VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten

 

OP DE WEG DER VRIJHEID

 

ROEL KAPTEIN

 

In samenwerking met Duncan Morrow

Introductie door René Girard

 

Oorspronkelijke titel On the way of freedom.

With the cooperation of Duncan Morrow. Introduction by René Girard.

The Columba Press – 1993

ISBN 1 85607 0778

 

Nederlandse vertaling en bewerking door Ben Lievers

Markelo, 27 juni 2006


Inhoud

 

Voorwoord. 4

Introductie door René Girard. 5

Invalshoek: Het gezicht van het slachtoffer 8

Deel I Cultuur: onze wereld. 9

1 Menselijk bestaan en menselijke verhoudingen. 10

2 Mimese. 11

3 Spatiale en temporele mimese. 15

4 Plus en min zijn gelijk. 18

5 Individu en groep. De wet van Newton. 19

6 Cultuur 21

7 Het leerproces. 25

8 'Opkomst en verval van de cultuur' 27

9 Man – Vrouw – Huwelijk – Gezin. 29

10 Religie. 31

11 Transcendentie, vrijheid en structuur binnen de cultuur 36

12 Externe en interne mediatie: Een andere invalshoek. 42

13 Hypocrisie en slachtoffervorming. 46

14 De begeerte te zijn. Metafysische begeerte. 48

15 Ons zondebokmechanisme. 51

16 Gevoelens. 54

17 Voorbeelden van gevoelens. 56

18 Relaties en vertrouwen. 60

19 Wat is vrijheid?. 62

Deel II De nieuwe wereld: het koninkrijk. 63

20 De god van de zondebokken. 63

21 De man Jezus. 64

22 Geloof 66

23 De bergrede en de gelijkenissen. 68

24 Liefde. 70

25 De Wet 72

26 De wereld van de cultuur en de wereld van het evangelie. 74

27 Taal 77

28 Twee werelden: enkele praktische gevolgen. 78

29 De nieuwe wereld. 81

30 De wereld van het evangelie: cultuurcontrast 82

31 Gebed. 83

32 Vallen en opstaan bij het gaan van de weg. 85

33 Heling. 87

34 De zwakken binnen onze samenleving. 88

35 Toewijding. 89

37 Samen met anderen. 90

Naschrift 91

Noot van de vertaler 91

Aantekeningen. 92

Begrippenlijst 97

 

 

 


Kijk eens naar de lelies, kijk hoe ze groeien in het veld. Ze werken niet en weven niet. Ik zeg jullie: zelfs Salomo ging in al zijn luister niet gekleed als een van hen. Als God het groen dat vandaag nog op het veld staat en morgen in de oven gegooid wordt al met zo veel zorg kleedt, met hoeveel meer zorg zal hij jullie dan niet kleden, kleingelovigen?

- Matteüs 6: 28-30 (vertaling NBV)

 

 


Voorwoord

 

In de jaren tachtig en negentig hebben wij, leden van de Corrymeela Community,* gezamenlijk gewerkt aan het verkennen van het evangelie, de bijbel en onze levens. Ons streven was gericht op het vinden van wegen die ons verder zouden brengen in ons denken, handelen en leven. Naarmate we gezamenlijk meer ervaring op deden, namen onze inzichten toe. Het bespreken en analyseren van praktijkervaringen bracht ons er toe modellen op te zetten om zodoende meer zicht te krijgen op de complexe werkelijkheid.

 

Een aantal van onze bevindingen hebben we verzameld in dit boek, in de hoop dat deze voor de lezer kunnen worden tot iets als een enchiridion: een boek dat we dragen in onze handen, gedachten en harten. We hopen dat het ieder van ons zal helpen bij het vinden van een pad en bij het blijven volgen daarvan, daarbij niet al te zeer gehinderd door zogenaamd ‘common sense’ en de problemen van alledag. Het gebruik van ‘common sense‘ en de beïnvloeding door wereldse problemen zou kunnen bewerkstelligen dat we geen moed meer hebben om idealen na te streven.

 

Roel Kaptein

 

* De Corrymeela Community streeft naar het bijeenbrengen van katholieken en protestanten in Noord Ierland.

 

 

 


Introductie door René Girard

 

Het boek waaraan u zo juist bent begonnen getuigt van diepgaand inzicht in de opmerkelijke wegen van de menselijke begeerte en de conflicten die hierdoor worden opgewekt, niet alleen tussen naties maar ook tussen individuen en binnen in ons zelf. Dit inzicht is grotendeels  gebaseerd op een centrale stelling over menselijke begeerte, die in het begin uiterst simpel en direct geformuleerd wordt. De stelling luidt dat we moeten ontkennen dat onze begeerten echt van onszelf zijn. We ontlenen ze namelijk aan anderen.

 

Wanneer wij iets of iemand intens begeren, hebben we het gevoel dat er tussen ons en het begeerde een unieke affiniteit bestaat, die de oorzaak is van onze begeerte. Nee dus, zegt Roel Kaptein. In de regel wordt onze begeerte ingegeven door een derde, of door vele personen: zij zijn feitelijk de modellen die wij imiteren. Wat wij ook verlangen, dank zij die anderen lijkt het begerenswaard.

 

Deze opvatting van begeerte wordt mimetisch of nabootsend genoemd. Heel vaak functioneert deze mimetische begeerte door het begeren op zich. Met andere woorden: we begeren een object omdat iemand anders het begeert. In dat geval wekt de mimetische begeerte twee identieke begeerten op betreffende hetzelfde object, die te beschouwen zijn als twee rivaliserende begeerten. Als gevolg hiervan worden het model en zijn imitator obstakels op elkanders weg. Dit wordt mimetische rivaliteit genoemd.

 

Mimetische rivaliteit is volstrekt normaal en natuurlijk en we hoeven ons er niet schuldig over te voelen. Maar we dienen ons wel te realiseren dat rivaliteit ons gemakkelijk in verleiding kan brengen. De wisselwerking tussen model en imitator heeft de neiging de begeerten steeds meer aan te wakkeren. En deze escalatie leidt op haar beurt snel tot een type conflict dat onder mensen het meest voorkomt, dat van wederzijds geweld. Daarvan beschuldigt elke partij altijd de ander. Dit geweld heeft de mensheid geteisterd vanaf het begin van onze geschiedenis.

 

Hoe conflictueuzer onze mimetische begeerte, hoe meer wij ontstemd raken over onze afhankelijkheid van onze rivaal en hoe minder we geneigd zijn de waarheid te bekennen die we ,vooral voor onszelf, verbergen. De verhulling van deze waarheid is doorgaans zeer succesvol, in die zin dat de onderdrukte begeerte geheel aan onze waarneming ontsnapt en dat zelfs de psychologische symptomen die hieruit voortvloeien, hiermee niet in verband worden gebracht.

 

            Vanaf het begin van de moderne tijd hebben filosofen en wetenschappers mensen beroofd van veel dierbare geloofsopvattingen, die thans als bijgeloof ter zijde zijn geschoven. De mensheid is ontdaan van de troostende mythes die gedurende duizenden jaren ongestoord konden gedijen, zoals de alom geldende overtuiging dat de eigen cultuur het middelpunt van het universum is.

 

            Tot op heden heeft niemand ooit een poging gedaan onze begeerte weg te nemen; nooit is er iemand geweest die durfde te beweren dat onze begeerte niet echt vanuit onszelf komt. Intense begeerte voelt niet bepaald goed, maar is vaak zeer pijnlijk. We hebben ons altijd getroost met de gedachte dat onze begeerte diep in ons is geworteld en uitdrukking geeft aan ons ‘authentieke zelf’, aan onze ‘ware persoonlijkheid’. Dit was onze laatste zelfingenomen bevrediging en de mimetische begeerte neemt ons die af.

 

            Het was uiteraard Freud die een eerste aanzet deed in deze richting. Naast onszelf betrok hij anderen bij de oorsprong van onze begeerten, zij het zeer bijzondere anderen, klein in aantal, namelijk de twee mensen die het belangrijkste aandeel hebben in onze opvoeding. Overigens zorgde Freud er wel voor de ouderlijke inbreng zodanig te beschrijven dat geen afbreuk werd gedaan aan onze gevoelens van uniciteit die wij als begerende schepselen hebben. Daar waar Freud slechts twee personen toelaat in ons ‘heilige innerlijk’ laat Roel Kaptein een hele menigte toe. Hierbij worden we herinnerd aan het bijbelse verhaal van de man die bezeten leek te zijn van slechts één kwade geest, terwijl bij de uitdrijving door Jezus een heel legioen demonen het lichaam van de man verliet.

 

Bij een eerste kennismaking met 'mimetische begeerte' krijgen sommige mensen het gevoel dat zij onverwacht worden ondergedompeld in zeer koud en diep water. In plaats van daar zo snel mogelijk uit te krabbelen, kunnen zij beter proberen te zwemmen. Na enkele slagen zullen ze kracht voelen opkomen en ontdekken dat Roel vele situaties, gedragsvormen en opvattingen ontrafelt die voorheen voor betrokkenen geen betekenis hadden. Hierdoor zal de waardering voor zijn methode toenemen. Wie het boek heeft gelezen zal de auteur erkentelijk zijn. Zelf voel ik ook dankbaarheid, enerzijds om redenen die de lezer met mij zal delen en anderzijds om meer persoonlijke redenen. Gedurende vele jaren hebben Roel en ik samen studie gemaakt van de mimetische begeerte. Zijn in dit boek vervatte ideeën zijn ook de mijne, maar hij voegt er iets aan toe waardoor deze ideeën nog eens duidelijk worden neergezet. Mijn vertrouwen in deze ideeën heeft nooit gewankeld, maar de frisheid en kracht van Roels boek hebben mijn enthousiasme vernieuwd en - vanzelfsprekend als gevolg van mimesis - voel ik mij weer creatiever. Ook hiervoor ben ik dank verschuldigd.

 

            Deze verjonging is niet alleen het gevolg van de stijl en inhoud van het boek. Veel belangrijker is de geest die dit werk tot stand heeft gebracht. Als wij mimetische verwikkelingen analyseren louter en alleen om aan te tonen dat wij zelf nooit worden gevangen in het net van de spontane, mimetische begeerte, is deze hele exercitie vergeefs, zelfs enigszins sinister. Nabootstende begeerte wenst niets liever dan vrij te zijn van imitatie. Volledige onafhankelijkheid is haar waandenkbeeld. Als dit ook het doel van de auteur zou zijn geweest, zou hij verwijderd zijn geraakt van echte spontaneïteit die niet het ontbreken van mimetisch gedrag betekent, doch de meest natuurlijke en onschuldige nabootsing die bestaat, die van een kind, een gedrag dat wordt aangeraden door Jezus.

 

            Dit boek is helder en duidelijk omdat de auteur nooit ten koste van de lezer zijn slimheid wil demonstreren. Hij bereikt een goed evenwicht tussen hart en geest en het omzeilt twee valkuilen van deze tijd: enerzijds het bedrijven van gortdroge pseudo-wetenschap en anderzijds het gedachteloos omarmen van sentimentele vermaningen, het vrome anti-intellectualisme dat een verborgen vorm is van nihilisme. Ons intellect wil via onze zielen worden gevoed. En er is niets mis mee om te proberen de puzzel van menselijke zelfmisleiding op te lossen, zo lang ons handelen niet manipulatief is of wordt ingegeven door verbolgenheid jegens onze medemens.

 

            Dostojevski schreef ooit dat de wetenschap er nooit in zal slagen het mensdom in te sluiten in een aantal wetenschappelijke beginselen en formuleringen. Zodra wetenschappers zullen claimen hierin geslaagd te zijn, zullen andersdenkenden opstaan die alles in het werk gaan stellen om hun ongelijk aan te tonen. Zij zullen zo gaan handelen en denken dat de voor de mens aangegeven grenzen worden overschreden.      Zoals veel van Dostojewski’s ideeën lijkt dit profetisch voor onze tijd, in het bijzonder voor de psychologie en de sociale wetenschappen. Enerzijds hebben we nog altijd de zorgvuldig werkende positivisten en de cognitivisten die hardnekkig trachten al het menselijk gedrag in te kaderen in een soort keurslijf van mathematische metingen, anderzijds kennen we massa’s sceptici en nihilisten die in hun opvattingen en optreden de Russische schrijver wel moeten aanhangen. Zij proberen aan te tonen dat een wetenschappelijke definitie van de mens onmogelijk is. Dostojewski heeft gelijk gekregen. Maar de vraag waarin zijn gelijk precies schuilt, blijft nog onduidelijk. Geeft de huidige situatie aan dat er geen valide kennis over de mens kan zijn? Een wetenschap die al het toekomstige menselijk gedrag kan verklaren lijkt niet te kunnen worden ontwikkeld. In dit opzicht hebben de nihilisten gelijk.

 

            Moet vervolgens uit deze conclusie volgen dat de wetenschap zijn eigen bankroet moet erkennen en buigen voor de superieure wijsheid van het moderne nihilisme? Ik denk van niet. Mimetische rivaliteit verklaart al snel de aard van de rivaliserende onverzettelijkheid, die in feite neerkomt op een interne, academische machtsstrijd. De nihilisten begeren hetzelfde als de wetenschappers en de twee denkrichtingen kunnen ten opzichte van elkaar, zoals Roel het aanduidt, het ‘spel van de cultuur’ spelen, de mimetische strijd. Ook nihilisten zoeken naar absolute kennis, zij het van negatieve aard, de absolute zekerheid dat geen zekerheid kan worden verkregen. Beide partijen streven het zelfde doel na. Tegenover de toenemende steriele zekerheden van wetenschappelijk onderzoek houden de nihilisten vast aan de zelfs nog sterieler zekerheden van hun nihilisme. Dit is een mooi voorbeeld van mimetische rivaliteit.

 

            Kunnen we dan stellen dat de mimetische theorie de harde kennis waarnaar de wetenschap zoekt vervangt? Als we dat deden, zouden we zelf het 'spel van de cultuur' spelen, wat Roel wijselijk uit de weg gaat. In de woordgroep ‘harde kennis’ is het eerste woord enorm belangrijk. Kennis is ‘hard’ als ze niet kapot gaat wanneer erop geschoten wordt, maar terugslaat en haar zogeheten vernielers uitschakelt.

 

            Is het zoeken naar ‘harde kennis’ werkelijk een zoektocht naar een wapen dat zo krachtig is dat het ongelovigen de baas is? Roel tracht zijn analyses nimmer die lading te geven. Hij gaat liefdevol en opbouwend te werk, waarbij hij niet uit is op kleingeestige demystificatie en deconstructie.

 

            De werkelijk christelijke geest is niet een middelmatig compromis tussen een verstand en een geloof die voor altijd voorbeschikt lijken elkanders vijanden te zijn of een angstig ontwijken van vrijheid in onderzoek, doch juist het tegengestelde: een krachtige inspanning naar het onbekende toe, ondersteund door de hoop dat uiteindelijk verstand en geloof opnieuw samen gaan, zoals twee vrienden die elkaar uit het oog waren verloren elkaar vol vreugde omhelzen. Dit is de hoop die dit boek mogelijk heeft gemaakt.

 

            Wanneer we het lezen wordt ons genoegen nog vergroot door het inzicht dat boeken het, anders dan machines, nooit laten afweten. Dit boek zal altijd bij ons zijn, bij de hand als we er opnieuw mee willen kennismaken, misschien louter voor het plezier of met een specifiek doel in onze gedachten – omdat zich ons leven een probleem kan voordoen dat om een speciale benadering vraagt. Dit boek vertoont geen gelijkenis met mooi-weer-vrienden die het laten afweten in moeilijke tijden; het is één van de weinige die er altijd zijn als je het nodig hebt, klaar om helder advies te geven als advies wordt gevraagd.

 

 


Invalshoek: Het gezicht van het slachtoffer

 

Onze cultuur* wil ons in toenemende mate doen geloven dat wij op zich zelf staande individuen zijn, verantwoordelijk voor en aan ons zelf en vrij om te doen waar we zin in hebben. In dit geval is het onvermijdelijk dat alles en iedereen door ons kan worden beschouwd als werktuigen die wij naar believen kunnen inzetten om onze eigen doelstellingen waar te maken. Zo gezien zijn anderen hindernissen op de weg tussen ons en onze persoonlijke doelen.

            Wij verfoeien het als we waarnemen dat andere mensen anderen tot zondebok* benoemen. Echter, door het verfoeien en weerzin te demonstreren geven we eigenlijk aan dat wij er zelf ook niet vrij van zijn.In feite geeft onze afkeuring aan dat we goed op de hoogte zijn van het proces ´anderen de schuld geven´. Ondanks dat gaan we gewoon door anderen verantwoordelijk te stellen voor allerlei zaken en ze te bestempelen als zondebok*, zonder te herkennen waar we in feite mee bezig zijn. En terwijl we daar mee bezig zijn, zijn we er absoluut zeker van dat wij ons zelf niet schuldig maken aan het aanwijzen van zondebokken*.

Wij zijn er zelf van overtuigd dat wij, zonder enige twijfel, gelijk hebben.

            Gegeven deze situatie kan alles wat in ons ‘handboek’ staat en zelfs in het evangelie, worden gebruikt om het spel van “zondebok aanwijzen” te spelen of, beter geformuleerd, “het spel van de cultuur”. We kunnen zelfs nog grotere hypocritici worden, onszelf superieur beschouwend. Er bestaat slechts één manier om te ontsnappen uit deze cirkel: Erkennen dat het zondebokmechanisme slechts door ons kan functioneren. Als we zover zijn merken we dat wij zelf tot zondebok* worden gemaakt. We gaan vechten om te ontsnappen aan deze hachelijke toestand door op onze beurt anderen aan te wijzen als zondebok*. Het alternatief, een totaal verschillende aanpak, is het vinden van de vrijheid het te laten gebeuren. We kunnen ons gevecht staken en op deze wijze uiteindelijk vrij* zijn.

            Hoe gaan we hier mee om? Hoe vinden we de weg naar het alternatief? Emmanuel Levinas, de grote Joodse wijsgeer, spreekt van het weerloze gezicht van de ander dat zich zodanig aan ons vertoont dat wij er niet om heen kunnen. Als we dit gezicht herkennen dan zullen we worden geraakt. Dit gezicht is het gezicht van een zondebok*, het slachtoffer, hulpeloos en zonder een ontsnappingsmogelijkheid. Als we dit gezicht zien, zien wij onszelf en onze eigen hulpeloosheid. We kunnen hier slechts voor buigen en gaan helpen.

            Vanuit deze gezichtshoek gezien, vraagt het evangelie ons om naar Jezus te zien, die ons laat zien hoe wij zijn, ons brengende naar de plek waar we nieuw leven kunnen vinden: vrijheid ! De positie van zondebok* is de positie die we het meest vrezen.We kunnen het vervolg van dit boek alleen maar lezen indien we ons heen en weer bewegen tussen deze waarheid en de tekst zelf. Als we dat niet doen zullen we meer en meer worden gevangen in de cultuur* in plaats van het vinden van een uitweg.

 

 

 

 

Woorden die zijn gemarkeerd met * worden achterin dit boek gedefinieerd.


 

Deel I Cultuur: onze wereld

 

Hier volgt een korte beschrijving van onze wereld, de wereld waarin we leven en waarin we iets trachten waar te maken. Dat is de wereld die ons in leven houdt. Gelijktijdig zouden we die wereld willen inruilen voor een betere. Die verandering is slechts mogelijk als we de wil hebben ons zelf te veranderen.

            Het kan zijn dat we niet eerder kunnen veranderen dan nadat we onszelf hebben geaccepteerd als onderdeel van de cultuur* waarin we ons bevinden. Gelijkertijd nemen we aan, ofschoon het niet echt belangrijk is of onze aanname correct is, dat we alleen maar kunnen leren over onze menselijke toestand als we ons ook bewust zijn van een andere mogelijkheid, namelijk die van de nieuwe wereld. Tijdens het leren begrijpen van de nieuwe mens, leren we ook de oude mens zien, het type mens dat we op dit moment nog zijn.


1 Menselijk bestaan en menselijke verhoudingen

 

In onze tijd, onze cultuur*, geeft alles wat ons wil duidelijk maken wie we zijn, de indruk dat we op zich zelf staande, volkomen individuen zijn. Het typische symbool voor onze tijd wordt gevormd door de auto. Elke auto kent zijn eigen uitrusting, vorm en grenzen. De invloed van de persoon in de ene auto op het zijn van de persoon in een andere auto is beperkt. Binnen dit systeem heeft ieder van ons een afgescheiden bestaan.

            Natuurlijk zal het dikwijls voorkomen dat we naar anderen toe iets willen overbrengen over onze bedoelingen. Doch de mate van communicatie is beperkt en, behalve het proces van verouderen, gebeurt er niets essentieels. Ieder individu is een klaarblijkelijk gelimiteerd en gevormd wezen.

            De menselijke opvatting dat we op zich zelf staande, complete individuen zijn heeft grote gevolgen voor onze levens. Eén van de gevolgen is de wens om de eigen rechten te kennen en de bedreigers van deze rechten te bevechten. Een tweede gevolg is dat vrijheid* wordt gezien als de vrijheid zich te kunnen onttrekken aan restricties. Wij allen verlangen naar de vrijheid* om op de door ons bepaalde tijd te doen wat we willen. Uiteraard zijn we allen zo opgevoed dat we best weten dat dit niet kan en ondanks dit besef streeft een ieder van ons toch naar het maximaal haalbare. Vrijheid* is een artikel als alle anderen. Iedereen moet er wel naar streven de rijkste, de sterkste, de mooiste, de knapste, de snelste, etc. te zijn. Als het er om gaat onze doelstellingen te verwezenlijken zijn we bereid, zelfs meer dan alleen bereid, alle regels te negeren. Het feit dat alles wat op ons pad komt door ons wordt gebruikt voor het verwezenlijken van onze doelen wordt in de tijd steeds meer bewaarheid.

            In feite is dit individualisme een illusie. We zijn niet autonoom en op ons zelf staand, niet compleet en wel aan verandering onderhevig. Ieder mens is geboren op een bijzondere plek en op een bijzonder tijdstip. Zo is een ieder van ons geboren in een specifiek netwerk van menselijke relaties. In eerste instantie hebben we een zeer nauwe band met onze moeder, die op haar beurt een mens is die haar eigen geschiedenis met zich meedraagt en die gedurende haar leven diverse, verschillende soorten menselijke relaties heeft gekend. Via haar komen we in relatie met de wereld, zowel ten aanzien van het verleden als van de tegenwoordige tijd. Na onze geboorte komen we in contact met andere mensen, die ook weer een eigen relatienetwerk kennen. Ons gehele leven wordt geleefd in vele verschillende soorten relaties, uiteenlopend wat belangrijkheid en tijd betreft, doch voor alle relaties geldt dat zij aan verandering onderhevig zijn.

            Veelal zijn we ons niet bewust van het belang van bepaalde relaties in ons leven. Meestal weten we niet eens welke invloeden op een bepaald moment sturing geven aan onze eigen handelingen, beoordelingen en ons leven in het algemeen. Binnen onze relatienetwerken zijn we, dikwijls onbewust, bezig met veranderen, bewegen, imiteren en reflecteren. Binnen onze relaties ‘zijn’ we en ‘worden’ we, voortdurend veranderd op verschillende wijzen, al zijn we ons daarvan niet altijd bewust. Veranderingen in ons leven komen voor op alle niveaus, zowel bewust als onbewust. Het leeuwendeel van de veranderingen vindt plaats zonder dat wij het kunnen sturen, er grip op hebben of het beseffen. In feite speelt elke verandering zich af op een grote diepte onder ons bewustzijn; dit noemen we mimese*.

            Alle relaties worden gekenmerkt door mimese*. Mimese* is van oorsprong een Grieks woord dat staat voor imiteren of nabootsen. Doch ook heden ten dage worden imitatie en nabootsing bewust ingezet. Echter, we gebruiken het Griekse woord om te benadrukken dat verandering binnen menselijke relaties niet primair een kwestie is van bewuste nabootsing. Mimese* komt onder ons voor, niets en niemand ontziend, of we het nu wel of niet weten of wensen.

            We zijn geboren en leven in onze eigen bijzondere en unieke relaties. Ieder van ons verschilt altijd van de ander als een uniek persoon. Hierover behoeven we ons geen zorgen te maken. Ieder mens is uniek en tegelijkertijd behoren we bij iedereen en bij alles om ons heen, altijd deel zijnde van het geheel.

            Vanwege het feit dat onze persoonlijke uniciteit slechts mogelijk is omdat we leven te midden van zoveel andere mensen, wordt de wereld van het individualisme op zijn kop gezet. Dit houdt in dat de aard van onze relaties, oftewel de vraag met wie en wat wij in mimese* zijn, enorm belangrijk is.

            Een ander gevolg is dat wij nooit volledig stuur aan onze levens kunnen geven. Op grote afstand van andere invloeden wordt het grootste deel van ons leven door anderen aan ons gegeven. Wij kunnen simpelweg niet leven zonder anderen omdat zij ons leven zijn.

            Tenslotte leidt de eindeloze strijd om te winnen in de race van het moderne leven, tot het opofferen van onze relaties, en dus tot de opoffering van de realiteit van onze levens; dit alles voor doelen die kunnen worden beschouwd als illusies terwijl we de ontstane situatie vervolgens ‘vrijheid’ * noemen. In feite willen we winnen van alle anderen, de doelstelling van de macht. Vrijheid*, zoals hiervoor beschreven, zal zich bewijzen als slavernij doordat wij, zelfs als we onze doelstellingen realiseren, bijvoorbeeld de macht of het belangrijkste object bezitten, voor altijd zijn gedoemd het bevochtene te verdedigen tegen onze nabootsers en rivalen. Op den duur zullen we altijd verliezen, als laatste onze rivaliteit met de dood. In feite is vrijheid* binnen onze moderne cultuur* niet anders dan het overwinningsgevoel in de strijd met onze relaties en dat gevoel zal altijd blijven samengaan met de angst dat we morgen zullen verliezen.

            De idee dat wij zijn geformeerd tot originele, autonome personen is een ernstig misverstand. Zo lang wij in ons zelf geloven als ‘geformeerd’ en ‘oorspronkelijk’ maken we het ons zelf moeilijk om te kunnen veranderen. Als gevolg hiervan zijn en blijven we wie en wat we zijn. We zijn hier zelfs trots op. Omdat het onveranderbaar is wordt ons zijn een hachelijke aangelegenheid, onze permanente gevangenis.

            Het centrale belang van onze relaties zet onze moderne ideeën over onafhankelijkheid en autonomie op de kop. Onze relaties met anderen vormen de bron en realiteit van ons eigen zijn. Relaties worden niet door ons beheerst, ze worden aan ons gegeven. Op onze beurt geven wij aan anderen. Hoe wij ‘zijn’ wordt hoofdzakelijk bepaald door de relatienetwerken waarin we leven en de inhoud daarvan. De grote vraag voor een ieder van ons is hoe wij echte vrijheid* vinden, gegeven de wereld en onze levens.

 

2 Mimese

 

Wij bevinden ons allen in relaties met anderen, zowel in het verleden als in het heden. Reden waarom we voortdurend in mimese* zijn met anderen. Mimese* vindt continu plaats tussen mensen. Ik doe wat jij doet omdat jij het doet. Jij doet wat ik doe omdat ik het doe, en zo voort. Binnen elke menselijke cultuur* kan mimese* worden omschreven als de mimese* van de begeerte. Zonder het te beseffen reageren wij over en weer op elkaars begeerten. Ik verlang wat jij verlangt omdat jij het verlangt. Het voorwerp van onze begeerte kan alles zijn: een man, een vrouw, een reputatie, een auto, een positie, een functie en zo voort. Er is een wisselwerking tussen mensen onderling, de mimese van de begeerte. Geen menselijk leven kan los worden gezien van het leven van anderen.

Het is wel zo dat als we allen hetzelfde willen het resultaat een gewelddadig treffen zal zijn. Het grote mysterie van ons menselijk ´zijn´ is dat we bestaan van en gelijkertijd worden vernietigd door mimese. De geschiedenis van Adam en Eva in de hof van Eden is een poging dit te verklaren 2).

            Nogmaals: Ik begeer wat jij begeert omdat jij het begeert en jouw begeerte neemt toe omdat ik het begeer. Deze begeerte is altijd de begeerte te hebben, te bezitten, te krijgen. Begeerte is mimetisch.

            We nemen doorgaans aan dat onze verlangens spontaan binnen in ons ontstaan. Met andere woorden, we verlangen iets of iemand eenvoudigweg omdat wij het willen. Het gebeurt gewoon. We gaan er van uit dat onze begeerte niets van doen heeft met zaken die zich buiten ons afspelen. Echter, elke keer als we termen gebruiken als ‘dat gebeurt gewoon’ of ‘simpelweg’ moeten we erg achterdochtig worden. We verbergen dan iets, heel vaak iets van groot belang. Als onze begeerten in het geding zijn is het fout te denken dat zij simpelweg ontstaan omdat wij iets wensen.

