Studiekring René Girard > Online teksten  

Toespraak bij de voorstelling van Vrouwen, Jezus en rock-'n-roll

 

Eerwaarde heer Michaël Ghijs zou gisteren 76 jaar geworden zijn. Voor wie hem niet kent: hij was de bezielende priesterdirigent van het knapen- en mannenkoor Schola Cantorum Cantate Domino. Ik leerde hem kennen in 1991, toen ik 11 jaar was, en hij heeft mijn persoonlijkheid diepgaand beïnvloed. Zoals die van iedere andere zanger van zijn koor, trouwens. Die beïnvloeding mag U niet op een dogmatische of ideologische manier begrijpen. Hij zag zijn jongens als volwaardige gesprekspartners. Dat is niet de gemakkelijkste weg in de pedagogie, maar het is - vanuit mijn ervaringen binnen de schoot van Cantate Domino - volgens mij de enige weg voor een echte pedagogie van de menswording.

 

Eerwaarde heeft zich dikwijls afgevraagd wat er bij zijn jongens bleef hangen van het evangelie van waaruit hij leefde. Wie er bijvoorbeeld in zijn voetsporen zou treden en eventueel voor het priesterschap zou kiezen. Gaandeweg heeft hij zulke vragen opzij geschoven. Hij ondervond hoe hij misschien wel de kiemen van een evangelische bewogenheid kon zaaien, maar dat de oogst meestal aan anderen toebehoorde - in het bijzonder aan die Ultieme Ander. Tot zijn gelukkigste momenten behoren die ogenblikken waarop hij zag hoe de uiteenlopende talenten van zijn jongens tot hun recht kwamen. En in die talenten las hij, naarmate hij ouder werd, mogelijkheden voor een 'priesterlijke' dienst aan de wereld. Zijn jongens en mannen zouden dat evenwel zelden zelf zo genoemd hebben.

 

Eerwaarde was fier op zijn jongens. Hij sprak in interviews bijvoorbeeld met veel trots over oud-zangers die een carrière als professioneel musicus uitbouwden. Anderzijds kon hij ook enorm bezorgd zijn als het met een van zijn jongens minder goed ging. Wie voor langere tijd in het ziekenhuis belandde, kreeg steevast telefoon van eerwaarde, iedere dag, zelfs al was hij geen actuele zanger meer van het koor. Om nog maar te zwijgen over al die andere mensen die met allerlei problemen bij hem terecht kwamen.

 

Telkens sprak hij met anderen van mens tot mens. Hij sprak niet als een baas tot zijn onderdanen. Zoals gezegd is dat zeker niet de weg van een gemakkelijke pedagogie. Je moet bereid zijn om je te laten kennen als mens, bereid zijn om je kwetsbaar op te stellen en te geloven in de capaciteiten van soms heel jonge medemensen. Zonder dat je garanties of bewijzen hebt, zonder dat je op voorhand wéét of je vertrouwen niet beschaamd zal worden. En natuurlijk maakt dat de weg vrij voor mogelijke botsingen met anderen.

 

Dankzij mijn studies Godsdienstwetenschappen heb ik deze pedagogie van de weerloosheid - als ik ze zo mag noemen - kunnen herkennen als een waarlijk evangelische positie. Het geloof van eerwaarde was zó aanwezig in al wat hij deed, in de manier waarop hij sprak en dacht, dat ze, paradoxaal genoeg, soms over het hoofd werd gezien. Of, erger nog, herleid werd tot een ideologisch sausje 'uit een vroegere tijd'. Mijn studies hebben er mij meer van bewust gemaakt hoezeer eerwaarde door het christelijk verhaal was bezield. Mijn boek is er voor een deel op gericht om ook anderen er attent op te maken dat de zopas vermelde pedagogie van de weerloosheid inderdaad ook een evangelische pedagogie is. Als U mij toestaat, wil ik in dat verband nog een tipje van de sluier oplichten.

