scheid tussen onder andere goed en slecht en mooi en lelijk. Vriend­schap en vij­andschap­ ziet Bauman als de enige vormen van sociale omgang.

            Dan komt de vreemdeling die vriend noch vijand is, en beide zou kunnen zijn, maar de vraag is hoe daarachter te komen. Doordat de vri­end-vijandtegen­stel­ling de basis is waarop al het sociale leven rust èn waarop alle verschil­len die dit sociale leven bij elkaar houden rusten, ondermijnt de vreemde­ling het sociale leven zelf. Volgens Bauman is de vreem­deling dan ook lid van de familie der ondefinieer­ba­ren. De krach­t van de vreemdeling zit in dit ondefinieer­bare; omdat hij niets is kan hij alles zijn.

            Aangezien onzekerheid verontrustend werkt en in het ergste geval zelfs als bedreigend kan worden ervaren, is veel sociale organisatie erop gericht de frequen­tie van onopge­loste hermeneutische problemen, welke die onzekerheid met zich meebrengen, te verlagen. Het meest gebruikelijk is de metho­de van territoriale en functionele schei­ding. Deze methode re­flec­teert bestaande hermeneutische proble­men, maar vormt ook een belang­rijke factor van hun voortbestaan en reproductie. Wan­neer segre­gatie voortdurend zorgvuldig in stand wordt gehou­den, zal de kans op onderlinge misverstanden tussen verschillende groepen niet snel kleiner wor­den.

            De vreemdelingen, de ondefinieerbaren, ontmaskeren de broze kunstmatig­heid van het onderscheid en de indeling; zij zetten de wereld op losse schroeven. Territoriale en functio­nele schei­ding zijn niet langer afdoende wanneer iemand, die alleen maar onbe­kend leek, een vreem­deling blijkt te zijn. Aangezien de vreemde­ling, "the man who comes today and stays tomor­row", niet weg gaat, wordt het relevant of hij vriend of vijand is.

             Doordat de aanwezigheid van de vreemdeling een be­gin heeft, heeft het ook de mogelijk­heid van een eind. De vreemde­ling blijft overal tussen hangen; zijn verblijf is tijde­lijk maar is dat perma­nent, hij is fysiek dichtbij terwijl hij geestelijk op een afstand blijft, hij bevindt zich tussen be­trokken­heid en onver­schillig­heid. De niet goed te maken zonde van de vreemde­ling is dat hij gelijktijdig verschillende cruciale tegenstel­lingen omverhaalt die van belang zijn voor de onophoudelijke pogingen orde te scheppen (Bauman 1990: 150).

            Bauman benadrukt dat ook vijand­schap een vorm van socia­le omgang is. Hij stelt dat de zogenaamde hechte sociale organi­satie van vroe­gere kleinschalige gemeenschappen niet van nu verschilt door meer vriendschap, maar doordat die levenswereld bijna geheel gevuld werd met uitslui­tend vrienden en vijanden. De weinige vreemde­lingen werden door de gemeenschap zo snel mogelijk bij de vrienden danwel vijan­den ingedeeld.

            Alle supra-individuele groeperingen zijn vooral processen van het groeperen van vrienden en vijanden. De scheidslijnen worden gecoördineerd zodat veel mensen dezelfde vrienden en vijanden delen, sterker nog: individuen die een zelfde groep vijanden delen behandelen elkaar als vrienden. Ook Girard merkt dit verschijnsel op:

 

               Het beste middel om zich vrienden te verwerven in een onvrien­delijke omgeving is zich te verenigen met de vij­andschappen van de anderen en hun vijanden over te nemen. Wat men in zulke gevallen tegen de anderen zegt komt altijd op hetzelfde neer­: ,,Wij horen allen bij dezelfde kliek, wij vormen één en de­zelfde groep, omdat wij er dezelfde zondebok op na houden" (Girard 1986: 184).

 

Terwijl Girard hier de zondebok gelijk stelt aan de vijand, bevindt bij Bauman de vreemde­ling zich juist in een zondebokpositie, omdat hij vriend noch vijand is. In de moderne stedelijke omgeving ligt de scheiding van de vriend en de ­vijand niet meer in de macht van de ge­meen­schap. De vreemdelingen zijn niet gelijk aan de beken­de vijan­den, maar ook niet aan de vrienden. Er is geen duide­lijke regel over de ontmoeting met vreemdelingen.

            Natie-staten groeperen de vrienden en vijanden, iets wat voortdurende kracht en inspanning vereist. Buiten dat elimi­neren ze ook de vreemdelingen, of proberen dat. Aangezien op nationaal nivo de vriend/vijand-scheiding niet meer toepasbaar is, moet hiervoor een compromis gevon­den worden. Volgens Bauman is de natie-staat vooral ontworpen met het doel het probleem van de vreemdeling, en niet dat van de vijand, aan te pakken. Juist dit kenmerk onder­scheidt de natio­nale staat van andere supra-individuele socia­le instel­lingen. Bauman ziet de staat en nationalisme als onafscheide­lijk van elkaar. Natie-staten promoten uniformiteit. De homogeniteit die door de staat wordt afgedwongen is de toepassing van de natio­nalistis­tische ideolo­gie.

 

               Were the national state able to reach its objective, there would be no strangers left in the life-world of the residents-turned-natives-turned-patriots. There would be but natives, who are friends, and the foreig­ners, who are current or poten­tial enemies. The point is, however, that no attempt to assi­milate, transform, acculturate, or absorb the ethnic, religi­ous, linguistic, cultural and other hetero­geneity and dissolve it in the homogeneous body of the nation has been thus far unconditionnally successful (Bauman 1990: 155).

 

            Ook Enzensberger merkt op (1992: 13) dat het nationali­teitsgevoel van de meeste staten in strijd is met het nergens bestaan van naties met een compacte, etnisch absoluut homogene bevol­king. Naar zijn mening is het voor de "staatsbe­volking" juist daarom moeilijk berus­ten in het bestaan van minderhe­den.

            Bauman beschrijft het idee van "assimilatie", opgevat als het proces van "gelijk maken aan", zoals dat opkwam in de tweede helft van de 19e eeuw. Assimilatie ging uit van de superioriteit van de ene le­vensvorm boven de andere, maakte deze ongelijkheid tot uit­gangspunt van alle rede en versterkte het door de discri­mina­tie van "inferieure" sectoren van de machtstructuur toe te schrijven aan het eigen tekortkomen en anders-zijn. Inferiori­teit van het "vreemde" werd ge­bracht als een kenmerk van de groep­, ontsnap­ping was alleen mogelijk voor het individu. Om vanuit de werkelijke culturele hete­rogeni­teit tot de theo­retische unifor­miteit te komen, probeerden nationale staten verschillen via culturele kruis­tochten weg te werken. Uiteindelijk werd culturele conformiteit gezien als voorwaar­de, maar ook als middel om burgerschap te verwerven. Het voor­uitzicht van volledig politiek burgerschap was de hoofd­oor­zaak van de aantrekkingskracht van het acculturatiepro­gramma. Hoewel assimilatie de beoogde mensen vervreemdde van hun samenleving van afkomst, leidde het niet tot een volledige acceptatie door de dominante natie; na het verlaten van de eigen gemeenschap, kwamen de geassimileerden in een andere ge­meenschap terecht; die van de geassimileerden, niet minder gemar­ginaliseerd dan degene, die ze achter zich hadden gelaten.

