VU Blaise Pascal Instituut > Portal Studiekring René Girard > Online teksten
Religie
en Geweld
J.G.M. Geerts
Scriptie Moderne Filosofie Vrije Universiteit, Faculteit der Wijsbegeerte zomer 2005
INHOUD
Inleiding 5
Voorbeelden
van religie en geweld 6
Vragen
over het verband tussen religie en geweld 7
Over
René Girard 10
De methode van Girard: literatuur als bron van kennis 14
Vraagstelling
en opzet 17
Geweld
vanaf het begin - het oergebeuren 18
Mimese:
Plato en Aristoteles 19
Mimese: Girard 21
De begeerte is mimetisch 21
De
weg van de oude samenlevingen 24
Het
verschil tussen Girard en Hobbes 25
Overdenking
26
De
mythen 27
De
interpretatie van de mythen 28
De
werkelijkheid van de moord 29
Analyse
van een mythe: Het verschrikkelijke wonder van Apollonius van Tyana 31
Het
zondebokmechanisme 33
Religie
en de gemeenschap 35
Het
geloof in het sacrale 36
De
paradox van de verboden en de riten 40
Het
offer en het (slacht)offermechanisme 42
Het
offer en het rechtssysteem 44
De
transcendentie van het heilige, wettige geweld 46
Onwetendheid
inzake geweld en religie 47
Op
weg naar een doorbraak: een nieuwe vorm van religie 48
Wat vanaf het begin der tijden verborgen was 50
Bijbelse mythen en andere mythen: overeenkomsten
en verschillen 50
Jozef 52
Oedipus 54
Het
begin van schuldbesef
54
De psalmen en de profeten 55
Voortschrijdende ontwikkeling 55
"De boosaardigheid van de God van Israël 55
De zondebok en de Profeten 55
De
voortgaande ondermijning van de primitieve religie
58
C.
Het boek Job en het
zondebokmechanisme 59
Het eensgezinde geweld 59
Het eensgezinde geweld en het heilige 60
God als verdediger 61
De
Openbaringskracht van het Geleefde Boek 63
De
openbaring van de funderende moord in de evangeliën 66
De
beschuldigingen tegen de Farizeeën 67
De
moord op Stefanus 69
Kruisiging
en offer 71
Hetzelfde
drama 72
Twee
teksten uit het lijdensverhaal 73
De
parabel van de misdadige wijnbouwers en de verkondiging van het Koninkrijk Gods
75
De
consequentie: geweldloosheid 77
Het
historische christendom 77
Geraadpleegde
literatuur 81
In
het bovenstaande wordt als uitgangspunt genomen dat in religie de mensen op een
hoogtepunt staan. Er moet echter aan toegevoegd worden kunnen
staan, want meteen dient zich een groot dilemma aan. De mogelijkheid van het
bereiken van een hoogtepunt houdt ook het risico in dat mensen op het hoogtepunt
hun evenwicht verliezen en in het tegendeel verkeren, zoals de hoogste liefde
kan verkeren in haat. Ook voor religie geldt het algemeen menselijke gegeven dat
de ervaring van datgene wat ons gelukkig maakt, datgene wat ons om niet
toevalt (uit genade, zegt men in de religie), kan omslaan in de ervaring van de
angst voor het verlies ervan. En die ervaring van angst kan dan de bron van
emoties van haat en afschuw gaan vormen en gepaard gaan met geweld. Het kan ook
gebeuren dat de overtuiging van het eigen inzicht tot het fanatisme van het
eigen gelijk leidt. Dit fanatisme kan zo blikverengend werken dat het voert tot
onverdraagzaamheid en fundamentalisme, dat niet schuwt om geweld te gebruiken,
geestelijk of fysiek. Op de achtergrond speelt dan wat René Girard, de denker
die in deze scriptie centraal zal staan, bedoelt met offercrisis:
om een of andere reden zijn er in een gemeenschap maatschappelijke chaos en
frustraties ontstaan, die geïnterpreteerd worden met een religieuze lading; ter
oplossing ervan zoekt men vervolgens niet naar de oorzaak van de
maatschappelijke problemen maar is men er op uit een schuldige aan te wijzen die
met religieus fanatisme uitgeschakeld moet worden.
De
geschiedenis van de religie overziende kan men diep ontroerd en gesticht zijn
door hoogstaande religieuze uitingen
maar ook diep beschaamd om mensonterende gebeurtenissen. Met religieuze motieven
zijn er de verschrikkelijkste dingen gebeurd en deze gebeuren nu nog. Uitgaande
van mijn opvatting over religie is dit een groot probleem. Hoe kan religie
mensen tot geweld ten opzichte van elkaar brengen?
Een
van de vruchten van mijn filosofiestudie is dat ik de hypothese/theorie van René
Girard heb leren kennen. Girard heeft een heel eigen visie op religie, op de
oorsprong en de betekenis ervan in de samenleving. Religie speelt volgens hem
een grote rol in het groeiproces van de menselijke samenleving
en centraal daarin staat het brengen van offers die een gewelddadig
karakter of oorsprong hebben, verband houdend met het zogenaamde
zondebokmechanisme. Girard laat zien dat er een ontwikkeling in de geschiedenis
heeft plaatsgevonden die geleid heeft tot het christendom, dat wil breken met
dit gewelddadig offerkarakter van religie. Het is duidelijk dat hij hiermee een
andere visie op het offer heeft dan het historische gangbare christendom, want
dat cultiveert de offergedachte nog steeds. Hij heeft, in zijn bewoording, het welbegrepen christendom op het oog, dat het resultaat is van een
langzaam doorsijpelend inzicht en van een voortdurende worsteling met een nieuw
ethisch besef en een nieuw beeld van het heilige en het goddelijke. Als
conclusie van zijn analyse van de oorsprong en de rol van religie in de
ontwikkeling van de menselijke samenleving stelt hij bij gevolg dat het
christendom geen religie is. In zijn visie is het christendom juist de ontmaskering
van religie. Religie is immers de cultivering van het zondebokmechanisme,
waarmee het christendom nu juist wil breken. Het inzien hiervan leidt tot het welbegrepen christendom.
In
het vervolg van deze scriptie wil ik nagaan hoe dit proces verloopt.
Maar voor ik daarmee een begin kan maken,
wil ik eerst een beeld geven van het probleem van religie en geweld.
Voorbeelden van religie en geweld
In
de maand maart van 2004 is in Irak een grote aanslag gepleegd in de heilige stad
Karbala, tijdens een godsdienstige viering. Er
waren meer dan 100 doden. Deze aanslag is terug te voeren op de strijd
tussen twee rivaliserende richtingen in de Islam, de Sjiieten en de Soennieten.
Op 2 november 2004 werd Theo van Gogh vermoord. Dit gebeurde met een religieuze
motivering. Deze recente feiten voeren tot de beschamende conclusie dat er
dodelijk geweld gebruikt wordt op religieuze gronden en om religieuze redenen.
Godsdienst is reden tot dodelijk geweld tegen elkaar. Dit gebeurt ondanks het
feit dat godsdienst de pretentie heeft vrede te brengen onder de mensen, waarbij
overigens moet worden opgemerkt dat vrede zich niet voor iedereen op dezelfde
wijze verhoudt tot geweld:
voor de een betekent vrede de vrede van verzoening, voor de ander de pax romana/americana, vrede gesticht door geweld.
In de geschiedenis zijn veel voorbeelden van de combinatie van religie en geweld aan te wijzen. Bij de koloniale verovering van Zuid-Amerika meenden de Spanjaarden en de Portugezen onmenselijke religieuze praktijken te constateren bij de lokale bevolking. Zij meenden die praktijken te moeten bestrijden door hun koloniale veroveringen gepaard te doen gaan met gedwongen christianisering. Zij wilden de plaatselijke religies zelfs geheel uitroeien en deden dat met grof geweld. Zij doodden daarbij de onwilligen. Tijdens dictaturen in katholieke landen zijn bisschoppen bereid geweest om de instrumenten van het geweld, tanks en wapens, plechtig te zegenen. In Noord Ierland worden, op dit ogenblik nog, de van haat doortrokken etnische tegenstellingen onder een religieuze vlag met geweld uitgevochten. In het voormalige Joegoslavië is de strijd tussen de bevolkingsgroepen een strijd op leven en dood tussen twee religies, het christendom en de islam, die geleid heeft tot massaslachtingen. In de geschiedenis van Europa zijn heksen en ketters om religieuze redenen op de brandstapel gezet. De haat tegen de Joden heeft geleid tot de pogroms, die religieus werden gerechtvaardigd. In sommige islamitische landen wordt het geweld tegen vrouwen in de vorm van de vrouwenbesnijdenis als een religieus voorschrift beschouwd. Tegen Salman Rushdie werd de doodstraf uitgesproken omdat hij de islam had beledigd; gelovige moslims die hem zouden doden, zouden een Allah welgevallige daad verrichten.
Verwant
hieraan was het vervolgen van kritische mensen binnen de christelijke kerk, door
lieden die met alle middelen de eenheid wilden bewaren. Door de vrijzinnigen
schuldig te verklaren en uit te sluiten wilde men de eenheid weer herstellen; de
brandstapel werd daarbij niet geschuwd. Bij een aantal fundamentalistische
groeperingen heerst de overtuiging dat de wereld eerst vernietigd moet worden om
terug te kunnen keren naar het paradijselijk oerbegin of op te kunnen stijgen
naar een gereinigde nieuwe wereld:
vernietiging als voorwaarde voor vernieuwing. Er zijn christelijke naties, met
de huidige grootste natie voorop, die dood en geweld aanrichten tegen een ander
volk, daarbij God aan hun kant claimen en Hem vragen om een zegen voor henzelf,
terwijl dat andere volk zich in zijn religieuze overtuiging aangetast voelt en
zich op zijn manier onder de banier van God plaatst. Geweld tegen geweld, door
beide partijen religieus goedgepraat. In
de Paasdagen van 2004 werd de film The passion of the Christ in roulatie
gebracht. In deze film wordt de suggestie gewekt dat het vertonen van geweld
mensen tot religieuze gevoelens kan bewegen. Dat bedoelt de maker van de film
althans te bereiken.
Vragen over het verband tussen
religie en geweld
Uit
de bovengenoemde voorbeelden rijst het beeld op van religie als leidend tot
geweld. De
vermenging
van religie en geweld werkt verwarrend en zet mensen op het verkeerde been,
hetgeen in de dagen van het uitbrengen van de film The passion of the Christ
tot uiting kwam in een column
van Ephimenco: Waar zit de boodschap van liefde in de ontreddering van een
man van vlees en bloed die zijn angst en pijn uitschreeuwt? En dan: Al
tweeduizend jaar vergist het christendom zich in de symboliek van Jezus. Het
privilegieert de verkeerde momenten en heeft het martelwerktuig tot embleem
gemaakt.
Behalve
dat al dit geweld in religieus verband een mens in verwarring brengt, roept de
opsomming in de voorbeelden veel vragen op. Is er verband tussen religie en
geweld en wat is dat verband? Leidt religie tot geweld of wil religie het geweld
bestrijden? En wat moeten we denken van hetgeen anderen over de geheel andere
kant van religie naar voren brengen, namelijk religie als een weg naar vrede en
verzoening? Religie zou het hoogste en edelste in de mens naar boven brengen, en
ertoe aanzetten de weg van de liefde te gaan. Of is dit niet het geval? In de
vermelde voorbeelden wordt dit beeld in ieder geval niet opgeroepen. Want wat
moeten we denken van religieuze leiders die hun gelovigen aanmoedigen om met
geweld de wereld te veroveren onder de enig ware religieuze vlag?
Het lijkt erop dat in dit laatste geval religie misbruikt wordt in een
politieke machtsstrijd en dat in het geval van de genoemde feiten aan etnische
conflicten onterecht een religieuze lading gegeven wordt. Wij zijn geneigd te
zeggen dat dit tegen de aard van religie is.
En
toch kunnen we er niet omheen dat er verband is tussen religie en geweld. Het
lijkt er zelfs op dat het ene uit het andere voortkomt. Deze zienswijze is niet
nieuw; ze heeft reeds velen geïntrigeerd.
Ludwig Feuerbach vond in de jaren veertig van de negentiende eeuw al dat het
geloof op een kwaadaardig principe berust.[1]
Feuerbach wees erop dat haat jegens niet-gelovigen (en daar horen ook diegenen
bij die een ánder geloof aanhangen) hoort bij het wezen van alle religieus
geloof. Wie gelooft zou de overtuiging hebben dat God aan de eigen kant staat en
(dus) niet aan die van diegenen van een andere geloofsrichting. Nietzsche zou
later in diezelfde eeuw nog verder gaan. Volgens hem liggen haat en ressentiment
ten grondslag aan de liefde die in de christelijke religie gepredikt wordt.
We
blijven geconfronteerd worden met de vraag hoe het mogelijk is dat religie
verbonden wordt met hetgeen er tegengesteld aan is, minstens ogenschijnlijk. In
de hierboven beschreven voorbeelden lijkt het erop dat religie niet tot vrede en
tot hooggestemde gevoelens leidt, maar dat de richting tegengesteld is, leidend
naar geweld. Hoe moeten we deze voorbeelden begrijpen?
Dankzij
Dr. André Lascaris O.P. ben ik tot het inzicht gekomen dat het beeld dat uit de
voorbeelden oprijst genuanceerd moet worden. Bij het nuanceren van het beeld
moeten in elk geval de volgende overwegingen en vragen in de beschouwingen
worden betrokken. Het is een vaststaand gegeven dat alle grote religies het
geweld willen beperken of reguleren. Als dan toch onder de vlag van religie
geweld gepleegd wordt, dienen we ons af te vragen
of de optiek dat
religie tot geweld leidt wellicht te ongenuanceerd is. Is het wel waar
dat religie de oorzaak is van het geweld tegen elkaar? Hoe zou het zijn als
religie echt de oorzaak van geweld zou zijn? Kan het niet zo zijn dat religie
als dekmantel wordt gebruikt? Is er misschien ergens al geweld en wordt dit
gerechtvaardigd door middel van religieuze slogans? Wordt wellicht religie
misbruikt in een politieke machtsstrijd? Wordt bij voorbeeld in Noord Ierland
aan de etnische conflicten onterecht een religieuze lading gegeven? Gaat het
hier om religie of om identiteit? Deze vraag moeten we onszelf ook stellen
inzake het zogenaamde religieuze geweld dat de gemoederen in ons land op dit
ogenblik hevig in beroering brengt. Het gaat om de vraag of het geloof van
mensen tot bepaalde opvattingen en daden leidt óf dat mensen bepaalde opvattingen hebben en doeleinden stellen en dat
zij die godsdienstig legitimeren. Te gemakkelijk wordt er een rechtlijnig
verband gelegd tussen religieuze overtuigingen enerzijds en bepaalde opvattingen
en gedragingen anderzijds. We weten echter dat het aanhangen van een bepaalde
godsdienstige overtuiging tot zeer verschillende opvattingen en gedragingen kan
leiden. Er zijn zowel christen-pacifisten als christen-militaristen en beide
groeperingen motiveren hun opvattingen vanuit hun christelijk geloof.
Er
is geen regelrechte en exclusieve relatie tussen een bepaald godsdienstig
systeem en bepaalde opvattingen en gedragingen. Men kan mijns inziens dan ook
niet een rechtstreekse relatie leggen tussen islam en geweld. Als er dan toch
geweld plaats vindt moeten er andere voedingsbronnen gezocht worden. Wellicht
zijn het sociale en culturele bronnen. En als dat zo blijkt te zijn, dan speelt
vervolgens godsdienst wel degelijk een rol. Religie geeft immers meer gewicht
aan iets. Als iets met religie
omkleed wordt, krijgt het een zwaarder betekenis. Als iemand iets of iemand
boven zich erkent die ook boven en buiten de wereld staat dan is het
verleidelijk om het eigen gedrag te funderen en te legitimeren met dat hogere
gezag, in de zin van als ik God aan mijn kant kan trekken dan is de ander
fout. Iedereen keurt geweld af en als het toch gebeurt dan heeft men de
behoefte om het te bedekken. Door het een religieus kleed te geven acht men
geweld gerechtvaardigd en heeft men het bedekt of heeft men het een ander
gezicht gegeven. Het geweld wordt bedekt met religie.
René
Girard heeft zich zeer intensief verdiept in de vraag naar het geweld in de
samenleving: waar het vandaan komt en waartoe het leidt. Voordat ik zijn analyse
zal volgen wil ik nu eerst de levensloop van Girard schetsen. Daarbij komen
enkele van de hoofdgedachten van Girard, die ik in latere hoofdstukken preciezer
zal bekijken, alvast schetsmatig aan de orde. De beschrijving van Girards
levensloop en de schets van zijn gedachten mogen dienen als een kader voor de
komende hoofdstukken.
Over René Girard
Deze
scriptie, een afstudeerscriptie in de wijsbegeerte, doet veronderstellen dat René
Girard filosoof is. Dit is slechts ten dele het geval.
Het is moeilijk om Girard te karakteriseren naar de discipline die hij
beoefent, want hij beoefent veel disciplines. Hij is opgeleid als historicus
maar hij is niet bij zijn historische leest gebleven. Zijn eigenlijke vakgebied
is literatuurwetenschap geworden, en van daaruit heeft hij zich op veel andere
vakgebieden begeven: antropologie,
theologie, filosofie, psychologie en sociologie. En hij doet dit niet zonder
pretenties. Hij meent dat zijn theorieën een rode draad zijn door en voor deze
vakgebieden.
In
de kern zijn deze theorieën simpel, maar in de uitwerking kunnen zij zeer
gecompliceerd zijn. Op welk wetenschapsgebied hij ook opereert, de kern van zijn
bemoeienissen wordt gevormd door de explicatie van zijn twee samenhangende
theorieën, die van de mimese en die van de zondebok. Dit levert vaak verrassend
nieuwe inzichten op, maar leidt er ook toe dat sommige professionele beoefenaren
van de betreffende vakwetenschappen in het harnas gejaagd worden.
René
Noël Girard is geboren op 25 december 1923 in Avignon. Daar verwerft hij het
baccalaureaat in de filosofie in 1941. Daarna gaat hij in Parijs paleografie en
middeleeuwse geschiedenis studeren aan de École Nationale des Chartes, een
afdeling van de Sorbonne. Hij promoveert in 1947 op een proefschrift over het
leven in Avignon in de vijftiende eeuw. In datzelfde jaar verhuist hij naar de
Verenigde Staten waar hij tot op heden woont. Tegelijk zal hij verbonden blijven
met Frankrijk en met Avignon. Bijna al zijn boeken schrijft hij in het Frans en
in 1962 wordt hij professor van het Institut dEtudes Françaises dAvignon.
In
de Verenigde Staten studeert hij eerst letterkunde. Daarna start hij als leraar
Frans aan de Indiana University in Bloomington. Ondertussen werkt hij aan zijn
tweede dissertatie American Opinion of France 1940-1943. In 1951 trouwt hij met de Amerikaanse
Martha V. McCullough. Zij krijgen drie kinderen.
Van
1952 tot 1957 doceert hij Franse taal- en letterkunde aan twee andere
universiteiten. In deze periode begint hij te publiceren over literaire
onderwerpen. Het is allemaal voorbereidend werk. Zijn latere inzichten zijn er
nog nauwelijks in te vinden. In 1957 wordt Girard Associate Professor en in 1961
Professor aan Johns Hopkins University in Baltimore. Hij begint bekendheid te
verwerven en wordt gevraagd voor cursussen en colleges.
In
1961 verschijnt Mensonge romantique et vérité
romanesque. In dit boek stelt
Girard voor de eerste keer de mimetische begeerte aan de orde. De mens begeert
iets omdat een ander het eerder begeerde of omdat hij het al bezit. De mening
dat wij autonoom zijn in ons begeren en dat wij dus onafhankelijk van anderen
iets begeren is een romantische illusie, een romantische leugen. Daartegenover
staat de romaneske waarheid en deze waarheid bestaat hierin dat iedere
menselijke begeerte nabootsend van aard is, dat zij altijd bemiddeld tot
stand komt namelijk door de begeerte van een ander. De mens begeert zelfs te zijn
zoals zijn model. Dat betekent echter ook vaak dat de ander tegelijkertijd een
obstakel is. Daardoor ontstaan afgunst en rivaliteit. Hiermee werpt Girard een
verrassend licht op de verborgen motieven van het menselijk gedrag. Met dit
gegeven legt Girard het fundament waarop hij sindsdien heeft voortgebouwd.
Aanvankelijk
kreeg Mensonge weinig
aandacht. De Amerikaanse vertaling
verscheen pas in 1966, de Nederlandse vertaling in 1986, De
romantische leugen en de romaneske waarheid.
In 1963 verschijnt Dostoievski:
du double à lunité. Ook
dit boek kreeg weinig aandacht. De erkenning komt op gang in de loop van de
jaren zestig.
In
1968 wordt Girard professor aan de State University of New York in Buffalo. Hij
blijft daar tot 1976. Hij schrijft artikelen en werkt vooral mee aan publicaties
over literatuur. In
1972 komt La
violence et le Sacré
uit. In deze
studie onderzoekt Girard de fundamenten van de menselijke cultuur. Hij begeeft
zich daarbij op het gebied van verschillende wetenschappelijke disciplines
(psychologie, godsdienstwetenschappen, antropologie, etnologie, literaire
kritiek). Vooral de rol van het religieuze wordt radicaal in een nieuwe daglicht
geplaatst; Girard toont in dit boek namelijk aan dat de relatie tussen het
geweld en de religie van meet af aan het samenleven van de mensen heeft bepaald.
De Nederlandse vertaling van het boek heeft als titel gekregen God en Geweld (1993),
waarmee mijns inziens de oorspronkelijke Franse titel niet voldoende recht wordt
gedaan; met het woord God wordt iets
anders opgeroepen dan met le Sacré; ook
is de volgorde van de twee woorden in de titel omgekeerd, terwijl deze
veelzeggend is bij Girard, eerst was er immers het geweld en daarna en van
daaruit kwam het sacrale.
De
reacties op La violence et le Sacré waren
niet onverdeeld gunstig. Zoals hij met Mensonge
het verbruid had bij de psycho-analytici zo heeft hij het nu met La
Violence verbruid bij de structuralisten; Levy-Strauss heeft zijn boeken
niet willen lezen. Ondertussen blijft het moeilijk in Frankrijk een plaats te
veroveren, terwijl dat wel lukt in de Verenigde Staten. Hij wordt daar uitgever
en redacteur van tijdschriften en werkt mee aan verschillende publicaties. In
1967 gaat hij terug naar de Johns Hopkins University in Baltimore en daar
ontstaat het boek dat hem ook in Frankrijk tot het gesprek van de dag zal maken,
Des choses cachées depuis la
fondation du monde (1978), dat in het Nederlands Wat vanaf het begin der tijden verborgen
was (1990) als titel meekrijgt. Dit boek wordt gezien als het magnum
opus van René Girard. Dit cultuurkritische meesterwerk bestaat uit drie
delen: I. Fundamentele antropologie, II. De Joods-Christelijke geschriften, III.
Interdividuele psychologie. Het boek
is geschreven als een samenspraak met de psychiaters Jean-Michel Oughourlian en
Guy Lefort. In het eerste deel wordt een antropologie van de religie ontworpen
wat, naar ik meen, nog niet eerder gebeurd is. Wat het boek in zijn geheel
betreft komen de deelonderwerpen
waarover Girard al eerder gepubliceerd had in één totaalvisie bijeen, alle
kernproblemen van de sociale geschiedenis:
het mimetisch karakter van alle menselijke begeerte, het ontstaan van conflict
en geweld, het funderende zondebokmechanisme. Het is een briljante en radicale
kritiek op verschillende visies die in antropologie, godsdienst en psychoanalyse
nog altijd gangbaar zijn. Het raakt de kern van enkele van de meest zorgwekkende
sociale vraagstukken, ook in onze huidige samenleving:
de paradox dat geweld sociaal effectief zou zijn, de functie van de zondebok,
het ogenschijnlijk onstuitbare mechanisme van discriminatie en
vreemdelingenhaat.
Veel
van de inhoud van dit boek was al aangekondigd in tijdschriftartikelen, met name
het gedeelte over de bijbel. Voor Girard is de Schrift een zeer belangrijke
toegang geworden tot het verstaan van het gedrag tussen mensen. In een lezing in
Genève in 1975 was al duidelijk geworden hoezeer Girard op weg was naar het
evangelie. Als Rooms-Katholiek geboren was hij later een aanhanger van Nietzsche
geworden. Zijn studie bracht hem naar het Evangelie en terug naar het
christendom, dat wil zeggen het christendom dat trouw is aan het Evangelie, het
welbegrepen christendom.
In
1981 gaat Girard naar Stanford University. Hij
wordt daar Andrew B. Hammond Professor of French Language, Literature and
Civilisation. Hij gaat daar wonen, met
zijn gezin, en woont daar nu nog. In
1982 verschijnt
Le bouc émissaire (Nederlandse
vertaling De Zondebok (1986)).
In dit boek maakt hij duidelijk hoe hij de methode die gebruikt wordt voor de
interpretatie van historische bronnen, ook toepast op de mythen. Bij de exegese
van Nieuwtestamentische pericopen in het tweede deel van het boek toont hij aan
hoezeer de teksten doorzichtiger worden als het grondelement van alle menselijke
omgang, de mimese, bij de uitleg betrokken wordt.
In
1983 wordt een tiendaags Colloque de Cerisy gehouden met als thema het
werk van Girard. Er vindt een kritische evaluatie plaats en de deelnemers
presenteren er hun eigen toepassingen op een breed terrein. In 1985 verschijnt La
route antique des hommes pervers
(Nederlandse uitgave De aloude weg der
boosdoeners 1987). In dit boek zet hij nogmaals de kernvragen van zijn
onderzoek uiteen, aan de hand van het Bijbelboek Job.
Volgens Girard is het thema van het boek Job
de behandeling van de vraag of Job de zondebok van zijn gemeenschap is en
daardoor aangewezen is om de verstoorde harmonie te herstellen door middel van
zijn uitdrijving. De vrienden, die de gemeenschap vertegenwoordigen, proberen
Job ertoe te brengen te erkennen dat
hij inderdaad slecht is, dat hij terecht door allen veracht wordt. Job verzet
zich daartegen met zijn nog gebrekkig inzicht en zijn twijfel, maar hij brengt
daardoor wel het gewelddadig mechanisme van de heersende cultuur aan het licht.
Naar mijn opvatting zijn dit boek en De
Zondebok de meest leesbare en
toegankelijke boeken van Girard.
Intussen
wordt Girard gevraagd voor lezingen en schrijft hij veel artikelen, waarin met
name Shakespeare steeds vaker aan de orde komt. Dit resulteert in het boek Shakespeare:
les feux de lenvie (1990). In Nederland wordt dit boek uitgebracht met de
titel Shakespeare: het schouwspel
van de afgunst (1995). In dit werk ontleedt Girard een aantal toneelstukken
van Shakespeare en laat zien dat daarin de mimetische begeerte een grote rol
speelt. Nabootsing blijkt mensen bijeen te brengen maar om het minste kan de
nabootsing ook tot conflicten leiden. Vriendschappen tussen mensen met dezelfde
verlangens zijn onwankelbaar zolang dat wat verlangd wordt ook met elkaar
gedeeld kan worden. Zodra het delen niet meer mogelijk is, slaat de vriendschap
om in haat en vijandschap. Shakespeare heeft zijn eigen woordenschat om dit uit
te drukken en zijn belangrijkste woord is afgunst,
vaak in uitdrukkingen zoals afgunstige
begeerte en afgunstige wedijver.
Als een man de geliefde van zijn vriend begeert (hij begeert haar immers omdat
zijn vriend haar begeert) spreekt Shakespeare over
liefde met de ogen van een ander en liefde van horen zeggen. Een
object is begerenswaardig omdat iemand anders er een geprivilegieerde
relatie mee heeft. En dat object hoeft niet iets van grote allure te zijn
om tot conflicten te leiden. Vanuit rationalistische kringen is in Engeland
kritiek op Shakespeare geleverd vanwege het feit dat hij zijn tragische
conflicten construeert rond onbelangrijke futiliteiten of zelfs volstrekt niets.
