VU
Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring
René Girard > Online
teksten
Joanna
Korfage
Literatuurscriptie Culturele Antropologie, Universiteit
Utrecht
Begeleiding: Ton Robben
1994
Het
zondebokmechanisme van René Girard
BIJLAGE
Vertalingen van gebruikte Engelstalige citaten
De Franse historicus en letterkundige René Girard bleek hier een hele
theorie over te hebben uitgedacht. In zijn boek De Zondebok legt hij niet
alleen uit waarom (groepen) mensen van tijd tot tijd overgaan tot de
gewelddadige vervolging van een zondebok, maar ziet hij het mechanisme dat
hieraan ten grondslag ligt, het zogenaamde zondebokmechanisme, zelfs als
verklarend voor het bestaan van cultuur. Volgens Girard voldoet het gekozen
slachtoffer van vervolging aan een aantal slachtofferkenmerken die hem doen
afwijken van de meerderheid. Girard's zondebok is een Ander.
Girard heeft in de loop der tijd heel wat kritiek over zich heen
gekregen. Tegelijkertijd is hij voor velen een bron van inspiratie, in veel
gevallen óók voor mensen die hier en daar wat bedenkingen bij zijn uitspraken
hebben. In deze scriptie zal Girard's zondebokmechanisme als een soort rode
draad fungeren. In hoofdstuk één wordt de eerste helft van Girard's boek De
Zondebok, waarin hij zijn theorie uiteenzet, in grote lijnen samengevat.
Daarna zal wat van de (vele) kritiek, die Girard op zijn theorie heeft gekregen,
worden besproken. Ook wordt aandacht geschonken aan de mening van een aantal
andere theoretici, aangaande het fenomeen van de zondebok.
Inspringend op wat Girard in De Zondebok zegt over de Ander, wordt
in het tweede hoofdstuk gekeken naar wie de Ander is, en naar de veranderende
houding ten opzichte van de Ander naar gelang tijd en situatie. Van een aantal
schrijvers, met name Zygmunt Bauman, Julia Kristeva en Edward C. Whitmont worden
de verschillende gedachtengangen over dit onderwerp tegen elkaar afgezet. De
Ander als niet-Ik, de Ander als vreemdeling, de Ander als zondebok, de
vreemdeling als zondebok en de vreemdeling als iets in onszelf passeren de
revue.
De vervolging van Anderen komt vaak neer op de vervolging van een
enkeling of relatief kleine groep door een grote groep of massa. Zo kan bijvoorbeeld
volgens Freud het Ik (dat tegenover het niet-Ik, de Ander, staat), zich bundelen
tot een collectief Ik, een massa. Vanwege de vaak belangrijke rol van de massa
in vervolgingsprocessen behandelt hoofdstuk drie in het kort het fenomeen
"massa". Aan de hand van theorieën van Elias Canetti en Sigmund Freud
wordt naar een aantal aspecten van de massa gekeken; wat is een massa, waardoor
wordt zij gedreven, wat is de relatie tussen massa en geweld.
Tot slot volgt de conclusie. In bijlage 1 wordt de vertaling van
gebruikte Engelstalige citaten gegeven.
Het woord "zondebok" is waarschijnlijk het
meest bekend in zijn figuurlijke betekenis van de onschuldige die voor andermans
problemen opdraait en/of waar anderen zich op afreageren. De volgende
betekenissen worden door respectievelijk de Dikke van Dale en het
Etymologisch woordenboek van de Vries en Tollenaere gegeven:
zondebok (m.) [naar Leviticus 16:8], 1 (eig.) (bij de oude
Isralieten) bok die de woestijn werd ingejaagd, nadat hij met al de ongerechtigheden
van het volk was beladen; 2 (fig.) persoon op wie anderen hun schuld
werpen, of die het gestadig voorwerp van hun plagerijen en beschimpingen is: hij
is altijd de zondebok van 't gezelschap; een zondebok zoeken; als zondebok
fungeren (1992: 3708).
zondebok `persoon op wie men de schuld schuift', vgl. hd sündenbock
(1798) in die fig. bet. zo genoemd naar Levit. 16,21 volg.: Aäron legt zijn
beide handen op de kop van een levende bok, belijdt over hem alle zonden Israëls
en jaagt het dier vervolgens de woestijn in (1991: 444).
Het woord "zondebok" in zijn oorspronkelijke
betekenis komt dus uit de bijbel. The Oxford English Dictionary geeft een
bijna identieke omschrijving van het Engelse woord scapegoat[1],
maar vermeldt naast de bok die de woestijn in werd gezonden, een tweede die
aangewezen werd om geofferd te worden. De omschrijving van het van scapegoat
afgeleide woord scapegoating is interessant, omdat het aangeeft dat de
zondebok haast vanzelfsprekend de zwakkere is:
scapegoating
The action or practice of making a scapegoat of someone; spec. in Psychol.,
aggressively punitive behaviour directed for whatever reason against other (weaker)
persons or groups (1989: 582).
René Girard (1923- ),
oorspronkelijk historicus maar tegenwoordig hoogleraar Franse taal, letterkunde
en cultuur in Californië, heeft in de loop van zijn carrière een bijna allesomvattende
theorie over het menselijk bestaan ontwikkeld. Girard's theorie gaat uit van
een aantal grondbegrippen -nabootsing, begeerte, geweld en zondebok-, waarvan
de werking zover wordt doorgetrokken dat hier practisch alles mee te
verklaren valt. In zijn uit 1982 daterende boek De Zondebok legt
Girard deze grondbegrippen uit en besteedt met name veel aandacht aan het
zogenaamde zondebokmechanisme.[2]
Aan de hand hiervan wil hij laten zien dat er een transcultureel schema van
collectief geweld bestaat.
Het zondebokmechanisme komt heel in het kort hier op neer: mensen hebben
de neiging elkaar te imiteren, en dus ook dezelfde dingen te begeren (Girard
gebruikt de term mimese, dat nabootsing betekent). Dit brengt afgunst en strijd,
waardoor op een gegeven moment in een samenleving een situatie van wanorde
en onduidelijkheid ontstaat. Mensen weten niet meer waar ze aan toe zijn, ze
schuiven de schuld van de ontstane chaos af op een zondebok en gaan over tot
zijn vervolging. De zondebok kan een eenling zijn maar ook een groep. Hoewel
hij onschuldig is, is hij dat in de ogen van de vervolgers niet. De zondebok
wordt vermoord. Wanneer de orde zich vervolgens herstelt, brengt men de zondebok
en het ordeherstel met elkaar in verband en komt men tot de conclusie dat
de herstelde orde aan de zondebok te danken is. Hierdoor wordt de zondebok
heilig en men gaat over tot zijn verering. Wanneer echter na verloop van tijd
weer een situatie van chaos ontstaat herinnert men zich hoe de vorige keer
de orde hersteld werd en wordt opnieuw tot vervolging van een zondebok overgegaan.
Dat dit geheel deel uitmaakt van een zich steeds herhalend proces,
concludeert Girard uit de bestudering van allerlei mythen. In de mythen
wordt verteld over de gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden en die
resulteerden in een collectieve moord, niet door dit letterlijk te
vertellen, maar door het in verdraaide vorm door te geven. Belangrijk is dat de
motiveringen die aan het hele proces ten grondslag liggen onbewust zijn.
Het proces kan pas doorbroken worden op het moment dat men het doorziet.
Girard ziet in de Evangeliën de grote doorbraak, omdat zij het zondebokmechanisme
openbaren. Zij tonen duidelijk dat het vervolgde slachtoffer onschuldig is, en
dat de vervolgers niet weten wat ze doen. De tweede helft van De Zondebok
wijdt Girard aan de uitleg van allerlei episodes uit de Evangeliën, die zijn
denkbeelden moeten illustreren. Het evangelische gedeelte van De Zondebok
zal ik hier verder niet behandelen.
Bij het vormen van zijn denkbeelden baseert Girard zich op uiteenlopende
bronnen; op de literatuurwetenschap en geschiedenis, maar ook op de antropologie,
theologie, filosofie, sociologie en psychologie. Om wat meer zicht te krijgen
op de materie die Girard behandelt en op welke wijze hij dit doet, volgt nu
een samenvatting van de eerste helft van zijn boek De Zondebok.
Zondebok duidt tegelijk de onschuld van de slachtoffers, de collectieve
polarisatie die zich op hen richt en de collectieve doelgerichtheid van deze
polarisatie aan (Girard 1993: 53).
Aan de hand van een middeleeuws gedicht waarin een grote
ramp, gevolgd door een jodenvervolging voorkomt, voert Girard een pleidooi
voor het hechten van geloof aan zogenaamde `vervolgingsteksten'. De
bedoeling hierbij is oude teksten waarin vervolgingen voorkomen, zodanig
te analyseren dat duidelijk wordt wat zich in het echt heeft afgespeeld. Volgens
Girard is het niet moeilijk bij dit soort teksten te onderscheiden wat waar en
wat onwaar is, omdat dit vrij stereotiep wordt aangegeven. Hij geeft vier
stereotypen die veelvuldig in teksten voorkomen en kenbaar maken dat het
hier om een vervolging gaat; als eerste de stereotype van de crisis, als tweede
bepaalde voor collectieve vervolgingen karakteristieke beschuldigingen,
als derde algemene kenmerken voor het kiezen van de slachtoffers, en als
laatste het geweld.
Op een gegeven moment ontstaat door het verdwijnen van alle verschillen
(de indifferentiatie), als gevolg waarvan ook het culturele leven verdwijnt,
een crisis. Mensen neigen er dan toe de crisis uit sociale en morele oorzaken
te verklaren en de schuld te geven aan hetzij de maatschappij als geheel,
hetzij aan andere mensen die hun schadelijk lijken. Volgens Girard bestaat er
een aantal beschuldigingen, dat karakteristiek is voor collectieve vervolgingen.
Hieronder vallen met name de beschuldiging van geweldsmisdrijven ten opzichte
van diegenen, waarvan dit juist het ergst wordt gevonden en de sexuele zowel
als religieuze misdrijven die de strengste taboes schenden. Men denke hierbij
aan bijvoorbeeld kindermishandeling, vader- of koningsmoord, incest, sodomie
en heiligschennis. Kortom, allerlei misdrijven die de sociale banden binnen de
samenleving kapot maken.
De vervolgers zijn er tenslotte altijd van overtuigd dat een klein aantal
individuen, of zelfs een enkeling, voor de gemeenschap als geheel uitzonderlijk
schadelijk kan worden, niettegenstaande zijn betrekkelijke zwakte (Girard
1993: 23).
De algemene verwarring die ontstaat na het verdwijnen van het culturele
leven leidt tot massavorming. Deze massa neigt altijd tot vervolging, zoekt per
definitie actie en zoekt een bereikbare oorzaak die haar zucht naar geweld kan
bevredigen. De natuurlijke oorzaken van haar ongerustheid interesseren haar
hierbij niet. De massa heeft sterk de neiging een vijand aan te wijzen. De
mobilisatie van de massa vindt dan ook niet plaats zonder dat een vijand
aangewezen is of spoedig aangewezen wordt. De leden van een massa zijn volgens
Girard altijd potentiële vervolgers, want zij willen de gemeenschap zuiveren
van wat zij als haar onreine elementen zien. Als direct verantwoordelijke voor
de vervolging van de zondebok ziet Girard altijd de massa.[3]
De slachtoffers van een massa behoren tot bepaalde categorieën die in
bijzondere mate aan vervolging bloot staan: etnische en religieuze minderheden,
mensen die lichamelijk abnormaal zijn en mensen die op een ander -bijvoorbeeld
sociaal- vlak abnormaal zijn. Naast de marginaliteit van de
behoeftigen, of die van de buitenstaanders, kunnen in perioden van crisis ook
juist de bevoorrechten, de rijken en de machtigen, marginaal worden.
Terwijl de slachtoffers worden beschuldigd van misdaden die de crisis
zouden hebben veroorzaakt, wordt de werkelijke reden van hun vervolging
gevormd door hun slachtofferkenmerken.
Het is nooit hun verschillend-zijn zelf dat men de religieuze, etnische
en nationale minderheden verwijt. Het punt is dat zij niet verschillen zoals het
hoort, uiteindelijk dat ze helemaal niet verschillen (Girard 1993: 31).
