VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
verschenen
in: Het Verstrand 1 (1), maart 2005, p. 2-6.
NEUROLOGIE
EN EXPERIMENTELE PSYCHOLOGIE:
Een nieuwe, revolutionaire
kijk op nabootsing, intentie en geweld.
Simon De Keukelaere
If
any two men desire the same thing,
which
nevertheless they cannot both enjoy,
they
become enemies.
HOBBES,
Leviathan
Hoe zit de mens in elkaar? Wat is eigen aan de mens? Waarin verschilt de mens van de dieren? Aristoteles gaf op deze laatste vraag ooit het volgende antwoord: 'de mens onderscheidt zich van de andere dieren doordat hij het best in staat is om na te bootsen' (Poetica, 4). Het is duidelijk dat zowat alles in het menselijke gedrag aangeleerd is en culturele overdracht, leren, verloopt onvermijdelijk via imitatie. Indien de mens plots ophield te imiteren, dan zouden alle vormen van cultuur in rook opgaan.1 Toch is het thema imitatie binnen de menswetenschappen niet bijzonder populair. Zeker binnen de lange traditie waarin de hoogste deugd originaliteit is en nabootsing de antipode van originaliteit. Imitatie is wat van ons passieve en onnadenkende kuddedieren zou maken. Imitatie is eigen aan le Moi inférieur van Valéry, of aan wat Heidegger in Zijn en Tijd minachtend het men, das Man noemt.
In de laatste decennia echter en nog meer in de laatste jaren is in onze kijk op nabootsing een fenomenale ommezwaai gebeurd. Binnen de zogenaamde harde wetenschappen en meer bepaald in de neurologie en de experimentele psychologie is nabootsing vandaag een hot topic. Dit vooral dankzij een aantal toevallige, maar uiterst belangrijke, recente ontdekkingen. Die hebben de oude visie op imitatie als zijnde een vrij banale, kinderlijke en hersenloze vaardigheid grondig door elkaar geschud.2 Zo werd nog geen drie jaar geleden een wetenschappelijk colloquium over het onderwerp als volgt ingeleid: Imitation is often thought of as a low-level, relatively childish or even mindless phenomenon. This may be a serious mistake. (Hurley & Chater, 2002).
Revolutionaire
ontdekkingen
In 1977 wilden twee Amerikaanse vorsers, Andrew Meltzoff en Keith Moore, de door Piaget uitgewerkte ontwikkelingsstadia van het preverbale leren bij het kind testen. Bij dat vroege leren speelt imitatie, aldus Piaget, geen rol. Want volgens de bekende Zwitserse psycholoog treedt imitatie van de ander pas op rond het eerste levensjaar. Toevallig ontdekten Meltzoff en Moore dat ook pasgeborenen in staat waren te leren door imitatie. Volgens de invloedrijke theorieën van Piaget was dat volstrekt onmogelijk. Die leer vooronderstelde een elementaire vorm van symbolische representatie voor er sprake kon zijn van nabootsing. Dat bleek dus fout. De onderzoekers deden hun experimenten nog eens over en vonden dat babys met een gemiddelde leeftijd van 32 uur (het jongste was slechts 42 minuten oud) perfect in staat waren wat ze bij volwassenen zagen na te bootsen. (Meltzoff & Moore, 1983, 1989). Het bestaan en vooral het belang van die bekwaamheid bij pasgeborenen was iets wat zowat alle voorgaande theoretici van het cognitieve bij kinderen ontgaan was: the existence of immediate imitation in development was hardly suspected and its role was ignored (Nadel & Butterworth, 1999).
Een tweede mijlpaal in het onderzoek, dit keer niet binnen de experimentele psychologie, maar binnen de neurowetenschappen is nog veel recenter. De jaren negentig van de 20e eeuw worden wel eens de years of the brain genoemd (zie Garrels, 2004), maar een van de belangrijkste vondsten van de neurowetenschappen in het laatste decennium is nog zo goed als onbekend. Die vondst heet spiegelneuronen. Het hoofd van het Centre of Brain and Cognition van de Universiteit van California omschrijft het belang van de vinding als volgt:
The
discovery of mirror neurons
is the single most important unreported story of
the decade. I predict that mirror neurons will do for psychology what DNA did
for biology: they will provide a unifying framework and help explain a host of
mental abilities that have hitherto remained mysterious and inaccessible to
experiments. (Ramachandran, 2000)
De gevolgen van die ontdekkingen voor onze kennis over het
functioneren van het menselijk brein zijn niet te onderschatten. Zoals ook Robert
Sylvester het onlangs stelde:
La découverte des neurones miroirs est absolument
renversante. Cest aussi la découverte la plus importante et elle est
pratiquement négligée parce quelle est si monumentale que nul ne sait
quen faire. 3
(De
ontdekking van spiegelneuronen is adembenemend. Het is ook de belangrijkste
ontdekking en ze is zo goed als verwaarloosd omdat ze zo monumentaal is dat
niemand weet wat ermee aan te vangen.)
