Studiekring René Girard > Online teksten  



DE CULTUUR VAN IK BEN LEKKER STOUT

Taboedoorbreking, obstakels en mimetische rivaliteit bij René Girard

 

Lezing gehouden bij het afscheid van Tony Tol, docent Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit,

op het symposium 'Girard en de moderniteit', Amsterdam, 21 november 2008.

 

 

Michael Elias

 

 

 

 

 

 

Ik wil niet meer, ik wil niet meer!
Ik wil geen handjes geven!
Ik wil niet zeggen elke keer:
Jawel mevrouw, jawel meneer......
nee, nooit meer in m'n leven!
Ik hou m'n handen op m'n rug
en ik zeg lekker niks terug!

 

Ik wil geen vieze havermout,
ik wil geen tandjes poetsen!
Ik wil lekker knoeien met het zout,
ik wil niet aardig zijn, maar stout
en van de leuning roetsen
en schipbreuk spelen in de teil
en ik wil spugen op het zeil!

 

En heel hard stampen in een plas
en dan m'n tong uitsteken
en morsen op m'n nieuwe jas
en ik wil overmorgen pas
weer met twee woorden spreken!
En ik wil alles wat niet mag,
de hele dag, de hele dag!

 

En ik wil op de kanapee
met hele vuile schoenen
en ik wil aldoor gillen: nee!
En ik wil met de melkboer mee
en dan het paardje zoenen.
En dat is alles wat ik wil
en als ze kwaad zijn, zeg ik: Bil!


Beste pensionerende Tony,

Waarde, collega's, familie, vrienden en andere aanwezigen,

 

Weinig kinderversjes uit de afgelopen eeuw zijn zo beroemd geworden als "Ik ben lekker stout" van Annie M.G. Schmidt. Ze schreef het – jaren '50 - in een voor die tijd ongekend 'authentiek Nederlands'. Het tegendraadse jongetje was historisch bezien de tegenpool van Brave Hendrik, wiens belevenissen een eeuw eerder immens populair waren geworden door het Leesboekje van Nicolaas Anslijn.

 

Brave Hendrik

 

Kent gij Hendrik niet,

die altijd zoo beleefd zijnen hoed afneemt als hij voorbij gaat?

Vele menschen noemen hem de brave Hendrik  [ ]

Kinderen, die met Hendrik omgaan, worden nog braver,

want zij leeren van hem, hoe zij handelen moeten.

 

Toen de bundel "Ik ben lekker stout" verscheen, waren kinderen nog zo gehoorzaam dat het ongeremde gedrag van het assertief-nihilistische ventje als vertederend werd ervaren. Het normenstelsel was stevig verankerd en de voorplaat van de eerste druk van het boekje liet geen uit-zijn-dak-gaande-kleuter zien, maar een brave jongen met een petje en een bootje, dat alleen maar kon dromen van een wereld waarin je ongecensureerd bil zegt – heel anders dan het hyperactieve kroost waarover moderne ouders klagen dat het alleen met een pilletje Ritalin te bedaren is. In een latere uitgave van het boek ziet u een jongetje dat meer in die richting komt.

 

VCAWJ587DCA0KI5XICAZJMZ3ECA5RJIA3CAWLM499CAEHHN0ICAEV9Y1CCAZKTCMQCA0HZWE6CA5A3TEACALS6O5CCA7AOTRPCA7R76F6CAN9G7VGCANC6OAYCA03MIG6CA075GVMCAXH3KP3CAJP8OFU

 

Let u ook op de grotere letters van het woord Ik. Zelf zijn deze moderne ouders gesocialiseerd met Stout en Jip en Janneke. De voorhoede van deze nieuwe generaties had eerder, rond 1970, de lessen uit deze  "nieuwe kinderbijbel" – want zo mogen we de verzamelde geschriften van Annie M.G. misschien wel noemen - in praktijk gebracht met gedrag dat alle ruimte voor jezelf opeist: vrij, taboedoorbrekend en met de pretentie van authenticiteit. Voor anderen werd dit gedrag weer een model – en anno 2008 valt de klacht te beluisteren dat het als een boemerang terugkomt. Opmerkelijk genoeg vond ik op de blog van Femke Halsema, de fractieleider van een partij die niet mee wil gaan met de neoconservatieven die de verdiensten van de jaren zeventig in diskrediet willen brengen, een stukje onder de titel "Lekker stout", met een link naar het bekende versje, maar als illustratie het bekende boze jongetje met de middelvinger.