Girard zegt daarover in Wat vanaf het
begin . . . dat deze kritiek iets inferieurs zag in wat nu juist zijn
superioriteit uitmaakt. Volgens Girard treft men bij Cervantes (Don Quichotte) en Shakespeare een intuïtie aan, die alleen in de
literatuur bestaat en haar tevens verdacht maakt, de intuïtie die - op komische
wijze - de aandacht vestigt op de
vruchteloosheid van onze conflicten (Girard 1990: p. 27).
Keren
we terug naar de levensloop van Girard, meer in het bijzonder naar de
verspreiding van zijn gedachtegoed. In 1990 werd besloten een onderzoeksgroep op
te richten. Op de stichtingsvergadering in Stanford University kreeg deze
onderzoeksgroep de naam Colloquium on Violence and Religion (COV&R) en als doel het
exploreren, bekritiseren en ontwikkelen van het mimetisch model van de
verhouding tussen geweld en religie in het ontstaan en behoud van de cultuur.
Het colloquium wordt jaarlijks gehouden, afwisselend in de Verenigde
Staten en Europa. Een tweejaarlijks bulletin, The
Bulletin of the Colloquium on Violence
and religion, zorgt voor het bijhouden van de bibliografie van literatuur
over de mimetische theorie. Sinds 1994 verschijnt er ook jaarlijks een
tijdschrift Contagion: Journal of Violence,
Mimesis and Culture, waarin
onder meer de belangrijkste lezingen van het voorbije colloquium worden
gepubliceerd.
In
1999 publiceert Girard Je vois Satan tomber comme léclair,
in Nederlandse vertaling Ik zie
Satan vallen als een bliksem (2000).
Hierin maakt hij opnieuw de uniciteit van het christendom duidelijk
in vergelijking met de mythische religies. Zelf zegt hij hierover: In plaats
van voor immer uit de mode en passé te zijn, zou de godsdienst van het Kruis,
in haar totaliteit, wel eens die kostbare parel kunnen zijn waarvan het
verwerven meer dan ooit het offer van al wat wij bezitten rechtvaardigt.
In 2001 worden enkele essays van Girard gebundeld onder de titel Celui par qui le scandale arrive.
Wat
betreft de bekendheid van Girard in Nederland zij het volgende gezegd.
In het najaar van 1980 komt het eerste contact met Nederland tot stand. Hij
houdt hier voordrachten. Op 21 oktober 1985 wordt hij ere-doctor van de Vrije
Universiteit in Amsterdam. In mei 1995 ontvangt hij het ere-doctoraat van de
Universiteit van Antwerpen. Uit deze gebeurtenissen blijkt dat Girards denken
ook in het Nederlandse taalgebied weerklank vindt. Er is inmiddels een aantal
boeken over Girard verschenen, kritisch, evaluerend en zijn theorieën
doortrekkend naar andere terreinen. Onder auspiciën van het Blaise Pascal
Instituut is er een Girard-studiekring onder leiding van de al eerder genoemde
Girard-deskundige André Lascaris. En, tot slot,
Hans Achterhuis heeft zich in zijn invloedrijke boek Het rijk van de schaarste voor
een belangrijk deel gebaseerd op de theorieën van René Girard.
Al
bijeen kan René Girard getypeerd worden als een van meest markante en
uitdagende christelijke denkers van de twintigste eeuw.
De methode van Girard: literatuur als
bron van kennis
Zoals
hierboven reeds vermeld, is het eigenlijke vakgebied van Girard de letterkunde.
Vanwege zijn grote interesse in het menselijk gedrag beweegt hij zich vanuit de
letterkunde op velerlei gebied. Dit houdt in dat hij zijn theorieën over het
menselijk gedrag niet ontleent aan ter zake doend cultureel-antropologisch
materiaal of andere specialistische
studies. Hij heeft ook niet een (filosofische) theorie geconstrueerd of bedacht
waarmee hij vervolgens de werkelijkheid wil verklaren. Zijn grondgedachte heeft
hij opgediept uit het lezen van teksten. Voor hem ligt de sleutel tot het
verstaan van menselijk gedrag verborgen tussen de bladzijden van de grote
romanliteratuur, in de teksten uit de Griekse oudheid en in de religieuze
teksten van de joodse en christelijke traditie. Deze hebben hem op het spoor van
zijn hypothesen gebracht.
Girard
betoogt dat in teksten (van mythen, bijbel en romans) de diepste overtuigingen
en bevindingen van de mensen over de werkelijkheid tot uiting komen. Die
overtuigingen en bevindingen door de eeuwen heen kunnen niet onwaar zijn;
daarvoor zijn zij te diep in de mensen verankerd. Het betreft hier niet één
overtuiging van één mens op één moment in één geval, maar een lijn die in
de loop van de tijd zichtbaar wordt. Deze teksten moeten geïnterpreteerd
worden. Het interpreteren van teksten is meer en vraagt meer dan waartoe de rede
met argumenten en bewijzen in staat is. Ik zeg dit in verband met de kritiek op
Girard dat zijn funderende hypothese over de mimesis en het zondebokmechanisme
niet onomstotelijk te bewijzen is. Overigens pretendeert Girard niet een
filosoof te zijn die zuiver rationeel te werk gaat. Hij pretendeert niet met een
uitgedacht systeem de werkelijkheid te kunnen vangen. Hij is door het
lezen van teksten tot de bevinding van zijn hypothese gekomen en ziet deze
bevinding in het doorvorsen van teksten steeds meer bewaarheid worden. Er blijkt
voor hem geen andere zienswijze meer mogelijk te zijn.
Dat
het mogelijk is om op een dergelijke manier een overtuiging te verwerven en tot
inzicht te komen, heeft ook Theo de Boer mij laten zien. In een toespraak over
de rede, gehouden voor de Rotary Minerva in Amsterdam en gepubliceerd in
Roodkoper lente 2004, knoopt hij aan bij een tekst van Blaise Pascal die als het
mémorial bekend staat. Dit is de tekst die na zijn overlijden gevonden
werd, ingenaaid in zijn kleding, en die begint met de woorden VUUR. God van
Abraham, God van Izaäk, God van Jacob, niet van filosofen en geleerden.
Zekerheid. Zekerheid. Gevoel. Vreugde. Vrede. God van Jezus Christus. Theo de
Boer zegt naar aanleiding hiervan dat het vragen naar oorzaken niet altijd
zinvol is. Er is ook nog een andere manier van overtuigd raken:
De tekst van het memoriaal is een keerpunt. Pascal probeert niet
betere argumenten te vinden in het
kader van de filosofische rede, maar schakelt over naar een andere register.
Tegenwoordig zou men zeggen: hij introduceert een ander vocabulaire. In
de eerste plaats blijkt dit uit de aansluiting bij een historische traditie;
iets wat taboe was bij de verlichte filosofen. Abraham, Isaäk, Jacob en Jezus
zijn geen denkers maar getuigen. En dat is een heel andere stiel, zoals pater Van Breda,
een van mijn Leuvense leermeesters, eens opmerkte.
(Roodkoper p. 51).
Ik
meen dat Girard, als hij teksten
navorst en interpreteert, getuigen aan
het woord ziet. Die overtuigen hem meer dan speculatieve argumenten van de
filosofische rede. Ik ben geneigd om mij aan te sluiten bij het vergezicht dat
René Girard hiermee opent.
In
zijn eerste boek, De romantische leugen en de romaneske waarheid, leest Girard enkele
grote romans als getuigenissen van de leugen
en de waarheid in het samenleven van de mensen. In deze literaire studie
vond hij zowel zijn methode als de inhoud van zijn theorie. Door het lezen van
deze romans vond hij een nieuwe
sleutel tot het verstaan van het gedrag van mensen ten opzichte van elkaar en
dat betekent een nieuwe sleutel tot het verstaan van onze cultuur.
Kort
samengevat maar er is nog alle gelegenheid om dit nader uit te diepen
komt zijn theorie op het volgende neer: Het grondwoord van de menselijke
verhouding is mimese. Mensen doen elkaar na. Mimese heeft echter niet alleen
gunstige maar ook ongunstige gevolgen, zij leidt tot rivaliteit. In de
romantische romans worden mensen voorgesteld als zelfstandige en autonome
wezens, die geheel vanuit zichzelf denken
en leven, los van anderen. In tegenstellingen en conflicten zouden mensen dan
onafhankelijk tegenover elkaar staan. Girard ontdekt dat dit een leugen is en
noemt dit de romantische leugen. Hiertegenover ontdekt Girard in een aantal
romans de romaneske waarheid, waarbij
hij het woord romanesk een nieuwe betekenis geeft.
In de werkelijkheid is het immers zo dat mensen onderling afhankelijk
zijn, juist in hun rivaliteiten. Bij wezenlijke conflicten gaat het ten diepste
niet meer over het bezit van materiële of immateriële zaken. Het gaat veeleer,
tenslotte, om het zijn zelf. Ons zijn bouwen we op in het mimetisch samen-zijn
met anderen. Wij ontlenen óns zijn, aspecten van óns zijn, aan hún zijn. We
rivaliseren met anderen om hún zijn, om het hun te ontnemen en onszelf toe te
eigenen. Freud werkte dat op zijn manier uit door te wijzen op de ambivalentie
van de identificatie: je wilt geheel die ander zijn, en tegelijk wil je die
ander vernietigen. Girard noemt deze begeerte naar het zijn, naar het vullen
van je persoon-zijn, de metafysische begeerte. Niemand ontkomt aan die
begeerte, de begeerte tenslotte naar het oneindige, het goddelijke zijn. Vandaar
dat hij een uitspraak van Scheler tot motto van zijn boek neemt: De mens
heeft of een God of een afgod.
De
reden waarom Girard zich op teksten baseert is dus zijn bevinding dat in de
echte literatuur de diepere werkelijkheid van het menselijk gedrag en de cultuur
beter aan de orde komen dan dit in vakwetenschappen mogelijk is. Dit geldt
volgens Girard ook voor de filosofie. Hij meent dat de filosofie de literatuur
nodig heeft. In deze opvatting staat hij inmiddels niet meer alleen. Met name
Martha Nussbaum pleit voor het samengaan van filosofie en literatuur, en zij
praktiseert dit frequent in haar filosofisch werk. Volgens haar eigen getuigenis
is de relatie met het literaire werk voor haar onmisbaar.[2]
In
het voorafgaande is de vraagstelling van mijn scriptie impliciet al genoemd.
Laat me die vraagstelling nu expliciet naar voren brengen: Hoe kan religie
mensen tot geweld ten opzichte van elkaar brengen? En hoe kan aan dat geweld een
einde worden gemaakt? Voor mijn beantwoording van deze vragen ga ik te rade bij
Girard. Een eerste verkenning van zijn gedachtegoed heeft zich in deze inleiding
al voltrokken. Girard ziet religie als de cultivering van het
zondebokmechanisme. De gewelddadige kanten van religie hebben met dit mechanisme
van doen. Het christendom, en wel het welbegrepen christendom, breekt met dit mechanisme en bewerkstelligt
in die zin een ontmaskering van religie.
Het
is de inzet van mijn scriptie om zorgvuldig na te gaan hoe dit proces verloopt.
In het eerste hoofdstuk zal ik nagaan hoe Girard spreekt over geweld, in het
tweede volg ik zijn analyse van wat religie inhoudt. In het derde hoofdstuk
besteed ik aandacht aan Girards lezing van joods-christelijke geschriften, om
ten slotte in het vierde hoofdstuk uit te komen bij Girards niet-sacrificiële
interpretatie van het evangelie. Na deze vier hoofdstukken zal ik kort de balans
opmaken.
Mijn
werkwijze in deze scriptie is voornamelijk beschrijvend. Het is mijn bedoeling
om het denken van Girard zo goed mogelijk neer te zetten. Natuurlijk zal dat
niet gebeuren zonder reflecties van mijn kant, maar die reflecties zullen altijd
in dienst staan van Girard wiens inzichten ik zo waardevol vind dat ik het als
een missie beschouw ze door te geven.
Zoals
men zich bij Girard kan afvragen in hoeverre zijn denken voer voor filosofen is,
zo kan men ook bij mijn scriptie de vraag stellen naar het filosofische gehalte
van mijn bevindingen. Me dunkt dat noties als zondebokmechanisme en,
sterker nog, mimesis een sterke filosofische lading hebben en dat het bij
deze en andere door Girard gehanteerde begrippen om inzichten gaat die voor de
cultuurfilosofie van eminent belang zijn.
HOOFDSTUK
1
Geweld
In
de oorsprongsmythen van de menselijke samenleving is er steeds geweld aan de
orde. Dit kan verwondering wekken. Waarom raken mensen met elkaar in conflict en
waarom staan zij elkaar naar het leven? Voor
Girard gaat deze vraag voorbij aan de werkelijkheid; voor hem is het feit dat er
conflicten tussen mensen zijn vanzelfsprekend; het bestaan van conflicten tussen
mensen is geen uitzondering. Het
mimetisch gedrag en vooral de mimetische begeerte is er de oorzaak van dat de
mensen rivalen van elkaar worden. Dit is in de visie van Girard de normale
uitgangspositie. Met zijn hypothese van de mimetische begeerte laat hij zien hoe
de rivaliteit tussen mensen tot stand komt en hoe dit onvermijdelijk tot geweld
leidt. Hij maakt duidelijk hoe dit geweld mimetisch werkt en besmettelijk is en
daardoor leidt tot collectief geweld,
zodanig dat de samenleving eraan ten onder dreigt te gaan. Dit proces werkt
zodanig als een vanzelf werkend proces dat de vraag naar het stoppen ervan nog
veel intrigerender is dan het
ontstaan ervan. Wat is er aan de hand of wat is er gebeurd als er geen sprake is
van escalerende rivaliteit en van geweld? Hoe is een positieve verstandhouding
tussen mensen mogelijk? Hoe kunnen mensen zonder geweld, in vrede samenleven?
Hoe is sociale orde mogelijk? Eigenlijk
vragen we hiermee naar de oorsprong van onze cultuur. Waar komt die uit voort?
Waarop is die gebaseerd?
In
het kader van zijn theorie construeert Girard een gebeurtenis in de prehistorie.
Die gebeurtenis is in zijn visie de overgang van de nog-niet-menselijke naar de
menselijke geschiedenis. Het is de oer-gebeurtenis van de menselijke
samenleving. Die constructie heeft historische pretentie, ofschoon het
vaststaat, dat het empirisch karakter ervan niet te verifiëren
is. Kaptein en Tijmes verwoorden deze constructie als volgt:
Onder
hominieden brak een twist uit tussen twee mannen, die beiden hetzelfde wilden
hebben. Voor het verhaal doet het er niet toe of de ruzie ging over een
been, een hol, een stok of een
vrouw. De twist liep op, zij stijfden elkaar in vasthoudendheid, zodat geen van
beiden wilde weten van wijken. De begeerte van de een om te hebben zweepte de
begeerte van de ander op en vice versa. De ruzie was aanstekelijk. Anderen
voegden zich erbij en mengden zich erin: een kluwen vechtende mannen was het
resultaat. Ieder zocht en vond zijn tegenstander.
Dan ineens richt zich de aandacht van twee op één; van allen op één.
De dreiging van de massa zwol aan en die ene mens werd gelyncht. De ruzie was
over. Er heerste zwijgende eendracht. Het daagde hun, dat die ene de oorzaak van
het conflict was, want nu hij er niet meer was, was de rust weergekeerd. (Kapteijn
en Tijmes 1986: p.47)
In
deze op vereenvoudigde wijze voorgestelde gebeurtenis zitten alle elementen van
de oorsprong van onze cultuur, zoals Girard die ziet.
In
het voorafgaande is mimese al enkele malen aan de orde geweest. In de
theorie van Girard is de mimese, de nabootsing, een kardinaal gegeven. Hij
presenteert dit niet als een eigen bedacht beginsel, hij heeft het opgediept uit
de oudste en uit de nieuwste uitingen van menselijk gedrag, neergelegd in
authentieke teksten. Nabootsing blijkt het oerbeginsel te zijn voor het leven
van de mensen individueel en met elkaar. Oerbeginsel niet alleen vanuit de
oertijd, maar ook als de primaire onderlaag van waaruit mensen in alle tijden
met elkaar leven. Het imiteren zit ons in het bloed. Girard is van mening dat
imitatie is voor mensen even belangrijk en onmisbaar als de zwaartekracht.
Zonder navolging zou er geen taal bestaan, zou er geen communicatie
mogelijk zijn en zou elke vorm van cultuur en menselijk samenleven
onmogelijk zijn.
Girard
verwijst naar twee belangrijke denkers die het begrip mimese aan de orde hebben
gesteld: Plato en Aristoteles (vgl. Girard 1990: pp. 17-20). Aristoteles typeert
de mens in Poetica, 4 met de uitspraak De mens onderscheidt zich van de
andere dieren doordat hij het best in staat is om na te bootsen.[3]
Hij bedoelt dit in positieve, opbouwende zin. In tegenstelling met de dieren die
overwegend instinctief handelen, moet het menselijk gedrag geleerd worden. Leren
nu gebeurt door navolging, imitatie, mimesis.
Eerder
had ook Plato het begrip nabootsing aan de orde gesteld, echter niet in
een positieve betekenis. Plato wees de nabootsing af. Zijn vijandige houding
tegenover de mimese uit zich vooral in de afwijzing van kunst: De dichters
richten zich niet op de werkelijkheid zelf, maar op een afspiegeling
daarvan, en op een afspiegeling van een afspiegeling. In De
Staat legt Plato uit waarom hij bezwaar heeft tegen het toneel. Op het
toneel moet een goede mens (acteur) een slecht mens uitbeelden; in de meeste
toneelstukken treden immers schurken op. Dit betekent dat de toneelschrijver en
de acteurs mensen moeten imiteren die zich aan allerlei misdaden hebben schuldig
gemaakt. Dit is hoger staande mannen onwaardig. Hij vindt het wel knap dat de
pantomimische heren alles kunnen nabootsen. Hij zal zelfs voor zo iemand die met
het voorstel komt om zichzelf en zijn dichtkunst te vertonen op de knieën
vallen en hem eer betonen, maar hij zal hem ook zeggen dat er voor hem geen
plaats is in de Staat zoals hij deze ziet. En nadat wij hem hebben gezalfd
met mirre en een wollen krans om zijn hoofd hebben gewonden zullen wij hem
wegsturen, naar een andere stad.
In
het kader van Platos verdere filosofie is zijn afwijzing van nabootsing
begrijpelijk. Plato streeft een hoge soort kennis na - en imiteren hoort niet
bij dat streven. Alleen hogere kennis kan volgens Plato de enige echte toegang
tot de werkelijkheid bewerkstelligen.
Nabootsing geeft geen toegang tot de echte werkelijkheid, want het is alleen
maar representatie, afspiegeling van de werkelijkheid en dat zet de mensen op
het verkeerde been. Wellicht houdt
de afwijzing van de nabootsing ook verband met de opvatting van Plato over
gewaarwording en emotie, waartoe hij wellicht ook
de nabootsing rekent, en deze staan lager dan kennis. Kennis is gebaseerd
op het denken en niet op ons door de zintuigen doorgegeven indrukken; die dragen
niet bij tot het vaststellen van de waarheid.
Het
denken van Plato, zo stelt Girard vast, heeft de waardering voor nabootsing
negatief beïnvloed. Men staat wantrouwig tegenover het nabootsen. Men wil niet
te veel nadruk leggen op nabootsing, want dat zou de indruk kunnen wekken dat
groepsprocessen het belangrijkste zijn en dat mensen kuddedieren zijn. Er is in
de traditie een voorstelling van de
nabootsing ontstaan, waaraan een essentieel aspect ontbreekt, hetgeen terug te
voeren is op Plato. Als hij over nabootsing spreekt dan heeft hij het nooit over
gedrag dat zich richt op bezitten, terwijl toe-eigeningsgedrag een grote rol
speelt bij mensen en zich bij uitstek leent voor navolging. Deze omissie is ons
ontgaan en wij in het Westen, te beginnen met Aristoteles, zijn Plato hierin
gevolgd. In wat vanaf het begin der tijden
verborgen was schrijft Girard hierover:
Het is Plato
die de culturele betekenis van de nabootsing eens voor al heeft vastgelegd, en
dat is een begrénsde betekenis, ontdaan van een essentieel aspect, het aspect
namelijk dat op verwerving is gericht en dat tevens een grote rol speelt bij
conflicten (Girard 1990: p. 19)
Nu
is het opmerkelijk dat Girard het niet laat bij dit beeld van Platos
afwijzing. Enkele bladzijden verder in hetzelfde boek
zegt hij dat de vijandige houding van Plato tegenover de mimese een
wezenlijk bestanddeel is van zijn werk en dat men die houding niet alleen en te
vlug in verband moet brengen met zijn kunstkritiek. Het gaat volgens Girard bij
Plato om méér. Met de primitieve volken heeft hij een angst gemeen voor de
mimese, die men nog steeds niet helemaal heeft kunnen verklaren. (1990: p.26)
Girard meent dat Plato door de vrees, die hem de mimese inboezemt, dicht komt
bij wat in de oudheid essentieel was, en dat is de primitieve religie. In de
primitieve religie bestaat een angst voor wat op elkaar lijkt, dubbels en
tweelingen. Nu is het zo dat door de mimese
van de bezitsdrang twee rivalen elkaar het bezit van een object betwisten omdat
zij elkaar aanwijzen als begerenswaardig en dus op elkaar gaan lijken.
Dat brengt Girard ertoe te zeggen: Wanneer Plato in De Staat de nivellerende, gewelddadige gevolgen van de
mimese beschrijft, ziet men ineens het thema van de tweelingen opduiken,
en ook dat van de spiegel. In de oudheid was men bang voor het verschijnsel
van tweelingen, omdat dit altijd leidde tot desastreuze conflicten (Romulus en
Remus, Kaïn en Abel), die vaak een mythische en sacrale duiding kregen. Girard
zegt hierover: Men zal moeten toegeven dat hier iets opmerkelijks gebeurt,
maar tóch heeft niemand nog
geprobeerd Plato te lezen in etnologisch licht. In de visie van Girard voelt
Plato een irrationele, direct uit het sacrale voortgekomen huiver voor het
mimetische. En daarom schiet hij tekort op het punt
waarom het precies gáát, namelijk het ontstaan van de mimetische
rivaliteit uit de op bezit gerichte mimese, want in de sfeer van het sacrale
is natuurlijk geen sprake meer van een denken over de mimese van de toeëigening
en haar eindeloze reeks van gevolgen. Plato
spreekt zich hierover echter niet uit en daarom vervolgt Girard:
Niemand heeft ooit echt onderzoek gedaan naar de vrees waar Plato
blijk van geeft. Plato heeft gelijk wanneer hij in de mimese tegelijk een
samenbindende en een óntbindende kracht ziet. Maar als hij hier gelijk in
heeft, waaròm dan, en waarom komt hij er niet toe die tegengestelde werkingen
van een en dezelfde kracht te verklaren? Voor deze vragen, die typisch
wetenschappelijk van aard zijn, heeft het huidige
denken helaas geen belangstelling. (Girard 1990: p. 29).
Het
is de verdienste, en ook het nieuwe van Girard dat hij de betekenis van deze
bezitskant van mimese aan de orde stelt. De mimese is niet altijd vreedzaam. De
mimese treedt ook op als het gaat om begeerte
en leidt dan tot rivaliteit, jaloezie en ressentiment. Girard laat zien wat
dit voor consequenties heeft, in het leven van de mensen individueel, maar ook
in de samenleving. Om een volledige theorie van de menselijke cultuur te
ontvouwen, te beginnen bij het allervroegste hominisatieproces, moet men altijd
zijn vertrekpunt kiezen bij het mechanisme van de op bezitten gerichte mimese.
Mimese: Girard
De
mensen en de dingen worden niet gezien zoals ze zijn, maar zoals de begeerte hen
doet zien en die begeerte is mimetisch. In Don Quichot van Cervantes is er Het verhaal van een dwaze
nieuwsgierigheid. Twee vrienden Anselmo en Lothario raken in vijandschap met
elkaar omdat de een de vrouw van de ander, Camila, begeert vanwege het
feit dat zij de vrouw is van de ander. Anselmo wil de liefde van zijn vrouw voor
hem op de proef stellen en wil dit doen via Lothario, aan wie hij vraagt een
poging te doen haar te verleiden. Het pakt anders uit dan de bedoeling van
Anselmo was; Lothario wordt verliefd op Camila.
Het leidt tot de dood van beide vrienden. In de novelle De
eeuwige echtgenoot van Dostojewski heeft Pavel Pavlovitsj een meisje leren
kennen en wil met haar trouwen. Hij vraagt
zijn vriend Velchaninov om hem advies te geven over een te kopen ketting. Pavel
Pavlovitsj koopt uiteindelijk de ketting die Velchaninov voor hem uitkiest. Deze
laatste moet mee om het nog jonge meisje te ontmoeten en wint bij die
gelegenheid haar hart en dat van al haar vriendinnen. Een halfslachtige poging
van Pavel Pavlovitsj om Velchaninov te vermoorden breekt hun reeks merkwaardige
ontmoetingen af.
In
beide verhalen blijkt de liefde van de man voor zijn vrouw afhankelijk te zijn
van de blik en de goedkeuring van een ander, een vriend, die echter zelf
vervolgens de echtgenoot verdringt. In onze westerse literatuur bestaat dit
thema bijna net zo lang als er geschreven is. Een van de oudste werken van de
westerse literatuur, de Ilias, is
geheel gewijd aan de wrok van Achilles vanwege het feit dat Agamemnon zijn
geliefde begeert en neemt, een wrok die de dood van velen tot gevolg heeft.
De
genoemde personages begeren iets of iemand via een ander. En zij personifiëren
ons allemaal. Wij denken dat wij dingen spontaan vanuit onszelf begeren of dat
het de dingen en de mensen zelf zijn die ons aantrekken. Wij zijn geneigd de
begeerte te zien als een rechte lijn tussen ons en hetgeen we begeren, maar
Girard laat ons zien dat we de begeerte moeten zien als een driehoek. Wij
ontlenen onze begeerten aan de ander, aan ons model. Wij willen bezitten
wat ons model bezit, of liever nog, we begeren te zijn zoals ons model, we
willen het model zijn
Zoals
hierboven reeds vermeld noemt Girard dit de metafysische begeerte. Ons
begeren is een kopie van het begeren van een ander, het model, het voor-beeld,
de meester.
In
De romantische leugen en de romaneske
waarheid typeert Girard de
mimetische begeerte nog op een andere manier: zij is bemiddeld; het model
is de bemiddelaar. Hij maakt daarbij een onderscheid tussen de externe en
de interne bemiddeling.
In
het geval van de externe bemiddeling staat het model op afstand, is iemand
of iets om naar op te zien, niet om diens plaats in te nemen. De relatie tussen
de een en de ander blijft transcendent. Don Quichote ziet Amadis de Gaula
als zijn model, maar die is ver weg, ze zitten elkaar niet in de weg. Don
Quichote kan zich zelf blijven, hij doet gekke dingen maar wil niet Amadis
worden. Het oog houdend op Amadis blijft hij leven in zijn eigen ruimte. Zo is
het ook tussen hem en zijn knecht Sancho, die niet in de hoop leeft een tweede
Don Quichote te kunnen worden. Hij kan niet de rivaal van Don Quichote worden.
Tussen ouders en kinderen is de relatie zodanig dat de kinderen niet de plaats
van de ouders willen innemen maar, met hun voorbeeld voor ogen, de mogelijkheid
hebben om zichzelf te worden. In deze externe bemiddeling blijft de afstand, het
verschil, voldoende groot zodat rivaliteit en het plaats verdringen voorkomen
worden.