Die ontdekking gebeurde, zoals aangestipt, eerst bij apen,
maar later werden de gegevens ook bij mensen bevestigd. Onlangs vond Shirley
Fecteau (in een onderzoek geleid door Hugo Théoret aan de universiteit van
Montréal) dat spiegelneuronen ook bij heel jonge kinderen aanwezig en actief
zijn. Maar nabootsing is zeker geen beperkte kinderlijke vaardigheid. In
een recent interview preciseert Fecteau dat de netwerken van spiegelneuronen bij
volwassenen nog veel sterker ontwikkeld zijn dan bij kleine kinderen. 4
Wat het verschil met de apen betreft: neurologen hebben vastgesteld dat het menselijke brein een veel grotere imitatiecapaciteit vertoont dan dat van andere primaten. The human mind demonstrates a greater development of imitative phenomena throughout the lifespan, both quantitatively and qualitatively. (Garrels, 2004)
De neurologische impact van nabootsing blijkt immens. Het
is dan ook geen verrassing dat nabootsing vandaag niet meer als een onbelangrijk
epi-fenomeen of een vaardigheid geldt, maar als de belangrijkste bouwsteen voor de gehele menselijke ontwikkeling. Zoals
Scott Garrels het samenvat:
Convergent
evidence across the modern disciplines of developmental psychology and cognitive
neuroscience demonstrate that imitation based on mirrored neural activity and
reciprocal interpersonal behaviour are what scaffold human development (p. 3)
Imitatie blijkt niet alleen cruciaal voor de cognitieve
ontwikkeling van het kind, maar ook bij volwassen zou het de meest essentiële
karakteristiek zijn van intermenselijke relaties, want het fundament van mentale
representaties, van empathie, taal en intersubjectieve ervaringen. Dat empathie
kan uitgelegd worden aan de hand van spiegelneuronen valt gemakkelijk te
begrijpen. Heel snel al ervaart het kind de ander namelijk als iets dat
hetzelfde doet (of kan doen) als ik. Door te imiteren en geïmiteerd te
worden leren (of beter: ervaren)
kinderen dat van al de objecten in hun omgeving enkel mensen hetzelfde kunnen
beleven als hen. Onlangs heeft onderzoeker H. Theoret (Université de Montréal)
aangetoond dat autisme (gekenmerkt door een empathiedeficit) mede kan
verklaard worden door een disfunctioneren van de spiegelneuronen.
De oude visie
Aristoteles schreef al dat de mens een sociaal dier is, dat hij niet gemaakt is om alleen te leven. De recente ontwikkelingen die hierboven heel kort (te kort) aangeraakt werden leveren hiervan het bewijs, meer nog, het intersubjectieve en dynamische proces genaamd nabootsing is vitaal voor de menselijke ontwikkeling en cultuuroverdracht gedurende het hele leven in ways that we are just beginning to understand. (Hurley & Chater, 2002).
Toch werd het cruciale
belang van imitatie voor de mens steeds onderschat. Het is merkwaardig dat daar
nu pas verandering in komt. Plato was een van de eerste die het fenomeen
nabootsing onder de loep nam, maar hij reduceerde het tot een
vaardigheid. Filosofische systemen na Plato behielden die beperkte visie
op imitatie die sterk heeft bijgedragen tot het moderne concept van het
autonome zelf. (Garrels, 2004) De invloedrijke erfenis van Plato en de
Verlichting heeft gemaakt dat zowel Freud als Piaget de mogelijkheid van
intersubjectieve imitatie in het eerste levensjaar a-priori
uitsloten. It is clear
that there is no place in Freuds theory of early infancy for imitative
self-other reciprocity. (Trevarthen,
Kokinaki, & Fiamenghi, 1999, p. 155). Een belangrijk gevolg van die traditie
was een reeks valse ideeën over nabootsing. Die zijn, kort samengevat (Garrels,
2004):
1)
Mensen hebben
het imiteren geleidelijk aan geleerd
gedurende de eerste levensjaren.