 

Als leraar ervaar je nogal gemakkelijk dat leerlingen elkaar op velerlei wijzen onder druk kunnen zetten. Enkele jaren geleden ontmoette ik bijvoorbeeld een jongeman die zich alleen op school durfde vertonen in dure merkkledij. Bij hem thuis hadden ze het niet breed, en hij moest bijklussen in de horeca om aan de hoge financiële eisen van zijn uitgelezen modesmaak te voldoen. Zelf keek hij niet neer op jongeren die zich met goedkopere merken tevreden stelden, maar in zijn kindertijd had hij van dichtbij meegemaakt hoe zijn oudere broer vaak huilend thuiskwam door de pesterijen van enkele kledingsnobs.

 

Zulke situaties vormen natuurlijk grote en blijvende uitdagingen voor opvoeders. Hoe ga je ermee om? In het concrete antwoord dat je telkens weer op deze vraag geeft, staat meer op het spel dan je misschien op het eerste gezicht vermoedt. Het verraadt namelijk iets over je visie op mens en samenleving.

 

De verleiding is groot om je te laten leiden door schrik omwille van negatieve ervaringen uit het verleden. Met betrekking tot het zojuist geschetste voorbeeld zou dat betekenen dat een school misschien een uniform invoert. Daarmee neem je misschien één steen uit handen van de pestkoppen, maar doe je helemaal niets aan hun grondhouding. Bovendien straf je ook alle leerlingen die eenzelfde soort kleding als de snobs dragen, maar hoegenaamd geen anderen kleineren of onder druk zetten. In feite stem je een hele pedagogische politiek af op het gedrag van enkele boosdoeners. Naar analogie zou een samenleving dan iedere seksualiteitsbeleving moeten verbieden omdat er enkele verknipte verkrachters rondlopen.

 

Wie zich laat inspireren door het christelijke verhaal, weet dat het antwoord op het aangehaalde pestgedrag anders luidt. Onder andere dat heb ik in mijn boek proberen aantonen. Het christelijke verhaal gaat het risico aan van een grote menselijke vrijheid omdat het precies daarin de mogelijkheidsvoorwaarde van een menselijke waardigheid aantreft.

 

Dat christelijke avontuur vormt een uitdaging, voor de samenleving in het algemeen, en zeker ook voor opvoeders. Zijn jongeren wel in staat om anderen te respecteren als ze daar niet op één of andere manier toe gedwongen worden door een systeem van straffen en belonen? Om het met de voornaamste metafoor uit mijn boek te zeggen: kunnen vrouwen hun man trouw blijven als ze niet gestraft zouden worden bij overspel? Kunnen ze dan hun man trouw blijven uit liefde? En kunnen de mannen dan ontdekken dat die zogenaamde "behekste" vrouwen eigenlijk helemaal niet zo slecht zijn? Durven we als mannen in dergelijke context de uitdaging aangaan van vrouwen die "de regel" overtreden en niet zomaar bij een door de familie toegewezen echtgenoot blijven? Kortom, respecteren we regels en wetten omdat we schrik hebben om anders in de gevangenis te belanden en om sociaal "beloond" te worden of wegen we genuanceerd af welke regels en wetten er moeten gelden in een bepaalde context omdat we onze medemensen liefhebben?

 

"Vrees niet", zegt Jezus, maar "geloof", "heb vertrouwen". Hij gaat zelfs verder en zegt: "Dat geloof, dat vertrouwen zal je redden..." Vergis U niet, beste mensen. Jezus van Nazaret is in die vragen wars van enige ideologie. Het is goed om ons te realiseren wat hij níet vraagt. De evangelische Jezus vraagt niet: "Geloof je of geloof je niet in God?" Jezus vraagt wél: doe je wat je doet, en leef je zoals je leeft uit liefde voor jezelf en voor je medemens of doe je wat je doet en leef je zoals je leeft uit liefde voor een bepaalde status en uit angst om die status te verliezen?

