Civil society als handelingsruimte en als omgangsvorm

Machiel Karskens

Verschenenen in In de Marge, jaargang 13, 2004(1), 22-28.

In dit artikel reageer ik op de volgende stelling: ‘De individualisering en de ver­mark­ting van onze samenleving, de professionalisering en bureaucratisering en de golf van fusies in het zogenaamde middenveld in Nederland, alsmede de sterke invloed van staat en commercie op de zogenaamde non-profitsector (en de geringe omvang van deze sector) leiden tot het vermoeden dat civil society in Nederland geen sociale en culturele werkelijkheid meer is. Het is de vraag of er überhaupt in Nederland sociale bewegingen of organisaties bestaan die tot de civil society gerekend kunnen worden.’

Mijn reactie op de stelling is ondubbelzinnig en tweeledig: ik verwerp de stelling op zowel empirische als theoretische gronden.

Vrijwillige verenigingen

Empirisch onderzoek hierboven besproken, laat zien dat er in de Nederlandse samen­leving meer dan voldoende vrijwillige verenigingen actief zijn. Maar dan mag men vrijwillige verenigingen - dit is mijn Nederlands voor wat in de literatuur voluntary of free associations genoemd worden – niet alleen beperken tot een select clubje van ideële sociale organisaties, kerkgenootschappen of verenigingen met een levensbeschouwelijk of hoog cultureel doel, zoals de stelling suggereert. De civil society is namelijk niet beperkt en mag nooit beperkend zijn, want zij is de sociale ruimte waar­in juist verenigingen van allerlei soorten en maten mogelijk zijn en mogelijk moeten zijn. Dat wil ik hieronder laten zien. Zelfs wanneer we de expliciet commerciële verenigingen, de ondernemingen met winstoogmerk – die tot voor kort overigens ook als typische civil society organisaties gezien werden – buiten beschouwing laten, dan nog is er bijna geen aspect van het publieke of maatschappelijke leven denkbaar zonder een heel netwerk van vrijwillige verenigingen hiervoor. De civil society bestaat niet alleen uit sociale bewegingen, politieke partijen, ngo’s (non-go­vernmental organizations), burger-, buurt- en belangenverenigingen, cultuur-, sport- en hobbyclubs en kerkgenootschappen, maar ook uit de ANWB, Consumentenbond, omroepverenigingen, reisvere­ni­gin­gen, kranten, theaters. En ook uit coöperaties die ons verzekeren of schoolve­renigin­gen die zorg dragen voor onze scho­­ling van wieg tot graf. Alles waar ik lid van kan worden, maar geen lid van moet zijn hoort bij de civil society. Ik schat dat elke volwassen Nederlander lid is van minimaal tien à twintig van zulke verenigingen.

Daarnaast wil ik vanuit de theorie nog een ander empirisch tegenargument inbrengen. De civil society bestaat niet alleen maar uit blijvende verenigingen in de vorm van een zelfstandige rechtspersoon, maar ook uit kortdurende, vluchtige verbindingen tussen personen die hier en nu samen handelen en na dit samenzijn weer uit elkaar vallen. Ik bedoel bijvoorbeeld het publiek in een theater, sportstadion of house party, een groep klasgenoten of het koffiehuispubliek waar Habermas zo’n belang aan hecht in zijn studie over de burgerlijke openbaarheid. En vormen ook niet de treinreizigers in een coupé of de groep hotelgasten die samen op verwenweekend zijn, een vluchtige en tijdelijke vereniging? U kunt mij tegenwerpen dat ik het begrip ‘vrijwillige vereniging’ nu wel heel erg oprek. Ik wil verdedigen dat dit goed mo­gelijk, ja zelfs nodig is, wanneer je het handelingskarakter van de civil society centraal stelt.