2)
Voor nabootsing
was op zijn minst een elementair niveau van symbolische representatie vereist.
3)
Pasgeborenen
maken de link niet tussen het gedrag dat ze zien bij anderen en wat ze bij
zichzelf voelen.
4)
Eenmaal het
kind kan nabootsen blijft het een dom en hersenloos fenomeen.
Het was
niet voor de jaren 70 van de vorige eeuw dat imitatie een sleutelbegrip werd
in psychologische referentielijsten. Voor 1970 hebben Nadel & Butterworth
(1999) tien studies teruggevonden over nabootsing over de verschillende
leerstadia heen. In 1978 waren dat er al zesenzeventig. Vandaag is
nabootsing de spil van een bloeiend en interdisciplinair onderzoek in de
ontwikkelingspsychologie, experimentele psychologie, neurowetenschappen, linguïstiek,
ethologie, culturele evolutie, evolutionaire biologie en artificiële
intelligentie.
Nabootsing
en intentie
Uit
empirisch onderzoek blijkt dat imitatie niet alleen uiterst belangrijk is, maar
bovendien ook veel complexer en paradoxaal genoeg intiemer en
intelligenter dan Plato en Aristoteles de eerste theoretici van de mimesis
vermoedden. Voor zowel Plato als Aristoteles heeft nabootsing vooral
betrekking op representaties en uitingsvormen. Zaken als intentie
en verlangen worden pas heel recent
(eind jaren 1990) in het onderzoek betrokken. Meltzoff, vandaag directeur van
het Institute for Learning and Brain
Sciences in Washington, ontwierp een reeks experimenten waarin nabootsing
gebruikt werd om te begrijpen hoe een kind door de uitingsvormen en het gedrag
van volwassen heen de verborgen intenties kon lezen. (Garrels 2004) In een
eerste proef bij kinderen van ongeveer 18 maanden werd een mislukte poging
om het ene uiteinde van een speelgoedhaltertje te halen gedemonstreerd. De
onderzoeker hield het ene eind van het haltertje vast met de ene hand en
trachtte het andere einde er af te halen met de andere hand. In plaats van de
handeling te volvoeren greep de onderzoeker per ongeluk naast het mikpunt.
Het kind zag dus nooit het uiteindelijke doel van de handeling. Gebruik makend
van verschillende controlegroepen, merkten de vorsers dat de kinderen de
intentie van de onderzoeker doorhadden en dat ze eerder het bedoelde plan (het
uiteinde eraf halen) volvoerden dan de mislukte handeling na te bootsen. Ze
bootsten dus de intentie van de
onderzoeker na, in plaats van de uitingsvorm. Zoals Meltzoff het samenvat: Evidently, young toddlers can understand
our goals even if we fail to fulfill them. They choose to imitate what we meant
to do, rather than what we mistakenly do. (Meltzoff & Decety, 2003, p.
496)
Het
tweede experiment was bedoeld om te zien of kinderen ook aan levensloze objecten
bepaalde intenties zouden toeschrijven. Om dat te testen werd gebruik gemaakt
van een klein toestel met armen en grijpers dat dezelfde mislukte
handeling demonstreerde als die van de onderzoeker in het eerste experiment. Als
snel werd duidelijk dat peuters die de demonstratie hadden gekregen niet beter
in staat waren een intentie af te leiden en de handeling te volvoeren dan
peuters die geconfronteerd werden met het stukje speelgoed zonder demonstratie.
Kinderen lijken dus geen intenties toe te schrijven aan levensloze objecten.
