VU Blaise Pascal Instituut > Portal Civil society en religie > Online teksten
Verschenen in: Gereformeerd Theologisch Tijdschrift, 2002, 102e jrg., 2, 68-75.
Sterk in de stad
Godsdienstsociologische verkenningen
Hijme Stoffels
'Men mag gerust zeggen, dat de steden, speciaal de grote steden, ook in ons land de eigenlijke haarden der ontkerkelijking zijn. Schier overal ter wereld wordt thans in de steden existentieel beslist over de vraag of de kerken nog een toekomst hebben, ja of nee.' Dit citaat is afkomstig uit het proefschrift Kerk en stad, waarop de onlangs op hoge leeftijd overleden P. Smits precies een halve eeuw geleden te Leiden promoveerde.1 Ondanks deze sombere constatering zag Smits destijds geen redenen om bij de pakken neer te zitten, maar streefde hij ernaar om via een grondige analyse van de dynamische verhouding tussen kerk en stad de 'priesterlijkprofetische taak der kerk' in de 'concrete maatschappelijke situatie' te doen ontwikkelen. Zijns inziens was de kerk, en hij had daarbij in eerste instantie 'zijn' Nederlandse Hervormde Kerk op het oog, nog te veel bezorgd over haar eigen voortbestaan en te weinig 'waarachtigevangelisch' verontrust over het gebrek aan 'evangelische solidariteit met de naaste'.2 Hij zocht de oplossing in een duidelijker sociale gestalte van de wijkgemeente midden in de stedelijke samenleving, met name in de bevordering van sociale cohesie en geestelijke integratie op lokaal niveau.
Een halve eeuw later lijken Smits' woorden nog opmerkelijk actueel. De positie van de kerk in de stad is in de afgelopen periode alleen nog maar wankeler geworden. Kerken en christenen staan voor de keuze om zich verder in een isolement terug te trekken of toch een bescheiden rol op te eisen in het stedelijk gebeuren. Het is opmerkelijk dat dat laatste momenteel weer wat vaker lijkt te gebeuren dan enige tijd terug. Alsof kerken zich lijken te realiseren dat zij op grond van hun traditie, missie en sociale samenstelling een uniek potentieel in huis hebben om aan cohesie en integratie bij te dragen in situaties waar individualisering, versplintering en segregatie in de regel troef zijn. Juist op het 'maatschappelijk middenveld', de 'civil society' waar mondige burgers los van staat en markt initiatieven nemen ten bate van het algemeen welzijn, kunnen kerken een belangrijke bijdrage leveren. In een land als de Verenigde Staten nemen kerken in steden en buurten haast vanzelfsprekend een dergelijke positie in en zijn zij dikwijls de enige toegankelijke organisatie voor nieuwkomers en hulpzoekers. Maar ook in een geseculariseerde natie als Nederland hebben kerken nog steeds de mogelijkheid om zich publiekelijk te manifesteren. Niet vanuit een machtspositie of vanuit een moreel superioriteitsgevoel. Wel vanuit een 'evangelische solidariteit met de naaste'. Als dat lukt, doen kerken precies datgene wat destijds de eerste christengemeenten in het Romeinse Rijk zo aantrekkelijk maakte. In dit artikel ga ik de verhouding na tussen kerken, christenen en de urbane samenleving. Na een gang door de geschiedenis kom ik bij de actualiteit van de postmoderne verstedelijkte samenleving en vraag ik mij af wat kerken en christenen aan de humaniteit en de leefbaarheid van die samenleving kunnen bijdragen.