Sociale processen

Deze empirische verwerping betekent ove­rigens geenszins de ontkenning van processen als individualisering, vermarkting, professionalisering en bureaucratisering. Die bestaan wel degelijk. Professionalisering en bureaucratisering zijn noodzakelijk verbonden met zich centraal organiserende staten, besturen en groter wordende organisaties die in beginsel voor allen open staan. De civil society zelf bestaat uit een aantal van die grote, voor allen toegankelijke organisaties, die niet zonder bureau­cratise­ring kunnen werken, zoals bijvoorbeeld de ANWB of een Vrije Universiteit. Daarnaast leunt de civil society zwaar op de overheid, die met haar algemene regelgeving en infrastructuur de rugdekking, stabilisator en voorwaardenschepper is van de openbare ruimte waarbinnen de vrije verenigingen actief zijn.

Van individualisering of bowling alone – zoals het sinds het artikel van Putnam van 1995 in de literatuur heet – wordt in alle empirisch onderzoek melding gemaakt. Maar verdwijnt hiermee de civil society? Of verandert alleen de manier waar­op men aan de civil society deelneemt en de wijze waarop men gestalte geeft aan de grens tussen privé en publiek domein? Ik citeer hier graag uit de conclusie van de magistrale analyse van de individualisering van de empiricus en methodoloog Felling:

… individualisering is een zich zeer langzaam en geleidelijk voltrekkend proces met verschillende snelheden … Mensen maken daarbinnen in toenemende mate zelfstandig hun keuze uit vele mogelijkheden, creëren en sluiten zich aan in nieuwe netwerken, en geven aldus hun leven naar eigen voorkeur vorm. Dat alles gebeurt anno 2000 in de context van een nog altijd bloeiend en zelfs groeiend maatschappelijk middenveld (Felling 2004: 33).

Individualisering bedreigt de civil society dus niet, zo zou ik zijn conclusie willen aanscherpen, maar maakt haar eerder groter. Ja, misschien is die individualise­ring juist de mogelijkheidsvoorwaarde van de civil society, zoals de filosoof Hegel in zijn analyse van de bürgerliche Gesell­schaft al heeft beweerd.

Vermarkting is net als individualisering zo’n typisch modern lange termijn proces. Voor Hegel was het duidelijk dat indivi­dualisering en vermarkting met elkaar samenhangen. Kortheidshalve neem ik dit inzicht over en beweer dat vermarkting, ideaal opgevat als de toenemende vrijheid van alle sociale actoren om omwille van het nut en de winst economische sociale verbanden aan te gaan, mij eerder een moge­lijkheidsvoorwaarde dan een bedreiging van de civil society lijkt. Ook marktgedrag berust op het principe van vrije vereniging, zeker wanneer wij dat, zoals ik hieronder verder zal bespreken, niet alleen beschouwen als uitgangspunt van langdurige maatschappelijke groepsverbanden, maar ook als beginsel van elke niet-politieke, sociale en publieke handeling en interactie. Hiermee ben ik gekomen bij mijn theoretische argumenten om de stelling te verwerpen.

Civil society = maatschappelijk middenveld?

Eerst een tussenbalans: de stelling gaat ervan uit dat civil society hetzelfde is als het normatieve maatschappelijke middenveld, dat bestaat uit een verzameling stabiele, vaak al geïnstitutionaliseerde sociale groepen en verbanden, die de goede samenleving, het goede maatschappelijke gedrag en de juiste (samenlevings)normen en -waarden realiseren. En de stelling klaagt over het verdwijnen of veranderen van déze verzameling. Dit laatste is empirisch niet aangetoond. Mij lijkt bovendien dat het hier gaat om een eenzijdig beeld van wat een civil society is, omdat er ook heel veel andere vrijwillige verenigingen en sociale groepsverbanden binnen de civil society werkzaam zijn. Soms zijn die op een mo­reel neutrale, half commerciële grondslag georganiseerd, zoals de ANWB, de OHRA, maar ook de plaatselijke filmliga; soms hangen zij juist afwijkende normen en waarden aan, zoals de fanclub van Heavy Metal liefhebbers; en soms zijn het ‘slech­te verenigingen’ (bad associations) die antisociale, verboden of zeer omstreden doelen nastreven, zoals de Hells Angels, de krakers, en eerstdaags misschien ook wel de vereniging van sigarenrokers of de bijzondere scholen en universiteiten op godsdienstige, althans islamitische grondslag. Daarnaast bestaat er een heel scala van vluchtige sociale verbanden en groepen die mijns inziens heel kenmerkend zijn voor de civil society.

