Wat doet een goede burger in de ‘civil society’?

Machiel Karskens

Verschenenen in In de Marge, jaargang 14, 2005(2), 18-22.

Om deze vraag te beantwoorden begin ik met een definitie van de ideale burger. Mijn invalshoek is de burger in de open samenleving of ‘civil society’, dat is de publieke ruimte waarin iedereen terechtkomt die de deur van zijn eigen huis achter zich dicht trekt. De ideale burger is hier een privé persoon die in deze openbare of publieke ruimte actief bezig is om samen met anderen iets te doen of te onderne­men, zonder dat dit betekent dat zij daarom ook politiek actief of sociaal betrokken zouden zijn.

De ideale burger

Een ideale burger is hier op respectvolle, betrokken en afstandelijke wijze actief in het sociale verkeer. Een hufterige burger eist respect, gedraagt zich bezitterig en is opdringerig; het is de zelfverzekerde, net iets te hard pratende en te opzichtige aanwezige aso, die doet alsof de openbare ruimte een verlengstuk is van zijn huis. De schimmige burger is onzeker en schichtig, beschermt zichzelf en vermijdt openbare contacten; het is de bange burger die ‘s avonds maar liever thuis blijft, omdat het zo gevaarlijk is op straat. Ik moet bekennen dat ik van alle drie de typen iets heb. Wanneer ik op zaterdagavond in de binnenstad moet zijn dan ben ik een schimmige burger, die elk contact mijd met de halfdronken loltrappers die dan de stad menen te moeten bezetten. Wanneer ik in de openbaarheid mensen ontmoet die mij afweren of die op hun strepen gaan staan, dan kan ik bijzonder hufterig worden en mezelf op onaangename wijze aan de anderen opdringen. Wanneer ik naar een voorstelling ga, deelneem aan een manifestatie of in de club samen aan het sporten ben, dan sta ik open voor anderen, ben ik bij hen betrokken, maar voorkom ik tegelijk dat ik mij aan hen opdring of dat ik al te intiem met hen word.

Kortom, een goede burger weet een onpersoonlijk respect te combineren met echte betrokkenheid en genoeg afstandelijkheid om de relatie weer op tijd te kunnen beëindigen. Het gaat hier steeds om de sociale vraag hoe de burger zich als privé persoon in openbare gelegenheden moet gedragen, en niet om de politieke vraag wat een goede burger moet doen, waar James Kennedy het over heeft. In dat geval ziet een ideale burger er heel anders uit, het is een landgenoot die houdt van zijn land en die met trots en eerbied zijn of haar burgerplichten vervult. Deze civiele (‘civic’) burgerdeugden van Kennedy verschillen duidelijk van de sociale (‘civil’) deugden die ik aan u wil voorleggen.

Burgerdeugden

James Kennedy verwijst in zijn inaugurale rede naar professor Stout van Princeton University, die zegt dat er drie manieren zijn waarop Amerikanen het karakter van de ideale burger hebben beschreven, dat zijn de deugden die in het openbare leven naar voren horen te komen. Ten eerste is dat de eerbied: die kijkt naar het verleden, erkent de bronnen van ons bestaan en streeft de vooruitgang in het leven na. Ten tweede, de hoop die kijkt naar de toekomst; het gaat hier om onze capaciteit om ethische en politieke doeleinden na te streven, ook wanneer de kans op slagen niet zeker of niet groot is. Ten derde, de liefde of vrijgevigheid: die bindt ons aan diegenen met wie we onze tijd en onze omgeving delen. Ook al gaat het hier om publieke deugden die afgeleid worden van een pragmatische levensvisie, ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit een seculiere versie is van de geloof-, hoop- en liefdereeks van de Christenen en niet een herneming van de klassieke deugden van bezonnenheid, moed, ervarenheid en rechtvaardigheid.

Mijn probleem is dat deze voorstelling van zaken uitgaat van een gesloten samenleving, een land of natie, polis of staat in een vast afgebakende ruimte, die op zichzelf vanwege zijn bescherming, wetten, sociale voorzieningen en vanwege zijn (grootse) verleden als een gemeenschappelijk goed of bonum commune wordt ervaren. In de moderne, seculiere samenleving is het ideaal van deze staat de nationale staat met haar eigen geschiedenis of traditie, normen, economie en welvaart, en (democratische) constitutie. Burgers zijn deze staat en dragen ieder voor zich bij aan haar en dus hun eigen welzijn en welvaart. In tijden van nood zullen zij bereid zijn hun staat te beschermen en hun aanhankelijkheid aan het gemeenschappelijke goede van de staat te tonen. Dat heet patriottisme. In de wereld van de liberale democratische staten leeft bijna iedereen is zo’n soort natiestaat, maar de vraag is of mensen ook het gevoel hebben dat zij leven voor deze staat. Kennedy wijst er op dat USA-burgers op dat punt heel dubbelzinnig zijn. Zij voelen zich zonder meer Amerikaans patriot, maar verkondigen tegelijk dat zij uiteraard leven voor hun eigen belang, voor hun familie, werk, geloof, idealen of gewoon voor de lol. De staat heeft zich daar absoluut niet mee te bemoeien. Zij mag op de achtergrond aanwezig zijn en de veiligheid van de samenleving garanderen, maar zij is zeker niet het doel waarnaar wij streven. Hoe is deze dubbelzinnigheid ten opzichte van het openbare mogelijk? Volgens mij omdat de politieke ruimte van de staat en de sociale ruimte van de samenleving duidelijk van elkaar onderscheiden moeten worden, elk met haar eigen waarden- en normenpatroon.