Historisch overzicht
Het christendom is als stedelijke beweging begonnen en heeft zich via stedelijke netwerken verspreid. De Grieks-Romeinse stad was de context waarbinnen de beweging de eerste eeuwen tot bloei kwam. Hoe groter de stad, hoe groter de kans op afwijkende subculturen zoals het christendom. Rond 200 kende ruim 80% van de steden met meer dan 30.000 inwoners in het Romeinse Rijk een christelijke gemeenschap.3 Christenen maakten dankbaar gebruik van bestaande netwerken van diaspora-joden in deze steden. In steden waar al een synagoge gevestigd was, kwam het christendom sneller tot bloei. Ook nadat het christendom staatsgodsdienst was geworden in het Romeinse Rijk bleef het platteland in deze ontwikkeling achter. Daar woonden de pagani, de heidenen, de mensen van het veld. De socioloog Stark maakte uitgebreid studie van de opkomst van het christendom in de eerste eeuwen. Hij schrijft het succes van de beweging onder meer toe aan het vermogen om nieuwe normen en nieuwe sociale verhoudingen te creëren in de Grieks-Romeinse steden, die ten prooi waren gevallen aan chaos, verpaupering, besmettelijke ziekten en andere narigheden. Christenen boden hoop, geloof, naastenliefde en praktische hulp aan ontheemden en armoedzaaiers. Zij vormden hechte gemeenschappen, die voor geen onderdrukking en vervolging bezweken en anderen liefdevol in hun midden opnamen.4
In de Middeleeuwse steden namen kerken, kloosters en godshuizen een centrale plaats in. Afbeeldingen van de bisschopsstad Utrecht uit die tijd laten tientallen kerktorens zien, die het stadsgezicht domineren, met de imposante Domtoren als letterlijk hoogtepunt.5 De eerste kerk dateerde al van omstreeks 630. Een op de tien inwoners van deze stad behoorde in de late Middeleeuwen tot de geestelijke stand. Een derde van het Utrechtse grondgebied was kerkelijk bezit. In de parochiekerken speelde het dagelijks leven zich af. Niet alleen kwamen de stadsbewoners er om te bidden en te biechten, maar ook om nieuwtjes te horen, handel te drijven, gerechtelijke uitspraken te vernemen en materiële ondersteuning te ontvangen. Deze kerken waren altijd open en werden ook gebruikt om indien nodig met kruiwagens en dieren de weg af te snijden. Kinderen speelden bij slecht weer in de kerk. Kerkelijke feesten ontwikkelden zich tot ker(k)missen. In geval van nood - brand, oorlog, oproer - fungeerde het kerkgebouw als toevluchtsoord.6
Nieuwe ideeën en stromingen verbreiden zich het snelst via stedelijke netwerken. Dat gold in de Romeinse tijd, dat gold in de zestiende eeuw voor de Reformatie en dat geldt heden ten dage nog steeds. In de stad komt alles samen. Vanuit de stad verbreidt alles zich naar elders. Calvijn dacht positief over de stad en over de markt. Voor hem was de stad de plaats waar de gelovige zijn roeping waarmaakt. Het calvinisme was een stedelijke beweging.7 In Utrecht zorgde de Reformatie ervoor dat de geestelijkheid uit het straatbeeld verdween, dat kerken en kloosters werden afgebroken en dat de uitoefening van de rooms-katholieke godsdienst verboden werd. De uitbundige viering van kerkelijke feesten werd afgeschaft.8 Daarnaast trachtte de gereformeerde kerk het publieke leven te reguleren door leden, die zich aan ruzie, dronkenschap, diefstal of overspel hadden bezondigd, in het openbaar te vermanen. De Franse Revolutie van 1789 en de nasleep daarvan leidden ook in Nederland tot grote veranderingen. De Gereformeerde Kerk raakte haar voorrechten kwijt en kon ook in de steden niet meer de dominante rol uit de tijd van de Republiek spelen. In de tweede helft van de negentiende eeuw gingen de Nederlandse steden groeien door de werkloosheid op het platteland en door het ontstaan van nieuwe werkgelegenheid in de industrie en de havens. In een stad als Rotterdam vestigden zich in het begin van de twintigste eeuw jaarlijks bijna 20.000 nieuwkomers, vaak afkomstig van de Zuid-Hollandse en Zeeuwse eilanden of Noord- Brabant. Nederland verstedelijkte in rap tempo en omstreeks 1970 woonde bijna driekwart van de bevolking in de steden.9 Echter ook vanaf die tijd kwam met kracht het proces van suburbanisatie naar voren, met de creatie van overloopgemeenten, groeikernen en Vinexlokaties. 10