De overgang van privé naar publiek

Ik kom nu tot mijn theoretische kritiek. De stelling ziet mijns inziens de twee cruciale punten waar het bij een civil society om gaat over het hoofd. Het eerste punt is de principiële waardeneutraliteit en openheid van de civil society als eigen domein. Het gaat hier immers om de sociale sfeer die ruimte moet bieden aan alle mogelijke vrijwillige verbanden en daarop niet a prio­ri restricties mag aanbrengen. Het tweede punt is dat met civil society ook een bijzondere omgangsvorm bedoeld wordt, namelijk handelingen, praktijken, gedragingen en processen die in strikte betekenis een sociale praxis zijn. Dat wil zeggen: handelingen die door de betrokken actoren zelf voltrokken moeten worden en die hun waarde en betekenis niet ontlenen aan een extern doel, maar aan de aard van die handeling zelf.

Mijn stelling is dat de bijzondere handeling die kenmerkend is voor de civil society, bestaat uit de overgang van privé naar publiek. Civil society is abstract geformuleerd het dynamisch, transfor­merend systeem dat de overgang van privaat handelen naar semi-publiek handelen organiseert als een praxis van samen handelen. De hierboven genoemde clubs, groepen, verenigingen en andere vrijwillige verbanden zijn het – altijd voorbijgaande en tijdelijke – resultaat van dit handelen. Mijn derde punt zal zijn dat deze sociale handeling van de overgang van privé naar publiek samen met die waardeneutraliteit van de civil society, op paradoxale wijze verantwoordelijk zijn voor een set van heel kenmerkende zeden en gewoontes met betrekking tot ons gedrag in de civil society.

Civil society als neutraal medium

Het eerste. De civil society als handelingsruimte is een onbegrensd neutraal medium. De civil society ligt als domein van maatschappelijk handelen grof gezegd tussen de primaire leefgroep en de staat in. In onze samenleving is de primaire leefgroep, meestal de familie genoemd, allereerst een besloten of een privaat domein; het domein van de staat is openbaar of publiek en omdat het om een democratische samenleving gaat is dat domein dus voor alle burgers gelijkelijk toegankelijk en ook verplichtend. De civil society lijkt een hybride vorm van publiek en privaat. Zij is duidelijk openbaar, maar haar openheid is net als het privé domein afgeschermd tegen direct staatsoptreden. En de juridische infrastructuur die haar beschermt en mogelijk maakt bestaat, net als bij de markt en de families, uit privaatrechtelijke regelingen. Mensen handelen in de civil society ook als privé personen en niet als (staats)bur­gers, maar hun gedrag is niet privaat maar juist openbaar. De vrije verenigingen in de civil society zijn bijna allemaal private organisaties en een groot deel ervan gedraagt zich net zo afschermend en afgesloten als de primaire leefgroepen. Toch zijn ze meer open en toegankelijk dan een privé huis.

Het hybride karakter van de civil society verdwijnt echter wanneer we haar niet pri­mair zien als een afgebakend domein tussen twee andere domeinen in, maar als een medium en sfeer. Als medium is de civil society een sociale ruimte die net als de fysieke ruimte van nature open, onbegrensd en onuitputtelijk is. Je kunt nooit zeggen dat ze vol is en dat nieuwe vrijwillige verenigingen of sociale interacties er niet meer bij kunnen. Je kunt haar ook niet territoriaal afgrenzen en hoewel ze juist heel vaak op typisch lokale of parochiale wijze wordt ingevuld, zijn ruimtelijke begren­zin­gen nooit wezenlijk. Dit in tegenstelling tot de politieke openbaarheid, die op heel veel gebieden duidelijk gebonden is aan de territoriale grenzen van de staat. Civil society is dat niet en wordt daarom ook gemakkelijk in verband gebracht met globa­lisering. Deze onbegrensdheid van de civil society is niet alleen feitelijk maar ook normatief. Het is niet toegestaan om deze ruimte fysiek, symbolisch of normatief zo te bezetten of af te grenzen, dat zij ontoegankelijk wordt voor anderen. Dit geldt voor de fysieke vorm van deze maatschappelijke ruimte, de openbare weg, de pleinen, de sport en trapvelden en de gemeen­schapsgebouwen (kerken, buurthuizen, bad­huizen, sociëteiten, hotels) maar ook voor de symbolische, communicatieve of meta-topische vorm van dit medium (de media, de telecommunicatie en verenigingen die bedoeld zijn voor algemene deelneming, zoals universele kerken of Amnesty International).