Een
derde experiment zou nog duidelijker maken hoezeer het kind gefocust is op de
intentie van zijn soortgenoten en hoe belangrijk die is. In die proef werden de
uiteinden van het speelgoedhaltertje vastgelijmd zodat ze er niet af getrokken
konden worden. De onderzoeker deed een poging om het eraf te halen, maar zijn
hand gleed van het haltertje weg. Bij de kinderen gebeurde noodzakelijkerwijs
precies hetzelfde (omdat de uiteinden vastgelijmd waren), maar ze waren helemaal
niet tevreden met het gewoon reproduceren van wat ze gezien hadden bij de
volwassene. In plaats daarvan grepen ze herhaaldelijk naar de uiteinden, beten
erin en riepen vragend naar moeder en onderzoeker, wat volgens de vorsers
duidelijk aantoont dat ze trachtten de intentie van de volwassene na te bootsten
en niet de geziene handeling. Meltzoff
schrijft:
This
work reinforces the idea that the toddlers are beginning to focus on the
adults goals, not simply their surface actions. It provides developmental
roots for the importance of goals in organizing imitation in older children and
adults (Meltzoff, 2002, p. 32).
Verschillende
onderzoekers gaan hier nog een stapje verder en stellen dat nabootsing bij de
mens op een fundamenteel niveau steeds de nabootsing van intenties en
doelen inhoudt in plaats van bewegingen of acties. Deze hypothese eigenlijk
een deductie uit de grote hoeveelheid empirische gegevens die alle in die
richting wijzen werd the goal-directed theory of imitation gedoopt. (Trevarthen,
Kokkinaki, & Fiamenghi, 1999; Wohlschlager & Bekkering, 2002).
The
goal-directed theory of imitation allows imitators to learn from models even if
the differences in motor skills or in body proportions are so huge that the
imitator is physically unable to make the same movement as the model. Whatever
movement the imitator uses, the purpose of learning by imitation can be regarded
as being fulfilled as soon as he reaches the same goal as the model. (Wohlschlager
& Bekkering, 2002, p. 104)
Literaire
kritiek en neurowetenschappen
Verschillende
decennia voor de spectaculaire bloei van de wetenschappelijke interesse in
nabootsing had een menswetenschapper al een antropologische theorie uitgebouwd
rond imitatie. Zijn basishypothese was, vreemd genoeg, dat imitatie niet zozeer
op uiterlijke fenomenen betrekking heeft, maar op intenties, op het verlangen.
Die theoreticus van wat hijzelf het mimetische verlangen noemt is René
Girard, een Frans-Amerikaanse antropoloog en literair criticus die vandaag
op hoge leeftijd nog steeds onverstoorbaar werkt aan het uitbouwen van zijn
theorie. De gelijkenissen tussen de wetenschappelijke conclusies die vandaag
getrokken worden uit recent empirisch onderzoek en zijn theorie die hij in
eerste instantie ontdekt heeft door belangrijke literaire teksten te
analyseren zijn opmerkelijk. Zoals
klinisch psycholoog Scott Garrels schrijft:
The
parallels between Girards insights and the only recent conclusions made by
empirical researchers
concerning imitation (in both development and the evolution of species)
are extraordinary. (Garrels,
2004, p. 29)
In de
jaren zestig en zeventig heeft Girard met zijn inzichten binnen de
menswetenschappen weinig brokken gemaakt. Bovendien was het onderwerp imitatie
in die tijd volledig uit de mode en
zoals Girard het zelf vaak heeft aangetoond, spelen nabootsing en modes een vaak
tirannieke rol ook binnen de wetenschappen! Het is dus niet alleen frappant
dat Girard zijn hypotheses rond de centrale rol van nabootsing net binnen dat
redelijk vijandelijk klimaat heeft opgebouwd, maar ook dat vandaag blijkt dat
zijn onderzoek van literaire teksten en culturele antropologie op een van de
belangrijkste huidige wetenschappelijke revoluties binnen de experimentele
psychologie en de neurowetenschappen vooruitliep. Zoals Garrels het nog opmerkt:
What
makes Girards insights so remarkable is that he not only discovered and
developed the primordial role of psychological mimesis during a time when
imitation was quite out of fashion, but he did so through investigation in
literature, cultural anthropology, history,
(Garrels, 2004, p. 29)
Mimesis
en geweld
Waarom
is het überhaupt belangrijk dat nabootsing misschien iets met geweld te maken
heeft? Uit onafhankelijk onderzoek blijkt vandaag dat dynamische nabootsing een
van de belangrijkste karakteristieken en ontwikkelingsvoorwaarden is van de
mens. De vorsers zijn het erover eens dat ons brein omschreven kan worden als
een fenomenale imitatiemachine die veel krachtiger werkt dan bij andere
primaten. Uit een gewoon alledaags vermoeden voor wat de mens vandaag betreft en
uit talloze recente archeologische bronnen voor wat onze voorouders betreft,
kunnen we ook afleiden dat van alle dieren de meest gewelddadige soort
ongetwijfeld
. de mens is.
