Vrije Universiteit Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Girard Studiekring > COV&R 2007 > Abstracts Papers 

HET ‘ABSOLUTISME’ VAN HET CHRISTENDOM VOLGENS RENÉ GIRARD

Herman Wiersinga

Email - Profile - Subtheme # 3 - Abstract

PAPER

Bijdrage aan de COV&R-conferentie 2007 over ‘Kwetsbaarheid en tolerantie’ (‘Vulnerability and Tolerance’).  

Inleiding

In deze bijdrage bekritiseer ik enkele ‘absolute’ beweringen van René Girard met betrekking tot de uniciteit van de joodse en speciaal de christelijke religie. Door op zo’n absolute – niet relativerende – manier over de verschillen tussen de joods-christelijke religie en de andere godsdiensten en wereldbeschouwingen te schrijven, schept Girard de duidelijkheid waaraan kerkleiders en waarschijnlijk ook veel gelovigen behoefte hebben, maar doet hij tegelijkertijd de complexe en verwarrende werkelijkheid van de in elkaar overlopende religieuze en filosofische visies geweld aan. Tijdens deze Cov&r-conferentie hoorde ik weinig kritiek op Girards werk, maar de – ook door mij gedeelde - waardering voor zijn baanbrekende beschouwingen over het mimetisch geweld en het zondebokmechanisme door de eeuwen heen mag een kritische beoordeling van zijn stellingen niet blokkeren. Om de noodzakelijke beperking aan te brengen in het vele materiaal dat we van René Girard reeds bezitten, gebruik ik als bron het derde hoofdstuk – De aanstoot die het christendom geeft (Le scandale du christianisme) – van zijn recente, vorige boeken samenvattende boek van 2004 De oorsprongen van de cultuur (Les origines de la culture). Het is een soort testament op de wijze van Darwins De oorsprong van de soorten (The Origin of Species), maar dan bescheidener: het vagere meervoud ‘oorsprongen’ suggereert een redelijk onbekend brongebied van onze menselijke cultuur. Het had Girard moeten verleiden tot een minder absolute en meer relativerende stellingname.  

Waarom ik over verschillende, m.i. te exclusieve beweringen, contrasten en meningen in dit gedeelte van Girards De oorsprongen van de cultuur val, vindt zijn reden in de dialogen die voor het samenleven in onze globaliserende – al kleiner wordende en almeer op elkaar aangewezen – wereld van levensbelang zijn. Die dialogen, die voorlopig niet plaatsvinden om ieder zijn geloofsvrijheid te gunnen, zijn van direct belang voor onderling begrip en ethische consensus tussen de ‘ineengeschoven’ wereldbevolking. Voor onze momentele samenleving is het cruciaal dat een ieder – en ook elke godsdienst of levensleer – bereid is tot empathie en sympathie, tot het opgeven van wat niet strookt met de mensenrechten en tot het heroverwegen van vastgeroeste vooroordelen over elkaar. Het stoorde mij dan ook – en velen in de Amsterdamse studiekring – dat Girard onlangs zijn instemming betuigde met de huidige paus Benedictus XVI,  toen deze het ‘dictatorschap van het relativisme’ als hoofdschuldige aanwees voor het verval van onze waarden. Niemand zal het platte relativisme (ofwel het platte postmodernisme) omarmen, dat van onverschilligheid en Anything goes. Maar het zetten van vraagtekens bij absolute overtuigingen, vanzelfsprekende uitgangspunten en al te welkome waarheden is broodnodig om de globale samenleving in stand te houden. Terwijl wij blijk geven van een voorkeur voor al kortere credo’s, liefst oneliners, zouden de joodse rabbijnen ons kunnen dienen met hun wijsheid om reeksen citaten met uiteenlopende tekstuitleg te bundelen en naast elkaar te laten staan! Wat mij – en wellicht maar weinigen met mij – aantrekt in de postmoderne analyses is de deconstructie – natuurlijk gaat het niet om destructie, maar wel om de uiteenrafeling als opstapje naar een nieuw tapijt – en de ironie – juist niet de toeschouwershouding van de cynicus, maar de glimlach van de betrokkene – en het gesprek als onmisbaar overleg. Er moeten heel wat muren en waarheden omvallen, wapens en waarden omgesmeed worden, credo’s en teksten ‘hertaald’! Maar nu dan de overstap naar de stellingen die René Girard m.i. te ‘absoluut’ betrok…

De bijbel de enige bron?

