Vrije Universiteit > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
verschenen in: Grondig Recht, liber amicorum Dr. S.B.
Ybema (Den Haag: Asser Press, 2006), 89-108.
DE DEENSE KARIKATUREN: VRIJE MENINGSUITING OF STRAFBARE
GODSLASTERING?
door
De uitnodiging om een opstel te schrijven ter ere van dr
Seerp Ybema bereikte mij tijdens een werkbezoek aan Indonesië. Een gedurende
dat bezoek regelmatig terugkerend onderwerp van discussie met Indonesische
juristen waren de zogenoemde Danish
cartoons, een serie afbeeldingen
GANG VAN ZAKEN[1]
Op 30 september 2005 heeft het Deense dagblad
Jyllands-Posten naast een artikel over persvrijheid en zelfcensuur[2]
twaalf karikaturen afgedrukt betreffende de profeet Mohammed. Twee daarvan
legden verband met terrorisme, één op ludieke, één op minder ludieke wijze.
De ludieke karikatuur toonde een wolk, kennelijk de hemel voorstellende,
waarnaar een aantal verkoolde figuurtjes opsteeg, kennelijk zelfmoordterroristen.
Boven werden deze door Mohammed opgewacht met de mededeling: Stop, stop, de
maagden zijn al op! De minder ludieke karikatuur toonde Mohammed met een tulband
grotendeels bestaande uit een bom met brandende lont, met daarop een embleem met
kennelijk Arabisch opschrift.
Naar aanleiding van deze publicatie hebben ambassadeurs van
elf Islamitische landen belet gevraagd bij de Deense minister-president. Dit
werd geweigerd, met verwijzing naar de in Denemarken bestaande persvrijheid
behoudens het verbod van godslasterlijke of discriminerende uitlatingen, over
welke men zich kon beklagen bij de gerechtelijke autoriteiten. Vervolgens heeft
een aantal Moslimorganisaties aangifte gedaan bij de Deense politie op grond
Een groep Deense imams had inmiddels een dossier
samengesteld over het in Denemarken heersende islamophobe klimaat, en dit op 6
december 2005 gepresenteerd op een topbijeenkomst
Een aantal kranten in Europa en elders ter wereld (niet in
Engeland en ook niet in de Verenigde Staten) heeft in de controverse aanleiding
gezien om
Flemming Rose, de verantwoordelijke redacteur
De geschetste gang van zaken kan niet los worden gezien van
haar voorgeschiedenis, in het bijzonder de beroering die is ontstaan door de
verschijning, in 1989,
GODSLASTERING
Godslastering is in diverse staten op uiteenlopende wijze
of in het geheel niet strafbaar gesteld.
Engeland
In Engeland en Wales is blasphemy
een common law offence, niet bij wet
gedefinieerd. De laatste twee strafvervolgingen dienaangaande hebben plaats
gehad in 1922 en in
"Every publication is said to be blasphemous which contains any contemptuous,
reviling, scurrilous or ludicrous matter relating to God, Jesus Christ or the Bible,
or the formularies of the Church of England as by law established.
It is not blasphemous to speak or publish opinions hostile to the Christian religion,
or to deny the existence of God, if the publication is couched in decent and temperate language.
The test to be applied is as to the manner in which the doctrines are advocated and
not to the substance of the doctrines themselves."
Duitsland
In Duitsland is godslastering strafbaar gesteld bij § 166
StGB. Deze bepaling luidt:
(1)
Wer öffentlich oder durch Verbreiten von Schriften (
) den Inhalt des
religiösen oder weltanschaulichen Bekenntnisses anderer in einer Weise
beschimpft, die geeignet ist, den öffentlichen Frieden zu stören, wird mit
Freiheitsstrafe bis zu drei Jahren oder mit Geldstrafe bestraft.
(2)
Ebenso wird bestraft, wer öffentlich oder durch Verbreiten von Schriften (
)
eine im Inland bestehende Kirche oder andere Religionsgesellschaft oder
Weltanschauungsvereinigung, ihre Einrichtungen oder Gebräuche in einer Weise
beschimpft, die geeignet ist, den öffentlichen Frieden zu stören.
In Frankrijk is bij de Franse revolutie
Hoewel Nederland aanvankelijk, bij
Art. 140 Deens Strafwetboek luidt, in Engelse vertaling:[13]
In het Indonesische Wetboek van Strafrecht (KUHP), in zijn
algemeenheid nog van Nederlandse makelij, is in 1965 het nieuwe art. 156a
ingevoegd. Die bepaling luidt:[14]
a. in principe vijandig, verkeerd of kwetsend is ten opzichte van een in
Indonesië beleden godsdienst;
b. erop gericht is te bevorderen dat men geen godsdienst
(meer) belijdt die uitgaat van het geloof in de ene en waarachtige God.