            Bauman gaat er dus van uit dat binnen natie-staten van bovenaf gepro­beerd wordt de aanwezigheid van Anderen of vreem­de­lingen tegen te wer­ken. Sommige mensen denken hier anders over. Mitcherlich[11] (Yamaguchi 1988: 182-183) is van mening dat de samenleving de groepen die zij als zondebok stigmati­seert, in feite oplegt daar te blijven waar ze zijn. Het wordt hen verbo­den zich aan te passen. Mitcherlich noemt het voor­beeld van de bewoners van Joodse en zwarte ghetto's, aan wie een ideaal negativi­teits­beeld vrij agressief wordt opge­legd. Om hun situa­tie te verbe­teren blijft voor de slacht­of­fers alleen de moge­lijkheid van een agressieve respons over. Maar deze res­ponsen worden dan weer gezien als raciale kenmer­ken, wat op die manier het ideale nega­tiviteits­beeld versterkt en de angst van de rest van de bevol­king doet toene­men.

            De situatie geschetst door Mitcherlich, lijkt op het eerste ge­zicht sterk te verschil­len van die bij Bauman. Waar men bij Bauman Anderen wil dwingen te assimileren, verbiedt men de aanpassing juist bij Mitcherlich. In beide gevallen echter probeert men vanuit de meerderheid grip op de Ander te krijgen, die op de een of andere manier als bedrei­gend wordt ervaren, zolang hij niet is ingedeeld.

 

               Het verschil buiten het systeem werkt beangstigend omdat het de waarheid van het systeem, zijn betrekkelijkheid, kwetsbaar­heid en vergankelijk­heid doet vermoeden (Girard 1986: 31).


De Ander in onszelf

 

De psycho-analyticus Edward C. Whitmont (1969/1991: 160-169, 272-274) bespreekt ideeën over het innerlijk van de mens, die op sommige punten erg op die van Kristeva lijken. Aange­zien Kristeva vrij sterk door de psycho-analyse beïnvloed is, is dit op zich niet verbazingwekkend. Kriste­va ziet de vreemde­ling als de verborgen kant van onze identi­teit. Haar bood­schap is duidelijk; om de vreemdeling niet meer te veraf­schuwen in de an­der, moeten we erkennen dat de vreem­de­ling in onszelf woont. Het gaat erom met de vreemdeling samen te leven, in plaats van hem te verwel­komen in een systeem waarin hij niet wordt aanvaard (Kristeva 1988: 11-12). Zij geeft toe dat zich hierbij wel de vol­gen­de (utopi­sche) vraag opdringt:

 

               Kunnen wij persoonlijk, in ons hart, met de anderen samenleven, anderen beleven, zonder hen te weren maar ook zonder hen aan ons gelijk te maken? (Kris­teva 1988: 11)

 

            In zijn visie van de zonde­bok ­verbindt Whitmont de zonde­bok, de Ander en de vijand met elkaar. Hier komen we weer terecht bij het negatieve beeld van de Ander. Het is echter belang­rijk om in gedachten te houden dat Anderen niet alleen datgene hebben wat de meerder­heid veraf­schuwt, maar ook juist wat zij begeert. Dit kan bijvoorbeeld (veron­derstelde) vrij­heid zijn, rijkdom of talent.

            Whitmont ver­klaart het beeld dat men heeft van de Ander (de "other fel­low") aan de hand van het feno­meen "scha­duw". Met deze schaduw bedoelt hij dat gedeel­te van de per­soon­lijk­heid, dat ver­dron­gen is ten bate van het ego-ide­aal. Aangezien volgens de psycho-analyse al het onbe­wus­te geprojec­teerd wordt, ge­beurt dit ook met de schaduw, en ziet men deze terug in het beeld van de Ander:

 

               The shadow is the archetypal experience of the "other fellow", who in his strangeness is always suspect. It is the archetypal urge for a scapegoat, for someone to blame and attack in order to vindicate oneself and be justi­fied; it is the archetypal experience of the enemy, the experience of blameworthiness which always adheres to the other fellow, since we are under the illusion of knowing ourselves and of having already dealt adequately with our own problems. In other words, to the extent that I have to be right and good, he, she, or they become the car­riers of all the evil which I fail to acknow­ledge within my­self (Whitmont 1969/1991: 162).

 

Die elementen van de persoonlijkheid die ogenschijnlijk te veel afwijken van de geaccep­teerde normen en waarden, kunnen niet bewust in het zelfbeeld van het ego opgenomen worden. Daarom worden ze onderdrukt, maar ze ver­dwijnen niet. Ze werken door als een soort onzichtbaar alter ego; als de scha­duw. Juist door hun onderdrukking blij­ven deze elementen onderontwikkeld, negatief en stuur­loos. De schaduw bestaat uit complexen, die de "donkere" kant van iemands persoonlijkheid vormen. Vaak kunnen anderen deze kant wel zien, maar de per­soon zelf niet. Mensen projecteren de karaktereigenschappen, die ze van zich­zelf niet kunnen accep­teren, onbewust op ande­ren. Wat ze het meest veraf­schuwen in anderen, be­staat dus in feite uit datgene wat ze het meest verafschuwen in zichzelf. De scha­duweigenschappen staan zodoende vaak in scherp con­trast met de idealen van het ego. Hierover merkte Adorno al het volgende op:

 

               Lack of insight into one's own short-comings and the projecti­on of one's own weak­nesses and faults onto ot­hers..probably represents the essen­tial aspect of..sca­pegoa­ting (Adorno et al. 1950, geciteerd in Oxford En­glish Dictionary 1989: 582).

 

            Voor het fenomeen van de zondebok heeft Whitmont de volgende verklaring. In de eerste ontwikkelingsfase is het bewust­zijn niet in staat onderscheid te maken tussen beeld en ob­ject. Omdat geen objec­tieve oorzaken onderscheiden worden, wordt alles ervaren alsof het subjectief gemotiveerd is en afgehandeld moet worden door middel van taboe en ritueel. Wat er ook gebeurt, is zo gewild door een "macht" of door "hen". Deze fase wordt dan ook geken­merkt door intense angst, schuld­gevoel en fatalisme. Volgens Whitmont kan men zien hoe dit bij kinderen en primitieve mentaliteiten werkt, in de gewoonte altijd anderen of zichzelf de schuld te geven voor elke tegen­slag. Hierbij wordt niet naar natuurlijke, onpersoon­lijke oorza­ken gekeken. Ditzelfde ziet men ook in de massa- en zondebok­psycho­logie en in het algemene irratione­le wantrou­wen ten opzichte van de vreem­deling of buitenlan­der (Whitmont 1969/1991: 272-274).