 

headerimage

Lekker stout!http://www.femkehalsema.nl/wp-content/uploads/2008/04/middelvinger.jpg Ik ben lekker stout!

 

 

 

 

 

 

Iemand van de PVV had verdedigd dat er niks aan de hand is met politici die ministers ‘leugenaars’ ‘lafaards’ en ‘knettergek’ noemen, moslims uitmaken voor ‘terroristen’ en krakers voor ‘tuig’. “Lekker duidelijk, toch?” Ja, sneert de opvoedende moeder. Zeker ook voor mijn oogappeltjes van vier, die ik bij probeer te brengen dat je dit soort woorden niet gebruikt. Dat je niet scheldt en dat je niet zegt dat iemand ’stom’ is als je je zin niet krijgt. Maar wat voor verhaal heb ik tegen hen als volksvertegenwoordigers hun vier-jarigen-vocabulaire zo ‘lekker’ uitbreiden?"

 

In volksoverleveringen zijn stouterds, rakkers en deugnieten al eeuwenlang geliefd en ook de picareske literatuur kent de schelm die de gebaande paden verlaat. Maar pas eind vorige eeuw werd 'tegendraads zijn' een nastrevenswaardige habitus. - Koopt u tegen de kerstdagen een stapel tijdschriften en leest u de interviews met bekende Nederlanders: het is niet moeilijk om te voorspellen dat u dikwijls een frase zult aantreffen als "maar dat wilde ik niet hoor, al die regeltjes waar ik tegenaan liep, ik was best wel behoorlijk tegendraads." Veel mensen volgen anderen daarin na, ja, rivaliseren in het tegendraadse, waardoor dit handelen een hoofdstroom lijkt, met ingewikkelde, dubbelzinnige gedragsvoorschriften, want regels zijn de smeerolie voor het maatschappelijk verkeer, ook in het tegendraadse.

Vanmiddag zal ik proberen om dit gedrag in te kaderen binnen de 'mimetische theorie' van René Girard, die de organisatoren van jouw afscheid, Tony, centraal hebben gesteld.

Mimesis bij Girard

Eerst nog iets over de semantiek van stout. Net als wreed en geil waar een vergelijkbare betekenisontwikkeling momenteel aan de gang is, behoort stout tot een verzameling woorden die semantisch een tegenstelling kennen: ze zijn zowel in bonum als in malum te gebruiken. Wij leerden vroeger dat Karel de Stoute niet ondeugend maar dapper was, vrijmoedig en krachtig. Een positieve connotatie dus, anders dan in stoute kinderen, die ongehoorzaam, ongezeglijk, driest, brutaal en vrijpostig zijn. Zo bezien heb je dus 'goed stout' en 'fout stout' – zo stond het ook in een reclameblad dat ik mijn brievenbus vond.

 

goed fout stout 2

Zou het epitheton 'stout' van toepassing zijn op de nu bijna 85-jarige Franse denker René Girard? Is hij tegendraads? Dat hangt van het gezichtspunt af. Ik herinner me een Oostenrijkse geleerde die hem tien jaar terug op een congres over geweld in films introduceerde en zei dat hij drie Franse intellectuelen kende die bij de zuidelijke toren van de Nôtre Dame plechtig gezworen hadden, deze man niet te kennen. De anekdote lijkt me illustratief voor de receptie van Girards werk: in de tijd dat Foucault, Lacan en Derrida in Frankrijk doorbraken, kwam hij met inzichten die dwars ingingen tegen het courante Parijse anti-humanisme en postmodernisme. Werd hij in 1972 na de verschijning van La violence et le sacré nog bejubeld in Le Monde, toen hij later in Des choses cachées uit 1978 aangaf de kennis omtrent de mens eerder uit het passieverhaal dan uit de sociale wetenschap te halen, was het met zijn populariteit in de Franse laïcité snel gedaan. U kunt dus zelf bepalen hoe braaf of stout vloeken in de seculiere kerk is. Zijn erkenning kreeg Girard voornamelijk in de Verenigde Staten, en pas twee jaar geleden in eigen land, met zijn uitverkiezing in de Académie française – en toen had het debat over samenleving en religie inmiddels een heel andere wending genomen, vooral door de nieuwe verhouding tussen islam en christendom.