            Begeerte mag je nooit zien als een eenvoudige relatie tussen de persoon die begeert en het begeerde object. Bij onze begeerte is altijd iets of iemand anders betrokken. Onze begeerten spelen zich af in een driehoeksverhouding: de reeds begerende ander, wij zelf en de begeerde persoon of object. De ander is voor ons, om welke reden dan ook, een erg belangrijk persoon. Bijvoorbeeld onze vader of moeder, personen die op hen lijken, of personen die wij als zeer succesvol beschouwen. In feite kan het iedereen zijn. De ander is altijd iemand die we benijden. In schema ziet dat er als volgt uit:

 

 

                                                        X            door  beiden begeerd

                                                                       object of  persoon

 

 

 

 

 

                                  ik                                                                                            model   (middelaar)                  

 

 

 


In het schema kunnen we zien dat we beiden hetzelfde object begeren en we zijn automatisch rivalen van elkaar geworden. We bevechten elkaar, in een escalerende strijd, waarbij we in toenemende mate tegenover elkaar komen te staan. In het volgende schema wordt het escalatieproces weergegeven.

 

                                                                                                                       

Dubbeling

 

 

 

 

 


                                                                                    de ander

 


                                      ik                              ik

                 model,                  

               de ander                de ander              

 

                                      

                                                                                                                                                          

     ik

 

1.                                 2.                               3.                                      4.

 

In de loop van het gevecht wordt de ander – onze rivaal - steeds belangrijker. We zijn al lang vergeten waarom de strijd begonnen is, het oorspronkelijke object van onze begeerte is niet meer in beeld. De strijd gaat alleen nog over de vraag wie van beide partijen de macht heeft. Tijdens het vechten worden alle dingen die buiten de strijd staan minder en minder belangrijk. Onze wereld wordt voortdurend kleiner en op den duur gaan we steeds meer op elkaar lijken, net zo lang tot de rivalen nagenoeg kopieën, dubbels, van elkaar zijn geworden. Het uiteindelijke resultaat van de strijd is volledige chaos 3).

            Het omschreven rivaliteitproces, het gevecht in een model-rivaal relatie*, is in toenemende mate de werkelijkheid van onze maatschappij; van toepassing op individuen, groepen en volkeren. Het leven van de enkeling, naties en de wereld is voortdurend in een staat van beroering, dicht bij mogelijk of zelfs daadwerkelijk geweld.

            Er zijn zo veel voorbeelden te noemen. Mannen rivaliseren om de gunsten van een vrouw en raken over en weer zo gefascineerd dat de verschillen per persoon onzichtbaar worden. Zo knokken medewerkers binnen arbeidsorganisaties om de gunsten van het management. Tenzij ze hiermee stoppen zullen ze hun loopbaan opofferen, als ze hun rivaal maar kunnen vernietigen. In Noord Ierland rivaliseren al lange tijd twee groepen met elkaar. Beide partijen zijn er van overtuigd dat zij volledig van elkaar verschillen en toch, in de ogen van mensen die de strijd op afstand volgen, gaan beide groepen voortdurend meer op elkaar lijken. Uiteindelijk gaat de strijd over niets, met op de achtergrond de permanente dreiging dat het geheel zal eindigen in absolute chaos, waarbij onder andere Libanon en Joegoslavië als voorbeelden mogen dienen. Denk ook aan de escalatie van de strijd tussen Israël en de Palestijnen en het opkomend terrorisme dat de gehele wereld als plaats van actie beschouwt. Iedereen bevindt zich in een model-rivaal-situatie* en als gevolg daarvan gaan we steeds meer op elkaar lijken. Gedurende tientallen jaren dreigde de koude oorlog alle verschillen tussen het Oosten en het Westen te elimineren, met als denkbaar resultaat de volledige vernietiging van beide partijen.

            Naarmate we meer op elkaar gaan lijken zullen we gemakkelijker met elkaar gaan rivaliseren. Dit lokt op zich al meer chaos uit. Doordat we op elkaar lijken willen we de enige mens zijn die beschikt over specifieke objecten of kwaliteiten. Eigenlijk streven we er allen naar verschillend te zijn van de ander, ons te onderscheiden van de ander. Doch omdat wij allen elkaar in een toestand van mimese* bevechten eindigen we in een situatie die we juist wilden voorkomen. Het gevecht om de verschillendheid leidt tot meer rivaliteit, reden waarom we steeds meer op elkaar gaan lijken.

            Er is nog een vorm van relatie die voortkomt uit mimetische* begeerte. In plaats van vechtende rivalen hebben we nu van doen met personen die voor elkaar absolute obstakels vormen. In de model-obstakel-relatie* zal ik een model zoeken dat zo groot is dat ik nooit zal winnen. Het doet er niet toe hoe groot mijn inspanningen om winnaar te worden zijn, ik zal altijd verliezen. De aantrekkelijkheid van dit model is, dat mocht ik de strijd winnen, ik voor mijn gevoel een winnaar op wereldniveau zal zijn. De onbereikbare hoogte of lengte van het model maakt hem of haar voor mij aantrekkelijk. Als ik er in zou slagen een dergelijk groot obstakel te nemen, dan zou ik mij min of meer voelen als een god. Echter, het feit dat ik juist zo’n groot obstakel kies leidt er toe dat ik altijd zal verliezen. Als gevolg van het voortdurend verlies zal ik depressief worden en het gevoel krijgen dat alles zinloos is.

            Iedereen of alles kan in beginsel voor mij een obstakel gaan vormen. Mijn model-obstakel* kan een door mij bewonderd persoon zijn of een bepaald ideaal. Het kan zijn dat ik geheel oprecht als Christus wil zijn, sterker wil zijn dan mijn vijand die echter voor mij te sterk is. In feite zal alle streven dat gedoemd is te mislukken mij in de model-obstakel-relatie* brengen.

            De objecten van model-obstakel-relaties* schijnen dikwijls het karakter te hebben van mooi, begerenswaard en hoogstaand. De wens als Christus te zijn is daar van een goed voorbeeld. Maar vanwege de onmogelijkheid geraken we dieper en dieper in de afgrond van depressie. We raken in een toestand van obsessie en we komen terecht in een zelfvernietigingsproces. We kunnen dit proces als volgt in schema brengen:

 

 

 

 

                                          model-obstakel                      model-obstakel

 

 

 


 model

 

 

 


                                ik                                      ik                                                      ik

 

 

 


1.                                            2.                                            3.  

           

           

            Heel dikwijls ervaren we rivaliteit gewoon als opwindend of prettig. Aanvankelijk beleef je rivaliteit als spel, plagen, heel erg onze best doen, trachten iets te presteren. Maar altijd bestaat de kans dat, geheel onverwacht, tussen de spelers geweld zal uitbarsten, of het nu gaat om twee individuen die privé wat uit hebben te vechten of supermachten die de gehele wereld op het spel zetten Vanwege de rivaliteit kunnen we in depressie geraken en in het uiterste geval leidt rivaliteit tot lichamelijke en/of psychische problemen.

Zowel de model-obstakel-relatie* als de model-rivaal-relatie* komen zeer veel voor binnen onze cultuur; hiervan zijn talrijke voorbeelden. Zo kan een hoogleraar een model-obstakel* vormen voor een student. De student streeft er naar de hoogleraar in belangrijkheid te overtreffen, waardoor de hoogleraar in de opvattingen van de student veel belangrijker wordt dan hij in werkelijkheid is. Uiteindelijk is alleen een ‘groot’ model het waard om overstegen te worden. Gelijktijdig voelt de student zich zo onmachtig dat hij niet succesvol door zijn tentamens komt. Hij verheft de hoogleraar tot een absoluut obstakel voor hemzelf. Het kan zelfs zijn dat een hoogleraar een zeer belangrijk man met vele leerlingen wil zijn en dat geen enkele student zijn doctoraal examen haalt. In feite maakt de hoogleraar zich zelf tot een voor studenten onneembaar obstakel.

In de model-obstakel-relatie* is altijd sprake van fascinatie* richting model. Deze fascinatie* kan als zeer prettig worden ervaren. Doch heel diep zit de dikwijls verborgen depressie. Op de een of andere wijze weten we dat het doel onbereikbaar is, ergo, ook willen we dat niet weten of toelaten.

Aan de andere kant leiden model-obstakel-relaties* tot gedwongen, obsederend gedrag. We pogen voortdurend onze doelen te bereiken zelfs als we blijven steken bij de start. Onze pogingen worden gekenmerkt door een heftige vertwijfeling. Ver onder de oppervlakte zit groot geweld door de rivaliteit met het obstakel, een geweld dat elk moment kan uitbarsten, mogelijk leidend tot de dood van het obstakel dat wij zelf kozen. Dit is de achtergrond van op passie gebaseerde moorden, bijvoorbeeld het meisje dat wordt gedood omdat zij niet kan houden van de man; soms pleegt de man zelfmoord. Leven in model-obstakel-relaties* (soms de zin van ons gehele leven schijnend) is in bepaald opzicht een langzame dood. In het uiterste geval kan het uitmonden in verschillende soorten psychoses 4).

 

3 Spatiale en temporele mimese

 

In sommige opzichten is het moeilijk te begrijpen dat we altijd in mimese* zijn. We kunnen deze situatie beter begrijpen als we onderscheid maken tussen soorten van mimese*, de mimese in samenhang met onze huidige relaties, de spatiale mimese*, en de mimese die in verband staat met ons huidige zelf en ons eigen, zelfs verre verleden (teruggaande tot onze verre voorouders), dat we temporale mimese* noemen.

Op het moment dat we worden geboren hebben we geen persoonlijk verleden. Doch vanaf het prille begin, zelfs vanaf het moment van de conceptie, zijn we in mimese* met de zich rondom ons bevindende personen, als eerste met onze moeder. We zijn om het zo eens uit drukken in dezelfde ruimte waarin moeder zich bevindt. Terwijl we moeder observeren, met inzet van alle beschikbare middelen, doen we moeder na en leren alles. Dit is spatiale mimese*. Op elk moment van ons bestaan leeft een ieder van ons binnen een veelheid van relaties, individuen, groepen, volkeren, ideeën, ideologieën en zo voort. Alle relaties bij elkaar vormen het totale mimetische veld waarin een ieder van ons op een bepaald tijdstip verkeert. Op al die momenten zijn we in mimese met alles wat zich rondom ons bevindt. Dit is de spatiale mimese*. Sociologie is de wetenschap die tracht te verklaren wat zich afspeelt tussen groepen en individuen die met elkaar in spatiale mimese* zijn.

            Gedurende ons gehele bestaan zijn we in spatiale mimese* met alle anderen en alles om ons heen. Zouden we niet in spatiale mimese* zijn dan zouden we niet kunnen leren, zouden we niet kunnen veranderen. Bij elke ontmoeting geraken we in mimese met degenen die we ontmoeten. Jezus, die ons leven binnen komt, vraagt ons hem te volgen. Dit is een voorbeeld van spatiale mimese* 5).

            Wij leren door herhaling, door te doen wat we reeds hebben gedaan. We doen wat we doen omdat we dat eens hebben geleerd. We zijn dan in mimese met onszelf, een ‘zelf’ uit het verleden, een mimese in de tijd. Dit noemen we temporele mimese*. Als we iets hebben geleerd, herhalen we dat automatisch, in mimese met ons zelf, tot er iets in het heden gebeurt dat ons verandert.Dit alles speelt zich af zonder herkenning, als een onbewust proces. Door de herhaling van doen, zoals ooit aangeleerd, door temporele mimese*, vormt zich ons karakter of persoonlijkheid.Ons persoonlijk verleden, vertaald naar temporele mimese*, beïnvloedt ons handelen en zijn en vormt ons. Dat geldt ook voor groepen. We bevinden ons hiermee op het terrein van de sociaal-psychologie. Het is de temporele mimese* die ons gaande houdt. Zonder temporele mimese* zou menselijk leven niet bestaan.

            In mimese* zijn met vroegere ervaringen is een belangrijke menselijke realiteit, doch het is tevens HET grote menselijke probleem. Onder alles wat we hebben aangeleerd, bevinden zich ook de zaken die we verkeerd hebben geleerd. Dit maakt dat we we zijn gevangen in onze eigen temporele mimese*. Daarom is temporele mimese* ook de achtergrond van de fouten die we eindeloos herhalen en van onze neuroses, psychoses en onvrijheid. De enige mogelijkheid aan de mimese te ontsnappen is de ontmoeting met een persoon in het heden, een persoon die in een andere wereld leeft. In mimese* met zulke mensen veranderen wij. Met andere woorden, wij veranderen doordat we de gedragslijn van de temporele mimese* verlaten (afstappen van wat we in het verleden hebben geleerd) en de richting van de spatiale mimese* inslaan, een richting die afwijkt van gebaande gedragswegen. Wij vinden vrijheid in de ontmoeting met mensen die ons los maken van ons verleden en de oude cultuur. Dit proces willen we als volgt in schema brengen:

 

 

 

 

 

 

ik ga door temporele

mimese;ik herhaal

mijzelf.

 


                           een vrij iemand komt in mijn leven

                                 en doorkruist mijn temporele mimese

 

 

                                                                                                        onvrijheid

                                                                                                           

 


                                                                                                            vrijheid

 

 

 


                                          mijn gewijzigde temporele mimese 

                                          is een nieuwe weg ingeslagen

 

 

            Ongetwijfeld is de werkelijkheid meer gecompliceerd dan je kunt afleiden uit dit schema. In werkelijkheid is er sprake van een ontelbaar aantal van buiten komende invloeden die onze temporele mimese*, en dus ons, veranderen. Veranderingen zijn niet altijd verbeteringen. Je kunt dus onder externe invloeden ook verder van de vrijheid verwijderd raken. Een zich thans voordoende ervaring van geweld of rivaliteit kan ons verwijderen van de vrijheid, gebeurtenissen die op zich weer de basis zijn van toenemende temporele mimese*. Niettegenstaande deze vaststelling blijft het waar dat doorslaggevende, positieve doorkruisingen van de temporele mimese* mogelijk zijn. 

            Echte verandering kan plaats vinden in spatiale mimese* met een ander die vrij is, bijvoorbeeld door een diep beleefde ervaring dat iemand van je houdt, vanwege vriendschapervaringen en zelfs door de mogelijkheden die worden geboden door psychotherapie en andere verwante professies. In het evangelie, waar Jezus ontmoetingen heeft met mensen, doorsnijdt hij de gedragslijnen van de temporele mimese*. Als hij zich in dezelfde ruimte bevindt als ik verandert hij mij. Hij maakt het voor mij onmogelijk om dezelfde te blijven en maar door te gaan met in temporele mimese* te zijn met mijzelf. Mensen die Hem ontmoeten geraken in een situatie van spatiale mimese* met Hem en de oude rivaliteit, aangeleerd in temporele mimese*, verdwijnt. Door de ontmoeting met Hem worden ze genezen.

            Een prachtig voorbeeld wordt gegeven in het evangelie van Johannes dat gaat over de zieke man bij het geneeskrachtige bad van Bethesda. In het verhaal wordt verteld dat de man al 38 jaren tevergeefs genezing heeft gezocht bij het bad. Nooit zag hij kans het water te bereiken op het moment dat een engel het water beroerde. Al die jaren werd hij in snelheid geklopt door andere zieken die beter ter been waren. Al die jaren verkeerde hij in rivaliteit met de anderen, al die jaren verloor hij de wedloop naar het water en bleef hij ziek. Vanaf het moment dat hij Jezus heeft ontmoet is hij vrij van rivaliteit en is hij genezen 6). Veel mensen zijn niet vrij, ze zien geen kans uit rivaliteitsprocessen te stappen en ze worden geestelijk ziek door het, in rivaliteit met anderen, vechten voor zaken die niet haalbaar zijn, dikwijls eindigend in de WAO.

 


4 Plus en min zijn gelijk

 

Binnen een cultuur* tref je structuren* aan, de wijze waarop zaken zijn geordend. Dankzij de structuur hebben allen een eigen plaats (positie). Doordat de posities stabiel zijn kan een ieder zijn positie (plaats, plek, functie, rol) vergelijken met die van de anderen. Andere posities kunnen ‘lager’ of ‘hoger’ zijn; ze zijn verschillend. In een structureel verband zijn de posities helder en duidelijk.

In een wereld of cultuur* die geen structuur kent, bestaan ook geen stabiele posities. In een structuurloze omgeving kan iedereen met iedereen rivaliseren. Niemand kent een vaste plek, een ieders plaats is onzeker. Uiteindelijk rest slechts mimese*. Iedereen en alles beweegt op en neer in samenhang met de mimetische spelletjes en gevechten. Op het eind kun je niet eens meer spreken van op en neer. Op en neer hebben slechts betekenis als je kunt meten vanuit vaste punten. Zonder structuren zijn alle metingen geldig op het meetmoment. Het leven verwordt hierdoor tot een permanent strijdtoneel zonder winnaars.

Daar er niet langer vaste punten zijn zullen relaties tussen mensen over en weer nooit duidelijk kunnen zijn. Heldere relaties worden onmogelijk gemaakt als we niet kunnen refereren aan iets dat geldige waarde heeft voor ons allen. Als dat is verdwenen blijven we achter met de voortdurend veranderende bewegingen van onderlinge mimetische rivaliteit. Hoe we ons voelen en wat we zijn, hangt uitsluitend af van onze posities in het proces van de mimetische rivaliteit: zijn we winnend of zijn we verliezend !?

We bevinden ons voortdurend in model-rivaal-relaties* of model-obstakel-relaties*. Deze relaties zijn altijd ambivalent en nooit helder. Ik kan best genegenheid koesteren voor mijn rivaal, terwijl ik waarneem dat hij of zij dingen bezit die ik begeer. Ik bewonder hem en desalniettemin bevecht ik hem door te pogen zelf in het bezit te komen van zaken die hij wel heeft; kortom, ik wil de winnaar zijn. Gelijktijdig is er binnen dezelfde relatie sprake van het positieve en het negatieve: de plus en de min zijn altijd aanwezig.

De situatie is nog duidelijker in de model-obstakel-relatie*. Ik bewonder of ik adoreer zelfs mijn model. Maar gelijktijdig haat ik hem omdat hij mijn leven vernietigt. Ook hier zie ik in mij op hetzelfde moment het positieve en het negatieve aspect. Alles, elk gevoelen, kan op ieder tijdstip omslaan. Op dat moment zijn zowel mijn positieve als negatieve gevoelens vergelijkbaar met de twee zijden van een muntstuk. In feite is het liefde-haat.

Er zijn talrijke voorbeelden van liefde-haat verhoudingen: Een moeder die haar kind omarmt en gelijktijdig het kind wil verstikken of de bewonderaar van een schilderij die het doek wil vernietigen. Op het niveau van internationale politieke betrekkingen kan de relatie tussen de VS en de USSR tijdens de koude oorlog worden genoemd, een alles verterende liefde-haat relatie.

Als er geen structuren zijn, alleen maar mimese*, bestaan er binnen de relatie waarin we ons bevinden, slechts twee mogelijkheden. Of we bevinden ons in een bovenliggende (meer machtige) of in een onderliggende (minder machtige) positie, hierna te benoemen als ‘boven’ en ‘onder’. Als we ‘boven´ zijn, voelen we ons goed en we kunnen niet begrijpen waarom anderen bezwaren uiten. In feite hebben die anderen er moeite mee dat ze zich in de onderliggende positie bevinden, maar dat kunnen wij niet begrijpen. Doch als wij ons in de onderliggende positie bevinden, zijn wij het die ons miserabel en depressief voelen.

Nochtans, vanwege het ontbreken van structuren, voelen we ons goed of juist ongelukkig om niets. Er is nauwelijks of in het geheel geen besef over de vraag waar het nu eigenlijk om gaat, waar het allemaal om begonnen is. Het gaat om winnen of verliezen waarbij het gevecht telt en niet de oorspronkelijke aanleiding. De balans kan op elk moment omslaan, degene die ‘boven’ staat bevindt zich opeens ‘onder’ en we zijn niet is staat dit te beïnvloeden. Van nog meer belang is dat het ontbreken van structuur* er zelfs toe leidt dat we nooit zullen weten of het gevecht wel of niet is beëindigd. Het gehele spel gaat om niets omdat er domweg geen normen en waarden zijn die aan de basis liggen van welke beslissing dan ook. Het effect is dat we dobberende objecten zonder solide ondergrond zijn geworden.

Als de rivaliteit toeneemt zijn we zonder enige beperking bereid elk instrument in te zetten dat volgens onze opvattingen tot de overwinning kan leiden. Uiteindelijk worden alle menselijke talenten en vaardigheden ingezet in het mimetische spel, dat eindigt in een spel om de macht. Liefde, seksualiteit, kennis, titels, bezittingen en zelfs religie*, geloof* en dood worden door ons ingezette instrumenten; voor het winnen van het gevecht zijn alle middelen gerechtvaardigd. Niets staat nog op zichzelf. In feite wordt alles naar beneden gehaald. Elke relatie en verder alles dat we kunnen gebruiken wordt ingezet en vernietigd. Op het laatst maakt het niet meer uit of we winnen of verliezen. Het leven op zich kent slechts waarde in het kader van het gevecht en verdwijnt in het niets.

Structuren trachtten te verzekeren dat we verschillend waren. Echter, rivaliteit zorgt er voor dat we steeds meer op elkaar gaan lijken. Door met elkaar te rivaliseren wordt het laatste overblijfsel van de structuur* vernietigd. Bij het bevechten van structuren zien we kans voor elkaar te krijgen wat we willen voorkomen. Door het gevecht om verschillend te willen zijn, knokkend voor de bovenliggende positie, doen partijen hetzelfde en bereiken we dat de verschillen verdwijnen. Zo lang we en zodra we gaan vechten voor verschillendheid, zal het eindresultaat gelijkheid zijn. Op deze structuurloze aarde is er geen enkele mogelijkheid tot het bereiken van resultaten. Zijnde in onderliggende of bovenliggende positie, doende dit of doende dat, de eindsom is gelijk. Het enige dat telt is het voortdurend of winnen of verliezen van de strijd, een situatie die voor ons onbeheersbaar is.

Als de verankeringen samen met de structuur* verdwijnen wordt het spel een eeuwig wisselen van positie, dan ‘boven’ en dan weer ‘onder’, een eindeloos gevecht dat we uiteindelijk toch verliezen op het moment dat de dood er zich mee bemoeit. Als er niets objectiefs valt te winnen is winnen slechts het tegengestelde van verliezen. Zelfs na het overwinnen van iemand is er altijd wel een object dat nog meer te verkiezen valt, zodat de winst weer wordt gevolgd door verlies, en zo gaat het gevecht door. Op het moment dat we de winst binnen halen krijgen we al een voorteken van komend verlies. Verlies ligt op de loer op elke hoek van de straat, zich elk moment aankondigend.

 Om het eens in andere woorden uit te drukken, alles wordt relatief ten opzichte van zijn tegenpool. Er is geen substantieel verschil. Elk object dat het begin van het gevecht veroorzaakte is al lang irrelevant geworden. Het gevecht gaat louter om het gevecht en neemt alleen maar toe om niets.

Alles heeft betekenis zo lang het bijdraagt aan het winnen van het machtsspel. Als we winnaars zijn komen we in de situatie dat we de ander lief hebben of verachten. Wij zijn degene die de positie ‘boven’ hebben verworven, wij zijn in de ‘plus’. Daarentegen bestaat het lot van de verliezers uit het voelen van haat of zij gaan anderen juist bewonderen. De verliezers liggen ‘onder’ en bevinden zich in de ‘min’. Voor winnaars geldt dat religie* goed voor hen is of juist het tegengestelde, zij vinden dat godsdienst iets is voor ‘softies’; dat hebben zij niet nodig. Voor sommige verliezers geldt dat ze godsdienst* waardeloos vinden. Aan de andere kant zie je veel verliezers zich juist op de godsdienst* storten en zij worden de door Nietzsche zo verfoeiden, mensen die de zielen van slaven hebben.

Op het laatst worden liefde en haat, geloof en ongeloof, winst en verlies, leven en dood, man en vrouw, plus en min gelijk aan elkaar, zonder enige betekenis behalve als het gaat om het gebruik als middel in de strijd. Wij allen eindigen in chaos 7).

 

                         

5 Individu en groep. De wet van Newton

 

Mimese* tussen individuen en mimese* tussen groepen, of tussen een persoon en een groep, heeft altijd hetzelfde karakter. In alle gevallen is er sprake van de mimese* van de begeerte en de gevolgen zijn steeds weer gelijk. Als we relaties analyseren neem je geen verschil waar tussen mechanismen die betrekking hebben op individuen of groepen. Zowel groepen als personen zijn onderling in spatiale of temporele mimese*.

Hoe zwaar temporele mimese* weegt voor groepen – groepen die in mimese* zijn met hun geschiedenis – hebben we ervaren in Ierland, waar de historie met haar mythen zo belangrijk is. Omdat wij altijd in mimese* zijn, of het nu individuen of groepen betreft, kunnen veranderingen slechts plaats vinden als de verbindingen met onvrijheid en beperking van de temporele mimese* worden afgesneden en er ruimte komt voor nieuwe ervaringen – ervaringen in de spatiale mimese*. We kunnen alleen maar veranderen door een nieuwe relatie. Op deze wijze wordt de ervaring van verandering – vrijheid – verkregen. Nieuwe verbindingen in spatiale mimese* verdrijven de oude verbindingen met temporele mimese* en hierdoor worden de oude verbindingen echt vergeten. Rooms-katholieke Ieren ontmoeten protestantse Ieren (en omgekeerd) en herkennen elkaar voor het eerst in hun leven als menselijke wezens, net als zij zelf zijn. Ook zijn er voorbeelden van Joden en Palestijnen die elkaar ineens anders gaan zien. Op dat moment ontmoeten ze elkaar op een andere wijze, zij vergeten de oude geschiedenis die hen gescheiden hield.

We krijgen wel eens de indruk dat bepaalde groepen, vanwege hun complexiteit, moeilijker te veranderen zijn. In werkelijkheid zijn zowel personen als groepen extreem moeilijk te veranderen. In de praktijk weten we maar heel weinig over de complicaties van ieder persoon, ook weten we maar weinig over de complicaties van mimese* in relatie met de vorming van het groepsleven, groepsprocessen zijn gecompliceerd.

 De wet van Newton trekt een interessante parallel met betrekking tot mimese*. Newton ontdekte dat de aantrekkingskracht gelijk is aan het quotiënt van de massa en het kwadraat van de afstand tussen de objecten. Als we deze wet proberen toe te passen in mimetische termen krijgen we een idee van de uiteenlopende krachten in relatie met verschillende relaties. De kracht waarmee wij en anderen in mimese* worden getrokken met iets of iemand is gelijk aan het quotiënt van de massa van de middelaar (de persoon waarmee ik in mimese geraak) en het kwadraat van de afstand tot de middelaar.

De massa van een moeder is voor een baby relatief groot, de afstand nagenoeg nul en dus is de kracht waarmee de baby in mimese* is met de moeder enorm groot. Een menigte is ook een zware massa. We worden door een menigte in mimese* getrokken voordat wij er erg in hebben. In ons eentje kunnen we nooit een menigte overwinnen, tenzij wij in mimese* zijn met iets of iemand anders van waaruit we mogelijkheden kunnen putten die kunnen wedijveren met de massa van de menigte. Een erg belangrijk persoon vertegenwoordigt gewoonlijk een grote massa. Als je met een dergelijk persoon in discussie gaat, en met hem van mening wilt kunnen verschillen, betekent dit dat je wel erg vrij moet zijn om niet door hem in mimese* te worden getrokken. Zo niet, dan verliezen we of we geraken met de persoon in gevecht.

Elke keer als we proberen anderen van iets te overtuigen bevinden we ons in feite in een spel om de macht. Verreweg de meest hoopvolle mogelijkheid anderen te overtuigen bestaat in het achterwege laten van een poging te overtuigen. Het is genoeg de ander te vertellen wie en wat we zijn, wie wij volgen, welke waarheid voor ons geldt, zodoende de ander vrij latend zelf te beslissen of hij wel of niet met ons mee gaat.


6 Cultuur

 

De grote vraag luidt: Als menselijke wezens constant met elkaar rivaliseren, hoe kan de cultuur*– de mogelijkheid om als mensen samen te leven – zich dan ontwikkelen ? Hoe is het mogelijk dat we samen leven en elkaar niet vernietigen ? Het antwoord op deze vragen wordt gevonden in het zondebokmechanisme*, onze neiging zondebokken* aan te wijzen als oorzaak van al onze problemen.

Non-stop slagen wij erin onze verantwoordelijkheid voor onze fouten, vergissingen en streken te ontlopen door andere personen of groepen aan te wijzen als zondebok. Door zo te doen overtuigen we ons zelf dat de gevolgen van onze acties – verwoesting, twist en geweld – niet onze schuld zijn maar zijn of haar schuld. Slechts als we het eens worden over de vraag wie aansprakelijk moet worden gesteld, bestaat er een kans samen te leven in een bepaalde cultuur*. We leven in eenheid als we het hier maar over eens zijn, al zou het slechts het enige zijn waar we ons allen in kunnen vinden.