Sociale deugden

De openbare ruimte of sociale omgeving waarin wij als privé personen leven, werken en genieten is op zichzelf evenmin een doel. Het is een ruimte of kader waarbinnen wij, ieder voor zich, vanuit onze eigen belangen en wensen contacten met andere mensen leggen. In die situatie zien de eerbied, hoop en vrijgevigheid, Stouts drie ideale karaktertrekken of deugden, er heel anders uit.

Wanneer we uitgaan van de privé persoon dan is de eerbied er allereerst een voor de eigen persoon, de gehechtheid aan wie en wat men is en zou willen zijn. De hoop bestaat uit de eigen levensidealen en uit de verwachting of openheid voor nieuwe of onverwachte zaken die het leven een nieuwe wending kunnen geven. En de liefde en vrijgevigheid bestaan uit de intieme liefde of eros voor de eigen familie en uit de vriendschap of philia voor de mensen aan wie we gehecht zijn, onze vrienden. Ten opzichte van hen zijn we niet zozeer vrijgevig, maar delen we uiteraard met hen wat we hebben, het zijn onze naasten.

Wanneer het hierbij zou blijven, dan zou men terecht kunnen tegenwerpen, zoals veel critici van het liberale wereldbeeld ook doen, dat deze ideale privé personen wel erg opgesloten zitten in een narcistische fixatie op zichzelf en hun eigen gezinnetjes. Zij zijn compleet geïndividualiseerd, en dat niet in de kritische betekenis van een bevrijding van van buitenaf opgelegde normen en noodzakelijkheden, maar in de betekenis van een egocentrische binding aan subjectieve wensen en voorstellingen.

Maar dat is niet het probleem. In de sociale omgang met anderen binnen de ‘civil society’ geeft die egoïstische privé persoon zich juist bloot en moet zij of hij rekening houden met andere mensen en wensen. Waar het daarbij wel om gaat is dat wij het bestaan en de waarde van die anderen als privé persoon tot uitgangspunt moeten nemen. Want op deze wijze willen de andere mensen in de samenleving kunnen verschijnen, geven zij zich bloot of dringen zij zich op. De ‘civil society’ is de overgangszone waarin mensen vanuit hun beslotenheid en privé bestaan in het openbaar met elkaar verkeren. Daarop moeten we ons beeld van de ideale burger baseren.

Respect

Voorop staat dan dat wij de anderen juist als privé persoon erkennen en accepteren. De deugd van gehechtheid en eerbied wordt nu tot een algemeen respect dat we aan iedereen, die we in het openbaar ontmoeten, moeten betuigen als uitgangspunt voor sociaal contact. Respect betekent erkenning bij de ander van zijn gehechtheid aan zichzelf, van het feit dat zij of hij een volwaardige persoon is, nog afgezien van wat zij of hij feitelijk zal blijken te zijn en te doen in de sociale omgang en interactie waar dit respect de voorwaarde voor is. Tegenwoordig hoor je mensen, vooral jongeren, vaak openlijk respect eisen. Ik interpreteer dat als een verzoek om contact en als een reactie op een gevreesde afwijzing of uitsluiting van contact. Zo’n interpretatie kost mij overigens wel moeite, omdat zo’n directe en onvoorwaardelijke eis van respect wel erg egocentrisch overkomt, wanneer de betrokkene nog op geen enkele manier heeft laten zien dat zij of hij dat respect ook verdient. Maar daar gaat het niet om bij dit algemene, nogal formele en dus vormelijke respect. Het gaat om het wederzijds accepteren en openstaan voor de ander als handelingspartner, dat nodig is om een sociaal contact aan te kunnen gaan. Pas daarna in of als resultaat van ons samen-handelen kunnen we meer zakelijk en precies vaststellen wat die ander nu echt waard was en in te brengen had. Op dat moment waarderen we haar of hem als partner, ook al gaat het maar om een tijdelijk en voorbijgaand partnerschap.

