Frans Kamsteeg
Identiteit op het werk. De problematiek van christelijk-maatschappelijk organisaties onderzocht
Verschenen in Markant, jaargang 2003, nummer 3, pp. 14-18
In de NRC van 22 november 2003 stond een bericht dat meldde dat katholieke scholen weer trots zouden zijn op hun identiteit en die trots ook weer durven tonen. Zelfs leerlingen zouden verwijzingen naar katholieke symbolen niet langer als ouderwets of achterhaald beschouwen. De katholieke nestgeur, de kruisbeelden en de bezinnende sfeer: docenten durven er weer voor uitkomen zich daarbij thuis te voelen. Overigens kopt het artikel met "Kruistocht tegen de hoofddoek". Rekatholisering heeft blijkens diverse actoren die aan het woord komen dus ook een onderwijspolitiek doel: het tegengaan van de groei van de islamitische leerlingenpopulatie.
Datzelfde NRC van 22 november beschrijft de NCRV onder Kees Klop. Deze omroepvoorzitter wordt ondervraagd over de veel getoonde en gerepeteerde organisatiewaarden 'respect, vertrouwen, liefde en fatsoen'. Deze waarden roepen intern gemengde reacties op bij medewerkers van de protestants-christelijke omroepvereniging. Voor de een zijn ze niet onderscheidend genoeg, voor de ander worden ze intern niet gepraktiseerd, maar de voorzitter -gekarakteriseerd als een steile, dominante man- meent dat zijn NCRV wel degelijk een duidelijke identiteit heeft.
Het recente proefschrift van Geurt van Hardeveld, Bijzonder Bekwaam (2003), over het belang van (christelijke) identiteit op basisscholen, geeft aan dat het thema ook in wetenschappelijke kring de aandacht heeft. Dat de auteur bij de Onderwijsinspectie werkzaam is vormt hier slechts een pikant detail. Hij concludeert dat veel scholen nog wel een identiteit bezitten, maar dat dit veelal een dode letter in de schoolgids is die geen concrete invulling in de dagelijkse lespraktijk meer krijgt. De zuilen staan er nog, zo zou gesteld kunnen worden, maar ze zijn tot lege hulzen uitgehold. Tot een vergelijkbare conclusie ben ik zelf ook al eens gekomen waar het gaat om de katholieke ontwikkelingssamenwerking (Kamsteeg, 2002) en ook Auke van Nijen's voorbeelden uit In het bijzondere ligt onze kracht (2003) getuigen hier regelmatig van. Het is dan ook mijn stellige overtuiging dat het hier om een zeer breed verschijnsel gaat binnen maatschappelijke organisaties die uit die verzuiling zijn voorgekomen. In deze zogenoemde christelijk-maatschappelijke organisaties (cmo's) hebben processen plaatsgevonden waardoor identiteitsdiscussies ofwel uit verlegenheid worden vermeden, dan wel schouderophalend worden behandeld en een plaats aan de rand van de dagelijkse praktijk krijgen. Wat zit daarachter?
De verhoudingen in de civil society of zoals we dat in Nederland in navolging van Zijderveld zijn gaan noemen, het maatschappelijk middenveld, zijn sinds de jaren '50 aan het schuiven gegaan (Lijphart 1968, Hupe & Meijs 2000). Deze naast de overheid en de markt fungerende sociale sfeer van onderwijs, gezondheidszorg en welzijnsinstellingen, etc. is meer en meer gehybridiseerd. Zij wordt gedomineerd door een mix van staat, markt en civil society logica en bijbehorende verschijningsvormen. Rollen en verantwoordelijkheden verwijzen meer naar "hybrid governance" dan naar onderscheiden bestuurlijke taakopvattingen. Gesteld kan worden dat in de zich uitbreidende welvaartsstaat christelijke zuilorganisaties steeds meer zijn veranderd in semi-statelijke, dienstverlenende instellingen, waarbij veel van het verenigings- en ideologische karakter verloren is gegaan. Het is een proces waarin op vrijwilligheid gestoelde privé-initiatieven langzamerhand zijn overgaan in non-profitinstellingen die op hun beurt weer hybride dienstenindustrieën zijn geworden, een proces waarin de civil society of het middenveld feitelijk dreigt op te lossen. Het is een proces dat bovendien parallel loopt met een verregaande secularisering van de samenleving.