Paradijs Suburbia ontstond met voor de middenklasse een doorzonwoning met tuin in een rustige, groene wijk, ruime parkeermogelijkheden en goede verbindingen met de grote stad. De rijken waren de grote steden al veel eerder ontvlucht en hadden zich in hun villa's en landhuizen genesteld in het Gooi, op de Utrechtse Heuvelrug en in het Kennemerland bij de duinen. Het risico van 'uitgewoonde' steden met hoge concentraties paupers, allochtonen en 'losers' trachtte de overheid op te vangen door prestigieuze (ver-)nieuwbouw in de grote steden zelve. Niettemin contrasteren de huidige grote steden qua welvaartsniveau en problematiek sterk met de omliggende suburbane gebieden.11
De Engelse kerkhistoricus McLeod heeft laten zien dat in de groeiende industriesteden van West-Europa de kerk aanvankelijk de best toegeruste organisatie was om te zorgen voor identiteit, orde, wederzijds hulpbetoon en bescherming. In het Duitse Ruhrgebied sloten de protestantse immigranten uit Pruisen zich aan bij gebedsgroepen en christelijke sekten. Katholieke arbeiders uit Polen en de Balkan richtten hun eigen associaties op en drongen vervolgens bij de diocesane overheden aan op toestemming voor het stichten van een eigen parochie. Kerken organiseerden arbeidersverenigingen voor onderlinge steun en gezelligheid.12 Nieuwe christelijke groeperingen als het Leger des Heils richtten zich in hun missionaire arbeid onder het motto 'Soup, soap, salvation' rechtstreeks op de armen en nooddruftigen. In een stad als Enschede, die tussen 1840 en 1950 van 3.721 naar 109.326 inwoners groeide, wist de Rooms-Katholieke Kerk door intensieve zielszorg, een hechte organisatie en een goed oog voor de veranderende sociale verhoudingen een belangrijke invloed op het geestelijk en sociale leven in de stad uit te oefenen. Kapelaan Alfons Ariëns beijverde zich zeer voor de belangen van de arbeidersbevolking en was in 1896 betrokken bij de oprichting van de interconfessionele Bond van textielarbeiders 'Unitas'.13 Binnen protestants Enschede kwamen er vanaf 1870 initiatieven tot het oprichten van jongelingsverenigingen en zondagsscholen, die in christelijke lokalen onderdak vonden. Meer in het algemeen gold voor de periode 1870-1960 dat velen, ook in de steden, behoorden tot kerkelijke gemeenschappen met een sterk ontwikkeld zelfbewustzijn. Tal van christelijke organisaties richtten zich op de zedelijke verheffing en beschaving van de lagere klassen door middel van de bestrijding van armoede, woningnood, alcoholisme en prostitutie. Tegelijkertijd waren steden broedplaatsen voor antikerkelijke gedachten en activiteiten, zoals die onder meer in de opkomende socialistische beweging zichtbaar werden.
Na de Tweede Wereldoorlog gingen kerken zich opnieuw bezinnen op hun taak in de stad. De overheid maakte zich grote zorgen over de maatschappelijke verwildering van de moderne massajeugd en de kerken namen deze bezorgdheid over. "De verwilderde jeugd leeft in een wereld, die verregaand gestalteloos genoemd mag worden. De gestalteloosheid van zijn wereld uit zich in het onvermogen zelf gestalte te zijn."14 De massamens koesterde geen vaste normen en waarden meer en kende geen solide godsdienstige en sociale bindingen. Met groot enthousiasme zetten de kerken vanuit evangelisatie- en beschavingsmotieven buurt- en clubhuiswerk op voor de ongeorganiseerde jeugd in de arbeiderswijken. Men zag dit als herkersteningsarbeid: de van het christendom vervreemde massa's terugbrengen tot God en Christus, inclusief het lenigen van hun maatschappelijke, geestelijke en sociaal-pedagogische noden.15 Tegelijkertijd was men zich toen reeds bewust van de noodzaak om aan te sluiten bij de leefwereld van de doorgaans onkerkelijke buurtbewoner.