Levert de publicatie
Naar Engels recht is deze publicatie geen blasphemy,
reeds vanwege de genoemde beperking tot het Christendom.
Houdt publicatie van een karikatuur van Mohammed waarbij
deze in verband wordt gebracht met terrorisme beschimping van een geloofsinhoud
in, als bedoeld in § 166 van het Duitse Strafgesetzbuch?
Niet indien men ervan uitgaat dat Mohammed als profeet slechts boodschapper van
Allah en niet zelf een geloofsinhoud is, en dat is naar het schijnt de orthodoxe
opvatting.[15]
Het zou misschien anders zijn indien, hetgeen ik wel eens heb horen beweren,
Mohammed als
Het in art. 140 Deens Strafwetboek omschreven feit levert
de publicatie
Naar Nederlands recht levert de publicatie niet het
misdrijf van art. 147a Sr op, omdat zij niet het Opperwezen betreft en derhalve
niet het wettelijk bestanddeel smalende godslastering vervult, naar de
uitleg die de Hoge Raad daaraan in 1968 heeft gegeven.
Anders is het met de Indonesische strafbaarstelling.
Redelijkerwijze valt de publicatie
Naar zich laat aanzien geldt het voorgaande niet voor
na-publicatie die blijkens de context uitsluitend strekte tot voorlichting van
lezers en surfers omtrent de Deense affaire, omdat in zodanig geval de plaatsing
STRAFRECHTSMACHT
Indien de publicatie
Extraterritoriale strafrechtsmacht heeft Indonesië met
betrekking tot art. 156a KUHP alleen gevestigd ten aanzien van Indonesische
daders. Voorzover het feit zich slechts heeft voorgedaan buiten Indonesië zijn
overige daders dus veilig. Maar heeft het feit zich niet tevens voorgedaan in
Indonesië zelf, zodat Indonesië dienaangaande haar territoriale
strafrechtsmacht kan uitoefenen? Het is immers mede in dat land dat men
De vraag welke plaatsen kunnen gelden als locus delicti van
een gepleegd strafbaar feit pleegt naar de meest ruime opvatting te worden
beantwoord aan de hand
Geldt dat ook voor de houders
Steun voor deze stelling valt te ontlenen aan de volgende
twee arresten. Het Duitse Bundesgerichtshof
heeft eens beslist dat een op een Australische website geplaatste Auschwitz-Lüge,
naar Duits recht strafbaar ingevolge § 130 StGB,[21]
onder meer Duitsland als locus delicti had, in het bijzonder in aanmerking
genomen dat de Auschwitz-Lüge
kennelijk gericht was tot het Duitse publiek.[22]
In een geval van op een Israëlische website geplaatste smaad jegens bepaalde
personen, waaronder rechters, in Italië, heeft de Italiaanse cassatierechter op
basis
Dit zou slechts anders zijn voorzover de na-publicatie
Tegen deze stelling vallen echter twee argumenten aan te
voeren.
In de eerste plaats lijkt er bij deze stellingname
aan te worden voorbijgezien dat van plaatjes op websites weliswaar wereldwijd
kennis kan worden genomen, maar niet zonder voorafgaande activiteit
PERSVRIJHEID
Persvrijheid is in het hedendaagse westen een
vanzelfsprekendheid. Zij is als grondrecht neergelegd in diverse nationale
grondwetten (vgl. art. 7 Grondwet) en als internationaal mensenrecht in onder
andere het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (art.
19 IVBPR) en in het Europees verdrag tot bescherming
Persvrijheid is echter niet onbeperkt. Art. 10 EVRM somt in
het tweede lid een indrukwekkend aantal redenen op waarom
Tot
Met betrekking tot die laatste categorie valt te wijzen op
de volgende arresten van het EHRM.