Het onderzoeksproject: vrijwilligheid, professionaliteit en identiteit
De hierboven kort aangeduide processen verdienen het vanuit wetenschappelijk perspectief empirisch onderzocht te worden. Hoe werken ze uit voor al die mensen die in christelijk-maatschappelijke organisaties werkzaam zijn? Speelt (christelijke) identiteit (nog) een rol in hun werk en de wijze waarop zij dit uitoefenen? Als onderzoeker bij de afdeling Cultuur, Organisatie en Management van de Faculteit Sociale Wetenschappen van de VU -zelf een van die geëvolueerde christelijk-maatschappelijke organisaties- houd ik mij met deze vragen bezig. Maar vanuit het veld zelf is eveneens de roep om meer kennis en inzicht. Zo is er een werkgroep Vrijwilligheid en Engagement in Christelijk-maatschappelijke organisaties gevormd, resultaat van de samenwerking tussen de stichting SOCIRES en het Christelijk Sociaal Congres (CSC)-"een bundeling en platform van omstreeks 30 uiteenlopende maatschappelijke organisaties die zich op grond van hun statuten op hun christelijk-sociale identiteit willen laten aanspreken" (www.stichting-csc.nl). Een van de activiteiten van deze werkgroep bestaat uit onderzoek in een reeks van in het CSC deelnemende organisaties of bij hen aangesloten lidorganisaties. Voornaamste doel van het project -dat door mij wordt uitgevoerd met inzet van een groep VU doctoraalstudenten- is inzicht verwerven in de aard van de veranderingen in de praktijk van christelijk-maatschappelijke organisaties uit het middenveld waar het gaat over identiteitsaspecten, in bijzonder met betrekking tot de vrijwilligersproblematiek. Dit inzicht kan voor de betrokken instellingen resulteren in een type kennis dat hun de gelegenheid biedt zelf het beleid te 'herijken' en nieuwe initiatieven te nemen tot 'revitalisering'.
Het project behandelt de vraag of genoemde kwalitatieve maatschappelijke veranderingen in de Nederlandse verzuilde samenleving inderdaad tot gevolg hebben gehad dat de vermeende civiele effecten van christelijk-maatschappelijke organisaties zijn verzwakt. Zoals Dekker (2002), in navolging van Putnam (1993, 2000), aangeeft betreft het hier de vorming van sociaal kapitaal dat bijdraagt aan de kwaliteit van menselijk samen-leven en de vergroting van een democratische attitude. Hebben de groei en wijziging in oriëntatie van cmo's de kans op dergelijke effecten aangetast en vooral hoe werkt dat uit in concrete organisatieprocessen waar mensen van vlees en bloed bij betrokken zijn? Deze vragen klemmen des te meer, omdat het helemaal niet zo is dat deze organisaties ook van het toneel zijn verdwenen -het bestaan van het CSC, maar ook andere verbanden bewijst dit. Het is juist door middel van empirische studies van de interne veranderingsprocessen bij cmo's, steeds in relatie met de externe context, dat gezocht wordt naar de substantie van de vaak als lege hulzen aangeduide cmo-identiteiten. In een samenleving die zich beweegt van "substance to image" (Alvesson 1990) is dit een reële uitdaging.
Dit project moet ook bezien worden tegen de achtergrond van de actuele maatschappelijke discussie over betrokkenheid van burgers bij de publieke zaak en het normen-en-waarden debat. In een samenleving die steeds sterker gedomineerd wordt door markt en staat voelen burgers zich steeds minder betrokken en nemen zij minder verantwoordelijkheid voor elkaar en voor diezelfde samenleving. Dit proces wordt ook wel aangeduid als een verzwakking van sociale cohesie. Dit klassieke thema in de sociale wetenschappen denk aan Weber, Durkheim, Tönnies, Simmel e.a.) krijgt onder allerlei benamingen (participatie, binding, betrokkenheid, vertrouwen etc.) momenteel veel aandacht van maatschappelijke en (semi-)overheidsinstellingen (NWO, SCP, NIZW, VWS, RMO, KUB, VU, CSC, Verwey-Jonker Instituut, Forum, etc.), maar ook van (organisatie)wetenschappers (b.v. Warren 1999). Het gaat daarbij steeds om de vraag of er (nog) een rol is weggelegd voor die 'tussenlaag' tussen individu, staat en markt in een (post-)moderne samenleving en zo ja, welke? Wat is, met andere woorden, de aard en functie van de 'civil society' of 'maatschappelijk middenveld', en in het bijzonder voor het zich als christelijk profilerende deel daaruit? Bestaat er b.v. nog zoiets als katholiek (of mutatis mutandis protestants-christelijk) organiseren in de huidige netwerksamenleving, zoals bijzonder hoogleraar in de maatschappelijke bestuurskunde te Tilburg, Wim van de Donk in zijn De gedragen gemeenschap (2001) betoogt?
