VU Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten
INTERVIEW MET ANDRÉ LASCARIS
De Verrezen Heer nam ook geen wraak
Waarom zijn we in onze
missie altijd zo gericht op de ander?
We
hebben in het algemeen de neiging om het bij de ander te zoeken als er iets mis
is. We zijn altijd druk bezig om anderen te veranderen terwijl het veel
moeilijker is te beseffen dat je ook jezelf moet veranderen. John Robinson, de
schrijver van Honest to God, heeft ooit eens gezegd: Het laatste wat de
vissen zullen ontdekken is het water waarin ze zwemmen. Dus het laatste wat
we zullen ontdekken is het geweld in het christendom, zelfs in de
vredesbeweging. Misschien was het nog beter geweest om de Vredesweek toe te
spitsen op geweld en christendom. Nu is de verleiding er nog om het geweld op
andere religies te projecteren. Toch moeten we nu ook oppassen, om alleen maar
een cataloog op te stellen van dieptepunten in de geschiedenis van het
christendom: kruistochten, inquisitie, heksenjacht, de holocaust, enzovoorts.
Dat kan gauw een soort grabbelton worden. We kunnen het beter hebben over het
proces van langzame aanvaarding van het geweld binnen het christendom. In de
eerste drie eeuwen vind je namelijk nog duidelijk het taboe dat je als christen
geen bloed mag vergieten. Je mocht zelfs geen rechter worden, laat staan beul of
soldaat. De soldaat Martinus van Tours had grote moeite om überhaupt gedoopt te
worden. Na Constantijn wordt dat anders, maar heel lang is het bewustzijn nog
levendig dat vechten verkeerd is. Tot de 11e en 12e eeuw was het normaal, dat
als je in een oorlog anderen gedood had, er een boeteritueel plaats moest
vinden. Pas door de kruistochten is het vallen op het slagveld weer een goede
zaak geworden. En tegenwoordig komen we daar als christenen weer wat van
terug.
De kruistochten als de tweede zondeval van het christendom na
Constantijn? Bepaalt dat tot de dag van vandaag niet ook de verhouding
christendom en islam?
Ik meen
dat de grote omslag in het christendom niet zozeer plaats vond in de tijd van
Constantijn, toen christenen verantwoordelijkheid gingen aanvaardden voor het
Romeinse Rijk, maar veel méér tijdens de kruistochten. De herinnering aan die
kruistochten leeft bij moslims inderdaad nog heel sterk, en die herinnering
heeft een krachtige impuls gekregen door de westerse kolonisatie van de
Arabische wereld. Omgekeerd heeft er ook in het Westen een voortdurende angst
bestaan voor de opkomende islam. Ik zou me niet zo fixeren op de
verhouding met de islam. Je hebt ook katholieken en protestanten in
Noord-Ierland die in conflict zijn, er zijn de conflicten tussen joden en
Palestijnse christenen en moslims in het Midden-Oosten, ook Orthodoxen die het
Westerse christendom wantrouwen en de conflicten in India die moslims en
christenen hebben met radicale Hindoes. Wat betreft islam en christendom: het
zijn natuurlijke allebei Abrahamitische godsdiensten en je hebt al gauw eerder
ruzie met iemand waarmee je veel gemeenschappelijks hebt. Het zijn ook allebei
missionaire godsdiensten en ze grenzen geografisch aan elkaar.
Gaat het niet veel
meer om
identiteit?
Identiteit en
geloof liggen er heel dicht bij elkaar. Religie is een soort identiteit. Bij de
islam is dat heel duidelijk het geval. Je hebt je persoonlijke leven op een
bepaalde wijze georganiseerd. Als iemand aan jouw geloof komt, wordt je
identiteit bedreigd. Conflicten gaan ook meestal niet om geloofsinhouden, maar
om de strijd van mensen die een verschillende identiteit hebben. Maar religie is
wel erg verkleefd met de identiteit van mensen! Prekend op Vredeszondag zou ik
daarom misschien wel pleiten voor een wat zwakkere identiteit voor ons zelf. We
willen graag heel duidelijk hebben wie we zijn en wat het christendom is, maar
daardoor sluit je al snel andere mensen uit. Je vergeet dan, dat het christendom
zelf heel pluraal is, heel veel vormen kent. Het is beter om dan een wat
weifelende identiteit te hebben. Dan sta je ook meer open voor andere mensen en
andere invloeden. Dat geldt ook voor gemeenten en parochies. Jarenlang moesten
dat vooral hechte gemeenschappen zijn, met de oude dorpsgemeenschap als ideaal.
Maar dat ideaal is niet zelden gebaseerd op uitdrijving en op roddel: je hoort
erbij of niet. Ik voel meer voor open gemeenschappen, met niet van die
duidelijke grenzen.
Als jij op Vredeszondag wordt
uitgenodigd om bijvoorbeeld mee voor te gaan in een Molukse kerk in
Nederland,wat zou je tegen die mensen zeggen?
Moeilijk
hoor! Het is een groep mensen met een tamelijk geheide, ouderwetse theologie,
waar ik me niet zo bij thuis voel. Dan is er de militaire erfenis van het KNIL.
We hebben het hier over een identiteit en een geloofsopvatting met een sterke
gehoorzaamheidsbeleving. Misschien zou ik daarom wel iets zeggen over de deugd
van ongehoorzaamheid, niet tegen de Nederlandse overheid of zo, maar de
innerlijke weigering te gemakkelijk mee te gaan met de eigen groep en je ook
niet zo te fixeren op het gezag! Probeer altijd afstand te houden van je eigen
groep om na te kunnen denken of die wel op de goede weg is. Wat kun je zèlf
doen om die groep tot vrede te brengen? Denk aan dienstweigeraars tijdens de
politionele acties. Hun innerlijke ongehoorzaamheid maakte andere mensen
vrij.