            In een later geschreven werk behandelt Whitmont (1982: 105-120) uitvoeri­ger de zondebok. Schuld en boetedoening vormen naar zijn mening de basis van de ethiek en ge­rechtvaar­digde agres­sie in de moderne wereld. Agressie wordt gericht op het schul­dige zelf, of op een ander, op wie de schuld gepro­jec­teerd wordt. Omdat de mens zichzelf als goed wil zien en zo gezien wil worden, re­deneert hij zijn asociale en egoïstische behoef­tes weg, maar ziet deze heel goed in de ander.

            In de oorspronkelijke zondebokmythe werd één bok gedood, terwijl de ander, beladen met zonde, de woestijn in werd gestuurd. Ter­wijl de laatste de zondebok was, is men steeds meer de geof­ferde bok als de zondebok gaan zien. Hier komt Whit­mont weer uit bij het verschil tussen onderdrukking en discipline; waarbij hij het doden van de bok als onderdrukking en het verbannen van de bok als discipline ziet. Verdrukking van een impuls probeert de impuls te doden door hem onbewust te maken. Discipline herkent en erkent de impuls, maar kiest ervoor hem niet uit te voeren.

 

               The repressed impulse lives on in a distorted, unconsci­ous fashion. It is projected upon our "guilty" fellow man and woman (Whitmont 1982: 110).

 

Wanneer er moeilijkheden optreden, is een natuurlijke verdedi­gingsre­actie de schuld op anderen te schuiven. Een schuldige moet gevonden worden, een zondebok moet op het blok, of in ieder geval verbannen. Het Christelijke ideaal van rechtscha­penheid heeft voortdu­rend het bestaan van een zondaar nodig, aan wie men zich superieur kan voelen.

 

               The godlike conviction of rightness, of knowing good and evil, appears to justify ruthlessness against differing attitudes, ethics and ways of living (Whitmont 1982: 112).

 

Ook in ieders privé-leven zijn schuld en rechtvaardiging van schuld drijfveren van psychologisch en interpersoonlijk func­tioneren. Zij beïnvloeden de manier waarop we anderen en onszelf beoordelen en accepteren. Volgens Whitmont voelt tegen­woordig vrijwel iedereen in de Westerse cultuur zich beschaamd en schul­dig voor wat hij is. Whitmont stelt dat we onze aange­boren beweegredenen of talenten pas op de juiste wijze kunnen ge­bruiken, als we accepteren dat ze bestaan. Voor veel mensen is dit echter moeilijk of onmogelijk. Voor Whitmont is de tol voor het moderne uitgangspunt van een onbegrens­de wilsvrijheid een even onbegrensd gevoel van schuld en valse verantwoorde­lijk­heid. We zijn nu alle­maal zondebok­ken. We geven onszelf de schuld van daden en verzui­men, welke gewoon feiten zijn van onze natuur die we niet kunnen helpen. Whitmont heeft het dan ook over "onze culturele zonde­boktradi­tie"(Whitmont 1982: 116).

            Hoewel onderdrukking van de schaduw de minst pijnlijke oplos­sing lijkt, is dit volgens Whitmont ook de gevaarlijkste, omdat het mensen onbe­wust van hun motieven doet handelen, ofte­wel onverant­woorde­lijk. Aange­zien de schaduw zich hoe dan ook soms moet kunnen uit­drukken, pleit Whitmont ervoor hem onder ogen te zien, zodat zijn optreden zo veel mogelijk in goede banen gelei­d kan worden. Dit lijkt mij een reëlere manier om met het probleem van de vervolging van zondebok­ken om te gaan, dan die van Girard. Girard is van mening dat mensen bewust moeten worden gemaakt van waarmee ze bezig zijn, namelijk het vervolgen van onschul­dige slacht­offers, om ze ermee te laten ophouden. Bewustwor­ding alleen is hier denk ik niet genoeg, zolang er geen alter­natie­ve "oplossing" wordt geboden. Het is namelijk goed denk­baar dat mensen, ook al zijn ze zich bewust van de onschuld van de slachtoffers, toch de be­hoefte tot afreageren blijven voe­len. Dit kan als gevolg hebben dat de vervol­gingen door­gaan, maar tege­lijkertijd bij de vervol­gers een (groter) schuldgevoel opwek­ken dan voorheen, waar ze ook weer een uitlaat­klep voor zoeken enzovoorts.

            Wordt het schaduw­pro­bleem niet opgelost, dan heeft het grote socia­le en collec­tieve implicaties. Zo draagt elke minder­heid en elke afwijken­de groep de projectie van de scha­duw van de meerder­heid. Whitmont heeft het hier over de meer­derheid, maar in feite gaat het bij elke minderheid weer om een andere meerderheid. Dit in gedachte houdend, blijf ik toch deze term hanteren. Naast de constante en onopval­lende werking van de scha­duw van de meerder­heid, -hier denk ik aan hoe deze tot uiting komt in bijvoor­beeld de rechtspraak-  kan deze zich ook zodanig manifesteren, dat hij duidelijk zicht­baar wordt. Een goed voor­beeld van zo'n geval is de vervol­ging van een enkeling of relatief kleine groep door een massa. Wat is een massa, waar wordt zij door gedre­ven en wat is haar relatie met geweld? In een poging enig licht op het fenomeen "massa" te laten schij­nen, behandel ik in het kort de denkbeelden van Sigmund Freud en Elias Canetti over dit onder­werp.


3. MASSA'S

 

De Massa

 

Zoals men de Ander op kan vatten als iedereen die niet Ik is, zo hoeft Ik niet alleen ikzelf te zijn, maar kan ook een collec­tief Ik zijn of worden, bijvoorbeeld in de massa. Dit proces be­schrijft Sigmund Freud (1987/1921: 9-94) in zijn verhandeling Massa­psy­cho­logie en Ik-analyse.