Open en afstandelijk

Tot zover de deugd van geloof of eerbied. Hoe staat het in de ‘civil society’ met de hoop? Die ondergaat een merkwaardige transformatie, die alles te maken heeft met de aard van de ‘civil society’ als een onbeperkte open overgangsruimte die altijd open moet blijven en niet zomaar bezet mag worden, noch door het algemeen belang, noch door de privé belangen van particulieren. Wat wij in de toekomst in de samenleving met elkaar gaan doen, dat is absoluut onbepaald. Allerlei leuke of moeilijke sociale verbanden en activiteiten kunnen daar mogelijk zijn, zonder dat we daar op voorhand een grens of doel aan kunnen stellen. De ‘civil society’ is op zichzelf geen project waar we aan werken en dat we ooit af zullen krijgen. Het is een open domein van mogelijkheden en kansen. De ideale houding van de mensen die zich in deze openbare ruimte begeven moet er zelf een zijn van openheid en paradoxalerwijs tegelijk een van vormelijke afstandelijkheid en voorbijgaandheid, die nodig is om de sociale ruimte open te houden en ruimte te geven aan anderen. Een goede ‘civil society’ bruist van de activiteiten, maar geen daarvan mag zo indringend zijn dat zij geen ruimte meer laat voor andere initiatieven. Ook met het oog op het respect voor de privaatheid van de anderen is die afstandelijkheid vereist. Wanneer ik die afstand vergeet, dring ik mij aan de ander op en dreigen onze sociale contacten en gemeenschappelijke bezigheden om te slaan in privé aangelegenheden waarvoor andere deugden gelden. De critici van het liberalisme en van de liberale samenleving wijzen vaak op dit punt om de schraalheid of het proceduralisme van de moderne samenleving aan de kaak te stellen. Ik zou daar tegenover de openheid, afstandelijkheid en voorbijgaandheid in het sociale verkeer juist als een deugd willen voorstellen, die ons tegen elkaars opdringerigheid beschermt, maar die ons vooral de ruimte geeft voor de toekomst om weer opnieuw en als nieuw met elkaar om te gaan.

Betrokken en gastvrij

Hoe staat het tenslotte met de liefde en vrijgevigheid in de ‘civil society’? De genereusheid van de privé persoon bestaat voor een deel al uit het feit dat zij of hij zich in zekere zin – en altijd met mate – blootgeeft door in de openbaarheid te treden, maar dat is niet voldoende. Het gaat uiteindelijk om wat wij daar met elkaar aan het doen zijn, waarom dat goed is en de moeite waard. Dat vraagt van de betrokkenen allereerst zakelijkheid en betrokkenheid op elkaar vanwege de goede zaak die we samen aan het uitvoeren zijn. Deze goede zaak hoeft echter niet altijd buiten dat handelen te liggen, zoals het geval is bij een doelgerichte samenwerking. De waarde van de ‘civil society’ bestaat er juist uit dat deze goede zaak de sociale omgang zelf is. Vandaar dat wij spontaan aan allerlei verenigings- en sportactiviteiten denken, wanneer we het over de ‘civil society’ hebben. Sociaal verkeer is met andere woorden een praxis, iets dat gedaan wordt om het doen zelf. De deelnemers die zich dit realiseren zijn geen pure privé personen meer, zij zijn als deelnemers volledig betrokken bij elkaar en dus bij het meer algemene belang van dit sociale verkeer. Maar dat betekent niet dat zij hun status van privé persoon verliezen. Hun betrokkenheid blijft voorbijgaand en tijdelijk, zoals we hierboven gezien hebben, en uiteindelijk zullen zij zich weer moeten terug trekken in hun privé domeinen. Maar blijft dit toch niet een beetje schrale betrokkenheid? Voor zover de deelnemers aan het sociale verkeer zich juist vanuit hun status als privé persoon open stellen om zich met anderen te engageren en bij hen betrokken te zijn, zou ik ze tenslotte ook gastvrij willen noemen. Gastvrijheid is geen burgerdeugd, maar typisch een deugd van de privé persoon die zichzelf en zijn privé domein vrijwillig openstelt voor de vreemde ander. Het publieke domein is de plaats waar wij allen min of meer vreemd zijn. Wanneer wij ons dat domein willen eigen maken of het willen bezitten, dan gedragen wij ons als hebberige privé personen, hufters dus. Wanneer wij onszelf daar waar willen maken juist als sociaal geëngageerde privé personen dan moeten wij onze privaatheid openstellen voor anderen en dus gastvrij zijn.

Kortom in het sociale verkeer is eerbied respect voor de ander, is hoop openheid en afstandelijkheid, is vrijgevigheid of liefde zakelijke betrokkenheid en gastvrijheid. De ideale burger is hier iemand die zich juist met anderen engageert om zichzelf als privé persoon niet te verliezen.