Otto Preminger Instituut tegen Oostenrijk[27]
Deze zaak betreft de inbeslagneming, door Oostenrijkse
autoriteiten, van een te Innsbruck vertoonde film. Daarin werd God afgebeeld als
een seniele man in omhelzing met de duivel, Jezus als een idioot, en Maria als
een wulpse dame. Bij zijn beoordeling vertrok het EHRM van het volgende
uitgangspunt:[28]
Those who choose to exercise the freedom to manifest their religion, irrespective of whether they do so as members of a religious majority or a minority, cannot reasonably expect to be exempt from all criticism. They must tolerate and accept the denial by others of their religious beliefs and even the propagation by others of doctrines hostile to their faith. However, the manner in which religious beliefs and doctrines are opposed or denied is a matter which may engage the responsibility of the State, notably its responsibility to ensure the peaceful enjoyment of the right guaranteed under Article 9 to the holders of those beliefs and doctrines. Indeed, in extreme cases the effect of particular methods of opposing or denying religious beliefs can be such as to inhibit those who hold such beliefs from exercising their freedom to hold and express them. (
)
The respect for the religious feelings of believers as guaranteed in Article 9 can legitimately be thought to have been violated by provocative portrayals of objects of religious veneration; and such portrayals can be regarded as malicious violation of the spirit of tolerance, which must also be a feature of democratic society.
(
)
[A]s is
borne out by the wording itself of Article 10 § 2, whoever exercises the rights
and freedoms enshrined in the first paragraph of that Article undertakes duties
and responsibilities. Amongst them - in the context of religious opinions and
beliefs - may legitimately be included an obligation to avoid as far as possible
expressions that are gratuitously offensive to others and thus an infringement
of their rights, and which therefore do not contribute to any form of public
debate capable of furthering progress in human affairs.
This
being so, as a matter of principle it may be considered necessary in certain
democratic societies to sanction or even prevent improper attacks on objects of
religious veneration, provided always that any formality, condition,
restriction or penalty imposed be proportionate to the legitimate
aim pursued (
).
[I]t is
not possible to discern throughout
In deze zaak ging het om een door een plaatselijk
commercieel radiostation uit te zenden reclamespot van het Irish Faith Centre, een evangelische gemeente in Dublin, voor een
bijeenkomst waarbij de feitelijke geschiedenis van Christus en diens
wederopstanding uit de doeken zou worden gedaan. De bewoording
Met herhaling van zijn inzake het Otto Preminger Instituut
geformuleerde uitgangspunt overwoog het EHRM in deze zaak dat[30]
a
wider margin of appreciation is generally available to the Contracting States
when regulating freedom of expression in relation to matters liable to offend
intimate personal convictions within the sphere of morals or, especially,
religion.
en
voorts:
The
Court agrees that the concepts of pluralism, tolerance and broadmindedness on
which any democratic society is based (
) mean that Article 10 does not, as
such, envisage that an individual is to be protected from exposure to a
religious view simply because it is not his or her own. However, the Court
observes that it is not to be excluded that an expression, which is not on its
face offensive, could have an offensive impact in certain circumstances.
Met het oog op onder meer de in Ierland bestaande
bijzondere religieuze gevoeligheden heeft het EHRM ook in deze zaak geoordeeld
dat
I.A. tegen Turkije[31]
Dit arrest betreft een in Turkije uitgegeven roman, waarin
over Mohammed en de Koran onder meer wordt gezegd:[32]
Some of these words were, moreover, inspired in a surge of exultation, in
Aishas arms. ... Gods
messenger broke his fast through sexual intercourse, after dinner and before
prayer. Muhammad did not forbid sexual intercourse with a dead person or a live
animal. De uitgever was veroordeeld tot een geldboete. Het EHRM
oordeelde art. 10 EVRM niet geschonden, na te hebben overwogen:[33]
the
present case concerns not only comments that offend or shock, or a provocative
opinion, but also an abusive attack on the Prophet of Islam. (
) The Court
therefore considers that the measure taken in respect of the statements in issue
was intended to provide protection against offensive attacks on matters regarded
as sacred by Muslims. In that respect it finds that the measure may reasonably
be held to have met a pressing social need.
Gelet op deze drie uitspraken ziet het ernaar uit dat de
publicatie
Opmerking verdient dat deze Straatsburgse rechtspraak met
betrekking tot
The
character of every act depends upon the circumstances in which it is done. The
most stringent protection of free speech would not protect a man in falsely
shouting fire in a theatre and causing a panic. The question in every case is
whether the words used are used in such circumstances and are of such a nature
as to create a clear and present danger that they will bring about the
substantive evils that Congress has a right to prevent. It is a question
of proximity and degree.
Tot die substantive
evils behoort onder meer het rechtstreeks uitlokken van geweld, maar niet
het kwetsen van groepsgevoeligheden.[36]
Bijvoorbeeld heeft het Amerikaanse Hooggerechtshof in 1978 ongrondwettig
verklaard een in kort geding aan een Nazi-partij gegeven rechterlijk verbod om
een demonstratieve optocht te houden in een wijk waar veel Joodse
oorlogsslachtoffers woonden.[37]
Het verbieden van een film wegens zijn heiligschennend karakter (de film ging
over een herderinnetje dat zwanger was sedert haar op een berg de heilige St.
