VU Amsterdam > Blaise Pascal Instituut > Studiekring René Girard > Online teksten 

INTERVIEW MET ANDRÉ LASCARIS

“De Verrezen Heer nam ook geen wraak”

 Al meer dan 30 jaar vieren de kerken een Vredesweek en er is in die periode over bijna alles gesproken: politiek, oorlog en economie, massavernietigingswapens, de VN, mensenrechten en conflicten in bepaalde regio’s, maar eigenlijk nog nooit over de vraag wat religie en geweld met elkaar te maken hebben.Toch wemelt de Bijbel van gewelddaden en de kerken worden niet zelden ervaren als instrumenten van onderdrukking en onverdraagzaamheid. Reden om een gesprek te voeren met André Lascaris (1939), dominicaan, geleerde en ‘predikbroeder’. Hij heeft zich een groot deel van zijn leven bezig gehouden met de vraag naar de relatie tussen geweld enerzijds en godsdienst, geloof, kerk en theologie anderzijds. Lascaris heeft zich actief ingezet in het begeleiden van mensen die ‘aangestoken’ waren door het conflict in Noord-Ierland. Dit voorjaar ging hij, voor het eerst sinds jaren, ook weer op lezingenreis door Zuid-Afrika.

Waarom zijn we in onze ‘missie’ altijd zo gericht op de ander?

 “We hebben in het algemeen de neiging om het bij de ander te zoeken als er iets mis is. We zijn altijd druk bezig om anderen te veranderen terwijl het veel moeilijker is te beseffen dat je ook jezelf moet veranderen. John Robinson, de schrijver van “Honest to God”, heeft ooit eens gezegd: “Het laatste wat de vissen zullen ontdekken is het water waarin ze zwemmen”. Dus het laatste wat we zullen ontdekken is het geweld in het christendom, zelfs in de vredesbeweging. Misschien was het nog beter geweest om de Vredesweek toe te spitsen op geweld en christendom. Nu is de verleiding er nog om het geweld op andere religies te projecteren. Toch moeten we nu ook oppassen, om alleen maar een cataloog op te stellen van dieptepunten in de geschiedenis van het christendom: kruistochten, inquisitie, heksenjacht, de holocaust, enzovoorts. Dat kan gauw een soort grabbelton worden. We kunnen het beter hebben over het proces van langzame aanvaarding van het geweld binnen het christendom. In de eerste drie eeuwen vind je namelijk nog duidelijk het taboe dat je als christen geen bloed mag vergieten. Je mocht zelfs geen rechter worden, laat staan beul of soldaat. De soldaat Martinus van Tours had grote moeite om überhaupt gedoopt te worden. Na Constantijn wordt dat anders, maar heel lang is het bewustzijn nog levendig dat vechten verkeerd is. Tot de 11e en 12e eeuw was het normaal, dat als je in een oorlog anderen gedood had, er een boeteritueel plaats moest vinden. Pas door de kruistochten is het vallen op het slagveld weer ‘een goede zaak geworden’. En tegenwoordig komen we daar als christenen weer wat van terug.”

 De kruistochten als “de tweede zondeval van het christendom” na Constantijn? Bepaalt dat tot de dag van vandaag niet ook de verhouding christendom en islam?

 “Ik meen dat de grote omslag in het christendom niet zozeer plaats vond in de tijd van Constantijn, toen christenen verantwoordelijkheid gingen aanvaardden voor het Romeinse Rijk, maar veel méér tijdens de kruistochten. De herinnering aan die kruistochten leeft bij moslims inderdaad nog heel sterk, en die herinnering heeft een krachtige impuls gekregen door de westerse kolonisatie van de Arabische wereld. Omgekeerd heeft er ook in het Westen een voortdurende angst bestaan voor ‘de opkomende islam’. Ik zou me niet zo fixeren op de verhouding met de islam. Je hebt ook katholieken en protestanten in Noord-Ierland die in conflict zijn, er zijn de conflicten tussen joden en Palestijnse christenen en moslims in het Midden-Oosten, ook Orthodoxen die het Westerse christendom wantrouwen en de conflicten in India die moslims en christenen hebben met radicale Hindoes. Wat betreft islam en christendom: het zijn natuurlijke allebei Abrahamitische godsdiensten en je hebt al gauw eerder ruzie met iemand waarmee je veel gemeenschappelijks hebt. Het zijn ook allebei missionaire godsdiensten en ze grenzen geografisch aan elkaar.”