In
de oude samenlevingen was de externe bemiddeling van levensbelang voor het in
stand blijven van de gemeenschap. Ik
doel hier op de transcendente relatie met het goddelijke. Er waren nog geen
instituties, met name geen erkend en geaccepteerd rechtsstelsel dat het leven in
de gemeenschap regelde en het losbreken van collectief geweld kon voorkomen. De
grote instantie die dit wel kon was het heilige, het sacrale, het goddelijke.
Met de god kan een mens niet rivaliseren en de god kan voor de mens geen
obstakel zijn. Het betekent wel dat
er in de oude samenlevingen een relatie was tussen het geweld en het sacrale.
Hoe het een uit het ander is voortgekomen en hoe de samenleving
daarmee leefde komt tot uiting in de mythen. In de mythen blijkt hoe
belangrijk het transcendente sacrale, en daarmee het religieuze, voor de
samenleving was. Dit onderwerp komt later in deze scriptie uitvoeriger ter
sprake.
In
het geval van de interne bemiddeling is de situatie geheel anders. Deze
speelt zich af tussen gelijken. De
afstand tussen de gelijken is zo klein dat de mimese vrij spel heeft en op het
gebied van de begeerte gaat dit niet zonder problemen. We kopiëren het begeren
van een ander, het model. We willen bezitten wat de ander reeds bezit. Zoals we
niet onafhankelijk van anderen een taal spreken, zo zijn wij ook niet
onafhankelijk in ons begeren. In de omgang van mensen met elkaar heeft dit
consequenties waarvan wij ons vaak niet bewust zijn.
Een
eerste consequentie is dat een ander die wij als ons model zien tegelijk ons
obstakel en onze rivaal is. Hij of zij heeft iets verworven dat ik daardoor niet
meer kan verwerven, een baan, een man of vrouw, een mooi huis. Dit maakt mijn
begeerte ernaar nog groter. Maar die ander staat mij in de weg om hetzelfde te
kunnen bezitten. Hij is mijn rivaal, mijn concurrent. Zo is mijn medemens
tegelijk mijn model en mijn obstakel. Het feit dat mijn model tegelijk obstakel,
en omgekeerd, mijn obstakel mijn model is, kan tot veel verwikkelingen tussen
mensen en groepen leiden.
Een
andere consequentie is dat de mimese van
de begeerte ook omgekeerd werkt. Mijn model/obstakel wordt mijn begeerte gewaar.
Hij gaat mijn begeren imiteren en raakt er nog meer van overtuigd dat wat hij
wel en ik niet bezit inderdaad het begeren waard is. De begeerte werkt
aanstekelijk, ze is besmettelijk. Shakespeare, zo stelt Girard vast, beschrijft
de besmettelijkheid van de begeerte vaak in zijn toneelstukken, als hij vrienden
tot rivalen van elkaar laat worden. Overigens blijft de besmettelijkheid van de
begeerte niet beperkt tot individuen ten opzichte van elkaar, de mensen er om
heen worden ook aangestoken door het spel van de begeerte. Zij worden erbij
betrokken of gaan zelf modellen (en obstakels) zoeken om na te volgen. De wereld
van de reclame is gebaseerd op de veronderstelling dat de begeerte
aanstekelijk is. Een auto is begerenswaardig omdat in een reclameboodschap het
wordt voorgesteld dat een man of vrouw gelukkig is door het bezit van deze auto.
Zo wordt de besmettelijkheid van het begeren gestimuleerd en ontstaat tussen
mensen die hetzelfde begeren rivaliteit en concurrentie. Daarmee wordt niet
gezegd dat mensen van elkaar vervreemden, juist niet. Zij hebben elkaar nodig in
het begeren. Dit betekent echter wel dat het model-zijn en het rivaal-zijn
wezenlijk tot het menselijk samenleven behoren. De mensen lopen elkaar na en
bieden tegen elkaar op in het begeren van hetzelfde. Ze zijn dubbelgangers van
elkaar. Het woord rivaal komt van het Franse woord rive: rivalen
volgen elkaar na als de oevers van een rivier. Concurrent is iemand die
met je meeloopt. Dat we
dubbelgangers van elkaar zijn betekent dat we in een wereld leven waarin
voortdurend begeerd wordt via elkaar en dat telkens weer andere mensen
obstakels en rivalen voor elkaar zijn. Omdat we elkaars begeerten en
conflicten nabootsen is de kans dat er telkens nieuwe conflicten uitbreken zeer
groot.
Een
derde consequentie van het feit dat we het begeren van een model nabootsen is
dat de waarde van een ding, object, en zelfs van een partner afhangt van het
model. De waarde van een beker die een winnend voetbalelftal na een toernooi
krijgt zit niet in de beker zelf maar in de eer. En die eer die te beurt is
gevallen aan deze rivaal zouden alle anderen ook willen verwerven. Eigenlijk
moeten we onze rivalen dankbaar zijn, want zij maken de dingen de moeite waard.
Hoe moeilijker iets uit handen van de rivaal te krijgen is des te waardevoller
het is. Tegelijk wordt de status van degene die het reeds bezit groter; hij
heeft en wij hebben niet. In het geval daarentegen dat niemand geïnteresseerd
is in bijvoorbeeld een antieke klok die ik gekocht heb, heb ik het gevoel dat ik
met lege handen sta.
In
onze huidige westerse samenleving heeft de externe bemiddeling in grote mate
plaats gemaakt voor de interne bemiddeling. Iedereen kan voor iedereen model en
rivaal zijn. Mensen zijn gelijk aan elkaar. Dit is een gevolg van het sinds de
moderniteit groeiende individualisme, terwijl het individualisme tevens de mens
ertoe brengt om afstand te scheppen tot de ander. Er zijn geen duidelijk
aangegeven onderscheidingen en verschillen meer tussen individuele mensen en
groepen van mensen; niets verhindert de ene mens om van de andere mens diens
positie, bezit of relatie te begeren. Dankzij ons rechtsstelsel en andere
sociale codes worden de uitwassen van de begeerte in onze samenleving echter in
toom gehouden, ofschoon . . . . . Laten we niet te vroeg juichen.
Ook
in het verleden was er de mimetische begeerte die werkzaam was via de interne
bemiddeling, maar die werd beteugeld door de externe bemiddeling en deze externe
bemiddeling functioneerde binnen en dankzij een collectief bewustzijn, een
bewustzijn van de gemeenschap. In
dat bewustzijn speelde de transcendente orde een alles bepalende rol; ook de
bezitsmimese werd erdoor geregeld. Wij die hier nu naar terugkijken, moeten goed
voor ogen houden dat de geesteshouding die hoort bij de opvatting dat de
individuele mens autonoom is, onbekend
was in de oude samenlevingen. De mensen beschouwden zich als onderdeel van het
geheel, men leefde niet individualistisch. De
gemeenschap bepaalde het leven en het denken; niet onder dwang - men wist en kon
niet anders. In die gemeenschap met dit collectieve bewustzijn kon de besmetting
van de mimetische begeerte desastreuze gevolgen hebben. Het kon leiden tot
geweld van allen tegen allen. Dat is wat in de paragraaf over het oergebeuren is
beschreven en wat Girard de mimetische crisis noemt. Dat leidde tot de
oorspronkelijke oermoord, de moord op de zondebok, en de daaruit volgende
sacralisering van het slachtoffer. Het gevolg was dat de beheersing van het
potentiële mimetische onderlinge geweld een sacrale aangelegenheid was en dat
het leven in en van de gemeenschap geregeld werd door op de oermoord en
sacralisering volgende riten en taboes. Deze werden beschouwd als van een
hogere, transcendente orde. Dit was de sfeer waarin men dacht en leefde, geheel
beheerst door de sacrale orde, met een heilige angst voor de sacrale godheid. Er
was geen sprake van individueel denken en de beteugeling van het geweld was niet
bewust ontwikkeld vanuit een vorm van collectief inzicht.
Girard
is niet de eerste die zich met het vraagstuk van de strijd van allen tegen allen
heeft bezig gehouden. Een van de belangrijke voorgangers was Hobbes (1588
1679). Ook hij heeft zich afgevraagd hoe de samenleving dit dreigende en
groeiende onderlinge geweld heeft kunnen overleven. Hij bedacht het sociaal
contract als oplossing voor de natuurstaat waarin de mensen voortdurend
verkeerden in de oorlog van allen tegen allen. Hij meende dat ooit de mensen op
redelijke gronden een afspraak met elkaar gemaakt hadden om het leven in
de gemeenschap leefbaar te doen zijn. Die afspraak bestond in het instellen van
de staatsalmacht om daarmee het geweld van de anarchie te voorkomen.
René
Girard echter meent dat dit bedachte sociaal contract een rationalisatie
achteraf is. Het bedwingen van de gevaren van het onderling geweld is volgens
hem een organisch verlopen proces geweest dat een lange geschiedenis heeft
gehad. Het verloop van dit proces heeft hij, zoals bekend, opgediept uit de oude
teksten die getuigen van dit proces. Hij vindt het onbegrijpelijk dat etnologen
en andere wetenschappers telkens weer andere dingen hebben bedacht ter
verklaring, terwijl uit bestudering van de oude documenten een veel eenvoudiger
en meer voor de hand liggend inzicht in het ontstaan van onze samenleving en
cultuur opengaat. Uit die documenten blijkt dat twee oergegevens
aan de oorsprong van onze cultuur staan: de mimetische begeerte en het
zondebokmechanisme. Eigenlijk zijn dit twee eenvoudige gegevens, maar hoe
vandaar uit de samenleving met het geweld is omgegaan en nog omgaat en welke rol
de religie, met de hierboven genoemde sacrale orde daarin speelt blijkt een
moeizame weg geweest te zijn. Volgens Girard is het echter beter om de
werkelijkheid van deze moeizame weg na te vorsen dan om
achteraf een sociaal
contract te bedenken.
Overdenking
In
de periode dat ik met deze scriptie bezig was zat ik op de zondag voor Kerstmis
in het concertgebouw te genieten van de Messiah
van Händel. Met de denkwereld van Girard nog in mijn achterhoofd overviel
mij ineens de gedachte dat ik zat te genieten van het bezingen van het geweld
(en natuurlijk ook van de bevrijding uit het geweld, want die twee horen bij
elkaar). Ik was me er opnieuw van bewust hoe het geweld in ons leven doordringt
en er een wezenlijk bestanddeel van is. We bezingen het zelfs. En dat is tevens
een kenmerk van onze beleving van geweld: we willen het herdenken, we willen het
leefbaar maken en in dit geval in esthetische vormen verpakken en verteerbaar
maken..
In
november 2003 werd de Messiah uitgevoerd in de Frauenkirche in Dresden, een
benefietconcert in de aanloop naar de opening van deze kerk die in het
oorlogsgeweld (1945) was verwoest in het grote bombardement van Dresden. Ik zag
het op TV. Wat ik toen dacht was het volgende. Het concert was een concert
voor de vrede. Vrede -
in een kerk die door een ongekende explosie van
geweld was verwoest. Vrede -
bereikt door geweld tegen eerder geweld. Het concert werd uitgevoerd door
nakomelingen van degenen die destijds het geweld vertegenwoordigden. De vraag
ging door mijn hoofd: Zouden deze mensen van nu, geplaatst in de omstandigheden
van hun voorouders, het anders gedaan hebben? Wat vermag de besmettelijkheid van
het geweld? Hoe sterk werkt de
mimesis, die immers mensen tot gelijken in het geweld maakt en hun het vermogen
tot weerstand ontneemt? En wat heeft
deze artiesten, mensen van nu, anders gemaakt? Kijkend naar de feitelijke gang
van zaken in de geschiedenis vroeg ik mij af:
was er wellicht een soort noodzaak dat hun voorouders het geweld
van toen gepleegd hebben, waarna hun nakomelingen ertoe gekomen zijn om dragers
van verzoening en vrede te worden? Is er dan toch ook iets goeds in geweld? Ik
denk dat ik met deze vragen verwoord wat Girard bedoelt met het geweld is het
fundament van de samenleving. Dat wil zeggen: als we kijken naar hoe het in
de wereld feitelijk gaat, dan zien we dat geweld aan het begin staan.
Maar
het geweld in de Messiah en in andere
kunstuitingen kan mensen begeesteren en tot grote hoogte van artistieke
prestaties brengen. Dat was in de oudheid reeds zo. In de Griekse tragedie werd
het probleem van het geweld uitdrukkelijk aan de orde gesteld. Er waren de
toneelspelers, er was het koor dat reflecterend meespeelde en er waren de
toeschouwers. Zij waren, de werkelijkheid nabootsend, bezig met het probleem van
het geweld in de samenleving. Dit
constaterend denk ik opnieuw aan Plato. Was hij bang van deze nabootsing in de
kunst, omdat dit zou kunnen leiden tot heropleving van het geweld, het geweld
dat besmettelijk werkt? Was dit een van de achtergronden waarom hij gekant was
tegen dichters, kunstenaars? Ik
denk dat, naast zijn vrees dat de waarheid in de handen van de dichters bedrog
wordt, vooral de huiver van Plato voor het sacrale een rol speelt, zoals Girard
vermoedt: de huiver om het sacrale te tarten, waarbij het geweld immers op de
achtergrond meespeelt.
Wat
is dat toch, dat we het geweld gedenken en zelfs vieren en bezingen? Staat het
geweld dan zo centraal in het samenleven? Willen we er maar geen afstand van
nemen? Of is dit de geijkte manier om het te verwerken?
De
mensen hebben altijd geworsteld met het probleem van het geweld; vanaf het
eerste begin. Behalve dat ze het bestreden (met tegengeweld), hebben ze het in
verhalen vastgelegd (in de mythen), hebben ze het zich herinnerd en opnieuw
beleefd (in de riten, waartoe ook de kunst/de tragedie behoorde) en hebben
ze geprobeerd het te voorkomen (in de verboden, de taboes). En dit alles met het
doel om de mensen weer met elkaar te verbinden (religare, religie).
De
mythen zijn de oudste getuigenissen van de rol van het geweld in de menselijke
samenlevingen. Zij zijn getuigenissen van het stichtend geweld. Het geweld, de collectieve moord, ligt aan het
fundament van onze cultuur, het is
cultuurstichtend. Deze uitspraak
doet vermoeden dat deze waarheid direct uit de teksten van de mythen
blijkt, alsof hetgeen ik in de
paragraaf over het oergebeuren formuleerde direct duidelijk wordt bij het
lezen van een mythe en alsof het openbaren van deze waarheid ook de bedoeling
van de mythen zou zijn. Dit is geenszins het geval. De echte waarheid van het
geweld, de moord op een onschuldige, wordt in de mythen integendeel verborgen.
Het is ermee als met de romaneske waarheid; die moet ontdekt worden achter
de tekst, achter de mythe. De werkelijke gang van zaken, het moorden en het
geweld worden in de mythen verbloemd en verhuld. Dat moet ook wel want anders
zou het zondebokmechanisme zijn heilbrengende werking niet kunnen
vervullen. Girard schrijft in Wat van het
begin
: We willen niet weten dat de hele mensheid gefundeerd is op de
mythische verdoezeling van haar eigen geweld, dat zich tegen steeds weer nieuwe
slachtoffers richt. (Girard 1990: p. 204). Hij richt zich hiermee tegen
degenen die de mythen beschouwen als projecties of als de fundamentele
mechanismen van het menselijk denken. Hij is ervan overtuigd
dat er een echte moord is gepleegd: In La
Violence et le Sacré heb ik voor het eerst de hypothese onder woorden
gebracht van een werkelijk slachtoffer van een werkelijk collectief geweld als
oorsprong van de mythe (Girard 1986b: p. 37).
Ik
ga hier nader op in, omdat dit gegeven van essentieel belang is voor de
hypothese van Girard in zake de werking van het zondebokmechanisme.
Over
zijn tegenstanders, degenen die geen werkelijke gebeurtenissen achter de mythen
erkennen, zegt Girard in Wat vanaf het
begin . . .
Als de mythe iets wilde betekenen, dan moest dit altijd iets anders
zijn dan wat er direct in te lezen viel: de complexen van Freud, de abstracte geboorte van het denken bij Lévi-Strauss.
Je kunt niet genoeg benadrukken hoe onwaarschijnlijk en fantastisch de visie van
Lévi-Strauss in wezen is. Het is niet
redelijk, zelfs niet denkbaar, dat je de hele mythologie zou toedichten dat ze
doet wat Paul Valéry voor ogen staat
in La Jeune Parque: het beschrijven
van de geboorte van het denken, de ontvangenis onbevlekt uiteraard van
het menselijk denken. (Girard 1990: p.142)
Lévi-Strauss,
de structuralist, meent dus dat de mythologie een puur poëtisch-filosofische
uiting is. Voor Girard is dat onaannemelijk. Voor hem ligt de werkelijke
betekenis van de mythen hierin, dat ze de crisis en de funderende moord
in herinnering roepen. Het vasthouden van de herinnering hieraan is van
groot belang voor de gemeenschap, want dat zijn immers de werkelijke
gebeurtenissen geweest die tot de culturele orde hebben geleid. Wel is
Girard het eens met wat Lévi-Strauss
zegt over de geboorte van het denken, namelijk dat in de mythen het denken van
de mensen op gang is gekomen. Alleen zegt Girard het anders:
alle menselijk denken wortelt in de funderende moord, de moord in het begin
heeft het bewustzijn van het samenleven op gang gebracht.
Het
grote verschil en tevens de reden waarom Girard de opvatting van Lévi-Strauss
en Paul Valéry bestrijdt, is dat
deze etnologen menen dat de overal telkens weer verhaalde moord een simpele op
fictie berustende metafoor zou zijn voor een gebeuren dat uitsluitend op
gedachteniveau zou hebben plaatsgevonden. Volgens Girard is dit gebeuren
uitermate concreet en werkelijk geweest. Om de beeldspraak voort te zetten: de
geboorte van het denken komt niet voort uit een
onbevlekte ontvangenis, is niet iets zonder voorgeschiedenis.
Wat Lévi-Strauss ideeën
zo kunstmatig doet lijken, is dat hij ons wel alle bestanddelen van het ontstaan
van het denken aanreikt, maar dat hij dit altijd doet zonder te zien hoe het
allemaal in elkaar zit: radicale eliminatie, positief gekwalificeerde
handelingen, negatief gekwalificeerd fragment, er mankeert werkelijk
niets aan, behalve dan het mimetisme
in de menselijke betrekkingen, dat de gemeenschapsstructuren op gewelddadige
wijze ontwricht en zo het zondebok-mechanisme op gang brengt dat die structuren
herordent. (Ibid.)
Waarop
baseert Girard dan de werkelijkheid van de collectieve moord? Op het perspectief
vanwaar uit de mythe verteld wordt, te weten het perspectief van de vervolgers,
de moordenaars, dit is de gemeenschap die het aanvankelijke geweld, de interne
crisis, heeft overleefd. Het als één man elimineren van de schuldige
heeft de verzoening in de gemeenschap teruggebracht. Zij kunnen en moeten er
onverbloemd over spreken en het in herinnering houden. De crisis mag zich niet
meer herhalen. Hierover het volgende.
Girard
wil de mythen niet lezen als historische documenten of er historische argumenten
aan ontlenen. Zijn hypothese is structureel, dat wil zeggen dat uit de
structuur van de teksten blijkt wat zij werkelijk betekenen. De waarheid van de
teksten zit in de teksten zelf.
Er
is een algemeen patroon in de mythen, althans bij de meeste mythen. Er zijn ook
mythen waarin het patroon moeilijker te vinden is; in deze mythen zijn de
zogenaamde vervolgingskenmerken in sterk veranderde vorm aanwezig. In het derde
hoofdstuk van De zondebok beschrijft Girard een aantal bepalende kenmerken van de
mythe:
a)
Er is sprake van rivaliteit,
van sociale onordelijkheden en chaos in de betrekkingen van de mensen met
elkaar. Zelfs als er een natuurramp, b.v. de pest, plaatsvindt dan is de daarmee
gepaard gaande ontregeling van het leven in de gemeenschap het belangrijkste
probleem en het te bestrijden gevaar.
b)
Er
wordt niet gezocht naar de oorzaak van de wanordelijkheden maar er vinden
gewelddadigheden plaats tegen een persoon (of een groep) die aangewezen wordt
als de schuldige van de ellende in de gemeenschap. De aanwijzing als schuldige
is willekeurig en heeft vaak te maken met eigenschappen van de zogenaamde
schuldige die niets te maken hebben met de
werkelijke aard van de problemen in de gemeenschap. Hij wordt aangewezen als
zondebok. Hiermee vindt een eerste verdraaiing plaats, op een negatieve wijze:
een onschuldige wordt tot schuldige gemaakt en iedereen is ervan overtuigd dat
deze persoon (of groep) echt schuldig is. Er volgt vaak een lynchpartij.
c)
Na de eliminatie van deze
schuldige keert de rust in de gemeenschap terug. Het geweld, de lynchpartij,
leidt tot verzoening.
d)
Er vindt dan vervolgens een
tweede verdraaiing, een omkering plaats, in positieve zin. Degene die schuldig
was, wordt nu als de heilbrenger gezien, want na/door zijn eliminatie is de
gemeenschap weer in vrede met zichzelf. Aan degene die aan alles schuldig
en voor alles verantwoordelijk was schrijft men de verzoenende
kracht toe. Er vindt een gedaanteverandering plaats van boosdoener in goddelijke
weldoener. Hier ligt de oorsprong van het heilige, het sacrale, de verwekking
van de goden. Overigens is de gedaanteverandering van boosdoener in goddelijke
weldoener een verschijnsel van wonderbaarlijke aard, maar ook een
gewoontepatroon in die zin dat, in het merendeel van de gevallen, de mythen er
geen directe melding van maken.
Volgens
Girard heeft er dus werkelijk een moord plaatsgevonden. De mythen hebben een
grond in de werkelijkheid. Dit blijkt uit de manier waarop verslag wordt gedaan
van wat er gebeurd is; dit gebeurt namelijk vanuit het gezichtspunt van de
vervolgers op hun eigen vervolging. Zij zijn over die vervolging op geen enkele
wijze terughoudend, want zij zijn ervan overtuigd dat zij iets goeds gedaan
hebben. Zij hebben niets te verbloemen of te verbergen. Na de lynchpartij waren
de mensen immers weer met elkaar verzoend; de gemeenschap was weer tot rust
gekomen. Dit patroon of model herhaalt zich in alle mythen. De mythen zijn te
talrijk in hun afhankelijkheid van hetzelfde model om de herhaling van dit model
aan iets anders dan aan werkelijke vervolgingen te kunnen toeschrijven. Girard
verwijst hierbij naar de middeleeuwse vervolgingen waarin ook de genoemde
stereotypen of kenmerken aanwezig waren. De verhalen daarover zijn afkomstig van
de vervolgers zelf. Er zitten onwaarschijnlijkheden in die verhalen, maar wij
betwijfelen niet dat er echte vervolgingen hebben plaatsgevonden. Uit teksten
die historisch te controleren zijn (de middeleeuwse vervolgingen) weten we dat
alleen het gedrag van de vervolgers, begrepen vanuit hun eigen mentaliteit, de
verzameling van stereotypen kan bewerkstelligen zoals die in veel mythen
voorkomen. Girard schrijft:
De vervolgers zijn ervan overtuigd hun slachtoffer te kiezen vanwege
de misdaden die ze het toeschrijven en die het in hun ogen verantwoordelijk
maken voor de rampen waarop ze met de vervolging (de moord) reageren. In
werkelijkheid zijn het de criteria van de vervolgers waardoor ze worden bepaald
en zij brengen ons die getrouwelijk over, niet omdat ze ons willen onderrichten,
maar omdat ze geen idee hebben van de onthullende waarde ervan. (Girard (1986b: p. 37)
De
bovengenoemde stereotypen en kenmerken van een mythe heeft Girard verworven door
het analyseren van mythen en niet andersom, dat wil zeggen niet door zijn
(vooropgezette) hypothese te projecteren op de mythen. Maar als eenmaal dit
algemene patroon gevonden is, zijn
de stereotypen zeer dienstig om weer andere mythen te analyseren. In het derde
hoofdstuk van De Zondebok, waaruit ook
in de vorige paragraaf al geput werd, belicht Girard de stereotypen aan de hand
van de mythe van Oedipus, de mythe waaruit de stereotypen het duidelijkst naar
voren treden, zogezegd de ideale mythe.
Om
Girards analyse te illustreren kies ik echter voor een andere mythe, omdat ik de
mythe van Oedipus al geanalyseerd heb in een eerder werkstuk. Bovendien heeft de
mythe die ik kies interessante aspecten, omdat hij onvolledig is, dat wil zeggen
niet duidelijk aan alle stereotypen beantwoordt. Deze mythe heet Het
verschrikkelijke wonder van Apollonius van Tyana. Girard beschrijft deze
mythe in Ik zie Satan vallen als een
bliksem (hoofdstukken IV en V, Girard 2000: pp. 55-75). Het betreft de
genezing van een pestepidemie in de stad Efese door Apollonius van Tyana, een
gevierde goeroe uit de tweede eeuw na Christus. Het verhaal is opgetekend door
Filostratus, een Griekse schrijver van een eeuw later. Ik citeer nu uitvoerig:
De Efesiërs konden niets
uitrichten tegen de epidemie. Na van alles geprobeerd te hebben, wendden ze zich
tot Apollonius, die zich, op bovennatuurlijke wijze, in een oogwenk bij hen
vervoegde om ze hun genezing aan te kondigen: Vandaag nog maak ik een einde
aan de epidemie die u teistert. Op die woorden leidde hij het hele volk naar
het theater waar een beeld van de beschermgod zou verrijzen. Zijn blik viel er
op een bedelaar die met zijn ogen knipperde alsof hij blind was en die een tas
met een homp brood bij zich had. De in vodden geklede figuur had iets
afstotelijks.
Na de Efesiërs in een kring rond
die man te hebben verzameld, sprak Apollonius: Pak zoveel stenen als jullie
maar kunnen en gooi ze naar die vijand van de goden. De Efesiërs vroegen
zich af wat hij bedoelde. Zij voelden niets voor het idee een vreemdeling te
doden die in duidelijk ellendige omstandigheden verkeerde en hen bad en smeekte
om medelijden met hem te hebben. Maar Apollonius herhaalde zijn aanklacht en
maande de Efesiërs zich op hem te werpen, te verhinderen dat hij zou weglopen.
Sommigen gaven gehoor aan zijn
oproep en begonnen de bedelaar te bekogelen. Maar de
ogen van degene die blind leek wierpen hen prompt een stekende blik toe
en schoten vuur. Toen begrepen de
Efesiërs dat ze met een demoon te maken hadden en ze stenigden
hem zo hartstochtelijk dat hun projectielen een grote heuvel rond zijn
lichaam vormden.
Kort daarop vroeg Apollonius hen
de stenen weg te halen en het wilde beest dat zij hadden gedood in ogenschouw te
nemen. Nadat zij de heuvel hadden geslecht, konden zij constateren dat de gedode
geen bedelaar was. In zijn plaats zagen zij een beest dat op een grote hond
leek, en wel zo groot als de grootste leeuw. De stenen hadden hem bedwongen,
maar in zon staat van opwinding gebracht dat hij schuimbekte van dolheid. Om
die reden richtten zij op dezelfde plek waar de boze geest was verdreven een
beeld op van hun beschermgod, Heracles. (Girard 2000: pp. 55-56)
Girard
wijst op de herkenbare details in deze mythe die niet verzonnen zijn; ze komen
overeen met het algemene patroon van de mythen. Op soortgelijke wijze hebben in
het verleden de mensen, generaties lang, vastgelegd hoe zij de gebeurtenissen,
die de samenleving ontwrichtten, hebben ervaren en hoe deze tot oplossing zijn
gebracht. In deze mythe gaat het om de volgende aspecten:
-
Er is een epidemie en deze brengt de hele samenleving in de war. De epidemie is
een symbool van verwarring. Het probleem is niet de pestepidemie, maar de
epidemie van de chaos. Het samenleven van de mensen is onmogelijk geworden; de
ordening van de verschillen tussen de mensen is weggevallen; de onderlinge
rivaliteit maakt de mensen tot vijanden van elkaar; er is het geweld van allen
tegen allen. Ze hebben al veel geprobeerd ter oplossing maar tevergeefs. Men kan
de epidemie van opeenvolgende wraakacties maar niet de baas worden. Apollonius
weet maar al te goed dat daar het probleem ligt; hij is niet voor niets een
gezaghebbend goeroe. Hij weet waar de oplossing gezocht moet worden; hij weet
dat hij het geweld van allen tegen allen moet ombuigen naar het geweld van allen
tegen één. De eensgezindheid moet hersteld worden.