In de nadagen van, of positiever geformuleerd, de herpositionering van de klassieke zuilen in Nederland (protestant, katholiek, socialistisch/neutraal) is juist binnen organisaties die tot de levensbeschouwelijke zuilen behoren bezinning op de eigen identiteit en taak op gang aan het komen. Modernisering, verzakelijking en secularisering laten immers ook hier duidelijke sporen na die specifieke problemen aan het licht brengen, zoals de spanning tussen professionaliteit en identiteit (v.d. Loo 1997). Concreet wordt deze spanningzichtbaar in het vraagstuk van vrijwilligheid, een belangrijk bestanddeel van de meeste klassieke zuilorganisaties. Bij de grote veranderingen die deze organisaties de laatste 25 jaar hebben ondergaan op het terrein van organisatie en management is juist bij de gemengde inzet van vrijwillige en professionele capaciteit van burgers voor en in deze organisaties de identiteitskwestie krachtig naar voren gekomen. Enerzijds zijn het gedragingen en oriëntaties van de leden (werknemers, professionals, managers, vrijwilligers) van deze organisaties die de organisatie-identiteit problematisch maken (de binnenkant van de organisatie), maar het zijn ook de afnemers (klanten) die vragen stellen bij de specifieke identiteitsgekleurde 'producten' van middenveldsorganisaties.
In dit onderzoeksproject worden tot nu toe zes velden/organisaties bestreken. Drie deelprojecten zijn afgerond. Het eerste betreft een identiteitsonderzoek bij twee Protestants-christelijke basisscholen in de Betuwe (onder de titel Dekt de vlag de lading nog?, uitgevoerd door Jiske Klein). De centrale onderzoeksvraag van dit onderzoek luidt: hoe wordt door de directie, de leerkrachten en de ouders van protestants-christelijke basisscholen betekenis en invulling gegeven aan de identiteit van hun school? Het tweede project, Identiteit onder constructie betreft een kwalitatieve analyse van de interne en externe beeldvorming bij een training en adviesorganisatie met wortels in de christelijk-sociale beweging, uitgevoerd onder werknemers en vrijwilligers van een van haar klantenorganisaties (door Mathilde Elsinga). Onderzocht is hoe werknemers hun organisatie-identiteit en imago construeren, en waarin die verschillen van de reputatie van de organisatie zoals die leeft onder vrijwilligers van een van haar klantorganisaties. Het laatste project, Identiteit in grijs waarden: een casestudy naar de veranderende organisatie-identiteit en -identificatie bij een interconfessioneel ROC (uitgevoerd door Vincent de Ruijter) richt zich weer op het onderwijsveld. De centrale vraag van dit onderzoek luidt hoe de bestuurlijk geformuleerde interconfessionele organisatieidentiteit van een groot ROC zich verhoudt tot de identiteitsbeleving van docenten in twee voormalig ideologisch verschillende divisies van dit ROC.
Identiteit: een constructief concept in de praktijk
Wat hebben we tot nu toe geleerd uit de onderzoeken die in deze scripties worden weergegeven? Eén -belangrijk- ding is dat identiteit blijkt te leven, maar dat christelijke identiteit tegelijk een gefragmenteerd begrip is. Individuen in de postmoderne samenleving gaan er constructief mee aan de gang. Mensen zijn in de eerste plaats betekenisgevers - en zo vormen zij cultuur, de basis van identiteit. In een nog niet zo lang verleden tijden waren de bronnen voor die betekenisgeving betrekkelijk onbetwist, maar dat is niet meer zo. Wat voor individuen geldt, geldt ook voor organisaties. Daar is eveneens de behoefte aan betekenisgeving, cultuurvorming en identiteitsprofilering onveranderd groot, maar ook daar -en in het bijzonder in organisaties voortkomend uit de verzuiling- is er geen eenduidig en geïntegreerd beeld meer van wat zo´n identiteit moet zijn en hoe die vorm moet krijgen in de dagelijkse organisatiepraktijk. Sierk Ybema (2003) beschrijft b.v. indringend hoe bij de dagbladen Trouw en De Volkskrant de redactieleden elkaar bestrijden in hun pogingen die identiteit vorm te geven. Nostalgie naar de heldere religieuze ordeningsprincipes uit de verzuiling wordt daarbij geprojecteerd in een toekomst waarin een nieuwe helderheid zou moeten ontstaan (hij noemt dit postalgie). Iets dergelijks horen wij ook doorklinken in de uitspraken van mensen die in de tot nu toe onderzochte organisaties werken. Maar in een context waar rationalisering, schaalvergroting en sterk 'managerial' gedomineerde organisatieverandering (vaak onder de vlag van professionalisering) de boventoon voeren, komen die betekenisgeving en identiteitsconstructie in de knel. De identiteitsvraag wordt dan ofwel overgeslagen of op een directieve wijze ingezet. Mensen voelen zich gepasseerd, of erger, in de steek gelaten met hun identiteitsvragen en dilemma´s.