Jozef was verschenen) werd in
It is not the business of
government in our nation to suppress real or imagined attacks upon a particular
religious doctrine, whether they appear in publications, speeches, or motion
pictures.
Dat het EHRM inbreuken op
Nationale grondwetten verlenen in het algemeen een ruime
vrijheid van meningsuiting, behoudens wettelijke beperkingen. In verband met
godslastering zijn die wettelijke beperkingen, zoals we zagen, in de genoemde
Europese landen geringer dan in Indonesië.
De Déclaration des
droits de lhomme et du citoyen, van 1789, welke deel uitmaakt
De Indonesische grondwet vermeldt ieders vrijheid om zijn
gedachten te uiten en uiting te geven aan zijn standpunten in overeenstemming
met zijn geweten weliswaar onder de grondrechten (art. 28 E) maar
laat de regeling ervan over aan de wet (art. 28). Zoals gemeld kent Indonesië
een ruime strafbaarstelling van godslastering in art. 156a KUHP.
Er is geen reden om aan te nemen dat, in verband met de
Deense Mohammed karikaturen, deze Indonesische strafbaarstelling onverenigbaar
is met art. 19 IVBPR,[42]
in aanmerking genomen dat in een geval van beboeting wegens kort gezegd de Auschwitz-Lüge
het Comité voor de rechten
De vraag dringt zich natuurlijk op, of
[1]
De hier gemelde gegevens zijn in hoofdzaak ontleend aan: Jyllands-Posten
Muhammed cartoons controversy, http://en.wikipedia.org/wiki/Jyllands-Posten_Muhammad_cartoons
[2]
Het artikel, geschreven door Flemming Rose, hield in vertaling onder meer
in: The modern, secular
society is rejected by some Muslims. They demand a special position, insisting on special consideration of
their own religious feelings. It is incompatible with contemporary
democracy and freedom of speech, where you must be ready to put up with
insults, mockery and ridicule. It is certainly not always attractive and
nice to look at, and it does not mean that religious feelings should be made
fun of at any price, but that is of minor importance in the present context.
[...] we are on our way to a slippery slope where no-one can tell how the
self-censorship will end.
[3]
Art. 266b Deens Strafwetboek luidt in Engelse vertaling: Any person who,
publicly or with the intention of wider dissemination, makes a statement or
imparts other information by which a group of people are threatened,
insulted or degraded on account of their race, colour, national or ethnic
origin, religion or sexual inclination shall be liable to a fine or to
imprisonment for any term not exceeding two years.
[4]
Director of Public Prosecutions File No. RA-2006-41-0151, 15 March 2006:
Decision on possible criminal proceedings in the case of Jylland-Postens
Article The Face of Muhammed.
[5]
Onder andere op http://en.wikipedia.org/wiki/Jyllands-Posten_Muhammad_cartoons.
[6]
Washington Post 19 februari 2006.
[7]
[8]
Zie nader: Daniel Pipes, The Rushdie Affair, the Novel, the Ayatollah, and
the West, New Brunswick en Londen, tweede druk, 2003.
[9]
Shabbir Akhtar, Be Careful with Muhammad! The Salman Rushdie Affair, Londen,
1989. (Indonesische vertaling: Mengungkap kelicikan barat sekuler dengan kasus ayat-ayat setan Salman Rushdie, Jakarta, 1992.)
[10]
Zie voorts onder andere: Richard Webster, A Brief History of Blasphemy:
Liberalism, Censorship and The Satanic Verses, Southwold, 1990.
[11] Whitehouse v. Gay News Ltd. and Lemon [1979] AC 617
(665), HL.
[12]
HR 2 april 1968, NJ 1968,
[13]
Zie de vertaling door Martin Spencer, Kopenhagen, 1987.
[14]
Vertaling door Dr. M.J.H.W. Termorshuizen-Arts.
[15]
Aldus Shabbir Akhtar, A faith for all seasons, Londen, 1990, blz. 40-42.
[16]
Director of Public Prosecutions File No. RA-2006-41-0151, 15 March 2006:
Decision on possible criminal proceedings in the case of Jylland-Postens
Article The Face of Muhammed, blz. 7.