 

Wat is de kern van Girards theorie? De webmaster van het Blaise Pascal Instituut hier aan de VU stelde me die vraag een aantal jaren terug, toen ik een website begon te schrijven voor onze Girard studiekring (www.girard.nl) en met hem overlegde hoe we dat voor een breed publiek het beste konden doen. Ik zei toen: "Simpel gezegd begint alles bij mimesis 'navolging': wij mensen zijn minder redelijk dan we denken en weten vaak niet wat we doen, omdat wij niet in de gaten hebben wie wij navolgen." Hoe wij daar achter kunnen komen en wat dit voor onze naaste omgeving en de samenlevingsvormen die wij kennen zou kunnen betekenen, vormt de afgelopen vijftig jaar het onderzoeksobject, niet alleen van Girard, maar ook van zijn leerlingen. Want hij is een maître penseur die school heeft gemaakt.

Die webmaster vroeg me ook of ik in een paar minuten de hoofdpunten van de mimetische theorie kon uitleggen. Ik heb toen in enkele punten Girards cultuurscenario geschetst,

dat aan de basis van vrijwel al zijn analyses ligt. "OK", zei hij, "dat worden dus de buttons op onze site" – en als u doorklikt op 'Theorie" vindt ze nog steeds op onze site.

Op deze dia heb ik van dit 'oerscenario' van menselijke beschaving een cirkelbeweging gemaakt, omdat de cyclus zich – zij het in steeds nieuwe vormen – herhaalt. Tony en ik hebben afgesproken dat ik uitgebreid inga op mimesis en enkele opmerkingen plaats over rivaliteit en conflict, hij zal over het slachtoffermechanisme spreken.

 

Aan het begrip mimesis, 'nabootsing, imitatie, representatie' heeft Girard een nieuwe dimensie gegeven. Bij hem is het een mechanisme, dat patronen van actie en interactie genereert. Mimesis vormt de persoonlijkheid en is van invloed op geloofsvoorstellingen, attitude, symbolische vormen, culturele praktijken en instituties. Centraal is de nauwe band tussen mimesis en le désir 'begeerte, verlangen'. Dat is wat anders dan behoefte of instinct, die van een biologische orde zijn. De behoefte aan voedsel of zin in seks zijn op zich nog geen begeerten. Die behoeften kunnen bevredigd worden, maar de begeerte gaat verder, aangejaagd door die van anderen - en staat dus tussen instincten en sociaal milieu in. Mensen imiteren een voorbeeld of model, dat reeds vóór ons bezit of begeert: we zijn in dezen geen onafhankelijk begerende subjecten - ook al denken 'moderne mensen' van wel. Maar ik kan mij, tot op zekere hoogte, wel de vrijheid verwerven een ander model te kiezen, waarmee ik de double bind erken die enerzijds zegt: wees authentiek, origineel, blijf jezelf… maar hier is de cola die je moet drinken om erbij te horen.

 

Mimetisch gedrag begint in een mensenleven al zeer vroeg. Dat weten we beter sinds de ontdekking een jaar of tien terug van spiegelneuronen, hersencellen die niet alleen geactiveerd zijn wanneer een subject een bepaalde beweging uitvoert, maar ook als hij diezelfde beweging bij iemand anders observeert. Willen kinderen die met poppen of autootjes spelen, vaak niet juist dat hebben waar de ander net mee bezig is? Zelfs als ze geen interesse meer hebben in bepaald speelgoed, herleeft de belangstelling ervoor op het moment dat een vriendje naar hun stukje Lego grijpt. Mensen hebben de begeerte van een ander nodig om zichzelf te realiseren. Girard laat dat in zijn studies zien met voorbeelden die reiken van de prehistorie tot aan de moderne tijd.

 

Overigens moet bij het hanteren van dit scenario onderscheid worden gemaakt tussen het 'oerscenario' waarin de verschillende stadia die aan scapegoating voorafgaan, helder zichtbaar zijn en praktijken uit later tijd waar ze als metaforen gebruikt worden. Als ik nu ergens lees "Waarom alleen minister Vogelaar tot zondebok maken?" wordt de term zondebok anders gebruikt dan in 'lynchen door een uitzinnige massa'. Wij leven immers in een samenleving met een rechtssysteem, waarin het zondebokmechanisme 'getranscendeerd' is.