-
Er wordt niet gezocht naar de oorzaak van het probleem maar naar een schuldige.
Er wordt iemand voor aangewezen, willekeurig. Het is iemand die, zoals in de
meeste mythen, de kenmerken van een zondebok vertoont: bedelaar, blind lijkend,
met een homp brood.
-
Er is de mimetische besmetting. De aanvankelijke weigering van de Efesiërs
wordt door Apollonius weggewerkt, hij weet iemand te bewegen tot het gooien van
de eerste steen, en dan komt de mimese op gang, zij beginnen allemaal stenen te
gooien, als één man staan ze op tegen de ongelukkige bedelaar, allen tegen
één, het eensgezinde geweld.
-
Ze stenigen hem met zon razernij dat ze in hem ten slotte dát zien wat
Apollonius wil dat ze zien: de aanstichter van al hun kwalen, de man met de
stekende ogen, het boze oog, het beest, het monster, de demon van de pest.
Hij is de schuldige van alle ellende. Hij moet
omwille van de genezing van de stad geliquideerd worden. Er is niet een
slachtoffer maar een schuldige.
-
De gestenigde blijkt een boze geest te zijn, dat wil zeggen de steniging heeft
de bedelaar gedemoniseerd, hij is niet gestenigd omdat hij een monster was, de
steniging heeft hem tot monster gemaakt. Hiermee wordt op een andere manier dan
in een volledige mythe de lynchpartij gecamoufleerd. De eerste verdraaiing is er
wel, een onschuldige wordt schuldig verklaard, maar het weerzinwekkende van wat
er gebeurt wordt niet verborgen, terwijl in een volledige mythe de wording
van de mythe onder zon compacte gedaante schuilgaat dat ze onontcijferbaar
lijkt (Girard 2000: p. 73). De
moord wordt ontdaan van het moord-karakter. Het is geen moord; zij hebben juist
gehandeld met de steniging; in die overtuiging zijn zij opnieuw vredelievend
eensgezind. De gemeenschap is weer in vrede met elkaar.
-
Zij bevestigen dit door alles wat er gebeurd is onder bescherming te stellen van
de god Heracles, de god die zelf de
strijd had aangebonden met achtereenvolgens twaalf monsterlijke wezens. De vrede
die in de samenleving bereikt is, krijgt een goddelijke betekenis. Het is een
goddelijk wonder.
In
deze mythe vindt geen vergoddelijking van het slachtoffer plaats. Deze mythe is
dus onvolledig, er
vindt geen tweede verandering/verdraaiing plaats. Uit de gang van zaken blijkt
echter dat zelfs in de tweede eeuw van onze jaartelling een gebeurtenis als deze
in Thebe nog gezien en beleefd werd
in de religieuze context waarin men leefde. Door Heracles erbij te betrekken
wordt er een religieuze betekenis aan gegeven en daaraan ontleent de hele
gebeurtenis haar legitimiteit en effectieve werking.
Filostratus beschrijft zijn steniging te rechttoe rechtaan, te
realistisch om niet ongewild licht te laten schijnen over een proces waarvan hij
zelf, paradoxalerwijze, de dupe is. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat
deze schrijver bijzonder sadistisch is en dat hij veel van zijn geloofsgenoten
verschilt. Hij is geworteld in de voorvaderlijke religie en daar kan hij niet
met kritische afstand naar kijken. Hij brengt de middelen die zij heeft aan het
licht zonder ze zelf op te merken, en de afschuw die zijn relaas bij ons
teweegbrengt zou hem ongetwijfeld diep verbazen. (Girard 2000:
p. 73)
Dit
wonder van Apollonius van Tyana toont de werking van het zondebokmechanisme, dat
de kern vormt van alle mythen. De eensgezindheid, de orde in de gemeenschap,
wordt hersteld door eensgezind te zijn in het geweld tegen de zondebok, het
slachtoffer. Volgens de mythe komt het geweld de gemeenschap ten goede. Het
eensgezinde geweld is cultuurstichtend.
Het
bovenstaande is onze formulering van wat er gebeurd is. De tijdgenoten zagen dit
niet zo. Zij waren zich hiervan niet op deze wijze bewust. Voor hen was het zo
dat er eerst voorafgaand wederzijds geweld was in de vorm van onderlinge ruzies
en strijd van allen tegen allen, zodanig dat de gemeenschap eraan ten onder
dreigde te gaan. Opeens en op onverklaarbare wijze blijkt er een schuldige te
zijn, aan wie alle ellende te wijten is. De eliminatie van deze schuldige zal de
samenleving weer op orde brengen, de onderlinge vrede weer herstellen. Deze
eliminatie is derhalve geen moord en geen geweld, maar een terechte
uitschakeling tot welzijn van iedereen. Dit bedoelen wij als wij zeggen dat in
de mythe het geweld verhuld wordt. Wij noemen het een mechanisme, omdat de
mensen niet bewust weten wat zij doen. In deze zin zeggen wij dat het
zondebokmechanisme het overlevingsmechanisme van een gemeenschap was om niet ten
onder te gaan aan haar eigen geweld.
Maar
een gemeenschap wordt er zich op den duur van bewust niet elke keer het
onderlinge collectieve geweld maar te kunnen afwachten en elke keer de
gemeenschap in gevaar te zien komen. Men zag in dat het beter was het geweld te
voorkomen. Hoe kon de eensgezindheid (aanvankelijk in de hoedanigheid van
eensgezind geweld) en het
cultuurstichtende karakter daarvan gecontinueerd worden? Over de continuering
van de verworven vrede in de eigen gemeenschap handelt het volgende hoofdstuk.
HOOFDSTUK
2
In
onze Westerse samenleving gaat men er veelal vanuit dat religie geen rol speelt
in het publieke leven. Een van de
uitingen daarvan is de scheiding van kerk en staat. De algemene opvatting is dat
religie een privé-aangelegenheid is. Dit houdt in dat men naar eigen keuze en
behoefte wel of niet aan religie kan doen. Bij deze privé-visie op religie
hoort de opvatting dat het bij religie gaat om heel persoonlijke belevingen, die
te maken hebben met wat de mens te boven gaat.
Men
zou kunnen denken dat religie wezenlijk in de private sfeer thuishoort. Girard
laat echter zien dat dat in elk geval niet van oorsprong zo is. Aan de hand van
grondige tekstlezingen laat hij zien dat een gerichtheid op het hogere (het
heilige) en de persoonlijke innerlijke beleving niet de oorspronkelijke en
eerste ontstaansgrond van religie is. Het is niet zo dat er vanaf het begin
eerst het bewustzijn van het goddelijke was en dat van daaruit de mensen hun
persoonlijke leven en dat van de gemeenschap hebben ingericht. Het is anders
gegaan. De eerste en fundamentele angst en zorg van de oorspronkelijke
samenleving betrof het onderlinge geweld, want dat was de grote bedreiging voor
het voortbestaan van de gemeenschap, niet natuurrampen of andere externe
gevaren; deze werden vaak vertaald naar wanorde in de samenleving. Vanuit
die angst en zorg is alles ontstaan wat religie is gaan heten, het
verbinden (religare) van de mensen.
De
oorspronkelijke volgorde was dus: eerst de gebeurtenissen in de mensenwereld en
daarna de goden, en niet andersom. Religie was er in oorsprong op gericht en had
als doel de mensen van een gemeenschap in vrede met elkaar te doen leven door
het uitsluiten van geweld en dat heeft geleid tot de geboorte van de goden
om dit te autoriseren. Girard zegt in God
en Geweld: Het eensgezinde geweld is de oorsprong van alles: de terugkeer
van de vrede en de verwekking van de goden. (Girard 1994: p. 94)
Religie
is ontstaan in en ten dienste van het samenleven van de mensen, het is iets van
en tussen mensen; en de noodzaak en de oorsprong ervan ligt in het wederzijdse
geweld dat vermeden moet worden. In
de bestrijding en het voorkomen van het wederzijdse
geweld heeft vervolgens het eensgezinde
geweld wel een grote rol gespeeld, zij het verhuld in het zondebokmechanisme.
Religie heeft dus wel iets met geweld te maken, op twee manieren: het moet het
wederzijds geweld voorkomen en tegelijk maakt het
gebruik van geweld (verhuld in de viering van een offer) om dat doel te
bereiken. Dit is de reden waarom Girard uiteindelijk deze (archaïsche) religie
afwijst, terwijl hij tegelijkertijd de grote rol ervan erkent
in de totstandkoming van de cultuur; religie heeft het samenleven van de
mensen mogelijk gemaakt. Het
zondebokmechanisme heeft in de feitelijke gang van zaken gezorgd voor het behoud
van de gemeenschap en de religie continueert de werking ervan
Het
beeld dat door de voorbeelden die ik in de inleiding van deze scriptie heb
gegeven werd opgeroepen, moet omgekeerd worden. De voorstelling dat religie tot
geweld leidt is gebaseerd op een foutieve beeldvorming. Overigens is die
beeldvorming wel een teken van de negatieve waardering en beoordeling van
religie, omdat deze uit de tijd zou zijn. Girard meent daarentegen dat
inzicht in de oorsprong en betekenis van religie van belang is voor het verstaan
van onze huidige cultuur. Om religie goed te kunnen begrijpen, is zicht nodig op
haar oorsprong. Een eerste stap hierbij is een analyse van het zogenaamde
sacrale.
Waarom
zijn er overal riten en verboden, waarom was er vóór de huidige tijd nooit een
samenlevingsverband dat niet werd beheerst door een bovennatuurlijk wezen?
Girard stelt deze vragen op de eerste bladzijde van Wat vanaf het begin . . . Met
deze vragen illustreert hij hoe ver
wij in de huidige wereld af zijn komen te staan van het ondoorgrondelijk
mysterie, het ontzagwekkende, al datgene dat met de meest geduchte taboes was
omgeven en het leven in de gemeenschap beheerste. De mensen in de oude
samenlevingen leefden in een sacrale omgeving en konden niet anders denken dan
in deze context. Zij stelden zich geen vragen vanuit een individueel denken,
omdat dit individueel denken niet bestond.
Om
enig inzicht te krijgen in de context waarin de mensen leefden moeten we terug
naar de eerste keer dat het interne geweld de gemeenschap bijna vernietigd had,
maar wat hersteld werd door het eensgezinde geweld tegen de zondebok. Dat
vernietigend geweld moet in de toekomst voorkomen worden. In die context heeft
het sacrale een dubbele betekenis, afkomstig van de dubbele betekenis van sacer:
monsterlijk/vervloekt/boosaardig en heilbrengend/weldadig.
En dit heeft alles te maken met het geweld zelf: het geweld werkt
afschrikwekkend en vernietigend als het wederkerig is, maar het werkt heilzaam
en vredestichtend als het eensgezind is. Zo werkt het zondebokmechanisme. Het
geweld zelf is sacraal. Wij zijn gemakkelijk geneigd om bij het overdenken
hiervan deze gebeurtenissen ver weg te plaatsen in een ver verleden en we vragen
ons dan af wat de betekenis daarvan nu nog is. Als we echter, verrijkt met
inzicht in de fundamentele rol van het geweld in de oude
samenleving, kritisch kijken naar onze huidige samenleving dan zien we
dat dit alles niet ver weg is. Ook in onze huidige wereld krijgt het geweld dat
ons allemaal bezig houdt een religieuze lading en een sacrale betekenis:
afschuwelijk en hoop op vrede
brengend. Het samengaan van deze twee werkelijkheden beschrijft Girard in La
Violence et le Sacré.
De
werking van het geweld in de samenleving is zeer complex. Het spel van het
geweld, zoals Girard het noemt, heeft een eigen bestaan en mag niet
gepersonaliseerd worden. Door de vertaling in het Nederlands God
en Geweld wordt wel een
personalisering gesuggereerd. Dit is
een vergissing die juist hierin bestaat dat ze de weldadige metamorfose
toeschrijft aan de bovennatuurlijke aard van het slachtoffer en daarmee de
suggestie wekt dat hierin het spel van het soevereine geweld wordt geïncarneerd.
De onpersoonlijke interpretatie van het spel van het geweld is de enige
mogelijkheid om de dubbele inhoud van sacraal
recht te doen, omdat dit zowel het weldadige als het boosaardige in zich
heeft. In veel talen bestaat een analoge term met deze dubbele inhoud, zoals het
mana van de Melanesiërs, het wakan
van de Sioux en het orenda van de
Irokezen. De taal van het sacer stelt
geen enkele tussenkomst, zelfs niet van een bovennatuurlijk wezen voorop. Het sacer kan niet antropomorfistisch gezien worden en dit betekent dat
religie niet door het antropomorfisme verklaard kan worden. Religie bestaat er
niet in het niet-menselijke te humaniseren of een ziel te geven. Dit
is de reden waarom Girard in de titel van zijn boek de onpersoonlijke woorden geweld
en goddelijkheid opneemt. Deze onpersoonlijke bevatting is
fundamenteel. (Girard 1994: p. 260) Girard wijst erop dat er in bijvoorbeeld
Afrika zoals ook elders maar één enkel woord is om de twee gezichten van het
sacrale aan te wijzen, het spel van de culturele orde en wanorde, van het
verloren en het teruggevonden verschil.
Ook
het offer kan gezien worden in functie van het sacrale alleen, dus los van een
god. Dit betekent dat in het offer het boosaardig geweld door het slachtoffer
gepolariseerd wordt en door de offerdood in weldadig geweld wordt omgezet of,
wat op hetzelfde neerkomt, wordt
uitgedreven. Het sacrale, dat slecht is binnen de gemeenschap, wordt goed als
het weer naar buiten verplaatst wordt. In
de taal van het sacrale wordt het geweld aan de mens ontrukt om het als een
afzonderlijke, ontmenselijkte entiteit te poneren. Het levende geweld van de
menselijke verhoudingen wordt tot een iets gemaakt, een quasi-substantie.
Tegelijk is de taal van het sacrale mythisch omdat zij verhult dat er geen
sacraal spel bestaat zonder zondebok.
Dit
alles houdt in dat het sacrale spel en het spel van het geweld één en
hetzelfde zijn. Girard zegt dat de uitspraak (of titel) het geweld en
het goddelijke even goed kan zijn: het geweld of
het goddelijke. In de schoot van het sacrale is alles aanwezig wat met de
term geweld bedoeld wordt, maar ook iets anders en zelfs het tegengestelde van
het geweld zit erin. Er is ook orde zowel als wanorde, vrede zowel als oorlog,
schepping zowel als vernieling.
Deze
mengeling van heterogene en tegengestelde dingen heeft velen ervan weerhouden om
een definitie van het sacrale te beproeven. Girard daarentegen weet alle
elementen van het sacrale in een verstaanbaar geheel te organiseren via het
spoor van het stichtende/eensgezinde geweld, zoals het volgende citaat uit God
en Geweld moge illustreren:
Wie het stichtende geweld ontdekt, begrijpt waarom het sacrale alle
tegengestelden in zich verenigt:
niet omdat het van het geweld verschilt, maar omdat het geweld van zichzelf
lijkt te verschillen. Nu eens herstelt het rond zich de eensgezindheid om de
mensen te redden en de cultuur te stichten, dan weer lijkt het zijn best te doen
om te vernielen wat het had opgericht. De mensen vereren niet het geweld op
zich, ze onderhouden geen cultus van het geweld in de zin van de huidige
cultuur; ze vereren het geweld omdat het hun de enige vrede verschaft waar ze
ooit van kunnen genieten.
Doorheen het geweld dat hen angst inboezemt, is de verering van de
gelovigen dus altijd gericht op geweldloosheid. Deze geweldloosheid lijkt zomaar
een geschenk van het geweld en niet ten onrechte aangezien de mensen alleen in
staat zijn zich met elkaar te verzoenen ten koste van een derde. Het maximum dat
de mensen op het vlak van de geweldloosheid kunnen bereiken, is de
eensgezindheid min één rond de
zondebok. (Girard 1994: p. 261)
Girard
voegt hieraan toe dat het religieuze denken het geweld niet vergoddelijkt, maar
het is tegelijkertijd ook zo dat het religieuze denken weigert om de sociale
eenheid aan de mensen toe te schrijven. De westerse moderne wereld is tot nu toe
ontsnapt aan het essentiële geweld dat haar totaal zou kunnen vernietigen. Dit
is een voorrecht. Het moderne denken heeft echter geen flauw vermoeden van de
aard en de reden van dit voorrecht en blijft de oorsprong van de samenleving
toekennen aan een al dan niet expliciet sociaal contract dat zou
voortkomen uit de rede of het gezond verstand of de wederzijdse
inschikkelijkheid of een goed begrepen belang enzovoort. Dit moderne denken is
niet in staat een functie te geven aan de essentie van het religieuze. Girard
zegt in God en Geweld dat dit
onvermogen van mythische aard is, het ligt in het verlengde van het religieuze
onvermogen dat het menselijk geweld wegmoffelt en de bedreiging die dit geweld
voor de hele menselijke samenleving betekent, miskent:
Zelfs de meest primaire religie bevat een waarheid die aan alle
stromingen van het niet-
religieuze denken ontsnapt, ook aan de meest pessimistische. Ze
weet immers dat de
grondvesten van de menselijke samenleving niet iets vanzelfsprekends zijn
die aan de
verdiensten van de mens moeten worden toegeschreven. De relatie tussen
het moderne
denken en de primitieve religie verschilt dus erg van wat wij ons
voorstellen: wij hebben met het religieuze denken gemeen dat wij evenals zij het
geweld fundamenteel miskennen. Daarentegen bevat het religieuze een aantal
elementen van kennis van dit geweld die volkomen reëel zijn en ons totaal
vreemd zijn.
De religie vertelt de mensen werkelijk wat ze moeten doen en niet mogen doen om de terugkeer van het
vernietigende geweld te vermijden. Als de mensen de riten verwaarlozen en de
verboden overtreden, dagen ze letterlijk het transcendente geweld uit om in hun
midden terug te keren, om de demonische verleidster te worden, de formidabele en
nietige inzet waarrond ze elkaar, fysiek en geestelijk, zullen vernietigen tot
de totale ontbinding. (Girard 1994: p.
262)
Een
van de vele voorbeelden van de gelijkheid van het geweld en het sacrale is het
verschijnsel in Afrika dat de bewerking van metaal met taboes omringd wordt en
dat de smeden er met sacraliteit bekleed worden. Metaal is een onschatbare
rijkdom: het verlicht de menselijke
arbeid en men kan er zich mee verdedigen tegen vijanden. Maar er zit ook een
tegenkant aan deze voordelen. Alle wapens zijn tweesnijdend. Ze verhogen de
risicos die een gemeenschap door haar eigen, inwendige onenigheid loopt. De
dubbele neiging die de mens nu eens tot cohesie en harmonie, dan weer tot
dissociatie en conflict voert, wordt door het aanschaffen van metaal versterkt.
Zo is de smid, ten goede en ten kwade, heerser over een hoger geweld. Hij is in
de dubbele betekenis van de term sacraal.
Hij geniet enerzijds privileges maar
wordt anderzijds ook als een enigszins sinistere figuur beschouwd. Men mijdt
zijn nabijheid en de smidse is buiten de gemeenschap gesitueerd.
Girard
maakt een verbinding met onze tijd door te wijzen op de enorme zelfingenomenheid
van onze huidige technische cultuur die meent alles eigenmachtig zelf in de hand
te hebben. Hij wijst dan op de bedreiging van onze kernwapens en onze industriële
vervuiling. Deze bedreiging is een, zij het een spectaculaire, van de vele
toepassingen van een wet die de oude volken slechts half konden vatten maar wel
als reëel hebben ervaren, terwijl wij die wet als puur denkbeeldig beschouwen
en er geen rekening mee houden. Deze wet luidt: Wie het geweld manipuleert
zal er uiteindelijk door gemanipuleerd worden. Zoals vanouds blijven wij de
greep van het geweld op de menselijke samenlevingen miskennen. Daarom erkennen
wij ook niet graag de gelijkheid van het geweld en het sacrale.
Girard
zou Girard niet zijn als hij dit alles niet tevens met een beroep op teksten en
taal zou onderbouwen. Op dit punt wijst hij naar de lexicografie. In
verschillende talen, met name in het Grieks, bestaan inderdaad termen die het
niet-verschil tussen het geweld en het sacrale aantonen. Hij wijst ook op het
verschijnsel dat er in de culturele evolutie een streven is ontstaan om
betekenissen uit elkaar te halen en dat men daarom een complex begrip in twee
woorden ging splitsen om op deze manier eenduidige betekenissen te verkrijgen.
De moderne lexicografie is erop gericht dat wat door de primitieve taal verenigd
werd te dissociëren. Zo moest de aanstootgevende samenvoeging van geweld en
sacraliteit gewoonweg uitgeschakeld worden. De termen die in de meest
uiteenlopende talen naar het sacrale verwijzen, stellen het moderne denken
inderdaad voor een probleem en men wil dit graag wegmoffelen. De woorden die
Girard in dit verband ontleedt zijn: hieros,
kratos en het afgeleide adjectief krateros:
termen die de samenvoeging van het goede en het slechte geweld in de schoot van
het sacrale openbaren. Als voorbeeld van deze samenvoeging: het goede krateros van helden en goden is hetzelfde als het slechte krateros
van monsters, epidemieën en dieren. Een voorbeeld van een splitsing
die de twee zijden van het sacrale als twee ononafhankelijke entiteiten wil
beschouwen, is wat er gebeurd is ten aanzien van het woord sacer. In het Latijn was
in dit woord de oorspronkelijke dualiteit verenigd, maar vanuit de behoefte om
een term te vinden die alleen het weldadige aspect uitdrukt is het woord sanctus
ernaast gekomen, als de tegenhanger van sacer.
Het
leven in de ban van het sacrale, zoals hierboven beschreven, heeft gestalte
gekregen in mythen, verboden en riten, die samen het religieuze vormen. Door
deze praktijken is het leven in de oorspronkelijke samenleving leefbaar
geworden. Anders gezegd: Religie ligt aan de basis van het beschaafd samenleven,
de cultuur. Men kan ook zeggen dat de samenleving in oorsprong religieus is. Ook
moet gezegd worden dat dit alles niet is uitgedacht; het is niet uit te denken
In Wat vanaf het begin
schrijft
Girard: Geen wetenschap, geen filosofie is bij machte de riten van a tot z
uit te denken en automatisch uit te komen bij systemen, die achter de veelheid
van hun verschijningsvormen toch de bestendigheid verbergen, die kenmerkend is
voor de religieuze stelsels van de mensheid. (Girard 1990:
p.35)
Wat
ook niet uit te denken is, is het feit van de ambivalentie in de religieuze
praktijken. Het goede en het kwade, het gunstige en ongunstige zijn onscheidbaar
met elkaar verstrengeld. In een uitgedacht systeem zouden deze tegenstrijdige
elementen ieder een eigen en onderscheiden plaats en functie hebben gekregen; zo
niet in de gemeenschap stichtende religie, die daarmee bewijst uit het leven
gegrepen te zijn. De paradox van de verboden en de riten kan wellicht gezien
worden als een van de tekenen daarvan: de een doet wat de ander verbiedt.
De
drie genoemde praktijken zijn drie manieren om de conflictueuze rivaliteit in te
perken. Wat betreft de mythen is in het vorige hoofdstuk duidelijk geworden dat al wat in
de mythen was opgeslagen en werd doorverteld diende om de herinnering aan de
catastrofe en de redding van in het begin levend te houden. Maar het voorkomen
van een nieuwe uitbarsting van geweld heeft meer nodig dan alleen de
herinnering.
De
verboden hebben een anti-mimetisch
karakter, zij zijn gericht tegen de escalatie van de besmettelijkheid van de
mimetische rivaliteit die, zoals in de mythen in herinnering werd gehouden, op
den duur de gemeenschap ondergraaft. Zij betreffen zaken die de gemeenschap niet
bij machte is op vredelievende wijze onderling te verdelen, vooral zaken die
voor alle leden van de groep voortdurend onder handbereik zijn en zich er
daardoor uitstekend toe lenen inzet te worden van rivaliserend gedrag dat de
harmonie en zelfs het voortbestaan van de gemeenschap bedreigt: de vrouwen, het
voedsel, de wapens, de beste plaatsen enzovoort. Eigenlijk zijn het ordeningen
die mogelijk zijn geworden dankzij het bewustzijn van de afhankelijkheid van de
sacrale macht. Door deze boven de gemeenschap verheven bron van heil en onheil
is het mogelijk geworden om binnen de gemeenschap differenties, relaties en
ordeningen tot stand te brengen. Al die ordeningen werden beleefd als
verordeningen, geboden en vooral verboden, restricties, taboes, die in acht
moesten worden genomen uit eerbied voor de sacrale oorsprong en waarborg van de
vrede. Het geloof in de bovenmenselijke sacrale aard van de verboden was
essentieel voor het gezag en de geweld voorkomende functie ervan. Girard wijst
er in Vanaf het begin . . . nogmaals op dat dit betekent dat dit gezag
berustte op het verborgen blijven van hun menselijke, gewelddadige oorsprong.
Zou dit niet het geval geweest zijn, dan zouden het afspraken van mensen
onderling geweest zijn in de geest van het sociaal contract van Hobbes.
De
functie van de riten wordt door Girard
getypeerd met mimese als noodzaak. Hier ligt de paradox met de verboden.
In de riten wordt de mimetische crisis uitgebeeld en dat betekent overtreding
van de verboden. In hun rituelen geven de oude gemeenschappen zich bijna
helemaal over aan wat zij normaliter vóór alles vrezen: het uiteenvallen van
de samenleving door de mimetische crisis. Girard beschrijft dit opmerkelijke
gedrag in Wat vanaf het begin . . .
als volgt:
Zoals in de Franse folklore Gribouille in de rivier op zoek gaat naar
een schuilplaats tegen de regen, zo begeven de gemeenschappen zich, lijkt het
wel, vrijwillig in het kwaad dat zij vrezen, omdat zij geloven dat zij het zo
kunnen voorkómen. De religieuze instellingen, die zich anders zo angstvallig
plegen op te stellen, leggen in de riten eigenlijk een ongelooflijke
vermetelheid aan de dag. Niet alleen dat zij hun gebruikelijke behoedzaamheid
laten varen, maar in hun gedreven mimetisme beelden zij óók nog zo goed
mogelijk hun eigen ontbinding uit; dat gebeurt allemaal alsof men denkt , dat de
gesimuleerde desintegratie de werkelijke desintegratie kan tegen houden. Maar
deze benadering brengt haar eigen problematiek met zich mee, want het is juist
dat onderscheid tussen het oorspronkelijke en
de reproductie, dat door de religieuze conceptie van de mimese wordt aangetast.
[
]
Men weet niet waarom gemeenschappen, die op een bepaald soort gevaar
reageren door hun best te doen het uit de weg te gaan, plotseling helemaal
veranderen, met name wanneer het
gevaar acuut lijkt, en waarom ze dan hun toevlucht nemen tot het
tegenovergestelde middel, dat hen toch grote angst zou moeten aanjagen. (Girard
1990: p.35)
Hier
worden we herinnerd aan Plato die bang was dat het opgeroepen geweld
besmettelijk zou werken. Hij had daarbij vooral de mythen op het oog. Die zouden
volgens hem geschoond moeten worden van de verhalen over het geweld en de
wandaden van de goden. De door hem geëiste censuur heeft nooit ingang gevonden,
maar het typeert wel zijn inzicht. Zijn vrees voor de besmettelijke kracht van
de gewelddadigheid blijkt ook voort te komen uit een oprecht religieuze geest.