Begeerte lokt altijd chaos uit. Vanaf het ontstaan van de cultuur* hebben mensen bij herhaling ervaren dat de chaos wijkt en het leven weer mogelijk wordt als één persoon uit de groep verantwoordelijk wordt gesteld en als zondebok wordt aangewezen voor alle problemen die zijn ontstaan. Er ontstond een langdurig leerproces dat leidde tot het ontstaan van de cultuur*. Cultuur* werd een ‘must’ om te voorkomen dat begeerte zou leiden tot vernietiging van de mogelijkheden van het leven.

 

Cultuur kent een aantal hoofdelementen:

1. Riten: Vrede kwam nadat de zondebok* unaniem was verdreven, de overblijvenden vonden gezamenlijke vrede. In het geval van riten wordt de gebeurtenis welke ooit leidde tot het verdrijven van de zondebok* eindeloos herhaald, min of meer leidend tot hetzelfde resultaat. Een totale rite gaat ongeveer als volgt. Er bestaat een soort van wankele vrede die toeneemt in instabiliteit. Mensen beginnen grappen te maken ten koste van anderen. Voor deze fase van het zondebokproces* is de humor of komedie kenmerkend. Maar dan wordt de situatie ernstiger. Het wordt duidelijk wie de zondebok* zal zijn. Dit noemen we de fase van de tragedie. Deze fase kan leiden tot het inzetten van wilde dans en luide muziek (muziek is te bestempelen als ritueel). Uiteindelijk wordt de zondebok* verdreven of gedood en de vrede keert weer.

 

                                                           

 

 

 


                                                                                        

   1. vrede                   2. komedie             3. tragedie

 

                                                                                                     

                                                                                                    

                                                                                                     

                                                                                                   

                                                                                                   

                                                                                                        

                                                                                                   

                                                                                                        

2.     uitdrijving van                                       3. vrede na de

de zondebok                                               offerande

Ook de tijd wordt ´geritualiseerd´. De riten worden opgevoerd op bepaalde tijden.

            Nog steeds bestaat er in onze cultuur* een aanzienlijke hoeveelheid ritueel. Riten zijn gekoppeld aan gebeurtenissen en tijdstippen, zoals Kerst, Pasen, Pinksteren, doop, carnaval, nationale feestdagen en zelfs gewoonten als schudden van handen, begrafenissen, eerste communie, kerkelijke belijdenis en huwelijksvoltrekkingen kunnen we bestempelen als rituelen. Dit geldt voor volkeren, groepen, families en individuen. Zelfs het dragen van een badge of schooluniform wijst op riten.

            Rituele aspecten zijn van alle tijden. Als groep kunnen we de spot drijven met een bepaald persoon, hem daarbij buiten de groep drijven. In het algemeen zijn we ons niet bewust van onze rituelen. Maar toch blijven we bezig met het verdrijven van ongewenste personen, precies als onze voorouders deden. Door het uitbannen van de zondebok* maken we het leven dragelijk en tegelijkertijd verbergen we de werkelijkheid van ons bestaan. We begrijpen ons innerlijk proces niet, een streven tot uitbanning van wat we kwijt willen raken. De zondebok* neemt voor ons het geweld mee. Eigenlijk zijn we altijd bezig met het verdrijven van ons eigen geweld en ons ‘vermogen’ tot het veroorzaken van onenigheid. We houden mannen, vrouwen, situaties en wat nog meer zij verantwoordelijk voor de wijze waarop wij zelf in elkaar zitten. Dus maken we zondebokken*, in de psychotherapie onze geïdentificeerde patiënt genoemd, die ons probleem doen blijven bestaan. De moeite die we hebben met de moderne cultuur* is dat we niet langer op de hiervoor beschreven wijze onze problemen kunnen oplossen. Hooguit zien we kans de kwesties anders te gaan zien als vervanging voor de oorspronkelijke problematiek 8).

            Ook al weten we diep in ons hart dat onze zondebokken* geen zondebokken* zijn, dan zijn we er toch van overtuigd dat we 100% goed zitten door hen te zien als de oorzaak van ons ongenoegen. Echter, dit ‘weten’ is een illusie. Als we anderen bezig zien met het creëren van zondebokken* accepteren we het niet. Voor ons is een zware taak weggelegd in het ontdekken van anderen die zondebokken* aanwijzen en vervolgens de nog veel moeilijker taak om vast te stellen dat we het zelf ook doen. Dit is de enige wijze om vast te kunnen stellen wat we anderen aandoen.

 

2. Mythen: De groep die de zondebok* verdreef vertelde wat er volgens hen gebeurd is. Dit werd altijd in de vorm van een mythe verteld. Doch dit verhaal dekte nooit de werkelijkheid. In feite was het de geschiedenis zoals gezien door de bril van de overlevenden of winnaars. Op geen enkele wijze was de zondebok* meer verantwoordelijk voor de ontstane chaos en verdeeldheid dan alle anderen. Echter, in de mythen wordt verteld dat enkel en alleen de zondebok* verantwoordelijk was voor de ontstane problematiek. De zondebok* was onbetwist het kwaad, degene die de wetten schond en die het op de vernietiging van onze cultuur* had voorzien en op de vrede en onze wijze van bestaan. Hij was werkelijk, objectief gezien, een slecht mens, een echte duivel. De anderen, wij dus, stonden aan de goede zijde.

            Ondanks alle veranderingen in de loop van de tijd, hebben wij nog steeds onze mythen, onze verhalen, onze persoonlijke geschiedenis, die wij over ons leven vertellen. We hebben die verhalen nodig om iemand te kunnen zijn. Niettemin zijn de verhalen van mythische aard. Zelden bevatten onze verhalen de volledige waarheid, zij verhalen liever van de mythe waarin het zondebokproces* doorgaat. Om het eens anders te stellen: Zo lang wij in de cultuur* leven kunnen we niet leven met de waarheid.

            We moeten geschiedenissen maken en bedenken. We hebben al lang ontdekt dat we aan mensen, die ons goed kennen, een glimlach ontlokken als we onze verhalen aan hen vertellen. Zij weten dat het verhaal niet klopt en dat het slechts ons verhaal is, het verhaal dat we nodig hebben om overeind te blijven in dit leven. Zowel mythen als riten zijn manieren de waarheid te verbergen, ofschoon zij leuk zijn om te vertellen. Maar als wij dan onze verhalen vertellen beseffen we regelmatig dat we leven met leugens, zowel met de onze als die van anderen.

            In mythen zien we altijd dat er onderscheid wordt gemaakt tussen goede en kwade mensen. Omdat wij met de werkelijkheid leven, de realiteit van de cultuur*, gaan we er van uit dat de mythen de waarheid bevatten. We verdelen mensen gewoon in ‘goeden’ en ‘kwaden’. Dit soort waarheden heeft het karakter van een mythe, een leugen. We weten thans dat als we mensen bestempelen als slecht, wij ons bevinden in de wereld van de mythe. We zijn feitelijk huichelaars.

            We zijn ook huichelachtig als we over of tot anderen spreken op een moraliserende wijze. Bezig zijn met moraliseren komt er op neer dat we anderen als slecht benoemen. Als we met onze vingers wijzen naar anderen trachten we de waarheid over onszelf te verbergen. Bij het proces van moraliseren komt altijd een gevoel van agressie waarmee we ons verdedigen. Ook moraliseren behoort bij het creëren van zondebokken*. Dat is de reden waarom we bang zijn moraliserend te worden toegesproken. Diep in ons zijn we bang dat wij tot zondebok worden gemaakt.

            Wij allen hebben de mogelijkheid goed of kwaad te doen. Het feit dat we allen verschillend zijn komt niet door ons en is dus niet onze verdienste. Cultuur* heeft er altijd voor gezorgd dat mensen van elkaar verschillen, zodat de kans op rivaliteit werd verkleind en de slechtste eigenschappen van mensen, die een ieder van ons bezit, niet boven zouden komen. Naarmate de cultuur* verder ten onder gaat zal de cultuur* minder in staat zijn haar missie waar te maken en des te meer wordt het een kwestie van toeval of we minister, bendehoofd, een goed burger of terrorist worden.

            We zijn niet geboren om goed of slecht te worden. Onze mogelijkheden komen te voorschijn door een lange reeks van ontmoetingen die we gedurende ons leven met mensen hebben. In een maatschappij waar sprake is van een verdwijnende cultuur* zijn het dikwijls de geslaagden, de meest succesvolle mensen, die ´goed´ zijn in het maken van zondebokken. Elke keer als we ergens in slagen kunnen we ons afvragen wie onze zondebokken zijn*.

 

3. Wetten: Wetten zijn ook ingesteld als een poging begeerte, en daardoor geweld, te voorkomen en terug te keren tot de maatschappij en cultuur*. Zij laten zich het meest gelden als structuren en cultuur* dreigen te worden ondermijnd, waardoor het menselijk leven in gevaar wordt gebracht. De tien geboden waren van oorsprong godsdienstige wetten die begeerte verboden, zoals de begeerte gelijk aan God te willen worden, jaloers te zijn op de ander en alles te begeren wat een ander heeft.

 

4. Structuur: Teneinde begeerte te voorkomen en derhalve rivaliteit hadden allen een plaats in de structuur* van de maatschappij of de groep. Een ieder had zo zijn of haar eigen rechten en plichten. Je eigen plek willen verlaten, door bijvoorbeeld de positie van een ander te willen hebben, op je eigen niveau, binnen de structuur* of daar buiten, was absoluut niet toegestaan. Begeerte buiten de grenzen van de structuur* was verboden en dit verbod was zodanig geaccepteerd, zo vanzelfsprekend, dat het zeer eenvoudig in ons bestaan paste, zelfs geen zaak van bewuste gehoorzaamheid. Eert uw vader en uw moeder betekent niet dat je ze moet liefhebben, doch dat je hen een eigen plaats als ouders moet geven en hun positie moet respecteren 9). Vecht de positie van je chef niet aan, ga niet met hem in de rivaliteit. Het omgekeerde geldt ook: Laat je medewerkers hun eigen plaats hebben, respecteer ze en ga met hen niet rivaliseren.

 

            Cultuur* was altijd gebaseerd op verschillen. We hebben de verschillen nodig omdat we slechts dan vrij kunnen zijn van rivaliteit en met een gevoel van zekerheid kunnen leven. Mythen, riten, wet en structuur* wilden gezamenlijk bewerkstelligen dat er verschillen in ons bestaan kwamen en dat de verschillen zouden worden gehandhaafd of vernieuwd.

Uiteindelijk is alles wat we nodig hebben de innerlijke overtuiging dat ´zij´, de anderen, verschillend zijn. Waardoor protestanten en katholieken precies van elkaar verschillen, is niet belangrijk. Het kan zelfs gevaarlijk worden als we de verschillen kennen, want dat kan het begin zijn van het proces gelijk te willen zijn.

            Het is uitermate belangrijk dat het helder is dat als culturele verschillen komen te vervallen, wat reeds gebeurd is en nog steeds gaande is, we niet terug kunnen naar de cultuur* zoals ze was. We zullen bij elkaar moeten komen om samen naar nieuwe wegen te zoeken.

 

 

 

 

 

 

 

           


7 Het leerproces

 

Ouders of leraren die rivaliseren met een kind kunnen het kind nauwelijks iets leren. In deze situatie leert het kind hooguit hoe het moet rivaliseren. Uiteindelijk zal het kind met hen gaan vechten en daardoor worden de mogelijkheden tot ontwikkeling en leren te niet gedaan. Zolang wij ons bevinden in model-rivaal* of model-obstakel* relaties zal blijken dat leren tot de onmogelijkheden behoort. Verder vernietigt de rivaliteit de mogelijkheid van het leven, zoals vermeld in Exodus 20: 12 waar wordt gesproken van een verlengd menselijk leven indien de ouders worden gerespecteerd. Model-rivaal* en model-obstakel* relaties vormen een belangrijke bron van neuroses, de bron van alles dat fout kan gaan in ons leven.

Om te kunnen onderwijzen en te leren hebben we een andere relatie nodig, een relatie waarin ons model slechts een model is en niet meer dan dat, dus geen model-rivaal of model-obstakel. Met andere woorden, de relatie moet een vrije relatie zijn, vrij van mimese* van de begeerte. Relaties kunnen alleen maar vrij zijn als ieder binnen de relaties een eigen plek heeft. Een vader moet vader en een moeder moet moeder zijn, net zoals een leraar alleen maar leraar kan zijn, vooropgesteld dat men weet wat deze posities inhouden. Hij of zij moet de bij de positie behorende taken kennen en de overeenkomstige verantwoordelijkheden dragen, met toewijding de taken verrichtend. Ook het kind heeft de eigen rechten en plichten. We kunnen slechts de vrijheid* vinden om de rol van vader, moeder of onderwijzer aan te gaan als we deze positie met ons gehele wezen accepteren.

Het model heeft ook de taak (en de vrijheid*) het model los te laten (min of meer te laten sterven). Uiteindelijk houdt dit in dat het kind of de student de vrijheid* krijgt zijn eigen weg te gaan. Onderwijzen is onmogelijk zonder besef wat en wie je bent in vrijheid* en zonder te zijn voorbereid op het moment dat je moet los laten. Je kunt ook niet leren als je niet bent voorbereid op het moment dat je ouders of leraar je los laten, je aldus de kans gevend je eigen weg te gaan. Dit proces kunnen we ook in schema brengen:

 

 

 

 

 

ouder                ouder                  ouder                 model laat                            volwassen en

leraar                leraar                  leraar                 kind los       kind                       vrij kind

 

 


                                                                    kind

 


                                         kind

                 kind               

 

 

 

 


                                                                                        model

                                                                                        

1.                          2.                        3.                           4.                           5.

 

Als er sprake is van rivaliteit in plaats van vrijheid*, dan wordt er minder of zelfs niets geleerd.

Het kind wordt nooit volwassen en wordt nooit vrij als de rivaliteit met de ouders niet beëindigt. Het gevolg is een levenslange binding en daardoor een levenslange strijd. Dit is voor ons allen van groot belang, of je nu kind, ouder of leraar bent. Mensen zullen vrij zijn iets van ons te leren voor zo ver we zelf vrij zijn, de ander toestaan vrij te worden, de vrijheid* gevend de eigen keuzes te maken. Zodra we met hen gaan rivaliseren, door te pogen hen te overtuigen van ons gelijk of zodra we voor hen obstakels gaan vormen door aan te willen tonen dat wij beter zijn of meer inzicht hebben, zijn al onze inspanningen tevergeefs geweest. We kunnen binnen onze relaties alleen maar vrij zijn als we terugkeren tot de model-model-relatie. Voor de praktijk van alledag betekent het voorgaande dat in ouder-kind-relaties kinderen vrijheid* wordt gegeven c.q. kan worden gegeven als we in de structuur blijven of terug keren naar de structuur*. Voor volwassene-volwassene-relaties geldt dat vrijheid* wordt verkregen als we elkaar vrij laten.


8 'Opkomst en verval van de cultuur'

 

Om verschillende redenen zijn mythen, riten, wetten en structuren minder effectief geworden. We hebben nog wel onze mythen, maar in onze samenleving worden ze in toenemende mate gereduceerd tot mythen die slechts worden gedeeld met onze directe omgeving, ons gezin of alleen maar worden geloofd door onszelf. We hebben nog riten die in veel gevallen belangrijk zijn voor onze eigen levens, maar bijna geen enkele is een rite met waarde voor onze gehele maatschappij. Zo wordt in Noord Ierland op de 12e juli een ‘oranjeritueel’ (de oranjemarsen) opgevoerd dat slechts waarde heeft voor een deel van de bevolking (de protestanten) en verder bedoeld is om de anderen (de katholieken) aan de kant te zetten. Evenzo worden nog resterende riten door ons gebruikt om bepaalde leden van onze eigen groep of familie uit te drijven of onderdelen van ons eigen leven die we wensen te vergeten.

Er bestaan nog wetten, die wij veelal beschouwen als van toepassing voor anderen. Ondertussen vinden we het niet nodig, om redenen die alleen wij begrijpelijk vinden, zelf te voldoen aan de eisen die de wet stelt. Hiervan zijn vele voorbeelden bekend. Anderen behoren zich aan de wettelijk toegestane snelheden te houden, zij moeten trouw hun belastingen voldoen aan de overheid, zij mogen geen alcohol gebruiken en daarna rijden. Aan de andere kant heb ik mijn legitieme redenen om, op bepaalde momenten dat het mij goed dunkt, de wet- en regelgeving aan mijn laars te lappen. Eigenlijk rest mij niet anders dan anderen te bestempelen als zondebok* omdat zij, wat betreft het overtreden van de wet, meer schuldig zijn dan ik. We zullen in enkele modellen trachten aan te geven hoe het proces van de verdwijnende structuur* verloopt:

 

 

 

 

 

 

 

 


          

 

        1.                                                                 2.

 

 

 

 

 

 

 


        3.                                                                 4.

 

 

Naarmate de structuur* verdwijnt  neemt de competitie tussen alle betrokkenen toe. In feite neemt de ongelijkheid binnen de gemeenschap af. In het voorgaande schema kun je zien dat alles en iedereen gelijk eindigt en duidelijkheid over functies, rollen, posities bestaat niet meer. Maar zonder deze duidelijkheid kunnen we niet verder. Dus eindigen we met elkaar in een gevecht dat ons een (tijdelijke) eigen, persoonlijke structuur moet opleveren. Het enige dat ons rest is, dikwijls onbewust, het inrichten van ons universum volgens ons eigen programma van eisen. Dus zelfs als we iemand anders of een ideaal aan de top van ons eigen systeem plaatsen, blijft het toch ons eigen systeem waar we de macht over (menen te) hebben. Natuurlijk zijn er vele anderen die ook voor hun eigen structuur* vechten. Als eindresultaat wordt het leven een zich eindeloos herhalende cyclus van winnen en verliezen, gekenmerkt door achterbakse, tijdelijk geldende, tactische compromissen. De hachelijke situatie die Dostoevsky beschrijft in zijn boeken over de alleenstaande persoon die er van overtuigd is dat hij alleen staat tegenover het blok van anderen, is de realiteit van ons leven geworden. Iedereen is tot op zekere hoogte onze rivaal en vijand.


9 Man – Vrouw – Huwelijk – Gezin

 

Vanaf het moment van onze geboorte groeien we op temidden van andere mensen. Wij worden en zijn wie we zijn door van hen te leren. Dit proces vindt plaats vanaf het begin van ons leven en de diepe impact van dit leerproces dragen we altijd met ons mee. Voor vrijwel een ieder waren en zijn onze ouders de eerste, belangrijke mensen in ons leven.

Een echtpaar leeft dicht bij elkaar, zowel lichamelijk als relationeel. Het gevaar dat zij met elkaar gaan rivaliseren, is groot. Slechts door het handhaven van verschillen kan rivaliteit worden voorkomen. Als de man, de vrouw en de kinderen binnen het gezin hun eigen plek (positie) hebben bestaat de mogelijkheid dat zij met elkaar in vrede leven.

In de cultuur* is deze conclusie altijd opgesloten geweest. Binnen elke gemeenschap hadden mannen en vrouwen hun eigen plaats, hun eigen rechten en plichten. Een ieder had zijn of haar eigen gebied waar de ander niet mocht binnen dringen. Zij kenden verschillende talen en gebruikten verschillende methoden en technieken voor hetzelfde werk. Als we dit in model brengen ontstat het volgende schema:

 

 

 

 

 

 


                                                           man    vrouw

 

 

 


                                                              kinderen

 

 

 

 


Binnen onze eigen cultuur* wordt deze structuur* min of meer te niet gedaan. Er bestaan echter voldoende aanwijzingen over hoe het ooit was. Er zijn nog woorden die jongens wel maar meisjes nooit gebruiken. Vele ouders zijn zich nog bewust van hun verantwoordelijkheden tegen over elkaar en de kinderen. Niettemin neemt de rivaliteit hand over hand toe, zowel tussen man en vrouw en tussen ouders en kinderen. Kinderen die opgroeien met rivaliserende ouders zullen ook gaan rivaliseren met hen. Dikwijls hebben ze geen andere keus dan te rivaliseren, willen ze overleven. Liefde, ooit aanwezig als vrije gift, door twee personen aan elkaar gegeven, degenereert meer en meer tot een machtsstrijd. We houden van elkaar zo lang iedereen het spel meespeelt.

Onze cultuur* is seksistisch geworden. Hiermee bedoelen we dat ons geslacht niet langer een onomstreden gegeven is. Het is deel geworden van het gevecht dat we met elkaar voeren. Voor de inrichting van ons leven doet het er niet toe of we man, vrouw of kind zijn. We eindigen met het gebruik van ons man, vrouw of kind zijn als inzet van onze strijd tegen anderen: vrouwen tegen mannen, mannen tegen vrouwen, volwassenen tegen kinderen en zo voort. Uiteindelijk tellen uitsluitend macht, de overwinningskans en het uitbuiten van de ander. Wij allen zijn gevangen in het machtsspel , onze eigen identiteit verliezend en er voor zorgend dat de verschillende mogelijkheden die we ooit bezaten worden opgeheven. De enige hoop die rest is dat we ons bewust zijn van dit proces. Dit bewustzijn stelt ons misschien in staat om een andere weg in te slaan en hierdoor de werkelijkheid te veranderen. Het voorgaande beschrijft eigenlijk de kern van ons moderne leven of de kern van onze cultuur. Zeker is dat er geen weg terug is naar een geïdealiseerd verleden. Even zeker is het dat we niet kunnen verkeren in de huidige situatie.


10 Religie

 

Religie* is het terrein van mensen die zich bezig houden met het creëren van zondebokken*. Religie* moet niet worden verward met geloof* c.q. vertrouwen. Wij gebruiken het begrip religie* zoals toegepast in de culturele antropologie, de wetenschap die beschrijft wat zich voordoet in verschillende culturen. In de religie* hebben degenen die zondebokken aanwijzen, de grote zondebok*, de duivel, uitgedreven, diegene die door zijn aanwezigheid chaos heeft veroorzaakt en de overtreding van alle regels. Op het moment dat hij werd uitgedreven ontstond er een niet te bevatten vrede. Wonderlijk is dat hij ook vrede bracht en daardoor ook een soort god is.

Religie* en cultuur* kennen dezelfde oorsprong. Met andere woorden, religie* en cultuur* zijn dezelfde. Het is niet mogelijk zich in een cultuur* te bevinden en gelijktijdig buiten de religie* zijn. Mythen, riten, wetgeving en structuur* vormen de basis van zowel de cultuur* als de religie*. Onze religie* kan geheel zijn verborgen in de cultuur* – zelfs verborgen voor ons zelf – zonder afbreuk te doen aan de hiervoor genoemde realiteit. Zo lang wij op deze aarde leven in een bepaalde cultuur*, leven we ook in religie*.

Geloof*, daarentegen, onderscheidt zich totaal van religie*. Geloof* is de wereld waarin de zondebokken*, van degenen die zijn uitgedreven, leven. In zekere zin is het de op zijn kop gezette wereld van de religie*, zoals het evangelie alles op zijn kop zet. De zondebokken* hebben ontdekt dat hun god niet de god van het geweld en de machtigen is, de god van religie*, maar de god van de zwakken.

Religie* en cultuur* gaan altijd samen met geweld. We kunnen in grote lijnen aangeven hoe dit proces verloopt. De oorspronkelijk aanwezige groepen leefden alle in mimese* met elkaar en op gelijk niveau zonder transcendentie*. Daar de mimese* van de begeerte steeds maar toenam vervielen de groepen tot vernietigend geweld. Alleen door de arbitraire benoeming van een groepslid tot zondebok* en de hierop volgende uitdrijving van en concentratie van geweld op de zondebok* was de groep in staat de vrede te hervinden. We kunnen dit proces laten zien in een eenvoudig model:


1.                                           2.                                                 3.

 

 


                                                                         X                                                        X

                                                                        object

 

 

 

4.                                        5.                                                   6.

                                                                                                                    zondebok is

                                                                                                                    aangewezen

 

 


object is niet                                    ´dubbels´

meer relevant                                   zie 1)

 

 

 

7.                                                                  8.

 

 

 

 

 

 

 


zondebok wordt

uitgedreven

                                                                        vrede is teruggekeerd

 

 

 

 

 


                                       9.                                        

                                                          transcendentie

 

 

 

 

 

 

 

 

 


1)  Met het woord ´dubbels´ (een Anglicisme) wordt de verhouding van rivalen aangeduid die elkaar volledig in rivaliteit hebben verstrikt.

 

In de loop van het uitdrijvingsproces van de zondebok* gaat de rest van de gemeenschap een eenheid vormen, niet langer met elkaar in rivaliteit verkerend, doch allen in dezelfde richting kijkend, richting zondebok*. Dit is de werkelijke bron van de vrede die op de gemeenschap neerdaalt na de uitdrijving. Niettemin wordt in de mythen de vrede toegeschreven aan de bijzondere krachten van de zondebok*.

Het heilige in de cultuur* en de religie* is het totaal van emoties en gevoelens, het totaal van ervaringen van mensen die door de chaos gaan die vooraf gaat aan de offering. Dit heeft betrekking op de vrede die volgt op het gewelddadig uitdrijven van de zondebok*. Als het geweld ooit opnieuw start komen dezelfde gevoelens weer boven en grijpen we, dikwijls onbewust naar sacraficiële oplossingen. Weer gaan we zoeken naar een zondebok* die we kunnen uitdrijven. Van dit proces bestaat een eindeloze reeks van voorbeelden. Het geweld in Noord Ierland en het nabije Oosten gaat gepaard met het aanwijzen van zondebokken* over en weer en staat geheel in het teken van het sacrale en het zoeken naar degene die de schuld kan worden gegeven. We zijn geschokt door de offering, doch gelijktijdig fascineert het ons.

Fascinatie* staat centraal in de beleving van wat als heilig wordt beleefd. Wreedheid brengt altijd fascinatie* met zich mee. Als ons wordt verteld over een lynchpartij of we zijn er getuige van, reageren we diep geschokt en gelijktijdig, alsof het magie betreft, worden we erdoor aangetrokken. Als we kijken naar wat er aan de hand is, wordt het duidelijk dat geweld en het heilige gelijk zijn aan elkaar. Geweld trekt ons in haar krachtveld omdat het geweld is opgesloten in de rivaliteit, de sacraficiële chaos. Zonder echt besef of weten hopen we dat uitdrijving van de zondebok* leidt tot terugkeer van de vrede. Gelijktijdig wordt de door geweld aangezette terreur niet uitgebannen, de terreur die gebaseerd is op de angst dat we ooit zelf als zondebok worden aangewezen, de zondebok die het slachtoffer is van het geweld. Zowel geweld als wat heilig is kan ons vernietigen.

Waar we het geweld ook aantreffen, religie* en cultuur* zijn altijd in de directe nabijheid. Escalerend geweld gaat altijd samen met een toenemend, wanhopig zoeken naar de zondebok*. In conflicten tussen religies zien we dat aanwakkerend religieus denken dikwijls gepaard gaat met toenemend geweld. Dezelfde mechanismen treffen we aan in de politiek, bij terrorisme en binnen in ons zelf. Zodra onze gedachten, fantasieën en daden wreedheid uitstralen belanden we in de invloedsfeer van religie*, zoekende naar onze zondebokken* en bang zijnde dat we zelf tot zondebok* worden gemaakt. Zonder het te beseffen zoeken wij vrede door de gangbare werkwijzen van de cultuur toe te passen, zijnde de oude paradoxale werkwijze die in feite niet langer een reële optie is.

Cultuur* en religie* maken verschil tussen geweld dat als positief, goed, werd ervaren en slecht geweld. ´Slecht´ geweld is het geweld dat wordt ingezet om de gemeenschap te vernietigen door van buiten komend geweld of door criminelen. Goed geweld is het geweld dat de gemeenschap gebruikt om het ´slechte´ geweld te weren.

Een van de kenmerken van deze tijd is dat het onderscheid tussen beide soorten geweld begint te vervagen. We zijn er niet altijd zeker van dat binnen onze gemeenschap recht wordt gedaan en of dat zelfs wel mogelijk is. In een aantal situaties twijfelen we of de politie zelf de wetten nakomt. Het geweld verspreidt zich. Inzet van geweld lokt in toenemende mate meer geweld uit, ongeacht de oorzaak van de toepassing van het geweld. Meer en meer wordt geweld alleen maar geweld, ook al is de oorspronkelijk intentie het geweld in te zetten voor goede doelen, gezien vanuit de culturele invalshoek.

Nadat de zondebok* is verdreven uit de gemeenschap, wordt de zondebok* verantwoordelijk gesteld voor zowel de na de uitdrijving ontstane chaos als de herwonnen vrede. Hierdoor krijgt de zondebok, zeer paradoxaal, binnen de religie*, de functie van duivel en god. Volgens de mythe betrof het een persoon die ongelooflijk slecht was. Het was de persoon die door overtreding van de geheiligde wetgeving de gehele samenleving dreigde te vernietigen. Hij moet dus wel de duivel zijn. Doch gelijktijdig bracht hij na de verdrijving, een absoluut niet te bevatten vrede over de samenleving, dus moet hij ook wel god zijn.