Girard polariseert te zwart-wit tussen de joodse en christelijke religie enerzijds en de archaïsche ofwel mythische religies anderzijds. De bronnen van de eerstgenoemde religies bestaan uit de joodse bijbel (het Eerste of Oude Testament) en het christelijke Nieuwe Testament met verhalen en brieven over Jezus van Nazaret. Deze bronnen zouden de jaloerse mimetische begeerte doorzien, die volgens Girard tot onze collectieve antropologische structuur behoort en de mimetische crisis steeds weer doet ontvlammen. En deze teksten zouden ook het zondebokmechanisme dat een slachtoffer zoekt om deze crisis te bezweren en de vrede te herstellen. In de bijbelse verhalen staat volgens Girard centraal de vraag of zo’n slachtoffer wel of niet de schuld heeft. Hij toont de onschuld van de slachtoffers uitvoerig aan door de oudtestamentische verhalen van Jozef, de zoon van Jacob, en Job, een rechtvaardig man in het land Us, te analyseren. Voor de oudtestamentische profeten verwijst Girard naar de teksten over de ‘Lijdende Dienaar’ in het tweede deel van Jesaja – is die Dienaar schuldig of juist onschuldig? En vervolgens spelen de passieverhalen van de evangelisten in Girards vertoog een beslissende rol: Jezus wordt als zondebok uit de weg geruimd, maar is deze gekruisigde wel schuldig? Het tegendeel blijkt het geval: Jezus betuigt meermalen sprekend of juist zwijgend zijn onschuld. Zo onthullen de tekstschrijvers zonneklaar het onrecht dat het mechanisme enkelingen aandoet.

René Girard stelt deze bijbelse rehabilitatie van de slachtoffers tegenover de mythische versluiering, waarbij ook de slachtoffers zelf in hun schuld gaan geloven. Girard gaat wel heel globaal te werk als hij de verzamelnaam archaïsche of mythische religies gebruikt voor alle oude en nieuwere religieuze en filosofische stromingen behalve joden- en christendom. Op het eerste gezicht beschrijven de Griekse tragedies van de vijfde eeuw vóór onze jaartelling de minetische crisissen op een argeloze manier, zonder duidelijk besef van de werking van het mechanisme en de vondst van een zogenaamd schuldig slachtoffer. Girard merkt terecht op dat de dramaturg Sophocles in zijn tragedie Oedipus Rex een vermoeden heeft van het mimetisch mechanisme en de schuldig te bevinden zondebok. Hij citeert in een noot op pagina 110 enkele regels uit een gesprek van Oedipus met zijn moeder Iokaste:

        

                  Hij (de herder die ooggetuige was van Oedipus’ ongeweten vadermoord)

                  zei toch volgens u dat rovers hem

                 ombrachten; als hij nu ook aanstonds (de herder staat al bij de poort) nog

                 in ’t meervoud spreekt, ben ik de doder niet:

                 één man of meer dat maakt  reëel verschil.

                 Maar mocht hij spreken over één passant,

                 dan slaat de volle werk’lijkheid op mij!

                 (Oedipus Rex r.842-847 in de vertaling van Jan Pieters)

 

Hier licht Sophocles een tip op van de sluier, die ook in de oude tragedies over het algemeen de feitelijke realiteit bedekt, ook voor de betrokkenen. Oedipus acht naderhand zich ook zelf schuldig aan moord op zijn vader en seksuele omgang met zijn moeder. Dat in het oude Griekenland een groeiend bewustzijn opkomt van schuldeloze schuld – zeg maar: van schuldig geachte onschuldigen – en van de noodzaak om de eindeloze ketens van eerwraak en bloedwraak te breken, blijkt bijvoorbeeld ook bij de tragedieschrijver Aeschylus. Deze laat in zijn trilogie over Orestes Pallas Athene tussenbeide komen, die de moederdoder Orestes vrijuit laat gaan en voor hem een eerlijke rechtspraak in Athene organisert in plaats van een blinde terechtstelling.De titel van het laatste deel van de Oresteia luidt Goede geesten (Eumeniden) in plaats van Kwade geesten (Erinyen, wraakgodinnen). In zijn boek La Violence et le sacré (van 1972) besteedt Girard wel royaal aandacht aan de gevoeligheid van de Griekse tragediedichters voor de geweldsspiraal en de positieve functie van een zondebok als Oedipus, maar hij laat in zijn samenvattende beschouwingen van Les  origines de la culture (van 2004) het feit dat deze Griekse dichters de schúld van de zondebok problematiseren geen relativerende rol spelen. Deze en andere kenteringen in de wraak- en zondebok-culturen zijn nader onderzoek en vermelding meer dan waard om de gemakkelijke zwart-wit-tekening van de eigen (joods)christelijke cultuur versus alle mythische culturen te relativeren.  