Als het vervolgingsschema universeel is, zou men het overal moeten
kunnen terugvinden. Volgens Girard is dit ook het geval, maar kunnen we de
beschikbare documenten niet ontcijferen. Die beschikbare documenten zijn de
mythen. Girard oppert de hypothese van een werkelijk slachtoffer van een
werkelijk collectief geweld als oorsprong van de mythe. Alleen de specifieke
stereotypen van de vervolgers geven dan aan dat een tekst ook op een werkelijke
vervolging is gebaseerd. Als men hier niet vanuit gaat, zo vraagt Girard
zich af, hoe kan men dan verklaren hoe en waarom dezelfde thema's steeds weer
terugkomen en in een bepaalde samenhang?
Ook in mythes die met betrekking tot de vervolgingsvoorstellingen
niet exemplarisch zijn, kan men de vervolgingsstereotypen vaak toch gemakkelijk
vinden, zij het in een sterk veranderde vorm. Alle stereotypen en
slachtofferkenmerken komen in de mythen voor, hoewel niet allemaal in elke
mythe. De slachtoffers die behoren tot etnische of religieuze minderheden
ziet men terug in de mythologie in het thema van de vreemdeling die
collectief wordt verjaagd of vermoord.
Hoewel er sprake is van een en hetzelfde principe van verdraaiing van
het voorgestelde, is de verdraaiing in de mythologie sterker dan in de
geschiedenis. Volgens Girard worden de verdraaiingen van de vervolgers minder
als men van de mythen overgaat naar de westerse vervolgingen.
Een dimensie van de mythen die vrijwel afwezig lijkt te zijn in de historische
vervolgingen is de dimensie van het heilige. Girard toont aan dat er tòch
sporen van het heilige in de vervolgingsteksten bewaard zijn gebleven en dat
die kloppen met de verwachtingen, als men, zoals Girard doet, er vervallen en
half uiteengevallen mythen in herkent. Zo moet men in de stereotype van de
beschuldiging (bijvoorbeeld van hekserij) een echt geloof herkennen; een
waandenkbeeld van sociale aard dat wordt gedeeld door een groot aantal
mensen.
Dankzij het mechanisme van de vervolging vinden de collectieve angst en
teleurstellingen een plaatsvervangende genoegdoening in de slachtoffers die
gemakkelijk de eensgezindheid tegen zich oproepen omdat ze behoren tot slecht
geïntegreerde minderheden e.d.(Girard 1993: 53).
In een crisis richten alle verdenkingen van wat is misgegaan in de
samenleving zich op het slachtoffer. De vervolgers zien nooit dat de feiten
voor hun beschuldigingen ontbreken. Girard benadrukt dat de vervolgers
werkelijk overtuigd zijn van de kwaadaardige macht van hun slachtoffers.
Hierbij speelt hun onbewuste mee, dat op vervolging uit is. Het idee
ontstaat dat de samenleving bevrijd moet worden van wat haar vergiftigd
heeft. In de mythologie ziet men dan hoe na deze "bevrijding" de
orde zich herstelt. Hoewel de zondebok niet de werkelijke rampen oplost, worden
via hem de menselijke betrekkingen hersteld. De manier waarop deze betrekkingen
worden aangetast, ziet Girard als belangrijkste dimensie van elke crisis.
De zondebok komt symbool te staan voor de herstelde orde, men gaat geloven in
zijn almacht en zo verandert hij in steunpilaar van de samenleving. De
oorspronkelijke crisis wordt vanaf nu in de rite mimetisch herhaald.
Alle vervolgers kennen hun slachtoffers een schadelijkheid toe
die gemakkelijk omslaat in positiviteit en omgekeerd (Girard 1993: 62).
Volgens Girard zijn er twee momenten in de mythen, die over het algemeen niet goed onderscheiden worden. Ten eerste de beschuldiging van het nog niet heilig gemaakte slachtoffer, waartegen alle woede zich richt, gevolgd door de positieve sacraliteit die wordt opgeroepen door de verzoening van de samenleving. Girard stelt dat ook tegenwoordig het collectieve geweld nog als mechanisme voor de produktie van mythen functioneert, hoewel steeds minder goed. Zo is de tweede mythische verandering bijna helemaal verdwenen.
Er bestaat zoiets als een geschiedenis van de mythologie; een mythe kan
overgaan in een nieuwe vorm, waarbij de collectieve moord bijvoorbeeld
verdwijnt, maar zal daarna nooit naar de oude vorm terugkeren. Verdwijnt de
moord, dan komt er onbehagen voor in de plaats. De evolutie van de mythologie
wordt beheerst door de wil de voorstellingen van het geweld te laten
verdwijnen en de goden te idealiseren. Niet alleen het geweld, maar ook de
andere vervolgingsstereotypen worden geleidelijk aan uitgewist. Dit kan
op verschillende manieren gebeuren; de misdaden van het slachtoffer blijven
staan, maar worden als ongewild afgeschilderd, of de schuld gaat over in
beperkte of verdwenen schuld. Girard ziet het proces van uitwissing als te
constant om toevallig te kunnen zijn. Hij verwijt dan ook bijna iedereen geen
enkel belang aan de collectieve moord te hechten.
Girard beëindigt het eerste deel van De Zondebok met een herhaald
pleidooi voor de toepassing van de hypothese van de vervolgingsvoorstelling
op de mythen, net zo lang totdat deze even natuurlijk wordt als op de
historische vervolgingen.
In de Evangeliën tenslotte vindt Girard het funderende
principe terug van de uitdrijving van het geweld door het geweld; het
zondebokmechanisme. Hij vindt het belangrijk om te laten zien hoe gemakkelijk
de mensheid als geheel voor de verleiding bezwijkt zondebokken te maken. Als
het mechanisme eenmaal onthuld is, heeft het bijna geen belang meer. Volgens
Girard zijn de Evangeliën juist geïnteresseerd in de mogelijkheden voor de
mensheid ná deze onthulling, en dus na het einde van het "satanische
mechanisme". Het antwoord op de volgende vraag ligt voor Girard dan ook
in de evangelische tekst:
De mensheid heeft altijd boven de ver verwijderde en ontoegankelijke
natuurlijke oorzaken de voorkeur gegeven aan oorzaken die betekenis hebben op
het vlak van de menselijke betrekkingen en die correctieve interventie
toelaten, anders gezegd: slachtoffers.
Om de mensen te richten op de geduldige verkenning van natuurlijke
oorzaken moeten ze eerst worden afgewend van hun slachtoffers en hoe kan men hen
anders van hun slachtoffers afwenden dan door hun te tonen, dat de vervolgers nu
haten zonder reden en zonder aanvaardbaar resultaat? (Girard 1993:
239-240)
Wat ik zelf belangrijk vind aan De Zondebok is het
mechanisme dat Girard laat zien; het feit dat vervolgingen in het algemeen
ontstaan in tijden van crisis en dat degene die vervolgd wordt een onschuldig
slachtoffer is, een zwakkere, die bovendien op de een of andere manier als
afwijkend wordt gezien. Deze visie vind ik overtuigend -overtuigender dan de
manier waarop Girard hem soms onderbouwt-, en het proces intrigerend -evenals
de manier waarop Girard schrijft.
Veel negatieve reacties op zijn uitgangspunten en redeneringen noemt
Girard zelf al in De Zondebok, zoals de arrogante zelfoverschatting
en het reductionisme die hem, overigens niet geheel ten onrechte, verweten worden.
Wat men óók tegen mij inbrengt is de ,,falsificatie'' van Popper en
meer van die leuke dingen die tot ons komen uit Oxford, Wenen en Harvard. Voor
het scheppen van zekerheid is het, zegt men mij, nodig aan dermate draconische
voorwaarden te voldoen, dat zelfs de ,,hardste'' wetenschappen daar niet in
slagen (Girard 1986: 120).
Uit bovenstaand citaat blijkt al dat Girard nogal minachtend kan doen
over andere wetenschappers; zij verdoen hun tijd met het zich afvragen van de
verkeerde dingen, bedrijven kunstgrepen en zien de waarheid in feite niet
onder ogen. Girard's houding ten opzichte van de wetenschap en de zogenaamde
wetenschappelijke methoden is echter wat tweeslachtig, aangezien hij wel
veel moeite doet de "noodzakelijke wetenschappelijke status"
van zijn methoden aannemelijk te maken.
Bovendien kan Girard zich niet vinden in het standpunt van "de
critici" dat men bij het interpreteren van een tekst het minst waarschijnlijke
gegeven van de tekst als uitgangspunt moet nemen voor de waarschijnlijkheid
van de hele tekst. Om die reden zou Girard op mythen niet zomaar dezelfde
soort interpretatie toe mogen passen als op historische teksten
(Girard 1982: 37-41). Ook doet Girard vaak zelf wat hij anderen, bijvoorbeeld
de psycho-analytici, verwijt; alleen die facetten benadrukken die de eigen
theorie kunnen bevestigen. Verder geeft Girard sterk de indruk dat, mocht
hij niet geaccepteerd of begrepen worden, dat komt omdat hij zijn tijd en
collega's ver vooruit is.
Bij de inhoudelijke kant van zijn theorie kunnen ook wat vraagtekens
geplaatst worden. Zo is Girard erg functionalistisch, hij heeft precies voor
ogen wat in welke volgorde waarom gebeurt. Hij is ervan overtuigd dat de
processen die hij beschrijft overal en altijd op dezelfde manier plaatsvinden.
De werking van de mimetische begeerte trekt hij hierbij tot in het extreme
door.
Bovendien gaat Girard ervan uit dat een toestand van evenwicht de
normale situatie van een samenleving weergeeft. Als deze samenleving
onverhoopt uit evenwicht raakt, herwint ze haar evenwicht pas weer na het
elimineren van een zondebok. De vraag is òf een samenleving in evenwicht
moet zijn om te kunnen voortbestaan. Bovendien zou uit bovenstaande gedachtengang
de conclusie kunnen worden getrokken dat het nodig is om een zondebok te
offeren om de orde te herstellen. En hoewel Girard dit zelf absoluut niet doet,
kan op deze manier de vervolging van zondebokken goed gepraat en zelfs geïnstitutionaliseerd
worden.
Geweld kan ook andere functionalistische oorzaken hebben dan die Girard
geeft. Geweld kan een positief of regulerend effect hebben. Anthony Storr[4]
(genoemd in Yamaguchi 1988: 185) bijvoorbeeld ziet agressie niet als alleen
negatief; het principe van de tegenstelling superieur/inferieur kan
volgens hem stabiliteit binnen een samenleving brengen. Storr laat zien
dat het potentiële conflict bestaande binnen een groep, kan worden opgelost
wanneer de agressie naar buiten wordt gericht, en dat een dreiging van
buitenaf vaak het verdwijnen van de interne verdeeeldheid tot gevolg heeft.
Aan de andere kant kan een te groot identificeren met elkaar door de
leden van een groep oorzaak van tweespalt zijn.
Geweld en het zoeken van een zondebok werken niet zo eenvoudig als
Girard aanneemt. Hij stelt dat een geweldscyclus doorbroken kan worden op het
moment dat men het zondebokmechanisme doorziet; op het moment dat het hele
proces niet langer onbewust is. Ervan uitgaande dat wat Girard zegt klopt, rest
de vraag nog of men de werking ook wíl doorzien. Men vindt het, meer of minder
bewust, niet altijd even wenselijk achter de waarheid te komen. Wanneer men dan
bedenkt dat het mechanisme nu door Girard onthuld is, zou het dan niet moeten
ophouden te functioneren? Een bijkomend probleem van Girard's behandeling
van het onbewuste is, dat hij ervan uitgaat dat aangezien iets onbewust
gebeurt, het ook niet zichtbaar gemaakt of aangetoond kan worden.
In plaats van via het bestuderen van mythen iets over de werkelijkheid te
leren, kan men ook direct naar de werkelijkheid kijken. Als Girard's
mythe-analyse klopt, zou men hetzelfde proces moeten kunnen ontdekken in
gevallen van geweld van velen tegen weinigen in de tegenwoordige tijd en/of het
recente verleden. Het zondebokmechanisme kan ook in de mythen gecreëerd
worden.
Bij het lezen van De Zondebok vroeg ik me af waarom, als
iedereen altijd de collectieve moord uit heeft willen wissen, deze ooit in de
mythes verschenen is. Tenslotte had men het gebeurde ook meteen onder het
kleed kunnen schuiven. Aan de andere kant; als de moord op de zondebok
zo'n positief en stabiliserend effect op de samenleving zou hebben (gehad),
waarom zou men dan niet openlijk en trots over het gebeurde kunnen vertellen?
Waarom probeert men de collectieve moord aan de ene kant te verdoezelen, en
blijft men hem aan de andere kant voortdurend herhalen in de rite?