Dan wordt de duivel, vanwege het op een onbevattelijke wijze veroorzaken van zowel het slechte als het niet verwachte goede, de heerser van onze culturele werkelijkheid. Deze duivel is tevens de god waarmee je maar beter in vrede kunt verkeren. Die god moet natuurlijk wel worden gevreesd. Zijn stemmingen, uiteenlopend van woede tot goedgunstigheid, zijn volledig onvoorspelbaar. Zo lang wij god vrezen of hopen dat hij ons op afroep zal helpen, bevinden wij ons in de invloedsfeer van de religie*. Dat is ook het geval als wij onze kinderen dreigen met god of met Jezus. We doen hetzelfde weer als we onze opponenten aanwijzen als de vijanden van god of als we god vragen ons te helpen in de strijd tegen hen. Als we leven in dit type wereld leven we in de wereld van de religie*, geweld en huichelachtigheid 10).

Bij religie* behoren structuur*, mythen, riten en de wet. De cultuur* blijft bestaan dankzij deze vier aspecten. In vele opzichten kunnen we opgelucht zijn dat delen van deze religieuze werkelijkheden nog functioneren. Als dat niet het geval zou zijn, zouden we al lang zijn vernietigd door geweld en chaos. Niettemin kunnen we slechts leven met deze werkelijkheid als onze harten zijn gericht op de werkelijkheid van het evangelie en we ons niet overleveren aan de negatieve aspecten van de cultuur*.

Alles wat met cultuur* van doen heeft is gestoeld op geweld en huichelachtigheid. Het is een waanidee te geloven dat de cultuur de waarheid kent betreffende zichzelf, waardoor er altijd sprake is van hypocrisie. In werkelijkheid is de zondebok* niet slechter dan wij zelf zijn. Maar we moeten er van overtuigd zijn dat hij slecht is, anders komen we niet klaar met onze cultuur* en dus ons leven. Zo lang wij ons in de cultuur* bevinden zijn we in dubbel opzicht gevangen. Een deel van ons wil eerlijk en oprecht zijn, maar diep in ons hart weten we dat we dat niet kunnen, zelfs niet willen zijn.

Door de eeuwen heen, vanaf het bestaan van de cultuur*, hebben mensen niet echt geweten wat ze aan het doen zijn. De bij de religie* behorende mythen waren eenvoudigweg het enige dat telde als de waarheid. Mensen wezen met een zuiver geweten de zondebokken aan 11). Toen na eeuwen de hypocrisie zich begon te openbaren was het niet langer mogelijk de oren te sluiten voor de woorden die Jezus tot ons gesproken had. Door de ogen van Jezus zien we ons zoals we werkelijk zijn. We kunnen een begin maken door in te zien dat we iedereen, ook de natuur, misbruiken. We horen dat niet graag, dus gaan we gewoon door. We weten dat we onszelf en de toekomst van onze kinderen vernietigen. Nog erger is te weten, dat alles wat we binnen onze cultuur* proberen, in het gunstigste geval niet werkt en in het ergste geval juist het tegengestelde van onze intenties bewerkstelligt. Ook hier blijkt weer dat plus en min gelijk zijn (zie hoofdstuk 4). We zijn deel van de cultuur* en we zijn er slaven van. Gelijkertijd weten we dat we er mee moeten ophouden en willen wij er aan ontsnappen.

Van het begin af aan werd de christelijke kerk meer en meer religieus. Steeds meer begon de kerk tot de cultuur* te behoren en bracht ze de duivel-god in het geweer tegen de leden van de eigen gemeenschap en tegen anderen. De kerk gebruikte deze god tegen de vijanden binnen en buiten de kerk. Al snel identificeerden verschillende kerken zich met hun natie en hun groep zodat er rivaliserende groepen ontstonden, rivaliserend in en met de wereld. Elke groep vocht voor naleving van de eigen wetten. Ze gebruikten de denkbeelden van deze wereld voor eigen verdediging en de verdediging van het evangelie, althans dat dachten ze.

Over dit alles behoeven wij niet te oordelen. Door samen te gaan met de cultuur* heeft de kerk wel West Europa gered in de donkere eeuwen van verval van het Romeinse Rijk. Dus heeft de kerk op deze wijze een geweldige culturele taak volbracht. Ook bewaarde de kerk de tekst van het evangelie zodat wij dit kunnen lezen en er van uit kunnen leven. De kerken blijven zeer religieus, zoals we allen zijn. Gelijktijdig blijft het evangelie de werkelijkheid waarop de kerk is gebouwd en de kerk weet, zoals wij allen kunnen weten, dat het evangelie de enige weg naar de toekomst is.

Cultuur* staat gelijk aan religie*. Doordat de cultuur* uiteenvalt vervaagt ook de religie*. Alle dingen worden gaande weg meer ambivalent en onzeker. Deze veranderingen houden overeind dat cultuur* en religie* een eenheid vormen. Deze ontwikkeling doet niet af aan het feit dat leven is gebaseerd op religie*. Wat wel plaats vindt is dat de hiervoor geschetste samenhangen steeds meer verborgen raken. Meer en meer handelen wij alsof we in het geheel geen religie* aanhangen. Alles binnen de samenleving raakt meer en meer versplinterd.

Een van de meest moeilijk te doorgronden gevolgen is, dat zowel de kerk als de staat, alsmede meer of minder religieuze instituten, uiteen vallen, als het ware verkruimelen. Om redenen van zowel subjectieve als objectieve aard proberen zij wanhopig de macht te behouden. In feite zijn staat en kerk meer en meer verworden tot ornamenten of ze verdwijnen, samen met de religie*.

Uiteindelijk is het van secundair belang of wij exact begrijpen wat er aan de hand is. Het allerbelangrijkste is dat we zoeken naar nieuwe wegen.


11 Transcendentie, vrijheid en structuur binnen de cultuur

 

Elke groep die ooit heeft verkeerd binnen een traditionele religie* had ook van doen met transcendentie. Dit houdt dat er een autoriteit bestaat die boven de groep uitstijgt, superieur, ‘hoog in de lucht’, buiten invloed van de groep of ieder lid van de groep en over de groep heerst en/of haar in afgezonderde positie brengt. Ieder lid van de groep was in mimese* met deze alles overstijgende autoriteit. Dit is de god van de goden. Alles wat heilig is verklaard is heilig omdat het het geheiligde van die god is. De structuur* van de gemeenschap (wetten, regels, kortom alles wat gemeengoed was voor de gemeenschap en waaraan men gehoorzaam was) was van die god en dus heilig verklaard. Ongehoorzaamheid was heiligschennis en gedurende lange tijd betekende dit de doodstraf voor de overtreder. Een ieder die niet gehoorzaamde aan de superieure autoriteit kon niet bij de groep behoren. Om diverse redenen was het handhaven van een overtreder te gevaarlijk voor de groep.

Samen leven met anderen onder gezag van de transcendentie* betekent dat een ieder zijn of haar plaats kent, hun rechten, verplichtingen en vrijheid* in verhouding tot de anderen. Daar allen hun plaats kennen, kunnen we spreken van universele toepassing. De gehele wereld is van jou omdat de gehele wereld ressorteert onder die superieure macht. Als we de term ‘de gehele wereld’ gebruiken, bedoelen we de wereld die wij erkennen, dus dat deel van de wereld waar onze god heerst. Gedurende lange tijd was de gehele wereld de wereld van de groep. Dit gold zelfs voor de Grieken, voor wie slechts de Griekse wereld telde als zijnde de wereld. In schema kunnen we dit als volgt weer geven:

 

 


                                                                                                     transcendentie / god

                                                                                                     cultuur

 


                                                         ieder heeft

                                                       z’n eigen plaats

                                                                                                onderling parallelle relaties;

                                                                                                      doch allen gericht op

                                                                                                    de transcendentie / god

 

 

de buitenwereld van

demonen/barbaren

                                                        STRUCTUUR

 

                                       de wereld waartoe iedereen behoort

 

 

 

 

 


In de cultuur* is er sprake van een voor een ieder geldende verticale transcendentie*. Daar het transcendente volledig buiten het bereik van gewone stervelingen valt kan geen enkel lid van de gemeenschap rivaliseren met het transcendente. Dit aspect van onbereikbaarheid geldt ook voor relaties die structureel zijn bepaald. We gebruiken voor dit soort situaties het begrip ‘externe mediatie’*. Mediatie houdt in dat het model ‘middelt’ bij het ‘doorgeven’ van een begeerte aan degene die met het model in mimese is. Als ik mijn model zie en begeer wat hij begeer, heb ik zijn begeerte aan mij laten doorgeven, ik heb mijn model laten middelen. Externe mediatie* houdt in dat mijn model in een andere wereld leeft dan ik. Dat is het resultaat van afstand, of geografisch of tijd, of beide. Hierdoor rivaliseert mijn model niet met mij. Als de transcendentie volledig verticaal wordt is er ook geen sprake van rivaliteit.

Structuur onder een transcendentie maakt een einde aan de rivaliteit. Deze waarheid geldt of gold voor relaties met god en evenzo voor relaties tussen ouders en kinderen, gezagsbekleders en burgers, chefs en medewerkers, en voor dominees en priesters en de leden van de parochie.

Transcendentie* betekende niet dat je alles en iedereen moest gehoorzamen. Het betekende wel dat de ongehoorzaamheid door jou werd herkend als ongehoorzaamheid. Gehoorzaamheid en ongehoorzaamheid waren duidelijk te onderscheiden. In dit opzicht werd de beslissing ongehoorzaam te zijn in vrijheid* genomen. Je wist dat je in een bepaalde situatie ongehoorzaam moest zijn. Dit verschilt van ongehoorzaamheid vanwege rivaliteit en onvrijheid, waarbij we niet weten waar we heen gaan of waarom we ongehoorzaam zijn. Uiteindelijk herkennen we niet eens dat we ongehoorzaam zijn.

Echte verticale transcendentie houdt in dat er geen rivaliteit is tussen de persoon en het transcendente. Er is hier sprake van externe mediatie*. Niet alle externe mediatie kent een volledige verticale transcendentie. Als wij een ideaal persoon volgen, of ideaal of imaginair, kan die persoon onbereikbaar blijken en buiten de rivaliteit. Niettemin, ofschoon zij niet rivaliseren met ons, kunnen we wel rivaliseren met hen. In tegenstelling tot vrije relaties is de transcendentie niet langer verticaal. In termen van ons schema wordt transcendentie dan ondoorzichtig of afwijkend.

Ondoorzichtige of afwijkende transcendentie* doet zich altijd voor als een mens, echt of bedacht, wordt behandeld als een god. Hiervan kent de literatuur vele voorbeelden. Amadis van Gaul is voor Don Quixote een god. In het werk van Flaubert zijn de Parijse vrouwen goddelijk voor Emma Bovary. In beide gevallen worden levens geleefd in de transcendentie van de goden, maar de transcendentie is niet volledig. Een afwijkende transcendentie heeft al van doen met begeerte en rivaliteit, een verlangen om iemand anders te zijn. Het verlangen een ander te willen zijn noemen we metafysische begeerte.

Afwijkende transcendentie* betekent altijd dat zowel onze wereld als onze vrijheid* zijn afgenomen, meer dan het geval zou zijn onder verticale transcendentie*. Grote delen van de wereld zijn voor ons onbelangrijk en oninteressant geworden doordat wij slechts zijn gericht op onze begeerte. Als we in de begeerte zijn wordt onze focus meer en meer gericht op ons begeren, waarna onze wereld kleiner begint te worden.

Als onze externe middelaar een ideaal persoon is gaan we met hem rivaliseren. We willen net zo zijn als het model, even goed, moedig, mooi, zo niet beter. Ze zijn voor ons transcendent geworden, ze laten ons een wereld zien waarin wij graag zouden willen leven. Alle andere mogelijkheden die de wereld te bieden heeft zijn voor ons oninteressant geworden. De mogelijkheden die we hebben in ons leven worden nu beperkt tot de mogelijkheden die voortvloeien uit de relatie met ons ideaal. We kunnen de wereld rondom ons slechts zien met de ogen, in feite de door ons gefantaseerde ogen, van ons model. De wereld van ons model is de enige waardevolle wereld geworden. Onze rivaliteit met ons model is zo groot dat we ons volledig laten opsluiten in die wereld, waardoor we de realiteit niet meer kunnen zien en ons laten verleiden tot het doen van dwaze dingen. Dit is de reden waarom Don Quixote en Emma Bovary zich dwaas gedragen in de ogen van anderen. De wereld is kleiner geworden in diverse opzichten, we zijn alleen nog in staat een beperkt aantal aspecten te zien.

Op zijn zoektocht reist Don Quixote door Spanje, vervuld van goede bedoelingen. Zo proberen wij net zo godvruchtig te zijn als Jezus was. Dikwijls gebruiken we hem als het grote voorbeeld, het volmaakte dat moet worden gevolgd. Zodoende proberen we eigenlijk net zo godvruchtig te worden als hij is in onze vrome, rivaliserende dromen. Dus gaan we op pad om iedereen te bekeren, daarbij de ander de vrijheid* ontnemend. De christelijke kerken hebben een eeuwenoude traditie als het gaat om het gewetensvolle streven net zo vroom te willen worden als de Jezus van hun fantasieën. Het is daarom erg moeilijk te aanvaarden dat deze vorm van mimese* zo’n vernietigende uitwerking kan hebben. Zelfs als onze ondoorzichtige transcendentie* genoeg bewegingsruimte open laat, beschadigen we onze medemens en vernietigen we onszelf, dit in weerwil van onze goede bedoelingen. Het blijft een spel van trots. Hoe kunnen we ooit zo worden als ons zich buiten de begeerte bevindend model als we zelf begeren? Trots leidt altijd tot de vernietiging van anderen. Op onze zoektocht zullen we er nooit in slagen net zo goed te worden als Jezus. Het mondt uit in vroom snobisme doordat wij pretenderen beter te zijn dan de anderen terwijl we diep in ons hart weten dat dit niet het geval is. Snobisme werkt voor ons verwoestend uit! 12)

Niettemin biedt deze relatie enige speelruimte. Er is beweging mogelijk, we kunnen beslissingen nemen, er is nog structuur, ook al wenden we deze aan in eigen belang. De volgende ontwikkeling komt er op neer dat de wereld in alle opzichten kleiner wordt. Geografisch gezien is de wereld waarin onze held of heldin leeft, de enige wereld die telt, Parijs, Hollywood of de sterren, of wat dan ook. We zijn er van overtuigd dat slechts het leven van ons model de moeite waard is geleefd te worden. Wat zal ons lot zijn als we mensen volgen die in een begrensde wereld leven. We raken in alle opzichten opgesloten in hun wereld en we verliezen nagenoeg alle contacten met de werkelijkheid. Wij, de mensen die begeren, zijn er niettemin meer dan ooit van overtuigd dat we leven in of jagen naar een ‘hogere’ werkelijkheid dan die, waarin al de anderen leven.

In feite leven we niet in de situatie waarin wij ons echt bevinden, noch leven we echt in een andere situatie. Er is nog enige structuur*, nog enige manoeuvreerruimte maar die vernietigen we meer en meer omdat we altijd bezig zijn met het vormen van de realiteit naar onze dromen en altijd falen we weer. In onze rivaliteit met onze externe middelaar – er naar strevend hem te zijn, vervuld met metafysische begeerte – proberen we zelf externe middelaar te worden voor de mensen rondom ons. We vertellen hen dat zij moeten worden wat wij zijn. 

Daarop beginnen zij te rivaliseren met ons, waarbij zij ons of wij hen tot zondebok* benoemen. Het leven krijgt steeds minder betekenis. In een reeks van schema’s kunnen we dit proces verduidelijken.

 

 

 


                                                                 transcendentie

 

 

 

 

 

                                                      de wereld waarin wij leven

 

                       1.

 

  1. Er sprake van echte transcendentie*, god, die overal met ons is. Hij blijft bij ons, waar we ook zijn, en geeft ons vrijheid* op alle plaatsen en door alle tijden heen.

 

 

 

 

 

                      echte transcendentie, indien met god rekening wordt gehouden

 

 

 

 


                                              een ideaal als transcendentie

 

 

 

 

 

 

 

             2.

                                              de wereld waarin we leven

 

 

  1. Er treedt verandering op als onze transcendentie* een ideaal is, of het gerechtigheid, plichtsbetrachting of wat dan ook is. We kunnen ons nog vrij voelen maar echt vrij zijn we niet meer. De wereld moet gaan voldoen aan de eisen van ons ideaal. We zien de werkelijkheid en we trachten deze aan te passen aan ons ideaal. Wij zijn ondergeschikt geworden aan wetten die wij voorschrijven aan alles en iedereen rondom ons. Natuurlijk komt er uit ons meer tirannie naarmate het niveau van ons ideaal lager wordt: het belang van mijn land, mijn stand, mijn familie, mijzelf, vakgebied, eigen carrière en zo voort. Als wij willen worden als Jezus is er sprake van een ideaal (model) van de hier bedoelde categorie.

 

 

                                                      echte transcendentie van god

 

 

 


                                                                                              Amadis   van Gaul

 

 

 

                                           afwijkende, scheve

                                              transcendentie

 

 

                                                                                        de vervreemde wereld waarin

        Don Quixote’s                                                        Don Quixote zich beweegt

      natuurlijke wereld

3.

 

 

  1. Don Quixote beweegt zich in een steeds kleiner wordende wereld. Hij neemt nog wel aan dat er echte transcendentie* is. Bij zijn dood keert hij er naar terug, naar God. Zo lang hij nog door Amadis als aan de grond genageld staat, speelt de echte transcendentie geen rol. Want voor Don Quixote staat Amadis boven hem. Amadis bevindt zich op afstand en is in die zin een externe middelaar. De gehele werkelijkheid wordt voor Don Quixote vervormd vanwege zijn vervormde visie.

Don Quixote leeft nog wel in de werkelijkheid, doch deze werkelijkheid dient te gehoorzamen aan zijn dromen, zijn idealen of hoe dingen veronderstelt worden te zijn. Hij wil zeer edelmoedig zijn, net zo edelmoedig als Amadis. In feite wil hij Amadis in edelmoedigheid overtreffen. Bij dit streven vernietigt hij alles en iedereen die hij ontmoet. Edelmoedigheid is slechts mogelijk binnen de structuur, als we blijven waar we zijn, of onder echte transcendentie* als we met echte liefde dienen. Anders eindigen we in dwaasheid.

 

 

 

                                        echte transcendentie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


                                                                                 Parijse vrouw

 


                                        afwijkende

                                      transcendentie

 

      Emma Bovary’s

      natuurlijke wereld                                      droomwereld van Emma

4.

 

 

  1. Voor Madame Bovary in het werk van Flaubert ligt de transcendentie* nog lager. Madame Bovary weet nog iets over echte transcendentie. In haar lijden zoekt zij innerlijke steun bij de kerk. In feite is het slechts een kwestie van herinnering. De voor haar geldende transcendentie is de Parijse vrouw en de demi-monde van Parijs. Deze wereld is zo dichtbij en toch zo onbereikbaar. Zij raakt totaal vervreemd van de wereld waarin zij werkelijk leeft. Niets in haar wereld komt overeen met haar dromen. Zij vernietigt het met nog meer inzet dan Don Quixote. Een weg terug bestaat niet voor haar, een mogelijkheid die Don Quixote wel had. In haar mimetische razernij vernietigt zij zichzelf en haar familie.

 

De laatste fase in de afdaling vanuit de transcendentie* is interne mediatie, waarbij alle externe mediatie* is afgebroken en we allen, over en weer, rivalen en idolen van en voor elkaar zijn, elkanders model-obstakels*. Onze integriteit als menselijke wezens vindt zijn oorsprong in een externe mediatie die ons beschermde tegen rivaliseren met een ieder die we maar zouden ontmoeten. Zodra de transcendentie* is verdwenen en wij niet langer een eigen bestaan (essentie) hebben, behalve enkele directe contacten, missen we innerlijke stabiliteit. Als gevolg van het in mimese* zijn met iedereen, zijn we niet meer dan de som van het aantal mensen dat we ontmoeten. Uiteindelijk komen we terecht in een permanente chaos, in rivaliteit met een ieder die wij ontmoeten. We zijn niet langer in staat een echte, eigen weg te vinden.

            Structuur*, in de oude betekenis van het woord, kon bestaan omdat mensen transcendentie* erkenden. Vanaf het moment dat de transcendentie* verdwijnt, is het afgelopen met de autoriteit van de structuur*. In plaats daarvan gebruiken we onze opvattingen over de oude transcendentie* als wapens tegen alle anderen, in een niet aflatende machtsstrijd een door ons beheerste eigen structuur te bouwen. In deze machtsstrijd bevinden we ons aan de top van de piramide. Echter, naarmate de strijd toeneemt, al vechtende met iedereen, wordt de structuur* in toenemende mate vernietigd. Dit geldt ook voor wetten, moraal en regels. Die worden door ons voorgeschreven en gelden dus alleen voor anderen.

            Zonder transcendentie* bestaan we uit meerdere persoonlijkheden, allen personen en groepen vertegenwoordigend die voor ons belangrijk zijn. Sociologen omschrijven dit als het spelen van rollen waarin en waarmee men leeft. Hier lijkt het inderdaad op. Uiteindelijk is er slechts leegte achter de rollen. Elke rol vormt per situatie onze werkelijkheid. In werkelijkheid zijn we verscheurd en zonder kern. In ons leven is er niet langer sprake van richting. Voor zover er nog sprake is van richting, wordt dit ons opgelegd en kunnen we dit alleen maar zien in retrospectief. Ogenschijnlijk is alles mogelijk, doch gelijkertijd zijn we onmachtig wat dan ook te zijn. De vervreemding die Marx zag als behorend bij de klasse van de arbeiders in een kapitalistische samenleving, is uitgemond in een eenheidsklasse voor een ieder die leeft in de moderne cultuur*.

            Een van de gevolgen van dit culturele proces is dat we in toenemende mate de voorkeur geven aan de positie van voyeur, een niet reagerende toeschouwer. De rivaliteit is zo intens en deelname hieraan zo beangstigend, dat we maar liever aan de zijlijn blijven staan. In dit kader kan televisie worden beschouwd als het hemelse manna. De voyeur lijkt op een verantwoordelijke burger. Een belangrijk deel van onze opwinding, in het bijzonder op het terrein van seks en geweld, ontstaat door het passief  toekijken. We kunnen participeren in de rivaliteit en onze opwinding genieten, doch dat kunnen we doen zonder een direct risico aan te gaan. Onze gevoelens bedwelmen ons en we lopen geen risico, behalve dat we doelloos onze levens en mogelijkheden uitputten. Tenslotte wordt het gehele leven doelloos.

             Op het laatst verdwijnen de wereld en haar mogelijkheden volledig. We zijn geworden tot slaaf of gevangene van elke relatie waarin we ons bevinden. We verheffen deze zijnsvorm zelfs tot een deugd door te spreken van het nut van ‘leven bij de dag’. Verleden en echte kennis omdat ze niet als waardevol worden ervaren in de context van de zinnenprikkelende sensatie. Tegelijkertijd weten we alles en niets en is onze vrijheid* verdwenen.

            Gedurende de werkelijkheid van alledag leven we, wisselend in de tijd, in diverse werelden, uiteenlopend van structuur tot chaos. De richtingen in onze levens geven aan dat er steeds minder transcendentie* is en meer interne mediatie*. Onze levens, gezinnen en naties zijn steeds minder bestuurbaar geworden. Een ieder zoekt simpelweg naar zaken die het eigen belang dienen.


12 Externe en interne mediatie: Een andere invalshoek

 

De bemiddeling (mediatie*) bij begeerte vindt plaats tussen individuen onderling, tussen groepen onderling en tussen individuen en groepen die met elkaar in mimese zijn. Gedurende lange tijd was externe mimese* binnen de cultuur* het belangrijkste. In het geval van externe mediatie of bemiddeling heeft de persoon die de begeerte overbrengt, de middelaar, binnen onze maatschappij een totaal andere positie dan degene die de begeerte overneemt. Het komt er op neer dat de middelaar onbereikbaar is voor de mensen die op een mimetische wijze zijn begeerte delen. Het is belangrijk nog even in het geheugen te roepen dat mimetisch begeren doorgaans onbewust plaats vindt. Degenen die mimetisch begeren kunnen rivaliseren met het model, de middelaar, doch de middelaar kan niet rivaliseren met de personen die hem nabootsen. Voor de middelaar zijn die personen niet begeerlijk genoeg. Op gelijke wijze kunnen wij altijd rivaliseren met God, maar God zal nooit rivaliseren met ons. Een medewerker kan rivaliseren met zijn chef, maar de chef zal, zolang de posities (functies) van beiden duidelijk verschillend zijn, niet rivaliseren met zijn medewerker. Zo lang de middelaar behoort tot een wereld die totaal verschilt van de wereld van zijn nabootsers, zal wederkerige rivaliteit niet plaats vinden.

De meest fundamentele externe bemiddeling (mediatie*) is de mimese* met God. God, de God van het geloof*, kent geen begeerte en is niet gewelddadig. Dit is het verschil tussen hem en de goden van de religie* (cultuur*) die wel begeren en gewelddadig zijn. In mimese met de God van het geloof ontdoen we ons van begeerte en geweld. We worden vrij. We blijven in mimese, de mimese van de vrijheid, en we zijn bevrijd van het mysterie van de cultuur, de mimese van de begeerte.

Een andere vorm van externe bemiddeling (mediatie) vind je nog binnen bepaalde gezinnen, die tot op  zekere hoogte ‘ouderwets’ zijn. Deze families kennen nog structuur*. De ouder heeft nog zijn of haar positie en is daardoor (vanuit denken in macht) onbereikbaar voor het kind. De ouder is nog een model. Hier kent men geen rivaliteit. Hetzelfde geldt voor een leraar die vrij is van zijn studenten (hij rivaliseert niet met hen) en als gevolg hiervan voor de studenten onbereikbaar is geworden. Hij draagt zijn kennis over, kennis die de leerlingen opnemen in mimese met hem. Hier is sprake van externe bemiddeling (mediatie) en dientengevolge een productief leerproces. Het leerproces gaat ten gronde als de externe bemiddeling verdwijnt en plaats maakt voor rivaliteit.

Als wij een historische persoon of een nog in leven zijnde persoonlijkheid als middelaar kiezen neemt het risico toe. Er bestaat ook de mogelijkheid een mythologische figuur of een karakter uit een boek te verheffen tot ons model, idool, held of ideaal. In al deze gevallen bestaat er slechts eenrichtingsverkeer als het om rivaliteit gaat en de hierdoor veroorzaakte chaos. Echter, degenen die een externe middelaar kozen als model, hun idool, kunnen toch gemakkelijk gaan rivaliseren met hun model (zie hoofdstuk 11, Don Quixote en Madame Bovary).

Als we beginnen te rivaliseren met externe modellen begint de cultuur* al te vervagen. Zolang er nog enige cultuur bestaat, voorkomt de cultuur het ontstaan van rivaliteit. Begeerte en rivaliteit zijn simpelweg verboden. De tien geboden verbieden het rivaliseren met God en onze ouders. Dit is de achtergrond van de geboden betreffende het maken van afbeeldingen van God en de verplichting onze ouders te eren. Als externe bemiddeling (mediatie*) in werking treedt, is er orde in het bestaan en is rivaliteit afwezig, waardoor een ieder zijn of haar plaats kent. Pas tijdens de laatste fase van de Europese cultuur kwam rivaliteit met de externe middelaar als probleem in beeld. Don Quixote werd geschreven gedurende de overgang van de zestiende naar de zeventiende eeuw. Piëtisme was wijdverspreid in Europa in de zeventiende en achttiende eeuw. Madame Bovary werd geschreven in het midden van de negentiende eeuw.

Externe bemiddeling gaat over vrijheid. Een ieder kent zijn plek in de structuur*. De betekenis en inhoud van gebeurtenissen zijn voor allen inzichtelijk. Zelfs als er enige rivaliteit ontstaat met de externe middelaar rest er toch nog een zekere hoeveelheid vrijheid. Zo lang er sprake is van externe bemiddeling kunnen we elkaar bekennen wie onze idolen zijn. Vanaf het moment dat de interne bemiddeling (mediatie*) zijn intrede doet is dat onmogelijk. De aanwezigheid van enige externe bemiddeling stelt zeker dat er vrijheid* blijft om dingen wel of niet te doen. We kunnen dan nog even de pas inhouden of geheel afstand doen van ons idool.

Gelijktijdig kunnen we zeggen dat veel zal worden vernietigd of onmogelijk gemaakt als we eenmaal zijn begonnen te rivaliseren in externe bemiddeling. We doen dwaze dingen, dikwijls ten koste van ons zelf of anderen. Anderen moeten zich instellen op onze idealen. Als we het leven moeten veranderen alvorens wij het kunnen leven, dan worden we gewelddadig van meet af aan.