Trouwens, het zou in dit verband fair geweest zijn als Girard de vele mythische elementen in Oud en Nieuw Testament genoemd had. De joodse bijbel bevat talloze door God bevolen vergeldingsacties tegen individuen en volken. Goddelijke opdrachten roepen op tot bloedwraak en een cultus van bloedige dierenoffers. Ik weet wel dat diezelfde bijbel ook oproept tot matiging en zelfs tot het afzien van de offercultus, maar de tegengeluiden geven reden genoeg om een massieve afwijzing van zondebokken te relativeren. Je kunt ook van het Nieuwe Testament niet zonder meer zeggen dat daar de mythische taal over Gods toorn en vergelding, over een dreigende hel en verzoenend bloed afwezig is. Sprak de theoloog Rudolf Bultmann (midden 20e eeuw) al niet over de ontmythologisering van de bijbelse teksten? Zou de klassieke kerkelijke verzoeningsleer, waarin Jezus als zondebok beschreven én geëerd wordt, enkel op een misverstaan van die bijbelse teksten berusten?  

Het monotheïsme van de bijbel

In het verlengde van de tegenstelling tussen de bijbelse ontmaskering van de mechanismen die Girard ontdekte in de joodse en christelijke religie, tegenover de versluiering daarvan in de niet-christelijke religiositeit, ligt ook de verdeling van monotheïsme en polytheïsme over  beide polen. Het monotheïsme wordt het onderscheidend kenmerk van de bijbelse teksten, terwijl het polytheïsme overblijft voor alle niet-bijbelse religiositeit. Op deze alweer veel te massieve tegenstelling valt heel wat af te dingen. Ook ‘mono’en ‘poly’ komen aan beide zijden van de demarcatielijn voor!  

Neem het polytheïsme, het veelgodendom. Het is de neerslag van de plurale relaties die mensen met hun gefantaseerde (?) bovennatuurlijke wezens onderhouden. Als die relaties al niet onderling tegenstrijdig zijn, dan komen ze in elk geval ongestoord náást elkaar voor. De psychologie staat ook al klaar met haar verklaring van die vele en vaak tegenstrijdige goden: het zijn evenzovele uitvergrotingen van de menselijke diverse, feitelijk opspelende emoties. Welnu, de Grieken waarvan ik zojuist enkele tragedieschrijvers noemde kenden zonder meer een reeks goden en godinnen. Zij moedigden de strijdende partijen in de Trojaanse oorlog aan de strijd voort te zetten, toen de menselijke vechters de strijd en het vele bloed al beu waren! Gedichten en verhalen staan vol met interventies van en aanroepingen van die vele goden. Maar toch weten wij ook van Socrates dat hij zich in zijn gesprekken en tenslotte ook in zijn verdedigingsrede voor de Atheense raad beriep op een éénvoudige, goddelijke stem in zichzelf, de stem van zijn geweten, een echte eenzame ‘bovenstem’, het daimonion. En dat heeft veel van een monotheïstische relatie!

En daarnaast het Oude en Nieuwe Testament. Je treft daar de zaken als mono- en polytheïsme niet aan. Het gaat daarin er wel om tenslotte één God te kiezen, te noemen en te vertrouwen – je zou dat nog ‘monolatrie’ kunnen noemen. Maar het gaat bepaald niet om een taal- of telwoord-probleem. In de Psalmen spreekt God recht ‘in de kring van de goden’(psalm 82). En als in het hemelse tribunaal Job in het geding is verschijnt daar de Satan tussen de ‘zonen van God’ als een geducht Aanklager en Tegenstander, met de status van een soort tweede god (Job 2,6). En in één van zijn nieuwtestamentische brieven valt Paulus zichzelf in de rede met de tussenzin: ”En zo zijn er immers vele goden en heren” (I Korinthiërs 8,5). In de bijbelse teksten is niet zozeer de lichtelijk academische vraag naar het bestaan van méér goden aan de orde als wel die naar de kwaliteit van deze God van Israël en van Jezus: is hij (zij; het) ondubbelzinnig doorzichtig tot op goedheid en solidariteit? Zeg maar: niet de vraag naar het telwoord, maar die naar de betrouwbaarheid. Je moet weten waar je aan toe bent… De Verlichting stelde vanuit de evolutiegedachte de vraag naar de primitieve polytheïstische godsdienst en het latere beschaafde monotheïsme aan de orde! Salman Rushdie laat in zijn roman Satanic Verses subtiel zien hoe gemakkelijk de ‘monofilie’ van Mohammed – één God, één profeet, één boek – leidt tot fanatisme…  