Vanwege de al dan niet wetenschappelijke waarde en de christelijke
inslag schijnt Girard's werk, vooral in Frankrijk, nogal omstreden te
zijn. In het nawoord van de Nederlandse uitgave van De Zondebok[5]
aan de hand van J.M.M. de Valk, wijst deze op het feit dat een theorie die zo'n
enorm kennisgebied bestrijkt zichzelf al kwetsbaar maakt. Specialisten
op elk van de deelgebieden van dit kennisgebied wijzen Girard dan ook op
onvolkomenheden. De Valk stelt dat dit nog niet Girard's visie weerlegt en
dat het bovendien een feit is dat wanneer men eenmaal Girard's visie aanvaardt,
veel onbegrijpelijke verschijnselen zin krijgen. De Valk concludeert
dan ook dat hoewel veel losse elementen van de ideeën van Girard niet nieuw
zijn, hij deze toch tot een redelijk overtuigende persoonlijke these heeft
samengesmeed.
Ook Jarich Oosten heeft in zijn bijdrage aan de bundel Mimese en
geweld: Beschouwingen over het werk van René Girard (van Beek (red.)
1988) nogal wat kritiek op Girard. Girard's mythe-analyses vindt Oosten niet
overtuigend. Het herleiden van alle mythen en riten tot één basispatroon
doet geen recht aan hun rijke gevarieerdheid, waar de antropoloog juist wèl in
geïnteresseerd is. Oosten denkt dat hoewel Girard's werk een aantal zinvolle
aanknopingspunten biedt, zijn etnografische basis te zwak is en zijn aandacht
voor verschillen te klein om door de antropologie serieus genomen te worden.
In dezelfde bundel schreef Wouter van Beek een artikel onder de titel De
zondebok en het kwaad. Een ethnografische kritiek. Hierin zegt hij na te
willen gaan of de analyse van Girard op etnografisch materiaal profijtelijk
toe te passen is. Van Beek is van mening dat Girard's benadering als oorsprongstheorie
onvoldoende wordt gesteund, maar dat zijn hypothese wel nieuw inzicht kan verschaffen
in schriftloze religies, zonder daarbij echter andere theorieën te vervangen.
Als belangrijke tekortkoming van de hypothese ziet hij het gebrek aan aandacht
voor de sociale basis van rituelen. Als interpretatieschema noemt van Beek
Girard's theorie belangrijk, met name met betrekking tot de volgende punten;
geweldsregulatie, het mechanisme van substitutie binnen beschouwingen
over het offer en noties over het kwaad:
Zo heeft Girard belangrijke inzichten gegenereerd in zowel de donkere
zijden van het menselijk bestaan als de mechanismen tot verhulling ervan (van
Beek (red.) 1988: 245).
Opvallend is dat veel critici van Girard, hoewel ze opmerken niet alles
wat hij beweert overtuigend te vinden, toch door zijn werk geïnspireerd
raken. In zijn boek over christelijk geloof en maatschappijkritiek maakt van
Bladel (1980: 93) bijvoorbeeld melding van Girard's "merkwaardige cultuurfilosofie",
maar ziet hij Girard's theorie tevens als een "fundamentele hypothese
omtrent geweld, religie, cultuur en christendom"(1980: 98).
In de manier waarop Girard alles met zo veel stelligheid poneert en al
het mogelijke met één theorie probeert te verklaren doet Girard me aan
Marvin Harris denken. Evenals in het geval van Girard heeft Harris veel kritiek
te verduren (gehad) en zijn zijn theorieën toch op een bepaalde manier
aantrekkelijk, misschien júist omdat ze overal een antwoord op hebben. In
Girard's geval wekt dit zowel fascinatie en bewondering alsook afkeuring
en irritatie op.
Ik heb zelf de indruk dat het Girard niet zozeer gaat om alle feiten en
methodes precies kloppend te krijgen, maar meer om een overtuigende
totaaltheorie te creëren. Dit is misschien de reden waarom hij zo geïrriteerd
op al die, in zijn ogen pietluttige, kritiek reageert; hij wil dat naar
het geheel wordt gekeken. Tot slot van deze paragraaf nog een voorbeeld van
Girard's kunnen, waar het redeneren betreft:
Op de vragen die onze tekst opwerpt kan men altijd een mimetisch
antwoord vinden en dat is ook altijd het beste (Girard 1986: 217).
Girard is natuurlijk niet de enige noch de eerste, die
zich bezig heeft gehouden met het fenomeen "zondebok". In het artikel Towards
a Poetics of the Scapegoat geeft Masao Yamaguchi (1988: 179-191) een
zogenaamde "Genealogie van de Zondebok Theorie". Yamaguchi heeft
zelf het onderwerp benaderd in een artikel[6]
waarin hij bepleit dat het zondebokfenomeen een mechanisme vormt dat een
cultuur van haar basisvitaliteit verzekert. Wat betreft het enorme belang dat
hij aan dit fenomeen toekent, komt hij in de richting van Girard.
Volgens Yamaguchi was het James Frazer, die het zondebokprobleem in
de etnologie introduceerde. Zijn voornaamste theorie was die van regicide;
in een samenleving met zogenaamd "goddelijk koningschap" wordt het
universum vernieuwd door de vertegenwoordiger van dit universum, de
koning, ritueel te vermoorden. Dat in perioden van crisis ook juist de
rijken en machtigen marginaal kunnen worden, zagen we al bij Girard. Frazer
beschouwde de koning als metafoor, en zocht in de folklore naar vergelijkbare
voorbeelden. Hierbij was hij met name geïnteresseerd in omkeringsrituelen.
Zo onderzocht hij onder andere het mogelijk verband tussen de zondebok en
het carnaval, met zijn losbandige pseudo-koning die aan het eind van het
feest wordt weggejaagd.
Mircea Eliade liet zien dat de meeste samenlevingen een cyclische
tijdsbeleving kennen. Vanuit deze beleving wordt gedacht dat na een periode,
gedurende welke negatieve energie zich opstapelt, de tijd gewoon op is. Om van
tijd tot tijd haar energie weer op te wekken, moet een samenleving iemand uitstoten
die beladen is met al het slechte en alle vervuiling van het voorafgaande
jaar.
The
cyclical and seasonal ritual of the scapegoat contributes to the punctuation of
time by causing the negative image of society to appear. In numerous societies,
in which homogeneous time is thought to be the cause of inertia, the
appearance of the negative elements which have accumulated during the course
of the year is felt to be necessary in order to dispel them thereafter (Yamaguchi
1988: 181).
Hier wordt de zondebok dus gezien als de
verpersoonlijking van al het aangekoekte vuil, en zijn uitstoting als de
noodzakelijke jaarlijkse grote schoonmaak. Zoals bij Girard de uitstoting
van de zondebok de orde terug doet keren na de ontstane chaos, zo brengt bij
Eliade een flinke schoonmaak de orde en rust terug in het huis of de
gemeenschap.
Volgens Kenneth Burke produceert de samenleving zondebokken op twee
manieren. Mensen hebben de neiging degenen die bovenaan de politieke ladder
staan te haten, maar deze haat te verplaatsen naar degenen onder zich. Dit
leidt tot veel uitzichtloze onvrede die de samenleving probeert op te lossen
door deze negatieve energie om te buigen naar de top van de hiërarchie. De
persoon aan de top wordt symbolisch vernietigd. Symbolische vijandigheid wordt
door de top echter weer gericht op mensen die zich helemaal aan de onderkant
van de samenleving bevinden. Ook hier weer het beeld van de allerzwaksten èn
de allersterksten die zondebok kunnen worden.
Alexandre Mitcherlich heeft de zondeboktheorie op het gebied van de
sociale psychologie ontwikkeld; hij ziet de zondebok als het ideale beeld van
negativiteit in een samenleving. Iemand als zondebok te stigmatiseren
impliceert de onmogelijkheid van zijn aanpassing, maar in feite wordt het hem
ook verboden zich aan te passen.[7]
The
image of the negative (...) is used, when a problem arises, to identify the
element conceived as threatening the individual or collective identity (Yamaguchi
1988: 183).
Naar mijn mening wordt hier mee gezegd dat zo lang er
problemen zijn, men naar een zondebok zoekt. Dit zou betekenen dat de
zondebok niet een bepaalde persoon of groep is, maar veeleer een functie,
die door een persoon of groep vervuld wordt. In principe kan dit echter iedereen
zijn. Juist het feit dat iedereen de zondebok kan worden, houdt het fenomeen
mede in stand. Zo lang we anderen tot zondebok maken, vermijden we er zelf een
te worden. Tegelijkertijd verhult het idee van "de zondebok" het feit
dat geweld zich tegen eenieder in de samenleving kan richten.
Met betrekking tot de zondebokkwestie noemt Yamaguchi nog de
psycho-etnologische analyses van Anthony Storr. Storr suggereert dat
intolerantie het tegenstrijdige feit zou kunnen verklaren dat minderheden als
potentieel sterk gezien worden, terwijl ze dat in feite niet zijn. Volgens
Yamaguchi hebben minderheden, hoewel sociaal gezien zwak, op het symbolische
vlak -zonder het zelf te weten- een heel sterke provocerende macht. De macht
van de zwakken ten opzichte van de overheersenden wordt gevormd door het
beeld van negativiteit, ondersteund door de kracht tot provocatie.
Wat is nu de oorzaak van de provocerende macht van de zondebok? Volgens
Yamaguchi is dit de wanorde die de zondebok veroorzaakt en die de vitale
energie bedreigt die de wereld- en groepsorde in stand houdt. Wat de positie van
provocerende elementen ambigu maakt, is naar Yamaguchi's mening het feit dat
op het verborgen vlak cultuur juist afhangt van hetgeen zij uitsluit.
The
identity of a community is ensured by the existence within it of heterogeneous
elements and by the feeling that the interest of the community is not always
shared by these elements (Yamaguchi 1988: 188).
Zo zijn een gemeenschap en haar zondebokken onderling
afhankelijk van elkaar. Het voortbestaan van de gemeenschap vereist zondebokken,
terwijl de zondebok, al dan niet bewust, de gemeenschap blijft provoceren door
semiotische buitensporigheid. Yamaguchi gaat ervan uit dat de provocerende
elementen van een cultuur altijd tot zondebok worden gemaakt. Tegelijkertijd
maken deze elementen cultuur juist dynamisch.
Yamaguchi's standpunt dat voor het voortbestaan van een samenleving
zondebokken nodig zouden zijn, is in feite gevaarlijk. Hiermee kan
tenslotte, net als in Girard's geval, aan de vervolging van zondebokken een
legitimering gegeven worden.
In zijn artikel Founding Violence and Divine Referent plaatst
Henri Atlan (1988: 192-208) zijn vraagtekens bij twee aannames van Girard, die
volgens hem altijd als vanzelfsprekend worden gepresenteerd. Atlan gelooft
dat het mogelijk is voor deze theses alternatieven aan te dragen, die
kloppen met Girard's vooronderstellingen en tevens zijn antropologische
hypothese intact laten.
Het antropologische aspect (het zondebokmechanisme als verklaring
voor de verscheidenheid aan samenlevingen) van Girard's werk accepteert Atlan
volledig. Het christelijke aspect, dat volgens Girard uit dit antropologische
aspect volgt, hoeft er volgens Atlan niet uit te volgen. Girard gaat uit
van een God van de liefde, die tegen geweld is en de mens het middel reikt om
geweld te doen onderdrukken of te stoppen. Atlan vindt het verbazingwekkend dat
Girard's theorie er tegelijkertijd van uitgaat dat alle menselijke
samenlevingen gebouwd zijn op mimetisch geweld, waarbij de redding bovendien in
het zondebokmechanisme ligt.
Voor Girard is het vanzelfsprekend dat het crisis-oplos-mechanisme
alleen kan werken zolang degenen die het beïnvloeden niet weten hoe het
werkt; zo gauw men het begrijpt, stort het in en kan het de gemeenschap niet
langer binden. Atlan betwijfelt, naar mijn idee terecht, of alleen het zich
bewust worden van een verborgen fenomeen al genoeg is om het fenomeen te doen
verdwijnen.
Als alternatief biedt Atlan de God van het geweld. Omdat geen enkele
samenleving zonder het zondebokmechanisme kan bestaan, moet de strijd tegen het
geweld gevoerd worden door het mechanisme om te buigen en te misleiden.
Atlan ziet, geïnspireerd door de Joodse traditie, in de vergeving een manier om
een eind aan dit mechanisme te maken. Hierbij kan dan het principe van
"oog om oog, tand om tand" getransformeerd worden, van een
letterlijke interpretatie naar één in termen van economische compensatie.