En stel je voor, je wordt
uitgenodigd voor een dienst van bijvoorbeeld Afrikaanse vluchtelingen. Ze zitten
verdoold in opvangcentra of in hun eigen flatje. Stuk voor stuk traumatische,
individuele vluchtverhalen.
Ik denk
dat ik ook die mensen niet zou bevestigen in hun slachtofferrol. Identificatie
met slachtoffers is emotioneel een erg voor de hand liggende weg. Als predikant
moet ik natuurlijk wel weten dàt ze slachtoffers zijn. Maar ik zou proberen
iets te zeggen over het gemak waarmee slachtoffers op hun beurt daders kunnen
worden. Als je slachtoffer bent zijn namelijk je eigen grenzen verstoord. Je
bent in een soort chaos beland, waardoor je de grenzen van je eigen identiteit
en persoonlijkheid niet meer goed kan onderscheiden. Je loopt dan het risico om
zelf gewelddadig te worden, zelfs tegen je eigen vrouw en kinderen. Je kunt ook
sneller een speelbal worden van extremistische en criminele groepen. Ik zou ze
zeggen dat het een uitdaging is, om je met Gods hulp uit de rol van slachtoffer
te bevrijden. Je moet niet in de dood blijven, maar je moet verrijzen. De
Verrezen Heer nam ook geen wraak.
En nu ga je naar een klein,
wat besloten kerkdorp. Veel trouwe, aardige kerkgangers. Maar al jaren geen
oorlog meer. Alleen op de televisie en in de krant. Ga je vertellen dat ze toch
ook verantwoordelijk zijn voor het geweld in de wereld?
Het is niet goed om mensen op een moraliserende manier
zich medeschuldig te laten voelen over iets wat ze niet gedaan hebben. We zijn
als predikanten ook opgehouden om op die algemene manier over seksueel laakbaar
gedrag te preken. Dan moet je die benadering nu niet overhevelen op onderwerpen
als de derde wereld, het milieu of het geweld. Je mag wel een kritisch woord
spreken, maar je moet altijd proberen iets positiefs te zeggen, bijvoorbeeld
over het feit dat mensen wel in staat zijn om in vrede met elkaar samen te
wonen. Er is dit voorjaar weer veel gepraat over criminaliteit van allochtonen.
Maar er zijn wijken in Nederland waar het prima gaat, daar praat niemand over!
Als je mensen toch wilt aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid, spreek ze
dan maar aan op de spanningen in het eigen dorp, die vaak niet open bespreekbaar
zijn en waar vaak wel hevig over geroddeld wordt. Roddel geeft in de groep een
gevoel van zelfbevestiging. Leg maar eens uit, dat wat er tussen een paar mensen
gebeurt zo kan overslaan naar anderen
één vechtpartij op Ambon en twee jaar later branden de moskeeën en
kerken nog.
Precies.
Het mimetische patroon is universeel, en, onder andere voorwaarden natuurlijk,
kan het bij ons ook zo gaan.
Jezus
preekte in dit verband over het onkruid dat tegelijk gezaaid wordt met het
tarwe. Hij voegt er in die parabel wel aan toe, dat je niet te gemakkelijk moet
denken dat je geweld van bovenaf met wortel en tak kunt uitroeien, want dan gaan
de goede maar één die later opnieuw is opgevat als echt.Dat blijft de
moeilijkheid met taal. De betekenis ervan verschuift. Er zijn de eeuwen door
allerlei theorieën geweest over het offer.We zien daarin een voortdurende
verschuiving van beeld naar werkelijkheid. Wat het meeste problemen heeft
gegeven is de idee dat God verzoend moet worden door het offer van
Jezus.Dat idee zet pas echt door tijdens de Reformatie en Contrareformatie.
Deze offertheologie is een weerslag van de chaos van die tijd,waarin niet zozeer
teruggegrepen werd op het zuivere christendom, dan wel op heidense motieven,
verweven met allerlei christelijke beelden.
Als het opofferen van jezelf
niet christelijk is,wat is dan wèl christelijk?
Het
opkomen voor anderen. Dat sluit niet uit, dat je dat iets kost, soms heel veel,
maar dat is een andere kwestie. Er is een groot verschil tussen iemand die naar
gerechtigheid zoekt en daarvoor veel te verduren krijgt, en iemand die zichzelf
voortdurend pijn blijft doen, omdat hij al een nare jeugd heeft gehad en dat ook
nog eens van een spiritueel etiket voorziet.
Wat geef je de mensen aan het
einde van een viering mee?
Ik
preek altijd maar één keer, dus doe ik dat niet ook bij de Vredeswens. De
Vredeswens moet wel rekening houden met de mensen die voor je zitten. Als die
problemen hebben, kan dat best lastig zijn. Ik herinner me een groepje jongeren,
die een paar dagen in ons klooster te gast waren. Een meisje vroeg me iets te
zeggen, wat zij mee mocht nemen naar huis. Ik zei toen intuïtief: Vertrouw
er maar op dat er van je gehouden wordt. Dat riep nogal wat emotie op. Ik
denk toch, dat dàt het is, wat we als christenen steeds tegen elkaar moeten
blijven zeggen.
GIED TEN BERGE
De
Liturgiekrant is een uitgave van Pax Christi samen met het Interkerkelijk
Vredesberaad en Kerk en Vrede, waarmee plaatselijke kerkelijke gemeenschappen en
onderwijsinstellingen de jaarlijkse Vredesweek eind september kunnen
voorbereiden. Meer informatie: www.paxchristi.nl