De onveranderlijke God

In mijn kritiek op te absolute - en daardoor gevaarlijke – stellingnames van René Girard noem ik ook zijn vasthouden aan het dogma van een onveranderlijk God. In paragraaf 5 van het genoemde boek – titel L’Histoire et la conscience sacrificielle – schrijft Girard dat hij God niet als een veranderend wezen ziet. Hij kiest voor een ‘ontologisch’ godsbegrip. Het zijn de mensen die veranderen, God niet. Als een subliem strateeg laat God de mensheid eerst debuteren met een archaïsche religie, waarbij geweld en bloedige offers niet te vermijden zijn. Daarna wordt de mensheid pas rijp voor de christelijke openbaring – de volledige onthulling van het zondebokmechanisme door de kruisiging en opstanding van Christus.

Je kunt volgens Girard hooguit spreken van een graduele transformatie van de bijbelse God, de God van het ‘gewijde’(le sacré) wordt de God van het ‘heilige’(la sainteté), een God zonder geweld (pag.131). Zo zou te verklaren zijn dat God eerst verzoenende offers vraagt (of gedoogt) en later de profeten deze offers laat verwerpen, bijvoorbeeld in Hosea 6,6: ‘In liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffers’). Je krijgt dan toch het vermoeden dat God met de mensen en hun groeiend anti-sacrificieel bewustzijn méé verandert!

Mijn godsbeeld zou wat relationeler uitvallen. God maakt ook een geschiedenis door, denk aan de opzienbarende titel van het boek van Jack Miles God, een biografie, uit 1995, en de verregaande subjectivering van menselijke godskennis in de baanbrekende Theology of the Old Testament van Walter Brueggemann, uit 1997. Overigens blijkt ook uit deze genoemde paragraaf 5 dat Girard de tweeledige bijbel (Oud en Nieuw Testament) selectief leest, en bovendien opvat als een beschrijving van historisch opeenvolgende ontwikkelingen, met een vleug optimistisch vooruitgangsgeloof.  

De betekenis van erfzonde

Een paar maal noemt René Girard in zijn hoofdstuk over de aanstoot van het christendom het dogmatisch begrip ‘erfzonde’ (Frans: le péché originel). De eerste keer schrijft hij: voor een goed verstaander is de erfzonde het verkeerde gebruik van de mimese; het mimetisch mechanisme is daarvan het gevolg (pag. 106). Even verder komt de kruisiging van de onschuldige Jezus ter sprake. Girard schrijft de kruisiging ook toe aan een gewelddadige besmetting en noemt deze de efzonde van het collectief mimetisme (pag. 115).  

Girard weet zonder twijfel dat het dogma van de oerzonde zich baseert op Paulus’brief aan de Romeinen, waar deze fungeert als hulpconstructie in een theologisch betoog. Christus’ verlossing en verrijzenis geldt alle mensen, zoals ook Adams overtreding en veroordeling alle mensen insluit (Romeinen 5,12 e.v.). In de vijfde eeuw van onze jaartelling heeft de kerkvader Augustinus de noodzaak van het dopen van schijnbaar onschuldige kinderen door verwijzing naar deze Adamszonde verdedigd, en sindsdien dient de erfzonde als onmisbaar rekwisiet voor de kerkelijke verzoeningsleer.  

Beseft Girard wat hij aanricht door deze besmette dogmatische term te gebruiken? De kerkeljke zondeleer laat elk individu delen in een gemeenschappelijke gedoemdheid-tot-zonde! Terwijl Girard juist wil zeggen dat het bij het mimetisch mechanisme niet om een noodlot gaat… Volgens hem kunnen we deze valstrik doorzien, en er weerstand aan bieden, net zoals Job eertijds, en Jezus. In de slotpassage van dit hoofdstuk over de aanstoot van het christendom wijst Girard er bovendien op dat hij een welhaast transcendent doemdenken afwijst. Hij zegt namelijk dat Kaïn de vrije keus had om zijn broer Abel niet te doden (pag.141)!

Tot slot

Een relativering van Girards al te massieve stellingnames zou welkom zijn. Met het bovenstaande lever ik kritiek op emkele, m.i. te absolute uitspraken en te exclusieve tegenstellingen. Ik meen dat zowel het wetenschappelijk vertoog als ook de hoogst noodzakelijke gesprekken tussen wereldrelighies en levensbeschouwingen gediend zijn met een bescheidener, zeg gerust: postmoderner, opstelling.

 

    SITEMAP Girard Studiekring