Theoloog en buurthuiswerker Simonse beschrijft hoe hij zich aan het eind van de jaren vijftig met vallen en opstaan probeerde in te leven in het zozeer van zijn gereformeerde middenklasse-normen en -waarden afwijkende leefpatroon in een Rotterdamse volkswijk: " begin waar de groep is, begin waar de cliënt is. Dit lijkt een eenvoudig principe, maar is in feite zeer ingrijpend. Je werkhouding wordt daardoor onder permanente kritiek gesteld."16 Helemaal lastig werd het toen het gereformeerde clubhuis van Simonse in 1960 danslessen wilde gaan aanbieden om de vrije omgang van oudere jongens en meisjes enigszins te structureren. Plaatselijke kerkbladen wijdden er lange kolommen aan. Hier werd de gereformeerde zede doorbroken. Een ontoelaatbare grensoverschrijding. De danslessen gingen overigens wel door.17 Niet alleen hierdoor vervreemdden middenstandskerk en volksbuurt steeds verder van elkaar. De hooggestemde doelstelling van gemeentevorming door het gereformeerde Jeugdhavenwerk bleek in 1966 in slechts drie plaatsen tot eigen kerkdiensten te hebben geleid.18 Het club- en buurthuiswerk verwijderde zich van de zendende kerken en seculariseerde. Men kwam tot het inzicht dat evangeliseren betekende: het ingaan van het evangelie in deze werkelijkheid. Later vervaagde ook die motivatie. Over en weer klonken verwijten. "De werkers verweten de kerk geen begrip te hebben voor hun situatie, niet te luisteren naar het verhaal over hun ervaringen in de randzone en geen pogingen doen zich in te denken en in te leven in de andersheid van de randzonecultuur. De kerk verweet de werkers de onveranderlijke waarheid van het evangelie te relativeren, de opdracht tot verkondiging te verzaken en te veel uit te gaan van de mens."19 Simonse zelf echter ziet de verwijdering veeleer als een onontkoombaar proces, waar ook bredere maatschappelijke en politieke factoren, zoals subsidiebeleid, welzijnsplanning en professionalisering een rol hebben gespeeld. De overheid gebruikte de subsidiekraan als pressiemiddel om identiteitsgebonden landelijke koepels tot samenwerking te krijgen. Daarbij vervaagde op den duur de eigen confessionele identiteit. Soortgelijke ontwikkelingen deden zich bijvoorbeeld ook voor in het vanuit de kerken georganiseerde maatschappelijk werk en het sociaal-cultureel vormingswerk. Niettemin ervaart hij wel de tragiek, " .dat het werk dat door de kerk was aangevat om het proces van ontkerkelijking in de samenleving te keren, om mensen terug te brengen naar God en Christus, om te herkerstenen, zèlf geseculariseerd, ontkerkelijkt raakte. Met andere woorden: de kerk-buiten-zichzelf raakte buiten-de-kerk."20
Mijn jeugd speelde zich in de jaren vijftig en zestig in de Haagse binnenstad af. Als ik er aan terugdenk, komt een prettig gevoel van beslotenheid en veiligheid boven. We waren lid van de gereformeerde, c.q. protestantse gemeenschap in de stad en rekruteerden onze vrienden en kennissen hoofdzakelijk uit dat milieu. Door de stad waren onzichtbare draden van verwantschap en saamhorigheid geweven, draden die zich tot kluwens verdikten in kerk- en schoolgebouwen. Tegelijkertijd waren we ons scherp bewust van de 'anderen' om ons heen, de katholieken en de 'openbaren'. In de drukke winkelstraat waar we lange tijd woonden, waren alle gezindten wel vertegenwoordigd. De kruidenier was katholiek, de bakker gereformeerd, de fietsenmaker Jehovah Getuige en de groenteman 'deed nergens aan'. In gemoedelijkheid leefde men samen of langs elkaar heen. Alleen het eigen overspannen jongensbrein wilde de Tachtigjarige Oorlog nog wel eens overdoen en de onbetrouwbare katholieke 'schoffies' het zwijgen opleggen.
Nu, vele jaren later, moet ik wel constateren dat het kerkgebouw waar ik gedoopt werd, allang afgebroken is, dat de kerk van mijn jeugdclubtijd omgebouwd werd tot theater en dat de kerk waar ik belijdenis deed, plaats heeft gemaakt voor seniorenappartementen. 'Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.'