Ook Gordon Allport behandelt in zijn boek The Nature of Prejudice
het probleem van de zondebok (1958: 235-250, 330-333). Hij is vooral geïnteresseerd
in de socioculturele factoren die in het spel zijn bij de keuze van
zondebokken. Allport stelt dat hoewel bepaalde psychologische principes
wel wat licht werpen op het proces van vooroordeel, ze niet verklaren waarom
de ene groep wèl en de andere niet tot zondebok wordt gekozen. Hoewel Allport
ook de occasional scapegoat behandelt, gaat hij toch vooral van groepen
uit, die in hun geheel tot zondebok worden gemaakt:
The
nearest to the all-duty scapegoat then is a religious, ethnic, or racial group.
Having permanence and stability, they can be given a definite status and stereotyped
as a group (Allport 1958: 238).
In zijn uiteenzetting van The Scapegoat Theory meldt
Allport dat er in feite twee versies van deze theorie bestaan. In de
bijbelse versie begint het proces bij persoonlijk wangedrag dat via het
schuldgevoel hierover tot displacement leidt. Onder displacement
verstaat men een verschuiving van agressie, weg van de eigenlijke oorzaak van
de agressie naar iets of iemand anders. Ik zal hiervoor de term
"verschuiving" gebruiken.
In de tweede versie begint het proces bij frustratie en loopt via
agressie naar verschuiving. Deze theorie, de frustration-aggression-displacement
theory, gaat uit van drie etappes:
1. frustratie wekt agressie op,
2. agressie wordt verschoven naar relatief weerloze "bokken",
3. deze verschoven vijandigheid wordt gerationaliseerd en gerechtvaardigd
door schuldafschuiving, projectie en stereotypering.
Allport is het eens met deze volgorde, maar noemt (1958:
333) een aantal punten om in gedachten te houden:
1. Frustratie leidt niet altijd tot agressie.
2. Agressie wordt niet altijd verschoven, maar kan ook
naar binnen gericht zijn, of
op de werkelijke bron van frustratie.
3. Verschuiving neemt het gevoel van frustratie niet weg.
De voortdurende frustratie
blijft nieuwe agressie opbouwen.
4. De keuze van zondebokken heeft met het
verschuivingsproces zelf niets te
maken.
5. Voor verschuivingsdoeleinden worden niet altijd
weerloze minderheden
gekozen. Individuen en meerderheden kunnen ook zondebokken worden.
6. De theorie houdt geen rekening met de mogelijkheid van
reëel sociaal conflict.
Bovendien gaat het ervan uit dat het individu een hoop onbewust mentaal
werk
verricht.
Ook Robert LeVine & Donald
Campbell (1972: 117-135) behandelen de frustration-aggression-displacement
theory. Volgens hen vallen hier bijna
alle theorieën sinds 1930 onder, die vooroordeel verklaren uit psychologische
factoren, opererend binnen een sociale context. Het is dus geen puur psychologische
theorie, aangezien het ook aannames maakt over sociale structuur en
culturele tradities. MacCrone (1937, geciteerd in Levine and Campbell 1972:
117) vat de theorie als volgt samen:
The
greater the discipline of group life, its repressions, privations, and
exactions either in the form of moral, religious, or economic sanction, the
greater we can expect its aggressiveness to become at the expense of some other
group or groups.
Volgens MacCrone beschermt het bestaan van een andere
groep (outgroup) de eigen groep (ingroup) tegen interne conflicten
en aggressie. Als zo'n andere groep niet zou bestaan, zou het noodzakelijk
worden er een te verzinnen, al was het maar om de leden van de eigen groep in
staat te stellen om te gaan met (interne en externe) conflicten, zonder de eigen
groep te ontwrichten.
In De Zondebok noemde Girard al bepaalde kenmerken, waardoor
bepaalde (groepen) mensen eerder voor de rol van slachtoffer in aanmerking komen
dan andere. LeVine en Campbell doen dit in het geval van verschuiving:
The
best displacement outgroup has "visibility" (Young, 1932), and can
readily be distinguished from the ingroup. Uniforms, costumes, body
mutilations, and customs are functional for this purpose as well as skin color (LeVine
& Campbell 1972: 120).
Ook hier lijkt het om mensen te gaan, die op de een of
andere manier afwijken van de meerderheid; om Anderen. De Ander wordt kennnelijk
veelal gezien als de potentiële zondebok. Maar wie is de Ander, of is iedereen
een Ander? En als iedereen een Ander is, is dan niet iedereen een potentiële
zondebok?
Hoewel het soms lijkt of Girard's zondebok een volledig
willekeurig gekozen persoon of groep kan zijn, wijzen de slachtofferkenmerken
die Girard geeft op het feit dat de zondebok een Ander is, afwijkend van de
rest.[8]
De rest echter bestaat ook weer uit Anderen.
Over de onderlinge relatie tussen de samenleving en de Ander verscheen
van Bernard McGrane in 1989 het boek Beyond Anthropology: Society and the
Other. McGrane benadrukt in dit boek de beeldvorming over de Ander, en niet
de Ander zelf te behandelen. Hij doet dit door min of meer chronologisch het
veranderende beeld van de Ander te bekijken in de periode vanaf de tijd van de
ontdekkingsreizen tot en met de 19e eeuw.
De Ander kan voor de een iedereen buiten hemzelf zijn, terwijl hij voor
de ander de vreemde/onbekende is, degene die anders is of degene die uit een
andere streek of een ander land komt. Naar mijn idee is de Ander iemand, waarvan
door anderen wordt vastgesteld dat hij anders is, zonder dat hij hiervoor kiest.
Wel kan hij er, afhankelijk van de context, onder bepaalde omstandigheden voor
kiezen anders te blijven. Dit is heel verschillend van degene die bewust
anders wil zijn en zich zo vanaf een bepaald moment gaat profileren.
Zonder dit expliciet te noemen, is voor McGrane de Ander de niet-Europese
Ander, en het beeld van de Ander het beeld dat de Europeaan heeft. Zoals de
ondertitel van het boek, Society and the Other, aangeeft, gaat het om
de wisselende houding van de samenleving als geheel ten opzichte van de Ander.
McGrane beschrijft hier inderdaad houdingen en overtuigingen alsof ze altijd
door alle leden van een samenleving gedeeld worden. Hij illustreert dit
echter aan de hand van individuele voorbeelden uit de literatuur.
Achtereenvolgens behandelt McGrane de Renaissance met het beeld van de Ander als
niet-Christen dus potentiële Christen, de Verlichting met het idee van de Ander
als staande op een lagere trap van de evolutieladder en de Ander van eind 19e/begin
20e eeuw als cultureel verschillend (anders).
Julia Kristeva, zelf Française van Bulgaarse afkomst, ziet de
vreemdeling als belichaming van de haat en van de Ander (Kristeva 1991: 11). In
haar boek De vreemdeling in onszelf houdt zij zich bezig met de vraag
wie deze vreemdeling is en wat zijn plaats is in de westerse cultuur. Daarnaast
vraagt zij zich af wat moreel gezien de juiste houding van een samenleving is
ten opzichte van de vreemdeling. Kristeva, die vrij sterk beïnvloed is door
Freud, concludeert dat de vreemdeling zich (inderdaad) in onszelf bevindt.
Alvorens dit te doen doorloopt zij de geschiedenis van de vreemdeling
op een heel eigen wijze. Zo begint haar boek als volgt:
Vreemdeling: gesmoorde woede diep in mijn keel, zwarte engel die de
helderheid vertroebelt, duister, ondoorgrondelijk spoor (Kristeva 1991: 11).
Kristeva spreekt over de vreemdeling als over een goede bekende. Van zijn
gedrag, gedachten en beweegredenen lijkt zij persoonlijk op de hoogte te
zijn, evenals van de reacties op de vreemdeling. Hoewel Kristeva zijn
gevoelens uitvoerig beschrijft, zegt zij niet letterlijk wie de vreemdeling
is. Duidelijk is dat zij de vreemdeling als een enkeling tussen vreemden
ziet, als de enige die afwijkt ten opzichte van een homogene groep, altijd
op de vlucht of onderweg.
Toebehoren aan geen enkele plaats, geen enkele tijd, geen enkele liefde
(Kristeva 1991: 18).
Op het eerste gezicht lijkt haar boek onmogelijk samen te vatten,
aangezien het uit gedachtenflarden en overpeinzingen is opgebouwd. Gaandeweg
wordt het wat verhalender en chronologischer. Kristeva schrijft over de
vreemdeling in het algemeen en over vreemdeling zijn in Frankrijk, maar
ook over veel beroemde vreemdelingen uit de literatuur, bijvoorbeeld die van
Albert Camus.[9]
Over de positie van de vreemdeling sprak ook Hans Magnus Enzensberger
in 1992 in zijn lezing Die Grosse Wanderung[10].
Enzensberger bedoelt met deze "Grote Trek" de volksverhuizing die
de huidige discussie in Europa beheerst (Enzensberger 1992: 5). In zijn
lezing betoogt hij dat elke migratie hoe dan ook tot conflicten leidt,
aangezien groepsegoïsme en vreemdelingenhaat antropologische constanten
zijn die ten alle tijde aan elke motivering voorafgaan.
Om ze [=deze constanten] in te dammen (...) hebben oude samenlevingen
de taboes en de rituelen van de gastvrijheid bedacht. Die voorzorgsmaatregelen
heffen de status van de vreemdeling echter niet op. Integendeel: ze beschouwen
hem als onveranderlijk. De gast is heilig maar hij mag niet blijven.(Enzensberger
1992: 12)
Terug naar Kristeva, die de rechtspositie van vreemdelingen
bekijkt. Wanneer is men burger en mens, en wanneer niet? Burgerrechten worden
in het algemeen verleend op grond van geboorteplaats en afkomst of bloedband.
Kristeva laat zien hoe we gewend zijn geraakt aan de situatie dat niet al onze
medeburgers dezelfde rechten hebben. Naast het feit dat vreemdelingen over
het algemeen geen stemrecht hebben, zijn de wetten die hun rechten en plichten
vastleggen voor hen ook anders. Deze wetten veranderen naar gelang de
politiek van een land verandert, dus veel sterker dan de "gewone"
wetten.
Uit al die gedachtes en uitspraken over de Ander blijkt dat de Ander
zowel afschrikt als fascineert. Onbekend maakt niet altijd onbemind, onbekend
maakt ook nieuwsgierig. In sommige gevallen kan deze nieuwsgierigheid vrij
snel bevredigd worden:
Toch was ik natuurlijk de 'foreigner', en als zodanig kon ik hier alles
zijn. Voor Sarah was ik de poor refugee, voor de kelner daarstraks, zelf uit
China, een 'Dane maybe?', en de man in de drugstore, eerder die dag, bazig,
somber, zijn hemdsmouwen opgerold, had geen tegenspraak geduld: ik kwam uit
Oostenrijk, Wenen. Hij hoorde het onmiddellijk, zei hij, en hij had zich
alweer van me afgesloten, ik was ingedeeld (Veen 1969: 15).
In andere gevallen daarentegen blijft de Ander een aparte
positie behouden, juist omdat hij maar niet ingedeeld kan worden in de bestaande
groepen. Zo opent Zygmunt Bauman zijn artikel Modernity and Ambivalence
(1990: 143-169) meteen met de volgende uitspraak:
There
are friends and enemies. And there are strangers.
Volgens Bauman staan vrienden en vijanden tegenover
elkaar en is deze tegenstelling heel bepalend: zij zorgt voor het onderscheid
tussen onder andere goed en slecht en mooi en lelijk. Vriendschap en vijandschap
ziet Bauman als de enige vormen van sociale omgang.
Dan komt de vreemdeling die vriend noch vijand is, en beide zou kunnen
zijn, maar de vraag is hoe daarachter te komen. Doordat de vriend-vijandtegenstelling
de basis is waarop al het sociale leven rust èn waarop alle verschillen die
dit sociale leven bij elkaar houden rusten, ondermijnt de vreemdeling het
sociale leven zelf. Volgens Bauman is de vreemdeling dan ook lid van de
familie der ondefinieerbaren. De kracht van de vreemdeling zit in dit
ondefinieerbare; omdat hij niets is kan hij alles zijn.
Aangezien onzekerheid verontrustend werkt en in het ergste geval zelfs
als bedreigend kan worden ervaren, is veel sociale organisatie erop gericht de
frequentie van onopgeloste hermeneutische problemen, welke die onzekerheid
met zich meebrengen, te verlagen. Het meest gebruikelijk is de methode van
territoriale en functionele scheiding. Deze methode reflecteert bestaande
hermeneutische problemen, maar vormt ook een belangrijke factor van hun
voortbestaan en reproductie. Wanneer segregatie voortdurend zorgvuldig in
stand wordt gehouden, zal de kans op onderlinge misverstanden tussen
verschillende groepen niet snel kleiner worden.