[17]
Anders de Shiitische Groot-Ayatollah Sistani: If due deference and
respect is observed, and the scene does not contain anything that would
detract from their holy pictures in the minds [of the viewers], there is no
problem. http://www.sistani.org/html/eng/menu/4/?lang=eng&view=d&code=234&page=1
[18]
Vgl. J.M. Sjöcrona & A.M.
[19]
§ 9, eerste lid, van het Duitse Strafgesetzbuch (StGB) luidt: Eine Tat ist
an jedem Ort begangen, an dem der Täter gehandelt hat oder im Falle des
Unterlassens hätte handeln müssen oder an dem zum Tatbestand gehörende
Erfolg eingetreten ist oder nach der Vorstellung des Täters eintreten
sollte.
[20]
HR 2 januari 1923, NJ 1923, blz. 433. Van gelijke strekking: HR 25
november 1997, NJ 1998, 261.
[21]
§ 130, derde lid, StGB: Mit Freiheitsstrafe bis zu fünf Jahren oder mit
Geldstrafe wird bestraft, wer eine unter der Herrschaft
des Nationalsozialismus begangene Handlung der in § 6 Abs. 1 des Völkerstrafgesetzbuches
bezeichneten Art in einer Weise, die geeignet ist, den öffentlichen Frieden
zu stören, öffentlich oder in einer Versammlung billigt, leugnet oder
verharmlost.
[22]
Bundesgerichtshof 12 december 2000, BGH 46, 212, NJW 2001, blz. 624 e.v.
(kritisch besproken in Tröndle/Fischer, Strafgesetzbuch und Nebengesetze,
Beck, München, 51e druk, 2003, aant. 8 en 8a op § 9 StGB).
[23]
Cass. 27 december 2000, zie: http://www.cdt.org/speech/international/20001227italiandecision.pdf.
[24]
Anders: C.B. van der Net, Grenzen stellen op het Internet, Aansprakelijkheid
van Internet-providers en rechtsmacht, Deventer, 2000, blz. 170.
[25]
Vgl. Ulrich Sieber in: Bert-Jaap Koops & Susan W. Brenner (ed.)
Cybercrime and Jurisdiction, A Global Survey, Den Haag, 2006, blz. 183-210
(200); Y. Buruma, Internet en strafrecht (preadvies), Handelingen NJV
1998-I, blz. 211 e.v., i.h.b. blz. 165.
[26]
Convention on Cyber-crime, Budapest, 23 november 2001, Trb. 2002, 18 en
2004, 290.
[27]
EHRM 20 september
[28]
§ 47, 49 en 50.
[29]
EHRM 10 juli 2003, NJ 2005,
[30]
§ 67 en 72.
[31]
EHRM 13 september 2005, Appl. no. 42571/98.
[32]
Citaat uit het arrest.
[33]
§ 29 en 30.
[34]
Uitvoerig hieromtrent: Theo Rosier, Vrijheid van meningsuiting en
discriminatie in Nederland en Amerika, Nijmegen, 1997, blz. 133-158 en
195-244.
[35]
Schenck v.
[36]
[37]
Smith v. Collin (Skokie v. National Socialist Party), 436 U.S. 953 en 439
[38]
Joseph Burstyn, inc., v.
[39]
Linnemeir v. Board of Trustees, 7 augustus 2001, U.S. Court of Appeal for
the 7th Circuit, no. 01-3002.
[40]In
Engelse vertaling luidt art. 77
[41]
Art. 5 Duitse grondwet luidt: (1) Jeder hat das Recht, seine Meinung in
Wort, Schrift und Bild frei zu äußern und zu verbreiten und sich aus
allgemein zugänglichen Quellen ungehindert zu unterrichten. Die
Pressefreiheit und die Freiheit der Berichterstattung durch Rundfunk und
Film werden gewährleistet. Eine Zensur findet nicht statt. (2) Diese
Rechte finden ihre Schranken in den Vorschriften der allgemeinen Gesetze,
den gesetzlichen Bestimmungen zum Schutze der Jugend und in dem Recht der
persönlichen Ehre.
[42]
Voor Indonesië is het IVBPR in werking getreden op 23 mei 2006.
[43]
Zaak Faurisson v. France, No. 550/1993, vermeld in Manfred Nowak, U.N.
Covenant on Civil and Political Rights, CCPR Commentary, 2e druk, Kehl,
2005, blz. 455-456.
[44]
Vgl. Frederick Schauer, The Exceptional First Amendment, in: Michael
Ignatieff (ed.), American Exceptionalism and Human Rights, Princeton/Oxford,
2005, blz. 29-56 (45, 46).
[45]
Aldus bijvoorbeeld J.A.
E-mail auteur: nkeijzer@planet.nl