Haast

 

Daphne Lentjes

 

Het is net zoiets als diepvriespizza’s: je wilt ze niet, je houdt er niet van, je hebt een hekel aan mensen die ze hebben, maar stiekem trek je er toch iedere avond weer opnieuw een uit de diepvries. Oké, de vergelijking gaat niet helemaal op, maar daar gaat het gelukkig niet om. Feit: haast is universeel. Iedereen heeft het, altijd. Ik ook. Op mijn torenhoge stelthakken hink-stap-sprong ik van het wis- en natuurkundegebouw naar het hoofdgebouw. Ik ben niet de enige. Overal om me heen kijkt iedereen jachtig om zich heen, staat ongeduldig in je nek te zuchten in de rij voor de kassa, duwt je opzij als je langs de kledingrekken van Hennes&Mauritz staat te dralen. Als ik Youp van ’t Hek was of een andere neo-moralistische rakker zou ik zuchtend kniezen over de teloorgang van het fatsoen en het respect en wat al niet. Maar gelukkig ben ik niet geboren in de jaren vijftig toen Nederland nog gezellig was.

 

Tja, over vervaging van normen en waarden gesproken: ik vind het norm om anderen niet te hinderen als ze haast hebben. Ik herinner mij een druilerige dinsdagochtend dat ik vroeg op college moest zijn. Het college was op de elfde, en ik had nieuwe schoenen, dus… Ik drukte monter op het knopje Ik wil naar boven! en wachtte. Ik wachtte lang, te lang, maar dat is het natuurlijk al snel. Tussen het moment dat ik daar ging staan en het bevrijdende ting! van de gearriveerde lift verzamelden zich om mij heen –ik overdrijf niet- zeker vijftig andere wachtenden die ook allemaal naar boven! wilden. Dus het was dringen geblazen. Ik zette mijn ellebogen in de aanslag en perste hier en daar mijn naaldhak in een onwillige voet. In de lift hadden zich zo’n twintig mensen verzameld, inclusief een oude dame met een rollator. Er klonk een akelig gepiep: lift overbelast. Niemand bewoog. Na een zenuwslopende tien seconden gaf de oude dame zich gewonnen en stapte de lift weer uit. De deuren sloten. Ik hield mijn ogen op de display met de verdiepingen. 0… 1… stop.

 

Op dat moment voelde ik een vlaag van blinde woede naar mijn hoofd stijgen. Oerwoede. Ze stonden achter me: twee blonde meisjes in spijkerjacks. “Mogen we er even langs?” Ik draaide me om en keek ze recht aan, ademde diep in: “Nee. Jullie mogen er niet langs. Jullie blijven daar staan. Deze lift is voor mensen die naar boven moeten. Moeten jullie naar boven? Is de eerste naar boven? Kunnen jullie geen traplopen? Jullie benen zien er niet erg goed uit, dat klopt, maar kunnen ze jullie niet eens dragen? Zakken jullie dan door die papknietjes? Of zakt jullie haarspray dan uit? Doen jullie niet aan hockey ofzo, dan kunnen jullie toch lopen? Of zijn jullie corpsmeisjes en hebben jullie gisteravond weer jullie dagelijkse krat bier op? En houden jullie er nu eventjes geen rekening mee dat er ook nog andere mensen zijn, die niet blond zijn, en graag op tijd willen komen?” Ze keken me ademloos aan. Ondertussen ging de liftdeur weer dicht. Verder omhoog. Op de elfde stapte ik uit. Achter me nog steeds de twee meisjes. Muisstil. Ik geloof dat ze, zodra de deur achter mij sloot, op 1 drukten.