Hetzelfde geschiedt in relatie met onze externe middelaars. We zijn niet langer in staat hen te zien zoals zij in werkelijkheid zijn. In plaats daarvan zien we hen als verheerlijkt, stralend in een bovenaards licht. De Don Quixote van Amadis de Gaul had niets van doen met welk menselijk wezen dan ook. De Parijse vrouwen in Madame Bovary’s verbeelding hadden niets gemeen met de arme schepselen die ze in werkelijkheid waren. Op exact dezelfde wijze is de Jezus van de piëtisten hun Jezus, niet Jezus zoals hij is. We zullen pogen dit te verduidelijken in enkele figuren:

 

 

 


          god

 


                                              ouders

                                                                                      Amadis

 


                                                                                                                          Parisiennes

 

 

 

 

 


1. externe bemiddeling         2. kinderen                   3. Don Quixote         4. Madame Bovary

 

Dit zijn alle voorbeelden van externe bemiddeling. De eerste betreft verticale transcendentie*, er is geen rivaliteit. De andere voorbeelden kennen rivaliteit vanuit één richting en laten een vervormde transcendentie* zien. Natuurlijk zou je met God kunnen rivaliseren, doch zodra we dit doen moeten we ons realiseren dat we in dit geval rivaliseren met de god van de religie*. We kunnen ook rivaliseren met onze ouders. Zo lang de ouders hierop niet reageren en vrij blijven doet ons streven er niet zo veel toe. Als de ouders wel reageren verdwijnen zowel ouders als kinderen in de interne bemiddeling. In feite zijn ze uit de rollen van ouders en kinderen gestapt en wat rest is een vechtende kluwen van mensen. Gelijktijdig worden de ouders voor de kinderen gelijk aan duivelgoden die ze moeten overwinnen.

In het geval van interne bemiddeling verdwijnen zowel de structuur als de transcendentie. We zijn onze eigen wetgever geworden. Onderling verschillen de mensen niet meer van elkaar. We zijn reddeloos overgeleverd aan de genade van de begeerte, onontkoombare rivaliteit en model-obstakel relaties. Dit geldt voor ons allen en het zit binnen in ons, wij allen in mimese met de ander. Het leven wordt beheerst door opwinding en spanning, maar ook door angst. Verder is het leven gevuld met gevoelens, succesgevoelens, gevoelens waardeloos te zijn en gevoelens van leegheid. Op het laatst is de vrijheid verdwenen. Ik ben gefascineerd door jou om wat jij hebt en wat jij bent. Ik heb geen echte keuzes meer. Ik ben gevangen in mijn eigen begeerten en kan aan de begeerte niet ontsnappen.

Daar wij ons allen in dezelfde situatie bevinden zijn wij allen op zoek naar hetzelfde. Ik moet het feit dat ik begeer en wat ik begeer verbergen voor de ander en zelfs voor mij zelf. Ik moet verbergen dat ik begeer wat jij begeert en dat ik jou volg. En altijd denk ik dat jij mij volgt. Dit is voor mij de manier om nog enig zelfrespect te behouden, maar in werkelijkheid is het tegengestelde het geval. Soms kan ik de werkelijkheid van mijn begeerte zo goed verstoppen dat ik mij er niet van bewust ben. Ik word zelfs kwaad en voel me gekrenkt als mijn begeerten te berde worden gebracht. Ik krijg er een blos van en betuig mijn onschuld en beschuldig de anderen er van dat zij het zijn die begeren. Eigenlijk maak ik de ander tot de zondebok waar achter ik mijzelf kan verbergen.

Zodra we verkeren in interne bemiddeling wordt het voor ons onmogelijk eerlijk te zijn over wat we nastreven, begeren of zoeken. Als we eerlijk zouden worden, zouden we ons belachelijk maken en zeker verliezen. Cultuur is per definitie gestoeld op hypocrisie. Vanaf het moment dat structuur en transcendentie zijn verdwenen, wordt de hypocrisie eerder persoonlijk dan cultureel, eerder subjectief dan objectief. Wij allen ontwikkelen onze eigen hypocriete variant.

Gelijktijdig met het vervagen van structuren ontstond een langdurige proces waarbij externe bemiddeling werd aangetast door rivaliteit met een eenzijdig karakter. Gelijktijdig verdwijnen in toenemende mate de verschillen waarop de cultuur was gebaseerd en die door de cultuur werden gehandhaafd. We zijn zeer bewegelijk geworden: horizontaal en verticaal, geografisch en sociaal. De massa media maken een einde aan de verschillen in tijd en ruimte, ze brengen dagelijks beelden van alle tijden en plaatsen in onze huiskamer, met al de bijbehorende opwinding en fascinatie. De mogelijkheid voor externe bemiddeling neemt af en interne bemiddeling neemt toe.

Ons resten slechts karikaturen. Onze externe middelaars zijn soms tirannen die dikwijls uiteenvallen. Denk aan Hitler. Vele popsterren die worden omgeven door duizenden fans, eindigen in rivaliteit met hun eigen beeld zoals dat is neergezet door hun fans. Ze raken vervreemd van de eigen werkelijkheid, omdat hun fans hen anders zien dan ze zijn. Uiteindelijk is het imago van de popster in de ogen van de fans niet meer realistisch dan Madame Bovary’s aanbidding van de Parijse vrouwen. Maar Madame Bovary had een voordeel. De vrouwen waren veilig voor haar en omgekeerd. Dat gaat vandaag de dag niet op voor pop- en filmsterren. Dikwijls geraken zij wel in mimese met hun fans en trachten ze te zijn wat de fans verwachten wat ze zijn: goden. Dit moet wel de reden zijn dat er zo dikwijls een religieuze sfeer rond popsterren hangt. De ster wordt een model-obstakel, zelfs voor hemzelf. Dikwijls eindigt dit in drugs- of alcoholmisbruik, schulden, moord of zelfmoord.

Misschien voelen we onszelf boven dit alles verheven, doch dit gevoel geeft juist aan dat ook wij deel zijn van het spel. In feite bewaarheidt dit gevoel onze stelling dat plus en min gelijk zijn. Door te beweren dat we boven alles staan doen we alsof we sterker zijn dan de gehele wereld.

In het geval van interne bemiddeling gaan de gevechten van iedereen tegen iedereen door in een niet aflatende reeks. De rivaliteit kent geen door de structuur bepaalde grenzen. Voortdurend stappen we in model-obstakel relaties, waarbij we mensen op een voetstuk plaatsen, hen adoreren en tot goden verheffen. Gelijkertijd zorgen we voor onze eigen voetstukken, dat wij worden geadoreerd en zelf god zijn. We zijn echter nooit wie we schijnen te zijn. Schijn en werkelijkheid lopen uiteen, zolang dat we uiteindelijk niet meer weten wat de werkelijkheid is.

Zodra we het eens zijn met de stelling dat wij goden zijn voor anderen en onszelf, zijn we het er ook mee eens dat wij duivels zijn. In de religie vallen duivel en god samen, want alle goden waren oorspronkelijk zondebokken.


13 Hypocrisie en slachtoffervorming

 

In de evangeliën lezen we dat Jezus vele malen contact heeft met de farizeeërs. De farizeeërs waren gerespecteerde mensen die hun uiterste best deden vroom en goed te zijn. Vanuit de cultuur redenerend mogen we stellen dat ze als bovengemiddeld bekend stonden. Toch beschuldigt Jezus hen van hypocrisie. Uiteraard ontkennen ze dat. Ze geven toe dat hun vaderen hypocrieten waren omdat die de profeten vervolgden. Maar de farizeeërs zijn er zeker van zij zoiets nooit zouden doen. Het antwoord van Jezus is dat uitgerekend deze reactie hypocriet is. Hun voorvaders mogen dan profeten tot zondebok hebben gemaakt, zij echter maken hun vaders zondebok*. En zo lang zij hun voorvaders als zondebokken zien zijn zij zelf geen haar minder.

In elke taal geldt een hypocriet als iemand die zich beter voor doet dan hij in werkelijkheid is. Meestal zitten we fout met het idee dat iemand bewust hypocriet is. Dit in tegenstelling tot iemand die welbewust doet alsof hij de hypocrisie heeft afgezworen. Zij zijn oplichters en leugenaars. In de evangeliën worden echter mensen bedoelt die onbewust hypocriet zijn.

Deze onbewuste, en toch echte, hypocrisie wil Jezus de farizeeërs en ook ons doen inzien. Als wij voorstaan een beter mens te zijn dan een ander zijn we hypocrieten. Deze uitspraak houden we overeind, zelf als we beweren dat iemand beter is dan wij zijn, ook al lijkt dit voor ons minder belastend. In dit geval zijn we negatieve hypocrieten, doch nog immer hypocriet. Ook hier geldt weer dat plus en min hetzelfde zijn.

Hypocrisie vormt de basis van de cultuur*. Er bestaat geen cultuur zonder hypocrisie. Mythen, die overigens altijd hypocriet zijn, vormen de culturele verhalen die het zondebokproces* verbergen. Mythen worden niet beperkt tot de cultuur*. Wij allen kennen de verhalen over ons leven, onze vertellingen, waarin we die delen van ons leven verstoppen die we beslist niet aan anderen willen laten weten. In deze vertellingen verhullen we bepaalde realiteiten, zoals het zondebokverhaal, ofschoon we ons dikwijls hier niet van bewust zijn. Hypocrisie en zondebokvorming zijn in feite hetzelfde. Het is niet verwonderlijk dat hypocrisie één van de hoofdthema’s van het evangelie vormt. Cultuur is gebouwd op hypocrisie. De zondebok van nu en voorheen is niet anders dan wij en dus ook niet schuldiger dan wij zijn. Hij is noch duivel, noch god, ook al geloven we dat nog steeds.

In een cultuur* die nog elementen van externe bemiddeling* in zich draagt bestaat een vorm van hypocrisie die we willen aanduiden als ‘objectieve hypocrisie’, de hypocrisie die iedereen met iedereen deelt zonder dat men er zich van bewust is. Terwijl we leven in deze cultuur zijn we allen hypocrieten, we zijn deel van deze cultuur en we gebruiken haar. Het kan zijn dat we nooit zullen weten dat onze cultuur op hypocrisie is gebaseerd. Daar cultuur* en religie* zijn gebouwd op hypocrisie, zijn we zelf hypocrieten zo lang we leven in deze cultuur. Het is de cultuur die onze hypocrisie voor ons verborgen houdt en daarom liegen we niet als we protesteren tegen de stelling dat wij allen hypocriet zijn. We hebben Jezus nodig om ons in te laten zien dat we inderdaad hypocriet zijn. Als anderen ons die boodschap brengen voelen we ons tot zondebok gemaakt en worden we bang. Die anderen zijn in feite zelf hypocriet.

Cultuur is een leugen. In de cultuur, in de religie, is de zondebok een zeer slecht persoon, wat in feite een onwaarheid is. De zondebok was en is net zo goed of slecht als we zelf zijn. Als kinderen van de cultuur volgen we de aard van de cultuur en doen we, zonder na te denken, het werk van de cultuur. Wij zijn moordenaars, zoals we altijd zijn en waren in de cultuur, spelende dat wij tot de goede mensen behoren, terwijl de anderen slecht zijn. Jezus geeft over deze houding onverbloemd zijn mening 14).

De bewustwording dat de zondebok niet beter of slechter is dan wij zijn, zet alle dingen onderste boven. In vele opzichten is dit zo rampzalig voor onze levens, dat we dit nauwelijks kunnen bevatten. Tracht alleen maar tot je door te laten dringen wat deze stelling betekent voor ons zijn en leven op deze aarde. Jezus vertelt ons dat, zodra wij iemand als slecht bestempelen, we hem tot zondebok maken. Hierbij een verschil suggererend tussen ons en hen, een verschil dat we zelf hebben bedacht. Door te zeggen dat hij of zij slecht is geef ik tevens aan dat ik beter ben of niet zo slecht als de ander, mij daarbij stevig positionerend aan de zijde van de ‘goeden’. Als ik zo handel ben ik eigenlijk bezig met het verplaatsen van mijn slechte eigenschappen naar de ander, een proces dat al gaande is vanaf het ontstaan van cultuur 15). Weliswaar werd hierdoor cultuur mogelijk, doch daar onder hebben een ontelbaar aantal mensen geleden.

Jezus staat altijd aan de kant van degenen die lijden en de kosten betalen van ons ‘nette’ leven. Hij vertelt ons dat ook wij hypocriet zijn. Onze zondebokken, kortom allen die wij slecht vinden, hebben dezelfde mogelijkheden die wij hebben. Ze zijn niet slecht door aangeboren eigenschappen. Aangeboren slechtheid bestaat niet. Zonder dat we er ons van bewust zijn, zijn we er zeker van dat zij fout zitten, want zonder de ‘slechten’ kunnen we niet meer in de zekerheid verkeren dat wij ‘goed’ zijn. Hierbij vinden we onze vrede. Gelijk alle hypocrieten weten we nooit echt waar we mee bezig zijn.

Gedurende lange tijd is hypocrisie al een persoonlijke zaak. In plaats van objectieve hypocrisie kennen we thans subjectieve hypocrisie. We weten in het algemeen wat met hypocrisie bedoeld wordt. Mensen van deze tijd zien ons graag bewegen in cirkels van hypocrisie en we trachten ons altijd te weren tegen de krachten van hypocrisie. We ontkennen dat de oorzaak van onze problemen in ons zelf is. We vinden de zondebokken, maar toch weten we diep in ons hart dat we een afschuwelijk spel spelen, dat ons er alleen maar toe brengt ons nog meer inspanning te getroosten om betere en meer effectieve zondebokken te vinden. Een en ander resulteert in ons streven degenen die ons tot zondebok te maken wijzen wij aan als zondebok.

Het feit dat we op de hoogte zijn van onze hypocrisie veroorzaakt bij ons nog meer defensieve acties en hypocrisie. We zijn zo druk met de verdediging van ons zelf dat we niet ophouden ons bezig te houden met zondebokken en het creëren van zondebokken, daarbij altijd naar anderen wijzend 16). We weten dat gevangenen en bewoners van psychiatrische inrichtingen niet slechter zijn dan wij. We hebben gewoon meer geluk gehad. Nogmaals, met deze kennis als achtergrond, proberen we ons wanhopig de zekerheid te verschaffen dat zij slecht of gek zijn. We eisen zwaardere straffen. Uiteindelijk zijn we beland op het punt waar de farizeeërs waren ten tijde van Jezus. We zijn ons bewust van onze hypocrisie omdat Jezus ons toespreekt.

Hypocrisie en slachtoffervorming horen bij elkaar. Wij, hypocrieten , zijn, zelfs zonder het te beseffen, altijd bezig met het maken van slachtoffers. We slachtofferen anderen, dingen, delen van de geschiedenis of ons zelf. Zolang objectieve hypocrisie de boventoon voert, verlopen de dingen in de cultuur probleemloos. Dan wordt vrede, culturele vrede, verkregen. Als we in het invloedsveld van interne bemiddeling en rivaliteit geraken, krijgt de hypocrisie een subjectief karakter en verergert de rivaliteit. We gaan door met het maken van zondebokken, maar de vrede is er niet meer. We kunnen ons niet meer los maken van de zondebok. De duivel die wij de schuld willen geven en uit willen bannen keert terug in onze ziel. Ons leven zal uiteindelijk resulteren in chaos, ondanks gebeurtenissen in de sfeer van schijnbare keerpunten en veranderingen die het tegengestelde doen bevroeden.

 


14 De begeerte te zijn. Metafysische begeerte

 

Het is thans duidelijk dat ons zijn zoals we zijn niet het gevolg is van iets dat is ingeworteld, vast ligt of onafhankelijk is. Bij de geboorte zijn we slechts een mogelijkheid, een bepaald potentieel. Er kan een eindeloze hoeveelheid mogelijkheden zijn in ons leven en wat we zijn en worden ligt niet vast en is niet voorbeschikt, toch zijn we bij de aanvang van ons bestaan alleen maar ‘mogelijkheden’. Wat wij worden, worden we in mimese* met onze ouders, broers, zusters, leraren, vrienden, bekenden, buren, cultuur* en alles wat zich rondom ons bevindt, zowel in ruimte als tijd. Door mimese* met onze ouders en met de anderen krijgen we het vooruitzicht God te ontmoeten. Als zij bij Hem zijn, brengen zij Hem tot ons. Als ons leven goed verloopt is er zeker sprake van externe mimese* in ons bestaan.

Een pas geboren kind verkrijgt het zijn door in mimese* te zijn met mensen die hun eigen plaats, positie of plek, kennen en een innerlijke zekerheid bezitten. Deze mensen brengen je ook in relatie met God, een verticale transcendentie die vrij maakt. Zoals altijd en overal zijn we wat betreft ons zijn, afhankelijk van anderen (zie hoofdstuk 1).

We worden op zichzelf staande mensen door in externe bemiddeling* te zijn. We worden vrij als de menselijke middelaars als middelaar ‘sterven’ en eventueel terugkeren in een nieuwe hoedanigheid. Onze ouders of leraren moeten ‘sterven’ als opvoeders en terugkeren als volwassenen, om op deze wijze een plaats in ons leven te behouden.

In alle mimese* waarin we vanaf onze geboorte leven, in al de relaties waar binnen mimese* plaats vindt, zoeken we een ultieme, alles omvattende relatie waarin we kunnen leven. Ons leven krijgt niet alleen vorm door mimese*, maar ook het leven zelf. Niet leven in relatie betekent dat er geen bestaan is. Het vertrouwen dat ik een onveranderlijk wezen ben, dat ik een niet eindigende consistentie heb, betekent in de praktijk dat ik verkeer in een relatie die mij een voortdurend zijn oplevert dat mij in staat stelt met innerlijke vrede te leven. Daarom hunkeren we naar relaties, op het laatst alleen maar hunkerend naar de relatie met de eeuwigheid.

Voor mensen voor wie cultuur* nog een realiteit is, geldt alles als vanzelfsprekend, ze denken er niet over na of ze kennen geen twijfel. Alles gebeurt op een geordende wijze zonder dat wie dan ook er iets voor hoeft te doen. Ouders en kinderen leven in externe bemiddeling* met God, met cultuur*. De kinderen verkeren in externe bemiddeling* met de ouders. Er bestaat geen rivaliteit. Voor ouders en kinderen geldt dat ze bewust zijn van hun zijn. In de loop der jaren, na het doorlopen van de verschillende leeftijdsfasen wordt het kind, cultureel gezien, een onafhankelijk wezen, een volwassene.

Alles verandert als de cultuur ineenstort. De ouders, net als alle anderen, eindigen in rivaliteit met alles en iedereen. Het eigen zijn is niet meer zoals het was. Ze rivaliseren met God, met de cultuur, de kinderen en met ieder ander. Vanaf het begin zijn ze bezig de externe bemiddeling met het kind te vernietigen, dit omdat zij met het kind rivaliseren. Ook kunnen ze verlangen naar hun kind, hetgeen een andere vorm van rivaliteit is, het kind vragend te slagen waar zij faalden. Als gevolg hiervan kent het kind geen zekerheid. Het kind heeft altijd verkeerd in de positie van de zwakke, is opgevoed in rivaliteit en mist daardoor de kans op het verkrijgen van een eigen zijn. Voor ons allen geldt dat we hunkeren naar zijn, terwijl we niet in staat zijn dat te bereiken.

We zijn alleen veilig in en zeker van ons zijn als we weten dat dit zijn is gegrond op iemand van wiens bestaan wij zeker zijn en die de macht heeft bestaan te geven. Ten slotte weten we dit zonder te vragen, zonder twijfel en zonder dat we ons bewust zijn van dit weten. In het samenzijn met dit wezen, zijnde in mimese* met God, weten we dat we bestaan en zijn we verzekerd van ons zijn 17). Onze persoonlijke relaties bieden ons niet meer die zekerheid. Al onze persoonlijke relaties doen onze onzekerheid alleen maar toenemen. We zijn God kwijt, de God van het evangelie of de god van de religie of een mengsel van beiden. Zeker is, dat door het proces van verval van de cultuur*, velen Hem hebben verloren.

Levende in onze uiteenvallende cultuur*, hebben we God of een god enorm nodig. Als we hem kwijt zijn gaan we op zoek naar andere goden. Hier kennen we vele voorbeelden van, zoals politici, voetbalsterren, film- en TV-sterren, vrienden en anderen die wij bewonderen. We verheffen ze tot god, we treden met hen in rivaliteit en proberen te krijgen wat zij hebben; we veronderstellen tenminste dat zij ‘zijn’ hebben. In onze taal vinden we dit terug in voorbeelden als: beroemde mensen zijn iemand, anderen zijn niemand. We trachten te pakken wat we denken dat zij bezitten – zijn – en willen worden wat zij zijn – goden. Om ‘zijn’ te hebben. Om te zijn.

Als we alle transcendentie* verliezen en terugkeren naar interne bemiddeling*, gaat het bij de begeerte niet meer over het hebben, ook al bestaat de schijn dat het om hebben gaat. In werkelijkheid gaat het om ‘zijn’. We begeren de dingen die ons model heeft, doch in werkelijkheid gaat het er ons om het ‘zijn’ van de ander te verkrijgen. Door het ogenschijnlijk verlangen van een object geven we in werkelijkheid aan dat we het ‘zijn’ van de ander begeren. In toenemende mate gaat het om het ‘zijn’ van onze rivaal. We proberen dit proces in fasen weer te geven:

 

 

 

 

 

                                                                            we vechten

                                                                               om zijn           rivaliteit    of      model-

                                       we zien slechts                                                                 obstakel

       object                              elkaar

 

 

 


    ik                de ander    

 


1.                                 2.                                    3.                        4a.                 4b.

                                                                          oorspronkelijke

                                                                         object verdwijnt

 

 

                                                                                                                                depressie

 

 

Het object wordt al zeer snel irrelevant. In plaats daar van verschijnt het beeld van de god wiens ‘zijn’ wij begeren. Gelijkertijd gaat het om het beeld van de duivel omdat zal blijken dat hij ons model-obstakel wordt, degene die ons bevecht vanwege zijn eigen ‘zijn’ en om het onze te verkrijgen. Hij is onze duivel-god.

Nu de religie* verder vervaagt, zoeken we wanhopig naar goden. We gaan zelf goden maken. Zoals Scheler zei: ‘Mensen hebben of een god of een idool’. Daar alle transcendentie*, elke werkelijkheid die meer is dan de onze, werkelijkheden die we nodig hebben om richting te kunnen geven aan ons leven, afneemt, verdwijnen ook God of de goden. Aan het einde van onze zoektocht rest ons niet anders dan dat we goden verkrijgen uit de een of de ander. Als resultaat, zijnde in mimese* met onszelf, maken we goden uit onszelf. Deze begeerte noemen we metafysische begeerte.

Al onze pogingen om zelf maar uit het een of ander goden te maken leiden tot niets. We worden slechts wanhopiger. In interne bemiddeling* nemen rivaliteit en vernietiging toe. In deze wereld, waar geen God of goden meer bestaan vecht de een met de ander om het ‘zijn’ van de ander. In ons metafysisch begeren zijn we in staat de ander en zijn ‘zijn’ te vernietigen, allen maar om zelf ‘zijn’ te verkrijgen. Dit is een van de aspecten die de uitzichtloosheid van onze wereld laat zien. Ons leven verwordt tot doelloos rondzwerven. Tenslotte hebben we zelfs geen wereld meer.


15 Ons zondebokmechanisme

 

Er was een tijd dat het zondebokmechanisme* het mechanisme van de gehele gemeenschap was. Het kende vele, soms zelfs erg complexe, varianten die gangbaar waren binnen de gehele natie. Het mechanisme zorgde voor interne vrede door geweld met de inzet van geweld uit te bannen. Het mechanisme zorgde voor structuur die ruimte bood, ruimte voor een ieder op zijn eigen plek. Het schonk ook vrijheid*. Het was, en is voor zo ver nog aanwezig, een culturele vrijheid*. Deze vrijheid* vindt zijn oorsprong in het zondebokmechanisme* en is daarom gebaseerd op hypocrisie. De vrijheid* was en is institutionele vrijheid* met duidelijk aangegeven rechten en plichten. Het was ruimte binnen strikte grenzen, maar desalniettemin ruimte.

Het zondebokmechanisme* vormt het hart van de religie*. Maar dit mechanisme functioneert niet meer. Het religieuze systeem kan een in complexiteit toenemende realiteit niet hanteren. Voor zover het evangelie deel werd van religie* en cultuur* nam de hypocrisie toe. Velen waren, meer dan ooit, overtuigd van de eigen goedheid. Desalniettemin werd het systeem gelijkertijd afgebroken. Nog belangrijker is het dat niet langer mogelijk is ons geheel los te maken van onze zondebok*. Of de zondebok* nu een vreemde natie is of een mens in onze directe omgeving of wie dan ook die wij als slecht hebben bestempeld, we moeten wel met hen leven. Een vreemd aspect aan deze realiteit is dat we uiteindelijk beslissen onze zondebok* te behouden, we willen hem niet echt kwijt. Als de door ons gekozen zondebok* zich betert, het kan je vrouw of kind zijn, dan zitten we met een probleem. Vanaf het moment dat onze oorspronkelijke zondebok* niet meer bestaat, moeten we dikwijls uitkijken naar een nieuwe, dat kunnen we zelf zijn.

Voor ons is de wereld allesomvattend geworden, de grenzen van onze horizon zijn verruimd, kortom, we leven in een ‘global village’, terwijl de wereld gelijktijdig wordt opgedeeld in kleinere eenheden. Ofschoon er nog steeds sprake is van verschillen, zie je toch dat dingen aan elkaar gelijk worden. Mensen en groepen, zelfs gehele volkeren, kennen niet langer een constant of vast bestaan, mensen laten zich meedrijven van het ene naar het andere, waarbij de enige constante is wordt gevormd door het gevecht om de hoogste plaats. Het zondebokmechanisme treffen we overal aan. In Noord Ierland hebben we nog onze zondebokken, de katholieken of de protestanten. De zondebokken van het nabije Oosten zijn de Joden of de Palestijnen. In Nederland worden door velen de zondebokken opgedeeld in allochtonen en autochtonen. En zo kunnen we nog vele pagina’s vullen. Ook binnen onze eigen kringen kennen we zondebokken. Als de structuur is verdwenen herkennen we de zondebokprocessen in onze huwelijken en gezinnen. Waar het ook wordt aangetroffen, het is altijd een tragedie. En toch kunnen we onze zondebokken niet kwijt raken. Als gevolg hiervan leven we in een moeilijk te doorbreken spiraal. Terwijl de problemen de voordeur uitjagen, komen ze via de achterdeur weer binnen. Onze de pogingen de problemen kwijt raken, gericht op het aanwijzen van zondebokken, zorgen ervoor dat onze problemen zich alleen maar opstapelen.

Het zondebokmechanisme opereert thans overal, en wij allen zijn bang dat wij, of onze gezinsleden, collega’s of groep, tot zondebok worden uitgeroepen. Als dollen zijn we bezig andere tot zondebok te maken teneinde te voorkomen dat we het zelf worden. Alles wordt nog erger omdat wij slechts net zijn begonnen te beseffen dat en wanneer we bezig zijn het zondebokmechanisme op te starten. Zodra wij er ons van bewust zijn wordt het een hebbelijkheid. De waarheid van wat Jezus zei aan het kruis is voor een ieder van ons van toepassing: “Ze weten niet wat ze doen”. Evenzo zijn de zondebokken zich dikwijls niet bewust van wat er gebeurt. Ook zij spelen het spel om chaos te voorkomen, dikwijls lijdend zonder te weten waarom.

Over een ding kunnen we het eens zijn: We zetten het zondebokmechanisme in gang, telkens als we de oorzaak van onze problemen niet in ons zelf zoeken maar bij anderen. Steeds als we beweren dat iemand iets verkeerd deed, slecht of schuldig is, iemand een etiket opplakken, zijn we zondebokken aan het creëren. We kunnen zelf oneindig veel voorbeelden opsommen. We zeggen dat mensen slecht., goed of bijgelovig zijn of heidenen, nooit iets zullen leren, immoreel zijn of alleen maar uit op eigen voordeel, enzovoort. Eigenlijk zijn we bezig aspecten van ons zelf, persoonlijke eigenschappen die we haten uit te drijven. Ouders die kinderen opvoeden, horen dikwijls van hun kinderen dat ze zich zelf schuldig maken aan de dingen die zij hun kinderen verbieden. Dit is een gouden regel.