Gaat het niet veel meer om identiteit? “

Identiteit en geloof liggen er heel dicht bij elkaar. Religie is een soort identiteit. Bij de islam is dat heel duidelijk het geval. Je hebt je persoonlijke leven op een bepaalde wijze georganiseerd. Als iemand aan jouw geloof komt, wordt je identiteit bedreigd. Conflicten gaan ook meestal niet om geloofsinhouden, maar om de strijd van mensen die een verschillende identiteit hebben. Maar religie is wel erg verkleefd met de identiteit van mensen! Prekend op Vredeszondag zou ik daarom misschien wel pleiten voor een wat zwakkere identiteit voor ons zelf. We willen graag heel duidelijk hebben wie we zijn en wat het christendom is, maar daardoor sluit je al snel andere mensen uit. Je vergeet dan, dat het christendom zelf heel pluraal is, heel veel vormen kent. Het is beter om dan een wat weifelende identiteit te hebben. Dan sta je ook meer open voor andere mensen en andere invloeden. Dat geldt ook voor gemeenten en parochies. Jarenlang moesten dat vooral hechte gemeenschappen zijn, met de oude dorpsgemeenschap als ideaal. Maar dat ideaal is niet zelden gebaseerd op uitdrijving en op roddel: je hoort erbij of niet. Ik voel meer voor open gemeenschappen, met niet van die duidelijke grenzen.”

Als jij op Vredeszondag wordt uitgenodigd om bijvoorbeeld mee voor te gaan in een Molukse kerk in Nederland,wat zou je tegen die mensen zeggen?

 “Moeilijk hoor! Het is een groep mensen met een tamelijk geheide, ouderwetse theologie, waar ik me niet zo bij thuis voel. Dan is er de militaire erfenis van het KNIL. We hebben het hier over een identiteit en een geloofsopvatting met een sterke gehoorzaamheidsbeleving. Misschien zou ik daarom wel iets zeggen over de deugd van ongehoorzaamheid, niet ‘tegen’ de Nederlandse overheid of zo, maar de innerlijke weigering te gemakkelijk mee te gaan met de eigen groep en je ook niet zo te fixeren op het gezag! Probeer altijd afstand te houden van je eigen groep om na te kunnen denken of die wel op de goede weg is. Wat kun je zèlf doen om die groep tot vrede te brengen? Denk aan dienstweigeraars tijdens de politionele acties. Hun innerlijke ongehoorzaamheid maakte andere mensen vrij.”

En stel je voor, je wordt uitgenodigd voor een dienst van bijvoorbeeld Afrikaanse vluchtelingen. Ze zitten verdoold in opvangcentra of in hun eigen flatje. Stuk voor stuk traumatische, individuele vluchtverhalen.

 “Ik denk dat ik ook die mensen niet zou bevestigen in hun slachtofferrol. Identificatie met slachtoffers is emotioneel een erg voor de hand liggende weg. Als predikant moet ik natuurlijk wel weten dàt ze slachtoffers zijn. Maar ik zou proberen iets te zeggen over het gemak waarmee slachtoffers op hun beurt daders kunnen worden. Als je slachtoffer bent zijn namelijk je eigen grenzen verstoord. Je bent in een soort chaos beland, waardoor je de grenzen van je eigen identiteit en persoonlijkheid niet meer goed kan onderscheiden. Je loopt dan het risico om zelf gewelddadig te worden, zelfs tegen je eigen vrouw en kinderen. Je kunt ook sneller een speelbal worden van extremistische en criminele groepen. Ik zou ze zeggen dat het een uitdaging is, om je met Gods hulp uit de rol van slachtoffer te bevrijden. Je moet niet in de dood blijven, maar je moet verrijzen. De Verrezen Heer nam ook geen wraak.”

En nu ga je naar een klein, wat besloten kerkdorp. Veel trouwe, aardige kerkgangers. Maar al jaren geen oorlog meer. Alleen op de televisie en in de krant. Ga je vertellen dat ze toch ook verantwoordelijk zijn voor het geweld in de wereld?