            Het deel zijn van een massa kan een zodanig effect op het individu hebben, dat zijn voelen, denken en han­delen totaal verande­ren. Hier­door ge­ntri­geerd vraagt Freud zich af wat een massa precies is, waar­door ze het ziele­leven van het individu zo sterk be­ïn­vloedt en waaruit de door de massa veroorzaakte psychische verande­ring bestaat. Hij laat zich hierbij inspire­ren door G.Le Bon's ideeën[12] over de massa[13], met name door die met betrek­king tot de massa­ziel. Net als Freud legt Le Bon de nadruk op het onbe­wus­te zielele­ven. Zij zijn beide van mening dat in de massa de individuele bovenlaag van de enke­ling vervaagt, waarbij het bij allen gelijkaardige onder­lig­gen­de onbewuste aan de opper­vlakte komt (Freud 1987/1921: 17). Volgens Freud wordt het individu in de massa onderworpen aan omstandighe­den, die hem toestaan de verdringingen van zijn driftimpul­sen van zich af te werpen. De nieuwe eigenschappen die hij lijkt te hebben, zijn dus in feite niet nieuw, maar uitingen van zijn onbewus­te.

            De twee belang­rijkste stellin­gen van Le Bon houden in, dat in de massa een collec­tieve remming van de intel­lectu­ele presta­ties op­treedt, alsme­de een toename van de onderlinge affecti­viteit bij de leden van de massa. Freud nu probeert hier een verklaring voor te vinden. Zijn vooronder­stelling hierbij is dat lief­desbe­trekkingen (of gevoelsbindin­gen) het wezen van de massaziel vormen.

            Freud maakt onderscheid tussen verschillende soorten massa's, maar benadrukt vooral het verschil tussen massa's zonder en massa's met leiders. Omdat men in sterk georgani­seerde, duurzame, kunstmatige massa's duide­lijk bepaalde con­stella­ties kan ontdek­ken, die bij andere massa's meer verbor­gen zijn, schenkt hij hier veel aandacht aan. Als voorbeel­den van deze georganiseerde massa's noemt hij de kerk en het leger. Bij beide heerst dezelfde illusie dat er iemand aan het hoofd staat (Christus, de veldheer), die alle individuen in de massa in gelijke mate lief­heeft. Voor de individuen in de massa is dit zeer belangrijk. Deze libidineuze band met de leider is uiteindelijk een projectie van, en rust op, de libidineuze band tussen vader en kind. In beide massa's is elk indivi­du niet alleen libidi­neus gebon­den aan de leider, maar door zijn liefde voor hem, tevens aan de andere massa-indivi­duen. In deze sterke dubbele binding ziet Freud een mogelijke verkla­ring voor het voornaamste verschijnsel van de massapsy­cholo­gie; de onvrij­heid van de enkeling in de massa.

            Om te kunnen begrijpen hoe affectieve bindingen in de massa werken, kijkt Freud eerst naar affectieve bindingen in het algemeen. Volgens hem bevat vrijwel elke intieme gevoels­relatie een bezinksel van vijandige gevoelens, dat men door verdringing normaal gesproken niet ziet. Deze gevoelens zijn naar mijn idee vergelijkbaar met wat Whitmont "de schaduw" noemt. Wanneer de vijandig­heid zich tegen geliefde personen richt, spreekt men over ge­voels­ambivalentie. Het kan zich echter ook tegen vreemden richten. Interes­sant is hier te zien hoe Freud deze vijan­dig­heid verklaart.

 

               In de zich onverhuld manifesterende gevoelens van weerzin en afstoting jegens vreemden met wie men nauw contact onderhoudt, kunnen wij de uitdrukking herkennen van een eigenliefde, een narcisme dat zelfhandha­ving nastreeft en dat zich gedraagt alsof het bestaan van een afwijking ten opzichte van het individueel ontwikkelde een kritiek daarop en een aansporing tot verandering daarvan impli­ceert (1987/1921: 47).

 

Op deze manier wordt begrijpelijk waarom het contact met Anderen bedreigend kan zijn. Zij laten namelijk zien dat men dingen ook op een andere manier kan doen, en dat dit vaak net zo goed of misschien zelfs beter werkt.  Hierdoor kan men zich indirect gedwongen voelen de eigen manier van doen en/of denken te veranderen, terwijl men daar eigenlijk niet voor voelt. Wat Bauman al zei over de vreemdeling, geldt eigenlijk voor elke Ander: hij zet de wereld op zijn kop.

            Hoe dan ook, Freud noteert (1987/­1921: 48) het opval­lende feit dat alle vijandig­heid, zowel ten opzichte van geliefde perso­nen als ten opzich­te van anderen, door de massa­vor­ming en in de massa ver­dwijnt. Deze verdwijning kan tijde­lijk, maar ook blijvend zijn. 

 

               Zolang de massavorming voortduurt of zover ze zich uit­strekt, gedragen de individuen zich alsof zij gelijkvor­mig zijn, dulden zij de eigen aard van de ander, stellen zichzelf aan hem gelijk en bespeuren geen gevoel van afkeer jegens hem (1987/1921: 48).

 

Volgens Freud kan een dergelijke inper­king van het nar­cisme slechts verklaard worden door de libidi­neuze bindingen aan andere personen. Deze bindingen in de massa ziet Freud als liefdesdriften, die van hun oorspron­kelij­ke (sexuele) doel zijn afgeleid. In deze sterke affectie­ve bindingen ziet hij de verklaring voor het afzakken van de enkeling in de massa tot een massa-individu. De massa als geheel vertoont namelijk duide­lijke trekken van psy­chische regres­sie. Met name in de vergankelijke massa, verdwijnt (tijde­lijk) alle individuele ontwikkeling. Volgens Freud gebeurt dit doordat het individu zijn Ik-ideaal opgeeft en dit ver­ruilt voor het in de leider beli­chaamde massa-ideaal (1987/1921: 60). Onder de leden van de massa is een positie­ve bin­ding ontstaan, door de gemeen­schappe­lijke tedere bin­ding aan een persoon die buiten de massa staat. Op deze binding berust het socia­le gevoel binnen de massa. De leden van de massa eisen onder­linge gelijk­heid, maar laten dit niet gelden voor de leider, door wie zij allen over­heerst willen worden. Vanwe­ge dit alles ziet Freud de mens eerder als een horde­dier, "een indi­vidu in een door een hoofd­man aange­voerde hor­de" (1987/­1921: 69), dan als een kuddedier.

            Terwijl Freud vasthoudt aan de leider-massa verhou­ding, waarin hij de vertica­le lijn van de vader-kind verhou­ding terugziet, zien we hoe Elias Canetti de massa meer uit het oogpunt van horizontaliteit benadert. In 1960 schreef Canet­ti zijn meesterwerk Massa en Macht, waarin hij allerhande ver­schillende massa's behandelt en aangeeft waarom mensen zich tot een massa aangetrok­ken kunnen voelen. Als belangrijkste eigen­schappen van de massa noemt Canet­ti (1976: 29) de volgen­de: de massa wil altijd groeien, binnen de massa heerst ge­lijkheid, de massa streeft naar dichtheid en de massa heeft een richting nodig.