We kunnen het ook op een andere wijze aanduiden. Zondebokmechanismen worden toegepast als onderdeel van de romantische wereld, de wereld waar goede mensen leven, degenen die zondebokken aanwijzen, wij dus, en er leven slechte mensen, de zondebokken, de anderen. Ook hier, zoals altijd, keert het evangelie de dingen onderste boven. Jezus vecht voortdurend tegen de zonde van hypocrisie. Wij, de zondebokken, zijn altijd hypocriet door te geloven dat wij aan de goede kant staan. In het evangelie staat Jezus altijd aan de zijde van de mensen die zijn bestempeld tot zondebok. Hij is beslist niet met de “goeden”. Het evangelie is niet geïnteresseerd in goed en slecht. Als het mogelijk zou zijn partij te kiezen voor degenen die zondebokken aanwijzen, dan zou het evangelie deel worden van religie en zijn kernboodschap verliezen. God schenkt zowel de goeden als de kwaden zon en regen. God houdt het niet met mensen die denken dat ze goed zijn, terwijl ze daarbij anderen slecht maken en als zondebok aanwijzen.

Ik ben niet beter dan ieder ander menselijk wezen. Ik heb precies dezelfde mogelijkheden als ieder ander heeft, zelfs al lijkt die ander slecht in mijn ogen. Als ik slechtheid herken in de ander dan herken ik mijzelf. Het zogenaamde kwaad in de ander laat mij eigenlijk mijn eigen mogelijkheden zien. Ik kan me nooit trots en zelfvoldaan voelen, want ik kan alleen maar dienstbaar zijn in nederigheid. Dat geldt ten aanzien van onze vrienden, voor mensen op afstand en zelfs in het geval van onmenselijke politici.

In mythen wordt over zondebok gesproken als de persoon die alle regels brak, verder alles deed wat was verboden en de cultuur vernietigde. Een ieder die regels breekt is een incarnatie van de zondebok en die moet worden verbannen om de vrede te herstellen. Onder alle anderen onderscheiden we gevangenen, die ook zondebok zijn omdat ze zich niet aan de verboden hielden.

Terroristen zijn zeer geschikte zondebokken, zoals wij allen zijn. Terroristen verkeren voortdurend in model-obstakel-relaties. Bewust of onbewust willen ze de grote, belangrijke zondebok worden, die is geofferd om zijn volk te redden, die sterft om anderen te redden. Gelijkertijd trachten terroristen chaos uit te lokken waaruit de rituele mechanismen zullen ontstaan en daardoor de nieuwe orde. Na de overwinning zal een ieder weten dat de door de terroristen uitgedreven vijanden pas echt slecht waren. In dit complexe geheel ijvert de terrorist voor het verdrijven van de zondebok, zodoende zijn mensen reddend en creërende een nieuwe wereld. De gehele gang van zaken is oud en heeft een diep religieus karakter. In vele opzichten is het terrorisme adembenemend, want tot een bepaalde hoogte begrijpen we de terrorist. Hij of zij is deel van ons en wij van hen.

Terroristen zijn moordenaars, laat daar geen twijfel over bestaan. Zij stellen alles in het werk om de geordende maatschappij te vernietigen. Zij doen exact wat de zondebokken deden in de mythen. Doch als cultuur en structuur vervagen en de chaos toeneemt, gaan we wanhopig op zoek naar de zondebokken. We zijn ons er nauwelijks van bewust dat we actief zoeken naar de zondebok. Wij, de niet-terroristen hebben hem nodig en wensen hem daarom. Terroristen bieden hun bloed aan teneinde te worden geofferd in ruil voor vrede. Dit verlangen naar vrede komt overeen met ons eigen verlangen. In overeenstemming met een oude Ierse traditie kun je stellen dat zij vergoddelijking zoeken door zichzelf aan te bieden en daardoor vrede voor de wereld verzekerend. Het lijkt misschien wat ver gezocht, maar eigenlijk doen zij wat wij moeten zien als ons werk.

Het is een begrijpelijk, zij het hopeloos, ondernemen. Het is hopeloos omdat het zondebokmechanisme niet meer functioneert in onze tijd. Terroristen glijden af naar een model-obstakel-relatie. Ze bevechten het onzichtbare model teneinde zijn plaats in te nemen, al proberende het model te overwinnen om zelf te kunnen regeren als goden. Doch, net als alle anderen, gaan zij ten onder vanaf het moment dat ze worden gevangen in een model-obstakel-relatie.

Ons werd verteld dat leven onmogelijk is als we het goede en het kwade niet onderscheiden. Voor onze cultuur gaat dit zonder twijfel op. Onze cultuur is gebouwd op deze vooronderstelling en zou, als de stelling niet waar is, eindigen in chaos. Omdat we tegen over het voorgaande steeds onverschilliger komen te staan, verdwijnt onze cultuur.

Terugkeer van de ongelijkheid, hetgeen voor de cultuur slechts mogelijk was door zondebokken te benoemen is nu niet meer mogelijk. In dit opzicht speelt het terrorisme de laatste kaard uit in een poging de verschillen te behouden. Het zondebokmechanisme vernietigt het leven. In feite vernietigen we het leven zonder ons bewust te zijn van wat we doen. Het is gebruikelijk het leven voor ons en de onzen aangenaam te maken. Het inzetten van het zondebokmechanisme vormt de kern van de hypocrisie. Tegelijkertijd is het onmogelijk de ‘zondebokmakers’ te veroordelen zonder zelf ‘zondebokmaker’ te worden.

Het mechanisme zien met ons verstand, rationeel dus, is één ding, maar als het hier bij blijft zullen we doorgaan met het creëren van zondebokken. In de grond van de zaak kunnen we slechts iets begrijpen van het zondebokmechanisme als we ooit zelf zondebok zijn geweest. Onder deze omstandigheden kan het leven voor ons erg hard zijn. De enige wijze hier uit te komen is het volgen van Jezus, die vergeving vroeg voor degene die hem hadden gemaakt tot zondebok, omdat zij niet wisten wat ze deden. Ook degenen die ons tot zondebok maken weten niet beter. Als we dit eenmaal met ons gehele zijn hebben begrepen, kunnen we een weg inslaan die ons buiten de verwarring en het conflict brengt, waardoor we vrij zijn.

We kunnen het zondebokmechanisme ook vanuit een andere gezichtshoek bezien, met de ogen van mensen die bang zijn te worden gemaakt tot zondebok. We zijn allen enorm bang om tot zondebok te worden uitgeroepen. De grote angst, de vrees, die onze cultuur doorstromen, hebben direct van doen met de angst tot zondebok te worden gemaakt, een vrees die diep in onze harten is verankerd. Echter, zelfs als de vrees in ons hart zit betekent dit niet automatisch dat we de werkelijkheid zien met de ogen van de zondebok. In plaats daarvan schrikken we er van terug. We durven niet te kijken met de ogen van de zondebok.

De ogen van de zondebok zijn die je ziet in het gezicht van de weerlozen. Emmanuel Levinas, een Joods filosoof, behandelt deze weerlozen in zijn werken. Het zijn de ogen van Jezus, die ons beter begrijpt dan wij onszelf begrijpen. De ogen van het slachtoffer, de zondebok, de weerloze, zien de destructieve en niet te bevatten waanzin van deze wereld. Als we uiteindelijk zelf de slachtoffers worden, zijn we niet langer in staat om onze vijanden te bevechten. Al wat we in die situatie nog vragen zijn menselijkheid en liefde.

Feitelijk is het slachtoffer vrij vanaf het moment dat het weet dat strijd geen zin heeft en zich beseft dat het gevecht voorbij is. Hij of zij lijkt op een stervende mens, die weet dat al zijn of haar streven slechts leidde tot de vernietiging van hun leven. Daar de zondebok vrij is, maken de ogen van het slachtoffer ons vrij als wij er op zijn voorbereid in die ogen te kijken. In de ontmoeting met de ogen van het slachtoffer komen we in mimese met hen en zijn we bevrijd om een nieuwe leven te beginnen.


16 Gevoelens

 

 Het is erg belangrijk om de gevoelens zoals wij die beleven in onze tijd in het Westen te onderscheiden van de gevoelens van Jezus, zoals beschreven in het evangelie. Onze gevoelens ervaren we in ons gemoed. Dat zijn onze emoties. Als Jezus gevoelens ervaart die bij hem opkomen als hij mensen ziet die in nood verkeren, bevinden zijn gevoelens zich diep in zijn hart. De in het evangelie, en in het algemeen in de bijbel, beschreven gevoelens, worden opgewekt in relaties met het karakter van externe bemiddeling*. Dit zijn de gevoelens die vorm en inhoud geven aan de relatie in vrijheid.

Aan de andere kant binden onze gevoelens ons aan model-rivaal* en model-obstakel* relaties en veroorzaken daardoor onvrijheid. Ofschoon we gewoonlijk het tegengestelde aannemen, komen de hedendaagse gevoelens, zoals overigens voor een ieder geldt, niet uit het niets opdagen. Onze gevoelens hangen samen met en komen voort uit rivaliteit en mimese in onze relaties, doorgaans gekoppeld aan interne bemiddeling*. Als we de gevoelens proberen te begrijpen, moeten we de gevoelens herleiden naar de relatie met de persoon of mensen die de gevoelens bij ons opwekken.

Al onze gevoelens hebben van doen met relaties. Gevoelens staan nooit op zichzelf. Ze zijn niet aangeboren of persoonlijk. Onze gevoelens komen voort uit onze rivaliserende relaties met anderen, met culturele aangelegenheden of met de goden. Dikwijls zijn deze relaties gekenmerkt door temporele mimese* en is er vrijwel altijd sprake van spatiale mimese*. De ontmoeting met een persoon of een groep of het geraken in een bepaalde situatie roepen in de vorm van gevoelens de herinnering aan vroegere ervaringen op.

Veel van onze gevoelens zijn cultureel bepaald. Al onze esthetische gevoelens, zoals schoonheid, zijn van rituele aard en hebben van doen met de uitdrijving van de zondebok*. Dit zijn we ons natuurlijk niet bewust, want gevoelens kunnen puur als esthetisch worden ervaren, zonder een link naar riten. Hooguit in komedies en tragedies herkennen we rituelen in samenhang met het zondebokmechanisme*. Toch is onze stelling juist en geldend voor het kijken naar een film, het beluisteren van een gedicht of muziek. Bij al onze esthetische ervaringen drijven we iets uit en voelen we ons goed. Veel andere gevoelens zijn ook cultureel bepaald, ofschoon niet zo universeel als gevoelens die worden opgeroepen door nationale symbolen of ervaringen. In het kader van dit boek willen we hier niet in detail op ingaan.

Wat waar is voor gedeelde culturele gevoelens geldt voor alle persoonlijke gevoelens. Onze persoonlijke gevoelens zijn altijd gerelateerd aan relaties met personen of met een bepaald persoon. Ze hebben altijd te maken met de mimese van de begeerte* en daarom ook met het zondebokproces*, rivaliteit en model-obstakel-relaties*.

Al onze emoties komen voort uit en behoren bij relaties. Dit in te leren zien vergt veel tijd. Bijvoorbeeld, opwinding heeft te maken met rivaliteit en het maken van zondebokken*, depressie heeft van doen met model-obstakel-relaties*. Angstgevoelens zijn gebaseerd op de vrees te worden aangewezen als zondebok*. Dit zijn slechts enkele voorbeelden. In hoofdstuk 17 geven we meer voorbeelden. In feite is het vertalen van gevoelens naar relaties een taak die ons gedurende ons gehele leven bezig houdt. Daar staat tegenover dat we meer geluk in ons leven ervaren naarmate ons meer duidelijk wordt hoe gevoelens en relaties zich tot elkaar verhouden. Ofschoon het in eerste oogopslag vreemd mag overkomen, is het toch waar dat vrijheid en gevoelens elkaar uitsluiten! Uiteraard zijn gevoelens van geluk en succes fijn om te beleven. Maar, deze prettige gevoelens zijn de gevoelens van de overwinnaar – die van degenen die boven staan in het rivaliteitsproces – terwijl negatieve en droevige gevoelens bij de verliezers horen. We kunnen er zeker van zijn dat al onze gevoelens van trots en verrukking worden betaald door anderen, hoe onaangenaam deze uitspraak ons ook in de oren mag klinken.

Als het voorgaande op waarheid berust, hoe komen we dan van onze gevoelens af? Eigenlijk willen we die gevoelens in het geheel niet kwijt, zelfs niet in situaties waar onze gevoelens schadelijk zijn voor zowel onszelf als voor anderen. Het machtsspel dat achter de gevoelens ligt is nu eenmaal prettig opwindend. Laten we aannemen dat we de gevoelens echt van ons af wensen te zetten, hoe redden we dat?

Bij het ervaren van gevoelens zijn we verward in relaties. Daarom, als we aan onze emoties en problemen willen ontsnappen, dan moeten we binnentreden in andere relaties en een andere wereld, waarin de relaties die onze gevoelens opwekken geen macht meer hebben. Als vrienden ons aansporen ‘terug te keren naar de aarde’ bedoelen ze hetzelfde. Relaties die gevoelens oproepen isoleren ons van al onze overige relaties. Dankzij onze fascinatie* komen ons al de overige relaties als onbetekenend voor. Om vrij te kunnen zijn moeten we een weg terug zien te vinden.


17 Voorbeelden van gevoelens

 

Onze levens raken steeds meer ingesloten in interne bemiddeling*. Door de afname van externe bemiddeling* verliezen we voortdurend meer zicht op de werkelijkheid die achter onze relaties schuil gaat. Dit betekent niet alleen dat ons leven gecompliceerder wordt. Het betekent ook dat ons vermogen de werkelijkheid te zien afneemt. Steeds meer komen onze gevoelens te staan tussen ons en de wereld waarin wij leven. Misschien krijgen we beter zicht op wat er gebeurt als we verschillende gevoelens leren onderscheiden.

 

a.     Je erg goed voelen – bedrukt voelen. We voelen ons fantastisch. In het rivaliteitsproces hebben we de bovenste positie kunnen innemen. Als we onder komen, verlies hebben geboekt, voelen we ons gedeprimeerd en hopeloos. In veel situaties kunnen wij onze gevoelens moeilijk verklaren. Vaak hebben we in het geheel geen weet van de machtsstrijd tussen ons en mensen waar we een diepgaande relatie mee hebben. Als wij ons constant gelukkig voelen, kunnen we niet begrijpen dat de ander ongelukkig is. We kunnen dat niet geloven. Na het behalen van de winst worden we blind voor de nederlaag van de ander en de gevoelens die hierdoor bij de ander worden opgewekt, bijvoorbeeld omdat hij of zij zich afgewezen voelt.

 

b.      Je gelukkig of ongelukkig voelen. Hier gaat het eigenlijk over hetzelfde. We voelen ons gelukkig omdat we aan de winnende hand zijn of zolang het gevecht om de macht nog niet is beslist. Vanuit de erotische invalshoek kan dit betekenen dat we gelukkig zijn zo lang de ander nog verliefd is. We voelen ons gelukkig als we verliezend zijn of vrezen dat we gaan verliezen. Zo lang er nog spanning aanwezig is, wordt ons leven als prettig, opwindend en gevaarlijk ervaren. Ik kan nog winnen. Aan de andere kant kan ik ook verliezen waardoor ik me uiteindelijk ongelukkig ga voelen. Als ik verlies, als ik eindig in een model-obstakel-relatie of als de ander mij heeft verlaten, dan sta ik in feite alleen, alleen gelaten met mijn ongeluksgevoel.

Natuurlijk is er ook een andere vorm van geluksbeleving. Laten we dit het ‘rustige geluk’ noemen – de voldoening dat ik mag weten een eigen plek te hebben, waar niemand mijn plek betwist en waar ik zelf ook niet rivaliseer. Deze vorm van geluk staat los van emotionele gevoelens. Deze vorm van geluk spruit voort uit externe bemiddeling, als we verkeren in relaties die ons dragen. Spijtig genoeg moeten we vaststellen dat in onze tijd dit geluk op zijn retour is.

 

c.      Medeleven en medelijden

In het geval van medeleven (meeleven) gaan we naast iemand staan en proberen ons in te leven in zijn of haar situatie. Mee willen leven doet een beroep op ons vermogen empathie te kunnen opbrengen. Meeleven is onderdeel van de wereld van het vertrouwen en het geloof. Samen trekken we op en we staan naast elkaar op de weg naar het nieuwe koninkrijk.

Medelijden is een gevoel dat behoort in de wereld van de cultuur. We staan boven iemand en zien zijn meelijwekkende situatie aan. Gelukkig dat het ons goed gaat en dat we niet zo zielig zijn als de ander.

Het gevoel van medeleven brengt mensen bij elkaar, medelijden is een gevoel op afstand. Bij medelijden geef je aalmoezen, bij medeleven geef je jezelf. In het geval van medelijden geef je de beklaagde de positie van zondebok. We zeggen dan dat het zijn probleem is dat hij misschien zelf heeft veroorzaakt.

 

d.     Jaloezie.

We zijn jaloers als we bang zijn de machtsstrijd te verliezen of de strijd al hebben verloren. We zijn jaloers als iemand iets heeft dat wij begeren, maar nooit zullen bezitten. Jaloersheid betekent dat we ons voelen ingesloten door onze rivaal. We raken door onze rivaal gefascineerd. Als een man jaloers is als andere mannen naar zijn geliefde kijken dan wordt hij door de andere mannen als het ware ingesloten en niet door haar. Dit gaat ook op als zij de andere mannen uitdaagt. Hij rivaliseert met die mannen en het kan zo ver gaan dat hij zelfs niet meer aan haar denkt. Het kan zijn dat zij erg bang wordt door zijn jaloersheid, maar in werkelijkheid heeft de jaloersheid te maken met de andere mannen en niet met haar. Jaloersheid heeft altijd van doen met de rivaal. Toch kan het object van de rivaliteit, in dit geval de vrouw, met reden angstig worden. Jaloersheid vormt de basis voor geweld en het geweld kan op ieder moment overslaan van de rivaal naar het object van de rivaal.

 

e.      Fascinatie*. Jaloezie is een vorm van fascinatie*. Fascinatie geeft dikwijls een geweldig goed gevoel. Ook weten wij dat dit een riskant gevoel is, een risicovolle ervaring. Het kan er op uit draaien dat we eindigen als sidderende wrakken. We kunnen fascinatie slechts herkennen als het gevoel sterk is. Elke relatie in interne bemiddeling, alle model-rivaal- en model-obstakel-relaties* zijn fascinaties. In de alledaagse spreektaal rgebruiken we het woord fascinatie voor heftige gevoelens op de terreinen erotisch verlangen en esthetica. Als we daarentegen spreken in termen van structuur draait het bij al onze mimetische relaties om fascinatie zodra onze rivalen enige macht over ons kunnen uitoefenen.

Indien fascinatie in het geding is wint de ander over en in mij aan kracht. Fascinatie betreft mijn interne gevecht met de andere persoon in mij die een claim op mij legt, een proces dat eindigt als de ander in het bezit is van mijn totale zijn. De ander kan een persoon, een groep, een ideaal of wat dan ook zijn. Uiteindelijk wordt de fascinatie zo sterk dat het gevecht om niet mijzelf te verliezen dominant is geworden in mijn leven. Al de overige mogelijkheden die ik heb en al mijn andere relaties verdwijnen uit mijn denken. Naarmate de fascinatie toeneemt wordt het gevoel sterker en neemt het gevecht mij steeds meer in beslag. Hoe sterker de fascinatie is, des te meer openbaart zij haar ware karakter.

Het doet niet ter zake hoe prettig het gevoel wordt ervaren, onze gevoelens zijn altijd een vorm van slavernij. Als de fascinatie een bepaalde grens overschrijdt beseffen we pas hoe sterk de verslaving is. Fascinatie wordt een obsessie. Zo lang onze fascinatie samen gaat met gevoel dat we ons doel kunnen bereiken, blijft het een prettig beleven. Op het moment dat we verliezen zijn we verloren. Al de misdaden uit passie, de laatste wanhopige poging te winnen, komen hieruit voort. Neurose en psychose hebben dezelfde oorsprong. Fascinatie is het teken van ziekte in menselijke relaties. Als zodanig is het noch een erotische, noch een esthetische werkelijkheid. Echter, zodra er sprake is van fascinatie tussen mannen en vrouwen over welk object dan ook, is er altijd erotiek in het spel.

 

f.       Sadisme en Masochisme. Wij allen zouden wel goden willen zijn. Dat zouden we willen bewijzen aan allen die in onze macht zijn, aan allen die ons adoreren en ons tot goden maken. Het kan zelfs zijn dat we genieten van voortdurend verliezen. We kunnen ook plezier beleven aan het vereren van een god die ons verslaat in het gevecht om de macht. Door het geleden verlies en het accepteren van alles wat ons wordt aangedaan, bewijzen we onszelf dat ons model, het voorwerp van onze metafysische begeerte, een echte god is, een onzichtbaar model. Er is toch een dubbel verband aanwezig. Als we al ooit zouden winnen, zouden we zelf god zijn. Maar op hetzelfde moment is de winst een teleurstellende ervaring, want bewezen is dat onze goden geen goden zijn geweest. Als we zijn opgesloten in een model-obstakel-relatie* en we zijn aan de verliezende hand, dan kiezen we er voor die situatie maar te handhaven. We brengen de ander er toe de rol van sadist op zich te nemen. De ander moet bewijzen dat hij almachtig is, boven alle wetten en moraal staande, dat hij echt een god is. Als de krachten in de relatie van plaats verwisselen, wat dikwijls voorkomt in relaties, dan word ik de sadist en de ander de masochist. Uiteindelijk heeft geen van de partijen iets gewonnen. Duidelijker dan ooit blijkt ook nu weer dat plus en min, winnen en verliezen, hetzelfde zijn.

 

g.     Boosheid en angst. Angst is altijd de vrees te verliezen. Angst kan zelfs verlammend werken. Ik kan mijzelf niet meer verdedigen. De persoon van de ander is in mij zo sterk aanwezig dat hij mij overneemt. Ik ben niet langer mijzelf. In het geval van woede of boosheid verdedigen we ons tegen de opkomende angst en de ander die bezit van ons neemt. In onze angst trachten wij de ander uit te drijven en ons te ontworstelen aan zijn invloed.

 

h.     Lach en traan. Met zowel een lach als een traan verdedigen we ons tegen de ander die zich in ons binnenste bevindt. Zo lang wij lachen kun je niet spreken van een gevaarlijke situatie. In het vertrouwen dat we winnen kunnen we een beetje gewelddadig zijn. Door te lachten drukken we de ander weg. Als we huilen raakt de situatie ons meer en wordt het voor ons gevaarlijker. We willen het gevaar dat samenhangt met de overweldiging door de ander of het andere, kwijt.

 

i.       Enthousiasme. Enthousiasme is van oorsprong een religieus woord. In enthousiasme staan we onder de invloed van een god of goden. We zijn overvleugeld en we verheugen ons. We accepteren zelfs de situatie dat we worden afgestoten en genegeerd. Enthousiasme is religieus, dus als we enthousiast zijn hebben we ook een zondebok aangewezen en hebben we kans gezien iets of iemand te verdrijven. Als we enthousiast zijn omdat we hebben gewonnen, letten we niet op de verslagen tegenpartij. De zondebok had maar geen katholiek, protestant, moslim, Jood. Serve, Kroaat, Palestijn of wat dan ook moeten zijn. Enthousiasme is altijd verantwoordelijk geweest voor de vernietiging van iets of iemand en menselijke mogelijkheden.

 

j.       Erotiek en seksualiteit. Voor ons geldt dat zowel erotiek als seksualiteit onverbrekelijk zijn gekoppeld aan gevoelens. Wij weten zelfs niet meer dat seksualiteit mogelijk is zonder verbinding met gevoelens, in vrijheid*, en dat het een belangrijke rituele betekenis heeft voor onze levens. Erotiek en seksualiteit hebben alleen nog van doen met rivaliteit en de strijd om de macht. We laten de ander in ons toe met de mogelijkheid van winst of verlies. Dikwijls raken we verveeld door het gevecht en beslissen we dat het al met al niet de moeite waard is (‘Ik weet absoluut zeker dat ik niet van haar houd’). We kunnen ons onze levens niet voorstellen zonder deze opwinding. De eindeloze rij van gestrande schepen aan de kust, gestrand als resultaat van de gevechten in onze levens, herinnert ons voortdurend aan de wijze waarop wij met elkaar omgaan.

 

k.      Idealen en belangrijke doelen. Zodra we gevoelens hebben in relatie met idealen en grootse doelen dan maken we er model-obstakels* van. In plaats van meesters te zijn van onze gevoelens, er vrij van en voor te zijn, hebben zij bezit van ons genomen. Als we idealen koesteren en grootse doelen nastreven dan proberen we in feite controle te krijgen over de toekomst. Daar we echter niet in staat zijn de toekomst te controleren, worden we slaven van onze modellen en worden ze voor ons obstakels. Als gevolg hiervan worden geweldige gevoelens opgewekt.

 

Uiteindelijk is maar één weg om te ontsnappen aan rivaliserende gevoelens. Dat is de weg van Jezus, de man die buiten de begeerte staat en daarom buiten de strijd om de macht. Hij bevindt zich buiten de wereld van de gevoelens. Hij roept ons voortdurend. Door hem te ontmoeten, door hem te volgen, worden we bevrijd van gevoelens die ons vernietigen.

Velen van ons kunnen weinig met het voorgaande. Hun relatie tot Jezus wordt gekenmerkt door vele gevoelens. Voor een meerderheid onder ons geldt dat geloof uitsluitend van doen heeft met gevoelens. Het is misschien moeilijk te aanvaarden dat, zo lang onze relatie met Jezus samen gaat met gevoelens, er geen sprake is van geloof. We verkeren in een geloofsrelatie als we op een ongecompliceerde wijze, met ons gehele zijn, verkeren in de wereld van Jezus, hem volgend omdat we weten dat hij de Weg is. Dit weten heeft geen intellectuele grondslag, doch is een existentieel weten met ons gehele zijn, zowel hart, ziel, lichaam als hersenen. Het betreft een diepgaand besef dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is 20). Deze kennis maakt ons vrij, geeft vrede en bevrijdt ons van onze gevoelens.

We kunnen nooit het verschil tussen onze gevoelstaal en de taal van het evangelie vergeten. Onze gevoelens komen voort uit de mimese van de begeerte en gaan niet tot grote diepte. De gevoelens van Jezus komen uit zijn gehele zijn, uit zijn binnenste, uit zijn kern. Deze gevoelens zijn van een geheel andere orde dan onze gevoelens. In het geval van hedendaagse gevoelens legt de ander of het andere een claim op mij, ook al worden de gevoelens als prettig ervaren. Uit de kern komende gevoelens staan de ander toe in ons leven te komen. Dankzij deze gevoelens herkennen we de ander en zien we hem of haar als weerloos en hulpeloos.

Als we Jezus volgen, raken we uiteindelijk bevrijd van onze gevoelens. Zo lang we de slaaf zijn van de mimese van de begeerte, blijven we ook de slaven van onze gevoelens, Als we hem volgen zijn we vrij. Onze enige vreugde bestaat er in dat we bij hem horen en van hem zijn 21) Er is slechts sprake van erbarming en barmhartigheid in de omgang met hem.


18 Relaties en vertrouwen

 

Nogmaals, we zijn niet geworden wat we zijn op basis van ingewortelde eigenschappen. Al wat we zijn hebben we geleerd in mimese met anderen. Op deze wijze hebben we ‘karakter’ (‘karakter’ = de wijze waarop we in wisselwerking zijn met de werkelijkheid waarin we leven) en persoonlijkheid gekregen (‘persoonlijkheid’ = hoe anderen ons waarnemen en hoe we ons zelf zien, wat overigens kan verschillen*).

* Noot: Er is per definitie sprake van discrepantie tussen de fenomenale (zoals ik mij zie) waarneming en de feitelijke (zoals anderen mij zien) waarneming. Bij een aanmerkelijk verschil hebben we een probleem. Denk als voorbeeld aan de psycholoog die zich zelf als de autoriteit op zijn vakgebied ziet, terwijl zijn cliënten er totaal anders over denken en dus wegblijven.

Wat en hoe we zijn komt van buiten. Anderen vormen ons, terwijl wij de ander vormen. Dit proces zet zich gedurende ons gehele leven voort.

Onze gehele werkelijkheid komt voort uit mimese: Niet alleen ons hart, denken of lichaam, doch elke mogelijkheid die we hebben komt voort uit mimese. We zijn geboren in mimese en leven in mimese. Het is onze positie. Als zodanig vindt mimese altijd plaats, of we er nu wel of niet aan denken. Mimese gaat voorop in ons leven. Meestal hebben we er geen notie van, laat staan dat we daarop reageren. Dat betekent dat er een vorm van kennis in ons zit waarvan we ons niet bewust zijn, noch in ons hoofd, noch in ons hart. De ‘mimetische’ kennis is in ons diep geworteld. Vanuit deze diepte, door deze onbewuste kennis, komen we dikwijls in situaties waartegen ons hart en hoofd zich soms fel verzetten. De opgezocht situaties zijn niet altijd goed voor ons, ze brengen ons dikwijls onvrijheid. Soms levert het de slavernij als gevolg van fascinatie op.