De vreemdelingen, de ondefinieerbaren, ontmaskeren de broze kunstmatigheid
van het onderscheid en de indeling; zij zetten de wereld op losse schroeven.
Territoriale en functionele scheiding zijn niet langer afdoende wanneer
iemand, die alleen maar onbekend leek, een vreemdeling blijkt te zijn.
Aangezien de vreemdeling, "the man who comes today and stays tomorrow",
niet weg gaat, wordt het relevant of hij vriend of vijand is.
Doordat de aanwezigheid van
de vreemdeling een begin heeft, heeft het ook de mogelijkheid van een eind.
De vreemdeling blijft overal tussen hangen; zijn verblijf is tijdelijk maar
is dat permanent, hij is fysiek dichtbij terwijl hij geestelijk op een afstand
blijft, hij bevindt zich tussen betrokkenheid en onverschilligheid. De
niet goed te maken zonde van de vreemdeling is dat hij gelijktijdig
verschillende cruciale tegenstellingen omverhaalt die van belang zijn voor de
onophoudelijke pogingen orde te scheppen (Bauman 1990: 150).
Bauman benadrukt dat ook vijandschap een vorm van sociale omgang is.
Hij stelt dat de zogenaamde hechte sociale organisatie van vroegere
kleinschalige gemeenschappen niet van nu verschilt door meer vriendschap, maar
doordat die levenswereld bijna geheel gevuld werd met uitsluitend vrienden en
vijanden. De weinige vreemdelingen werden door de gemeenschap zo snel mogelijk
bij de vrienden danwel vijanden ingedeeld.
Alle supra-individuele groeperingen zijn vooral processen van het
groeperen van vrienden en vijanden. De scheidslijnen worden gecoördineerd zodat
veel mensen dezelfde vrienden en vijanden delen, sterker nog: individuen die een
zelfde groep vijanden delen behandelen elkaar als vrienden. Ook Girard merkt dit
verschijnsel op:
Het beste middel om zich vrienden te verwerven in een onvriendelijke
omgeving is zich te verenigen met de vijandschappen van de anderen en hun
vijanden over te nemen. Wat men in zulke gevallen tegen de anderen zegt komt
altijd op hetzelfde neer: ,,Wij horen allen bij dezelfde kliek, wij vormen
één en dezelfde groep, omdat wij er dezelfde zondebok op na houden"
(Girard 1986: 184).
Terwijl Girard hier de zondebok gelijk stelt aan de
vijand, bevindt bij Bauman de vreemdeling zich juist in een zondebokpositie,
omdat hij vriend noch vijand is. In de moderne stedelijke omgeving ligt de
scheiding van de vriend en de vijand niet meer in de macht van de gemeenschap.
De vreemdelingen zijn niet gelijk aan de bekende vijanden, maar ook niet aan
de vrienden. Er is geen duidelijke regel over de ontmoeting met vreemdelingen.
Natie-staten groeperen de vrienden en vijanden, iets wat voortdurende
kracht en inspanning vereist. Buiten dat elimineren ze ook de vreemdelingen,
of proberen dat. Aangezien op nationaal nivo de vriend/vijand-scheiding niet
meer toepasbaar is, moet hiervoor een compromis gevonden worden. Volgens
Bauman is de natie-staat vooral ontworpen met het doel het probleem van de
vreemdeling, en niet dat van de vijand, aan te pakken. Juist dit kenmerk onderscheidt
de nationale staat van andere supra-individuele sociale instellingen.
Bauman ziet de staat en nationalisme als onafscheidelijk van elkaar.
Natie-staten promoten uniformiteit. De homogeniteit die door de staat wordt
afgedwongen is de toepassing van de nationalististische ideologie.
Were
the national state able to reach its objective, there would be no strangers left
in the life-world of the residents-turned-natives-turned-patriots. There would
be but natives, who are friends, and the foreigners, who are current or potential
enemies. The point is, however, that no attempt to assimilate, transform,
acculturate, or absorb the ethnic, religious, linguistic, cultural and other
heterogeneity and dissolve it in the homogeneous body of the nation has been
thus far unconditionnally successful (Bauman 1990: 155).
Ook Enzensberger merkt op (1992: 13) dat het nationaliteitsgevoel
van de meeste staten in strijd is met het nergens bestaan van naties met een
compacte, etnisch absoluut homogene bevolking. Naar zijn mening is het voor de
"staatsbevolking" juist daarom moeilijk berusten in het bestaan
van minderheden.
Bauman beschrijft het idee van "assimilatie", opgevat als het
proces van "gelijk maken aan", zoals dat opkwam in de tweede helft van
de 19e eeuw. Assimilatie ging uit van de superioriteit van de ene levensvorm
boven de andere, maakte deze ongelijkheid tot uitgangspunt van alle rede en
versterkte het door de discriminatie van "inferieure" sectoren van
de machtstructuur toe te schrijven aan het eigen tekortkomen en anders-zijn.
Inferioriteit van het "vreemde" werd gebracht als een kenmerk van
de groep, ontsnapping was alleen mogelijk voor het individu. Om vanuit de
werkelijke culturele heterogeniteit tot de theoretische uniformiteit te
komen, probeerden nationale staten verschillen via culturele kruistochten weg
te werken. Uiteindelijk werd culturele conformiteit gezien als voorwaarde,
maar ook als middel om burgerschap te verwerven. Het vooruitzicht van volledig
politiek burgerschap was de hoofdoorzaak van de aantrekkingskracht van het
acculturatieprogramma. Hoewel assimilatie de beoogde mensen vervreemdde van
hun samenleving van afkomst, leidde het niet tot een volledige acceptatie door
de dominante natie; na het verlaten van de eigen gemeenschap, kwamen de
geassimileerden in een andere gemeenschap terecht; die van de geassimileerden,
niet minder gemarginaliseerd dan degene, die ze achter zich hadden gelaten.
Bauman gaat er dus van uit dat binnen natie-staten van bovenaf geprobeerd
wordt de aanwezigheid van Anderen of vreemdelingen tegen te werken.
Sommige mensen denken hier anders over. Mitcherlich[11]
(Yamaguchi 1988: 182-183) is van mening dat de samenleving de groepen die zij
als zondebok stigmatiseert, in feite oplegt daar te blijven waar ze zijn. Het
wordt hen verboden zich aan te passen. Mitcherlich noemt het voorbeeld van
de bewoners van Joodse en zwarte ghetto's, aan wie een ideaal negativiteitsbeeld
vrij agressief wordt opgelegd. Om hun situatie te verbeteren blijft voor
de slachtoffers alleen de mogelijkheid van een agressieve respons over.
Maar deze responsen worden dan weer gezien als raciale kenmerken, wat op die
manier het ideale negativiteitsbeeld versterkt en de angst van de rest van
de bevolking doet toenemen.
De situatie geschetst door Mitcherlich, lijkt op het eerste gezicht
sterk te verschillen van die bij Bauman. Waar men bij Bauman Anderen wil
dwingen te assimileren, verbiedt men de aanpassing juist bij Mitcherlich. In
beide gevallen echter probeert men vanuit de meerderheid grip op de Ander te
krijgen, die op de een of andere manier als bedreigend wordt ervaren, zolang
hij niet is ingedeeld.
Het verschil buiten het systeem werkt beangstigend omdat het de waarheid
van het systeem, zijn betrekkelijkheid, kwetsbaarheid en vergankelijkheid
doet vermoeden (Girard 1986: 31).
De psycho-analyticus Edward C. Whitmont (1969/1991:
160-169, 272-274) bespreekt ideeën over het innerlijk van de mens, die op
sommige punten erg op die van Kristeva lijken. Aangezien Kristeva vrij sterk
door de psycho-analyse beïnvloed is, is dit op zich niet verbazingwekkend.
Kristeva ziet de vreemdeling als de verborgen kant van onze identiteit.
Haar boodschap is duidelijk; om de vreemdeling niet meer te verafschuwen in
de ander, moeten we erkennen dat de vreemdeling in onszelf woont. Het gaat
erom met de vreemdeling samen te leven, in plaats van hem te verwelkomen in
een systeem waarin hij niet wordt aanvaard (Kristeva 1988: 11-12). Zij geeft toe
dat zich hierbij wel de volgende (utopische) vraag opdringt:
Kunnen wij persoonlijk, in ons hart, met de anderen samenleven, anderen
beleven, zonder hen te weren maar ook zonder hen aan ons gelijk te maken? (Kristeva
1988: 11)
In zijn visie van de zondebok verbindt Whitmont de zondebok, de
Ander en de vijand met elkaar. Hier komen we weer terecht bij het negatieve
beeld van de Ander. Het is echter belangrijk om in gedachten te houden dat
Anderen niet alleen datgene hebben wat de meerderheid verafschuwt, maar ook
juist wat zij begeert. Dit kan bijvoorbeeld (veronderstelde) vrijheid zijn,
rijkdom of talent.
Whitmont verklaart het beeld dat men heeft van de Ander (de "other
fellow") aan de hand van het fenomeen "schaduw". Met deze
schaduw bedoelt hij dat gedeelte van de persoonlijkheid, dat verdrongen
is ten bate van het ego-ideaal. Aangezien volgens de psycho-analyse al het
onbewuste geprojecteerd wordt, gebeurt dit ook met de schaduw, en ziet
men deze terug in het beeld van de Ander:
The
shadow is the archetypal experience of the "other fellow", who in his
strangeness is always suspect. It is the archetypal urge for a scapegoat, for
someone to blame and attack in order to vindicate oneself and be justified; it
is the archetypal experience of the enemy, the experience of
blameworthiness which always adheres to the other fellow, since we are under the
illusion of knowing ourselves and of having already dealt adequately with our
own problems. In other words, to the extent that I have to be right and good, he,
she, or they become the carriers of all the evil which I fail to
acknowledge within myself (Whitmont 1969/1991: 162).
Die elementen van de persoonlijkheid die ogenschijnlijk
te veel afwijken van de geaccepteerde normen en waarden, kunnen niet bewust in
het zelfbeeld van het ego opgenomen worden. Daarom worden ze onderdrukt, maar ze
verdwijnen niet. Ze werken door als een soort onzichtbaar alter ego; als de
schaduw. Juist door hun onderdrukking blijven deze elementen
onderontwikkeld, negatief en stuurloos. De schaduw bestaat uit complexen, die
de "donkere" kant van iemands persoonlijkheid vormen. Vaak kunnen
anderen deze kant wel zien, maar de persoon zelf niet. Mensen projecteren de
karaktereigenschappen, die ze van zichzelf niet kunnen accepteren, onbewust
op anderen. Wat ze het meest verafschuwen in anderen, bestaat dus in feite
uit datgene wat ze het meest verafschuwen in zichzelf. De schaduweigenschappen
staan zodoende vaak in scherp contrast met de idealen van het ego. Hierover
merkte Adorno al het volgende op:
Lack
of insight into one's own short-comings and the projection of one's own weaknesses
and faults onto others..probably represents the essential aspect of..scapegoating
(Adorno et al. 1950, geciteerd in Oxford English Dictionary 1989: 582).
Voor het fenomeen van de zondebok heeft Whitmont de
volgende verklaring. In de eerste ontwikkelingsfase is het bewustzijn niet in
staat onderscheid te maken tussen beeld en object. Omdat geen objectieve
oorzaken onderscheiden worden, wordt alles ervaren alsof het subjectief
gemotiveerd is en afgehandeld moet worden door middel van taboe en ritueel. Wat
er ook gebeurt, is zo gewild door een "macht" of door "hen".
Deze fase wordt dan ook gekenmerkt door intense angst, schuldgevoel en
fatalisme. Volgens Whitmont kan men zien hoe dit bij kinderen en primitieve
mentaliteiten werkt, in de gewoonte altijd anderen of zichzelf de schuld te
geven voor elke tegenslag. Hierbij wordt niet naar natuurlijke, onpersoonlijke
oorzaken gekeken. Ditzelfde ziet men ook in de massa- en zondebokpsychologie
en in het algemene irrationele wantrouwen ten opzichte van de vreemdeling
of buitenlander (Whitmont 1969/1991: 272-274).
