Het is net zoiets als diepvriespizzas: je wilt ze
niet, je houdt er niet van, je hebt een hekel aan mensen die ze hebben, maar
stiekem trek je er toch iedere avond weer opnieuw een uit de diepvries. Oké, de
vergelijking gaat niet helemaal op, maar daar gaat het gelukkig niet om. Feit:
haast is universeel. Iedereen heeft het, altijd. Ik ook. Op mijn torenhoge
stelthakken hink-stap-sprong ik van het wis- en natuurkundegebouw naar het
hoofdgebouw. Ik ben niet de enige. Overal om me heen kijkt iedereen jachtig om
zich heen, staat ongeduldig in je nek te zuchten in de rij voor de kassa, duwt
je opzij als je langs de kledingrekken van Hennes&Mauritz staat te dralen.
Als ik Youp van t Hek was of een andere neo-moralistische rakker zou ik
zuchtend kniezen over de teloorgang van het fatsoen en het respect en wat al
niet. Maar gelukkig ben ik niet geboren in de jaren vijftig toen Nederland nog
gezellig was.
Tja, over vervaging van normen en waarden gesproken:
ik vind het norm om anderen niet te hinderen als ze haast hebben. Ik herinner
mij een druilerige dinsdagochtend dat ik vroeg op college moest zijn. Het
college was op de elfde, en ik had nieuwe schoenen, dus
Ik drukte monter op
het knopje Ik wil naar boven! en
wachtte. Ik wachtte lang, te lang, maar dat is het natuurlijk al snel. Tussen
het moment dat ik daar ging staan en het bevrijdende ting! van de gearriveerde lift verzamelden zich om mij heen ik
overdrijf niet- zeker vijftig andere wachtenden die ook allemaal naar
boven! wilden. Dus het was dringen geblazen. Ik zette mijn ellebogen in de
aanslag en perste hier en daar mijn naaldhak in een onwillige voet. In de lift
hadden zich zon twintig mensen verzameld, inclusief een oude dame met een
rollator. Er klonk een akelig gepiep: lift overbelast. Niemand bewoog. Na een
zenuwslopende tien seconden gaf de oude dame zich gewonnen en stapte de lift
weer uit. De deuren sloten. Ik hield mijn ogen op de display met de
verdiepingen. 0
1
stop.
Op dat moment voelde ik een vlaag van blinde woede
naar mijn hoofd stijgen. Oerwoede. Ze stonden achter me: twee blonde meisjes in
spijkerjacks. Mogen we er even langs? Ik draaide me om en keek ze recht
aan, ademde diep in: Nee. Jullie mogen er niet langs. Jullie blijven daar
staan. Deze lift is voor mensen die naar boven moeten. Moeten jullie naar boven?
Is de eerste naar boven? Kunnen jullie geen traplopen? Jullie benen zien er niet
erg goed uit, dat klopt, maar kunnen ze jullie niet eens dragen? Zakken jullie
dan door die papknietjes? Of zakt jullie haarspray dan uit? Doen jullie niet aan
hockey ofzo, dan kunnen jullie toch lopen? Of zijn jullie corpsmeisjes en hebben
jullie gisteravond weer jullie dagelijkse krat bier op? En houden jullie er nu
eventjes geen rekening mee dat er ook nog andere mensen zijn, die niet blond
zijn, en graag op tijd willen komen? Ze keken me ademloos aan. Ondertussen
ging de liftdeur weer dicht. Verder omhoog. Op de elfde stapte ik uit. Achter me
nog steeds de twee meisjes. Muisstil. Ik geloof dat ze, zodra de deur achter mij
sloot, op 1 drukten.