Om tegenwicht te geven tegen deze gewelddadigheden, zoals deze in herinnering
gehouden worden in de mythen, acht hij een vorm van geweld nodig die enerzijds
vergelijkbaar is, maar anderzijds tevens legitiem en heilig is, en dat is de
offering van een zo belangrijk mogelijk slachtoffer.
Girard
sluit hierbij aan en wijst erop, dat wij ons in onze aandacht voor religie en
rituelen niet mogen beperken tot het uitbeelden van de mimetische crisis, want
dat we daarmee iets uitsluiten wat in de riten meestal de belangrijkste plaats
inneemt en waarop de riten meestal eindigen: het offer.
Er
hangt een mysterie rond het offer zegt Girard op de eerste bladzijde van God
en Geweld. Tegenwoordig is het mysterie nog even ondoorgrondelijk als
ooit tevoren. Het offer behoort tot de sfeer van het sacrale; het deelt in de
dubbelheid van het gewelddadige en het vrede brengende, het duistere en tegelijk
het heilzame, de dood die tot leven wekt. Een vaak voorkomende opvatting over
het offer is dat een offer wordt opgedragen aan een god. Het is echter zo dat de
offers er eerder waren dan de goden. De volken vinden hun goden niet uit, zij
vergoddelijken hun slachtoffers; het geweld werkt immers verzoenend, dus zijn de
slachtoffers goddelijk.
Voor
de verklaring van het offer moeten we terug naar wat de oude samenleving het
meest vreesde, het onderlinge geweld. Het geweld is angstaanjagend vanwege de
blinde bruutheid en de absurditeit van zijn uitbarstingen. Er zit in het geweld
echter ook een tegengewicht: het blinde collectieve geweld heeft de vreemde
neiging om zich op een plaatsvervangend slachtoffer te richten. Dit maakt het
mogelijk om het vijandige geweld te slim af te zijn en het op het juiste moment
een onbeduidende prooi toe te werpen waarmee het zich tevreden kan stellen. Het
geweld moet misleid worden. Girard oppert de veronderstelling dat de sprookjes
waarin een wolf, een reus of een draak in vraatzuchtige gulzigheid een grote
steen verorbert in plaats van het kind dat hij wilde hebben, wel eens een
offerkarakter kunnen hebben. De gemeenschap probeert het geweld dat zich tegen
haar eigen leden kan keren, tegen degenen die zij tot elke prijs wil beschermen,
af te wenden op een relatief onverschillig slachtoffer, op een offerbaar
slachtoffer. Dit is een plaatsvervangend offer. Er gebeurt in het offer een
substitutie om het geweld te misleiden:
Men kan het geweld alleen misleiden voor zover men het niet elke
uitweg afsnijdt en het inderdaad iets te eten aanbiedt. Misschien is dit
wel een van de betekenissen van het verhaal van Kaïn en Abel. De bijbelse tekst
verschaft over elke broer maar één bijzonderheid: Kaïn bewerkt het land en
biedt God de opbrengst van zijn oogst aan, terwijl Abel herder is en de
eerstgeborenen van zijn kudde offert. Eén van beide broers doodt de ander en
wel juist degene die niet over het dierenoffer beschikt, hét middel om het
geweld te misleiden. (Girard 1994: p. 10)
Dit
citaat getuigt van een denkwijze die typerend is voor Girard. Er wordt een
complexe gedachte gelanceerd, die niet geheel wordt uitgewerkt en daardoor een
suggestieve kracht heeft. Dit zet een denkproces in werking, in dit geval over
de relatie tussen offer en geweld.
Wat
gebeurt er precies? Er wordt een offer gebracht aan het geweld, dat daardoor
misleid wordt. Er wordt een dier (of een mens) geplaatst tussen de mensen en het
geweld. Het geweld verliest daardoor zijn oorspronkelijk object uit het oog.
Maar ook de mensen verliezen het geweld uit het oog, zowel het geweld dat
voorkomen wordt als het geweld in het offer. En dat is ook de bedoeling. Van
deze miskenning hangt de werking van het offer af. De mensen weten niet welke
rol het geweld speelt en als ze het zouden weten, frustreren ze de werking
ervan. In hun beleving werken de dingen nu eenmaal zo, als een mechanisme, niet
geweten of doorzien. In de sacrale sfeer waarin zij leven wordt verondersteld
dat de godheid slachtoffers opeist en dat wordt niet ervaren als geweld, terwijl
het natuurlijk zo is dat het sacrale en het geweld samengaan. Indien er inzicht
zou hebben bestaan in het substitutiekarakter van het offer dan zou dit de
werking van het offer tenietgedaan hebben en dat zou geleid hebben tot
desintegratie en tot ongebreideld geweld. In een samenleving waarin geen
curatieve middelen bestaan om geweld te herstellen of te doen afschrikken van
geweld, kan een klein conflict tot een keten van wraakacties leiden. In zon
samenleving staat preventie van geweld op de voorgrond. Het offer is een
preventief wapen in de strijd tegen het geweld. Het offer richt de agressieve
neigingen, al voordat ze manifest worden, op slachtoffers die nooit de
mogelijkheid van wraak in zich dragen. Dit werkt slechts tijdelijk, maar, zo
schrijft Girard in God en Geweld, het
kan oneindig vaak herhaald worden. Het helpt de mensen de wraak in bedwang te
houden. (Vgl.
Girard 1994: p. 23)
In
elk offer wordt onbewust want het werkt als een mechanisme
teruggegrepen naar wat er in het begin gebeurd is rondom de zondebok en
wat daarvan het gunstige gevolg was, namelijk het verdwijnen van het onderlinge
wederzijdse geweld en de terugkeer van de onderlinge vrede. De rituele herhaling
hiervan, het offer, heeft een reële functie en de plaatsvervanging die zich
hier afspeelt, de substitutie, betreft de hele gemeenschap, niet een individu.
Het slachtoffer is de plaatsvervanger voor en wordt aangeboden aan alle leden
van de gemeenschap door alle leden van die gemeenschap. Zo beschermt het offer
de hele gemeenschap tegen haar eigen geweld; het leidt de hele gemeenschap af
naar slachtoffers die er buiten staan; het versterkt de sociale eenheid. Al het
andere volgt daaruit:
Als we het offer begrijpen vanuit dit essentiële aspect en het dus
benaderen langs de koninklijke weg van het geweld, dan wordt het duidelijk dat
het offer het hele menselijke leven raakt, zelfs de materiële welvaart. Als de
mensen niet meer in goede verstandhouding met elkaar leven, dan schijnt de zon
en valt de regen weliswaar zoals gewoonlijk, maar dan worden de akkers minder
goed bewerkt, en dat heeft gevolgen voor de oogst. (Girard 1994: p. 14)
Op
het gebied van wraak, weerwraak en genoegdoening is er een groot verschil tussen
ons en de oude samenlevingen. Wij kennen het gevaar dat er wraak wordt genomen
niet meer - ofschoon het de laatste tijd toch weer dichterbij is gekomen. In
ieder geval weten wij niet waartoe het offer kan dienen. Wij hebben de religie
niet nodig om een probleem op te lossen waarvan wij zelfs niet weten dat het
bestaat. Het vervagen van het probleem verhult voor ons de religie als
oplossing. Wij begrijpen niet wat religie ertoe doet. Dit is er de oorzaak van
dat deze oude samenlevingen voor ons een mysterie vormen.
In
deze samenlevingen zijn de rampen die het geweld dreigt te ontketenen zo groot,
en de middelen ertegen zo beperkt, dat het accent op de preventie ligt. En
preventie is vóór alles het domein van de religie. Deze religieuze preventie
kan een gewelddadig karakter hebben. Het geweld en het sacrale zijn niet van
elkaar te scheiden. Achter het geheel van de strakke voorschriften van het
rituele offer gaat een listig gebruik van bepaalde eigenschappen van het
geweld schuil, met name van het vermogen van het geweld om zich van het ene naar
het andere object te verplaatsen, het vermogen om het gevaar af te leiden van
nabije objecten naar verder weg gelegen objecten, met name ook de oorlog.
Een
volgende stap in de ontwikkeling naar een samenleving met een bepaald soort
beschaving wordt zichtbaar in het verschil dat gevormd wordt door de
afwezigheid of aanwezigheid van twee instituties, te weten het rechtssysteem en
het offer Het onderzoeken en
vergelijken van deze instellingen kan ons verder brengen in de kennis van de
grote impact van het geweld in de oude samenlevingen (vgl. Girard 1994: p. 24
evv.).
De
religie probeert altijd het geweld te sussen en een uitbarsting te verhinderen.
De religie streeft naar geweldloosheid, op directe wijze door middel van de
verboden en op indirecte wijze door een paradoxale tussenkomst van het geweld.
In het offer onderwerpt, regelt, ordent en kanaliseert de primitieve religie het
geweld om het vervolgens te gebruiken tegen elke vorm van eigenlijk onduldbaar
geweld, en dit dan in een algemene sfeer van geweldloosheid en rust. Het is een
vreemde combinatie van geweld en geweldloosheid. En juist op dit punt kan men
religie vergelijken met het rechtssysteem, waarvan men nagenoeg hetzelfde kan
zeggen inzake de combinatie van geweld en geweldloosheid. Het verschil tussen
het rechtssysteem en het offer zit hem in de wijze van omgaan met de wraak en de
dreiging van wraak. In het offer wordt op preventieve wijze de wraakzucht van de
leden van de gemeenschap afgeleid naar een risicoloos slachtoffer. In het
rechtssysteem wordt curatief op een afdoende wijze en zonder risico van
weerwraak de wraak toegepast op de echte schuldige, en dit kan in de gemeenschap
ook preventief werken. Het rechtssysteem is
doeltreffender dan het offer.
In
de oude samenlevingen zijn, in onze ogen, de curatieve methoden en middelen
onderontwikkeld. Er wordt tastend gezocht naar datgene wat het
rechtssysteem moet worden. Het pragmatisch
belang staat voorop, en dit is dat er na een misdaad niet een keten van wraak op
gang zal komen. De meeste aandacht gaat daarom niet uit naar de schuldige maar
naar de slachtoffers die niet gewroken zijn. Van hen komt het meest
onmiddellijke gevaar. Zij moeten een genoegdoening krijgen die hun verlangen
naar wraak tot bedaren brengt zonder dat het elders wordt opgewekt. Het gaat
niet om het doen eerbiedigen van (abstracte) gerechtigheid. Het gaat erom dat
men door de wraak in de kiem te smoren de veiligheid van de groep waarborgt.
Behalve offers ter preventie hebben zich, voorzichtig, ook curatieve middelen
ontwikkeld, zoals de schikking en het duel, waarin het geweld beheersbaar wordt
gehouden binnen een kleine kring.
De
echte doorbraak voor het tegengaan van het geweld komt op het ogenblik dat de
tussenkomst van een onafhankelijke rechterlijke macht dwingend
wordt. Daarmee wordt de mens bevrijd van zijn verschrikkelijke wraakplicht.
De functie van de rechterlijke tussenkomst krijgt een eigen leven, ze komt los
te staan van de noodzaak tot directe wraakneming. Het is zelfs zo dat hoe minder
men zich bewust is van de functie van het systeem, des te beter het werkt. Zoals
in het geval van het offer de miskenning beschermend werkte zo doet het dat ook
in het geval van het rechtssysteem.
Het rechtssysteem werkt ten dienste van de vergelding, maar dan wel een
vergelding die verheven is tot een abstract rechtsprincipe dat vanuit de
menselijke plicht gerespecteerd zou moeten worden. En hiermee kreeg het de
bescherming van het mysterie zoals ook het offer zijn werking dankte aan het
mysterie. Dit als gevolg van het uit het oog raken van wat er eigenlijk
gebeurde: bij het offer was dat het voorkomen van wraak en bij het rechtssysteem
het toepassen van wraak. Zoals bij het offer het gebruiken van geweld verborgen
was gehouden, zo verbergt het rechtssysteem datgene waardoor het gelijk wordt
aan wraak, een wraak die op alle andere vormen van wraak lijkt behalve dat zij
geen gevolgen heeft, dat zij zelf niet zal worden gewroken. In het geval van het
offer wordt het slachtoffer niet gewroken omdat het niet het goede
slachtoffer is; in het geval van het rechtssysteem treft het geweld wel degelijk
het goede slachtoffer, maar met zon gezag dat geen weerwraak mogelijk
is. In het offer wordt de wraak voorkomen en afgeleid naar een ondergeschikt
doel. Het lijkt alsof men in de oude samenleving bij het offer zich afwendt van
de schuldige, maar dat gebeurt omdat men bang is de wraak te voeden. In het
rechtssysteem daarentegen wordt de wraak niet verborgen, het rechtssysteem
manipuleert de wraak zonder gevaar, het kan het geweld rechtstreeks
aanpakken, het heeft het monopolie in wraakneming. Het kan de wraak de kop
indrukken in plaats van haar op de spits te drijven, hetgeen in een primitieve
samenleving wel zou gebeuren door een dergelijke handelwijze. Uiteindelijk
hebben het rechtssysteem en het offer dus dezelfde functie, zo maakt Girard
duidelijk, maar het rechtssysteem is oneindig veel doeltreffender (Girard 1994:
p. 28).
De
methoden die het de mens mogelijk maken zijn geweld in te tomen, lijken allemaal
op elkaar door het feit dat niet één ervan losstaat van geweld. Dat al deze
methoden een dergelijke uitwerking hebben komt doordat zij geworteld zijn in de
religie. Religie, dat duistere geheel waarin alle curatieve en preventieve
middelen van de mens tegen zijn eigen geweld zijn gehuld en waartoe ook het
rechtssysteem gaat behoren als het de rol van het offer overneemt. Deze
duisternis heeft te maken met de transcendentie van het heilige, wettige,
gerechtvaardigde geweld tegenover het schuldige en onwettige geweld. Alleen een,
door allen erkende, transcendentie van het hele systeem kan de werking
ervan verzekeren doordat ze het heilige, gerechtvaardigde geweld onderscheidt,
een aparte status geeft.
Ter
verduidelijking en toelichting van de stelling dat de werking van het systeem
afhankelijk is van de transcendentie ervan verwijst Girard in God
en Geweld naar de werking van de offerriten (Girard 1994: p. 28). In de
offerriten worden slachtoffers in principe opgedragen aan een godheid en doordat
ze door die godheid aanvaard worden, gaat er van de hele gebeurtenis een werking
uit die meer tot stand brengt dan een daad die louter tussen mensen onder elkaar
plaatsvindt. Die offerdaad heeft een grotere diepte en lading door het goddelijk
karakter dat eraan wordt gegeven. Een dergelijke theologie zit ook achter het
rechtssysteem. Het rechtssysteem dankt zijn gezag aan die achtergrond; deze
theologie waarborgt de waarachtigheid van de rechtspraak. Zonder die theologie
zou het rechtssysteem overgeleverd zijn aan de wispelturigheid van nu eens die
en dan weer een andere mens. Door die theologie, die door iedereen als
vanzelfsprekend wordt aanvaard, staat het systeem boven de mensen, transcendeert
het de mensen. En de transcendentie blijft onaangeroerd, ook al verdwijnt deze
theologie. In ons deel van de wereld is deze theologie verdwenen, maar het
rechtssysteem blijft zijn transcendente autoriteit behouden.
Door
dit karakter wordt het heilige geweld (van het transcendente systeem) ervoor
behoed dat het voorwerp wordt van verwijten en twisten, dat wil zeggen dat het
terugvalt in de vicieuze cirkel van de wraak. Zodra er geen transcendentie van
(in oorsprong) religieuze aard meer is om het gerechtvaardigd geweld te definiëren
en het te onderscheiden van niet-gerechtvaardigd geweld, is het al dan niet
gerechtvaardigd zijn van geweld voorgoed overgeleverd aan de mening
van iedereen, en dat betekent dat elke gewelddadige zijn gewelddaad
gerechtvaardigd zal vinden. Er zal dan dus geen gerechtvaardigd geweld meer
zijn; dan zal er geen hinderpaal meer zijn om de keten van wraak tegen te
houden. Alleen de transcendentie kan er voor zorgen dat men gelooft in het
verschil tussen het offer en de wraak of tussen
het rechtssysteem en de wraak; en dat betekent dat alleen de transcendentie het
geweld blijvend kan misleiden.
Girard
wijst erop dat de rol van de religie nog altijd niet begrepen wordt. Men heeft
geen oog voor het preventieve karakter ervan en men mist het inzicht dat de
eindeloze wraak over de mens dreigt te komen nadat iedere godheid is vermoord.
Dan is er geen transcendentie meer van religieuze, humanistische of welke aard
dan ook, met als gevolg dat er geen verschil meer is tussen gerechtvaardigd en
niet-gerechtvaardigd geweld.
Tot
welke keten van geweld dit in de moderne tijd geleid heeft hoeft hier niet
uitvoerig vermeld te worden. De voedingsbodem daartoe wordt bereid, zoals Girard
hierboven op zijn eigen wijze gezegd heeft,
niet doordat de moderne samenleving de werking van de archaïsche
religie heeft doorzien en ontmaskerd (want dan zou er iets anders gebeurd zijn),
maar doordat zij zich blind gemaakt heeft voor elke invloed ten goede van welke
religie dan ook. We zien het om ons heen gebeuren. Zogenaamde vrede wordt
nagestreefd door middel van groot geweld. De onderlinge onvrede wordt
afgeschoven op minderheidsgroepen. De hang naar het gebruiken van geweld wordt
met een overdaad van gewelddadigheidspotentieel botgevierd op zwakke
tegenstanders. Veel van ons geweld drijven we uit naar de derde wereld waar nog
nooit zoveel armoede heeft geheerst. In een interview in 2004 zegt Girard:
De huidige wereld is beroofd van de beveiligingen waarin het offer
voorzag. Daardoor wordt zij meer bedreigd door het geweld dan de wereld die nog
offers kende ooit is geweest. <
> Tegenwoordig bevinden wij ons in een
stadium tussen het archaïsch religieuze en het christendom. Er zijn goede
redenen om te stellen dat wij in een zeer gewelddadige wereld leven. (Regnier
2004: p. 43)
In
God en Geweld spreekt Girard zich over
deze zelfde ontwikkeling heel duidelijk uit: Wanneer het religieuze vervalt,
dan is niet enkel en niet dadelijk de fysieke heelheid bedreigd, maar de
culturele orde zelf. (Girard 1994: p. 77) Jean Pierre Wils schrijft in Sacraal
Geweld, een studie waarin het denken van Girard centraal staat, hierover de
volgende treffende woorden:
Men zou dit als een collectieve culturele regressie kunnen duiden. Het
geweld keert terug en openbaart zich in archaïsche expressies. Vooral het
verschil tussen het naakte of onzuivere geweld enerzijds en het
reinigende geweld anderzijds, zoals dit in de rituele offercultuur
aanwezig is, begint dan onduidelijk te worden. Verbonden met Girards opvatting
dat het onvermogen om zich aan nieuwe omstandigheden aan te passen, voor het
religieuze in het algemeen karakteristiek is, moet de conclusie luiden, dat
dan vooral moderne samenlevingen omwille van hun religieuze onkunde voor
de gewelddadige terugkeer van het geweld een gemakkelijke prooi zijn. (Wils
2004: p. 112)
Op weg naar een doorbraak: een nieuwe
vorm van religie
De
werkelijkheid blijkt ook nu weer zo ambigu te zijn dat ze niet in één formule
te vangen is. In het genoemde interview heeft Girard dan wel gesteld dat wij in
een gewelddadige wereld leven, maar tegelijkertijd stelt hij in ditzelfde
interview dat we met die bewering ook ongelijk hebben. Van onze moderne
samenleving kan immers ook gezegd worden dat ze in een aantal opzichten beter en
minder gewelddadig is dan een paar eeuwen geleden (ondanks de excessen).
Tegenwoordig gebeurt het ook dat slachtoffers hun recht als slachtoffer kunnen
laten gelden, een gedachte die volstrekt vreemd was aan archaïsche
samenlevingen, waar slachtoffers als de schuldigen werden gezien en behandeld.
Girard
stelt en toont aan dat er een nieuwe vorm van religie is ontstaan die de leugen
van het enkele slachtoffer en de offers die daaruit voortvloeiden aan het licht
gebracht heeft. Het is de joods-christelijk religie die deze doorbraak tot stand
gebracht heeft. Hierin wordt blootgelegd en ontmaskerd wat in de archaïsche
religie werd verhuld; het is de ontmaskering van het zondebokmechanisme. Hiermee
wordt de mogelijkheid geschapen om te ontsnappen aan de culturele leugen van de
archaïsche godsdiensten. Het behelst kritiek op het religieuze door het
religieuze. Alles wat religieus is moet niet op één hoop gegooid worden met
alle archaïsche religies. Er moet onderscheid gemaakt worden tussen het stadium
van het offer en het afzien van het offer. Op het moment dat wordt afgezien van
het offer laten we de archaïsche religie achter ons.
Deze
nieuwe religie is niet op één moment ontstaan maar is gegroeid in een lang
proces van bewustwording en strijd: voor vrede zonder geweld en voor erkenning
van de onschuld van de slachtoffers. Het inzicht in dit proces en deze
ontwikkeling bewerkstelligt Girard door middel van een historische interpretatie
van het religieuze, waarin het onderscheid groeit tussen het stadium van het
offer en het afzien van het offer. Zijn belangrijkste bronnen hiervoor zijn de
Joods-Christelijke Geschriften. In het volgende hoofdstuk zal ik Girards
interpretatie van deze bronnen belichten.
HOOFDSTUK 3
Wat vanaf het begin der tijden
verborgen was
De
weg die de mensheid heeft moeten gaan om los te komen van het juk van het
sacrale is lang en moeizaam geweest. Dat de weg van de mensheid een weg van de
religie is geweest, heeft Girard genoegzaam aangetoond. Religie en de
mogelijkheid van samenleven zijn synoniem. Het religieuze en het sacrale waren
enerzijds de wezenlijke conditie waardoor samenleven mogelijk is geworden, maar
anderzijds waren zij ook de sanctionering van het daartoe nodige geweld, terwijl
de mensen er geen weet van hadden dat zij onder dit juk leefden. De
religie kluisterde de mensen aan een onheilspellende macht van zogenaamd
goddelijke oorsprong, die het geweld alleen maar kon bedwingen of telkens
opnieuw voorkomen door zelf telkens opnieuw de nodige offers te eisen. Vanaf het
begin der tijden is dit verborgen gebleven.
In
de oude Joodse Geschriften, het Oude Testament, wordt de lange weg uit deze
sacrale wereld verwoord, en als Jezus van Nazareth zegt Ik zal mijn mond
openen in gelijkenissen, Ik zal openbaren wat verborgen is geweest vanaf de
grondvesting der wereld (Matt. 13, 35) dan citeert hij psalm 77 en plaatst zich hiermee in de
lijn van de bevrijding uit het zondebokmechanisme, in de benaming van Girard. In
de Bijbel wordt het zondebokmechanisme ontmaskerd. Over de manier waarop dat
gebeurt, in de analyse van Girard, gaat dit hoofdstuk.
A.
Bijbelse
mythen en andere mythen: overeenkomsten en verschillen
Veel
etnologen huldigen de stelling dat de oudste gedeelten van de Bijbel wat betreft
aard en inhoud overeenkomen met alle andere mythen van de Oudheid, met name de
oorsprongsmythen. Het constateren van deze overeenkomst is correct. In de
bijbelse mythen zijn dezelfde belangrijke zaken aan de orde als in alle mythen,
wat betreft het samenleven van de mensen. Het gaat om de drie belangrijke
aspecten die we eerder hebben onderscheiden in alle mythen.
Eerst
zijn er de conflicten die de samenleving fundamenteel in gevaar brengen. In het
geval van de bijbelse mythen: de spraakverwarring rond de torenbouw van Babel,
de gebeurtenissen die leiden tot de verwoesting van Sodom en Gomorra, de tien
plagen van Egypte die te vergelijken zijn met de pest in Thebe, de zondvloed, de
broers die elkaars vijanden zijn: Kaïn
en Abel, Jakob en Esau, Jozef en zijn elf broers. Als tweede herkenbare
gebeurtenis is er de uitdrijving of funderende moord, de gewelddadige oplossing
van de conflicten: Adam en Eva
worden verdreven uit het paradijs, Kaïn vermoordt Abel, Jakob moet
vluchten voor Esau, het volk Israël wordt uitgedreven uit Egypte. Als derde
aspect van de zaken die nodig zijn voor het behoud van de samenleving is er het
instellen van de verboden waarvan de tien geboden de bekendste zijn en het
instellen van de offercultus, zoals in Leviticus
wordt beschreven, of, wat op hetzelfde neerkomt, de instelling van de
besnijdenis.
Op
al deze gebieden verschillen de bijbelse mythen niet van de anderen mythologieën.
Het gaat in deze mythische verhalen over het ordenen of herordenen van de
samenleving. Het staat vast dat de eerste bijbelboeken berusten op mythen die in
alle opzichten overeenkomen met die welke men zowat overal in de wereld vindt.
Deze gelijkenis is ook noodzakelijk geweest, de tijdgenoten zouden andere
stichtingsverhalen niet begrepen hebben; het is trouwens ook zo dat er geen
andere stichtingsverhalen hebben kunnen bestaan, want de eerste cultuur is echt
door een bloedige stichting tot stand gekomen. Er is ook nog een andere noodzaak
voor de gelijkenis: dat is het feit
dat de bijbelse mythen ook willen breken
met de oude mythen; om dit te kunnen doen is het nodig dit te doen binnen
hetzelfde bekende kader. Wil de breuk zichtbaar en tevens overtuigend zijn dan
moet er continuïteit zijn met dat waarmee gebroken wordt.
Bij
alle continuïteit zijn er ook wezenlijke verschillen. Girard beschrijft deze in
het eerste hoofdstuk van het tweede boek van Wat
vanaf het begin der tijden
, waarop ik mij in deze paragraaf baseer. Hij
maakt hierin duidelijk dat de manier waarop de Bijbel met deze mythen omgaat
iets heel bijzonders heeft. Vanaf de eerste bijbelse mythen wordt de continuïteit
met de andere religies en hun mythen verbroken.
Als
eerste voorbeeld bespreekt Girard de geschiedenis van Kaïn en Abel. Deze is te
vergelijken met die van Romulus en Remus. Zoals Romulus Remus doodt en
vervolgens een stad sticht, zo doodt Kaïn Abel en sticht een stad. Toch is er
een verschil. In het eerste verhaal heeft Remus een overtreding begaan door de
ideale grens tussen de stad en daarbuiten niet in acht te nemen, zodat Romulus
hem terecht ombrengt; de funderende moord. Kaïn daarentegen wordt ons
voorgesteld als een moordenaar zonder meer. En nog een ander verschil: Romulus
zal op zijn beurt omgebracht worden (zoals ook zijn opvolgers), maar Kaïn
ontvangt een merkteken om te voorkomen dat ieder die hem zal ontmoeten, hem zou
kunnen doden (Gen. 4, 15). De stichter
van de samenleving (daarin komt dit verhaal overeen met elke stichtingsmythe)
wordt in de Bijbel een moordenaar genoemd, geen held, en hij wordt niet
vermoord, zoals men verwachten zou. God formuleert zelfs de wet tégen
het moorden. Nog een derde verschil is het morele oordeel dat uitgesproken wordt
met Waar is je broer Abel? Dit gebeurt in geen enkele oude mythe. Zich op
morele gronden aan de kant van de slachtoffers scharen, partij kiezen en
slachtoffers verdedigen is vreemd aan de oude mythen. Van meet af aan, te
beginnen bij Abel, schuift de Bijbel slachtoffers naar voren en spreekt hen vrij
van schuld die hun vaak door de hele gemeenschap wordt aangewreven. Met de
woorden van God: Hoor, de stem van het bloed van je broer roept tot mij van
de aardbodem. (vgl.