De afgelopen decennia
Kerken raakten een belangrijk deel van hun invloed in de stad kwijt en werden op zichzelf teruggeworpen. Jonge, kerkelijk betrokken gezinnen trokken weg naar de suburbs en brachten de kerken daar tot bloei. Oudere en minder gefortuneerde gemeenteleden bleven achter. Immigranten uit alle delen van de wereld met doorgaans een geheel andere religieuze achtergrond vulden de gaten in de stadswijken op. In de stad hadden veel kerkelijke wijkgemeenten de grootste moeite om het hoofd boven water te houden. In een dergelijke situatie bleek het hemd al gauw nader dan de rok en kon het werk, dat niet direct op de eigen leden gericht was, als een surplus gezien worden. Dikwijls fungeerde de kerk in de wijk onbedoeld als een soort laatste toevluchtsoord voor angstige autochtonen. In de steden concentreerden zich ondertussen problemen als drugsverslaving, etnische spanningen, werkloosheid en criminaliteit. Gevoelens van onveiligheid namen toe onder de stadsbevolking. Daarnaast echter gingen steden zich in toenemende mate profileren als winkel- en uitgaanscentra, als recreatieve 'pretplekken', ook voor mensen van buitenaf. In Hoog Catharijne (Utrecht) wemelt het van de mensen uit de wijde omtrek die een dagje komen shoppen. Bij Stadion Nieuw Galgenwaard (eveneens Utrecht) parkeren automobilisten hun auto om vervolgens per bus zonder tussenstops naar winkelcentrum, jaarbeurs of schouwburg te reizen. In het kader van de 'compacte stad' gedachte werd via prestigieuze bouwprojecten in of nabij het centrum getracht de vermogende groepen voor de stad te behouden of terug te winnen.
Ondanks de kerkelijke leegloop in de steden kan men de laatste decennia tal van nieuwe initiatieven van kerken en christelijke groeperingen waarnemen. In diverse grote steden kwamen katholieke, protestantse en evangelische christenen tot de conclusie dat de kerk hier vanouds een roeping heeft, of sterker uitgedrukt, geen kerk kan zijn zonder kerkvoor- de-ander te zijn. Ds. Hans Visser publiceerde in 1979 een nota 'Diaconaat en apostolaat in de Rotterdamse binnenstad' en bouwde met de hulp van vele kerkelijke vrijwilligers de Pauluskerk om tot een internationaal bekend opvangcentrum voor verslaafden en uitgeprocedeerde asielzoekers. Het eerdergenoemde gereformeerde Jeugdhavenwerk in Rotterdam kreeg zijn opvolging in het Oude Wijken Pastoraat (zie het artikel van Herman IJzerman in dit nummer). Diaconieën in de verschillende grote steden richtten hun aandacht en zorg op mensen die buiten de moderne stedelijke netwerksamenleving dreigden te vallen: daklozen, junks, ex-criminelen, vluchtelingen, mensen met psychische problemen, die buiten de reguliere zorg terechtkwamen. Inloophuizen, laagdrempelige vormen van kerkelijke presentie en gastvrijheid, schoten in stadscentra en volkswijken als paddestoelen uit de grond. Aanvankelijk zagen de organisatoren een breed publiek voor zich: kantoorbedienden, die hun twaalfuurtje wilde opeten; winkelende dagjesmensen, die even wilden uitblazen; eenzame weduwen en weduwnaren, die om een praatje verlegen zaten en weggelopen jongeren, die hulp en onderdak zochten. In de praktijk selecteerde het publiek zich toch uit en werden de centra op den duur vooral bezocht door dak- en thuislozen, druggebruikers en asielzoekers.21 Een belangrijke stimulans voor het werk van de kerken in de stad vormt de Urban Mission of Urban Rural Mission beweging, zoals die in de jaren zeventig en tachtig in kringen van de Wereldraad van Kerken op grond van inzichten uit de bevrijdingstheologie is gegroeid. Urban Mission is wat gemarginaliseerde mensen in hun lokale strijd om bevrijding en emancipatie ontdekken en ervaren. Theologie is dan vooral reflectie op die ervaringen. Het moeilijk te vertalen begrip empowerment komt centraal te staan. Het gaat er om mensen bij te staan in hun strijd om verandering en hun zelfbewustzijn en waardigheid te versterken. Kerk en theologie spelen in dit concept een dienstbare rol en leiden niet zelf de bewegingen van de mensen om wie het gaat.22 Polhuis formuleert het in zijn dissertatie over de mogelijkheden van coalitievorming tussen autochtone en allochtone groepen in de Rotterdamse samenleving nog scherper:
"De beweging is niet langer van de 'kerk' naar de 'wereld' toe, maar omgekeerd van de 'wereld' naar de 'kerk' toe. Het initiatief ligt bij de beweging zelf, de kerk volgt. Of de 'kerk' kan volgen is nog maar de vraag. Dat hangt af of het haar lukt los te komen van de verstrengeling met de samenleving die vanuit de verzetsbewegingen geproblematiseerd wordt. Zo zijn niet langer bewoners van oude wijken in de 'Urban Mission' het probleem; de kerk zelf is tot probleem geworden Anders gezegd, God begint zijn missie niet bij de kerk, maar in de samenleving."23
Het is dan ook volgens Polhuis niet de bedoeling dat de kerk zich eerst tot bondgenoot of lotgenoot verklaart om dan vervolgens alsnog met evangelieverkondiging op de proppen te komen. "Zo is het niet. Het verbonden zijn met en het opgaan in de buurt ís het werk van de kerk."24 De angst is steeds dat buurtbewoners het object worden van traditionele evangelisatiepogingen, maar ook van goedbedoelde progressieve pogingen om het evangelie gestalte te geven. Dat kan dan volgens hem ongewild weer tot een vorm van machtsuitoefening leiden.25 Het blijft zo natuurlijk wel spitsroeden lopen voor de geëngageerde christen.
De brochure Kerk aan het Werk, in 2000 door het Samen op Weg-Beraad Grote Steden aangeboden aan de minister voor grote steden- en integratiebeleid van Boxtel, laat zien dat er in de vier grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht een scala aan kerkelijke activiteiten plaatsvindt, toegespitst op de volgende zes gebieden:
Daar mogen zeker ook de min of meer geslaagde pogingen aan toegevoegd worden om in het hart van de grote steden vormen van kerkelijke samenkomst en viering overeind te houden of opnieuw te introduceren. Een voorbeeld van het laatste is de laagdrempelige Utrechtse Centrumgemeente, die in 1980 ontstaan is als reactie op het wegtrekken van gereformeerde kerken uit het centrum naar de randen van de stad.26 De boodschap die de Samen op Wegkerken met deze brochure wilden overbrengen was: we zijn in de stad dan wel gedecimeerd, maar nog lang niet uitgeteld en willen als betrokken minderheid graag een bijdrage blijven leveren aan het welzijn van de stad en haar bewoners.
Hoe ziet de nabije toekomst eruit?
De Schotse praktisch theoloog Storrar heeft aangegeven hoe de calvinistische Church of Scotland eigenlijk best redelijk succesvol wist te reageren op de uitdagingen van de moderne tijd en zich een eigen gewaardeerde plek wist te verwerven in de geïndustrialiseerde samenleving van de negentiende en de twintigste eeuw. De crisis sloeg pas toe in de tweede helft van de twintigste eeuw bij de wending naar een postmoderne samenleving. Daaronder verstaat Storrar een samenleving waarin het accent verschuift van zware industrie naar informatietechnologie; van binding aan omvattende massaorganisaties naar one-issue bewegingen; de opkomst van het consumentisme; de verzwakking van de natie-staat ten gunste van supranationale conglomeraten zoals de Europese Unie enerzijds en meer lokale vormen van machtsuitoefening anderzijds. Aldus ontstaat een chaotische, complexe en snel veranderende samenleving. Bij individuen groeit een 'pick and choose' mentaliteit zonder sterke en langdurige bindingen. Vanaf eind jaren vijftig van de vorige eeuw is de Church of Scotland in verval. Zij heeft geen adequate reactie kunnen ontwikkelen op de postmoderne uitdaging.27