            Het eerste onderscheid dat Canetti maakt, is dat tussen de open massa en de gesloten massa. Dit komt grofweg overeen met Freuds onderscheid tussen de vergankelij­ke en de duurzame massa. De open massa ziet Canetti als de na­tuur­lijke massa. Ze groeit zo veel en zo lang ze kan, totdat ze wel uiteen moet vallen. De gesloten massa daarente­gen blijft afgebakend, zij ziet af van groei en mikt op duur­zaam­heid. Belangrijk bij de gesloten massa is haar grens. Door deze grens kan de massa niet ongehin­derd blijven groeien, maar zal ook minder snel uiteen­val­len dan de open massa (Canetti 1976: 15).

            De aantrekkingskracht van de massa voor het individu, ligt volgens Canet­ti in de mogelijkheid daar (in ieder geval tij­delijk) van zijn "aanra­kings­vrees" verlost te worden.

           

               Voor niets is de mens meer beducht dan voor aanra­king door iets onbe­kends. Hij wil zien wat naar hem grijpt, hij wil het erkennen of op zijn minst kunnen thuisbren­gen (Canetti 1976: 13).

 

Doordat de afzonderlijke individuen zich overgeven aan de massa, verdwijnen al hun onderlinge verschillen. Hiermee ver­dwijnt ook de onderlinge angst en de angst om elkaar aan te raken. Canetti noemt dit "het om­slaan van de aanrakings­vrees". Wat in feite gebeurt, is dat iedereen in de massa zich tege­lijk van de last van zijn afstan­den be­vrijdt. Deze afstanden kunnen per gemeenschap ver­schil­len; de nadruk kan bijvoorbeeld liggen op ver­schil in afkomst, beroep of bezit. Canetti noemt (1976: 16) als essen­tieel punt dat ze overal aan­wezig zijn, dat ze zich overal in het bewust­zijn van de mensen vastnes­telen en dat ze in hoge mate bepa­lend zijn voor het gedrag van de ene mens te­gen­over de andere. De ontla­ding nu is het ogen­blik waarop allen die tot de massa beho­ren hun verschillen afwerpen en zich aan elkaar gelij­k voe­len.

 

               De verlichting hierover is kolossaal. Ter wille van dit geluk­kige ogen­blik, waarin nie­mand méér, niemand beter is dan de ander, worden de mensen tot massa (Canetti 1976: 17).

 

Er is nog een ander aspect, dat massavorming aantrekkelijk maakt. Mensen worden in de massa niet alleen bevrijd van alle onderlinge verschillen, maar ook van al hun "bevelsan­gels". Gedurende hun leven krijgen mensen van anderen bevelen. Het bevel lijkt iets eenvoudigs, maar in wezen be­staat elk bevel uit een "prikkel" en een "angel":

 

               De prikkel dwingt de ontvanger tot uitvoering, en wel zo als met de inhoud van het bevel overeenstemt. De angel blijft achter in degene die het bevel uitvoert. Als bevelen normaal functioneren, gelijk men ervan verwacht, is van de angel niets te zien.(...)

               Maar de angel dringt diep door in de mens die een bevel heef­t uitgevoerd, en blijft daar onveranderd zitten.(...) De inhoud van het bevel blijft in de angel bewaard; zijn kracht, zijn strekking, zijn begren­zing, alles is voor altijd vastgelegd op het ogenblik waarop het bevel werd gegeven (Canetti 1976: 346).

 

De angel van een bevel blijft alleen achter, indien het bevel ook is opgevolgd. Degene die het bevel uitvoert, bewaart in zichzelf al zijn tegenstand hiertegen, samengebald in de angel. De handeling, uitge­voerd onder bevel, wordt als wezens­vreemd ervaren. Men denkt met weinig betrokken­heid aan het bevel terug, niet alleen door de haast in de uitvoering, maar mede omdat het van buiten komt; het is opgelegd.

            Om nu van de achterge­bleven angel af te komen probeert de bezitter het oorspron­kelijke bevel weer uit te stoten. Dit kan echter alleen als de nieuwe situatie waarin dit gebeurt, sprekend op de oude lijkt waarin het bevel werd ontvangen.

 

               Het herstellen van zulke vroegere situaties, maar in omkering, is een der grootste bronnen van geestelijke energie in het leven van de mens. De "ambitie", zoals men het noemt, om dit of dat te bereiken, is een diepe drang om aan bevelen kwijt te raken wat men eens als bevelen heeft ontvangen (Canetti 1976: 347).

 

            Nu is er een belangrijk onderscheid tussen het bevel aan enkelingen en het bevel aan velen tegelijk. Doordat het bevel aan velen tegelijk zich meteen onder hen verbreidt, vormt zich geen angel. De bedreiging die onderhevig is aan het bevel lost meteen op.

 

               De bevrijding van de afstandsbarrière is reeds beschreven en als ontlading gekenschetst. Volledigheids­halve moet hieraan worden toegevoegd dat tot deze afstandsbarrière de bevelsangels horen die in elk individu zin opgesta­peld. In de massa zijn alle individuen gelijk, niemand heeft het recht de ander te bevelen (...): iedereen beveelt iedereen. Niet alleen ontstaan geen nieuwe an­gels, maar men is ook alle oude -voorlopig- kwijt.(...) Dit uittreden uit alles wat zijn strakke bindingen, zijn grenzen en remmen vormt, is de eigenlijke oorzaak van de euforie die de mens in de massa ondervindt. Hij voelt zich nergens vrijer, en dat hij zo wanhopig graag massa wil blijven is alleen omdat hij weet wat hem naderhand te wachten staat. Als hij tot zichzelf, in zijn "huis" terugkeert, treft hij alles weer aan, grenzen, remmen en angels (Canetti 1976: 367).

 

Canetti beschrijft dus hoe individuen zich altijd keren tegen degene die hen beveelt, ook al kunnen ze dit op anderen dan de bevelgevers afreageren. Juist in een situatie waarin niemand het recht heeft de ander te bevelen, in de massa, voelt de mens zich vrij. Terwijl bij Freud de massa niet kan bestaan zonder de leider, wil bij Canetti de massa zich eigenlijk verlossen van de leider, zich ontworstelen aan zijn macht.

            Het probleem van de individuen in de massa is nu dat ze zich plotse­ling gelijk voelden, maar dit niet werkelijk zijn geworden. Alleen het aangroei­en van de massa weerhoudt hen ervan naar hun persoonlijke proble­men terug te ke­ren. En alleen het vooruitzicht op herha­ling van de massavorming verzacht het effect van de afbrok­keling van de massa.[14] Vooralsnog echter voelt het individu in de massa zichzelf zo vrij en opge­lucht omdat de af­standsbar­rières zijn opgehe­ven, dat hij wil dat het­zelfde met de ande­ren gebeurt. Alles wat nu nog afstanden in stand houdt, vindt hij be­dreigend en on­draag­lijk­. Alles wat zich tegen de groei van de massa verzet, wordt door haar gezien als een begren­zing. Hier verklaart Canetti ook de vernielzucht van de massa mee; dit is een aanval op alle grenzen.