            Als de mimese van de begeerte niet eindigt en we blijven verkeren in onze mimetische relaties, ontaardt het leven in een permanent gevecht, zoals het voor veel mensen geworden is. Het is vechten om niet ten onder te gaan in het machtsspel dat leidt tot volledige vernietiging.

            Als we zijn opgegroeid in het leerproces ‘in mimese zijn met het oude model’, zal het model eerst moeten ‘afsterven’, zodat we weer vrij kunnen worden. De cultuur heeft mogelijkheden geschapen modellen te laten afsterven door de inzet van ‘overgangsrituelen’, riten waardoor mensen in een nieuwe levensfase kunnen komen, een leven met nieuwe verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Tot op zekere hoogte waren kerkelijke bevestiging, doop, bar mitswa, huwelijk en militaire dienst, rituelen zoals hiervoor bedoeld. Deze oude rituelen vormen niet langer meer een solide ondergrond. Eén van de hieruit voortvloeiende gevolgen is, dat we nooit echte volwassenen worden.

            Er bestaat een mogelijkheid te ontsnappen aan dit eeuwige gevecht, een ontsnapping die leidt naar een andere weg. Bij verschillende gelegenheden heeft Jezus gezegd: ‘Ik ben’. Hij kan zinnen eindigen met de woorden: ‘Omdat ik ben’ 22). De woorden ‘hij is’ verklaren tot op zekere hoogte alles. ‘Hij is’ omdat hij in mimese met de Vader is. Doordat hij in mimese met de Vader is staat hij buiten de mimese van de begeerte als hij anderen ontmoet. Jezus kan het ‘zijn’ niet verliezen. Dat hij ‘is’ zoals hij is, leidt tot vrede en vrijheid. Hij is de Weg tot deze vrijheid.

            We zijn vrij als we in mimese met hem verkeren, niet twijfelend. Alleen dan zijn we in staat om uit de mimese van de begeerte te stappen, buiten het strijdperk.

            We bestaan in relaties in en door relaties. Dat houdt in dat we geen individuele of persoonlijke problemen kennen. In zekere zin zijn we bezig anderen tot zondebok te maken als we hun problemen benoemen als ‘dat is hun probleem’. Door zo te handelen kan een ieder weglopen van zijn verantwoordelijkheden en hun aandeel in de problemen. De anderen zijn verantwoordelijk voor de problemen, gevoelens en ervaringen waar we mee tobben. Maar we vergeten dat de anderen ook zo hun problemen met ons hebben, ook al wordt dit ontkend met een zuiver geweten. Ook in hun levens gaat de mimese bewust door.

            Doordat al onze relaties ontstaan langs de weg van mimese, vormen we ook de werkelijkheid van de ander. Als we vertrouwen stellen in anderen dan geven we de ander vaste grond onder zijn voeten. Dit leidt er toe dat de ander vertrouwen krijgt en zelf ook vertrouwenswaard wordt. Als we anderen niet willen vertrouwen, zijn zij ook in mimese met ons gebrek aan vertrouwen en dan worden ze precies zoals wij verwachten dat ze zullen zijn. Het wordt een profetie die zich zelf waar maakt. Zie je wel, hij is niet te vertrouwen en dus is mijn wantrouwen gerechtvaardigd. We willen ons liever niet bewust zijn van het feit dat we de situatie zelf hebben veroorzaakt en wenselijk achten. We hebben ons doel bereikt. Door vertrouwen te stellen in anderen bereiken we dan misschien niet ons doel, maar wel de ander.


19 Wat is vrijheid?

 

Ondanks ons veelvuldig gebruik van het woord vrijheid, is de betekenis van het woord niet altijd duidelijk. Wat is vrijheid? Laten we beginnen met de betekenis die wij toekennen aan het begrip vrijheid. Voor ons houdt vrijheid in dat we uit de mimese van de begeerte zijn gestapt, uit model-rivaal- en model-obstakel-relaties. Het verhaal van de Hof van Eden en de zondeval is de geschiedenis van het overstappen van de vrijheid die behoort bij het niet begeren naar de onvrijheid van de mimese van begeerte 23).

De cultuur heeft voorzien in de mogelijkheid een bepaald type vrijheid te genieten. Door haar structuren en wetten, en door haar verboden en regels, werd het voor mensen mogelijk gemaakt zichzelf te zijn, niet voortdurend in strijd verkerend met alles en iedereen. Het was beperkte vrijheid, gebaseerd op het zondebokmechanisme. Binnen de structuur zijn we vrij omdat zondebokken lasten voor ons dragen, namelijk de lasten die we zelf niet aan kunnen, zoals geweld en schuld. Hun aanwezigheid verlost ons van bepaalde problemen. Je vond vrijheid als je op je toegewezen plekje bleef, geen beroep deed op rechten die je niet bezat en voldeed aan je plichten. Zo lang de hypocrisie zich openbaarde als een allesomvattend cultureel fenomeen en je daar niet van bewust was, konden we spreken van objectieve hypocrisie. Culturele vrijheid betekende dat je de ander dezelfde vrijheid gunde, altijd onder voorbehoud dat de ander geen zondebok was. Vrijheid was mogelijk als een ieder zich aan zijn of haar grenzen hield.

Structuur en wet zijn vervagende begrippen geworden. Zie de ironie hiervan, we denken namelijk dat we door de ontwikkelingen juist vrijer zijn geworden. Zo lang het ons lukt om voortdurend als overwinnaar uit de strijd te komen voelen we ons nog wel prettig. De situatie verslechtert echter aanmerkelijk als we ten onder gaan in de strijd. We worden ongelukkig en gedeprimeerd, opgesloten in een doolhof waar we niet uitkomen. Onze eigen vrijheid hangt altijd nauw samen met de onvrijheid van anderen.

Toch rest ons nog één type vrijheid: We hebben nog keuzes. Doorgaans betreft deze keuzes korte termijn aangelegenheden, keuzes die passen bij de voorspelbare gang van zaken van alledag. Hoe dan ook, het blijft een keuzemogelijkheid. We kunnen kiezen voor het volbrengen van onze plichten, wat de kosten ook mogen zijn. We kunnen kiezen voor het najagen van een ideaal dat we al lange tijd koesteren. In beide gevallen is er dan een externe bemiddeling in ons leven gekomen. Zo lang we het houden bij deze keuze zijn we niet, of niet direct, in rivaliteit met mensen rondom ons. We verkeren waarschijnlijk in een onduidelijke transcendentie. We mogen in de ogen van anderen misschien dwaas handelen, maar we zijn tenminste vrij geweest in onze keuze.

Het grote probleem dat samengaat met kiezen, hoe klein de keuze ook mag zijn, is het risico dat de keuze met zich brengt: We kunnen nooit de gevolgen van de keuze geheel overzien. Er kunnen keuzes in het geding zijn die van invloed zijn op ons gehele bestaan. We zijn vrij te kiezen en moeten dientengevolge de gevolgen aanvaarden. Eerst na de keuze krijgen we te maken met de gevolgen. Dit scenario beangstigt ons dikwijls zo erg dat we denken niets te kiezen te hebben. We hebben nu zoiets als een paradox laten zien: We konden slechts kiezen omdat we vertrouwen hadden en we hebben vertrouwen omdat we hebben gekozen 24).

Dit alles is waar als we kiezen voor het volgen van Jezus in volle vrijheid, om met hem buiten de begeerte te staan. Jezus vertelt ons wat de gevolgen zijn als we deze keuze maken 25). Echter, vanaf het moment dat de keuze is gemaakt, verkeren we in onzekerheid wat betreft de gevolgen. Eén ding staat vast: Ik zal veranderen, zoals alles zal veranderen. Hoe? Op welke wijze?

We zijn vrij als het gaat om de vraag wie we gaan volgen. Op dit moment zijn we vrij een keuze te maken. Of en in hoeverre we vrij zijn na de keuze, hangt van het type beslissing af. Hedendaagse keuzes hebben als achtergrond de stelling dat we vrij zijn wat te doen en wanneer we het doen op het moment dat we het willen. Dit is de vrijheid in het proces van de interne bemiddeling, waarbij een ieder zijn eigen wetten maakt. Deze vrijheid is een illusie. Het is de vrijheid van de winnaars, de mensen die op dit moment de macht hebben, het zijn de winnaars die voortkomen uit rivaliteit.

Als Jezus voor ons staat nodigt hij ons uit te komen 26). Het is niet het soort uitdaging waar we normaal aan denken. Het is wel erg vredig en rustig. Hij nodigt ons uit Hem te volgen – bevrijd van de dwang van de mimese van de begeerte. We kunnen vrij zijn en vanuit deze vrijheid anderen de mogelijkheden geven zichzelf te zijn, zonder angst voor door de mand vallen of te worden ontmaskerd. Uiteindelijk kunnen we ons open en kwetsbaar opstellen, als kinderen van God.

 

Deel II De nieuwe wereld: het koninkrijk

 

Diep in ons treffen we een verlangen naar vrede aan. Het is een diepliggende wens die is gebaseerd op het eeuwenoude culturele geheugen dat in ons allen leeft en dat geleefd heeft in alle mensen in alle tijden. Met vrede kan een heilige vrede worden aangeduid of het verlangen naar het Koninkrijk van God, een verlangen naar een wereld of een cultuur die niet gebukt gaat onder de mimese van de begeerte. Voor de meeste van ons zal wel gelden dat zij de voorkeur geven aan een mix van beide.

Het Koninkrijk is niet een herinnering. Het is de mogelijkheid van een nieuw leven dat ons wordt aangereikt. Het bestaan van die andere wereld is voor ons onthullend. In feite is de ware betekenis van deze onthulling de mogelijkheid of zelfs de werkelijkheid van een ander leven, waar vrijheid, vrede en liefde de kenmerken van zijn.

In onze tijd, waar structuur en transcendentie bezig zijn te vervagen, groeit het verlangen naar vrede in hevigheid. We zijn wanhopig op zoek naar een wereld waar we in vrede kunnen leven en toch verspelen wij die mogelijkheid keer op keer. Bij het verlangen naar vrede bewegen we ons in feite op de weg tussen geheiligde vrede en het Koninkrijk, de nieuwe wereld. Wij allen zijn op de weg die uit deze wereld naar de nieuwe wereld leidt. Misschien blijven we altijd onderweg zonder kans te zien de wereld te verlaten, vanaf afstand kijkende naar de nieuwe wereld. Toch, zo nu en dan, dikwijls zonder het waar te nemen, zetten we enkele stappen in het Koninkrijk. Zonder een volledig besef van wat ons overkomt, is het Koninkrijk plotseling rondom ons.

Het volgen van Jezus is de Weg 27). Het is ons gegeven, we nemen er, samen met anderen, deel aan. We zullen op pad gaan en elkaar over en weer de weg wijzen.

‘Zo blijven dan: geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde’ (1 Cor. 13:13).

 

 

20 De god van de zondebokken

 

De goden van de religie* zijn de goden van degenen die zondebokken maken. Zij zijn de goden van de ‘goede’ mensen. Zij zijn onze goden. Deze goden hebben allen dezelfde mogelijkheden als wij hebben. Zij kunnen zowel aardig als verschrikkelijk zijn. Zij hebben onze geweldeigenschappen, eigenschappen waar we liever niet aan denken. We kunnen deze eigenschappen waarnemen als we naar onze goden en hun eigenschappen kijken. Voor zover we bang zijn voor hen, zijn we bang voor onszelf. We zijn bang voor de duivel, de zondebok die we hebben verdreven, maar die gelijkertijd het onderwerp van onze aanbidding is, onze god.

De God van de zondebokken is een totaal andere god. De Hebreeën begonnen Hem te ontdekken toen ze leerden hoe het was om zondebok te zijn, een situatie die ze uiteindelijk overleefden, terwijl degenen die hen tot zondebok hadden gemaakt, werden uitgeroeid. Het was de ervaring dat er meer was tussen hemel en aarde dan waarover de religie ooit had durven dromen.

De God van de zondebokken heeft het aangezicht van de zondebokken. Hij is geen meedogenloze of grillige eiser, Hij is echter ook geen goeddoener. Hij lijkt niet op de god van de mensen die zondebokken maken. Hij vraagt ons, ons aan Hem te geven, om net als de zondebokken, te ervaren dat we in rijkdom en vrijheid kunnen leven in een land van melk en honing. In dat land leven we buiten de begeerte.

Deze God, die niet uit is op macht, is de almachtige bevrijder uit het land van slavernij. Daar Hij niet belust is op macht, is Hij juist almachtig. Hij geeft alles. Alle goden van de religie, de goden van de macht, beperken onze ruimte omdat ze ruimte voor zichzelf vragen. Nadat de goden hun plaats hebben ingenomen, moeten de mensen maar zien of ze nog een plekje kunnen vinden. De God van de zondebokken geeft ruimte. Een ieder die bij Hem hoort erft al de ruimte. We kunnen deze God slechts vinden als we ons bekommeren om de armen en de zwakken, de uitgestotenen, de slachtoffers van de cultuur. Met andere woorden, als we met de zondebokken zijn, kunnen we Hem vinden door onze harten voor hen te openen, onze en hun situatie herkennende, wetende dat er voor ons alleen maar leven is als we samen met hen zijn.

De woorden van Exodus 20:12 bevestigen dit. Waar God zegt: Ik heb u bevrijd uit slavernij en u door de woestijn geleid. Ik gaf u voedsel en water, jullie beschermend voor jullie vijanden. Ik was jullie gids en veiligheid. Ik bracht je in het land van melk en honing. Ik gaf jullie alles. Je hoefde mij slechts te volgen.

Na deze introductie volgen de tien geboden. Zij herinneren ons aan de dingen die we deden voordat we Hem kenden, dingen die ons vernietigden. De geboden die bijdragen aan het aanbrengen van structuur in onze levens, een structuur die we nodig hebben om vanuit ons eigen plekje in vrijheid te verkeren.

We zijn vrij te kiezen tussen de God van de zondebokken, vertegenwoordigd door Jezus, die partij kiest voor de zwakken of voor de goden van de religie, de god van de Farizeeën, van de mensen die zondebokken aanwijzen. Op het moment van het bewerken van dit boek bestaat er in de wereld beroering omdat een van overspel verdachte vrouw door een religieuze rechtbank is aangewezen als zondebok en moet worden gedood door steniging. We kunnen ook kiezen voor de God van het evangelie die tegen een overspelige vrouw, die spijt heeft van haar daad, zegt: Ga heen en zondig niet meer. Als we zo trachten te zijn kunnen we inhoud geven aan de bijbelse tekst dat we zijn geschapen naar Gods beeld 29).     

 

 

 

21 De man Jezus

 

Jezus is de mens die buiten de begeerte staat. Hij is in mimese buiten de begeerte, in mimese met God en daarom duidelijk in de positie van externe bemiddeling. Hij is geheel aan ons gelijk, behalve dat Hij buiten de begeerte staat of, zoals de Hebreeuwen het stellen, zonder zonde 39).

Het evangelie laat ons zien dat het zijn zonder zonde Hem onderscheidt van al het andere: Het feit dat hij niet begeert. De geschiedenis over de verleiding in de woestijn laat dit duidelijk zien 31). Het verhaal is in feite een herhaling van de verleiding in de Hof van Eden, behalve dat de gevolgen tegengesteld zijn. Satan wordt verdreven, de betekenis van het evangelie wordt duidelijk.

Jezus is het einddoel en het einde van de reis van de Israëlieten die begon toen hun voorouders vluchtten uit Egypte. De auteurs van de evangeliën benadrukken dit keer op keer. Zij halen het Oude Testament vaker aan dan wij ons bewust zijn. De waarheid waarnaar het Oude Testament op zoek is, en dikwijls laat zien, krijgt zijn belichaming in Jezus. Hij is het Woord van God 32).

Zowel de Joden als de niet-joden waren behoorlijk in de war. Hoe kon Jezus zijn wie Hij was. En waarom was het nu uitgerekend Hem. De ‘waarom vraag’ zal niet worden beantwoord en ondanks dat weten we dat hij Hij is. De eerste christelijke gemeente trachtte het verhaal inzichtelijk te maken door het presenteren van mythen, daarmee aantonend dat de zondebok onschuldig is en beter kan worden gezien als de onschuldige tussen de zondebokken. Dit deden ze door zijn levensverhaal stukje bij beetje op te bouwen. Misschien enigszins moeilijk te bevatten dat zij stappen zetten in de duisternis in de hoop licht te vinden. Hiermee wordt ook aangegeven welke weg wij moeten gaan.

Jezus staat buiten de begeerte. Johannes zegt in zijn evangelie dat Jezus doet wat Hij zijn Vader ziet doen en de woorden spreekt die de Vader tot Hem spreekt. Jezus kan in mimese met God zich zelf zijn. Hij is het beeld van God, terwijl Hij volledig in mimese met God verkeert. Op deze wijze toont Hij ons hoe God is. De enige kennis van waarde die wij hebben van God verkrijgen wij door naar Jezus te zien en te luisteren. In het Oude Testament lezen we over het eeuwen durende gevecht tussen de goden van de volkeren, de duivel-goden, en de God van de zondebokken. Uiteindelijk wordt alles duidelijk in het evangelie.

Doordat hij buiten de begeerte staat ziet Jezus de werkelijkheid. Hij is vrij alles te zien en te doorgronden. Hij kent de weg om vrij en nabij de vader te zijn en hij weet welke wegen leiden tot verwijdering van hem en tot vernietiging. Hij spreekt de woorden van de Vader 33). Hij laat ons de Vader zien 34). Door naar Jezus te kijken en door naar Hem te luisteren kunnen we de Vader leren kennen.

Jezus weet wat de oorzaak is van rivaliteit als het gaat om op fysieke en lichamelijke factoren gebaseerde ziekten. Door zijn nabijheid heelt Jezus de ziekten. Jezus vraagt ons hem te volgen teneinde vrij te worden van rivaliteit en de kwade gevolgen hiervan.

De Hebreeërs werd het duidelijk dat Jahweh hen vrijheid gaf toen ze in slavernij verkeerden, slavernij die samen ging met de cultuur. Door Hem te vinden kwamen ze in een situatie die werd gekenmerkt door overvloed. Evenzo geeft Jezus zijn volgers nieuw leven, bevrijd van de knellende banden van de wet. Wat dit nieuwe leven voor ons kan betekenen wordt omschreven in de bergrede. Het is geen wet; het is een belofte (zie hoofdstuk 23).

Al de door ons dikwijls als tegenstrijdig ervaren oudtestamentische uitspraken over Jahweh worden opgehelderd in en door Jezus. Hij is machteloos en daardoor oppermachtig. Aan het kruis ontwapend Hij alle wereldse machten omdat Hij het geheim van hun macht onthult, het geheim van het zondebokmechanisme 37). Hij vraagt voor ons, de zondebokken, vergeving. Vanaf het moment dat wij gaan begrijpen dat Hij voor ons vergeving vraagt, maakt Hij ons vrij. Zwakte wordt kracht, armoe wordt rijkdom, laag wordt hoog, en zo voort. In het evangelie wordt de gehele wereld op zijn kop gezet.

Aan het kruis laat Jezus ons de ultieme werkelijkheid zien. Vanuit zwakte begint de voltooiing van het leven. Als we eenmaal echt krachteloos zijn kunnen we niet meer rivaliseren, met wie dan ook. Al onze rivaliteit, al onze machtsspelletjes gaan voorbij en we vinden de vrijheid van Christus en hebben we alles in niets. De doden van Don Quixote en die van Julien Sorel, de held uit het werk van Stendhal, The red and the Black, wijzen op deze realiteit. Ze leren dat rivaliteit tot zelfvernietiging leidt. Dat wat we begrijpen van dit soort processen hebben we geleerd door naar Jezus te kijken.

De realiteit van de buiten de begeerte staande Jezus is de enige echte realiteit. Hij sterft elke keer als wij ons schuldig maken aan het aanwijzen van zondebokken. Als we naar Hem kijken, plaatst Hij ons op de weg van het leven, vergezeld door Zijn geest, ons zendend naar onze medemens. De basis en verklaring van alles wat Hij zegt en doet wijst op Zijn echtheid en oprechtheid. Als we samen gaan met Hem worden we vrij, menselijk, zoals Hij is.

Dit is de reden dat Jezus kan zeggen ‘ik ben’ en alles wat Hij zegt en doet is gebaseerd op Zijn weten dat ‘Hij is’. Hij is het enige menselijke wezen die echt is. Door bij hem te behoren kunnen wij ook zeggen dat ‘wij zijn’.


22 Geloof

 

Geloof* gaat samen met het volgen van Jezus en het gaan van de Weg. Dit betekent niet dat we als Hem moeten zijn. Vele gelovigen streven de doelstelling na net zo goed en net zo superhumaan als de Jezus van hun fantasieën te willen zijn. Dit doel zullen we nooit kunnen bereiken, al vormt deze onmogelijkheid niet de ware reden het niet te proberen. Het is onze taak onszelf te zijn in de vrijheid* van Jezus en niet dat we verworden tot een slechte kopie van Hem.

 Het volgen van Jezus houdt in dat we ons spiegelen aan Hem (in mimese* zijn met Hem) als de man die buiten de begeerte staat. Vanaf de aanvang weten we dat Jezus, ook al komt Hij tot ons, zich in feite op grote afstand bevindt omdat Jezus, strikt fysiek gezien, niet in onze wereld leeft. Doordat we samen zijn met de buiten begeerte staande Mens, kunnen we niet met Hem rivaliseren en de relatie mistig en onduidelijk maken. Je spiegelen aan Jezus, in mimese zijn met Hem, betekent dat alle kansen en mogelijkheden die het leven en de wereld biedt voor ons open staan. We zijn echt vrij (38.

Eén van de grote problemen die het leven in onze cultuur meebrengt wordt gevormd door de schijnbare tegenspraak dat Jezus zowel een (externe) middelaar is als degene die onder ons verkeert en wel zodanig dat Hij in ons midden is als twee of drie mensen bijeen zijn in Zijn naam (39. ‘Bijeen zijn in zijn naam’ betekent dat wij Hem in elkaar herkennen. We zijn in mimese met Hem en daarom buiten de begeerte. Als wij Hem gezamenlijk volgen, kan een ieder van ons voor de ander het voorbeeld van Jezus zijn, dit doordat we niet langer met elkaar rivaliseren in een poging belangrijk te zijn.

Het hierna volgende schema geeft aan dat het samen zijn met Jezus inhoudt dat we niet langer onszelf proberen groot te maken, niet meer rivaliseren. Anders uitgedrukt, we blijven wie we zijn; we worden hulpbehoevend. Zonder Hem rivaliseren we met elkaar, of groter en groter wordend of steeds dieper zinkend in een put omdat we onze rivaal bevechten en willen overwinnen. Als we Jezus ontmoeten hoeven we ons niet langer groot voor te doen. We zijn niet groter dan een stip op de kaart en we kunnen samen met Hem door het oog van een naald.

Ook als onze grootste rivaal, de dood, zich aandient en een gevecht met hem niet te winnen valt, kunnen we samen met Jezus de dood zonder angst en in vrijheid tegemoet zien.

 

 

 


   * ik

 

                                                      

                                                                                                                 naald

                                     ik                        Jezus                               * *

              * Jezus            *                            * 

1.                                  2.                                          3.

 

 

 

 

 

Door Jezus te volgen, Hij die het beeld van God is, betekent, dat ook wij beelden van God worden (40). Volgens de Bijbel zijn we geschapen als beeld van God, een beeld dat we door onze begeerte kwijt zijn geraakt (41).

Geloof heeft ook van doen met de heilige Geest. We kunnen Jezus ontmoeten zonder te herkennen wie Hij is. Hij is in feite een zeer curieus, misschien wel zeer speciaal persoon. Het valt ons zwaar daar mee om te gaan. Zo velen hebben Hem zo dikwijls ontmoet zonder dit te beseffen. Hem kunnen herkennen is niet een vanzelfsprekendheid, het wordt ons geschonken. Het is de Heilige Geest die werkt in de mensen rondom ons waardoor wij Jezus’ aanwezigheid kunnen ervaren. De Geest schenkt ons het gemeenschapsgevoel, bewerkstelligt geloof en maakt ons vrij.

Kunnen we nog iets zeggen over het maken van keuzes? Beslissen betekent opzien naar de mens Jezus en Hem een werkelijkheid laten zijn. Wij kiezen door actie te nemen, door Zijn werk te verrichten. We kiezen met onze handen, voeten en ogen. Dit is meer dan kiezen met onze gedachten en gevoelens. Onze lichamen en onze voeten kennen meer dan onze gedachten en gevoelens ooit zullen weten.

Paulus wilde altijd alles verrichten in de dienst van Jezus. Hij was dan ook zeer teleurgesteld als hij werd geconfronteerd met mentale of fysieke hindernissen. Hij heeft dikwijls gebeden verlost te worden van kwalen om nog meer te kunnen doen in de dienst van Jezus. Hij kreeg echter te verstaan dat hij zijn kracht in zijn zwakheid moest vinden. In zwakheid maken we onze keuzes, met lege handen, zodat we de juiste weg kunnen gaan (2 Col. 12:9).


 

23 De bergrede en de gelijkenissen

 

Jezus brengt een nieuwe wereld, een wereld die, volgens het oude testament, ooit heeft bestaan doch verloren is gegaan. De bedoelde nieuwe wereld is niet ‘van deze wereld’. Elke wereld kent zijn eigen taal. De taal van een volwassene is niet dezelfde als die van een kind, de taal van een man is niet geheel dezelfde als die van een vrouw. In alle gevallen betreft het talen die met een bepaalde cultuur van doen hebben.

Jezus kan niets beginnen met de cultuurtalen. Zou hij het wel doen, dan zou hij weer deel van deze wereld worden. Om zichzelf naar ons toe te verduidelijken zet Jezus alle dingen op zijn kop: laag wordt hoog, armoe wordt rijkdom, kracht wordt zwak en omgekeerd, zoals succes falen wordt en macht wordt teruggebracht tot krachteloosheid.

In deze evangelische wereld, waarin onze wereld 180 graden wordt gedraaid, is er niet langer sprake van machtsstrijd. Alleen al de idee dat machtsstrijd tot het verleden behoort zet voor ons gevoel alles al op de kop. Door ons onvermogen de dingen anders te zien kan Jezus niets beginnen met onze taal. Onze taal is op zichzelf al een machtsstrijd, gekenmerkt door een voortdurende poging alles en iedereen te objectiveren. Dit objectiveringproces wordt in onze tijd alleen maar intensiever.

Jezus vertelt in de vorm van gelijkenissen. Gelijkenissen kennen een eindeloze hoeveelheid uitlegmogelijkheden en kunnen niet voor eens en altijd worden verklaard. Zij hebben net zoveel open einden als het leven zelf. De gelijkenissen zijn eenvoudige levensverhalen. Ze betreffen niet anders dan feitelijkheden in het menselijk bestaan. Deze feiten zijn niet gelijk aan de zogenaamde persoonlijke feiten uit onze mythen (bijvoorbeeld: ik ben streng doch rechtvaardig of ik ben nooit jaloers). De gelijkenissen van Jezus zijn bedreigend voor ons eigen wereldje en zetten een groot vraagteken bij onze eigen veronderstellingen en aannames. Ze zetten ons eigen wereldje aan de kant door ons bekend te maken met de echte werkelijkheid, doch niet door onze ‘werkelijkheidsbeleving’ te bevechten en de andere werkelijkheid op te leggen, zoals wijzelf plegen te doen. Nee, de gelijkenissen laten ons de werkelijkheid op zo’n wijze zien, dat het voor ons onmogelijk wordt er tegen te vechten. Bij confrontatie met de gelijkenissen kunnen we slechts kiezen uit erkenning van de aangegeven waarheid of vluchtgedrag.

Ook in de bergrede vertelt Jezus ons over de wijze van leven in het Koninkrijk. Deze rede is noch een preek noch een wet (42). In zijn toespraak beschrijft en belooft Jezus ons hoe het leven zal zijn als we naar hem luisteren. Feitelijk beschrijft hij de toekomst van diegenen die hem volgen.

De bergrede en de gelijkenissen zijn niet defensief, ze stralen openheid en kwetsbaarheid uit. Dit geldt voor alle uitspraken van Jezus. Degenen die in Hem geloven, nemen Zijn woorden letterlijk. Zij brengen zijn uitspraken niet over naar de wereld van religie en cultuur. Voor degenen die Jezus kennen, geven Zijn woorden de waarheid aan. Zijn woorden zijn slechts dan de waarheid als we de woorden laten spreken zoals ze zijn geschreven. Anders verliezen ze hun betekenis en worden ze tegen Jezus gebruikt, tegen het geloof.

We gebruiken het evangelie dikwijls als een wapen tegen anderen, liever dan te onderzoeken hoe wijzelf zijn. Uiteindelijk belanden we in de situatie dat we anderen laten zien hou fout ze zijn en dat ze niet zo leven als Jezus bedoeld heeft. Door zo te handelen creëren we een wapen om anderen te verwijderen uit de ‘evangelische wereld’. We zien wel de splinter in het oog van de ander, maar de niet de balk in het oog van de ander (43). Hoe vromer en meer gekunsteld wij worden, des te groter is de kans dat we het evangelie gaan gebruiken tegen onze naaste en tegen zichzelf. Het is soms gevaarlijk intelligent en geleerd te zijn (44).

