Civic Virtues en Democratie
James Kennedy
Verschenenen in In de Marge, jaargang 14, 2005(2), 11-17.
Toen ik 18 jaar was kreeg ik een prijs voor een prestatie waar ik in Amerika redelijk trots op was, maar waar ik in Nederland waarschijnlijk om zou zijn uitgelachen: the American Citizenship Award. De prijs werd uitgereikt door de Iowa Bar Association (een advocatenvereniging) aan de leerling van de middelbare school die zich het meest had ingezet voor het Amerikaanse burgerschap. Vanwege mijn kennis van het Amerikaanse staatsstelsel en de grondwet werd ik door de leraren geselecteerd en geëerd met een plaquette en een foto in de krant. Dit voorbeeld illustreert wellicht het verschil in opvatting over de definitie en waarde van burgerschap in Nederland en Amerika.
Civic virtue in de Verenigde Staten
In Amerika krijgen kinderen op school vaak te horen dat van hen wordt verwacht dat zij zullen opgroeien als goede burgers die zich willen inzetten voor hun land. Mijn dochter van acht, Abigail, moest op de Amerikaanse openbare school als kleuter dagelijks middels de Pledge of Allegiance trouw zweren, zowel in het Engels als in het Spaans (er waren veel kinderen van Mexicaanse komaf op die school) aan een republiek die liberty and justice for all zou brengen. De andere openbare school in onze wijk profileerde zich nog sterker met traditionele deugden. De woorden justice en wisdom wapperden op de vlaggen voor de school. Sommige Amerikaanse kinderen groeien op met een curriculum ontworpen door vooruitstrevende pedagogen waarin de verhalen over Amerikaanse helden die anderen tot deugden kunnen inspireren een belangrijke plaats innemen: Thomas Jefferson, Abraham Lincoln, Jane Addams, Martin Luther King. Het leren van de deugden van goed burgerschap gebeurt vooral op de basisschool, waar politiek links en rechts elkaar onophoudelijk in de haren zitten over de gewenste morele inhoud van de tekstboeken, die volgens verscheidene wetenschappers nu dienen als de gebedenboeken van de Amerikaanse civil religion . Maar ook op de middelbare school en de universiteiten is er genoeg verplichte literatuur waarin datzelfde thema wordt behandeld. En geen universitaire opleiding in de Verenigde Staten is compleet zonder een college commencement address, waarin de pas afgestudeerde studenten ertoe worden opgeroepen om erop uit te gaan en de wereld te veranderen, om zich in hun nieuwe omgeving op te stellen als community leaders.
Amerikanen lijken dus verknocht te zijn aan het debat over civic virtue. Toch hebben zij niet alleen moeite om hun woorden om te zetten in daden, maar weten ze ook vaak hun eigen maatschappelijke idealen niet goed te verwoorden. De klassieke studie Habits of the Heart (1985) concludeerde dat Amerikanen (of in elk geval de overwegend witte middenklasse) niet kunnen uitleggen waarom zij zich in zouden moeten zetten voor het algemeen belang en bij de verwoording van hun levensdoelen telkens weer terugvallen op een individualistisch discours. Dat er in het laatste decennium ook in de VS meer aandacht is voor civic virtue is dan ook een reactie op het gebrek aan goed ontwikkelde burgerschapszin.
Het quasi-pragmatisme van Nederland
In Nederland wordt in de publieke sfeer historisch gezien minder gesproken over civic virtue. Ik heb niet de indruk dat kennis van de Nederlandse grondwet en een goede inzet voor de Nederlandse rechtsstaat op de scholen in dit land gezien wordt als iets dat erkenning verdient. In de Nederlandse opvoeding van kinderen, ook vóór de jaren zestig, neemt het expliciete onderricht in deugden wellicht een minder belangrijke plaats in, in tegenstelling tot het geven van ruimte aan kinderen om zelf te ontdekken hoe ze zich zouden moeten gedragen. Ook in het openbare leven werd weinig gesproken over de verplichtingen van het burgerschap. De Nederlandse overheden werden al lange tijd gekenmerkt door een pragmatische instelling, waarbij levensbeschouwelijke ideologieën elk hun plaats toegewezen kregen en publieke zaken in de capabele handen van de deskundigen werden gelegd. De deconfessionalisering van de Nederlandse maatschappij, die heel zichtbaar begon in de jaren zestig, gevolgd door de verdere ontideologisering onder paars in de jaren negentig, hebben ons een land gebracht dat, zoals ik in mijn oratie heb betoogd, vooral bevolkt lijkt te zijn door ex-christenen en ex-marxisten. Sommigen hebben zich juichend laten bevrijden van hun ideologische veren en velen prezen zichzelf gelukkig, te wonen in een land waarin beleid op bewust níet-moralistische wijze werd aangepakt.