Massa en geweld

 

               Ruiten en deuren behoren tot huizen, ze zijn het kwets­baarste deel van hun begrenzing naar buiten. Als deuren en ruiten zijn ingeslagen, heeft het huis zijn individua­liteit verloren. Iedereen kan dan vrijelijk naar binnen, niets en niemand daarbinnen is beschut. In deze huizen verschan­sen zich gewoonlijk, zo denkt men, die mensen die zich buiten de massa proberen te houden, haar vijanden. Nu is dat wat hen afzondert ver­nield.(...) Men kan hen halen (Canetti 1976: 18-19).

 

Dit citaat van Canetti roept bij mij visioenen op van gebeur­tenissen zoals de Kristallnacht. De massa is ervan overtuigd­ dat de mensen in de huizen afzij­dig proberen te blijven en dat ze niets met de massa te maken willen hebben. Hierom ziet ze hen als haar vijan­den. Opvallend is wat Canetti hier als meest specta­cu­laire middel tot ver­nie­ling noemt: het vuur. Doordat het zo indrukwekkend en onher­roe­pelijk is, ziet de massa die het ge­bruikt zichzelf als onweer­staanbaar.

            Wat ons terugvoert naar Girard's beschrijving van het vervol­gen en elimine­ren van de zondebok, is Canetti's behande­ling (1976: 52-56) van de hetzemas­sa. Deze ­massa heeft maar één doel en dat is doden. De concentra­tie op dit doel is bijzonder groot, alle leden van de massa willen deelnemen aan het gebeuren of er in ieder geval met hun neus bovenop staan. Omdat aan haar hande­len geen enkel gevaar verbon­den is, groeit de hetze­massa snel. Het slachtof­fer name­lijk is weer­loos, vogelvrij in feite, terwijl de massa veruit supe­rieur is.

 

               Een ongevaarlijke, toegestane, aanbevolen en met vele anderen gedeelde moord is voor verreweg het grootste deel der mensen onweerstaanbaar. Hierbij moet gezegd worden dat de doodsdrei­ging, waaronder alle mensen zelf staan en die onder velerlei camou­fla­ges altijd werkzaam is, ook als ze niet onophoude­lijk onder ogen wordt gezien, een afwenteling van de dood op ande­ren tot een be­hoef­te maakt (Ca­netti 19­76: 52-53).

 

Canetti komt hier dicht bij Girard in de buurt (of Girard bij Canetti), die in De Zondebok het vol­gende opmerkte:

 

               De kleinste mimetische aansporing kan een dichte menigte in beroering brengen. Hoe zwakker, onbedui­dender of, beter nog, fataler het doel is, des te groter is de geheimzin­nigheid die het omgeeft en des te méér begeerte zal het opwek­ken (1993: 217).

 

 

Helemaal op één lijn liggen Girard en Canetti hier niet. Girard gaat er namelijk vanuit dat verwarring tot massavorming leidt[15], terwijl volgens Canetti in bepaalde gevallen massavor­ming tot verwarring leidt.

            Canetti noemt twee hoofd­vormen van dood, die door een horde of volk tegen de enkeling veror­dend worden: de uitsto­ting, waar­bij de enkeling buiten de gemeen­schap wordt gezet, en het gezamenlijk doden. Bij deze laatste vindt de ontlading plaats op het moment dat de massa het hoofd van de terechtge­stelde te zien krijgt. Van wie het hoofd ook is geweest, het is nu een hoofd als alle andere. Canetti beschrijft (1976: 55) hoe de hoof­den van de massa deze gelijkheid voelen, wan­neer ze het hoofd van de dode aanstaren. Was de dode een machtig iemand, dan voelt de massa ook nog de voldoe­ning van de omke­ring. Maar het dode hoofd is ook bedreigend; de leden van de massa herkennen zichzelf in hem. Ter­wijl de massa dacht zich door de geza­men­lijke moord van de doodsdrei­ging te be­vrijden, neemt deze hierna alleen maar toe. Als in een soort vlucht valt de massa uiteen.

            Volgens Canetti is de afkeer van het gezamenlijk doden zeer recent, maar in feite bedrieglijk. Via de krant namelijk (en de televi­sie kan hier naar mijn idee zeker aan toegevoegd wor­den), neemt iedereen dagelijks deel aan openbare terecht­stel­lin­gen, zonder de minste verantwoordelijk­heid.

           

               In het publiek der krantenle­zers is een gematigde, maar door haar afstand tot de gebeurte­nissen des te onverant­woorde­lijker hetzemassa blijven voortle­ven, men zou haast zeggen haar verachte­lijkste en tegelijk stabiel­ste vorm (Canetti 1976: 56).


CONCLUSIE

 

Een eenduidig antwoord op de in de inleiding gestelde vraag hoe het komt dat (groepen) mensen zich soms opeens met geweld tegen de An­der(en) keren, geeft deze scriptie niet. Nu is zo'n eenduidig antwoord moeilijk, zo niet onmoge­lijk te geven, gegeven het enorme aantal aspecten dat op zo'n proces van invloed is. Er zijn mensen die zich er toch aan wagen al­ler­lei inzichten aaneen te smeden om zo tot een totaalthe­orie te komen. De manier waarop bijvoorbeeld René Girard en Elias Canetti dit doen en/of hebben gedaan vind ik zeer indrukwek­kend. Deze scriptie echter is eerder een beschrijving geworden van wat een aantal mensen, die zich met de zondebok, de Ander en de massa hebben bezig gehou­den, zoal tegen zijn gekomen en hebben uitge­dacht. Hoewel de gebruikte auteurs nogal van elkaar verschillen, en dan denk ik vooral aan Girard, Kriste­va, Canetti en Freud, laten ze samen zien dat de mens aan de ene kant een zeer ingewikkeld wezen is, maar aan de andere kant vaak gestuurd wordt door hele simpele, ogenschijnlijk(?) vaak simplistische beweegredenen.

            Aan de hand van deze scriptie wilde ik meer te weten komen over een aantal zaken en laten zien wat ik zoal gevonden heb. Voor ik begon met het schrijven van deze scriptie had ik het idee, dat afwijkende minderheden door de meerderheid worden vervolgd of in een bepaalde hoek worden gedrukt waar ze onge­vaarlijk zijn, vanwege hun anders-zijn. Daarbij dacht ik dat het anders-zijn van de minderheid de meerderheid angst inboe­zemde en als bedreigend werd gezien.