De civil society is echter niet alleen een passief medium, maar ook een eigen sfeer waarin vrijwillig en vrij publiek en sociaal handelen bedreven wordt. In tegenstelling tot de staatssfeer met zijn gedwongen lidmaatschap, voor allen gelijke verplichtende normen (wetten) en gemeenschappelijk doel die leiden tot homogene handelingen, betekent dit vrijwillige en vrije, dat de civil society als sfeer juist een pluraliteit en heterogeniteit aan handelingen moet mogelijk maken. Wezenlijk voor de civil society is dat zij die ruimte biedt zonder enig ander bindend beginsel of doel dan de betreffende handelingen zelf vereisen. De sociale binding ontstaat en vergaat in de betrekkingen die wij op dat moment met elkaar aangaan; deze binding is met andere woorden handelingsimmanent en erkent geen omvattend algemeen inhoudelijk beginsel dat dit publieke gedrag vorm geeft en normeert, zoals dat in de politieke openbaarheid het geval is.

De enige twee grenzen die er steeds opnieuw getrokken worden, zijn de grens die openbare sociale handelingen feitelijk en normatief onderscheidt van private of interne groepshandelingen en de grens die deze maatschappelijke handelingen onder­scheidt van de van overheidswege verplichte handelingen. Dit blijkt uit de regels en gewoontes die bijvoorbeeld al te intiem of lichamelijk gedrag verbieden of die het autoritaire of dwingende gedrag afwijzen dat politieke gezagsdragers wel mogen vertonen. Deze regels verwijzen naar enkele eerder procedurele dan inhoudelijke gedragsregels die ik hieronder zal bespreken.

Civil society als praxis

Hierboven heb ik al gebruik gemaakt van het tweede beginsel van de civil society, dat is de vrije transformatie van privé naar publiek. Deze transformatie, zo is mijn stelling, bestaat uit een praxis, dat is een om zichzelf uitgevoerde reeks handelingen die individuele actoren elke keer voltrek­ken en moeten voltrekken wanneer ze de grens tussen privé en publiek overschrijden. Hoewel deze reeks bij de meeste volwassenen zo ingeslepen is dat zij zich amper ervan bewust zullen zijn, gaat het hier om een vrije handeling, omdat de actoren zelf bepalen wat zij op dat moment gaan doen én zichzelf als privé persoon met andere privé personen engageren. Elk van hen kan daar allerlei motieven voor hebben en hun gedrag kan misschien als onbedoeld overkomen, maar uiteindelijk gaat het om de intersubjectieve interactie van in het openbaar met elkaar verkerenden. De filo­sofe Hannah Arendt heeft dit type gedrag, dat zij action noemt en onderscheidt van werken (labour) en maken (work), beschreven als met elkaar omgaan in het openbaar vanuit veelheid en variëteit en gericht op publiek samen zijn en samen handelen. Mensen krijgen en ontlenen hun identiteit aan dit handelen. Maar omdat het om samen handelen gaat en het niet zonder meer vastligt welke andere personen daarbij betrokken zullen zijn, is het niet lang mogelijk om alles wat er gebeurt, direct en zonder meer te herleiden tot elk van de deelnemers, hun persoonlijke wil en verantwoordelijkheid. Bovendien is de uitkomst van dit handelen ongewis en kunnen er altijd onbedoelde gevolgen optreden. En tenslotte leidt dit handelen, in tegenstelling tot maken, nooit tot blijvende resultaten; het is instabiel en voorbijgaand.

Toch is er één groot verschil tussen Arendts analyse en de mijne. Voor Arendt gaat het hier om handelen dat typisch politiek is en dat het domein van het politieke vormt; ik stel dat dít type handelen in de moderne tijd nu juist in het domein van het sociale terecht is gekomen en nog maar ten dele het domein van het politieke bepaalt. Wat wij nu civil society noemen is het domein van de action of van het sociaal verkeer, dat bij Arendt gesitueerd werd op de klassieke agora van het democratische Athene.