Honderd
jaar geleden zou een dergelijk vermoeden, namelijk dat er misschien wel een
essentieel, nog vrij slecht gekend verband bestaat tussen nabootsing en (het
ontstaan van) menselijk geweld wellicht ondenkbaar zijn. De grote theoreticus
van de oude imitatie, Gabriel Tarde, auteur van Les Lois de Limitation (voor het eerst gepubliceerd in 1890),
definieerde nabootsing nog als dé oorzaak van sociale harmonie. Zonder volledig fout te zijn, lijkt het erop dat die visie
op zijn minst onvolledig is. Want:
1)
Imitatie is van
cruciaal belang voor de volledige menselijke ontwikkeling en voor alles wat
typisch menselijk is:
It
is beginning to look, in light of recent work in the cognitive sciences, as if
imitation is a rare, perhaps even uniquely human ability, which may be
fundamental to what is distinctive about human learning, intelligence,
rationality, and culture
in ways that we are only just beginning to
understand. (Hurley & Chater, 2002)
2)
Volgens Tarde
zou imitatie de grote factor van harmonieus menselijk gedrag zijn.
De tweede conclusie lijkt de meest aannemelijke. Maar wat
kunnen we dan wel over het hoofd gezien hebben wat de specifieke aard van
menselijk geweld betreft?
Mimetische
rivaliteit
Beelden
we ons het volgende uiterst banale scenario in. We plaatsen twee peuters in een
kamer vol speelgoed. De eerste peuter begint achteloos aan een willekeurig stuk
speelgoed te prutsen. De tweede onderbreekt zijn activiteiten en focust zijn
aandacht op de ander. Plots tracht hij het speeltje aan zijn maatje te
ontfutselen. Die was niet zo geïnteresseerd in dat stuk speelgoed, maar nu de
andere peuter belangstelling vertoont, wil hij het zeker niet meer afgeven en
koppig houdt hij het vast. Tranen, frustratie en ruzie zijn het gevolg. Dit is,
zoals aangestipt, een bijna belachelijk banale observatie (waar geen
gesofisticeerd laboratorium voor nodig is, iedere ouder kan zoiets vaak, tot
vervelens toe, verifiëren). Toch bevat die simpele observatie in een
notendop een schat aan informatie over het paradoxale functioneren van het
menselijke brein.
Op
heel korte tijd is een willekeurig object waar beiden a-priori
geen speciale interesse voor vertoonden het voorwerp van een intens verlangen
geworden, zo intens dat gewelddadig gedrag het gevolg was. Dat is wat René
Girard mimetische rivaliteit noemt. Mensen verlangen niet zozeer wat anderen
hebben, maar vooral wat anderen verlangen.
Zo kan een object dat op zich vrij onbelangrijk is plots ongelooflijk in waarde
stijgen door (onbewuste) wederzijdse imitatie van het verlangen, een merkwaardig
en treffend voorbeeld van wat communicatietheoretici positive feedback
noemen, dat in hoge mate concurrentie, afgunst en haat genereert. Zo moeten we
volgens Girard geweld niet zozeer zien als iets dat geïmiteerd kan worden (wat
uiteraard ook klopt), maar eerder als een gevolg
van imitatie, omdat imitatie in de eerste plaats betrekking heeft op
intenties, verlangens. Onze fenomenale nabootsingcapaciteit die van ons
intelligente en meevoelende wezens maakt, is ook de paradoxale oorzaak van
constante frustratie, concurrentie en rivaliteit tussen mensen.