            Toch lijkt het erop dat mensen altijd (en met name in tijden van crisis) een zondebok zoeken, en dat de reden die ze aan­voe­ren voor het vervolgen van die specifieke zondebok eerder in henzelf dan in die zondebok ligt, dat iedereen een Ander is en iedereen een potentiële zondebok. Dit feit is bedreigend en juist daarom blijven mensen zonde­bokken zoeken; zolang ze iemand anders tot zonde­bok maken, zijn ze zelf nog niet aan de beurt. Zolang iemand anders de schuld draagt, hoeft men die zelf niet te dragen. Canetti had het al over de constante doods­dreiging die boven ieders hoofd hangt, vaak zonder dat mensen zich daarvan bewust zijn, en die afwenteling van de dood op anderen tot een behoefte maakt. Ik denk dat, ook als er niet meteen sprake is van moord en doodslag, de behoefte tot afwenteling van schuld bij (bijna) iedereen bestaat.

            Voor deze scriptie is, om redenen van toegankelijkheid, hoofdzakelijk gebruik gemaakt van westerse literatuur. Mij lijkt het interessant om te onderzoeken hoe en in hoeverre dezelfde thema's in de zogenaamde niet-westerse literatuur worden benaderd. Vragen die hierbij meespelen zijn onder andere de volgende: komen de fenomenen "zondebok" en "massa" wereldwijd voor, komen ze op verschil­lende plekken van de wereld op ver­schillende wijze voor, hoe wordt hier op die verschillende plekken tegenaan gekeken? Hoe wordt vanuit niet-westerse cultu­ren tegen de "Ander" aangekeken? Ook het thema massa, dat hier slechts aange­stipt is, verdient meer aandacht. Hierbij zouden theorie en actualiteit meer aan elkaar gekoppeld kunnen wor­den.

            Tot slot ter overdenking een citaat van Elie Wiesel:

 

               Men wordt al zeer snel een vreemdeling, het volstaat zo te worden behandeld (1993).


LITERATUUR

 

Allport, Gordon W.

            1958                The Nature of Prejudice. New York: D­o­u­ble­day & Com­pa­ny, Inc.

Altink, Sietske

            1985                De mythe van de minderheid. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers.

Arendt, Hannah

            1960                The Origins of Totalitarianism. New York: M­e­r­i­d­ian B­o­o­ks, Inc.

            1970                Geweld / Macht en Onmacht. Utrecht/Antwerpen: Spectrum.

Atlan, Henri

            1988                Violence and Truth: On the Work of René Gi­rard. Lon­don: The Athlone Press, 192-208.

Bauman, Zygmunt

            1990                Global Culture: Nationalism, globalization and modernity. A Theo­ry, Culture & Society special­ issu­e. London, Newbury Park, New Delhi: SAGE Publicati­ons, 143-169.

Beek, Wouter van (red.)

            1988                Mimese en geweld: Beschouwingen over het werk van René Girard. Kampen: Kok Agora.

Bladel, Louis van

            1980                Christelijk geloof en maatschappijkritiek; Evangelie-Marx-Marcuse-Baudrillard-Girard. Antwer­­pen/Am­ster­dam: Uitgeve­rij De Neder­landsche Boekhandel.

Burkert, Walter, René Girard and Jonathan Z.Smith

            1987                Violent Origins: Walter Burkert, René Girard, and Jonathan Z.Smith on Ritual Killing and Cultural Formation. Stanford, California: Stan­ford University Press.

Canetti, Elias

            1976                Massa en Macht. Amsterdam: Polak & Van Gennep Uitge­versmaat­schappij BV.

Dale, Johan Hendrik van

            1992                Groot woordenboek der Nederlandse taal. Utrech­t, Antwer­pen: Van Dale Lexicografie.

Elias, Michael

            1985                Het culturele geheugen van René Girard. Inter­mediair 49: 61-63.

Enzensberger, Hans Magnus

            1992                De Grote Trek. Amsterdam: De Volkskrant.

Featherstone, Mike (ed.)

            1990                Global Culture. Nationalism, globalization and modernity. A Theo­ry, Culture & Society special­ issue. London, Newbury Park, New Delhi: SAGE Publications.

Freud, Sigmund

   1921/1987                Sigmund Freud Nederlandse Editie: Cultuur en Religie 5. Amster­dam: Boom Mep­pel.

Girard,René

            1990                Wat vanaf het begin der tijden ver­borgen w­a­s... Een onder­zoek in samenwerking met Jean-Michel Oughourlian en Guy Lefort. Kam­pen: Uitgeverij Kok Agora, Kapellen: DNB/Uitge­verij Pelckmans.

            1993                De Zondebok. Kampen: Uitgeverij Kok Agora, Kapellen: DNB/Uit­geverij Pelckmans.

Haar, Barend ter

            1990                Van Oost naar West: Racisme als mondiaal ver­schijnsel. Baarn/Den Haag: Ambo/Novib, 18-33.

Kaptein, Roel & Tijmes, Pieter

            1987                De ander als model en obstakel. Een inleiding in het werk van René Girard. Kampen: Kok Agora. Koenen, M.J. en Drewes, J.B.

            1976                Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Gronin­gen: H.D. Tjeenk Willink BV.

Kristeva, Julia

            1991                De vreemdeling in onszelf. Amsterdam: Uitgeve­rij Contact.

            1993                Nations Without Nationalism. New York: Colombia University Press.

Lebeau, Paul

            1960                De Zondebok. Hasselt: Uitgeverij Heideland. Vlaamse Pockets 20.

LeVine, Robert A., and Campbell, Donald T.

            1972                Ethnocentrism: Theories of Conflict, Ethnic At­titudes, and Group Behavior. New York: John Wiley & Sons, Inc.

McGrane, Bernard

            1989                Beyond Anthropology: Society and the Other. New York: Colombia University Press.

Oxford English Dictionary. Second Edition.

            1989                Oxford: Clarendon Press.

Stamelman, Richard

            1993                The Strangeness of the Other and the Otherness of the Stran­ger: Edmond Jabès. Yale French Stu­dies 82, volume 1: 118-134.

Staub,Ervin

            1989                The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence. Cambridge: Cambridge Universi­ty Press.

Trotter, W.

            1916                Instincts of the Herd in Peace and War. London.

Veen, Adriaan van der

            1969                Vriendelijke vreemdeling. Amsterdam: Querido Uitgeverij N.V.

Vries, J. en Tollenaere, F. de

            1991                Etymologisch woordenboek. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.

Whitmont, Edward C.

   1969/1991                The Symbolic Quest: Basic Concepts of Analyti­cal Psychology. Princeton, New Jersey: Prince­ton University Press.