 

Moderne vormen van navolging

In onze tijd en in onze maatschappij is nabootsend gedrag goed te illustreren aan de hand van het verschijnsel mode. Modellen geven aan wat we moeten dragen. Van een nog niet versleten kledingstuk zeggen we: dat kan echt niet meer!! De Franse psychiater Michel Oughourlian, die met een door hem ontworpen 'mimetische psychotherapie' werkt, vroeg eens aan de bekende modeontwerper Yves Saint-Laurent. "Hoe weet u nou dat de jurken die u momenteel ontwerpt, zullen voldoen aan de smaak van het publiek?" Met een blik vol verbazing antwoordde Saint-Laurent: "Maar dokter, zij zullen simpelweg dragen wat ik wil." De techniek om mimetische begeerten te manipuleren beheerste deze man uitstekend.

 

Afgelopen maandag zag ik de eerder genoemde Femke Halsema in de NRC geportretteerd:

 

in exact dezelfde kleding (laarzen, wollen kousen, korte rok) als ik de zaterdag daarvoor op een feestje van iemand die vijftig werd, bij erg veel vrouwen zag die vijf jaar terug nog allemaal een broekpak aanhadden.

 

We kunnen zelf ook mensen als model kiezen, lieden die zijn zoals wij zouden willen zijn.

Hier een krantenknipsel uit Trouw van 10 september j.l. met Sarah Palin: iedereen wilde opeens haar bril. En hij was niet goedkoop, stond er nog bij…

 

Een dag later hetzelfde verhaal met haar pumps, nu in de Volkskrant, met het woord palinmania in de kop: een hype dus -- of, in de terminologie van de mimetische theorie: een besmettelijke begeerte. En om niet seksistisch 'bij u over te komen', laat ik ook nog een plaatje zien van de beroemde scène waarin prins Claus zijn stropdas afwierp, daarin terstond gevolgd door andere mannen.

 

Claus 2

 

Een ander recent voorbeeld inzake nabootsend gedrag levert de huidige financiële crisis. Wordt de hoogte van bonussen niet bepaald door die van anderen, die zich op hun beurt spiegelen aan wat anderen binnenhalen, die zich weer baseren op 'modellen', die… etc. De beursterm 'speculeren' komt van speculum 'spiegel': men probeert te observeren wat een ander denkt dat iets waard is en men handelt op basis daarvan.

 

'Communicatief handelen' op basis van modellen is bijna eindeloos en heeft een vanzelfsprekende functie, bij commerciële reclame natuurlijk, maar ook bij liefdadige instellingen die door zogeheten 'ambassadeurs' worden aangeprezen.

 

Ambassadeur Alzheimer

 

 Celebrities werken als magneten: ze geven aan wat we moeten begeren, hoe we moeten 'zijn', ze zetten de trend en men wil alles van hen weten. Roddelbladen en –programma's proberen daaraan te voldoen en de cultuur van look alikes speelt erop in: jongens die er allemaal als Elvis Presley of Mick Jagger willen uitzien of meisjes die Madonna of Edith Piaf imiteren.

Maar het kan ook omslaan en dan worden celebrities unaniem verstoten. -- Of ze komen tot inzicht en maken een 'moderne' bekering door.

 

Taboe, rivaliteit, obstakel

Ook geletterden doen aan mimesis en volgen soms en bloc een bepaald model, ik maakte dat tijdens mijn studie taalkunde mee, toen Noam Chomsky de trend zette. Overigens wordt mimesis vaak ten onrechte in negatieve zin gebruikt, want een goede leermeester in wiens voetsporen leerlingen treden, kan een inspirerend model zijn. Ook als een vriend tegen me zegt "Je moet die roman van Kosztolányi lezen", is er niks mis mee als ik hem daarin navolg. En wanneer er in duizenden kamers van jongelieden een foto van een beroemde popster aan de wand hangt, is de afstand tussen hen allen en de megaster zo groot, dat ze deze niet zullen hoeven delen.