In Nederland en ook elders wordt de moraal in de politiek vaak gezien als het werk van religieuze levensovertuigingen en andere ideologieën die hun levensvisie toevoegen of opleggen aan de democratische praktijk. Dit wordt door sommigen toegejuicht en door anderen uitermate betreurd. Het debat over normen en waarden wordt vooral gevoerd tussen diegenen die menen dat deze zaken ontbreken, en diegenen die menen dat ze een onnodige en onwenselijke vorm van morele dwang zijn. Het heeft mij verbaasd hoeveel Nederlanders ik heb gesproken die ervan uitgaan dat morele overwegingen níet aanwezig zijn geweest in het publieke leven in Nederland en dat de uitwerking louter pragmatisch is geweest, althans voor de huidige oproep tot normen en waarden. Dit lijkt me een verkeerde inschatting. Het is natuurlijk mogelijk dat de politieke discussies in een democratisch land overdreven moraliserend zijn, of dat er niet voldoende aandacht wordt besteed aan morele doelstellingen of dat de morele inhoud van de discussies het land in een verkeerde richting wijst. Maar het is een misvatting te denken dat democratieën kunnen functioneren zonder voortdurende morele overwegingen, zonder functionerende definities van civic virtue of zonder oproepen tot het praktiseren van verantwoord burgerlijk gedrag. Alle democratische praktijken zetten zelf onmiddellijk aan tot de ontwikkeling van morele gevoeligheden, houdingen en ideeën, omdat democratieën een appèl doen op de burgers. Elke burger mag idealiter meedenken over de manier waarop een goede samenleving vorm zou moeten krijgen en zo komt een eindeloze discussie op gang over de contouren van een goede samenleving. Elke volgende generatie neemt de morele tradities over die in dit proces ontstaan, en verandert ze, verrijkt ze, verarmt ze; wat de nieuwe generatie er ook mee doet, ze ontkomt niet aan die ethische erfenis van de democratie, zoals de theoreticus Jeffrey Stout recentelijk heeft beweerd.
Dus hoewel Nederlanders denken dat zij leven in een land waarin beleid op bewust niet-moralistische wijze wordt aangepakt, is er meer moraal en zijn er meer oproepen tot deugdzaamheid in het publieke leven dan zij vaak denken. Het is weliswaar zo dat het concept burgerschap niet erg is uitgewerkt in dit land en dat kan een probleem zijn. Maar een moreel discours van burgerschap waarbij dit woord niet altijd genoemd wordt is wel degelijk belangrijk geweest in de Nederlandse geschiedenis. Ik beperk me in de voorbeelden die ik nu geef tot de laatste zestig jaar.
Uitgesproken moralistisch
Omstreeks 1950 gaven burgemeester en wethouders van Amsterdam een boekje aan alle
nieuwe kiezers dat wil zeggen, alle Nederlanders die de kiesgerechtigde leeftijd van
23 jaar hadden bereikt om hen te herinneren aan hun verantwoordelijkheden als burgers.
Dat hield niet alleen het uitbrengen van je stem in, maar ook actieve inzet volgens het
oer-Hollandse beginsel Wie niet meedijkt in nood, verbeurt zijn erf:
Wie nu niet meedijkt, wie nu niet helpt een dam op te werpen tegen de gevaren,
die de mensheid bedreigen, verliest meer dan zijn erf. Hij verliest zijn vrijheid,
hij zal alles verliezen wat aan het leven waarde en inhoud geeft. Die dijk moeten we
samen bouwen door gemeenschappelijke inspanning, door samenwerking. In de eigen gemeente,
in het eigen land en in de wereld, tezamen met andere volkeren die, als wij, de grondslagen
onzer beschaving willen behouden en versterken. De grondslagen: christendom,
gemeenschapszin, vrijheid en vrede.
De burgemeester van Amersfoort, de sociaal-democraat Molendijk, riep de burgers in 1956
als volgt op tot deugdzaam gedrag:
"De gemeentereiniging doet haar uiterste best om de straten en pleinen zindelijk te houden.
Edoch, er zijn altijd weer [zondaren] die kranten en papier en lege dozen maar op straat
werpen. Zouden wij met u kunnen afspreken dat dat voortaan niet meer gebeurt
? Dan
bevordert Gij mede de orde en netheid in onze mooie stad."