 “Het is niet goed om mensen op een moraliserende manier zich medeschuldig te laten voelen over iets wat ze niet gedaan hebben. We zijn als predikanten ook opgehouden om op die algemene manier over seksueel laakbaar gedrag te preken. Dan moet je die benadering nu niet overhevelen op onderwerpen als de derde wereld, het milieu of het geweld. Je mag wel een kritisch woord spreken, maar je moet altijd proberen iets positiefs te zeggen, bijvoorbeeld over het feit dat mensen wel in staat zijn om in vrede met elkaar samen te wonen. Er is dit voorjaar weer veel gepraat over criminaliteit van allochtonen. Maar er zijn wijken in Nederland waar het prima gaat, daar praat niemand over! Als je mensen toch wilt aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid, spreek ze dan maar aan op de spanningen in het eigen dorp, die vaak niet open bespreekbaar zijn en waar vaak wel hevig over geroddeld wordt. Roddel geeft in de groep een gevoel van zelfbevestiging. Leg maar eens uit, dat wat er tussen een paar mensen gebeurt zo kan overslaan naar anderen…”

 …één vechtpartij op Ambon en twee jaar later branden de moskeeën en kerken nog.  

 “Precies. Het mimetische patroon is universeel, en, onder andere voorwaarden natuurlijk, kan het bij ons ook zo gaan.”

  Het Koninkrijk der hemelen wordt gekend aan een mosterdzaadje. Het geweld dus ook?

 “Jezus preekte in dit verband over het onkruid dat tegelijk gezaaid wordt met het tarwe. Hij voegt er in die parabel wel aan toe, dat je niet te gemakkelijk moet denken dat je geweld van bovenaf met wortel en tak kunt uitroeien, want dan gaan de goede maar één die later opnieuw is opgevat als ‘echt’.Dat blijft de moeilijkheid met taal. De betekenis ervan verschuift. Er zijn de eeuwen door allerlei theorieën geweest over het offer.We zien daarin een voortdurende verschuiving van beeld naar werkelijkheid. Wat het meeste problemen heeft gegeven is de idee dat God ‘verzoend’ moet worden ‘door het offer van Jezus’.Dat idee zet pas echt door tijdens de Reformatie en Contrareformatie. Deze offertheologie is een weerslag van de chaos van die tijd,waarin niet zozeer teruggegrepen werd op het zuivere christendom, dan wel op heidense motieven, verweven met allerlei christelijke beelden.”

Als het opofferen van jezelf niet christelijk is,wat is dan wèl christelijk?

 “Het opkomen voor anderen. Dat sluit niet uit, dat je dat iets kost, soms heel veel, maar dat is een andere kwestie. Er is een groot verschil tussen iemand die naar gerechtigheid zoekt en daarvoor veel te verduren krijgt, en iemand die zichzelf voortdurend pijn blijft doen, omdat hij al een nare jeugd heeft gehad en dat ook nog eens van een spiritueel etiket voorziet.”

Wat geef je de mensen aan het einde van een viering mee?

 “Ik preek altijd maar één keer, dus doe ik dat niet ook bij de Vredeswens. De Vredeswens moet wel rekening houden met de mensen die voor je zitten. Als die problemen hebben, kan dat best lastig zijn. Ik herinner me een groepje jongeren, die een paar dagen in ons klooster te gast waren. Een meisje vroeg me iets te zeggen, wat zij mee mocht nemen naar huis. Ik zei toen intuïtief: “Vertrouw er maar op dat er van je gehouden wordt”. Dat riep nogal wat emotie op. Ik denk toch, dat dàt het is, wat we als christenen steeds tegen elkaar moeten blijven zeggen.”

GIED TEN BERGE

Drs. Gied ten Berge (tenberge@paxchristi.nl) is socioloog en stafmedewerker van Pax Christi Nederland.

De Liturgiekrant is een uitgave van Pax Christi samen met het Interkerkelijk Vredesberaad en Kerk en Vrede, waarmee plaatselijke kerkelijke gemeenschappen en onderwijsinstellingen de jaarlijkse Vredesweek eind september kunnen voorbereiden. Meer informatie: www.paxchristi.nl