 

Mimesis kan echter ook tot rivaliteit leiden wanneer het begeerde nabij is en ondeelbaar is. Onze literatuur staat vol van triangles érotiques, configuraties waarin een man bijvoorbeeld zijn beste vriend navolgt in de liefde en zijn zinnen zet op de geliefde van deze beste vriend. De een wordt dan een obstakel voor de ander en de verwikkelingen die volgen, kunnen niet alleen tot bittere rivaliteit en jaloezie leiden, maar zich ook verspreiden naar anderen en zelfs tot ontwrichting van een gemeenschap leiden. Opmerkelijk bij de trits begeerte-model-obstakel is dat mannen én vrouwen hun eigen geliefde soms bij anderen als begeerlijk presenteren – ze hebben als het ware de erkenning nodig, de juiste te hebben gekozen. Dostojewski laat dat briljant zien in De eeuwige echtgenoot.

 

Kijkt u naar de voorplaat van het boekenweekgeschenk van enkele jaren geleden.

 

Wolkers 1

 

Het taboe op naakt hebben wij, moderne mensen, al lang achter ons gelaten en zoals wel vaker ziet u een blote vrouw op de voorkant van dit boek. Laten we de achterkant er even bijnemen.

 

 

Wolkers 2

 

 

We herkennen de man op de achterkant als de man-van-de-blote-vrouw, de schrijver Jan Wolkers. Via de lens van de fotograaf kijkt hij ons aan. Houdt hij ons haar misschien als begeerlijk voor? Waarom moeten wij haar in die pose zien?

 

De foto doet denken aan een verhaal uit het eerste boek van Herodotus' Historiën waar de tragische geschiedenis wordt verteld van koning Kandaulès, die zijn lijfwacht ertoe overhaalt,

zich te verstoppen in de koninklijke slaapkamer. Hij wil namelijk dat Gyges – zo heette deze lijfwacht – zijn vrouw, die hij als de mooiste wereld beschouwt, een keer naakt kan zien. Gyges sputtert tegen, maar kan niet weigeren. De vrouw ontdekt het en stelt hem voor de keus: of jouw kop gaat eraan of die van mijn man. Met de wens zijn begeerte te voeden met die van een ander overschreed Kandaulès een grens en hij moest dat met de dood bekopen.

 

Taboes en verboden houden verband met de vrees voor verwarring, het uitwissen van grenzen en het oproepen van begeerten die de gevestigde orde bedreigen. Het is de functie van het taboe om deze te reguleren. In ons culturele besef is altijd de angst voor het dodelijke conflict aanwezig, dat ontstaat als grenzen vervagen, begeerten zich aan elkaar spiegelen en rivaliteit de een tot een obstakel voor de ander maakt. Ook bij ons borduren vaak ongeschreven etiquetteregels voort op het oude stramien.

 

Om dergelijke zaken draait het volgens Girard als we de cultuur van 'lekker stout' en het vrijheidslievende taboedoorbreken gaan evalueren. Zodra mensen zich vrij voelen toe te geven aan hun neigingen, doemt er een onverwacht obstakel op: het monster van de mimetische rivaliteit. Alle bescherming tegen het conflictieve mimetisme valt immers weg: rivalen worden op elkaar gelijkende dubbelgangers, die hun interesse in een extern object kunnen vergeten en in hun conflicten er slechts door geobsedeerd zijn elkaar te verslaan. Wanneer de hele samenleving door dergelijk gedrag wordt besmet, hebben we een mimetische crisis, gekenmerkt door ongedifferentieerdheid - rijp voor scapegoating.

Kenmerken mimetische theorie, kritiek

 

Ik besluit met enkele kenmerken van de mimetische theorie en een 'kritisch moment'. Als eerste noem ik perspectiefwisseling. Al in 1961 maakt Girard een vergelijking tussen een scène die zowel in een jeugdwerk van Proust voorkomt als in zijn beroemde Á la recherche du temps perdu. In de schouwburg, verloren in de menigte, kijkt de verteller begerig omhoog naar het welhaast bovennatuurlijke schouwspel dat zich in de loge met beroemdheden voltrekt. Maar die pijnlijke beschrijving tref je pas in de Recherche aan; in het jeugdwerk van Proust zat de verteller zelf in die loge.