 

Alleen vanuit dit perspectief, vanuit deze vraag, heeft het zin om - joods-christelijk gezien dan - het woord "God" te laten vallen. Vraagt U mij om - tussen aanhalingstekens - "beelden" van de God uit de joods-christelijke traditie, dan zie ik een mens die in stilte rouwt om het verlies van een dierbare. Een mens die droevig is maar toch niet ophoudt met liefhebben, hoewel de liefde hem - soms op heel beangstigende wijze - kwetsbaar maakt, raakbaar en vatbaar voor droefenis. Vraagt U mij om beelden van de God uit de joods-christelijke traditie, dan zie ik ouders die hun kinderen niet langer zien als middelen ter bevestiging van hun sociale status, maar dan zie ik ouders die met hun kind durven luisteren naar een innerlijke roeping - ook al stemt de roeping van hun kind niet meteen overeen met wat ze van de toekomst van hun kind gedroomd hadden. Vraagt U mij om beelden van de God uit de joods-christelijke traditie, dan zie ik geen man met een lange baard boven op een wolk, als straffend, belonend en schrikwekkend machtsorgaan, maar dan zie ik de vele gestalten van de zojuist geschetste Liefde.

 

Geïnspireerd door het christelijk verhaal, durf ik die Liefde goddelijk noemen. Ze gaat mij te boven. Ze overstijgt mij. Ze overkomt mij, zoals de dood mij overkomt. En daarom zegt het bijbelse Hooglied dat de liefde even sterk is als de dood. Ik heb niet gekozen voor mijn eindig leven. Ik heb evenmin gekozen voor de ander die zich aan mij presenteert - zelfs niet als die ander mijn eigen kind is.

 

En wat vang ik aan met de ander die zich als boosdoener aan mij presenteert? Dat is eigenlijk de vraag die bij het begin van mijn korte betoog aan de orde was. Beroep ik mij op een systeem van straffen en belonen om misdaden te voorkomen? Het christelijk verhaal komt met een ander antwoord, een weergaloos antwoord: in plaats van goed gedrag af te dwingen of in plaats van wraak te nemen, biedt het bespotte, uitgestoten, verfoeide, verloochende, verraden, gegeselde, gestenigde en gekruisigde Slachtoffer zijn andere wang aan. In al zijn kwetsbaarheid schenkt dit Slachtoffer vergeving. Dit Slachtoffer heeft ons, mensen, eens en voor altijd voor een cruciale keuze gesteld: bekijken wij de wereld vanuit het perspectief van de boosdoeners en stemmen wij, bang geworden, een repressieve politiek af op hun handelwijze, of vertrouwen wij de boosdoeners enige vrijheid toe - met alle risico's van dien? Anders verwoord: richten we onze pijlen op het gedrag of op het hart van de boosdoeners? Durven wij erop vertrouwen dat de boosdoeners ook in staat zijn tot het goede, durven wij erop vertrouwen dat pestkoppen niet langer pestkoppen hoeven zijn, verraders niet langer verraders - dat ook al die mensen, mensen zijn zoals wij (en in hoeverre vertrouwen we onszelf)?

 

Kortom, durven wij de wereld vanuit het perspectief van het kwetsbare, machteloze Vergevende Slachtoffer bekijken? De Engelse theoloog James Alison heeft het vermogen om vanuit dit perspectief te spreken "de eschatologische verbeelding" genoemd. Dit perspectief moet ons de mogelijkheid schenken om niet langer dood te zijn - dat wil zeggen: niet langer te leven vanuit eerzucht of vanuit angst. Dit perspectief moet ons de mogelijkheid schenken om echt te leven - dat wil zeggen: vanuit wat ten diepste leeft in ons hart. Voor de Stem die spreekt vanuit dit perspectief zijn de begrippen 'dood' en 'leven' niet gebonden aan een fysieke toestand. De dimensie van waaruit deze Stem klinkt, beschouwt de wereld waarin we leven vaak als een rijk waar de krachten van de dood heersen. Maar er is ons een visioen aangezegd, een droom die we zelf niet tot vervulling kunnen brengen, maar die we hopelijk mogen toevertrouwen aan een "ultieme" Ander... Het is dat kerstvisioen waarin gevraagd wordt of de weerloosheid van een pasgeboren kind in onze wereld mag bestaan. Het is dat visioen van Pasen waarin de mens, zelfs als hij teruggebracht is tot zijn meest weerloze gestalte, toch nog tot leven, tot "verrijzenis" mag komen.

 

Op deze hoop wil ik vanavond met U klinken. Ik dank jullie allen hartelijk voor jullie komst.

 

Erik Buys, 9 oktober 2009