In Nederland deden zich soortgelijke ontwikkelingen voor bij de christelijke kerken. Tot aan de jaren zestig konden zij hun posities, ook in de steden, redelijk handhaven. Daarna brak een periode van teruggang en verval aan waarin tal van kerken moesten sluiten en omgebouwd werden tot moskee, tapijtenhal of cultureel centrum. Postmoderne mensen zijn uiterst mobiel, flexibel en staan in open verbinding met de rest van de wereld, maar dat alles heeft ook zijn consequenties voor de duurzaamheid en stabiliteit van geloofsgemeenschappen in de stad. Niettemin ben ik er van overtuigd dat ook in de postmoderne stad vormen van christelijke gemeenschap zich kunnen handhaven of opnieuw kunnen vestigen en dat kerken een bijdrage kunnen blijven leveren aan het stedelijk welzijn. Zij zouden juist een gezond tegenwicht tegen het vluchtige en jachtige stadsleven kunnen bieden, als ze datgene doen waar ze van oudsher sterk in waren. Net als de vroegste christengemeenten in het Romeinse Rijk kunnen zij gemeenschap, oriëntatie, liefde en hulp geven aan al diegenen die daar - soms, vaak - behoefte aan hebben. Dat pleit voor kleine, maar stevige kernen in stadscentra en in de wijken er om heen, die de lofzang gaande houden, nieuwkomers in hun midden verwelkomen, zich openstellen voor de buurt waarin zij vertoeven en met hun aanbod inspelen op de actuele behoeften van vaste klanten en toevallige passanten. Tussen Henoch, de stad die Kaïn bouwde, en het nieuwe Jeruzalem ligt de stad van vandaag, niet af te grenzen, niet te ontlopen, niet te missen, ook niet voor christenen.28
1 P. Smits, Kerk en stad. Een godsdienst-sociologisch onderzoek met inbegrip van een religiografie van de industriestad Enschede, 's-Gravenhage: Boekencentrum 1952, 3.
2 Smits, a.w., 310.
3 R. Stark, The Rise of Christianity, San Francisco: Harper 1997, 133.
4 Stark, a.w., 208.
5 M. van Rooijen (red.), Steden en hun verleden. De ontwikkeling van de stedelijke samenleving in de Nederlanden tot de negentiende eeuw, 's-Gravenhage: SDU-Uitgeverij 1988, 82vv.
6 Van Rooijen, a.w., 81-95.
7 J. Visser, Creativiteit, wegwijzing en dienstverlening: de rol van de kerk in de postindustriële stad, Zoetermeer: Boekencentrum 2000, 142.
8 Van Rooijen, a.w., 101.
9 H. Knippenberg & B. de Pater, De eenwording van Nederland, Nijmegen: Sun 1990: 86.
10 K. Doevendans en R. Stolzenburg, Stad en samenleving, Groningen: Nijhoff 2000, 415-438.
11 C. van Praag en W. Uitterhoeve, Een kwart eeuw sociale verandering in Nederland. De kerngegevens uit het Sociaal en Cultureel Rapport, Nijmegen: SUN 1999, 98v.
12 H. McLeod, Religion and the People of Western Europe, 1789-1970, Oxford: Oxford Univ. Press 1981, 76v.
13 Smits, a.w., 200v.
14 M.J. Langeveld, gecit. bij J. Simonse, De teloorgang van het kerkelijk clubhuiswerk. Het verhaal van een secularisatieproces, Baarn: Ten Have 1997, 33.
15 Simonse, a.w. 40-45.
16 id., 71.
17 id., 78vv.
18 id., 130vv.
19 id., 239.
20 id., 244.
21 S. Stoppels, Een gastvrij onthaal. Gids voor inloopcentra en andere vormen van kerkelijke gastvrijheid, Kampen: Kok 1997, 22.
22 A. Polhuis, Lotgenoten bondgenoten? Mogelijkheden van coalitievorming in oude stadswijken. Een bijdrage vanuit de kerk, Zoetermeer: Boekencentrum, 257-258.
23 Polhuis, a.w., 263.
24 id., 269.
25 Polhuis gecit. bij Simonse, a.w., 273
26 J. Doornenbal (red.), Voor wie nieuw is hier. De Utrechtse Centrumgemeente, een toegankelijke kerk, Heeswijk: Dabar-Luyten 1998.
27 W. Storrar, 'Civic Calvinism: Source of Scottish Reformed Vitality'. In: D.A. Luidens, C.E. Smidt & H. Stoffels (Eds.), Reformed Vitality. Continuity and Change in the Face of Modernity, Lanham: Univ. Press of America 1998, 185-205.
28 Zie ook J. Burgers, 'De gefragmenteerde stad', Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 28, 2001, 4, 472-494.