In een later geschreven werk behandelt Whitmont (1982: 105-120) uitvoeriger
de zondebok. Schuld en boetedoening vormen naar zijn mening de basis van de
ethiek en gerechtvaardigde agressie in de moderne wereld. Agressie wordt
gericht op het schuldige zelf, of op een ander, op wie de schuld geprojecteerd
wordt. Omdat de mens zichzelf als goed wil zien en zo gezien wil worden, redeneert
hij zijn asociale en egoïstische behoeftes weg, maar ziet deze heel goed in
de ander.
In de oorspronkelijke zondebokmythe werd één bok gedood, terwijl de
ander, beladen met zonde, de woestijn in werd gestuurd. Terwijl de laatste de
zondebok was, is men steeds meer de geofferde bok als de zondebok gaan zien.
Hier komt Whitmont weer uit bij het verschil tussen onderdrukking en
discipline; waarbij hij het doden van de bok als onderdrukking en het verbannen
van de bok als discipline ziet. Verdrukking van een impuls probeert de impuls te
doden door hem onbewust te maken. Discipline herkent en erkent de impuls, maar
kiest ervoor hem niet uit te voeren.
The
repressed impulse lives on in a distorted, unconscious fashion. It is
projected upon our "guilty" fellow man and woman (Whitmont 1982: 110).
Wanneer er moeilijkheden optreden, is een natuurlijke
verdedigingsreactie de schuld op anderen te schuiven. Een schuldige moet
gevonden worden, een zondebok moet op het blok, of in ieder geval verbannen. Het
Christelijke ideaal van rechtschapenheid heeft voortdurend het bestaan van
een zondaar nodig, aan wie men zich superieur kan voelen.
The
godlike conviction of rightness, of knowing good and evil, appears to justify
ruthlessness against differing attitudes, ethics and ways of living (Whitmont
1982: 112).
Ook in ieders privé-leven zijn schuld en rechtvaardiging
van schuld drijfveren van psychologisch en interpersoonlijk functioneren. Zij
beïnvloeden de manier waarop we anderen en onszelf beoordelen en accepteren.
Volgens Whitmont voelt tegenwoordig vrijwel iedereen in de Westerse cultuur
zich beschaamd en schuldig voor wat hij is. Whitmont stelt dat we onze
aangeboren beweegredenen of talenten pas op de juiste wijze kunnen gebruiken,
als we accepteren dat ze bestaan. Voor veel mensen is dit echter moeilijk of
onmogelijk. Voor Whitmont is de tol voor het moderne uitgangspunt van een
onbegrensde wilsvrijheid een even onbegrensd gevoel van schuld en valse
verantwoordelijkheid. We zijn nu allemaal zondebokken. We geven onszelf
de schuld van daden en verzuimen, welke gewoon feiten zijn van onze natuur die
we niet kunnen helpen. Whitmont heeft het dan ook over "onze culturele
zondeboktraditie"(Whitmont 1982: 116).
Hoewel onderdrukking van de schaduw de minst pijnlijke oplossing lijkt,
is dit volgens Whitmont ook de gevaarlijkste, omdat het mensen onbewust van
hun motieven doet handelen, oftewel onverantwoordelijk. Aangezien de
schaduw zich hoe dan ook soms moet kunnen uitdrukken, pleit Whitmont ervoor
hem onder ogen te zien, zodat zijn optreden zo veel mogelijk in goede banen
geleid kan worden. Dit lijkt mij een reëlere manier om met het probleem van
de vervolging van zondebokken om te gaan, dan die van Girard. Girard is van
mening dat mensen bewust moeten worden gemaakt van waarmee ze bezig zijn,
namelijk het vervolgen van onschuldige slachtoffers, om ze ermee te laten
ophouden. Bewustwording alleen is hier denk ik niet genoeg, zolang er geen
alternatieve "oplossing" wordt geboden. Het is namelijk goed denkbaar
dat mensen, ook al zijn ze zich bewust van de onschuld van de slachtoffers, toch
de behoefte tot afreageren blijven voelen. Dit kan als gevolg hebben dat de
vervolgingen doorgaan, maar tegelijkertijd bij de vervolgers een
(groter) schuldgevoel opwekken dan voorheen, waar ze ook weer een uitlaatklep
voor zoeken enzovoorts.
Wordt het schaduwprobleem niet opgelost, dan heeft het grote sociale
en collectieve implicaties. Zo draagt elke minderheid en elke afwijkende
groep de projectie van de schaduw van de meerderheid. Whitmont heeft het
hier over de meerderheid, maar in feite gaat het bij elke minderheid
weer om een andere meerderheid. Dit in gedachte houdend, blijf ik toch deze term
hanteren. Naast de constante en onopvallende werking van de schaduw van de
meerderheid, -hier denk ik aan hoe deze tot uiting komt in bijvoorbeeld de
rechtspraak- kan deze zich ook
zodanig manifesteren, dat hij duidelijk zichtbaar wordt. Een goed voorbeeld
van zo'n geval is de vervolging van een enkeling of relatief kleine groep door
een massa. Wat is een massa, waar wordt zij door gedreven en wat is haar
relatie met geweld? In een poging enig licht op het fenomeen "massa"
te laten schijnen, behandel ik in het kort de denkbeelden van Sigmund Freud en
Elias Canetti over dit onderwerp.
Zoals men de Ander op kan vatten als iedereen die niet Ik
is, zo hoeft Ik niet alleen ikzelf te zijn, maar kan ook een collectief Ik
zijn of worden, bijvoorbeeld in de massa. Dit proces beschrijft Sigmund Freud
(1987/1921: 9-94) in zijn verhandeling Massapsychologie en Ik-analyse.
Het deel zijn van een massa kan een zodanig effect op het individu
hebben, dat zijn voelen, denken en handelen totaal veranderen. Hierdoor gentrigeerd
vraagt Freud zich af wat een massa precies is, waardoor ze het zieleleven
van het individu zo sterk beïnvloedt en waaruit de door de massa
veroorzaakte psychische verandering bestaat. Hij laat zich hierbij inspireren
door G.Le Bon's ideeën[12]
over de massa[13],
met name door die met betrekking tot de massaziel. Net als Freud legt Le Bon
de nadruk op het onbewuste zieleleven. Zij zijn beide van mening dat in de
massa de individuele bovenlaag van de enkeling vervaagt, waarbij het bij allen
gelijkaardige onderliggende onbewuste aan de oppervlakte komt (Freud
1987/1921: 17). Volgens Freud wordt het individu in de massa onderworpen aan
omstandigheden, die hem toestaan de verdringingen van zijn driftimpulsen van
zich af te werpen. De nieuwe eigenschappen die hij lijkt te hebben, zijn dus in
feite niet nieuw, maar uitingen van zijn onbewuste.
De twee belangrijkste stellingen van Le Bon houden in, dat in de
massa een collectieve remming van de intellectuele prestaties optreedt,
alsmede een toename van de onderlinge affectiviteit bij de leden van de
massa. Freud nu probeert hier een verklaring voor te vinden. Zijn vooronderstelling
hierbij is dat liefdesbetrekkingen (of gevoelsbindingen) het wezen van de
massaziel vormen.
Freud maakt onderscheid tussen verschillende soorten massa's, maar
benadrukt vooral het verschil tussen massa's zonder en massa's met leiders.
Omdat men in sterk georganiseerde, duurzame, kunstmatige massa's duidelijk
bepaalde constellaties kan ontdekken, die bij andere massa's meer verborgen
zijn, schenkt hij hier veel aandacht aan. Als voorbeelden van deze
georganiseerde massa's noemt hij de kerk en het leger. Bij beide heerst dezelfde
illusie dat er iemand aan het hoofd staat (Christus, de veldheer), die alle
individuen in de massa in gelijke mate liefheeft. Voor de individuen in de
massa is dit zeer belangrijk. Deze libidineuze band met de leider is
uiteindelijk een projectie van, en rust op, de libidineuze band tussen vader en
kind. In beide massa's is elk individu niet alleen libidineus gebonden aan
de leider, maar door zijn liefde voor hem, tevens aan de andere massa-individuen.
In deze sterke dubbele binding ziet Freud een mogelijke verklaring voor het
voornaamste verschijnsel van de massapsychologie; de onvrijheid van de
enkeling in de massa.
Om te kunnen begrijpen hoe affectieve bindingen in de massa werken, kijkt
Freud eerst naar affectieve bindingen in het algemeen. Volgens hem bevat vrijwel
elke intieme gevoelsrelatie een bezinksel van vijandige gevoelens, dat men
door verdringing normaal gesproken niet ziet. Deze gevoelens zijn naar mijn idee
vergelijkbaar met wat Whitmont "de schaduw" noemt. Wanneer de vijandigheid
zich tegen geliefde personen richt, spreekt men over gevoelsambivalentie.
Het kan zich echter ook tegen vreemden richten. Interessant is hier te zien
hoe Freud deze vijandigheid verklaart.
In de zich onverhuld manifesterende gevoelens van weerzin en afstoting
jegens vreemden met wie men nauw contact onderhoudt, kunnen wij de uitdrukking
herkennen van een eigenliefde, een narcisme dat zelfhandhaving nastreeft en
dat zich gedraagt alsof het bestaan van een afwijking ten opzichte van het
individueel ontwikkelde een kritiek daarop en een aansporing tot verandering
daarvan impliceert (1987/1921: 47).
Op deze manier wordt begrijpelijk waarom het contact met
Anderen bedreigend kan zijn. Zij laten namelijk zien dat men dingen ook op een
andere manier kan doen, en dat dit vaak net zo goed of misschien zelfs beter
werkt. Hierdoor kan men zich indirect
gedwongen voelen de eigen manier van doen en/of denken te veranderen, terwijl
men daar eigenlijk niet voor voelt. Wat Bauman al zei over de vreemdeling, geldt
eigenlijk voor elke Ander: hij zet de wereld op zijn kop.
Hoe dan ook, Freud noteert (1987/1921: 48) het opvallende feit dat
alle vijandigheid, zowel ten opzichte van geliefde personen als ten opzichte
van anderen, door de massavorming en in de massa verdwijnt. Deze
verdwijning kan tijdelijk, maar ook blijvend zijn.
Zolang de massavorming voortduurt of zover ze zich uitstrekt, gedragen
de individuen zich alsof zij gelijkvormig zijn, dulden zij de eigen aard van
de ander, stellen zichzelf aan hem gelijk en bespeuren geen gevoel van afkeer
jegens hem (1987/1921: 48).
Volgens Freud kan een dergelijke inperking van het narcisme
slechts verklaard worden door de libidineuze bindingen aan andere personen.
Deze bindingen in de massa ziet Freud als liefdesdriften, die van hun oorspronkelijke
(sexuele) doel zijn afgeleid. In deze sterke affectieve bindingen ziet hij de
verklaring voor het afzakken van de enkeling in de massa tot een massa-individu.
De massa als geheel vertoont namelijk duidelijke trekken van psychische
regressie. Met name in de vergankelijke massa, verdwijnt (tijdelijk) alle
individuele ontwikkeling. Volgens Freud gebeurt dit doordat het individu zijn
Ik-ideaal opgeeft en dit verruilt voor het in de leider belichaamde
massa-ideaal (1987/1921: 60). Onder de leden van de massa is een positieve binding
ontstaan, door de gemeenschappelijke tedere binding aan een persoon die
buiten de massa staat. Op deze binding berust het sociale gevoel binnen de
massa. De leden van de massa eisen onderlinge gelijkheid, maar laten dit
niet gelden voor de leider, door wie zij allen overheerst willen worden. Vanwege
dit alles ziet Freud de mens eerder als een hordedier, "een individu in
een door een hoofdman aangevoerde horde" (1987/1921: 69), dan als
een kuddedier.
Terwijl Freud vasthoudt aan de leider-massa verhouding, waarin hij de
verticale lijn van de vader-kind verhouding terugziet, zien we hoe Elias
Canetti de massa meer uit het oogpunt van horizontaliteit benadert. In 1960
schreef Canetti zijn meesterwerk Massa en Macht, waarin hij allerhande
verschillende massa's behandelt en aangeeft waarom mensen zich tot een massa
aangetrokken kunnen voelen. Als belangrijkste eigenschappen van de massa
noemt Canetti (1976: 29) de volgende: de massa wil altijd groeien, binnen de
massa heerst gelijkheid, de massa streeft naar dichtheid en de massa heeft een
richting nodig.
Het eerste onderscheid dat Canetti maakt, is dat tussen de open massa en
de gesloten massa. Dit komt grofweg overeen met Freuds onderscheid tussen de
vergankelijke en de duurzame massa. De open massa ziet Canetti als de natuurlijke
massa. Ze groeit zo veel en zo lang ze kan, totdat ze wel uiteen moet
vallen. De gesloten massa daarentegen blijft afgebakend, zij ziet af van groei
en mikt op duurzaamheid. Belangrijk bij de gesloten massa is haar grens.