Die
nochtans vrij eenvoudige, maar buitengewoon paradoxale vaststelling wordt zelden
gemaakt. De navorsers die zich met de meest recente bevindingen bezighouden
lijken het paradoxale karakter van mimesis soms te voorvoelen. Zo zei Giaccomo
Rizzolati, de man die aan het hoofd stond van de groep wetenschappers die de
spiegelneuronen ontdekten, in een recent interview (5 februari 2005 in Le
Figaro): Le processus dimitation est limité chez les singes, et
cest souvent dangereux pour eux dimiter. (Het nabootsingproces is
gelimiteerd bij apen en het is voor hen vaak gevaarlijk om na te bootsen)
Als we
René Girard erbij halen begrijpen we waarom imitatie veel gevaarlijker en
complexer is dan we vaak vermoeden, als we er gewoon rekening mee houden dat ook
verlangens en toe-eigeningsgedrag (een object voor zichzelf opeisen) het
voorwerp van imitatie kunnen zijn. Zoals hij al in 1978 schreef:
Welnu, het is duidelijk, dat het toe-eigeningsgedrag, dat
bij de mensen, zoals trouwens bij alle levende wezens, een enorm grote rol
speelt, zich leent tot navolging. Er is geen enkele reden om dit buiten
beschouwing te laten; toch rept Plato hier met geen woord van; en deze omissie
ontgaat ons, doordat allen die na hem kwamen, te beginnen met Aristoteles, hem
hierin zijn gevolgd. (1978 p. 17-18)
Besluit
Misschien
was de onpopulaire idee van een Thomas Hobbes dat de natuurtoestand van de mens
de oorlog van allen tegen allen is nog niet zo onnozel. Misschien moeten
de menswetenschappers ook eens gaan luisteren naar wat een René Girard te
vertellen heeft?
Garrells, Scott R., (2004) Imitation, Mirror Neurons, & Mimetic
desire http://www.covr2004.org/garrelspaper.pd
Girard, René, (1961) Mensonge
Romantique et Vérité Romanesque
(1972) La
violence et le sacré (
(1978) Des Choses cachées depuis la fondation du monde avec Jean-Michel
Oughourlian et Guy Lefort (
Hurley,
S. & Chater, N. (2002). Perspectives
on imitation: from cognitive neuroscience to
social science.
Nadel,
J. & Butterworth, G. (1999). Imitation
in Infancy.
rapprochement
between developmental psychology and cognitive neuroscience. Philos.
Trans. R. Soc. Lond. B Biol. Sci. 358, 491-500.
Meltzoff,
A. & Moore, K. (1977). Imitatoin of facial and manual gestures by human
neonates.
Science, 198, 75-78
Meltzoff,
A. & Moore, K. (1983). Newborn infants imitate adult facial gestures.
Child Development, 54, 702-709
Meltzoff.
A. & Moore, K. (1989). Imitation in newborn infants: exploring the range of
gestures
imitated and the underlying mechanisms. Developmental
Psychology, 25, 945-962.
Ramachandran,
V. (2000). Mirror neurons and imitation learning as the driving force behind
the
great leap forward in human evolution. http://www.edge.org/documents/archive/edge69.html
Rizzolati,
G., Fadiga, L., Fogassi, L., & Gallese, V. (1996a). Premotor cortex and the
Recognition of motor actions. Cognitive
Brain Research, 3, 131-141
Tarde,
Gabriel, Les lois de limitation,
Trevarthen,
C. Kokkinaki, T., & Fiamenghi Jr., G. (1999). What
infants imitations
communicate:
with mothers, with fathers, with peers. In Imitation
in Infancy (ed. Nadel,
J. & Butterworth, G.) pp. 9-35. Cambridge University Press
1. Zie vooral het schitterende artikel van Scott Garrels, Imitation, mirror neurons, & mimetic desire. De auteur heeft veel inspiratie gevonden in zijn paper die werd voorgedragen in een jaarlijks, internationaal academisch colloquium (COV&R 2004, New Mexico).
2. Zoals we bij Hurley & Chater (2002) kunnen lezen:
It
is beginning to look, in light of recent work in the cognitive sciences, as if
imitation is a rare, perhaps even uniquely human ability, which may be
fundamental to what is distinctive about human learning, intelligence,
rationality, and culture
3. Robert
Sylvester, emeritus professor, sprak deze woorden uit tijdens een symposium over
leergedrag. http://www.qesnrecit.qc.ca/reform/pd/docs/portfolio/Portfoliofr.pdf
4. Ceci montre que
le mécanisme des neurones miroirs est actif dans le cerveau immature,
fait-elle remarquer. L'activation
est toutefois plus réduite que celle observée chez les adultes, ce qui indique
que ces réseaux, probablement en place dès la naissance, continuent de se développer
dans des stades ultérieurs de l'enfance.
Interview op het online-forum van de Université
de Montréal :
http://www.iforum.umontreal.ca/Forum/ArchivesForum/2004-2005/041213/article4195.htm
E-mail adres auteur Simon.DeKeukelaere@UGent.be