Girard 1990: p. 189)
Girard
bespreekt vervolgens het verhaal van Jozef en zijn elf broers. Was het
collectieve karakter van de vervolging in de mythe van Kaïn nog aan het oog
onttrokken, bij Jozef staat het meteen in de aandacht, allen tegen één. Maar
de bestaande mythologie, aldus Girard, is zodanig bewerkt en herzien dat de
relatie tussen het slachtoffer en de vervolgende gemeenschap omgekeerd wordt.
Volgens de geijkte gang van zaken in een mythe zouden de broers het gelijk aan
hun kant gekregen hebben door Jozef te doden; mede door zijn dromen had hij de
afgunst opgewekt en daardoor de chaos veroorzaakt. In deze bijbelse mythe
daarentegen is het slachtoffer alleen maar een onschuldige die vals beschuldigd
is. De bok, waarvan het bloed gebruikt werd om zijn kleed in te dopen als bewijs
aan Jakob dat zijn zoon door een dier verslonden was, zou in een gewone mythe de
betekenis van een offer gekregen hebben. Het feit dat Potifar, de Egyptische
meester van Jozef, zich tegenover hem als een vader gedraagt, maakt dat de
beschuldiging van diens vrouw dat Jozef gepoogd had haar te verleiden, op een
incestueuze daad lijkt. In plaats dat in de tekst nu met de beschuldiging
ingestemd wordt, zoals in zoveel mythen gebeurt met name ook in de Oedipus-mythe,
wordt verklaard dat de beschuldiging vals is.
Er
is in dit verhaal nog een tweede valse schuldigverklaring met een vrijpleiting
als slot. Jozef confronteert zijn broers met hun eigen gedrag door hun jongste
broer Benjamin schuldig te verklaren aan een diefstal. Jozef onderwerpt zijn
schuldige broers aan een beproeving die zij maar al te goed kennen, want
daarvoor zijn zij zelf al eens bezweken, namelijk het ongestraft aan zijn lot
overlaten van de jongste, de zwakste. Negen broers zwichten een tweede keer voor
de beproeving. Alleen Juda verzet zich en biedt aan, de plaats van Benjamin in
te nemen. Bewogen door medelijden maakt Jozef zich dan aan zijn broers bekend en
schenkt hun vergiffenis. Hij neemt zijn hele familie, met inbegrip van zijn oude
vader Jakob, op in zijn stiefland.
In
Ik zie Satan vallen als een bliksem reflecteert
Girard hierop door erop te wijzen dat deze laatste episode een verkapte
verwijzing is naar het soort collectief geweld dat het bijbelverhaal net zo
beheerst als de mythen, maar met een totaal omgekeerde uitkomst (Girard 2000: p.
114 evv.). De uiteindelijke overwinning van Jozef is geen leuke happy ending,
maar een manier om het probleem van de gewelddadige verdrijvingen aan de orde te
stellen. Binnen het vertelkader blijvend wil dit bijbelverhaal de toehoorder aan
het denken zetten ten aanzien van geweld, en wel op radicale wijze door in
plaats van de plichtmatige wraak de vergeving te zetten. Daarmee wordt de
spiraal van wraakneming doorbroken, die tot dan toe, in de mythen, slechts was
onderbroken door algehele verdrijvingen die alleen maar tijdelijk soelaas
brachten. Om de menigte van zijn vijandige broers te vergeven, eist Jozef
maar één teken van inkeer, en dat geeft Juda. In het bijbelverhaal wordt de
tien broers aangewreven dat zij haten zonder geldige reden. Zij zijn afgunstig
op Jozef vanwege de voorliefde van Jakob, de vader van allen, voor hem. De ware
oorzaak van de verdrijving is dus de mimetische rivaliteit.
Girard
vergelijkt in Ik zie Satan vallen
het bijbelverhaal met de Oedipus-mythe. Hij
maakt nogal wat werk van deze vergelijking vanwege de kritiek dat hij zijn
analyse verdraait ten gunste van zijn stelling en het bijbelverhaal. Als het zou
gaan om twee verhalen in de zin van de postmoderne kritiek, dan hoefde het
verschil tussen de twee slachtoffers, Oedipus en Jozef, geen enkele betekenis te
hebben. Dan zou het slechts gaan om de voorkeuren van twee individuele auteurs,
de ene met de voorkeur voor verhalen met een gelukkige afloop en de ander met
een voorkeur voor verhalen met een slechte afloop. Dat dit niet zo is, toont
Girard aan door te laten zien dat het niet gaat om willekeurige overeenkomsten
en toevallige verschillen. De hele context die de mythe en het bijbelverhaal
delen vertoont een zodanig netwerk van overeenkomsten dat het verschil op dat éne
punt geen toeval kan zijn. De vele raakpunten waarborgen de betekenis van het
unieke maar beslissende verschil. De weigering van Jozef om wraak te nemen is
geen handelwijze uit willekeur. Het is een bewuste kritiek op de handelwijze in
de mythen; het gaat om de twee tegengestelde standpunten van de mythen en de
bijbelverhalen aangaande het collectieve geweld. Het bijbelverhaal is een
systematische weigering om te zwichten voor de verdrijvingen en vervolgingen die
de mythen kenmerken; het veroordeelt de algemene tendens van de mythen om
collectief geweld te rechtvaardigen; het veroordeelt de beschuldigende,
wraakzuchtige aard van de mythologie.
Girard
hamert mijns inziens terecht op het fundamentele karakter van het verschil dat
hier aan de orde is. Het is het verschil tussen een wereld waarin het
willekeurige geweld zegeviert zonder dat het onderkend wordt en een wereld
waarin datzelfde geweld wordt doorzien, aangeklaagd en tot slot wordt vergeven.
Het is het verschil tussen een absolute leugen en een absolute waarheid.
Ofwel men zwicht voor de besmetting van de mimetische hype en men blijft bij
de leugen van de mythen, ofwel men weerstaat die besmetting en men is in de
waarheid met de Bijbel. (Girard 2000: p.117)
Het
is wonderlijk wat hier gebeurt. Wat er in deze teksten gepresenteerd wordt, is
niet een projectie van enkele auteurs. De teksten van de Bijbel zijn de neerslag
van wat het Joodse volk feitelijk beleefd heeft. Het is het samengaan van
feitelijke gebeurtenissen en het groeien van inzicht. Dit is wat wij openbaring
zijn gaan noemen, waarover straks meer. Het Joodse volk, heen en weer geslingerd
van verdrijving naar verdrijving, wordt er door zijn eigen geschiedenis toe
gebracht de mythen ter discussie te stellen en meer dan andere volken oog te
hebben voor de slachtofferverschijnselen waarvan het zelf zo vaak de dupe is. In
dit volk groeit een buitengewone scherpzinnigheid aangaande achtervolgende
menigten en hun geneigdheid zich vijandig op te stellen tegen vreemdelingen, de
geïsoleerden, de zwakken, de verminkten van allerlei soort. Het is een duur
betaald voordeel en van universele betekenis.
Uit
de omkeringen die in deze bijbelse mythen plaatsvinden blijkt dat er al vroeg in
de Joodse geschriften een ontwikkeling op gang komt, waarin, beginnend, het
zondebokmechanisme wordt ontmaskerd. In de figuur van Jozef
wordt het slachtoffer echt als slachtoffer gerehabiliteerd, dat wil
zeggen dat er niets sacraals plaatsvindt. Het slachtoffer heeft niets demonisch
of goddelijks, maar is alleen en helemaal menselijk. In dit verhaal over Jozef
begint duidelijk te worden dat de Bijbel weigert de slachtoffers van collectieve
vervolging te verduivelen of te vergoddelijken. De ware verantwoordelijken voor
de verdrijvingen zijn niet de slachtoffers, maar hun vervolgers, de meute die
mimetisch opgewonden geraakt is, de afgunstige broers, de kudde-achtige
Egyptenaren, de op drift geraakte echtgenotes van de Potifars.
Tegenover
de mythologische cultuur waarin de funderende moord wordt gerechtvaardigd en
zelfs de sporen van de moord worden uitgewist, tekent zich in de bijbel een
omgekeerde beweging af; we zien een poging om terug te gaan naar het eerste
begin, naar de manier waarop de mythen tot stand zijn gekomen, met het doel deze
te doorzien en daardoor te ontkrachten, om de mythen als het ware tegen te
spreken en te demystificeren. De bijbel maakt een begin met het opwekken van
schuldbesef ten aanzien van onschuldige slachtoffers. Het verhaal van Kaïn
werpt inderdaad een blaam op de Kaïnitische cultuur, in zoverre het laat zien
dat deze gebaseerd is op het ongerechtvaardigde doden van Abel. Daarentegen
wordt in de geschiedenis van Remus en Romulus de stad Rome niét als schuldig
beschouwd, want de moord op Remus wordt voorgesteld als gerechtvaardigd. In de
bijbelse mythen worden schuldgevoelens opgewekt en wordt beginnend en tastend de
vraag aan de orde gesteld of de menselijke samenlevingen niet wérkelijk zijn
gefundeerd op verdonkeremaande slachtoffers.
B.
De
psalmen en de profeten
Het
soort waarheid dat eigen is aan het bijbelverhaal, is niet altijd gemakkelijk te
herkennen. Het verhaal van Jozef loopt goed af, het slachtoffer zegeviert over
zijn opponenten. In andere bijbelverhalen echter loopt het slecht af. Maar ook
in die verhalen wordt getuigd van dezelfde waarheid als bij Jozef; zij zetten
zich af tegen het mythische. Wat het verschil uitmaakt, is de bijbelse
interpretatie van die verschijnselen. Het gaat er in de Bijbel om, duidelijk te
laten worden wat het mimetische allen-tegen-één betekent, hoe de mensen als
collectief elkaar aansteken in een wereld waarin men nog alleen en helemaal in
de sfeer van de mythen leefde.
Terwijl
de bijbelse mythen het verhaal over de slachtoffers vertellen, zijn in de
psalmen de slachtoffers zelf aan het woord. Deze teksten zijn, denkt Girard in Ik
zie Satan vallen
, de eerste in de mensengeschiedenis die het woord geven
aan de slachtoffers van de mythologie, de in het nauw gedrevenen door
hysterische menigten (Girard 2000: p. 118). Deze slachtoffers zwijgen niet, maar
vervloeken hun achtervolgers luidruchtig en lang. Zij zien zich achtervolgd door
menselijke meuten, die hen in hinderlagen willen laten lopen en hen omsingelen
om hen te lynchen. Hun angst uit zich in termen van rauw en krachtig geweld. In
deze vloekpsalmen wordt het perspectief omgekeerd van de vervolgers naar
de slachtoffers, van hen die de geschiedenis maken naar hen die haar ondergaan.
En dat gebeurt in niet zachtzinnige termen: de ongelukkige kaatst de haat die
hem treft terug naar degenen die hem haten. In deze psalmen legt het slachtoffer
zich niet neer bij wat de vervolgers, die beesten, hem aandoen.
De
boosaardigheid van de God van Israël
De
taal waarin de slachtoffers in deze psalmen hun stem verheffen heeft vaak nog
veel weg van het dierlijke en monstrueuze van de mythologieën, de vijanden zijn
meutes honden, troepen stieren, de sterke beesten van Basan. Girard grijpt
dit aan om weerwoord te geven aan de critici van het Oude Testament. Deze
critici beschouwen dit schouwspel van geweld en wrok als zo karakteristiek
voor het Oude Testament. Zij zien daarin een duidelijke aanwijzing voor de
befaamde boosaardigheid van de God van Israël:
De critici die zich ontsteld betonen over het geweld van de
psalmen vergissen zich, dunkt me, totaal. Het wezenlijke ontgaat hen. Ze
schenken geen enkele aandacht aan het enige geweld dat ernstig genomen moet
worden, dat waarover de vertellers zich beklagen. Ze zien niets oorspronkelijks,
niets buitengewoons in de psalmen, de oudste teksten in de mensengeschiedenis,
wellicht, die het woord aan de vervolgden geven in plaats van aan de vervolgers.
(Girard 2000: p. 119)
Daartoe
aangezet door Nietzsche vindt men in deze psalmen de oorsprong van de slechte
gevoelens van de nederigheid en de wrok en het ressentiment. Tegenover deze
giftige psalmen stelt men graag de serene schoonheid van de Griekse en Germaanse
mythologieën. Het slachtoffer gedraagt zich in de psalmen inderdaad gênant,
heel anders dan Oedipus die zich neerlegt bij de algemene beschuldiging en
zichzelf ook beschuldigt. Bij Oedipus domineert het mechanisme van de
mythologie, de magische causaliteit. Daarentegen maken de schokkende teksten van
deze psalmen zich los van de mythologie: ze wijzen steeds meer de ambivalentie
van het heilige af om het slachtoffer in zijn menselijkheid te herstellen en de
willekeur te onthullen van het geweld dat hem treft, zoals Girard in De
Zondebok aangeeft. (Girard
1986b: p.126)
In
Wat vanaf het begin . . . besteedt
Girard speciale aandacht aan de Liederen van de Knecht des Heren in het boek van
de profeet Jesaja, in het bijzonder het lied van de lijdende Knecht (Jesaja
52,13 53,12) (vgl. Girard 1990: p. 194).
In de profetische boeken gaat het over diep ingrijpende crises in de
Hebreeuwse samenleving, te vergelijken met de crises die ten grondslag lagen aan
het begin van de menselijke samenleving, neergelegd in de mythen, maar nu dan
over de concrete eigentijdse situatie in Israël, echter wel met de vertrouwde
beelden uit de mythische wereld, want anders zou het niet begrepen zijn.
Profeten zijn geen toekomstvoorspellers; zij proberen te verstaan wat zich
afspeelt in hun eigen dagen en daar duiding aan te geven, lessen uit te trekken.
De crises mogen niet afgeschoven worden op een zondebok, maar moeten de
mensen brengen tot bezinning op hun eigen gedrag. De lijdende Dienstknecht van
Jesaja is een metafoor voor Israël, een moeilijke metafoor. Het volk kijkt in
een spiegel: het krijgt
voorgespiegeld wat het de Dienstknecht aandoet en ook zichzelf. Het gaat
tegelijk over het volk en die tegenover het volk. Heel zichtbaar is de
worsteling om los te komen van de rol van de oude menselijke zondebok:
Wie heeft geloofd wat door ons is gehoord?
En de arm van JHWH, aan wie was hij geopenbaard?
Als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Geen gestalte had hij, geen glans
dat wij naar hem zagen,
en geen aanzien dat wij hem begeerden.
Veracht en door de mensen verstoten,
man van smarten, met lijden bezocht:
voor wie wij ons het gelaat bedekken,
die wij versmaden en verachten. (Jesaja
53, 1-3)
Wie
die wij zijn in dit vierde Knechtslied
wordt niet met zoveel woorden gezegd, maar de gedachte dringt zich op, zo
schrijft Girard, dat in deze wij het onwillige Israël tot spreken komt,
dat niet heeft gehoord naar de oproep van de Knecht om weg te trekken uit Babel (Jesaja
48,6-11). Dit Israël blikt terug op wat de Knecht heeft moeten doormaken,
preciezer: op wat het met de Knecht heeft gedaan. Israël (de wij) heeft
de Knecht vervolgd, geslagen en ter dood gebracht. Nu, achteraf, wordt de Knecht
gerehabiliteerd: Israël brengt de bittere lijdensgang van de Knecht alsnog in
verband met de eigen onwil om te horen naar het onderricht van de Knecht:
Onze ziekten heeft hij gedragen
en onze smarten heeft hij getorst
Maar wij, wij vonden hem een geplaagde,
een geslagene van God, een neergebogene.
Maar hij, doorboord werd hij om onze afvalligheden,
verbrijzeld om onze ongerechtigheden.
Tuchtiging, ons tot vrede, was op hem
en door zijn striemen was er genezing voor ons.
(Jesaja 53, 4-5)
Dit
is een keerpunt; hier wordt het zondebokmechanisme doorbroken. Het is niet zo
dat Israël zichzelf hier vrijspreekt door de Knecht achteraf te erkennen. Israël
neemt juist de verantwoordelijkheid op zich voor wat het de Knecht heeft
aangedaan en komt zo tot genezing. En
wat ook blijkt is dat de Knecht geen zondebok is in de oude zin: Hij is
onschuldig en heeft geen enkele affiniteit met geweld, zoals blijkt in het
volgende vers:
En men stelde zijn graf bij de goddelozen;
bij de rijke was hij in zijn dood,
omdat hij geen onrecht gedaan heeft
en geen bedrog in zijn mond is geweest.
(Jesaja, 53,9)
En
toch lijkt God nog een ambiguë rol
te vervullen. Immers, Jesaja 53, 10 luidt:
Maar het behaagde de HERE hem te verbrijzelen.
De
ontwikkeling waarvan we in het Oude Testament getuigen zijn, is nog lang niet
voltooid. We treffen in het Oude Testament nooit een godsbegrip aan waarin voor
geweld totaal geen plaats is, ook hier bij Jesaja. De voltooiing van de
afzwering van geweld vindt pas plaats als de Joods-christelijke geschriften
compleet zijn in de evangeliën.
De
drie belangrijkste pijlers van de primitieve religie worden door het profetische
denken fundamenteel ondergraven: de verboden, de offers en de mythen. Opvallend
is de kritiek vanuit de profetische traditie op het offer. De profeet Amos
suggereert dat het offer niet tot de oorspronkelijke verering van de God van
Israël behoorde. Jesaja verwoordt zijn kritiek in het eerste hoofdstuk als
volgt:
Hoort
het woord van de Heer . . . Ik heb geen behagen in het bloed van stieren,
lammeren en bokken. . . . Brengt mij
toch niet langer nutteloze meeloffers. Uw wierook is mij een gruwel. . . .
feestvieren met onrecht kan ik niet uitstaan. . . . uw handen zitten vol bloed,
wast u, reinigt u, uit mijn ogen met uw misdaden. Houdt op met kwaad te doen.
Leert liever het goede te doen, betracht rechtvaardigheid, helpt de verdrukten,
verschaft recht aan de wezen, verdedigt de weduwen.
De
onderlinge vrede die vroeger het resultaat was van offers moet vanaf nu tot
stand komen door het doen van gerechtigheid. Dit betekent met name het opkomen
voor die mensen die het slachtoffer geworden zijn van de verkeerde
maatschappelijke verhoudingen en dat zijn degenen die vroeger uitgekozen zouden
zijn om als ritueel slachtoffer te dienen, de zondebokken. De profeten en de
psalmen bieden ook alternatieven in de plaats van offers; dat zijn: weldadigheid
(Hos. 6,6), dankbaarheid (Ps. 50,
14), berouw (Ps. 51, 19), weldaden en aalmoezen (Sir. 35, 1-5), het doen van de
wet (Ps.40, 7)
De
wet is geen dwingend opgelegd systeem, maar een wegwijzer. In Leviticus
wordt erop gewezen dat men de blinde geen obstakel in de weg mag leggen en dat
men tegenover geen enkele mens geweld mag gebruiken. Dat leidt tot de
beslissende uitspraak Gij zult uw naaste liefhebben als u zelf. Voor Israël
zijn de obstakels niet de zwakken in de samenleving, maar de afgoden van
allerlei aard. De wet is er om obstakels op te ruimen waarover mensen kunnen
vallen, en niet om zelf een obstakel te worden. Er vindt in Israël een
verandering van perspectief plaats: het slachtoffer bepaalt het perspectief. Hij
is degene van waaruit wereld, medemens en God gezien worden. Het perspectief is
niet het allen tegen één, maar de ene die vervolgd wordt door allen, met
name door hen die het dichtst bij hem staan.
C.
Het boek Job en het
zondebokmechanisme
In
De aloude weg der boosdoeners schetst
en analyseert Girard nog op een andere manier de ontwikkeling van het loskomen
uit de oude wereld, de moeizame weg van de ontmaskering van het
zondebokmechanisme. Hij doet dit aan de hand van het bijbelboek Job,
waarin de strijd woedt tussen de wereld van de vervolgers en de wereld van
het slachtoffer; tussen het eensgezinde geweld dat een schuldige zoekt en het
slachtoffer dat weigert zijn schuld te erkennen. Er wordt een ontwikkeling
zichtbaar die in plaats van de verantwoordelijkheid voor het geweld af te
schuiven op het slachtoffer een inspiratie laat zien in tegenovergestelde
richting: tegen het afschuiven van de schuld op het slachtoffer, zoals dat in de
mythen gebeurt, naar het leggen van de verantwoordelijkheid voor het geweld bij
de werkelijk verantwoordelijken, bij de leden van de gemeenschap. Deze
worsteling en deze ontwikkeling blijven ook in het bijbelboek Job
nog onvoltooid. Uit de hierna volgende selectie van teksten uit het boek Job, met de interpretatie van
Girard, moge dit duidelijk worden.
Job
is de zondebok van zijn gemeenschap. Het probleem van de zondebok tekent zich af
in de dialogen met de vrienden. Job ziet zich uitgebannen, vervolgd door de
mensen om hem heen. Hij heeft niets verkeerds gedaan en toch wendt iedereen zich
van hem af. Zelfs zijn vrouw keert zich van hem af; zij walgt van de lucht die
hij verspreidt, de kenmerkende manier waarop in de primitieve mythen de
tragische bok wordt bejegend. Hij is de onschuldige die de haat van allen naar
zich toetrekt. En juist daarover beklaagt Job zich:
En nu drijft de kwaadwilligheid me tot het uiterste,
want een hele bende kwelt me.
Zij richt zich tegen mij op als getuige tegen mij,
antwoordt mij in mijn gezicht met lastertaal.
Hun woede verscheurt en vervolgt me,
terwijl zij hun knarsende tanden laten zien.
Mijn tegenstanders kijken met scherpe blikken naar mij,
zij doen hun mond dreigend open.
Hun beledigingen treffen mij als slagen in mijn gezicht,
samen lopen zij tegen mij te hoop.
(Job 16, 7-10 volgens Bible de
Jerusalem)
Het
gaat in de dialogen met de vrienden al gauw niet meer over de materiële en
fysieke ongelukken waarmee Job getroffen is. In de dialogen hebben daarentegen
alleen de verhoudingen tussen Job en de gemeenschap betekenis. Blijkbaar is hij
nog maar kort geleden in ongenade gevallen en is dat plotseling gebeurd. Job
heeft er geen vermoeden van gehad, het heeft hem overvallen. Hij is het
slachtoffer van de algehele en plotselinge omslag van de publieke opinie. Er is
eensgezindheid in de gemeenschap, eerst in de verering en vervolgens in de
verafschuwing. Die eensgezindheid komt voort uit een mimetische besmetting; de
mensen beïnvloeden elkaar wederkerig. Zij doen elkaar na, eerst in de
bewondering en daarna in de vijandigheid.
Hoe
sterk het eensgezinde geweld is, blijkt als Job de taal van zijn vervolgers gaat
spreken. Het mimetisme werkt ook op
Job in. Ook tussen hem en zijn beulen vindt mimetische besmetting plaats. Onder
de druk van het grote geweld gaan hun talen door elkaar lopen, er
vinden spiegeleffecten tussen Job en de vrienden plaats. Job komt
zover dat hij aan zijn eigen onschuld twijfelt.
Als ik denk dat ik gelijk heb, kan zijn mond me veroordelen;
Als ik mijzelf onschuldig acht, mij verdorven verklaren.
Maar ben ik onschuldig? Ik weet het zelf niet meer . . . (Job 9,
20-22)
In
dit citaat is te zien dat Job nog onder invloed staat van de wereld van de
mythen, waarin het slachtoffer zichzelf ook schuldig verklaart. Er is in dit
citaat bovendien nog een ander element van de mythen te herkennen.
Wat
zich bij Job ook nog doet gelden is de vermenging van het eensgezinde geweld met
het heilige en het goddelijke. In het grootste gedeelte van de dialogen
onderscheidt Job zich bijna niet van de beschuldigers die hem omringen.
Ja, God heeft mij aan onrechtvaardigen overgeleverd,
Hij heeft mij in de handen van boosdoeners geworpen.
Ik was in vrede, maar hij jaagt mij op,
grijpt me in mijn nek om hem te breken.
Ik ben zijn doelwit. (Job 16,11-12)
Job
ziet wel dat de vrienden vervolgers, onrechtvaardigen zijn, maar de collectieve
veroordeling zou volgens hem niet tot stand zijn gekomen zonder de werking van
de godheid. Hij voelt zich het slachtoffer van God en niet van de mensen. De
stem van de eensgezinde gemeenschap wordt door Job gezien als de stem van god
zelf: Vox populi, vox dei.
Girard wijst erop dat Job er niet in slaagt om de godheid en de
vervolgers, de boosdoeners van elkaar te onderscheiden. Job twijfelt
aan hun gezag als mensen, maar niet voor zover zij afgevaardigd zijn door de
god, want de god zelf heeft hem aan deze boosdoeners overgeleverd. (Girard
1987: p. 157 ) Ook zijn taal blijft in overeenstemming met het geldende systeem
waarin het geweld en het heilige samengaan. We vinden in zijn mond zelfs
schitterende omschrijvingen van het goddelijke als transcendente omschrijving
van het collectieve geweld. (Girard 1987: p. 157)
Tot zover voltrekt zich in het boek Job nog geen doorbraak van het mimetisme dat zondebokken maakt. De
stoutmoedigheid van Job blijft binnen het heersende conformisme. Hij blijft net
zo denken als de hele gemeenschap. De religie die gebaseerd is op het
eensgezinde geweld bepaalt de cultuur. Ondanks de verklaring over zijn onschuld
kan Job nog niet op tegen de hem omringende culturele wereld. In de publieke
opinie die in hem de schuldige ziet, acht Job zich nog steeds vervolgd door God
zelf. Tot zover is er dus nog geen aanwijzing te zien van de overgang van de god
van de vervolgers, zoals in de mythen, naar de god van de slachtoffers waarnaar
de Bijbel uiteindelijk tendeert.
Girard
ziet echter in twee teksten van de dialogen een beginnende doorbraak van het
onderworpen zijn aan het heersende cultuurstichtende religieuze systeem. De
eerste tekst waar Girard op doelt is er een waarin God plotseling aandacht
krijgt voor het geroep van Job. Er is in God een getuige ten gunste van de
beschuldigde, een verdediger van de onrechtvaardig behandelde rechtvaardige. God
leent het oor aan het slachtoffer:
Van nu af aan heb ik een getuige in de hemelen,
Ik heb op een hoge plaats een borg.
Mijn vrienden spotten met mij,
maar tot God wenen mijn ogen.
Hij (God) verdedigt de mens tegen God,
zoals een mens tussenbeide komt voor een ander. (Job 16, 19-21)
In deze tekst van de oecumenische vertaling (TOB) ziet Girard het zoeken van Job naar een pleitbezorger. Wel worden in deze tekst de god van de vervolgers en de God van de slachtoffers nog bij elkaar gehouden, er wordt nog niet gekozen voor de God van de slachtoffers, maar het wordt duidelijk dat hij niet alleen maar de god van de beschuldigers, van de vervolgers is. Er schijnt een dubbelheid, zelfs een tegenstelling in het goddelijke te zijn. Deze twee kanten van de dubbele godheid zijn onvergelijkbaar en ze horen ook niet bij elkaar.
In de tweede tekst waarin Girard een beginnende doorbraak ontwaart, wordt de beweging die in de eerste tekst onderbroken werd en tot een dilemma leidde, voortgezet. In deze tekst, in hoofdstuk 19, zet Job een volgende stap in de richting die tot dan ondenkbaar was, de stap naar de God van de slachtoffers.
Ik weet dat mijn Verdediger leeft
dat Hij, de laatste, zal opstaan op de aarde.