Of luister naar de woorden van deze brochure uit de jaren vijftig
(geïnspireerd door een Deens initiatief) van het ministerie van Onderwijs,
Kunsten en Wetenschappen, waarin kinderen worden aangemaand om hun erfdeel,
de natuur, schoon te houden:
"Dit is van ons ons land het is klein, maar het is mooi en we moeten er dus
zuinig op zijn
En met zn allen moeten we dus niet
Dat is jammer, dat we moeten beginnen met dat wat we niet moeten doen,
maar het moet toch gezegd worden.
Met zn allen moeten we niet
alsjeblieft niet: vuurtjes stoken.
Niet vuurtjes stoken en de boel in de brand laten vliegen
En dan alsjeblieft niet en om den drommel niet dieren plagen. Alsjeblieft niet een lafbek zijn."
Ook de jaren zestig en zeventig werden in Nederland gekarakteriseerd door de oproepen tot verantwoord, moreel gedrag tegenover elkaar en tegenover andere wereldburgers. Als je het hebt over civic virtue, dan was het Nederland van die tijd vol van burgers die elkaar enthousiast opriepen tot een hogere gedragsnorm. Als tiener zon twintig tot vijfentwintig jaar geleden vond ik Nederland een zeer moralistisch land. Nederland beleefde zijn hoogtepunt als gidsland voor de wereld, een beeld dat door iemand als Bas de Gaay Fortman werd uitgedragen. Het Nederland van de jaren zestig, zeventig en tachtig was ook een land dat zich kenmerkte door de populariteit van pressiegroepen met hoge idealen vredesbewegingen, milieubewegingen, Amnesty International, Greenpeace enzovoort. Ik herinner me nog de didactische stickers die je overal zag aangeplakt: Héél Vietnam, Maak het leger leger, Wordt geen naprater, Een goed milieu begint bij jezelf, en in de badkamers: Verspil geen water. Maar er werd ook regelmatig een inhoudelijk appèl gedaan op burgers of medemensen om zich in te zetten voor de goede zaak. Preken uit deze perioden zijn daar vaak prachtige voorbeelden van. In een gereformeerde kerk in Amsterdam werd op de zondag na de inval door Warschaupactlanden in Tsjechoslowakije spijt betoond vanwege de westerse medeplichtigheid bij deze invasie, en een oproep gedaan om met verdubbelde krachten tegen het militarisme en voor de vrede te strijden. Of de Roermondse pater, die in 1963 in een preek een vrouw uit zijn parochie prees voor de tien kinderen die zij de kerk had gegeven, en een jaar later dezelfde gemeente wees op het grote gevaar van mondiale overbevolking en de noodzaak om geboortebeperking toe te passen.
Geen normen en waarden maar actief burgerschap
Bij al deze voorbeelden gaat het niet zozeer om waarden en normen, maar om civic virtue. Een belangrijk onderdeel van elke democratie is niet alleen de handhaving van normen of het stimuleren van waarden, maar de wijze waarop actief en geëngageerd burgerschap wordt aangemoedigd. Civic virtue komt op twee manieren naar voren. Aan de ene kant is er de actieve inzet van burgers, bijvoorbeeld in vrijwilligerswerk. Aan de andere kant is er de retoriek, het discours waarin zulk gedrag gedefinieerd en aangemoedigd wordt. Mijn belangstelling gaat vooral uit naar het tweede. Mijn onderzoek: Wat is de kwaliteit geweest van dat discours in het Nederland van de afgelopen vijftig of zestig jaar? Hoe definieert een democratische samenleving zoals de Nederlandse, wat goed is en hoe stimuleert zij haar burgers om een passie voor het publieke welzijn te ontwikkelen? En wat zijn de civic virtues die daarvoor onontbeerlijk lijken te zijn? In mijn oratie geef ik aan hoe bepaalde burgerdeugden of ze nu zo heten of niet gericht zijn op verleden, heden of toekomst. Daarvoor heb ik getracht om de kaders van de theoreticus Stout, die in de traditie staat van de Amerikaanse pragmatische filosofie, te gebruiken als een suggestie voor deugden die gericht zijn op zowel verleden, heden en toekomst. Stout gebruikt zelf piety (eerbied), generosity (vrijgevigheid) en hope (wat hij definieert als het vermogen voor je eigen zaak op te komen als de toekomst er somber uitziet) als deugden die volgens hem in de Amerikaanse politieke en sociale context functioneren. Ik heb ze even in de Nederlandse context gezet, om te laten zien hoe een rijk publiek discours wel degelijk gebruik maakt van oproepen tot een passie voor het publieke welzijn op basis van een morele visie op het verleden, op het heden en de toekomst.