 

Bij de bespreking van twee verhalen over broedermoord, dat van Romulus en Remus en Kaïn en Abel, toont Girard aan dat in het Romeinse verhaal de moord gerechtvaardigd wordt, terwijl in de Hebreeuwse bijbel Kaïn ter verantwoording wordt geroepen: waar is uw broer Abel? Zo'n wisseling van optiek is volgens Girard van eminent belang: het gaat er immers niet om, een heldenverhaal te vertellen - zoals 'de mythen van de mensheid' dat gewoonlijk wel doen, die niet het verhaal vertellen van de vermoorde zondebok, maar de versleutelde versie geven van de massa die het offeren van een schuldeloze rechtvaardigt en dit slachtoffer vervolgens vergoddelijkt. Zijn inzicht dat de zondebok de verhitte gemoederen in de mimetische chaos moet verenigen, dankt hij naar eigen zeggen aan de bijbel. De joodse godsdienst is voor hem de worsteling met een nieuw ethisch besef en in de evangeliën gaat dat verder. Vooral in het passieverhaal komt het mimetische, gewelddadige karakter van de cultuur naar boven. Het is dan ook van groot belang om de bijbelse traditie niet als de bron van geweld te beschouwen, maar als middel tot beteugeling daarvan.

 

Tweede punt: interdiciplinariteit De mimetische theorie beperkt zich niet tot de filosofie, dat begreep u al. Qua opleiding is Girard zelf paleograaf en historicus, maar de disciplinaire verkaveling is hem een doorn in het oog. Geen schoenmaker die bij zijn leest blijft, al jaren beweegt hij zich vrijelijk in de humaniora: koppelt analyses van literaire werken aan gegevens uit de antropologie, vergelijkt passages uit de evangeliën met Azteekse mythen en brengt het koningschap in verband met zondebokrituelen, -- en dat met verwijzingen uit de losse pols naar passages uit Sofokles, Augustinus, Dante, Shakespeare, Marx en Frazer – zijn belezenheid en ambities zijn groot.

 

Een volgend kenmerk zou ik de eenvoud willen noemen. Met het scheermes van Ockham ging hij vaak ingewikkelde constructies van zijn voorgangers te lijf om ze binnen de mimetische theorie meestal helder auf den Begriff zu bringen - zoals een Duitse taalkundige het eens zei. De driehoekverhouding waarin Nietzsche in verwikkeld zat bijvoorbeeld, Freuds ingewikkelde narcisme-constructies of de aberraties van sacrificieel ingestelde theologen.

 

Ten slotte de vraag: valt er op Girards inzichten nog iets af te dingen? Zeker - en hij is scherp aangevallen. Zelf vind ik dat hij over taboedoorbreking voornamelijk in negatieve termen spreekt, terwijl de positieve vorm ervan die tot creativiteit kan leiden, weinig aandacht krijgt. Voorts is grensvervaging ook in communitas uit te drukken: negatieve gelijkschakeling is inderdaad een gevolg van rivaliteit, maar je kunt ook kiezen voor positieve gelijkschakeling, wat een bewust afzien van rivaliteit betekent.

 

In zekere zin zou je de hele mimetische theorie een voetnoot kunnen noemen bij het tiende gebod: "Gij zult niet begeren uws naasten huis…" In de nieuwe vertaling: "Zet uw zinnen niet

op het huis van een ander, en evenmin op zijn vrouw, op zijn slaaf, zijn slavin, zijn rund of zijn ezel, of wat hem ook maar toebehoort." (Exodus 20: 17, NBV). Geen van de tien woorden op de tweede tafel geeft zoveel details - je zou ook van tien naar negen en zo verder kunnen lezen, schrijft Girard in zijn boek over de satan. Mimetische begeerte staat dicht bij wat in de joodse traditie jetser hara 'de kwade neiging' wordt genoemd. We moeten deze volgens de rabbijnen dagelijks opvoeden met onze 'goede neiging', jetser tov - dan zal het afglijden in de competitiegeest ons bespaard blijven. Want we kunnen niet zonder deze drift in ons bestaan: zonder de kwade neiging zouden mensen geen huizen bouwen, kinderen krijgen of handel drijven. Van 'slecht stout' dus naar 'goed stout'.

 

Ik dank u voor uw aandacht.

 

 

 

 

 

 

 

E Michael.Elias@net.HCC.nl