In het evangelie is sprake van een groot aantal nog steeds actuele discussies. Voor de meeste onder ons betreft het moeilijke passages. We herkennen de discussies die we met onszelf hebben en zo reageren we er ook op. Uiteindelijk halen we gewoon onze schouders op en zeggen vrijblijvend ‘hij kan gelijk hebben’ of ‘natuurlijk heeft hij gelijk, maar dat vind ik niet belangrijk’. Eigenlijk willen we er niet bij stil staan dat we zijn als de Farizeeën. Doorgaans gaan we er van uit dat het volgen van Jezus is gekoppeld aan ‘goede mensen’ en omdat we Christenen zijn beschouwen onszelf als ‘goede mensen’. Het is een misvatting dat iemand die zich Christen noemt automatisch een volger van Jezus is.

Er worden in de evangeliën veel beelden gebruikt die alles wat we normaal vinden op de kop zetten. Een van de meest bekende beelden is die van het lam, hulpeloos geofferd, die door het lijden de wereld overwint en ons laat zien wie we werkelijk zijn (45).

Een ieder van ons rivaliseert voortdurend, bouwend aan zichzelf, proberend groter en groter te worden en daardoor belangrijker. Jezus is zichzelf niet aan het opblazen. Hij stelt geen pogingen in het werk om groot te worden met de inzet van rivaliteit en geweld. Hij blijft wie hij is, hij cijfert zichzelf weg. Deze unieke persoon is onzichtbaar in het spel om de macht. Door in mimese te geraken met Hem, zowel gezamenlijk als in je eentje, door de Bijbel te lezen, tot Hem en de Vader te spreken in gebed, zullen we stap voor stap meer op Hem gaan lijken. Door zo te handelen zullen onze diepste verlangens worden vervuld. Gelijktijdig gaat dit rechtstreeks in tegen al onze oude wensen. We worden onbeduidend in de ogen van de wereld, we zijn in de ogen van de wereld een stipje op de kaart geworden, bijna onzichtbaar.

 

 


24 Liefde

 

Vele typen relaties worden omschreven als liefde, zodat we een poging willen wagen hier onderscheid aan te brengen.

 

1. Liefde in structuur. Het gebruik van het begrip structuur geeft aan dat een ieder een eigen plaats heeft met eigen plichten en rechten. In dit geval is het van groot belang op te merken dat een ieder verschilt van de ander. Omdat we verschillend zijn respecteren we elkaar en gunnen we de anderen hun eigen plek in de structuur. We rivaliseren niet!

Dit vormde de basis voor het huwelijk in de cultuur. Man en vrouw hadden hun eigen territorium. Alles was duidelijk gedefinieerd. Dikwijls kozen ze elkaar niet, hun familie zorgde voor de verbintenis. Als gevolg hiervan was zelfs de keuze geen punt van rivaliteit tussen de partners. Ze konden elkaar eenvoudigweg accepteren en liefhebben. Omdat iedereen in structuur verkeerde was het ook volstrekt duidelijk welke mannen bij welke vrouwen hoorden en omgekeerd. Alle relaties waren verschillend! Dit gold ook vriendschappen. Iedere vriend had zijn eigen plaats van verschillend karakter en er bestond geen rivaliteit.

In structuur kan ik ook liefde voelen voor een grotere groep: voor de gemeenschap waar ik deel van ben, voor mijn kerk, mijn land, etc. Ik hoor er bij en ik ben verschillend van de andere leden, met mijn eigen verantwoordelijkheden en rechten.

 

2. Liefde als structuren vervagen. Verschillen verdwijnen gelijk met het vervagen van de structuur. De rivaliteit neemt toe. We rivaliseren met elkaar om alles, zoals andere partners, vrienden, macht, positie, welk werk is mannen- of vrouwenwerk, etc. Als er sprake is van evenwicht bij het gevecht om de macht, is het leven opwindend en voelen we ons gelukkig, ofschoon er altijd een onderliggende angst aanwezig is omdat we nooit weten wat de volgende dag zal brengen. Morgen zijn we misschien wel de zondebok, de verliezer.

            Als de rivaliteit naar buiten treedt wordt het leven zelfs nog opwindender, maar de angst groeit in gelijke mate. De dreiging van geweld is altijd dichtbij. Zo nu en dan is het moeilijk onderscheid te zien tussen uitingen van liefde en gewelddadigheden. De fascinatie neemt toe met de rivaliteit.

            Een andere mogelijkheid is dat partners voor elkaar model-obstakel worden, bijvoorbeeld de een in de rol van sadist, de ander in de rol van masochist, ofschoon de rollen dikwijls snel kunnen wisselen. In dit soort relaties gaan gevoelens van grote verbondenheid, fascinatie en diepgaand ongelukkig voelen dikwijls hand in hand. Aanzienlijk geweld kan lange tijd diep worden verborgen, doch kan zo maar tot eruptie komen. Als dat het geval is kan het voor alle betrokkenen vernietigend uitwerken, inclusief het leven van een of beide partners.

            De gevolgen van het verdwijnen van structuur zijn ingrijpender indien het relaties met grote gemeenschappen betreft. In toenemende mate willen we meer macht krijgen over de gemeenschap, de kerk of de partij. In extreme situaties wordt de gemeenschap ons model-obstakel. Als dit het geval is blazen we het belang van de gemeenschap op buiten alle proporties en zijn we zelfs bereid ons op te offeren. Of we het nu in stilte of in openheid doen, we worden fanatiekelingen. We herkennen deze situaties in vele landen. Het tegengestelde kan het geval zijn als we binnen onze gemeenschap geen macht kunnen uitoefenen of kunnen krijgen. Dit leidt ertoe dat we, zonder er ons van bewust te zijn, eenvoudigweg verdwijnen of slapende leden worden van onze gemeenschap.

 

3.Liefde buiten de begeerte. Buiten de begeerte bestaat geen rivaliteit, geen vorm van afzetten tegen anderen. De ander kan zijn wie hij of zij is en we kunnen hem of haar in die hoedanigheid liefhebben. Gelijktijdig kunnen wij zijn zoals we zijn. We zijn als de engelen in de hemel, engelen die buiten de begeerte staan (46). Dit is feitelijk het enige verschil tussen hen en ons. In de liefde van Jezus vinden we de mogelijkheid ons zelf en elkaar te kennen.

Liefde in structuur en liefde in een vervagende c.q. verdwijnende structuur worden in het Nieuwe Testament ‘eros’ genoemd. De hiermee samengaande drift is op zichzelf niet verkeerd. Het is de verbinding die we met de ander in de cultuur hebben, en het is een van de mooie dingen van het leven, ofschoon, als verschillen vervagen, het mooie meer en meer van ons weggenomen wordt. Eros wordt een van de onderwerpen voor rivaliteit. Liefde zonder begeerte wordt in het Nieuwe Testamant ‘christelijke liefde’ genoemd.

Liefde wordt altijd gegeven en we kunnen het nooit gebruiken als een stuk gereedschap of als wapen. Mensen die anderen dreigen met het opzeggen van hun liefde weten niet wat liefde is. Liefde wordt gemakkelijker geschonken aan mensen die in de structuur leven dan aan mensen die leven in vervagende structuur. Want mensen die in de structuur leven verkeren niet in een situatie van permanente rivaliteit. Zonder structuur is liefde – eros - gelijk aan koorddansen; je kunt misschien je evenwicht houden, maar je kunt het op elk moment verliezen. Christenliefde komt altijd uit een andere wereld, uit de wereld waar geen begeerte bestaat. Het is een gift die het leven verandert, zelfs indien het maar tijdelijk is. Toch is het een gift waarvan we de gevolgen nooit helemaal kunnen bevatten. De gift verandert ons leven.


25 De Wet

 

Door de gehele geschiedenis van de cultuur* heen heeft de wet de taak gehad begeerte te voorkomen. Begeerte houdt rivaliteit in, en leidt in voorkomend geval tot chaos en vernietiging van cultuur, dus werd begeerte verboden. De tien geboden geven dit aan. De wens God te kunnen manipuleren en zodoende macht over Hem uit te oefenen, is verboden. Ook zijn verboden de wensen structuren te kunnen vernietigen en alles te willen bezitten.

In het Koninkrijk bestaat geen begeerte. Je hebt alles al, meer dan je je ooit kunt voorstellen. Deze boodschap vormt reeds de kern van de tien geboden. Ik, uw God, voerde u uit Egypte. Ik gaf u en wil u alles blijven geven. Omdat u weet dat ik alles geef en zal blijven geven is het u niet geoorloofd dingen te doen die u zou doen als u Mij niet kende. Begeren mag u niet en is niet nodig.

Christus zegt hetzelfde: als je mij volgt, zal ik voorzien in alles wat je nodig hebt, in overvloed. Je zult leven dankzij het goede dat je ontvangt omdat je samen met mij je weg gaat. Dit alles zal je worden gegeven, tot vervolgingen toe. De oude Hebreeën wisten dit en wij zullen het ook ervaren als we Jezus volgen.

Als we Jezus volgen zijn we in mimese met hem, we ontvangen zijn vrijheid en zodoende ervaren we zijn liefde voor ons en onze naasten. In mimese met hem kunnen we God en onze naaste lief hebben. Door Jezus te volgen vervullen wij zijn voltooiing van de wet 47).

Jezus volgen, in mimese zijn met Hem, betekent vrijheid*, omdat vrijheid aangeeft buiten de mimese van de begeerte te staan. Leven in vrijheid heeft tot direct gevolg dat we komen te leven in overvloed. Uiteindelijk zijn we in staat alle mogelijkheden rond ons te zien, mogelijkheden die we niet zagen zo lang waren verblind door onze rivaliteit. Terwijl we rivaliseren zijn we slechts in staat onze rivalen en de onderwerpen van onze begeerte te zien. Tot nu toe waren we verwikkeld in een machtsspel met anderen. De anderen kenden ons niet zoals we werkelijk waren, doch ze kenden ons alleen maar als mogelijke rivalen in het spel om de macht. Als we in mimese met Jezus zijn zien anderen ons duidelijk zoals we zijn en kunnen wij de anderen en de wereld om ons heen zien. Er komt een tijd dat we onze naasten liefhebben als onszelf. Hieruit ontstaat overvloed.

En er zal vervolging zijn 48). Religie* is niet dood. Het zondebokmechanisme* van religie* en cultuur* gaat door met het zoeken naar het abnormale, het afwijkende en brengen de abnormale, deviante personen in de positie van zondebok*. De volger van Jezus past niet in cultuur*, en wordt als gevolg daarvan als zondebok* aangemerkt en aangewezen als de enige, echte schuldige. Weer eens leidt religie* tot een curieuze contradictie. De echte onschuldige wordt aangeduid als de enig echte schuldige, enkel en alleen omdat hij buiten de begeerte staat. Vanuit het gezichtspunt cultuur is de onschuldige terecht schuldig verklaard. Degene die echt onschuldig is, wordt blootgesteld aan de huichelachtigheid van de cultuur. Het lot van Jezus is ook het lot van zijn volgers, het lot van allen die Hem toebehoren. Zou Jezus terugkeren op aarde, dan zou hij weer het voorwerp van vervolging worden.

Als we buiten de begeerte leven wordt het woord tegenstander een onbekend begrip. Omdat geweld niet meer bestaat hebben we ook geen zondebokken meer nodig en behoren tegenstanders tot het verleden. Opponenten bestaan slechts bij de gratie van rivaliteit en als zij onze obstakels zijn. Als we in mimese zijn buiten de begeerte verdwijnt onze huidige wereld. We zijn vrij en we herkennen onze broeders en zusters. Zonder uitzondering rekenen we een ieder tot onze broeders en zusters. We behoren aan een ieder, doch in het bijzonder aan de groep die wordt genoemd in Matheus 25. Zij dragen het merkteken van Jezus op hun gezichten en als we hen vergeten, vergeten we ook Jezus. Doch als we ons slechts tot hen wenden in de rol van hulpverlener dan vergeten we tevens Hem 49). Het was de diepste wens van Paulus naar Rome te gaan en de keizer zijn verhaal te vertellen. Feitelijk werd hij door Jezus gezonden 50).

Wat het precies betekent om te leven als mensen die Jezus toebehoren zal deels een open vraag blijven. We kunnen het antwoord op deze vraag alleen maar vinden als we bij elkaar blijven. Het Nieuwe Testament geeft aanwijzingen en we kunnen beschikken over de kennis en ervaring die is opgedaan door degenen die door de eeuwen heen Jezus hebben gevolgd. We weten ook dat vele wegen tot niets leiden. Uiteindelijk moeten we kiezen en de weg bewandelen, zowel de oude wegen als de nieuwe weg. De keuze is echter het belangrijkste, de keuzen die we nu en in de toekomst maken. We hebben de vrijheid* om te kiezen. Niet kiezen staat gelijk aan een keuze voor cultuur*, religie* en geweld.

De overwegingen betreffende de wet, zoals Paulus die beschrijft in het begin van de brief aan de Romeinen, geeft de complexiteit aan van de situatie waarin Paulus zich bevindt. De wet is goed en heilig, omdat door gehoorzaam te zijn aan de wet wij vrij zijn van begeerte en slavernij. Gelijktijdig is het ons onmogelijk de wet volledig na te komen. Zodra wij dit proberen wordt de wet voor ons een model-obstakel* dat tot onze ondergang leidt. Als gevolg hiervan is de wet dood. Jezus, die doet wat hij de Vader ziet doen, hetgeen inhoudt dat hij in mimese met God is en derhalve buiten de begeerte staat, kan wel volledig gehoorzamen aan de wet. Hij staat buiten de wet. Hij maakt een einde aan de wet, zodat we, als we in mimese zijn met Hem, ons niet druk hoeven te maken over de wet. We vallen buiten het werkingsgebied van de wet. Zo lang we hem volgen, en dan alleen, is de wet voor ons niet langer een probleem.

De vermaningen en tevens de aanmoedigingen die Paulus richt tot de lezers van zijn brieven zijn in hun kern herinneringen en aansporingen: Als we de nieuwe mens worden, behoren we bij Jezus en zijn we bij elkaar in Zijn naam.


 

26 De wereld van de cultuur en de wereld van het evangelie

De verschillen tussen de wereld van de cultuur en de wereld van het evangelie willen we verduidelijken door de aspecten van beide werelden tegen over elkaar te zetten.

 

Cultuur                                                       Evangelie

 

Mimese van de begeerte                Mimese buiten de begeerte

 

We onderscheiden goed en kwaad Wij weten dat dit onderscheid hypocriet is

 

Continu proces van rivaliseren         Leven zonder rivaliteit

 

Schuldigen, zondebokken, zoeken Niet op zoek naar schuldigen

 

Onvrijheid                                                   Vrijheid*

 

Zeker verloop van dingen                      Het onverwachte

 

Macht en rijkdom tellen zwaar Machteloosheid en armoe tellen alleen

 

Tegenspoed wordt verdeeld naar  We leven onbekommerd als

winst en verlies                                                                                                                                        als de leliën in het veld

 

We bannen alles uit dat ons niet       We omarmen het andere

aanstaat

 

Cultuur* en tegencultuur*                                                             Contrastcultuur, het Koninkrijk

 

Een ieder en alles is onderwerp Een ieder en alles ontmoet elkaar

en voorwerp van objectieve kennis en veranderen in en door elkaar

 

Modellen laten zien hoe de dingen Modellen laten zien wat er gebeurt

in elkaar steken. Modellen                                                     tussen mensen en tussen mensen en

bevriezen de werkelijkheid                                                                                         hun wereld

           

Op deze wijze kunnen we nog wel even doorgaan. Een ieder kan zijn eigen linker of rechter wereld uitbeelden en misschien is het wel zinvol dat te doen. Een ieder moet door zijn eigen wildernis gaan om helderheid en ruimte te krijgen.

            Door de wereld van de cultuur en de wereld van het evangelie tegen over elkaar te plaatsen zou de indruk gewekt kunnen worden dat het samen gaan met Jezus niet anders is dan een eenvoudige, mechanische beweging van de linker naar de rechter wereld. Zo lang we in de wereld van de cultuur leven, zijn we in mimese met die wereld. Gelijktijdig kan de werkelijkheid van Jezus sterker worden in onze levens. We kunnen zelfs weten dat we nooit volledig het zicht zullen verliezen op zijn werkelijkheid, omdat Hij ons kent. Vanuit dit gezichtspunt behoren wij tot het Koninkrijk. Terwijl we in de cultuur leven zullen we nooit onze ontmoeting met Jezus vergeten. We weten dat met ons gehele zijn en bestaan. We gaan voort in deze wereld terwijl we de andere realiteit met ons dragen, onze mimese altijd voorafgegaan door bewustzijn en denken. We kunnen hiervan een grafische voorstelling maken:

 


           DE WERELD VAN DE CULTUUR                        DE WERELD VAN HET EVANGELIE

 


   WIJ, IK

   REIZIGERS OP DE WEG

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


In feite zijn we burgers van twee werelden. We zijn onderdeel van de wereld aan de linker zijde: de wereld van de cultuur en de religie. Met ons hele zijn weten we dat we ook deel zijn van de wereld ter rechter zijde. Dikwijls leven we volledig in de wereld van de cultuur, ofschoon we nooit de wereld van het evangelie kunnen vergeten, de wereld die ons zo nu en dan de werkelijkheid laat zien. We beleven onze weg soms als drie stappen vooruit en vervolgens twee stappen terug. Soms kan het tegengestelde het geval zijn en ervaren we dat we drie stappen achteruit gaan en dan twee stappen vooruit. Desondanks ligt het nieuwe Jeruzalem altijd voor ons, steeds dichterbij komend.

            Hoe beïnvloeden deze twee werelden elkaar? Wat is de invloed van de wereld van het evangelie op die van de cultuur? We bewegen ons van links naar rechts en omgekeerd. Elke keer als we ons bevinden in de wereld van het evangelie verandert ons leven in de cultuur. De rivaliteit waarin we ons zelf aantreffen wordt afgesneden door de spatiale mimese die we in de vrijheid vinden. Natuurlijk komen we weer in andere rivaliserende situaties, door de temporele mimese gaan we weer richting af. Toch zijn bepaalde oude wegen afgesneden en mogen we zeggen dat ons gehele leven en onze relaties veranderd zijn.

            Hoe is dit alles mogelijk? In de linker wereld hebben we te maken met de mimese van de begeerte, de wereld van de rivaliteit. Alles wat we doen is voorspelbaar, conform de temporele mimese. Tot de dood gaan onze levens op deze wijze door. In het gezicht van de dood slagen we er uiteindelijk in onszelf te zien zoals we werkelijk zijn, misschien wel voor de eerste maal.

            Als we de wereld van het evangelie betreden worden onze ketenen als het ware verbroken en zijn we vrij van rivaliteit. We zijn in staat het onverwachte te doen, want we zijn vrij van begeerte en zien de mogelijkheden welke de wereld van het evangelie biedt. In vrijheid kunnen we steeds weer, soms zelfs onbewust, nieuwe keuzes maken. Hierna worden we nog dikwijls geconfronteerd met de wereld van de cultuur en religie, maar onze eigen wereld is blijvend veranderd en laat zich niet meer zo gemakkelijk beïnvloeden door de verslavende krachten van de oude wereld. Dit leerproces kunnen we als volgt uitbeelden:

 

 

 

 

 

 

 

                 ONVRIJHEID                                                           VRIJHEID

 

 

 

 


LEVEN IN DE CULTUUR

IN SPATIALE EN

TEMPORELE MIMESE

 

 

                     WE WORDEN AANGETROKKEN

                     DOOR HET KONINKRIJK                                                   BREUK MET ONS VERLEDEN

 

 

 

 

                     DE CULTUUR IN EEN ANDERE

                     GEDAANTE

 

 

 

 

DE RIVALITEIT IS WEER

EENS AANTREKKELIJK

 

 

 

 

 

     

 

                                                                                                                      WE VERLATEN DE CULTUUR

                                                                                                                      EN DE RELIGIE EN BETREDEN

                                                                                          HET KONINKRIJK

 

 

 

 

 

Steeds als we de vrijheid ervaren verliest de keten die ons bindt aan de oude wereld meer van zijn kracht, terwijl de vrijheid toeneemt.

            Dit alles heeft van doen met wijsheid. We zullen nooit geheel vrij zijn van het net van de mimetische begeerte en model-obstakel relaties, ook niet als we er harder tegen gaan vechten. Door het gevecht raken we juist voortdurend meer betrokken. Nogmaals, plus en min zijn hetzelfde. Zelden vinden we de wijsheid in ons eentje. We hebben elkaar nodig om de weg van vrijheid te kunnen vinden.


27 Taal

 

Echte verandering heeft gevolgen voor ons gehele bestaan. Als we van de ene cultuur overgaan naar de andere, veranderen alle cultuuraspecten. Als we van de wereld van de cultuur overstappen naar de wereld van het evangelie, waar alles voor onze begrippen op de kop is gezet, beleven we dit als een ervaring van adembenemende omvang.

            De verandering betreft ook de door ons gebezigde taal. Onze taal is gekoppeld aan de wereld van de cultuur, de wereld van de religie. Het is de taal van het zondebokmechanisme, van de wereld van oorzaak en gevolg, leidend tot het uitdrijven van de zondebok. Bij het verstrijken van de tijd wordt onze taal voortdurend meer technisch, zelfs als we het hebben over menselijke wezens. De menselijkheid zelf verdwijnt uit onze taal daar mensen object van studie zijn geworden en de natuur onderwerp van exploitatie. De mensen rondom ons zijn verworden tot objecten voor onze manipulaties. Onze lichamen worden onderwerp van manipulatie door de medische wetenschap. Onze gedachten en geest vormen de prooi van de media, terwijl de dood het laatste en zwaarst te nemen model-obstakel van onze tijd is geworden.

            We kunnen deze lijst gemakkelijk langer maken, maar dat is niet nodig. Al wat thans om ons heen geschiedt is het gevolg van onze cultuur, een proces waarin onze taal een belangrijke rol speelt. Met inzet van onze taal verdrijven we alle menselijke werkelijkheid.

            Als we de wereld van het evangelie betreden hebben we een andere taal nodig. Een taal die niet in staat is zondebokken aan te wijzen. De taal van het evangelie maakt het ons mogelijk te spreken over het geheel van de werkelijkheid en niet zoals de taal van de cultuur die slechts delen van de werkelijkheid kan beschrijven. Voor de gekunstelde mensen, die besmet zijn met de cultuur, is de taal van het evangelie onbruikbaar.

            Zoals altijd hebben we als enige mogelijkheid het volgen van Jezus, wat voorwaar geen gemakkelijke zaak is. We dienen ons bewust te zijn van alles wat we zeggen en doen.

Dit is een moeilijke taak, een constant leerproces, dat veel praktijkervaring en de over en weer hulp van anderen vereist. Het lezen van de evangeliën kan ons hierbij helpen. Hierdoor komen we in mimese met de schrijvers van de bijbel die enorm geïnspireerd waren om de juiste woorden te vinden. En als we in mimese zijn met de schrijvers maken we ons de taal van de bijbel eigen, evenals de bijbelse boodschappen en de interpretatie van de werkelijkheid zoals de bijbel die ons geeft.

            Er bestaat groot gevaar dat we bij herhaling de oorspronkelijke taal van de bijbel gaan hervertalen in de kretologie van de cultuur. In feite zullen we dat permanent doen omdat wij niet kunnen of willen begrijpen waar we mee bezig zijn.

            Als de boodschap van het evangelie en de bijbel geen richtlijn voor ons eigen leven wordt, zal het ons zeer moeilijk vallen de nieuwe weg te gaan.

            De vertaling en interpretatie van de bijbel is een zaak van grote voorzichtigheid. Een waardevolle vertaling geeft de oorspronkelijke bedoeling door en dat kan alleen als de vertaling is gemaakt in de sfeer van de nieuwe wereld, in de wereld van het evangelie en de bijbel, en niet in de sfeer van de wereld van de cultuur.


28 Twee werelden: enkele praktische gevolgen

 

Het is misschien wel nuttig dat we schetsen hoe we tegen over elkaar staan in de verschillende werelden. In de linker kolom gaat het altijd over het verliezen van de strijd, en soms over het behalen van winst, ook al zijn die processen ingenieus verstopt. Maar hoe goed we de ware aard ook trachten te verbergen, het gaat altijd over macht en vernietiging.

 

Ik luister niet echt. Ik probeer te scoren, de ander te overtuigen, vooral als de ander mij vertelt dat ik fout zit. Ik rivaliseer bij het gebruiken van woorden.

Ik luister naar de ander. Ik kan ertegen als anderen iets over mij zeggen dat ik niet graag hoor. Ik ga er van uit dat ze oprecht zijn.

Ik ben ervan overtuigd dat de ander mij iets schuldig is, en dat zal ik laten weten.

Ik ga op zoek naar mijn eigen verantwoordelijkheden en schuld.

Ik maak onderscheid tussen ‘wij’ en ‘zij’, waarbij wij aan de goede en zij aan de verkeerde kant staan.

Ik gebruik het woord ‘ik’, waarbij ik me verantwoordelijk voel voor alles wat ik zeg en doe.

Ik gebruik bezittelijke voornaamwoorden (mijn, jullie, ons) om anderen uit te sluiten.

Ik gebruik slechts bezittelijke voornaamwoorden als ook de ander meetelt.

Ik stel vragen met de bedoeling de ander onzeker te maken en hoop dat ik zo de winst kan binnen halen.

Als ik een vraag stel leg ik de achtergrond van mijn vraag uit aan de ander en stel mij zodoende kwetsbaar op.

Ik probeer de gedachten van de ander te lezen, niet echt bezig zijnd met hem, maar meer bezig mijn vooronderstellingen te toetsen, om tenslotte mijn mening over de ander tegen hem te gebruiken.

Ik luister zorgvuldig naar de ander en vertel hem over mijn onzekerheden en vooronderstellingen.

Als de ander verlegen is met bepaalde situaties maak ik hier gebruik van.

Als de ander van zijn stuk is gebracht breng ik daar respect voor op. Zo mogelijk probeer ik hem te helpen bij het achterhalen van de oorzaak van zijn ongemak.

Ik ontwijk de blikken van de ander, of ik probeer met mijn ogen zaken af te dwingen, en tracht de zwakke punten van de ander te ontdekken om daar mijn voordeel mee te doen.

Ik kijk de ander recht aan en ben niet bang mijn zwakte te tonen.

Ik heb geen tijd voor de ander, want ik ben druk met zaken die voor mij belangrijker zijn.

Ik neem de tijd en sta open voor de ander, want ik besef dat zaken waarover ik me druk maak in werkelijkheid niet zo belangrijk zijn.

Ik praat over niet-aanwezigen, geef hen de schuld van iets of gebruik hen om te scoren.

Nooit praat ik negatief over anderen als ze niet aanwezig zijn.

Ik negeer de gevoelens en indrukken van anderen als ze mij worden verteld. Ik weet het beter.

Ik respecteer de gevoelens en meningen van anderen en ga niet discussiëren over hun gevoelens en indrukken.

Zonder een vraag te stellen meen ik te weten dat de ander gelukkig zal zijn met een taak die ik hem vraag te verrichten.

Ik zal altijd vragen of de ander het prettig vindt iets wel of niet te doen.

Als de ander deel wordt van een groep is het zijn probleem of hij zijn plekje vindt.

Als de ander bij ons komt zorgen we er voor dat hij in de groep wordt opgenomen.

 

 

Ik verstop de werkelijkheid achter woorden en uitdrukkingen als ‘eenvoudig’ , ‘juist’ , ‘ na-tuurlijk’ , ‘ eerlijk’ , ‘ in het algemeen’ , ‘het staat vast’ en dergelijke.

Ik let er op of ik woorden gebruik die zaken verhullen en roep desnoods de hulp van de ander in om te achterhalen wat ik tracht te verbergen.

Mijn taalgebruik is sektarisch in de sfeer van religieus, wetenschappelijk, menselijkheid vertalend naar ideologieën, etc. zodat de ander onzeker wordt.

Ik gebruik gewone, eenvoudige woorden die zijn ontleend aan het evangelie en maak zodoende relaties met anderen mogelijk.

Ik moraliseer en vertel de ander dat het verkeerd is wat hij deed en dat hij dus fout zit. Een roddeltje op zijn tijd ga ik niet uit de weg.

Ik realiseer me dat ik, als ik moraliseer en roddel, het eigenlijk over mijzelf heb en ik denk aan het verhaal van de splinter en de boomstam.

Ik gebruik de tien geboden en de bergrede van Jezus tegen anderen, met de bedoeling hen te veroordelen.

De tien de boden en de bergrede maken het ons mogelijk vast te stellen of we ons wel of niet op de weg van vrijheid bevinden.