Door deze grens kan de massa niet ongehinderd blijven groeien, maar zal ook
minder snel uiteenvallen dan de open massa (Canetti 1976: 15).
De aantrekkingskracht van de massa voor het individu, ligt volgens Canetti
in de mogelijkheid daar (in ieder geval tijdelijk) van zijn "aanrakingsvrees"
verlost te worden.
Voor niets is de mens meer beducht dan voor aanraking door iets onbekends.
Hij wil zien wat naar hem grijpt, hij wil het erkennen of op zijn minst
kunnen thuisbrengen (Canetti 1976: 13).
Doordat de afzonderlijke individuen zich overgeven aan de
massa, verdwijnen al hun onderlinge verschillen. Hiermee verdwijnt ook de
onderlinge angst en de angst om elkaar aan te raken. Canetti noemt dit "het
omslaan van de aanrakingsvrees". Wat in feite gebeurt, is dat iedereen
in de massa zich tegelijk van de last van zijn afstanden bevrijdt. Deze
afstanden kunnen per gemeenschap verschillen; de nadruk kan bijvoorbeeld
liggen op verschil in afkomst, beroep of bezit. Canetti noemt (1976: 16) als
essentieel punt dat ze overal aanwezig zijn, dat ze zich overal in het
bewustzijn van de mensen vastnestelen en dat ze in hoge mate bepalend zijn
voor het gedrag van de ene mens tegenover de andere. De ontlading nu is
het ogenblik waarop allen die tot de massa behoren hun verschillen afwerpen
en zich aan elkaar gelijk voelen.
De verlichting hierover is kolossaal. Ter wille van dit gelukkige
ogenblik, waarin niemand méér, niemand beter is dan de ander, worden de
mensen tot massa (Canetti 1976: 17).
Er is nog een ander aspect, dat massavorming
aantrekkelijk maakt. Mensen worden in de massa niet alleen bevrijd van alle
onderlinge verschillen, maar ook van al hun "bevelsangels".
Gedurende hun leven krijgen mensen van anderen bevelen. Het bevel lijkt iets
eenvoudigs, maar in wezen bestaat elk bevel uit een "prikkel" en een
"angel":
De prikkel dwingt de ontvanger tot uitvoering, en wel zo als met de
inhoud van het bevel overeenstemt. De angel blijft achter in degene die het
bevel uitvoert. Als bevelen normaal functioneren, gelijk men ervan verwacht, is
van de angel niets te zien.(...)
Maar de angel dringt diep door in de mens die een bevel heeft
uitgevoerd, en blijft daar onveranderd zitten.(...) De inhoud van het bevel
blijft in de angel bewaard; zijn kracht, zijn strekking, zijn begrenzing,
alles is voor altijd vastgelegd op het ogenblik waarop het bevel werd gegeven (Canetti
1976: 346).
De angel van een bevel blijft alleen achter, indien het
bevel ook is opgevolgd. Degene die het bevel uitvoert, bewaart in zichzelf al
zijn tegenstand hiertegen, samengebald in de angel. De handeling, uitgevoerd
onder bevel, wordt als wezensvreemd ervaren. Men denkt met weinig betrokkenheid
aan het bevel terug, niet alleen door de haast in de uitvoering, maar mede omdat
het van buiten komt; het is opgelegd.
Om nu van de achtergebleven angel af te komen probeert de bezitter het
oorspronkelijke bevel weer uit te stoten. Dit kan echter alleen als de nieuwe
situatie waarin dit gebeurt, sprekend op de oude lijkt waarin het bevel werd
ontvangen.
Het herstellen van zulke vroegere situaties, maar in omkering, is
een der grootste bronnen van geestelijke energie in het leven van de mens. De
"ambitie", zoals men het noemt, om dit of dat te bereiken, is een
diepe drang om aan bevelen kwijt te raken wat men eens als bevelen heeft
ontvangen (Canetti 1976: 347).
Nu is er een belangrijk onderscheid tussen het bevel aan enkelingen en
het bevel aan velen tegelijk. Doordat het bevel aan velen tegelijk zich meteen
onder hen verbreidt, vormt zich geen angel. De bedreiging die onderhevig is aan
het bevel lost meteen op.
De bevrijding van de afstandsbarrière is reeds beschreven en als ontlading
gekenschetst. Volledigheidshalve moet hieraan worden toegevoegd dat tot deze
afstandsbarrière de bevelsangels horen die in elk individu zin opgestapeld.
In de massa zijn alle individuen gelijk, niemand heeft het recht de ander te
bevelen (...): iedereen beveelt iedereen. Niet alleen ontstaan geen nieuwe angels,
maar men is ook alle oude -voorlopig- kwijt.(...) Dit uittreden uit alles
wat zijn strakke bindingen, zijn grenzen en remmen vormt, is de eigenlijke
oorzaak van de euforie die de mens in de massa ondervindt. Hij voelt zich
nergens vrijer, en dat hij zo wanhopig graag massa wil blijven is alleen omdat
hij weet wat hem naderhand te wachten staat. Als hij tot zichzelf, in
zijn "huis" terugkeert, treft hij alles weer aan, grenzen, remmen en
angels (Canetti 1976: 367).
Canetti beschrijft dus hoe individuen zich altijd keren
tegen degene die hen beveelt, ook al kunnen ze dit op anderen dan de bevelgevers
afreageren. Juist in een situatie waarin niemand het recht heeft de ander te
bevelen, in de massa, voelt de mens zich vrij. Terwijl bij Freud de massa niet
kan bestaan zonder de leider, wil bij Canetti de massa zich eigenlijk verlossen
van de leider, zich ontworstelen aan zijn macht.
Het probleem van de individuen in de massa is nu dat ze zich plotseling
gelijk voelden, maar dit niet werkelijk zijn geworden. Alleen het aangroeien
van de massa weerhoudt hen ervan naar hun persoonlijke problemen terug te keren.
En alleen het vooruitzicht op herhaling van de massavorming verzacht het
effect van de afbrokkeling van de massa.[14]
Vooralsnog echter voelt het individu in de massa zichzelf zo vrij en opgelucht
omdat de afstandsbarrières zijn opgeheven, dat hij wil dat hetzelfde
met de anderen gebeurt. Alles wat nu nog afstanden in stand houdt, vindt hij
bedreigend en ondraaglijk. Alles wat zich tegen de groei van de massa
verzet, wordt door haar gezien als een begrenzing. Hier verklaart Canetti ook
de vernielzucht van de massa mee; dit is een aanval op alle grenzen.
Ruiten en deuren behoren tot huizen, ze zijn het kwetsbaarste deel van
hun begrenzing naar buiten. Als deuren en ruiten zijn ingeslagen, heeft het huis
zijn individualiteit verloren. Iedereen kan dan vrijelijk naar binnen, niets
en niemand daarbinnen is beschut. In deze huizen verschansen zich gewoonlijk,
zo denkt men, die mensen die zich buiten de massa proberen te houden, haar
vijanden. Nu is dat wat hen afzondert vernield.(...) Men kan hen halen (Canetti
1976: 18-19).
Dit citaat van Canetti roept bij mij visioenen op van
gebeurtenissen zoals de Kristallnacht. De massa is ervan overtuigd
dat de mensen in de huizen afzijdig proberen te blijven en dat ze niets met de
massa te maken willen hebben. Hierom ziet ze hen als haar vijanden. Opvallend
is wat Canetti hier als meest spectaculaire middel tot vernieling noemt:
het vuur. Doordat het zo indrukwekkend en onherroepelijk is, ziet de massa
die het gebruikt zichzelf als onweerstaanbaar.
Wat ons terugvoert naar Girard's beschrijving van het vervolgen en
elimineren van de zondebok, is Canetti's behandeling (1976: 52-56) van de
hetzemassa. Deze massa heeft maar één doel en dat is doden. De concentratie
op dit doel is bijzonder groot, alle leden van de massa willen deelnemen aan het
gebeuren of er in ieder geval met hun neus bovenop staan. Omdat aan haar handelen
geen enkel gevaar verbonden is, groeit de hetzemassa snel. Het slachtoffer
namelijk is weerloos, vogelvrij in feite, terwijl de massa veruit superieur
is.
Een ongevaarlijke, toegestane, aanbevolen en met vele anderen gedeelde
moord is voor verreweg het grootste deel der mensen onweerstaanbaar. Hierbij
moet gezegd worden dat de doodsdreiging, waaronder alle mensen zelf staan en
die onder velerlei camouflages altijd werkzaam is, ook als ze niet onophoudelijk
onder ogen wordt gezien, een afwenteling van de dood op anderen tot een
behoefte maakt (Canetti 1976: 52-53).
Canetti komt hier dicht bij Girard in de buurt (of Girard
bij Canetti), die in De Zondebok het volgende opmerkte:
De kleinste mimetische aansporing kan een dichte menigte in beroering
brengen. Hoe zwakker, onbeduidender of, beter nog, fataler het doel is, des te
groter is de geheimzinnigheid die het omgeeft en des te méér begeerte zal
het opwekken (1993: 217).
Helemaal op één lijn liggen Girard en Canetti hier
niet. Girard gaat er namelijk vanuit dat verwarring tot massavorming leidt[15],
terwijl volgens Canetti in bepaalde gevallen massavorming tot verwarring
leidt.
Canetti noemt twee hoofdvormen van dood, die door een horde of volk
tegen de enkeling verordend worden: de uitstoting, waarbij de enkeling
buiten de gemeenschap wordt gezet, en het gezamenlijk doden. Bij deze laatste
vindt de ontlading plaats op het moment dat de massa het hoofd van de terechtgestelde
te zien krijgt. Van wie het hoofd ook is geweest, het is nu een hoofd als alle
andere. Canetti beschrijft (1976: 55) hoe de hoofden van de massa deze
gelijkheid voelen, wanneer ze het hoofd van de dode aanstaren. Was de dode een
machtig iemand, dan voelt de massa ook nog de voldoening van de omkering.
Maar het dode hoofd is ook bedreigend; de leden van de massa herkennen zichzelf
in hem. Terwijl de massa dacht zich door de gezamenlijke moord van de
doodsdreiging te bevrijden, neemt deze hierna alleen maar toe. Als in een
soort vlucht valt de massa uiteen.
Volgens Canetti is de afkeer van het gezamenlijk doden zeer recent, maar
in feite bedrieglijk. Via de krant namelijk (en de televisie kan hier naar
mijn idee zeker aan toegevoegd worden), neemt iedereen dagelijks deel aan
openbare terechtstellingen, zonder de minste verantwoordelijkheid.
In het publiek der krantenlezers is een gematigde, maar door haar
afstand tot de gebeurtenissen des te onverantwoordelijker hetzemassa
blijven voortleven, men zou haast zeggen haar verachtelijkste en tegelijk
stabielste vorm (Canetti 1976: 56).
Een eenduidig antwoord op de in de inleiding gestelde
vraag hoe het komt dat (groepen) mensen zich soms opeens met geweld tegen de Ander(en)
keren, geeft deze scriptie niet. Nu is zo'n eenduidig antwoord moeilijk, zo niet
onmogelijk te geven, gegeven het enorme aantal aspecten dat op zo'n proces van
invloed is. Er zijn mensen die zich er toch aan wagen allerlei inzichten
aaneen te smeden om zo tot een totaaltheorie te komen. De manier waarop
bijvoorbeeld René Girard en Elias Canetti dit doen en/of hebben gedaan vind ik
zeer indrukwekkend. Deze scriptie echter is eerder een beschrijving geworden
van wat een aantal mensen, die zich met de zondebok, de Ander en de massa hebben
bezig gehouden, zoal tegen zijn gekomen en hebben uitgedacht. Hoewel de
gebruikte auteurs nogal van elkaar verschillen, en dan denk ik vooral aan
Girard, Kristeva, Canetti en Freud, laten ze samen zien dat de mens aan de ene
kant een zeer ingewikkeld wezen is, maar aan de andere kant vaak gestuurd wordt
door hele simpele, ogenschijnlijk(?) vaak simplistische beweegredenen.
Aan de hand van deze scriptie wilde ik meer te weten komen over een
aantal zaken en laten zien wat ik zoal gevonden heb. Voor ik begon met het
schrijven van deze scriptie had ik het idee, dat afwijkende minderheden door de
meerderheid worden vervolgd of in een bepaalde hoek worden gedrukt waar ze ongevaarlijk
zijn, vanwege hun anders-zijn. Daarbij dacht ik dat het anders-zijn van de
minderheid de meerderheid angst inboezemde en als bedreigend werd gezien.