In de teksten van de afgeronde deelonderzoeken lag nog relatief weinig nadruk op het (identiteitsgekleurde) vrijwilligerswerk. Het was wel de inzet van de Actioma/Socires conferentie om "een daadwerkelijke impuls [tel] geven aan de innovatie van vrijwillige inzet in/vanuit levensbeschouwelijke verbanden" of zoals ik ze noem, cmo's. In dit artikel is vooral ingegaan op wat er momenteel gaande lijkt met het levensbeschouwelijk karakter -ik spreek liever van identiteit- van cmo's. Mijns inziens bieden dergelijke empirisch gefundeerde inzichten ten aanzien organisatie-identiteiten belangrijke handvatten om te beoordelen hoe identiteitsgekleurd vrijwilligerswerk er momenteel uitziet en vooral welke kansen en uitdagingen hier nog liggen. Twee lopende onderzoeksprojecten -bij de CNV en bij de NCSU- lijken te suggereren dat een (christelijke) identiteit mensen wel tot vrijwillige inzet drijft, maar dat paradoxaal genoeg de invulling van die vrijwilligheid eigenlijk geen vrijwel kleur (meer) heeft. Voor de profilering van de organisaties is dit mogelijk een serieus probleem, maar of dit voor vrijwilligers ook zo is, daarover kan verder onderzoek wellicht meer helderheid verschaffen.
Literatuur
- Albert, Stuart & David A. Whetten (1985) 'Organizational Identity'. In L.L. Cummings en
B.M. Staw (red.) Research in organizational behaviour 7. Greenwich CT: JAI, pp. 263-295
- Alvesson, Mats (1990) Organization: From Substance to Image? Organization Studies 11/3: 373-394
- Dekker, Paul (2002), De oplossing van de civil society. Den Haag: SCP.
- Donk, van de, Wim (2001), De gedragen gemeenschap. Den Haag: SDU.
- Hardeveld, G. van (2003) Bijzonder bekwaam. Amersfoort: CPS
- Hupe, Peter en Lucas Meijs (2000), Hybrid Governance, The Impact of the Non-profit
Sector in the Netherlands, Den Haag: SCP
- Kamsteeg, Frans H. (2001) 'Het voortbestaan van de katholieke ontwikkelingssamenwerking:
over cultuur en identiteit in een fusieproces'. In: Bartels, Edien, Anton van Harskamp
and Harry Wels, Cultuur maken, cultuur breken. Essays over mogelijkheden en onmogelijkheden
van invloeden op cultuurverandering. Delft: Eburon, pp. 87-103.
- Lijphart, Arend. (1968) The Politics of Accommodation: Pluralism and Democracy in the
Netherlands. Berkeley, CA: University of California Press.
- Loo, Hans van der en W. van Reijen (1997 [1993]) Paradoxen van modernisering, Bussum: Coutinho
- Nijen, Auke van (2003) In het bijzondere ligt onze kracht. Invulling geven aan identiteit. Kampen: Kok.
- Putnam, Robert D. (1993) Making Democracy Work. Princeton: PUP
- Putnam, Robert D. (2000) Bowling Alone. New York: Simon & Schuster.
- Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2002) Geen woorden maar daden. Bijdrage aan
het normen- en waardendebat. Den Haag: SDU
- Warren, Mark E. (1999) Democracy & Trust. Cambridge: Cambridge UP
- Ybema, Sierk (2003) Vertogen over identiteit bij Trouw en de Volkskrant. Amsterdam: Vrije Universiteit
Dr. Frans H. Kamsteeg is verbonden aan Vrije Universiteit Asmsterdam, Faculteit Sociale Wetenschappen, afdeling Cultuur, Organisatie & Management. Hij doet onderzoek naar de aard van de veranderingen in de praktijk van christelijk-maatschappelijke organisaties, met name over identiteitsaspecten, in het bijzonder met betrekking tot de vrijwilligersproblematiek.