            1982                Return of the Goddess. New York: The Crossroad Publishing Company.

Wiesel, Elie

            1993                Angst voor de vreemdeling is angst voor ons­zelf. Volkskrant, 14 augustus.

Yamaguchi, Masao

            1973                La Structure mythico-théâtrale de la royauté au Japon traditi­onnel. Esprit, février.

            1988                Violence and Truth: On the Work of René Gi­rard. London: The Athlone Press, 179-191.


BIJLAGE  Vertalingen van gebruikte Engelstalige citaten

 

blz.5

scapegoating

De daad of gewoonte van iemand een zondebok te maken; spec. in Psychol., agressief afstraffend gedrag, om de een of andere reden gericht tegen andere (zwakkere) personen of groe­pen (1989: 582).

 

scapegoat

1. In het Mozaïsche ritueel van de Grote Verzoendag (Lev. xvi), diegene van de twee geiten die door loting werd gekozen om levend de wil­der­nis ingezonden te worden, nadat de zonden van het volk symbo­lisch op hem gelegd waren, terwijl de ander werd aangewe­zen om geofferd te worden.

2. Iemand die de schuld krijgt van of die gestraft wordt voor de zonden van anderen. (Zoals F. bouc émissai­re.)

 

blz.18

Het cyclische en seizoensritueel van de zondebok draagt bij tot de punctuatie van tijd door het negatieve beeld van de samenleving te doen verschijnen. In talrijke samen­levingen, waarin homogene tijd als oorzaak van inertie gezien wordt, wordt het verschijnen van de negatieve elementen die zich gedurende het jaar hebben opgehoopt als noodzakelijk gevoeld om ze vervolgens te kunnen verdrijven.

 

blz.19

Het beeld van het negatieve (...) wordt gebruikt, wanneer een probleem rijst, om het element te identificeren dat als be­dreigend voor de individuele of collectieve identi­teit wordt gezien.

 

blz.20

De identiteit van een gemeenschap wordt verzekerd door het bestaan van heterogene elementen binnen deze gemeenschap en het gevoel dat het belang van de gemeen­schap niet altijd door deze ele­menten gedeeld wordt.

 

blz.21

Het dichtst bij de voor alle doeleinden geschikte zondebok komt dan een religieuze, ethni­sche, of raciale groep. Vastigheid en stabiliteit hebbend, kan hun een definitie­ve status gegeven worden en kunnen ze als groep gestereotypeerd worden.

 

blz.23

Hoe groter de discipline van het groepsleven, zijn onderdruk­king, ontberingen, en buitensporige eisen, zowel in de vorm van morele, religieuze alsook economische sancties, hoe groter we kunnen verwachten dat zijn agresssivi­teit wordt ten koste van een andere groep of andere groepen.

 

De beste vervangingsoutgroup heeft "zichtbaarheid" (Young, 32), en kan gemakke­lijk onderscheiden worden van de ingroup. Uniformen, klederdracht, lichaamsver­min­kingen, en gebruiken zijn voor dit doel functioneel, evenals huidskleur.

 

blz.27

Er zijn vrienden en vijanden. En er zijn vreemdelingen.

 

blz.29

Zou de natie-staat in staat zijn haar doel te bereiken, dan zouden er geen vreemde­lingen over blijven in de levenswereld van de bewoners-die-inwoners-die-patriotten-zijn-geworden. Er zouden alleen inwoners zijn, die vrienden zijn, en de buitenlan­ders, die vijanden of potentiële vijanden zijn. Het punt is echter, dat geen enkele poging de ethnische, religieuze, taalkundige, culturele en andere heterogeniteit te assimileren, transformeren, accultureren, of absorberen en op te lossen in het homogene lichaam van de natie tot dusverre onvoorwaardelijk succes­vol is geweest.

 

blz.31

De schaduw is de archetypische beleving van de "andere persoon", die in zijn vreemd­heid altijd verdacht is. Het is de archety­pische behoefte aan een zondebok, iemand om de schuld aan te geven en om aan te vallen om zichzelf te bewijzen en gelijk te krijgen; het is de archetypische beleving van de vijand, de beleving van schuldkrijgwaardigheid die altijd aan de andere persoon gekoppeld is, aange­zien we allemaal in de illusie verkeren onszelf te kennen en reeds afdoende met onze eigen problemen afgerekend te hebben. Met andere woorden, in zoverre ik gelijk moet hebben en goed moet zijn, worden hij, zij, of zij (hullie) de dragers van al het kwaad dat ik niet slaag te erken­nen in mijzelf.

 

blz.32

Gebrek aan inzicht in de eigen tekortkomingen en de projectie van de eigen zwakheden en gebreken op anderen..geeft waar­schijnlijk het essentiële aspect weer van..scapegoating.

 

blz.33

De onderdrukte impuls leeft voort op een verwrongen, onbewuste manier. Hij wordt geprojecteerd op onze "schuldige" medemens.

 

De goddelijke overtuiging van het gelijk hebben, van het kennen van goed en kwaad, lijkt meedogenloosheid te rechtvaardigen ten opzichte van afwij­kende menin­gen, ethiek en levensvormen.

 

 

   SITEMAP Girard Studiekring

 

E-mail adres auteur j.korfage@hotmail.com

counter

 

 

 

 

 



    [1]scapegoat

1. In the Mosaic ritual of the Day of Atonement (Lev. xvi), that one of two goats that was chosen by lot to be sent alive into the wilderness, the sins of the people having been symbo­lically laid upon it, while the other was appoin­ted to be sacrificed.

2. One who is blamed or punished for the sins of others. (So F. bouc émissai­re.)

 

    [2]Dit zondebokmechanisme noemde Girard voor het eerst in 1972, in zijn boek La violence et le sacré.(de Valk in Girard 1986: 252)

    [3]Meer over de massa in hoofdstuk 3.

    [4]zie ook blz.20

    [5]Naar de Valks mening is Gi­rard in De Zonde­bok minder breed­sprakig, abstract en ver­moeiend dan in zijn andere boe­ken.

    [6] Yamaguchi verwijst naar zijn artikel La Structure mythico-théâtrale de la royauté au Japon traditionnel uit 1973.

    [7]zie ook hoofdstuk 2, blz.30

    [8]zie ook blz.9

    [9]L'Etranger, 1942.

    [10]de tiende Van der Leeuw-lezing, gehouden op 23 oktober in de Martini­kerk te Groningen. De lezing werd onder de titel De Grote Trek gepubliceerd door de Volks­krant. Het hier beschrevene is gebaseerd op deze publicatie.

    [11]zie ook hoofdstuk 1, blz.19

    [12]Psychologie des foules, 1895.

    [13]Voor een kort overzicht van verschillende theorieën over de massa, zie ook Altink 1985, hoofdstuk 9: Het veelkoppig mon­ster.

    [14]Dit hele proces is mijns inziens goed terug te zien in het jaarlijkse carnavalsgebeuren.

    [15]zie ook hoofdstuk 1, blz.8-9