Dit is toch waar het in de democratie ten diepste om gaat: om de manier waarop burgers elkaar verantwoordelijk houden, waarop zij met elkaar spreken, met elkaar in debat gaan, elkaar vermanen en elkaar soms het opgeheven vingertje voorhouden. Democratische politiek is een parlement, een vergadering van stemmen, schrijft de Canadese intellectueel Mark Kingwell, en indien ze goed geordend en goed verwoord is, maakt ze een breder debat over de wereld waarin wij willen leven mogelijk. Elk land stelt op eigen wijze de contouren van de democratische discussie vast en de min of meer expliciete deugden die essentieel worden geacht om een goed mens en een goede samenleving te zijn.
Ontspoord debat en consensuscultuur
Sinds de verkiezingscampagne van 2002 en nog meer na de moord op Theo van Gogh is in Nederland de discussie losgebarsten over de grenzen van het democratische discours. Moeten bepaalde ideeën of uitingen worden verboden? Mag iedereen in het openbaar zijn gal spuwen en zijn tegenstander beledigen, of moet men zich in leren houden en in debat treden op een manier die getuigt van respect voor de tegenstanders? Deze discussie is eerder al gevoerd in de Angelsaksische wereld, waarbij de noodzaak van civility centraal stond. Hoe kan over het algemeen belang worden gediscussieerd met passie én met respect voor anderen? Vooral in het consensuslievende Nederland lijkt dit een groot probleem te zijn. Als de consensus wordt verbroken, zo lijkt het, stort de wereld voor veel Nederlanders in. Dat er een gebrek aan consensus is voelt zo onwennig, dat de discussie snel erg heftig wordt. De minderheid die zich altijd al miskend voelde scheldt de elites de huid vol en de elites die de consensus in stand hielden, passen zich enigszins aan en proberen die populisten zo snel mogelijk weer buiten de discussie te sluiten door een nieuwe consensus af te dwingen. Ondanks de sterke traditie van een moreel geladen discours, lijkt het alsof Nederlanders de positieve aspecten van het democratische discours, het verbaal in debat gaan over de morele contouren van de politiek, niet op waarde schatten. Dat zie je bijvoorbeeld ook aan de manier waarop over het maatschappelijk debat wordt gesproken. Een maatschappelijk debat wordt meestal door een minister ontketend, vervolgens is er een periode van debat die ongeveer twee jaar duurt. Nadat het maatschappelijke debat over dit onderwerp is beëindigd, worden de resultaten verwerkt in besluitvorming. Als Amerikaan, die gewend is aan eindeloze debatten en weinig consensus, vind ik deze manier van discussiëren nogal opvallend. Binnen de Nederlandse context is het debat blijkbaar niet een essentieel en voortdurend onderdeel van de democratie, maar een tijdelijk middel om een concrete doelstelling te bereiken. Deze houding vind je ook terug (en waarschijnlijk nog duidelijker) in de Scandinavische landen, waar lutherse politieke tradities en de consensuszoekende burger de ware democratie definieerden als een plek waar iedereen gelijk denkt.
In deze individualistische en pluralistische samenleving, waarin we meer uiteenlopende meningen horen dan voorheen, past het niet om naarstig naar consensus te zoeken of naar een one-size-fits-all nationale identiteit. Burgers moeten leren dat onenigheid niet iets is dat óf verdoezeld kan worden óf uit de hand mag lopen. Dat betekent dat je hernieuwde aandacht zal moeten geven aan de manier waarop mensen met elkaar het gesprek aangaan aan de wijze waarop de beste democratische tradities van morele bezinning en debat kunnen worden bevorderd. Ik wil het nu kort hebben over drie podia in de Nederlandse samenleving waar civic virtues en democratisch debat vorm kunnen krijgen (zonder de indruk te willen wekken dat deze opsomming volledig is).
Kweekplaatsen voor burgerzin
In de eerste plaats de scholen. Kinderen zouden van jongs af aan te horen moeten krijgen dat zij burgers zijn van een stad, dit land en deze wereld en dat dit verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Het aanleren van een passie voor het publieke welzijn kan heel goed worden verwerkt in het lesmateriaal dat nu op school aangeboden wordt: geschiedenis, geografie, lezen, sociale vaardigheden, etc. Dit wordt overigens tegenwoordig in Nederland ook wel gedaan. En waarom zouden leerlingen op scholen vooral veel spreekbeurten houden en bijna geen debatwedstrijden? Op Nederlandse scholen kan nog veel meer gedaan worden om het politieke bewustzijn en de passie voor het publieke welzijn bij de leerlingen te vergroten. Vooral om te laten zien dat burgerschap enerzijds door individuen wordt bepaald, maar anderzijds ook door de discussie en het debat met medeburgers.