Nadat ik ben gewekt zal hij mij vlak bij zich plaatsen
en met mijn vlees zal ik God zien.
Hij die ik zal zien zal voor mij zijn,
degene die mijn ogen zullen aanschouwen zal geen vreemdeling zijn.
(Job 19, 25-27)
Deze
keer staat God helemaal aan de kant van Job, het slachtoffer. Dit is nieuw en
ongehoord. Hier wordt de werking van het zondebokmechanisme doorbroken. Job
staat op de drempel van een nieuw godsbesef, dat overigens al in het
uittochtgebeuren zich aankondigde en ook door de profeten levend gehouden is:
God is niet de transcendente vertegenwoordiger van de vervolgende menigte, die
denkt door slachtoffers te maken een daad van godsverering te stellen (Joh.
16, 2), maar hij is de verdediger, de losser, de paracleet van
het slachtoffer. Deze twee teksten zijn voor Girard de hoogtepunten van de
dialogen.
Van
de rest van het bijbelboek Job moet
gezegd worden dat hierin geen vervolg gegeven wordt op de bovenomschreven
ontwikkeling. Het wankelen van de oude zekerheden wordt niet verder onder
woorden gebracht. Het is zelfs zo dat het spreken van god uit het midden van
de storm (in hoofdstuk 38) eigenlijk een terugval is. Het is een dichterlijke
lofrede van de god van de natuur op zichzelf, waarin aan het eigenlijke probleem
voorbijgegaan wordt. Tekstcritici erkennen dat deze redevoeringen van god over
zichzelf latere toevoegingen zijn. Volgens Girard hebben zij geen ander doel dan
het wezenlijke weg te moffelen. De woorden van deze god, het buigen van Job en
het slot zijn vreemd aan de ware grootheid van het boek Job;
zij hebben de tekst verteerbaar gemaakt voor de doorsnee vroomheid. Terwijl alle
tekstverklaarders er kritiek op uitoefenen spelen deze toegevoegde teksten toch
hun rol in het monddood maken van de
tekst van de Dialogen. Het zijn gewelddadigheden tegen de oorspronkelijke tekst.
Girard vergelijkt ze met succesvolle vervolgingen omdat zij er tot vandaag de
dag toe in geslaagd zijn de openbaring van de zondebok krachteloos te maken.
Girard
besluit zijn betoog met De ware
grootheid van Job bestaat, net als die van de Psalmen, daaruit, dat er naast het
verlangen van wraak dat niet verdwenen is in deze teksten, een verlangen naar de
God van de slachtoffers is. (Girard 1987: p.182)
Hierboven
heb ik geschreven dat de teksten van de Bijbel de neerslag zijn van wat het
Joodse volk zelf beleefd heeft. De Bijbel is het Geleefde Boek:
het samengaan van feitelijke gebeurtenissen en het groeien van inzicht,
neergelegd in het boek. Er gebeurt in de geschiedenis van Israël iets wat
voordien ongekend was, de breuk met de mythische en sacrale wereld. Girard ziet
deze onthulling, deze openbaring als een ontzagwekkende antropologische
werkelijkheid, die uit de teksten te lezen is. Het is geen inzicht tot stand
gekomen door een ingreep of een ingeving van boven, het is werkelijke
menselijke geschiedenis, die echter verder gaat dan in de lijn van de
voorafgaande werkelijkheid te verwachten was geweest. Deze openbaring
is antropologisch te constateren, met grote verwondering.
De
ballingschap en de terugkeer uit de ballingschap behoren tot de fundamentele
ervaringen en crises waarin het volk Israël gegroeid is. Na de ballingschap kan
een nieuw begin gemaakt worden met dat waar alles om begonnen was: een
samenleving in vrede en gerechtigheid. Deze ervaringen zijn onder meer
neergelegd in de boeken Ezra en Nehemia. In deze
geschiedenis van Ezra en Nehemia blijkt de grote rol van het Boek, als het volk
begrijpt wat er in dat Boek bedoeld wordt. Deze bedoeling laat zich, naar mijn
opvatting, goed illustreren met behulp van een belangrijke toespraak van Huub
Oosterhuis, gehouden in de Amsterdamse Studenten Ekklesia op 5 december 2004:
Tegen een kleine kaste van grootgrondbezitters in voert Nehemia, samen
met Ezra, de woorden uit die in de Thora geschreven staan: alle grond wordt
opnieuw verdeeld, schulden worden kwijtgescholden, er komt een wet tegen woeker.
Als die wet is afgekondigd, laat Nehemia het volk samenkomen op het plein
voor de Waterpoort (Nehemia 8,2), de priester Ezra haalt het boek van de
Thora uit de tempel, en vanaf de dageraad tot in de middag las Ezra voor
uit het boek. (Nehemia 8,4) Ezra
stond op een toren, zo wordt verteld, en om hem heen, iets lager, stonden de
Levieten die uitleg gaven, zodat iedereen het ook kon begrijpen, dat Boek, die
levensleer, die maatschappelijke leer, waarvan de sleutelwoorden luiden
solidariteit en ontferming: het recht op leven en wel-zijn voor allen, ook
voor de zwaksten. Er wordt verteld, in dat boek Nehemia, hoe heel het volk
lachte en huilde toen het begreep wat er in dat Boek bedoeld wordt. En zij
brachten het meteen ook in praktijk: ze deelden met elkaar wat ze hadden.
En dit wordt gezongen in het Lied van Ezra en Nehemia (over het Boek):
Wij hadden de muren steen voor steen
en de poorten,
de tempel herbouwd en de huizen der armen.
wij hadden de heren hun gronden ontnomen
de goden der heren ontmaskerd
hun slaven bevrijd
hun gouden kalveren omgesmolten tot ploegen,
weggenomen de schuldenlast
van de schouders der armen.
Wij hebben de woorden, van Mozes,
der wijzing, des levens, het Boek
wij hebben te voorschijn gehaald
uit nacht en nevel het Boek.
En staande op een verhoog
op het plein voor de Poort van het Water
met luider stemme gelezen dat Boek,
de oeroude woorden vertaald en verklaard.
En allen, mannen en vrouwen, verstonden,
bogen ter aarde en weenden.
Wij vierden uittocht uit diensthuis
dronken verbond, aten toekomst,
riepen: van nu af dit Boek onze weg.
Droomden: republiek van het recht
stad vrede op aarde voor allen.
Zo was de presentatie van het Boek. Dat Boek heeft doorgewerkt in de
geschiedenis; tot op vandaag, tot hier. En het kón doorwerken omdat het geleefd
is, gedaan werd. Zo, al doende, werd het doorgegeven, het Boek van de Naam
de Naam Ik zal er zijn, God van armen en ontrechten is mijn Naam.
Deze
tekst van Oosterhuis geeft goed weer wat de strekking is van wat Girard zich
ziet voltrekken in de Joods-christelijke geschriften. Er is sprake van een
beginnende doorbraak van het zondebokmechanisme. Over de definitieve doorbraak
zal ik, opnieuw geheel en al in het kielzog van Girard, in het volgende en
laatste hoofdstuk spreken.
Girard
geeft een eigen en verrassende lezing van het evangelie. In Wat
vanaf het begin
zegt een van de gesprekspartners van Girard: Niemand
heeft ooit de evangeliën gelezen zoals u nu doet.
Daaraan ging in het gesprek deze vraag vooraf:
Hoe kunt u alles wat we tot nu toe bespraken rijmen met de reële
geschiedenis van het historische christendom, met het feit dat de openbaring van
het evangelie geen effect heeft gehad op de feitelijke gebeurtenissen, met name
niet op de geschiedenis van dat gedeelte van de mensheid, dat zich erop voor
laat staan christelijk te zijn? (Girard 1990: p. 256)
Wat
is dan die eigen visie van Girard op de evangeliën? Dat is de niet-sacrificiële
lezing van het evangelie. Jezus is een zondebok, die onschuldig de dood
ingejaagd wordt, maar hij is geen offer dat God zou eisen omwille van de zonden
van de mensen. Deze niet-sacrificiële interpretatie is in de christelijke
traditie geen gemeengoed. Voor Girard is het echter fundamenteel, want daarmee
heeft Jezus de werking van het zondebokmechanisme, waarin de samenleving tot dan
toe gevangen zat en nu vaak nog zit, onthuld en ontkracht. Het is nu, in dit
laatste hoofdstuk van deze scriptie, van belang om de precieze strekking van
deze niet-sacrificiële lezing te begrijpen.
De openbaring van de funderende moord
in de evangeliën
Als
men de evangeliën goed zou kennen, dan zou men er weet van hebben dat de wereld
van de mensen doorregen is van geweld en gewelddadigheid en dat de samenleving
functioneert op basis van de moord op onschuldige slachtoffers, die in de
gangbare religie aan het oog onttrokken en verborgen wordt. Die
cultuurscheppende moord wordt door Jezus geopenbaard, dat wil zeggen onthuld en
aan de kaak gesteld. Dit zijn de dingen die verborgen waren vanaf de
grondvesting van de wereld. (Mat. 13,35). Die worden openbaar gemaakt door
Jezus, in de manier waarop hij telkens de lijn vanuit de Joodse geschriften
doortrekt en verklaart en tenslotte openbaart op de enige wijze die afdoende is,
en dat is: het geweld ondergaan tot het uiterste, dat wil zeggen tot de dood.
Daardoor verliest het geweld zijn kracht en wordt het overwonnen. Dit betekent
het einde van het offer en het einde van de religie, want die zijn de dragers
van de cultuur die op geweld gebaseerd is. Het getuigenis hiervan is te vinden
in de teksten van de evangeliën.
De beschuldigingen tegen de Farizeeën
Om
dit te verduidelijken sluit Girard, in Wat
vanaf het begin
, aan bij enkele teksten van Mattheus en Lucas. (Girard
1990: p. 198 evv.) Daarin
is Jezus in discussie met de schriftgeleerden en de Farizeeën over de
mimetische gewelddadigheid van de mensen (Mat. 23, 27-37 en Luc. 11,47-53). Het
gaat om de volgende tekst:
Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars!
Gij bouwt de graven van profeten en versiert de grafmonumenten van
heiligen en gij zegt: Als wij geleefd hadden in de tijd
van onze vaderen, zouden wij niet medeplichtig geweest zijn aan de moord
op de profeten! Gij getuigt dus tegen u zelf, dat gij zonen zijt van
profetenmoordenaars. Nu dan maakt gij de maat van uw vaderen maar vol! Slangen,
adderengebroed, hoe zult gij het hellevonnis ontkomen? Daarom zend ik u
profeten, wijzen en schriftgeleerden.
Sommigen van hen zult gij doden en kruisigen, anderen zult gij geselen
in uw synagogen en achtervolgen van stad tot stad, opdat op u zal neerkomen al
het onschuldig bloed dat op aarde vergoten is, vanaf het bloed van de
onschuldige Abel tot aan het bloed van Zakarias, de zoon van Barakias, die gij
vermoord hebt tussen de tempel en het altaar. Voorwaar, ik zeg u, dit alles zal
neerkomen op dit geslacht. (Mat. 23,
29-36)
Jezus
weet heel goed dat de Farizeeën persoonlijk geen profeet gedood hebben, toch
worden zij op één lijn gesteld met hun voorvaderen wier handen druipen van het
bloed van Abel tot en met Zakarias, dat wil zeggen van alle in de bijbel bekende
lynchpartijen vanaf de schepping. Zij zijn zonen van moordenaars. Girard
verduidelijkt de woorden van Jezus door te stellen dat het hier gaat om een
geestelijke en verstandelijke solidariteit die zich uit in het zich
de-solidariseren: de zonen menen zich van de vaderen te kunnen distantiëren
door hen te veroordelen, dat wil zeggen door te verklaren dat zij die moord
scherp afkeuren. Juist hierdoor bootsen zij hun vaderen na en handelen precies
zoals dezen gedaan hebben, zonder het te weten. Zij begrijpen niet dat indertijd
bij de moord op de profeten de mensen al weigerden hun eigen geweld te erkennen.
Het gewelddadige van de moord werd toen al weggepolijst door de goede gronden,
door de plausibele argumentaties en de religieuze legitimaties. De zonen blijven
zich dus laten beheersen door de geestelijke structuur die door de funderende
moord ontstond. Altijd zeggen ze weer: Indien wij geleefd hadden in de dagen
onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte
van het bloed der profeten. Paradoxaal genoeg is het juist in de wens zich
van de vaderen te distantiëren, dat de continuïteit tussen vaderen en zonen
wordt bevestigd. Door te zeggen dat zij niet medeplichtig geweest zouden zijn
aan die moord als zij in de tijd van hun vaderen geleefd zouden hebben, vallen
ze in dezelfde gewelddadige valkuil: wij zijn niet als zij, wij zijn onschuldig,
zij zijn schuldig. Christenen hebben eeuwenlang hetzelfde gezegd: wij zouden
niet zoals de Joden Jezus vermoord hebben -
en daarom mochten ze dus de Joden vervolgen.
Girard
verwijst ook nog naar een tekst van het Johannesevangelie:
Waarom begrijpt gij niet wat ik u zeg? Omdat gij mijn woord niet kunt
horen. Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerte van uw vader doen. Die
was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is
in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard,
want hij is een leugenaar en de vader der leugen. (Joh. 8, 43-44)
Waar
het hier om gaat is de drievoudige betrekking tussen Satan, oermoord en leugen.
Een zoon van Satan zijn, betekent dat de leugen je erfdeel is. Welke leugen? De
leugen die de mensenmoord bedekt. De leugen is in tweevoudige zin moorddadig,
want hij leidt elke keer opnieuw tot moord, omdat deze verheeld moet worden.
Zoon zijn van Satan is hetzelfde als zoon zijn van degenen die sinds de
grondvesting van de wereld hun profeten gedood hebben.
Wie
zijn eigen onschuld wil bewijzen, ofwel door de vaderen te beschuldigen, ofwel
door te loochenen dat de vaderen gedood hebben, die beschuldigt juist zichzelf
of nog preciezer: hij voltrekt de cultuurdaad bij uitstek, dat is dat hij de
onthulling van het geweld van deze daad tegenhoudt. Het betekent immers dat men
niet wil weten dat de geschiedenis van de mensheid gefundeerd is op de mythische
camouflage van haar eigen geweld op telkens weer nieuwe slachtoffers. Men pleegt
immers steeds weer een nieuwe moord om een eerdere moord te verbergen.
In
het evangelie wordt de metafoor van het graf gebruikt om dit te ondersteunen.
Het graf heeft een dubbele functie: het eert de dode én het onttrekt deze aan
het gezicht, zodat de dode niet meer zichtbaar is. Met name de tweede functie is
de achtergrond van Jezus woord:
Wee u, want gij bouwt grafsteden voor de profeten, maar uw vaderen
hebben hen gedood. Zo zijt gij dan getuigen, dat gij instemt met de daad van uw
vaderen, want zij hebben hen gedood en gij bouwt. (Luc. 11,47-48)
Girard
zegt hiervan dat Jezus hiermee de
geschiedenis van de menselijke cultuur onthult en op beslissende wijze aan de
kaak stelt. Jezus gaat nog verder
met deze beeldspraak, hij past ze ook toe op de Farizeeën zelf en laat daarmee
zien dat er meer aan de orde is dan alleen een morele waardering. Hij zegt
:
Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, gij huichelaars, want gij
gelijkt op witgekalkte graven, die van buiten wel schoon zijn, maar van binnen
vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid
(Mat. 23,27)
Wee u, wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen;
zelf zijt gij niet binnengegaan en hen die trachtten binnen te gaan hebt gij
tegengehouden. (Luc. 11,52)
Diep
in deze individuen die gevormd (misvormd) zijn door de religieuze en culturele
systemen zit iets verborgen dat overal bederf verspreidt. De Farizeeën en
wetgeleerden hebben de sleutel van de kennis van het zondebokmechanisme
weggenomen. In feite imiteren zij de voorvaderen die zij veroordelen, ze zijn
zelf onzichtbare graven waar mensen overheen wandelen zonder het te weten.
(Luc. 11,44)
Dat is wat Jezus wil onthullen en wat vanaf het begin der tijden
verborgen was. De sleutel der kennis moet aan de mensen teruggegeven worden.
Maar die openbaarmaking is onverdraaglijk en daarom zijn zij het met elkaar eens
dat zij zich van hem moeten ontdoen. Jezus stoort zich niet aan wat in deze
religieuze ordening absoluut verboden is en maakt op ondubbelzinnige manier
duidelijk wat er mis is. Dit mag echter niet aan het licht gebracht worden, dit
moet verborgen blijven en daarom moet hij tot zwijgen gebracht worden. Zodra er
in het evangelie door Jezus woorden gesproken worden die iets openbaren en aan
het licht brengen, dan leidt dit onmiddellijk tot een collectieve wil hem tot
zwijgen te brengen. Er wordt in
die situaties ook direct gezinspeeld op eliminatie van Jezus; men gaat
samenspannen en men steekt elkaar aan om te komen tot een gezamenlijke
uitschakeling, de collectieve moord. Daarmee wordt het funderende
zondebokmechanisme gereproduceerd en juist daarmee wordt ook het woord bevestigd
dat men tot zwijgen wil brengen. Telkens wordt hiermee duidelijk dat de
openbaring en het gewelddadig verzet tegen elke openbaring bij elkaar horen.
Girard noemt dit in Wat vanaf het begin
het leugenachtige geweld, dat
tevens de bron is van elke leugen; en dát moet vóór alles aan het licht
worden gebracht. (Girard 1990: p.
211)
Dat
er rechtstreeks verband is tussen de beschuldigingen tegen de Farizeeën en het
lijden (het openbaar maken en de kruisiging) komt terug in het verhaal van
Stefanus in De Handelingen van de
Apostelen (7,51-60). Stefanus moet
zich verantwoorden ten overstaan van de Joodse Raad, het Sanhedrin. De
slotwoorden van zijn verdediging zijn een herhaling van Jezus beschuldiging
aan het adres van de Farizeeën. Aan de moorden die door Jezus zelf al genoemd
waren, voegt Stefanus die op Jezus zelf toe. Deze moord was op dat moment al een
voldongen feit en getuigt beter dan welk vertoog ook van de realiteit van de
funderende moord. Deze woorden van Stefanus zijn de lont in het kruitvat. Hier
wordt immers de gewelddadigheid weer blootgelegd, maar die onthulling roept
nieuwe gewelddadigheid op om de gewelddadigheid waarvan sprake is, te bedekken:
Wie van de profeten zijn door uw vaderen niet vervolgd? Gedood hebben
ze hen die de komst aankondigden van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders
en moordenaars geworden zijt (
) Toen
ze dit hoorden, werden ze woedend en knarsetandden tegen hem. Maar hij, vervuld
van de heilige Geest, staarde naar de hemel en zag Gods heerlijkheid en Jezus
staande aan Gods rechterhand; en hij riep uit: Ik zie de hemel open en de
Mensenzoon staande aan Gods rechterhand. Maar zij begonnen luidkeels te
schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem af. Zij
sleepten hem buiten de poort en stenigden hem
(Hand. 7, 52-58)
Wat
Stefanus zei was onverdraaglijk. De mond die de schuldigen van het geweld tegen
Jezus noemt, moet gesloten worden. Deze onthulling/openbaring sticht alleen maar
verwarring onder degenen die dit horen. Vervolgens gebeurt er hetzelfde als bij
de oorsprongsmoorden: de eenheid onder elkaar wordt hervonden door buiten de
stadsmuren van Jeruzalem de steniging te voltrekken. Maar in de visie van Lucas
wordt Stefanus niet gezien als een offer. Hij is niet schuldig, hij wordt ten
onrechte gestenigd. Door te sterven zoals Jezus en om dezelfde redenen als hij
is Stefanus een getuige (marturos)
van wat onthuld/geopenbaard moet worden: het funderend geweld. Hij is niet een
offer en hij wordt niet gesacraliseerd. Er wordt geen mythe rondom hem geweven,
die de moord in een ander daglicht zou plaatsen en zou verbergen. Het
zondebokmechanisme wordt juist onthuld en kan daardoor niet meer functioneren.
De evangeliën onthullen/openbaren de werking van het zondebokmechanisme. Er
worden geen mythen meer gevormd maar teksten die de vervolgingen laten zien, dat
wil zeggen teksten die het geweld niet verhullen maar openbaren.
De
niet-sacrificiële interpretatie van het lijden en de dood van Jezus is een
cruciaal element in Girards visie op religie en geweld. Voor hem is deze
interpretatie essentieel voor een welbegrepen christendom. Om de plaats hiervan
in de tot nu ontwikkelde lijn van Girards visie te onderkennen is het goed om in
het kort het voorafgaande te resumeren. Girard heeft de oorsprong en de rol van
het geweld in de samenleving duidelijk gemaakt. Hoewel de mensen het geweld
willen buitensluiten, ligt het geweld toch aan de basis van de cultuur. Aan het
begin van de samenleving is er de funderende moord op zondebokken, slachtoffers
van eensgezind geweld, het geweld van allen tegen één. Geweld wordt bestreden
met geweld. De oude samenleving wordt in stand gehouden door het
zondebokmechanisme. De werkelijke aard daarvan, de moord en het geweld, mogen
echter niet als zodanig bekend zijn, want zij kunnen alleen in verhulde vorm hun
weldadige rol vervullen. Het zondebokmechanisme is maar effectief zolang het
voor de mensen verborgen blijft, zolang het geloof in de schuld van het
slachtoffer niet aan het wankelen gebracht wordt. Dit nu is de taak van de
religie.
In
de religie wordt op rituele wijze het eensgezinde, stichtende geweld verhuld en
tevens gecultiveerd met als doel de hele samenleving te vrijwaren van het
onderling geweld dat de samenleving zou vernietigen als het zou losbarsten. Voor
de onderlinge vrede in de samenleving zijn slachtoffers nodig, die geofferd
worden ten dienste van de samenleving. In de archaïsche religie staat het offer
centraal.
Tegen
dit mechanisme dat functioneert ten koste van onschuldige slachtoffers is een
tegenbeweging op gang gekomen, die te traceren is in de Joodse Geschriften en
die haar hoogtepunt vindt in de evangeliën. In deze ontwikkeling is duidelijk
geworden dat de onderlinge vrede in de samenleving afhangt van het gedrag van
alle mensen in de gemeenschap en niet van het offeren van onschuldige
slachtoffers. Geweld mag niet meer met geweld bestreden worden; de tijd van het
offer is voorbij. In de lijn van deze ontwikkeling dienen de evangeliën gelezen
te worden. Om die reden kunnen we spreken van
de niet sacrificiële interpretatie van de evangelie-tekst.
De
bovenstaande interpretatie druist in tegen de gangbare zienswijze op de
kruisiging. In de geschiedenis van het christendom is de kruisiging altijd
gezien als een offer. Girard is zeer stellig in zijn stellingname hiertegen.
Volgens hem is er in de evangeliën niets te vinden dat aanleiding geeft tot de
gedachte dat de dood van Jezus een offer is, hoe je dat offer ook zou
omschrijven, als verzoening, als plaatsvervanging of wat dan ook. Nooit wordt in
de evangeliën de dood van Jezus als een offer omschreven. Girard meent zelfs
dat de sacrificiële interpretatie van het lijden van Jezus bekritiseerd en
onthuld moet worden als het meest
paradoxale en meest kolossale misverstand uit heel de geschiedenis. Dit
misverstand laat tegelijk heel goed het diep gewortelde, fundamentele onvermogen
zien dat de mensheid belet inzicht te krijgen in haar eigen gewelddadigheid,
zelfs wanneer deze zo ondubbelzinnig als maar mogelijk is wordt aangewezen,
schrijft Girard in Wat vanaf het begin
(Girard
1990: p. 223)
Deze visie van Girard is onlosmakelijk verbonden met de ware betekenis van het evangelie en die is dat het evangelie het zondebokmechanisme en de funderende moord onthult. Daardoor is er geen plaats meer voor offers.
Als
het lijden, de kruisiging en de dood van Jezus als offer, met andere woorden
sacrificieel, gezien zouden moeten
worden dan zou Jezus a) schuldig moeten zijn en b) als gevolg van zijn dood
vergoddelijkt zijn geworden. Zijn dood zou dan een leugen zijn, want zou de
ontkenning zijn van het feit dat hij onschuldig vermoord is; het zou ook een
ontkenning van de echte schuldigen zijn; de vervolgers zouden dan in het gelijk
gesteld worden zoals in de oude sacrale samenleving gebeurde. Het zou betekenen
dat de evangeliën te werk gaan zoals de mythen; het allen tegen één zou dan
ook de leidraad van de evangeliën zijn. En dit nu is niet het geval; alle
teksten van de evangeliën getuigen van het opkomen voor de onschuldigen, de
slachtoffers van geweld. De evangeliën, als hoogtepunt van een ontwikkeling,
zijn de omkering van wat in de sacrale wereld de gang van zaken was, zij zijn de
ontmaskering, de onthulling, de openbaring van alles wat verborgen was gebleven.
Dat gebeurt ook in het lijdensverhaal, maar daar is het zo op de spits gedreven
dat men oren moet hebben om te horen en ogen om te zien. Hoe dan?
De
evangeliën draaien om het lijden van Christus, dat wil zeggen om hetzelfde
drama als alle mythologieën van de wereld. Dit drama is nodig om het voor te
kunnen stellen in het perspectief van de vervolgers,
zoals dat in alle mythen gebeurt, die daarmee uiting geven aan het heersende
mechanisme in de oude samenleving. Zoals Girard het schrijft in De
Zondebok:
Maar ditzelfde drama is ook nodig om het voor te stellen in het
perspectief van een slachtoffer dat
vastbesloten is tot verwerping van de vervolgingsillusies; ditzelfde drama is
dus ook nodig om de enige tekst voort te brengen die aan alle mythologieën een
einde kan maken. (Girard
1986b: p. 123)
Om
punt voor punt de illusies van de mythologieën, en dat zijn dezelfde als van de
handelende personen in het lijdensverhaal, te
kunnen afwijzen en ontkrachten moet het in de evangeliën over dezelfde
gebeurtenis gaan.
De
evangeliën wijzen de vervolging af; dat is voor iedereen duidelijk. Maar wat ze
óók doen is, dat ze de drijfveren van de vervolgingen buiten werking stellen
(het zondebokmechanisme) en de
menselijke religie als geheel (met haar geweld) ontmantelen, evenals de culturen
(met hun geweld) die ervan zijn afgeleid. In de visie van Girard waren deze
symbolische machten de vrucht van de vervolgingsvoorstelling. In de oude
samenleving werd dit niet herkend. In onze tijd is deze macht afgenomen,
omdat wij steeds beter de zondebokmechanismen die er de basis van vormen
waarnemen. Wij geloven steeds minder in de schuld van de slachtoffers, omdat wij
het mechanisme doorzien. Dit heeft tot gevolg dat de instituties die erop
gebaseerd zijn niet meer werken en dat ze instorten. Girard meent dat deze
instorting vooral te danken is aan de evangeliën.
Een
korte uitweiding om de draad van dit betoog vast te houden, is hier op zijn
plaats. Het gaat erom dat uit de
tekst van de evangeliën duidelijk blijkt dat de dood van Jezus niet een offer
is, niet sacrificieel is; dat Jezus niet schuldig is en geen schuld op zich
laadt of aflost; dat het geweld dat hij ondergaat niet vanwege een of andere
schuld plaatsvindt; dat hij niet boete doet voor iemand of iets. In de plaats
daarvan: Jezus ondergaat het geweld
tot het uiterste, tot de dood. Wat hem daartoe brengt is zijn weigering om tegen
geweld ander geweld te stellen en om door geweld vrede te stichten. Hij wil de
verborgen krachten ontmaskeren die het geweld (verhuld) gebruiken ter
onderdrukking van de machtelozen, kortom alles ontmaskeren wat met het
zondebokmechanisme (slachtoffermechanisme) verband houdt. In die zin betekenen
zijn lijden en zijn dood een verlossing voor de mensen: los komen uit de wereld
van het sacrale geweld.