Er is nog een tweede verschil tussen Arendt en mij. Dat heeft te maken met het onderscheid tussen privaat en publiek. Het publieke domein werd in de klassieke traditie positief, normatief gewaardeerd als het openbare politieke domein waaraan de mens (dat is de publiek optredende vrije man) zijn waarde en identiteit ontleende; het private werd daar in negatieve zin van onderscheiden. In de moderne tijd is deze waardering omgeslagen; het private is het positieve kernbegrip geworden waartegen het publieke in negatieve zin wordt afgezet. In onze geïndividualiseerde samenleving zijn privacy en het privé-domein waardevolle zaken die geëerbiedigd en beschermd moeten worden. Het publiek(e) is van de weeromstuit bedreigend geworden, precies vanwege de onzekerheid en instabiliteit van het samen handelen. Maar zonder enig publiek domein kan een persoon niet laten zien wie zij of hij is en neemt de behoefte daaraan juist toe. De filosoof Charles Taylor beschrijft dit laatste als de ontwikkeling van een expressivistisch individualisme, een epifanisch zelf, anders gezegd: als de cultuur van de authenticiteit. Het publieke wordt daarin de plaats of beter het toneel waarop authentieke, immanente, persoonlijke belevingen en bevindingen zich tonen en serieus genomen moe­ten worden. Het publieke domein op zichzelf wordt echter ervaren als een onzeker en bedreigend domein waarin een individu zich kan verliezen. Voor de gewone burger vormt dat een gevaar, maar voor de modernist, de flaneur of de snob is het juist een uitdaging. De socioloog Sennett beschrijft deze publiek optredende privé-persoon als een (sociaal) molecuul dat in de negentiende eeuw gespleten wordt door het beroep op de persoonlijke vrijheid, die geïdentificeerd wordt met de volle, crea­tieve, individuele persoonlijkheid die zich als een symbolische kracht kan keren tegen de publieke conventies.

Kortom, de overgang van privaat naar publiek is een riskante onderneming maar tegelijk ook nodig om echt jezelf te kunnen zijn. De civil society nu is de maatschap­pe­lijke ruimte en het proces dat deze onderneming mogelijk maakt. Zij biedt iedereen de mogelijkheid om zich in zijn persoonlijke uniekheid en vrijheid te manifesteren en zij schermt deze mogelijkheid af tegen de dwingende en allen gelijk makende omgangsregels van de politiek en overheid. Maar daarmee heft zij niet de onzekerheid of zelfs bedreiging op die van het publieke domein uitgaat. Juist door haar onbegrensde openheid en neutraliteit met betrekking tot wat we gaan doen en door de noodzaak om samen te moeten handelen in de maatschappelijke openbaarheid roept de civil society haar eigen onduidelijkheid op. De regels van het maatschappelijke verkeer proberen daar op procedurele wijze wat aan te doen, terwijl de regels die binnen een vereniging gelden of afgesproken worden, de inhoud van het betreffende samenzijn vorm en houvast geven.

Over die regels wil ik het nu niet verder hebben, omdat ze bijna oneindig kunnen variëren: de mores en reglementen van een bridgeclub zien er totaal anders uit dan die van een kerkgenootschap of een reizi­gers­vereniging. Eenmaal vrijwillig toegetreden, handelen wij in gebondenheid aan de regels van de desbetreffende vereniging; als deze niet bevallen, dan stappen we eruit of beginnen een nieuwe vereniging. De regels van het maatschappelijk verkeer zijn echter van een andere orde. Zij zijn nodig om de voorwaarden van de civil society in stand te houden en gelden daarom algemeen en wederkerig, daarom mogen we het morele regels of gebruiken noemen. Ik zal tot slot drie van deze regels bespreken.