Toch lijkt het erop dat mensen altijd (en met name in tijden van crisis)
een zondebok zoeken, en dat de reden die ze aanvoeren voor het vervolgen van
die specifieke zondebok eerder in henzelf dan in die zondebok ligt, dat iedereen
een Ander is en iedereen een potentiële zondebok. Dit feit is bedreigend en
juist daarom blijven mensen zondebokken zoeken; zolang ze iemand anders tot
zondebok maken, zijn ze zelf nog niet aan de beurt. Zolang iemand anders de
schuld draagt, hoeft men die zelf niet te dragen. Canetti had het al over de
constante doodsdreiging die boven ieders hoofd hangt, vaak zonder dat mensen
zich daarvan bewust zijn, en die afwenteling van de dood op anderen tot een
behoefte maakt. Ik denk dat, ook als er niet meteen sprake is van moord en
doodslag, de behoefte tot afwenteling van schuld bij (bijna) iedereen bestaat.
Voor deze scriptie is, om redenen van toegankelijkheid, hoofdzakelijk
gebruik gemaakt van westerse literatuur. Mij lijkt het interessant om te
onderzoeken hoe en in hoeverre dezelfde thema's in de zogenaamde niet-westerse
literatuur worden benaderd. Vragen die hierbij meespelen zijn onder andere de
volgende: komen de fenomenen "zondebok" en "massa"
wereldwijd voor, komen ze op verschillende plekken van de wereld op verschillende
wijze voor, hoe wordt hier op die verschillende plekken tegenaan gekeken? Hoe
wordt vanuit niet-westerse culturen tegen de "Ander" aangekeken? Ook
het thema massa, dat hier slechts aangestipt is, verdient meer aandacht.
Hierbij zouden theorie en actualiteit meer aan elkaar gekoppeld kunnen worden.
Tot slot ter overdenking een citaat van Elie Wiesel:
Men wordt al zeer snel een vreemdeling, het volstaat zo te worden
behandeld (1993).
Allport, Gordon W.
1958
The Nature of Prejudice. New York: Doubleday & Company,
Inc.
Altink, Sietske
1985
De mythe van de minderheid. Utrecht/Antwerpen: Veen, uitgevers.
Arendt, Hannah
1960
The Origins of Totalitarianism. New York: Meridian Books,
Inc.
1970
Geweld / Macht en Onmacht. Utrecht/Antwerpen: Spectrum.
Atlan, Henri
1988
Violence and Truth: On the Work of René Girard. London: The Athlone
Press, 192-208.
Bauman, Zygmunt
1990
Global Culture: Nationalism, globalization and modernity. A Theory,
Culture & Society special issue. London, Newbury Park, New Delhi: SAGE
Publications, 143-169.
Beek, Wouter van (red.)
1988
Mimese en geweld: Beschouwingen over het werk van René Girard.
Kampen: Kok Agora.
Bladel, Louis van
1980
Christelijk geloof en maatschappijkritiek;
Evangelie-Marx-Marcuse-Baudrillard-Girard. Antwerpen/Amsterdam:
Uitgeverij De Nederlandsche Boekhandel.
Burkert, Walter, René Girard and
Jonathan Z.Smith
1987
Violent Origins: Walter Burkert, René Girard, and Jonathan Z.Smith on
Ritual Killing and Cultural Formation. Stanford, California: Stanford
University Press.
Canetti, Elias
1976
Massa en Macht. Amsterdam: Polak & Van Gennep Uitgeversmaatschappij
BV.
Dale, Johan Hendrik van
1992
Groot woordenboek der Nederlandse taal. Utrecht, Antwerpen: Van
Dale Lexicografie.
Elias, Michael
1985
Het culturele geheugen van René Girard. Intermediair 49: 61-63.
Enzensberger, Hans Magnus
1992
De Grote Trek. Amsterdam: De Volkskrant.
Featherstone, Mike (ed.)
1990
Global Culture. Nationalism, globalization and modernity. A Theory,
Culture & Society special issue. London, Newbury Park, New Delhi: SAGE
Publications.
Freud, Sigmund
1921/1987
Sigmund Freud Nederlandse Editie: Cultuur en Religie 5. Amsterdam:
Boom Meppel.
Girard,René
1990
Wat vanaf het begin der tijden verborgen was... Een onderzoek in
samenwerking met Jean-Michel Oughourlian en Guy Lefort. Kampen: Uitgeverij
Kok Agora, Kapellen: DNB/Uitgeverij Pelckmans.
1993
De Zondebok. Kampen: Uitgeverij Kok Agora, Kapellen: DNB/Uitgeverij
Pelckmans.
Haar, Barend ter
1990
Van Oost naar West: Racisme als mondiaal verschijnsel. Baarn/Den Haag:
Ambo/Novib, 18-33.
Kaptein, Roel & Tijmes, Pieter
1987
De ander als model en obstakel. Een inleiding in het werk van René
Girard. Kampen: Kok Agora. Koenen, M.J. en Drewes, J.B.
1976
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal. Groningen: H.D.
Tjeenk Willink BV.
Kristeva, Julia
1991
De vreemdeling in onszelf. Amsterdam: Uitgeverij Contact.
1993
Nations Without Nationalism. New York: Colombia University Press.
Lebeau, Paul
1960
De Zondebok. Hasselt: Uitgeverij Heideland. Vlaamse Pockets 20.
LeVine, Robert A., and Campbell,
Donald T.
1972
Ethnocentrism: Theories of Conflict, Ethnic Attitudes, and Group
Behavior. New York: John Wiley & Sons, Inc.
McGrane, Bernard
1989
Beyond Anthropology: Society and the Other. New York: Colombia
University Press.
Oxford English Dictionary. Second
Edition.
1989
Oxford: Clarendon Press.
Stamelman, Richard
1993
The Strangeness of the Other and the Otherness of the Stranger: Edmond
Jabès. Yale French Studies 82, volume 1: 118-134.
Staub,Ervin
1989
The Roots of Evil: The Origins of Genocide and Other Group Violence.
Cambridge: Cambridge University Press.
Trotter, W.
1916
Instincts of the Herd in Peace and War. London.
Veen, Adriaan van der
1969
Vriendelijke vreemdeling. Amsterdam: Querido Uitgeverij N.V.
Vries, J. en Tollenaere, F. de
1991
Etymologisch woordenboek. Utrecht: Uitgeverij Het Spectrum BV.
Whitmont, Edward C.
1969/1991
The Symbolic Quest: Basic Concepts of Analytical Psychology.
Princeton, New Jersey: Princeton University Press.
1982
Return of the Goddess. New York: The Crossroad Publishing Company.
Wiesel, Elie
1993
Angst voor de vreemdeling is angst voor onszelf. Volkskrant, 14 augustus.
Yamaguchi, Masao
1973
La Structure mythico-théâtrale de la royauté au Japon traditionnel. Esprit, février.
1988
Violence and Truth: On the Work of René Girard. London: The Athlone
Press, 179-191.
blz.5
scapegoating
De daad of gewoonte van iemand een zondebok te maken; spec.
in Psychol., agressief afstraffend gedrag, om de een of andere reden
gericht tegen andere (zwakkere) personen of groepen (1989: 582).
scapegoat
1. In het
Mozaïsche ritueel van de Grote Verzoendag (Lev. xvi), diegene van de twee
geiten die door loting werd gekozen om levend de wildernis ingezonden te
worden, nadat de zonden van het volk symbolisch op hem gelegd waren, terwijl
de ander werd aangewezen om geofferd te worden.
2. Iemand
die de schuld krijgt van of die gestraft wordt voor de zonden van anderen. (Zoals F. bouc émissaire.)
blz.18
Het cyclische en seizoensritueel van de zondebok draagt
bij tot de punctuatie van tijd door het negatieve beeld van de samenleving te
doen verschijnen. In talrijke samenlevingen, waarin homogene tijd als oorzaak
van inertie gezien wordt, wordt het verschijnen van de negatieve elementen die
zich gedurende het jaar hebben opgehoopt als noodzakelijk gevoeld om ze
vervolgens te kunnen verdrijven.
blz.19
Het beeld van het negatieve (...) wordt gebruikt, wanneer
een probleem rijst, om het element te identificeren dat als bedreigend voor de
individuele of collectieve identiteit wordt gezien.
blz.20
De identiteit van een gemeenschap wordt verzekerd door
het bestaan van heterogene elementen binnen deze gemeenschap en het gevoel dat
het belang van de gemeenschap niet altijd door deze elementen gedeeld wordt.
blz.21
Het dichtst bij de voor alle doeleinden geschikte
zondebok komt dan een religieuze, ethnische, of raciale groep. Vastigheid en
stabiliteit hebbend, kan hun een definitieve status gegeven worden en kunnen
ze als groep gestereotypeerd worden.
blz.23
Hoe groter de discipline van het groepsleven, zijn
onderdrukking, ontberingen, en buitensporige eisen, zowel in de vorm van
morele, religieuze alsook economische sancties, hoe groter we kunnen verwachten
dat zijn agresssiviteit wordt ten koste van een andere groep of andere
groepen.
De beste vervangingsoutgroup heeft
"zichtbaarheid" (Young, 32), en kan gemakkelijk onderscheiden worden
van de ingroup. Uniformen, klederdracht, lichaamsverminkingen, en
gebruiken zijn voor dit doel functioneel, evenals huidskleur.
blz.27
Er zijn vrienden en vijanden. En er zijn vreemdelingen.
blz.29
Zou de natie-staat in staat zijn haar doel te bereiken,
dan zouden er geen vreemdelingen over blijven in de levenswereld van de
bewoners-die-inwoners-die-patriotten-zijn-geworden. Er zouden alleen inwoners
zijn, die vrienden zijn, en de buitenlanders, die vijanden of potentiële
vijanden zijn. Het punt is echter, dat geen enkele poging de ethnische,
religieuze, taalkundige, culturele en andere heterogeniteit te assimileren,
transformeren, accultureren, of absorberen en op te lossen in het homogene
lichaam van de natie tot dusverre onvoorwaardelijk succesvol is geweest.
blz.31
De schaduw is de archetypische beleving van de
"andere persoon", die in zijn vreemdheid altijd verdacht is. Het is
de archetypische behoefte aan een zondebok, iemand om de schuld aan te geven
en om aan te vallen om zichzelf te bewijzen en gelijk te krijgen; het is de
archetypische beleving van de vijand, de beleving van
schuldkrijgwaardigheid die altijd aan de andere persoon gekoppeld is, aangezien
we allemaal in de illusie verkeren onszelf te kennen en reeds afdoende met onze
eigen problemen afgerekend te hebben. Met andere woorden, in zoverre ik gelijk
moet hebben en goed moet zijn, worden hij, zij, of zij (hullie) de
dragers van al het kwaad dat ik niet slaag te erkennen in mijzelf.
blz.32
Gebrek aan inzicht in de eigen tekortkomingen en de
projectie van de eigen zwakheden en gebreken op anderen..geeft waarschijnlijk
het essentiële aspect weer van..scapegoating.
blz.33
De onderdrukte impuls leeft voort op een verwrongen,
onbewuste manier. Hij wordt geprojecteerd op onze "schuldige"
medemens.
De goddelijke overtuiging van het gelijk hebben, van het
kennen van goed en kwaad, lijkt meedogenloosheid te rechtvaardigen ten opzichte
van afwijkende meningen, ethiek en levensvormen.
E-mail adres
auteur j.korfage@hotmail.com
|
|
1. In the Mosaic ritual of the Day of Atonement (Lev. xvi),
that one of two goats that was chosen by lot to be sent alive into the
wilderness, the sins of the people having been symbolically laid upon it,
while the other was appointed to be sacrificed.
2. One who is blamed or punished for the sins of others. (So F. bouc émissaire.)
[2]Dit
zondebokmechanisme noemde Girard voor het eerst in 1972, in zijn boek La
violence et le sacré.(de Valk in Girard 1986: 252)
[5]Naar
de Valks mening is Girard in De Zondebok minder breedsprakig,
abstract en vermoeiend dan in zijn andere boeken.
[6] Yamaguchi verwijst naar zijn artikel La
Structure mythico-théâtrale de la royauté au Japon traditionnel uit
1973.
[10]de
tiende Van der Leeuw-lezing, gehouden op 23 oktober in de Martinikerk te
Groningen. De lezing werd onder de titel De Grote Trek gepubliceerd
door de Volkskrant. Het hier beschrevene is gebaseerd op deze publicatie.