Twee teksten uit het lijdensverhaal
In
het lijdensverhaal spelen veel citaten uit het Oude Testament een rol, met name
uit de psalmen. Die citaten zijn zo bekend dat wij ze gewoon zijn gaan vinden en
er bijna overheen lezen. Maar ze drukken precies datgene uit waar het hier om
gaat. Er wordt mee aangegeven dat in het lijden niet voor deze gelegenheid,
omdat het hier van pas komt, gezegd wordt dat Jezus onschuldig is, maar juist
dat er een lange continuïteit is in het aan de kaak stellen van de vervolgingen
door de massas en het geweld tegen onschuldige slachtoffers. In Johannes
15,25 wordt bij de veroordeling van Jezus de zin toegevoegd: Zij
hebben mij zonder reden gehaat uit Psalm
35,19. En de evangelist legt er
sterk de nadruk op. Hij voegt er ook nog aan toe dat de vijandige samenscholing
plaats vond opdat dit woord van de Schrift vervuld zou worden.
Een vergelijkbare tekst is die van Lucas die Jezus laat zeggen: Dit
schriftwoord moet aan mij vervuld worden: Men heeft hem gerekend tot de
misdadigers (of tot de booswichten). (Luc. 22,37) Deze
keer komt het citaat uit Jesaja 53.
Wat
is de diepe betekenis van deze twee zinnen, die wij zo gewoon zijn gaan vinden?
Daarvoor moet men begrijpen wat zich hier afspeelt en wat tenietgedaan wordt in
het lijden van Jezus. Dat is de heerschappij
van de vervolgingsvoorstelling over de hele mensheid. Het is de afwijzing
van de magische causaliteit en de stereotiepe beschuldigingen, alles wat de
vervolgende massas met gesloten ogen aanvaarden. De Thebanen aanvaarden zo
maar de beschuldigingen ten aanzien van Oedipus inzake de pest omdat hij
incestueus zou zijn, de Egyptenaren ten aanzien van Jozef vanwege de praatjes
van een plaatselijke Venus die volledig aan haar prooi verknocht is.
Girard maakt het ook nog eigentijds als hij in De
Zondebok zegt:
De modieuze
theorieën blijven allemaal heidens in hun verknochtheid aan de vadermoord, aan
de incest, etc., in hun blindheid voor het bedrieglijke karakter van de
stereotiepe beschuldigingen. Wij lopen ver achter op de Evangeliën en zelfs op
Genesis. (Girard 1986b: p. 125)
Ook
de menigte in het lijdensverhaal aanvaardt met gesloten ogen de vage
beschuldigingen die tegen Jezus worden ingebracht. Zij handelen geheel in de
lijn van het magische denken.
En
dat is wat de evangeliën en de psalmen niet accepteren.
De twee citaten maken korte metten met elke mythologische verklaring,
want zij zien heel goed dat de veronderstelde en toebedachte misdadigheid van
het slachtoffer de belangrijkste drijfveer is van het slachtoffermechanisme. Het
perspectief van waaruit de Evangeliën geschreven zijn, is niet dat van de
uitdrijving van een zondebok door een menigte die uiteraard gelijk heeft. De
dood van Jezus wordt voorgesteld als schreeuwend onrecht. Jezus wordt gehaat
zonder reden. Jezus is niet schuldig en misdadig. Als zij hem dan toch doden
is dat niet een offer; Jezus wordt gelyncht. Het geweld van de menigte wordt
duidelijk zichtbaar gemaakt (geopenbaard), het zondebokmechanisme wordt
ontmaskerd.
Dat een enkele mens sterve
Er
is nog een andere tekst waarin het slachtofferproces, dat wil zeggen het betalen
voor een ander, duidelijk blijkt en
zijn mythologische aard toont, die vervolgens wordt doorzien en onthuld. Het is
de tekst in Johannes 11, 47-53.
De hogepriester en de Farizeeën
zijn bijeen om zich erover te beraden wat zij met Jezus moeten doen. Zij komen
er niet uit en dan zegt Kajafas, de hogepriester: Jullie begrijpen er niets
van. Jullie zien niet dat het beter is dat één mens sterft voor het volk en
dat niet het hele volk ten gronde gaat. Kajafas mobiliseert zijn toehoorders
tot eensgezind geweld tegen Jezus en roept daarmee het zondebokeffect op. Zijn
oproep kan niet anders dan mythologische begrepen worden. In de context van deze
evangelische tekst is het een heldere beschrijving van het mechanisme, dat hier
aan het licht wordt gebracht. Kajafas is de offeraar bij uitstek, hij die de
slachtoffers laat sterven om de levenden te redden. In de context van dit
evangeliefragment is de beslissing van de hogepriester de onthulling van het
offer en de oorsprong ervan. Deze onthulling gebeurt buiten medeweten van de
spreker en van zijn toehoorders. Kajafas en de Farizeeën weten niet alleen niet
wat ze doen, maar ze weten ook niet wat ze zeggen. Men moet hen dus vergeven,
zoals geschreven staat in de tekst van Lucas
23,34.
Het wezenlijke en verbazingwekkende van de openbaring die in deze
evangelietekst plaats vindt is dat de unanimiteit niet wordt benadrukt, zoals
wel zou gebeuren in alle mythologische teksten. Het hele tekstfragment ademt het
omgekeerde van wat de eerste toehoorders ondergingen. Het is van zodanige aard
dat het ons verzet doet groeien tegen het maken van zondebokken en tegen het
meeslepende mimetisme. De dwaling en de onwaarheid ervan wordt aan het licht
gebracht.
De
Evangeliën laten ons steeds weer zien wat de historische en meer nog de
mythologische vervolgers voor ons verbergen, namelijk dat hun slachtoffer een
zondebok is in de zin waarin, tijdens de pogroms, van de Joden gezegd werd:
Het zijn zondebokken. De Evangeliën gebruiken de uitdrukking zondebok
niet, maar het alternatief Lam
Gods. Dit betekent ook een in-de-plaats-stelling van het slachtoffer voor
alle anderen, maar door de negatieve bijklank van de bok te vervangen door de
positieve van het lam wordt de onschuld van dit slachtoffer, de onrechtvaardige
veroordeling ervan en de ongegrondheid van de haat die men het toedraagt, beter
onder woorden gebracht.
Jezus
wordt voortdurend in verband gebracht en
brengt zichzelf in verband met alle zondebokken van het Oude Testament, met alle
profeten die vermoord of vervolgd zijn door hun gemeenschap, Abel, Jozef, Mozes,
de Dienaar van JHWH, enz. Of hij nu door de anderen wordt aangewezen dan wel
zichzelf aanwijst, zijn rol als in zijn onschuld miskend slachtoffer voert tot
de aanwijzing. Hij is de door de bouwlieden verworpen steen die de hoeksteen zal
worden. Jezus is niet schuldig en hij is slachtoffer van ongegronde haat. De
autoriteiten zeggen eensgezind het tegenovergestelde, maar die unanimiteit maakt
geen indruk op ons. De vervolgers weten niet wat zij doen. Deze tekst openbaart
de waarheid van een vervolging, zo maakt Girard duidelijk in De
Zondebok. (Girard 1986b: p. 141-142)
In
de parabel van de misdadige wijnbouwers wordt de zoon van de eigenaar gedood en
buiten de wijngaard geworpen (Marcus 12,
1-12). In
deze parabel laat Jezus opnieuw zien hoezeer hij doorziet dat religie en cultuur
gebaseerd zijn op het zondebokmechanisme. Maar door dit aan het licht te
brengen, wordt hij zelf een steen des aanstoots, een skandalon, een
obstakel, waarmee afgerekend moet worden. Al de teksten waarin Jezus dit aan de
orde stelt eindigen met pogingen Jezus ten val te brengen, te stenigen, te
overmeesteren, waardoor de waarheid van wat Jezus zegt, bevestigd wordt. De
steen die zij verwerpen zal echter, zoals al eerder gezegd, de hoeksteen worden
van een nieuwe samenleving, waarin de God in wie geen geweld is regeert.
Van
hieruit wordt de prediking van Jezus over de komst van het Koninkrijk
verstaanbaar. Girard verwijst naar de bergrede en zegt dan, in Wat
vanaf het begin::
Het gaat altijd om het met elkaar verzoenen van vijandige broers, om
een einde te maken aan de mimetische crisis doordat allen afzien van geweld.
Behalve de collectieve uitdrijving, die verzoenend werkt omdat ze in
eensgezindheid wordt voltrokken, kan alleen een onvoorwaardelijk en desnoods
eenzijdig afzien van geweld een einde maken aan de dubbelgangersverhouding. Het
Koninkrijk Gods betekent de volledige en definitieve eliminatie van elk geweld
en van elke vorm van vergelding of represaille in de verhoudingen tussen mensen.
Jezus maakt dit alles tot een absolute plicht in het leven van elke dag, een
verplichting waar niets tegenover staat en die elke aanspraak op wederkerigheid
uitsluit. (Girard 1990: pp. 241-242)
De
volgende bijbelpassage is hier onmiddellijk mee te verbinden:
Gij hebt gehoord dat er gezegd is: oog om oog, tand om tand. Maar ik zeg u geen weerstand te bieden aan
het onrecht, doch als iemand u op de rechterwang slaat, keer hem dan ook de
andere toe. En als iemand u voor het gerecht wil dagen en uw onderkleed afnemen,
laat hem dan ook het bovenkleed. (Mat.
5, 38-40)
Geweld
is slavernij; het geeft een valse zienswijze op alles; men moet er aan zien te
ontkomen. Om uit de ban van het geweld te komen moeten we, dat is uit de
radicale opstelling van Jezus duidelijk, afzien van de gedachte van vergelding;
we moeten dus afzien van alle soorten van gedrag die altijd natuurlijk en
rechtmatig hebben geleken. Geweld ziet zichzelf altijd als rechtmatige
vergelding. Maar we moeten dus afzien van het recht op vergelding, en zelfs van
wat in heel veel gevallen doorgaat voor legitieme verdediging. Omdat geweld
mimetisch is en omdat niemand zich ooit verantwoordelijk voelt voor de eerste
keer dat het uitbreekt, kan alleen het onvoorwaardelijk afzien ervan tot het
gewenste resultaat leiden.
Voor
de bijbelverklaarders is deze opstelling en dit richtsnoer van Jezus altijd
moeilijk geweest. Nu eens wordt het gezien als een soort natuurlijke moraal in
een situatie dat de mens van nature goed is, dan weer wordt het gezien als
utopie van een dromer die geen oog heeft voor de realiteit. Niemand ziet in dat
het eenvoudige en unieke richtsnoer van het Koninkrijk
met onwrikbare logica is af te leiden uit de ware aard van het geweld.
En
wat nu? In het bovenstaande wordt concreet gemaakt wat in het voorafgaande,
beschouwend, is gezegd over de aard en de werking van het geweld. Als we het
geweld in zijn ware aard onderkennen dan heeft dat een duidelijke consequentie
in ons leven en ons dagelijks handelen: geweldloosheid. Hoewel de logica van het
geweld tijdelijk het laatste woord heeft, is de logica van de geweldloosheid
superieur. Horen we opnieuw Girards eigen woorden, zoals hij ze bezigt in Wat
vanaf het begin
::
Het gaat erom, dat hier voor het eerst het sacrificiële volledig
wordt uitgeschakeld, dat het goddelijke geweld zijn einde vindt; het gaat hier
om de waarheid, die verborgen was in alles wat voorafging en die nu eindelijk
uitgesproken wordt, de waarheid die vraagt om totale omkering van de manier
waarop we de dingen zien, om een geestelijke metamorfose zonder weerga in de
geschiedenis van de mensheid; ten slotte: het gaat hier om een absolute
vereenvoudiging van de menselijke betrekkingen. (Girard 1990: p.245)
Dit
is een tekst om van te schrikken; dit is een confrontatie: geweldloosheid. Toch
is het niet anders dan Bemin uw naaste als uzelf. Wellicht is deze laatste
tekst te vertrouwd geworden en heeft ze daardoor aan kracht ingeboet; ze is niet
meer zo confronterend als geweldloosheid. Toch is dit de
radicaliteit waar Jezus voor staat. Het is zijn absolute trouw aan het beginsel
dat hij in zijn eigen verkondiging heeft verwoord. Wat hem de dood in voert, is
zijn weigering om geweld met geweld te beantwoorden en om door geweld vrede te
stichten. Hij wil dat alle mensen leven, en als dat betekent dat hij moet kiezen
tussen doden (geweld gebruiken) en gedood worden, dan kiest hij voor het
laatste. Zijn dood heeft geen andere oorzaak dan dat hij, met een oneindig
inzicht in de eisen die de liefde stelt, tot het einde een leven leidde van
naastenliefde. Niemand heeft groter liefde dan dat hij zijn leven inzet voor
zijn vrienden. (Joh. 15,13)
In deze zin kan van Jezus gezegd worden dat zijn dood een offer was:
zich ter wille van een ander helemaal op het spel zetten.
Maar
zijn dood is niet een offer in de zin van sacrificie, dit is: heilig gemaakt
door het sacrale geweld. De liefde die hem het leven kost wordt in de evangeliën
nooit omschreven als een offer.
Girard
zegt het in Wat vanaf het begin
heel
sterk: De christenen hebben niet begrepen hoe Christus over zijn eigen dood
dacht. (Girard 1990: p. 272) Zij zijn de term sacrificium, offer blijven
gebruiken, omdat zij alleen maar de analogieën met de oude religie zagen en
niet de wezenlijke verschillen. Zij hebben niet gezien dat Christus met zijn
woorden en met zijn dood de funderende moord op de zondebok heeft onthuld,
geopenbaard. In het historisch christendom wordt Jezus kruisdood daarentegen
opgevat als een offer van hem aan God namens de mensen, het hoogste
offer. Dit is de bevestiging van wat Jezus nu juist wilde ontkrachten.
Daaruit blijkt volgens Girard de taaiheid van het zondebokmechanisme en de
geweldige weerstand die overwonnen moet worden om de mensheid tot andere
gedachten te brengen. Blijkbaar is het proces van openbaring nog niet ten einde.
De werking van het zondebokmechanisme is in de menselijke samenleving nog steeds
een leidend beginsel dat hardnekkig invloed blijft houden. En geconstateerd moet
worden dat het officiële, gangbare christendom zich daarvan niet onderscheidt,
zoals blijkt uit leer en praktijk van de kerken en de christelijke politiek:
misoffer, uitsluiting, uitgeprocedeerde asielzoekers. En terugkijkend naar de
tijd na keizer Constantijn: zodra het christendom sterk is wordt het zelf
vervolger.
Daarvoor
zijn wel enkele verklaringen te geven. André Lascaris zegt hierover in zijn
boek De advocaat van de zondebok:
Toen de christenen uit het heidendom meer en meer de overhand kregen
en de band met het jodendom losser werd, misten zij voor een goed deel de
aansluiting met de traditie van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament werd
als het ware met een sluier van de heidense offerreligie overdekt. Tekenend
hiervoor is de uitdrijving van de joden door de christenen, die een bloedig
karakter begint aan te nemen in dezelfde tijd dat Anselmus zijn offertheorie
formuleerde. (Lascaris 1987: p. 71)
In
de denkwijze van Girard: de heidenen moesten de lange tocht van het Oude
Testament uit de offercultus nog doormaken in en tijdens het christendom.
Ook
de door Lascaris genoemde offertheorie van Anselmus, in de Middeleeuwen, heeft
grotelijks bijgedragen aan het offerdenken in het christendom. Deze theorie was
een onderdeel van zijn verlossingsleer. In grote lijnen was deze als volgt:
Door de zonden van de mensen is God in zijn eer aangetast en beroofd. De
mens moet teruggeven wat hij heeft geroofd en voor de aangedane belediging meer
geven dan hij roofde. Maar omdat de mens niet meer kan doen dan waartoe hij al
verplicht is, is hij onmachtig daartoe. God laat nu zijn enige Zoon mens worden
en deze offert vrijwillig zijn leven
voor de mensheid. Voor dit offer geeft
God loon, en omdat de Zoon daaraan geen behoefte heeft, zondeloos als hij is,
wordt dit loon gegeven aan de zondige mens die zo door het bloed van Christus
met God verzoend worden.
In
zijn boek De kunst van de liturgie behandelt
Kees Kok dit onderwerp onder de titel (Anti-)offer (Kok 2004: p.96). In de
eucharistie betekenen brood en wijn de levensinzet van Jezus. Door deel te nemen
aan de eucharistie bekennen wij ons tot diezelfde gezindheid. Wij plegen
communie met elkaar inzake die gezindheid.
In de Middeleeuwen ging deze symbolische betekenis verloren en werd het
misoffer steeds realistischer van karakter. De eucharistie veranderde van
herhalingsoefening in solidariteit (agapè) tot een herhaling van het kruisoffer
van Christus als zoenoffer voor onze zonden. Men vond dat Jezus werkelijk
aanwezig moest zijn (realis presentia) en daarvoor bedacht men de leer van de
transsubstantiatie. Daarmee ging de symbolische betekenis als lichaam
van de Messias verloren en tevens de mogelijkheid van de Ekklesia om zich
daarmee te identificeren. De eucharistie is daardoor een ondoordringbaar
mysterie geworden, niet een communio met het
lichaam van de Messias, dat het symbool is van wat wij zijn. Nog steeds
overheerst bij veel katholieken de offergedachte en vertonen zij bij de
eucharistieviering een gedrag dat veel weg heeft van de sacrale huiver die hoort
bij de archaïsche religie.
Toch
wil Girard het sacrificiële christendom niet ongenuanceerd veroordelen. Hij
meent dat hij door deze te veroordelen dezelfde houding zou aannemen als waaraan
het sacrificiële christendom zelf heeft toegegeven. In Wat
vanaf het begin
schrijft hij in dit verband:
Ik zou mij
hebben beroepen op de evangelietekst en op het niet-sacrificiële perspectief
dat hij opent om vervolgens de historische gruwel van het antisemitisme nog eens
over te doen, maar nu tegen het gehele christendom. Ik had nog weer eens opnieuw
de sacrificiële machine, het zondebok-mechanisme, op gang gebracht, en dat dan
door mij te beroepen op de tekst die, als hij werkelijk begrepen was, dat
mechanisme voorgoed buiten werking zou stellen. (Girard 1990: p. 293)
Het is
echter de vraag of de onverenigbaarheid van het sacrificiële christendom met
een niet-sacrificieel, welbegrepen christendom wel werkelijk ruimte kan laten
voor een dergelijke nuancering.
Deze
scriptie ben ik begonnen met de bekentenis/ontboezeming dat religie mij ter
harte gaat. En ik heb mijn ontsteltenis uitgesproken over het gegeven dat
religie zo vaak in de geschiedenis geweld met zich heeft meegebracht. Het
onderwerp van deze scriptie Religie en Geweld komt voort uit een
oorspronkelijke belangstelling voor deze thematiek.
Al in het tweede jaar van mijn filosofiestudie maakte ik kennis met het denken van Girard. Het was een bijzondere verrassing te ontdekken dat voor René Girard het woord, in teksten, de leidraad is voor het doorgronden van het samen leven van de mensen, en dat de Bijbel daarbij zijn belangrijkste bron is geworden. Het bijzondere voor mij is dat Girard langs een heel eigen weg, namelijk via de literatuur en de antropologie, tot het inzicht is gekomen van de Bijbel als Hét Boek, het levensboek van de mensen. Tegelijkertijd ziet hij dit boek als de neerslag en de leidraad van een ontwikkeling vanuit een oerbegin met geweld naar het perspectief van een samenleven zonder geweld.
Ik verwachtte dat ik door het werk van René Girard grondig te bestuderen mijn inzicht in de thematiek, in de samenhang tussen religie en geweld, te kunnen vergroten. En ik hoopte dat ik zou kunnen begrijpen hoe er tot geweldloosheid zou kunnen worden gekomen. Die verwachting van inzicht en die hoop op begrip zijn geheel vervuld.
Mijn
scriptie-onderzoek heeft uitgewezen dat geweld aan de basis van de samenleving
ligt, als gevolg van de mimetische begeerte: ieder begeert wat de ander ook
begeert of reeds bezit. Zo ontstaat de strijd van allen tegen allen. Hieraan zou
de samenleving op den duur te gronde gaan. In de plaats van allen tegen allen
komt allen tegen één. De onderlinge vrede wordt hersteld ten koste van een
slachtoffer, de zondebok. Het geweld wordt afgeschoven op slachtoffers die na te
zijn geslachtofferd vergoddelijkt worden.
Religie
wil het geweld reguleren maar doet dit ook door middel van geweld, in het offer.
In de religie vindt beteugeling van het
geweld plaats d.m.v. het offer. Het
offer beschermt de gemeenschap tegen haar eigen geweld.
Religie is de oorsprong van de cultuur; ze heeft het samenleven mogelijk
gemaakt. Het geweld wordt niet geëlimineerd maar bruikbaar gemaakt ten
dienste van de samenleving. In mythen en riten wordt het geweld zodanig verhuld
dat het verzoenend kan werken.
Er
is in de geschiedenis van de mensheid ook een ontwikkeling die het geweld wil
buitensluiten. In deze ontwikkeling wordt niet gekozen voor de kant van de
vervolgers, de geweldgebruikers, maar voor de kant van de slachtoffers. Deze
ontwikkeling wordt zichtbaar in de Joods-christelijke geschriften en vindt haar
hoogtepunt in de evangeliën. Door de hypothese van Girard lezen we de Schrift
met nieuwe ogen.
Het
christendom is de drager van het uitzicht op een betere wereld zonder geweld.
Dit betekent dat het christendom, voorzover het zuiver evangelisch is,
geen religie is in de oude zin. De oude religie is ontmaskerd en heeft afgedaan.
Er is een nieuwe religie, het welbegrepen christendom.
De
doorbraak van deze religie zonder geweld heeft nog een lange weg te gaan,
de weg naar echte vrede door geweldloosheid. Het gangbare, officiële
christendom zit nog steeds onder de sluier van de offerreligie. En nu, in het
algemeen gesproken, religie (met offers) geen rol maar speelt in de samenleving,
is er ook geen rem meer op het geweld. De mimetische begeerte krijgt
gelegitimeerde kansen, zonder tegenwicht. Wij bevorderen de mimetische begeerte:
degenen die reeds bezitten worden voorgesteld als model; wat zij bezitten is
begerenswaardig voor iedereen; daardoor zijn wij elkaars obstakels,
concurrenten; daarvoor bevechten wij elkaar en halen ons gelijk zelfs door
middel van geweld in allerlei vorm. En dit alles is nog steeds verborgen. Het
werkt op deze wijze omdat wij ons er niet van bewust zijn. Want wij hebben oren
die niet horen en ogen die niet zien.
En
intussen gaat de onthulling van al het geweld en de openbaring van een andere
wereld zonder slachtoffers en geweld toch door. Naast de massa van elkaar
imiterende mensen is er ook de kleine groep. Wat dat betreft had Kierkegaard
gelijk toen hij schreef dat het kwaad in de evangeliën altijd aan de kant van
de veelheid en de menigte staat. De wereld wordt, altijd al, overeind gehouden
door de kleine groep. Dat zijn degenen die de grote stroom van het grote gelijk
weerstaan, die tegen de stroom in denken, die vervuld zijn van een
onredelijk optimisme vanuit het (Messiaans) verlangen naar het Rijk Gods,
geweldloos. Dit is het perspectief van René Girard.
GERAADPLEEGDE
LITERATUUR
Werken van René Girard
Het
oorspronkelijke jaar van verschijnen staat telkens tussen haken vermeld. De
werken zijn hier geordend naar dit oorspronkelijke jaar van verschijnen; Girards
oudste werk wordt dus het eerst genoemd, zijn jongste werk het laatst. In de
lopende tekst is echter telkens verwezen naar de door mij gebruikte vertalingen
en naar het jaar van verschijnen van de betreffende vertalingen.
1986a (1961)
De
romantische leugen en de romaneske waarheid, vertaald
door Hans Weigand, m.m.v. Hubert Darthenay en Roel Kaptein. Kampen: Kok Agora.
1994 [1972]
God
en geweld. Over de oorsprong van mens en cultuur, uit het Frans vertaald door Michel Perquy. Tielt:
Lannoo (editie Mimesis).
1995 [1976]
Dubbels
en Demonen. Over het ondergronds verlangen. Uit
het Frans vertaald door Jan de Baere. Tielt: Lannoo (editie Mimesis).
1990 (1978)
Wat
vanaf het begin der tijden verborgen was
,
uit het Frans vertaald door J. Kleisen, A.G. Hoffschulte en J.J.W. Gunning.
Kampen: Kok Agora.
1986b (1982)
De
Zondebok, vertaald door Ben Hoffschutte en Roel Kaptein. Kampen: Kok Agora.
1987 (1985)
De
aloude weg der boosdoeners, uit
het Frans vertaald door Roel Kaptein. Kampen:
Kok Agora.
1995 [1990]
Shakespeare:
het schouwspel van de afgunst, uit
het Frans vertaald door Michel Perquy. Tielt:
Lannoo (editie Mimesis).
2000 (1999)
Ik
zag satan vallen als een bliksem,
uit het Frans vertaald door Robert Lemm. Kampen:
Agora.
2001
Celui
par qui le scandale arrive. Parijs: Desclée de Brouwer.
Overige
geraadpleegde literatuur
Achterhuis, H. (1988),
Het rijk van de schaarste. Van
Thomas Hobbes tot Michel Foucault. Baarn:
Ambo.
Beek, W. van (red.)
(1988), Mimese en Geweld. Beschouwingen
over het werk van René Girard. Kampen: Kok Agora.
Fages, Jean-Baptiste (1982), Comprendre
René Girard. Toulouse: Privat.
Groot, G.
(1998) Twee Zielen. Gesprekken met
hedendaagse filosofen. Nijmegen: Uitgeverij SUN.
Haan, W. en Harskamp A.v.
(red.) (1994) Haat & Religie.
Kampen: Kok.
Jonkers, P. en Welten,
R.(red.) (2003) God in Frankrijk. Zes
hedendaagse Franse filosofen over God.
Budel: Damon.
Kaptein, R. en Tijmes,
P. (1986), De ander als model en obstakel:
een inleiding in het werk van René Girard. Kampen: Kok Agora.
Kok, K. (2004), De
kunst van de liturgie. Kampen: Gooi en Sticht.
Lascaris, A. (1987a), Advocaat
van de zondebok. Het werk van René Girard en het evangelie van
Jezus. Hilversum: Gooi en Sticht bv. (1987).
Lascaris,
A. (1987b), Uitzicht voor een oude wereld: West Europa op een keerpunt. Kampen:
Kok Agora.
Lascaris, A.
(1993), Het soevereine slachtoffer.
Baarn: Ten Haave.
Lascaris, A. en Weigand,
H. (red.) (1992), Nabootsing: in discussie
over René Girard. Kampen: Kok Agora.
Nussbaum, M. (1998),
Wat liefde weet.
Emoties en moreel oordelen. Amsterdam: Boom / Parrèsia.
Oosterhuis, H. (2004), Deze
geboren vreemdeling. Honderd preken, beschouwingen, brieven. De Prom.
Pelckmans P. &
Vanheeswijck G. (red.) (1996), René
Girard, het labyrint van het verlangen. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans
Regnier, Th.
(2004), Geweld en rivaliteit bij René Girard. In: In
de Marge. Tijdschrift voor Levensbeschouwing en wetenschap 13, pp. 38-44.
Wils, J.P. (2004), Sacraal
Geweld. Assen: Van Gorcum.
[1] Deze alinea over Feuerbach en Nietzsche is gebaseerd op Haan en Van Harskamp 1994: p. 7.
[2] Zie bijvoorbeeld Nussbaum 1998: p. 125.
[3] Het eerste boek van Wat vanaf het begin der tijden heeft deze uitspraak van Aristoteles als motto. Zie Girard 1990: p. 11.