Maatschappelijke regels als voorwaarden

Ten eerste dient ons gedrag voorbijgaand of niet-bezettend van aard te zijn, om de openheid, pluriformiteit en algemene toegankelijkheid van de civil society als medium te garanderen. Zo dreigt bijvoor­beeld rond een belangrijke voetbalwed­strijd niet alleen het stadion, maar de hele stad en het verkeerssysteem bezet te worden door de supporters van de twee clubs. Iedereen kent de intensiteit van dit samenzijn, maar ook het gevaar van het dreigende geweld en de ergernis bij de ‘gewone burgers’ omdat veel andere zaken erdoor ontregeld raken. Maar gelukkig duurt het maar een dag en gebeurt zoiets maar enkele malen per jaar; stel je voor dat dit elke dag zou gebeuren! Zelfs binnen de verenigingen wordt er voor gewaakt dat de aangegane verbanden open en voorbijgaand blijven, hoe intensief ze op een gegeven moment ook kunnen zijn. Wanneer de ver­banden al te definitief en allesomvat­tend worden, komt de desbetreffende vereniging op het domein van het private en dreigen er grenzen overschreden te worden, zoals blijkt uit het normatieve verschil dat wij maken tussen een kerkgenootschap en een sekte.

In de sociale contacten en groepen van de civil society wordt deze eis van voor­bijgaandheid gesteund door de eis van terug­houdendheid. Het eigen gedrag en handelen en dat van de andere personen mag de privaatheid van degenen die in de civil society met elkaar optrekken niet bedreigen of te na komen. Het gaat in de civil society altijd om een beperkte en vrijwillige transformatie van privaat naar publiek, niet om zich compleet bloot geven of iemand anders volledig opeisen. Dat roept schaamte en angst op. Etiquette, formaliteiten en fatsoensregels met betrekking tot privaat gedrag zijn de uitwerkingen van deze terughoudendheid. Binnen de vrije verenigingen zal die terughoudendheid misschien wat minder stringent zijn, maar de reglementen en gebruiken van zelfs de meer persoonlijke en intieme sociale verenigingen maken duidelijk dat er altijd een grens getrokken wordt tussen sociale en privécontacten, zoals bijvoorbeeld een bezoek aan een sauna al snel duidelijk maakt.

Tenslotte de meest belangrijke regel: de aard van het samen handelen als een door elke deelnemer vrijwillig en persoonlijk ondernomen manifestatie van zichzelf in het openbaar vraagt om algemeen respect voor elke actor als persoon. Het gaat hier om een neutrale, algemene vorm van erkenning, die juist geen onderscheid maakt tussen de onderling zo verschillende personen en die logisch voorafgaat aan de meer inhoudelijke en op de concrete persoon gerichte erkenning in het feitelijke sociale contact. Dit klinkt misschien erg abstract en vaal, maar in zijn negatieve verbodsvorm zal iedereen deze regel direct herkennen: gij zult niemand publiekelijk vernederen of zijn gezicht doen verliezen. Deze algemene fatsoensnorm moet zonder aanzien des persoons gelden om het persoonlijke sociale contact in de moderne samenleving mogelijk te maken.

Deze regels maken duidelijk dat het in de civil society gaat om een hoog-normatieve openbare ruimte, waarin een grote morele spanning bestaat tussen persoonlijk enga­gement, persoonlijke erkenning en terug­houdendheid. De kern van de kritiek op de mij voorgelegde stelling is dat ze die spanning in de civil society niet uitdrukt of tracht toe te dekken.

Literatuur

Arendt, H (1958) The Human Condition. Chicago: Chicago UP.

Felling, A. (2004) Het proces van individualisering in Nederland: een kwarteeuw sociaal-culturele ontwikkeling. Afscheidsrede KUN Nijmegen

Habermas, Jürgen (1962) Strukturwandel der Öffentlichkeit.

Hegel, Georg Wilhelm (1820) Grundlinien der Philosophie des Rechts. Hrsg. J. Hoffmeister, Hamburg: Meiner Verlag, 1955.

Putnam, Robert (1995) ‘Bowling Alone: America’s Declining Social Capital’ in Journal of Democracy 6, no.1, January 1995, pp. 65–78.

Sennett, Richard (1977) The fall of public man. New York: Knopf.

Taylor Charles, (1989) Sources of the self. The making of the modern identity. Cambridge: Cambridge University Press, (hfst 21 en 24).