In de tweede plaats wil ik verenigingen, ook de zogenaamde zware gemeenschappen onder de aandacht brengen. Als mensen zich met elkaar verbonden voelen in een hecht verband, voelen zij zich veilig om het debat aan te gaan. Hechte ideologische of religieuze gemeenschappen zijn plekken waar mensen kunnen worden getraind in hun overtuigingen, waar hun levensvisie wordt afgezet tegen die van de wereld buiten hun gemeenschap en gefundeerd wordt met argumenten. Mensen die veel gemeen hebben zouden steviger debatten met elkaar kunnen voeren dan mensen die elkaar weinig te zeggen hebben. Ik weet echter niet of Nederlanders in zware gemeenschappen hebben geleerd om gepassioneerd binnen de kaders van een democratisch discours te pleiten voor hun visie op het welzijn van de mens en de samenleving, omdat het verenigingsleven in dit land vaak gevormd is voor gelijkgezinden om hen de confrontatie met andersdenkenden te besparen (de verzuiling). Maar juist vanwege hun krachtige overtuiging zouden verenigingen met een sterk levensbeschouwelijke identiteit moeten weten hoe ze zich moeten gedragen in de publieke arena. Zij kunnen hun standpunten beargumenteren en met vuur en tegelijkertijd met respect (ik denk dat de zware gemeenschappen in Nederland daar niet om bekend staan!) naar voren brengen. Daarom denk ik dat een levendig verenigingsleven belangrijk is voor de democratie, niet alleen omdat het een sociale cohesie schept in de maatschappij, maar ook omdat het burgers stimuleert en traint om hun verlangens voor het openbare leven met passie te verwoorden en te beargumenteren. In deze individualistische maatschappij zijn losse verbanden echter meer gewild dan zware verbanden. Misschien zou je kunnen zeggen dat de (potentiële) kweekscholen voor de democratie daarom aan het verdwijnen zijn. We moeten maar afwachten of nieuwe, lichtere vormen van gemeenschap die meer samenhangen met nieuwe technologie zoals het Internet in staat zijn om vervangende, kwalitatief hoge democratische tradities op te bouwen.
Het derde podium is het nationale podium. Het gaat hier om de vraag in hoeverre civic virtue moet worden gekoppeld aan een nationale identiteit, zoals mijn American Citizenship Award. Zou het democratische discours in Nederland rijker zijn als men zou kunnen appelleren aan het Nederlanderschap, als men elkaar kan aanspreken als mede-burgers? Houdt het aanmoedigen van goed burgerschap in, dat het volk van Nederland opgeroepen moet worden om zich ten dienste van dit land te stellen, iets dat niet alleen Fortuyn deed, maar ook websites als zestienmiljoennederlanders.nl? We kunnen niet terug naar negentiende-eeuwse ideeën over nationaal burgerschap, en zouden dat ook niet moeten willen, gegeven de uitwassen die een dergelijke identiteit met zich mee heeft gebracht en gegeven het feit dat ook Europa wacht op een meer robuuste definitie van burgerschap. Maar een burgerschapsdiscours waarin nationale saamhorigheid geheel ontbreekt, is toch problematisch. Concreet gezegd, het is beter dat het Nederlanderschap een gearticuleerd ethisch burgerschapsideaal inhoudt dan zoals te lang het geval is geweest een impliciete etnische identiteit, waarvan een allochtoon nooit echt deel kan uitmaken.
Op zijn minst kunnen op deze drie podia in de Nederlandse samenleving civic virtues misschien gestimuleerd worden. Maar het probleem van het Nederland van nu is niet uniek. Elke democratie worstelt met dezelfde vraag, die Alexis de Tocqueville, de Franse kenner van de nieuwe democratie in Amerika, zich in 1831 al stelde: Hoe kunnen democratische staten, met hun egalitaire idealen en individualistische oriëntatie, een samenleving in stand houden waarin mensen op betekenisvolle wijze met elkaar verbonden blijven? Een democratie zonder tradities van civic virtue zowel betreffende burgerlijke inzet als een discours van moreel appel bestaat niet. We kunnen het ons niet veroorloven om niet over civic virtue te praten.